Kamerstuk 35741-8

Beantwoording vragen commissie over tweede lezing van het voorstel van wet van de leden Hammelburg, Bromet en De Hoop houdende verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond

Dossier: Voorstel van wet van de leden Hammelburg, Bromet en De Hoop houdende verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond

Gepubliceerd: 15 oktober 2021
Indiener(s): Kajsa Ollongren (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen: recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35741-8.html
ID: 35741-8

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 oktober 2021

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het op 7 juni 2021 door de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken vastgestelde verslag (Kamerstuk 35 741, nr. 6) bij het voorstel van wet van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul, strekkende tot toevoeging van handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond aan artikel 1 van de Grondwet (Kamerstuk 35 741). Inmiddels wordt het wetsvoorstel verdedigd door de leden Hammelburg, Bromet en De Hoop (Kamerstuk 35 741, nr. 5). Door de leden van de SGP-fractie zijn ook enkele vragen aan de regering gesteld.

Ik hecht eraan vooraf op te merken dat de door de leden van de SGP-fractie ook aan mij gestelde vragen zien op de grond «geslacht». De initiatiefnemers wijzen erop dat het voorliggende wetsvoorstel niet ziet op de reikwijdte van het begrip «geslacht», maar op het expliciet vermelden van de gronden «handicap» en «seksuele gerichtheid». Ik deel hun analyse. Nu het voorstel van wet een zogeheten tweede lezing van grondwetsherziening betreft en het daarmee, conform artikel 137 Grondwet, niet langer mogelijk is het voorstel te wijzigen, vallen deze vragen in zekere zin buiten de reikwijdte van het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie hebben gevraagd om waarom discriminatie wegens gender wordt gezien als uitwerking van de discriminatiegrond geslacht en hoe deze gedachte zich verhoudt tot het nog altijd veel gemaakte binaire onderscheid tussen man en vrouw, zoals bij de invoering van quota voor mannen en vrouwen in beursgenoteerde bedrijven. De grond geslacht is in juridische zin een breed begrip en omvat ook genderexpressie, genderidentiteit en geslachtskenmerken. Discriminatie van vrouwen of mannen valt echter uiteraard nog altijd onder het begrip geslacht, zo ook de initiatiefnemers. De initiatiefnemers hebben er bovendien terecht op gewezen dat vrouwen als gevolg van vooroordelen in een achterstandspositie verkeren, bijvoorbeeld als het gaat om kansen op de arbeidsmarkt. Transgenders en intersekse personen ondervinden soortgelijke vooroordelen, wat daarom ook pleit voor een ruime uitleg van het begrip geslacht.

De leden van de fractie van de SGP vragen wat de bredere uitleg van de non-discriminatiegrond «geslacht» voor gevolgen heeft voor de grondwettelijke rechtsbescherming. De initiatiefnemers wijzen erop dat dit bij de behandeling van de Wet verduidelijking rechtspositie transgender personen en intersekse personen (Kamerstuk 34 650) al aan de orde is gesteld. Dat de Awgb ook invulling kan geven aan artikel 1 van de Grondwet is daarbij nadrukkelijk onder ogen gezien. De initiatiefnemers zien het goed dat het grondwettelijke begrip geslacht analoog aan het Awgb-begrip kan worden uitgelegd, zonder dat dit leidt tot grondwettelijk ongewenste consequenties.

In het verlengde hiervan hebben de leden van de fractie van de SGP geconstateerd dat de initiatiefnemers en de regering ervan uitgaan dat het begrip geslacht in artikel 1 van de Grondwet op dezelfde manier gelezen moet worden als dat in de Awgb. Zij merken op dat de noodzaak van een gelijkluidende interpretatie niet hoeft te bestaan. Met de initiatiefnemers acht ik het risico van een minder extensieve interpretatie van het grondwettelijk begrip geslacht beperkt en meen ik te kunnen volstaan met een verwijzing naar het door hen gegeven antwoord.

De leden van de fractie van de SGP zien een gebrek aan differentiatie tussen de categorieën geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie. Zij stellen dat genderidentiteit volstrekt subjectieve gevoelens betreft, die door externen niet te toetsen zijn en niet getoetst mogen worden. Met de initiatiefnemers verwijs ik graag naar de omschrijving die de Wereldgezondheidsorganisatie geeft van het begrip genderidentiteit: «a person’s deeply felt, internal and individual experience of gender, which may or may not correspond to the person’s physiology or designated sex at birth».

Daaruit blijkt dat het dus gaat om een subjectieve ervaring, maar wel met objectiveerbare kenmerken.

De leden van de fractie van de SGP vragen of ten aanzien van genderidentiteit niet vergelijkbare overwegingen gelden als die ten grondslag lagen aan de keuze om af te zien van het verankeren van gewetensvrijheid in de Grondwet.

Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt is er bij genderidentiteit sprake van een subjectieve ervaring met objectiveerbare kenmerken. Bij gewetensvrijheid ontbreekt een objectieve component. Verder gaat het bij genderidentiteit, als onderdeel van de beschermde grond geslacht, om een persoonskenmerk op grond waarvan een persoon niet anders mag worden behandeld en niet om een vrijheidsrecht dat een mogelijkheid biedt om zich aan bepaalde plichten te onttrekken. Ook in die zin deel ik de analyse van de initiatiefnemers.

De leden van de fractie van de SGP vragen of er eerder niet te eenvoudig vanuit is gegaan dat het EHRM «gender» lijkt te scharen onder de grond «geslacht» in de Straatsburgse jurisprudentie en of deze jurisprudentie niet noopt tot een specifieke grondslag voor gender. Ik hecht eraan te benadrukken dat het EHRM oordeelt op basis van de verdragstekst, terwijl thans een herziening van de Grondwet voorligt. Binnen de grenzen van het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM staat het de grondwetgever vrij eigen afwegingen te maken. Het nu voorliggende voorstel bevat een dergelijke afweging. Deze is niet in strijd met het EVRM of de jurisprudentie van het EHRM, zodat ik in ieder geval daarin geen aanleiding zie voor een aanpassing als gesuggereerd door de leden van de SGP-fractie.

De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat keuzes betreffende het voorliggende wetsvoorstel in belangrijke mate zijn ingegeven door de recente aanpassing van de Awgb, waarin «genderexpressie», «genderidentiteit» en «geslachtskenmerken» uitdrukkelijk onder de non-discriminatiegrond «geslacht» worden geschaard. Zij menen dat het primaat van de Grondwet daarmee wordt miskend. Ik zie dit verband niet. Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt ziet het voorliggende wetsvoorstel op het expliciet vermelden van de gronden «handicap» en «seksuele gerichtheid»; niet op de grond «geslacht». Bovendien – de initiatiefnemers wezen daar eveneens op – is het voorstel tot wijziging van de Grondwet al veel langer in behandeling dan het dan het voorstel tot aanpassing van de Awgb, dat inmiddels kracht van wet heeft.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren