Gepubliceerd: 21 juni 2021
Indiener(s): Fleur Agema (PVV)
Onderwerpen: jongeren zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35833-5.html
ID: 35833-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 21 juni 2021

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

       

I.

ALGEMEEN

1

       
 

1.

Inleiding

2

 

2.

Verlenging duur pleegzorg

2

 

3.

Het vervallen van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en machtigingen tot gesloten jeugdhulp

9

 

4.

Regeldrukgevolgen

10

 

5.

Financiële gevolgen

10

 

6.

Internetconsultatie

10

 

7.

Overig

13

I. ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Jeugdwet en enkele andere wetten in verband met de verlenging van de duur van pleegzorg en het vervallen van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp (hierna: het wetsvoorstel).

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel waarin verlenging van de duur van pleegzorg en het vervallen van de verleningsbeschikking bij machtiging tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp aan de orde komt. Deze leden hebben met interesse dit wetsvoorstel gelezen. Zij hebben in dit verband nog enkele vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daarover nog de nodige vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij zijn er verheugd over dat er meer zekerheid komt voor jongeren die afhankelijk zijn van pleegzorg en voor hun (toekomstige) pleegouders. Ook voor gemeenten heeft deze wetswijziging veel voordelen. Zij hoeven nu niet meer met pleegzorgaanbieders in gesprek over het verlengen van een pleegcontract na de 18e verjaardag van de jongere. Hierdoor krijgen zij meer tijd om de pleegjongeren te begeleiden en voor te bereiden op zelfstandigheid. Genoemde leden hebben nog wel een paar vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie staan zeer positief tegenover dit wetsvoorstel dat de verlenging van de duur van pleegzorg regelt van 18 naar 21 jaar. Wel hebben genoemde leden nog enkele vragen.

Het lid van de fractie van BIJ1 steunt dit wetsvoorstel dat het recht op pleegzorg met bijbehorend recht op begeleiding, pleegvergoeding en een vertrouwenspersoon verlengt. Genoemd lid vindt het positief dat hiermee extra zekerheid kan ontstaan in de relatie tussen pleegouder(s) en kind(eren) en dat er een basis gelegd wordt om langere tijd toekomstgericht met deze jongeren te werken binnen de pleeggezinnen. Zeker gezien de huidige crisis op de woningmarkt, waardoor jongeren gemiddeld langer thuis blijven wonen vanwege de woning schaarste en/of te hoge kosten ervan.

1. Inleiding

Het lid van de fractie van BIJ1 vindt het jammer dat pleegzorg tot het 21e levensjaar de norm wordt, terwijl dit tot 23 jaar alleen bij uitzondering mogelijk blijft. Wanneer een jongvolwassene 21 tot 23 jaar oud is, is het nog steeds de gemeente die over diens leven beslist in plaats van dat de jongere met zelfbeschikking kan besluiten wanneer diens traject stopt. Wat genoemd lid betreft zou de mogelijkheid van pleegzorg tot het 23e jaar dan ook geen uitzondering maar de norm moeten zijn, aangezien het menselijk brein ook in die jaren nog volop in ontwikkeling is.

2. Verlenging duur pleegzorg

De leden van de D66-fractie vragen of geïnventariseerd is of met deze wetswijziging de vraag naar pleegouders toeneemt, omdat jeugdigen vermoedelijk langer bij pleegouders blijven. Hoe wordt bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gewerkt aan het verbeteren van het aanbod?

De leden van de D66-fractie erkennen dat deze wijziging een oplossing biedt voor veel jongeren bij wie het voordelig is om de pleegzorg te continueren na het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Wat is bekend over het effect dat het al dan niet continueren van pleegzorg na de 18-jarige leeftijd heeft op de kwaliteit van leven en de zelfstandigheid van deze jongeren op latere leeftijd? Is er een groep jongeren waarvoor het uiteindelijk beter is om wel op jongere leeftijd zelfstandigheid op te bouwen en zo ja, hoe groot is die groep? Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat zij met deze wetswijziging niet ontmoedigd worden om zelfstandig te leven als dat wel de beste oplossing voor hen is? Daarnaast vragen deze leden naar het risico dat het gesprek over de toekomst van de jeugdige vanaf het 16e jaar minder wordt gevoerd of op een later moment wordt gevoerd, aangezien het gemakkelijker is geworden om de pleegzorg door te zetten. Welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen?

De leden van de PVV-fractie willen weten of deze wetswijziging van invloed is op jongeren die in gezinshuizen wonen.

Het lid van de fractie van BIJ1 leest dat onder paragraaf 2 in de memorie van toelichting wordt benadrukt dat pleegkinderen wanneer ze 18 jaar worden vaak nog niet toe zijn aan volledige zelfstandigheid en nog hulp en ondersteuning van hun pleegouders nodig hebben. Genoemd lid stelt dat dit niet alleen geldt voor jongeren uit de pleegzorg. Dit geldt immers ook voor jongeren die andere vormen van jeugdzorg ontvangen. Wat betreft het lid van de fractie van BIJ1 zouden alle jongeren dan ook de mogelijkheid moeten hebben om langer steun te ontvangen en zelf moeten kunnen besluiten op welk tijdstip het voor hen past om eventueel de overstap te kunnen maken naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) of naar de volwassen geestelijke gezondheidszorg (ggz).

Het lid van de fractie van BIJ1 ziet het liefst geen harde leeftijdsgrens en wil naar een jeugdzorg waarin daadwerkelijk gedacht wordt vanuit de behoeften van jongeren in plaats van vanuit het handelen op basis van de beperkingen van het systeem. Genoemd lid heeft juristen gesproken die aangaven dat het mogelijk zou moeten zijn om de leeftijdsgrens van 18 jaar gewoon uit de Jeugdwet te schrappen en vraagt daarom ook aan de regering of zij inhoudelijke in plaats van de gebruikelijke juridische en financiële argumenten kan aanvoeren waarom er nog steeds niet voor gekozen wordt de leeftijdsgrens voor de jeugdzorg breed te verleggen naar 23 jaar c.q. op te heffen. Het lid van de fractie van BIJ1 signaleert dat er rondom het probleem van de leeftijdsgrens veel onderzoek gedaan wordt en ziet allerlei projecten en werkwijzen ontwikkeld worden, maar vindt het echt tijd worden voor systeemverandering in plaats van symptoombestrijding. Is de regering het met genoemd lid eens dat er meer nodig is om de harde knip van de jeugdzorg rond het achttiende levensjaar daadwerkelijk op te lossen? Zo ja, wat dan?

2.1 Begeleiding van de pleegzorgaanbieder en pleegvergoeding

De leden van de D66-fractie lezen dat de pleegouder een pleegvergoeding ontvangt voor de jeugdige aan wie hij pleegzorg verleent. Het betreft een vergoeding voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige. Het betreft dan kosten voor eten en drinken, kleding, verzorging, sport, zakgeld, vakantie en kleine schoolspullen. De pleegouder ontvangt hiervoor een vast bedrag per dag. Is er reeds onderzoek gedaan naar de onkosten die pleegouders gemiddeld maken voor hun pleegkinderen? Is bekend hoe deze vergoeding zich verhoudt tot bijvoorbeeld (de kosten van) kinderopvang, part- of fulltime werken en het inkomen van een huishouden?

De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de regering verwacht of de kosten voor levensonderhoud gaan stijgen nu het pleegkind meerderjarig is. Zo ja, aan welke kosten wordt dan gedacht?

De leden van de SP-fractie constateren dat pleegouders een vergoeding kunnen krijgen tot het pleegkind 21 jaar is. In het voorliggende wetsvoorstel wordt echter geregeld dat de pleegzorg bij uitzondering kan worden doorgefinancierd tot het kind 23 jaar is. Tot welke leeftijd is precies de pleegvergoeding voor pleegouders geregeld? Kan de regering daar meer duidelijk over geven?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de pleegvergoeding geen inkomen is en daarmee geen invloed heeft op de door de pleegouder te ontvangen uitkeringen of toeslagen. Genoemde leden menen echter dat de pleegvergoeding een middel is dat wel van invloed is op de hoogte van de uitkering van het pleegkind, op grond van artikel 31 van de Participatiewet. In het eerste lid van artikel 31 Participatiewet is namelijk beschreven dat tot de middelen mede worden gerekend die middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van het belanghebbende pleegkind door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. Deze leden stellen vast dat een jongere vanaf 18 jaar recht heeft op bijstandsuitkering, en daarbij geldt tot 21 jaar de jongerennorm, oftewel verlaagde bijstand in verband met de onderhoudsplicht van de ouders. Een jongere kan eveneens op grond van artikel 12 van de Participatiewet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

De leden van de PvdA-fractie vragen of dit recht op bijstand ook geldt voor kinderen in de pleegzorg. De pleegzorgvergoeding aan ouders is aanzienlijk hoger dan de bijstandsnorm voor jongeren tussen 18–21 jaar. Op grond van artikel 31 van de Participatiewet betekent dit dat pleegkinderen geen recht zouden hebben op bijstand, waar de biologische kinderen van deze pleegouders dit wel hebben. Is de regering het eens met genoemde leden dat een dergelijke rechtsongelijkheid onwenselijk is? Zo niet, waarom?

De leden van de PvdA-fractie vragen eveneens aan de regering of de pleegvergoeding wordt gekort op de uitkering van de pleegouders, op basis van artikel 31.2a van de Participatiewet, indien het pleegkind wél een bijstandsuitkering zou ontvangen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat de kostendelersnorm wel wordt toepast op de uitkering van pleegouders als het pleegkind tussen 21 en 23 jaar oud is en inkomsten ontvangt uit werk. Genoemde leden vragen tevens welke gevolgen er zijn voor de toeslagen van pleegouders als zij pleegzorgvergoeding ontvangen voor een pleegkind tussen 21 en 23 jaar.

Deze leden constateren dat voor jongeren tussen de 21 en 23 jaar met een bijstandsuitkering, wier pleegouders een pleegzorgvergoeding ontvangen, geldt dat zij gekort worden op basis van artikel 31 Participatiewet, net zoals dat de kostendelersnorm wordt toegepast. Deze leden vragen de regering om hierop te reflecteren.

Leeftijd pleegkind

Hoogte bijstand per 2019

Hoogte pleegvergoeding per 2019

18–21 jaar

€ 253,17 (incl. vakantietoeslag)

€ 690

21–23 jaar

€ 1.025,55 (incl. vakantietoeslag)

€ 690

21–23 jaar met kostendelersnorm

€ 634,86 (incl. vakantietoeslag)

€ 690

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de pleegouder begeleiding ontvangt van de pleegzorgaanbieder, maar dat niet altijd bepaald is waaruit deze begeleiding bestaat en wat de omvang hiervan is. Waarom staat dat niet vast? Ontstaan er hierdoor geen enorme verschillen tussen pleegzorgaanbieders? Is er niet een minimale vereiste waaraan deze begeleiding moet voldoen? Is de begeleiding altijd voldoende en wordt daar onderzoek naar gedaan? Krijgt de pleegouder ook extra ondersteuning in de begeleiding van het pleegkind in de keuze omtrent de voortzetting van de pleegzorg na het 18e jaar?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen voorts dat in het wetsvoorstel wordt geconcludeerd dat het goed zou zijn als een onderdeel van de begeleiding zou bestaan uit het bespreken van het toekomstperspectief van de jeugdige, bijvoorbeeld door het opstellen van een toekomstplan. Dit wordt mede gedaan omdat beëindiging van de pleegzorg de nodige voorbereiding vereist. Zijn pleegouders voldoende in staat om zo’n gesprek aan te gaan en een dergelijk toekomstplan te maken? In welke mate worden zij hierin begeleid? Wil de regering het maken van zo’n toekomstplan verplichten?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de vergoeding die pleegouders ontvangen voor het pleegkind altijd voldoende is. Wordt daar onderzoek naar gedaan? Hoe komt die vergoeding tot stand? Is er in de vergoedingensystematiek voldoende aandacht voor kinderen met een bijzondere en continue zorgvraag? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de motie-Westerveld, 1 waarin aan de regering wordt gevraagd om met de Belastingdienst in gesprek te gaan om fiscale knelpunten voor pleegouders weg te nemen? Welke concrete veranderingen zijn hieruit voortgekomen?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het opvangen van een kind van 21 jaar en ouder van invloed kan zijn op de door de pleegouders te ontvangen bijstandsuitkering vanwege de kostendelersnorm. Tegelijk lezen genoemde leden ook dat kan worden vastgesteld bij een kind dat het noodzakelijk is om de pleegzorg te verlengen naar 23 jaar. Hoe rijmt de regering het gegeven dat deze ouders gekort kunnen worden vanwege de kostendelersnorm, terwijl tegelijk wordt vastgesteld dat het noodzakelijk is dat de gegeven hulp doorloopt? Kan de regering hiervoor een uitzondering maken?

Het lid van de fractie van BIJ1 leest dat onder paragraaf 2.1 aangestipt wordt dat het inkomen van een pleegkind van 18 jaar of ouder van invloed kan zijn op de te ontvangen huurtoeslag van de pleegouders en tot gevolg kan hebben dat zij door de kostendelersnorm gekort worden op hun uitkering. Pleegouders worden in dat geval financieel gestraft voor het opvangen van een meerderjarig pleegkind. Dit kunnen belemmerende factoren zijn voor pleegouders om een pleegkind langer in huis te houden. Hierbij moeten keuzes worden gemaakt vanuit financiële overwegingen in plaats van op basis van inhoudelijke overwegingen en de wens van de jongere zelf. Ervaringsdeskundigen van ExpEx delen in een artikel over huisvesting voor jongeren uit de jeugdzorg, dat sommige ouders hun kinderen niet thuis laten wonen om een korting op uitkering en toeslagen te voorkomen.2 In het artikel wordt opgeroepen om ervoor te zorgen dat jongeren niet op straat komen te staan als zij 21 jaar worden en hun ouders een uitkering hebben. Het lid van de fractie van BIJ1 steunt deze oproep en vraagt de regering naar haar overwegingen bij het maken van deze wetswijziging. Hoe is er nagedacht over deze financiële belemmeringen voor het langer in het pleeggezin laten wonen van een pleegkind tot diens 21e jaar en het aanvragen van verlengde pleegzorg tot 23 jaar?

2.2 Het probleem en de voorgestelde oplossing

De leden van de VVD-fractie zijn het met de regering en betrokken partijen eens dat het niet wenselijk is wanneer er wegens het bereiken van de wettelijk volwassen leeftijd een abrupt einde komt aan het verblijf in een pleeggezin, zeker niet wanneer het pleegkind hier nog niet aan toe is. Genoemde leden zijn het er dan ook mee eens de leeftijdsgrens nu ook juridisch te wijzigen naar 21 jaar. Deze leden kunnen zich vinden in de beschreven voordelen van het standaard aanbieden van pleegcontracten tot 21 jaar. Genoemde leden vragen echter wel wat de financiële gevolgen zijn van de wijziging van de leeftijdsgrens naar 23 jaar. Heeft de regering inzicht in de vraag naar pleegzorg van jongvolwassenen in de leeftijd van 21 tot 23 jaar? Is er inzicht in de uitvoeringslasten voor het aanpassen van contracten in deze categorie? Kan dit specifieker worden toegelicht dan met de zin:

«Het valt te verwachten dat verlengde pleegzorg nadat iemand 21 jaar is geworden veel minder vaak nodig zal zijn dan verlengde pleegzorg nadat iemand 18 jaar is geworden, omdat 21-plussers toch vaker zelfstandig gaan wonen.»?

Tevens vragen deze leden in hoeverre de noodzakelijkheid van het verlengen van pleegzorgtrajecten tot 23 jaar is aangetoond.

De leden van de VVD-fractie zijn het ermee eens dat niet is gekozen voor de mogelijkheid om pleegzorg standaard tot de leeftijd van 23 jaar door te laten lopen, daar de leeftijdsgrens van 21 jaar aansluit op de onderhoudsplicht die ouders hebben ten opzichte van hun kinderen.

De leeftijdsgrens van 21 jaar brengt met zich mee dat alle betrokken partijen voordat het pleegkind 21 jaar wordt, moeten reflecteren op het pleegzorg-traject, wat in de toekomst nodig is en of het pleegzorgcontract nog langer verlengd moet worden tot 23 jaar. Genoemde leden vragen of het mogelijk raadzaam is hier concretere afspraken over vast te leggen in de wet, om er meer zeker van te zijn dat dergelijke reflectiegesprekken op tijd worden gevoerd om zo voldoende tijd en ruimte aan de jeugdige te kunnen geven om zich goed te (laten) informeren om zelf een juiste keuze te kunnen maken. Deze leden beogen hiermee te voorkomen dat de jeugdige door de keuze wordt overvallen. Deze leden benadrukken dat voor de jeugdige en de betrokkenen duidelijk moet zijn dat het pleegzorgtraject uiteindelijk eindigt en dat pleegzorgaanbieders en pleegouders zich bij het bieden van begeleiding moeten richten op een traject dat leidt naar de zelfstandigheid van het pleegkind.

De leden van de D66-fractie constateren dat de leeftijdsgrens van 21 jaar is gekozen om aan te sluiten bij de grens voor de onderhoudsplicht van ouders. Deze leden kunnen begrip opbrengen voor deze keuze, maar vragen wel of hiermee ook expliciet wordt gekozen voor twee keuzemomenten voor de jeugdige, namelijk op 18-jarige leeftijd wanneer de optie bestaat voor de jeugdige om te stoppen met de pleegzorg en op 21-jarige leeftijd waarbij gekozen kan worden om verlenging aan te vragen tot aan 23-jarige leeftijd. Kan de regering hierop reflecteren of dit er niet voor zorgt dat jongeren rond die leeftijd bijna constant bezig zijn met de keuze hoe zij hun leven willen inrichten, bovenop alle andere nieuwe keuzes die zij op dat moment dienen te maken?

De leden van de SP-fractie lezen dat bij uitzonderingssituaties waar jongeren ook na hun 18 jaar pleegzorg krijgen, het de gemeente is die beslist of het verlengen van de pleegzorg al dan niet noodzakelijk is. Waarom wordt deze beslissing niet genomen door betrokken jeugdzorghulpverleners, zo vragen de leden van de SP-fractie naar aanleiding van het geschrevene op pagina 4 van de van toelichting. Hoe verhoudt zich dit met de paragraaf waarin op pagina 7 gesteld wordt dat pleegzorgaanbieders niet meer met gemeenten in gesprek hoeven over het verlengen van een pleegcontract na de 18e verjaardag?

Voorts vragen de leden van de SP-fractie waarom er geen pleegzorg gegeven kan worden tussen de leeftijd van 18–23 jaar als de jongere voorafgaand aan zijn 18e verjaardag geen pleegzorg ontving. Waarom zou een jongere van bijvoorbeeld 19 jaar geen aanspraak hierop kunnen maken? Welke zorg is dan voorhanden voor deze groep jongeren?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat er onderzoek is laten uitvoeren naar de financiën rondom pleegzorg. Genoemde leden vragen de regering of het gebrek aan beschikbare woningen en de hoge huurprijzen zijn meegewogen in dit onderzoek en of tevens de vraag is meegenomen naar de mate waarin pleegkinderen na het 18e jaar gebruik willen maken van verlengde pleegzorg.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel pleegkinderen in 2020 gebruik maakten van verlengde pleegzorg na 18 jaar en hoeveel na 21 jaar. Deze leden vragen de regering daarbij of zij cijfermatig inzicht kan geven in de toename van verlengde pleegzorg in de afgelopen vijf jaar.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering het niet wenselijk vindt dat er wegens het bereiken van de wettelijke volwassen leeftijd een abrupt einde komt aan het verblijf in een pleeggezin, zeker wanneer het pleegkind hier nog niet aan toe is. Genoemde leden onderschrijven dit volledig, maar vragen waarom de regering dit wel toelaatbaar vindt bij andere vormen van jeugdhulp. Ook daar verliest de jongere enkel hulp vanwege het bereiken van de wettelijke volwassen leeftijd, niet omdat de jongere daaraan toe is. Het is bekend dat de knip tussen jeugdzorg en volwassenzorg vaak zorgt voor problemen voor jongeren. Jongeren belanden in situaties waarin hun zorg ineens ophoudt, terwijl een groot deel van de jongeren daar helemaal niet klaar voor is. In sommige gevallen worden instellingen zelfs al een jaar van tevoren handelingsverlegen, vanwege de aankomende meerderjarigheid. Jongvolwassenen voelen zich vaak niet thuis in de volwassen-ggz, waar zij te maken krijgen met groepsgenoten in totaal andere levensfases. In de ergste gevallen raken jongeren dakloos zodra hun jeugdzorgtraject eindigt. Cijfers laten zien dat jongeren met een jeugdhulpverleden sowieso een extra kwetsbare groep zijn. Zij hebben meer moeite op de domeinen wonen, zorg, werk & inkomen, ondersteuning en onderwijs/arbeidsmarkt.3 Vanuit alle kanten in de jeugdzorg (zowel bij aanbieders bij als ervaringsdeskundigen) wordt deze oproep ondersteund. Jongerenclubs voerden eerder al actie met «#jeugdhulpnaar21».4 Ook talloze onderzoeken hebben deze claim ondersteund. Zo stelde onder andere de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving in een advies in 2018 dat niet de leeftijd, maar zelfstandigheid een criterium moet zijn om de jeugdzorg te verlaten. 5 Kent de regering al deze argumenten en oproepen ook? Zo ja, waarom wil de regering deze verlenging van de leeftijd van 18 naar 21 jaar volgens het «ja, tenzij» principe dan niet toepassen bij alle vormen van jeugdhulp? Waarom gaat de regering in tegen een duidelijke wens vanuit het veld? Is de regering ook bekend met goede ervaringen hiermee in andere landen, zoals in Noorwegen?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen voorts dat de regering ook voorziet dat met deze verlenging van de leeftijdsgrens voor pleegzorg kosten zullen worden bespaard omdat jongeren pas op eigen been gaan staan als ze dit aankunnen. Hierdoor is in een later stadium kostbare hulp (schulden, werkeloosheid et cetera) minder nodig. Gaat deze redenering niet ook op voor andere vormen van jeugdhulp? Kan de regering een berekening geven met een totaaloverzicht van de kosten indien de leeftijdsgrens binnen de hele Jeugdwet zou worden verlengd van 18 naar 21 jaar, volgens het «ja, tenzij» principe? Kan daarbij tevens worden aangegeven hoeveel hiermee eventueel op andere hulp zou worden bespaard?

Het lid van de fractie van BIJ1 constateert dat, hoewel op dit moment de jeugdzorg na de 18e verjaardag al verlengd kan worden, dit meestal niet wordt gedaan. In de memorie van toelichting wordt onder paragraaf 2.2 dan ook genoemd dat uit cijfers van Jeugdzorg Nederland is gebleken dat op 31 december 2017 3% van alle pleegkinderen gebruik maakte van verlengde pleegzorg. Het lid van de fractie van BIJ1 hoort hierover verhalen uit de praktijk die laten zien dat aanvragen voor verlengde jeugdhulp door gemeenten ontmoedigd worden. Zij vraagt de regering of deze signalen worden herkend.

Genoemd lid leest tevens dat 48% van de pleegouders aangaf kinderen in de toekomst te willen blijven ondersteunen, terwijl 37% aangaf dit nog niet te weten. Het lid van de fractie van BIJ1 vraagt of de regering kan uitleggen waarom er zo’n discrepantie is tussen de cijfers van Jeugdzorg Nederland en het lage percentage dat uiteindelijk gebruik maakt van de verlengde pleegzorg. Zij vraagt tevens hoe met de huidige wetswijziging ook de wens van jongeren tussen de 21 en 23 jaar om langer bij hun pleeggezin te blijven wonen goed gewaarborgd kan worden.

In de onderhavige paragraaf van de toelichting wordt gesteld dat het langer verblijven in het pleeggezin kan voorkomen dat jongeren met nieuwe problematiek te maken krijgen waaronder schulden, werkloosheid, huisvestingsproblemen, et cetera. Het lid van de fractie van BIJ1 wil benadrukken dat zij dit te simpel gesteld vindt. De realiteit voor jongeren is momenteel dat zij een studieschuld hebben, geen betaalbare huurwoningen kunnen krijgen en een te laag minimumloon hebben voor een flexibele bijbaan. De verhoging van de leeftijd voor pleegzorg lost dit niet op.

Het lid van de fractie van BIJ1 leest vervolgens in de memorie van toelichting de zin:

«De zorg en ondersteuning die jongeren ook na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar vanuit het pleeggezin ontvangen, zorgt ervoor dat jongeren beter worden voorbereid op zelfstandigheid en pas het huis verlaten wanneer ze hier op alle vlakken aan toe zijn.»

De 21-jarige leeftijd bereiken, betekent echter niet automatisch en zeker niet in elk geval dat dit het moment is dat jongeren op alle vlakken klaar zijn voor zelfstandigheid. Genoemd lid mist in de toelichting dan ook een verwijzing naar de BIG5 die onder andere volgens jongeren van het Haagse platform JONG doet mee!, jeugdzorgaanbieder Levvel en de Denktank Jeugdsprong van de FNV 6 als richtlijn genomen zou moeten worden. De jeugdzorg zou een jongere pas los moeten laten wanneer aan vijf voorwaarden (BIG5) is voldaan:

  • Support: er is minimaal één volwassene duurzaam beschikbaar op wie de jongere kan terugvallen en die een stabiel en steunend netwerk biedt.

  • Wonen: de jongere heeft een passende, betaalbare en stabiele woonplek.

  • School & Werk: de jongere gaat naar school en/of heeft een baan die voldoende basis biedt voor een toekomstige loopbaan.

  • Inkomen: de jongere heeft voldoende inkomen en een plan op het voorkomen en/of oplossen van schulden.

  • Welzijn: de jongere is fysiek en mentaal in balans en heeft een plan op signaleren van disbalans. Er is (indien nodig) zorg beschikbaar tot 27 jaar.

Het lid van de fractie van BIJ1 wil daarnaast nog een opmerking maken van tekstuele aard over de formulering van de onderstaande zin in de toelichting onder paragraaf 2.2:

«Pleegzorgaanbieders worden door dit wetsvoorstel verder beter in staat gesteld om een passend hulpverleningsplan op te stellen. Het hulpverleningsplan kan langer van kracht zijn voor de jeugdige, waardoor aanbieders beter in staat worden gesteld om aan een goede toekomst voor het pleegkind te werken.»

Deze passage impliceert dat dit vooral bij de aanbieders ligt in plaats van bij de pleegjongere en pleegouders zelf. Het hulpverleningsplan wordt samen met hen opgesteld, waardoor de jongere zelf in staat wordt gesteld om aan zijn eigen toekomst te werken. Taal is een vorm van macht, dus mocht de tekst in de toelichting aangepast kunnen worden, dan stelt dit lid dit op prijs.

3. Het vervallen van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en machtigingen tot gesloten jeugdhulp

De leden van de PVV-fractie zijn voorstander van maatregelen die ervoor zorgen dat onnodige administratieve lasten afnemen. In de praktijk is gebleken dat het verstrekken van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en machtigingen tot gesloten jeugdhulp geen toegevoegde waarde heeft. Genoemde leden ontvangen graag een nadere toelichting waaruit blijkt dat deze beschikking werkelijk geen toegevoegde waarde heeft, omdat het hier om een zeer ingrijpende beslissing gaat, namelijk een uithuisplaatsing.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat uithuisplaatsing van een kind de meest ingrijpende beslissing is die genomen kan worden in het leven van een kind. Een uithuisplaatsing laat in alle gevallen littekens achter in het leven van een kind en de ouders. Deze leden zijn dan ook van mening dat het belangrijk is om heldere en zorgvuldige procedures rondom een uithuisplaatsing wettelijk te verankeren, waarbij het belang van het kind te allen tijde op de eerste, tweede en derde plaats staat.

Deze leden lezen dat de regering schrijft dat een onderzoek van de gemeente naar de noodzakelijkheid van jeugdhulp met verblijf, leidt tot het overdoen van het onderzoekswerk van de raad voor de kinderbescherming (RvdK) of het Openbaar Ministerie (OM). Deze leden vragen de regering hoe vaak in 2019 en 2020 een dergelijk onderzoek door gemeenten is uitgevoerd. De leden van de PvdA-fractie vragen tenslotte ook in hoeveel van deze onderzoeken de noodzakelijkheid anders is beoordeeld dan in het onderzoek van RvdK of OM.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het verstrekken van de verleningsbeschikking eerder in de wet stond. Was er een reden dat deze «dubbele check» eerder in de wet stond of was dit een overblijfsel uit een andere wet? Wat was het doel achter het verplichten van deze verleningsbeschikking?

Genoemde leden vragen ook of bekend is hoeveel uithuisplaatsingen er elk jaar plaatsvinden. Daalt dit aantal? Verwacht de regering dat het vervallen van deze verleningsbeschikking zal leiden tot meer uithuisplaatsingen?

4. Regeldrukgevolgen

4.1 Regeldrukgevolgen bij verlenging van de duur van pleegzorg

De leden van de VVD-fractie vinden het prettig om te lezen dat zowel gemeenten, pleegzorgaanbieders, pleegouders als pleegkinderen positief zijn over de voorgestelde verlenging van de duur van de pleegzorg. Zij zijn er tevens positief over dat daarnaast wordt gesteld dat de schattingen aantonen dat de uitvoeringslasten zullen dalen. Genoemde leden moedigen een verlaging van de regeldruk aan en zien graag dat de beschikbare tijd zoveel mogelijk in goede hulp richting de jeugdigen wordt gestoken en zo min mogelijk in overbodige en dubbele administratieve verplichtingen.

4.2 Regeldrukgevolgen bij vervallen van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en machtigingen tot gesloten jeugdhulp

Naar aanleiding van punt 2) Verlengingsbeschikking bij machtiging tot uithuisplaatsing onder deze paragraaf, merken de leden van de PvdA-fractie op dat het hen opvalt dat het CBS geen informatie heeft over het aantal uithuisplaatsingen. Genoemde leden vragen de regering hoeveel uithuisplaatsingen hebben plaatsgevonden in 2019 en 2020. Deze leden vragen voorts waarom het CBS of de regering hierover geen informatie hebben. Deze leden vragen de regering tevens of zij het wenselijk vindt om de precieze informatie te hebben over het aantal uithuisplaatsingen van kinderen. Zo nee, waarom niet?

5. Financiële gevolgen

De leden van de D66-fractie ondersteunen de toevoeging van financiële middelen aan het gemeentefonds om gemeenten te compenseren voor deze verlenging van de jeugdzorg. Deze overgehevelde bedragen zijn gebaseerd op een schatting. Zijn deze bedragen inmiddels getoetst aan de realiteit nadat het bestuurlijke akkoord enkele jaren geleden in werking is getreden? Zo ja, welk gevolg is daaraan gegeven? Zo nee, is de regering bereid dit te laten onderzoeken?

6. Internetconsultatie

De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering waarom het advies van de Nederlandse

Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) niet is gevolgd om de leeftijdsgrens te verhogen naar 23 jaar. Kan de regering aangeven waarom zij hiervoor gekozen heeft? Ook voor jongeren van 22 jaar kan het immers nog nodig zijn om ondersteuning van hun pleeggezin te krijgen, zo merken genoemde leden op.

Het lid van de fractie van BIJ1 benadrukt graag nogmaals dat zij vindt dat de verhoging van de leeftijd ook nodig is voor andere vormen van jeugdhulp, zoals de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving in 2018 heeft geadviseerd. Genoemd lid ondersteunt dit punt, dat naar voren wordt gebracht in de reactie van de aanbieders onder paragraaf 9.2 van de toelichting.

Het lid van de fractie van BIJ1 zou ook graag zien dat pleegzorg tot 23 jaar automatisch mogelijk zou zijn, zonder de drempels die het aanvragen van verlengde jeugdzorg met zich meebrengt. Dit betekent dat genoemd lid zich volmondig aansluit bij de wens van pleeggezinnen, zoals naar voren komt in paragraaf 9.3 van de toelichting.

Het lid van de fractie van BIJ1 ziet bij de internetconsultatie dat reacties van bijvoorbeeld het netwerk van pleegzorgjongeren JongWijs ontbreekt. Genoemd lid vraagt de regering daarnaast hoe en of het perspectief van ervaringsdeskundigen is betrokken bij de inhoud en de formulering van de wetswijziging. Zij vraagt daarbij hoe ervaringsdeskundigen structureel kunnen worden betrokken bij dergelijke processen om te komen tot een aanpak die bij hen aansluit.

6.1 Reactie aanbieders

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering er niet voor kiest om ook andere vormen van jeugdhulp dan pleegzorg standaard mogelijk te maken tot 21 jaar. Deze leden lezen dat het doorlopen van jeugdhulp na de achttiende verjaardag volgens de regering niet altijd noodzakelijk is, niet altijd in het belang van de jeugdige is en financieel ook niet altijd wenselijk is. Genoemde leden vragen de regering in welke situaties het niet altijd noodzakelijk is, het niet in het belang van de jeugdige is en waar het financieel ook niet wenselijk is.

De leden van de SP-fractie begrijpen dat er onduidelijkheid kan ontstaan omdat onderscheid wordt gemaakt tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar. Waarom kiest de regering er niet gewoon voor om 21 jaar te hanteren?

De leden van de PvdA-fractie steunen de aanbeveling van aanbieders om ook andere vormen van jeugdhulp te verlengen tot 21 jaar. Genoemde leden lezen in de toelichting dat door de regering wordt gesteld dat het verlengen van jeugdhulp na 18 jaar niet altijd noodzakelijk is, niet altijd in het belang van de jeugdige is en financieel ook niet altijd wenselijk.

De leden van de PvdA menen dat als het verlengen van de jeugdhulp niet noodzakelijk is of niet in het belang van de jeugdige, de jeugdhulp in die gevallen logischerwijs niet verlengd zal worden. Deze leden vinden deze door de regering genoemde argumenten dan ook geen reden om het recht op verschillende vormen van jeugdhulp niet te verlengen. Deze leden vragen de regering om een nadere toelichting te geven op het genoemde argument van financiële onwenselijkheid. Heeft de regering in kaart gebracht wat de kosten en baten zijn van het verlengen van verschillende vormen van jeugdhulp na het 18e jaar?

De leden van de PvdA-fractie lezen voorts dat de regering stelt dat de gemeente een jeugdhulpplicht heeft en houdt (artikel 2.4, tweede lid van de Jeugdwet) indien het verzoek tot een machtiging door het college is ingediend (artikel 2.3, eerste lid). Deze leden vragen de regering of de gemeente ook nog een jeugdhulpplicht houdt als de machtiging niet door het college van burgemeester en wethouders, maar door een andere instantie wordt ingediend.

De leden van de GroenLinks-fractie concluderen dat de regering de leeftijdsgrens voor andere vormen van jeugdhulp niet wil verhogen omdat er verschillende soorten jeugdhulp zijn en dat het doorlopen van jeugdhulp na de achttiende verjaardag niet altijd noodzakelijk, niet altijd in het belang van de jeugdige en financieel niet altijd wenselijk is. Waarom maakt de regering hierin onderscheid tussen pleegzorg en andere vormen van jeugdhulp? Is het niet oneerlijk dat het nu afhankelijk is van welke vorm van hulp gekregen wordt (of welke beschikbaar is), of de hulp doorloopt na 18 jaar? Zou dit niet voor alle jongeren mogelijk gemaakt moeten worden, om een gelijke kans op een goede start van volwassenheid te realiseren?

6.2 Reactie Raad voor de Rechtspraak (RvdR)

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in het advies van de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) om een termijn te stellen waarbinnen het pleegzorgcontract door de pleegzorgaanbieder wordt opgezegd. Aangezien de regering net als deze leden van mening is dat het belangrijk is om pleegkinderen beter voor te bereiden op zelfstandigheid, is het niet wenselijk als het pleegzorgcontract plotseling kan worden opgezegd. Deze leden vragen aan de regering welke bezwaren er zijn tegen het instellen van een termijn voor het opzeggen van het pleegzorgcontract.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering van mening is dat gemeenten op casusniveau goed kunnen zien welke andere vormen van hulp (zoals beschermingsbewind) gepaard kunnen gaan met pleegzorg en/of het afbouwen daarvan. Genoemde leden vragen de regering wat er precies gebeurt als een jeugdige na het 18e levensjaar met pleegzorg stopt en vervolgens verhuist naar een andere gemeente? Wisselen gemeenten onderling informatie uit over de behoefte aan hulp van jongvolwassenen? Deze leden vragen de regering om meer inzicht te geven in de gevolgen van een verhuizing naar een andere gemeente in combinatie met jeugdhulp.

De leden van de PvdA-fractie ontvangen signalen dat gemeenten vaak onvoldoende zicht hebben op de problemen van kwetsbare jongvolwassen. Herkent de regering deze signalen? Welke oplossingen ziet de regering om te zorgen dat deze jongvolwassenen beter in beeld komen bij gemeenten?

6.3 Reactie Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ)

De leden van de CDA-fractie vinden het een gemiste kans dat de rechtspositie van de jongere bij verlengde pleegzorg niet wordt verduidelijkt in de wet, zoals door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) wordt geadviseerd. Kan de regering aangeven waarom zij dit advies niet heeft opgevolgd?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de RSJ wijst op de rechtspositie van de jeugdige in de overgang van minderjarig pleegkind naar jongvolwassen cliënt. Deze leden lezen ook dat de regering meent dat deze rechtspositie niet verduidelijkt hoeft te worden. Deze leden vragen hoe de rechtspositie van een jongvolwassen pleegkind boven de 18 jaar is als het gaat om financiële onafhankelijkheid en aansprakelijkheid bij schulden. Genoemde leden menen dat volwassenen vanaf 18 jaar aansprakelijk zijn voor gemaakte schade en schulden. Tegelijkertijd stellen de leden van de PvdA-fractie vast dat de pleegzorgvergoeding, die hoger is dan de jongerennorm in de bijstand, niet wordt uitgekeerd aan de jongvolwassenen maar aan de pleegouders. Deze leden vragen de regering of zij hierop kan reflecteren.

De leden van de PvdA-fractie vinden het net als RSJ zorgelijk dat er geen bezwaarmogelijkheid is tegen een verlengingsbeschikking bij uithuisplaatsing of gesloten jeugdhulp. Genoemde leden vinden het belangrijk dat noodzakelijkheid en proportionaliteit goed getoetst worden. Een kinderrechter kan een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen indien dit door de kinderrechter, OM of RvdK noodzakelijk wordt geacht. Deze leden vragen de regering in welke mate het justitieel kader om deze noodzakelijkheid vast te stellen subjectief is. Kan de regering nader inzicht geven in de precieze gronden voor een verzoekschriftprocedure?

De leden van de PvdA-fractie lezen voorts dat een bezwaarmogelijkheid tegen een verlengingsbeschikking bij uithuisplaatsing is uitgesloten, omdat de mogelijkheid voor een rechtsgang openstaat. Deze leden vragen de regering of zij zich ervan bewust is dat een rechtsgang een hoge drempel is voor het kind, ouder of familielid. Deze leden stellen vast dat een rechtsgang tegen een verlengingsbeschikking veel meer tijd in beslag neemt dan een bezwaarmogelijkheid. Het kind zal gedurende een rechtsgang tegen een verlengingsbeschikking langer uit huis geplaatst zijn. Bovendien brengt een rechtsgang veel hogere financiële kosten met zich mee dan een bezwaarmogelijkheid. Deze leden vragen de regering op welke wijze beter gewaarborgd kan worden dat de kinderrechter alle bezwaren kan wegen tegen het besluit om een kind in gesloten jeugdhulp of uit huis te plaatsen.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het Hof heeft geconcludeerd dat het enkele gegeven dat de gedragswetenschapper in dienst is van de gecertificeerde instelling (GI) onvoldoende aanleiding is om aan de objectiviteit van het onderzoek over de noodzakelijkheid van uithuisplaatsing te twijfelen. Genoemde leden vragen de regering wanneer er wel getwijfeld kan worden aan de objectiviteit van gedragswetenschappers. Deze leden vragen hoe de objectiviteit van gedragswetenschappers in dergelijke onderzoeken is geborgd.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de RSJ meer aandacht vraagt voor de rechtspositie van de jeugdige in de overgang van minderjarig pleegkind naar jongvolwassen cliënt. De verlengde pleegzorg na 18 jaar vindt dan immers op vrijwillige basis plaats. Worden jongeren hierop nu door de pleegzorgaanbieder voldoende gewezen? Zijn zij bekend met hun rechtspositie? Op welke manier wordt deze informatie breder bekend gemaakt? Deze leden vragen tevens of het verplicht is dat een pleegzorgaanbieder dit doet.

Genoemde leden lezen tevens dat de RSJ bang is dat door het schrappen van de verleningsbeschikking een mogelijkheid verdwijnt voor de jeugdige of de ouders om door middel van bezwaar de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit te toetsen met betrekking tot het besluit om jeugdhulp in te zetten. Ziet de regering dit risico ook? Kan de regering garanderen dat het schrappen van deze verleningsbeschikking niets afdoet aan de rechtspositie van de jeugdige en de ouders en de mogelijkheid om in bezwaar te gaan?

6.4 Overige reacties

De leden van de D66-fractie vragen de regering om te reflecteren op de samenloop met de Wmo 2015. Bijvoorbeeld in de situatie dat er nog wel gemeentelijke ondersteuning is als de aanspraak op de Jeugdwet eindigt. Tevens vragen deze leden of het mogelijk is dat er gelijktijdig aanspraak is op de Jeugdwet en de Wmo 2015.

7. Overig

De leden van de D66-fractie merken op dat de overgang naar volwassenheid erg verschilt per jeugdige. De een begint vanaf 16 jaar al meer volwassen te worden, de ander rond 23 jaar. Hoe wordt deze overgang binnen de Jeugdwet geborgd, gegeven het feit dat de regering er niet voor kiest om jeugdhulp standaard mogelijk te maken tot 21 jaar?

De leden van de D66-fractie benadrukken de rechtspositie van jeugdigen, ook tot 21 jaar. Kan de regering aangeven hoe er met de situatie moet worden omgegaan als een jeugdige tot 18 jaar niet (meer) wenst te wonen in het pleeggezin, maar dat de pleegouders dit wel noodzakelijk achten. Hoe wordt hiermee omgegaan zodra een jeugdige 18 jaar is geworden? Kan de regering dit onderscheid schetsen, namelijk hoe de positie van de jeugdige is en hoe deze verandert indien de jeugdige volwassen wordt?

De leden van de D66-fractie erkennen dat deze wijziging een oplossing biedt voor veel jongeren bij wie het voordelig is om de pleegzorg te continueren na het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Wat is bekend over de effecten die het al dan niet continueren van pleegzorg na de 18-jarige leeftijd heeft op de kwaliteit van leven en de zelfstandigheid van deze jongeren op latere leeftijd? Is er een groep jongeren waarvoor het uiteindelijk beter is om wel op jongere leeftijd zelfstandigheid op te bouwen en zo ja, hoe groot is die? Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat zij met deze wetswijziging niet ontmoedigd worden om zelfstandig te leven als dat wel de beste oplossing voor hen is? Daarnaast vragen deze leden naar het risico dat het gesprek over de toekomst van de jeugdige vanaf het 16e jaar verminderd of op een later moment wordt gevoerd, aangezien het gemakkelijker is geworden om de pleegzorg door te zetten. Welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen?

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of en wanneer de effecten van de wijzigingen in de Jeugdwet en andere wetten geëvalueerd zullen worden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe groot het huidige tekort aan pleegouders is. Zijn er (zeer) jonge kinderen die nu in een instelling zijn geplaatst omdat er onvoldoende pleegouders zijn? Op welke manier werkt de regering aan het werven van nieuwe pleegouders?

De fungerend voorzitter van de commissie, Agema

De adjunct-griffier van de commissie, Krijger