Gepubliceerd: 10 juni 2020
Indiener(s): Kajsa Ollongren (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen: recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35489-3.html
ID: 35489-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

1. INLEIDING

1.1 Samenvatting inhoud wetsvoorstel

1.1.1 Wijziging Kieswet

Dit wetsvoorstel introduceert een nieuwe manier voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen. Een van de belangrijkste conclusies van de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing van 15 maart 2017 was dat de in de Kieswet geregelde procedure van uitslagvaststelling transparanter en beter controleerbaar moet worden gemaakt, en dat er in deze procedure gelegenheid moet komen om fouten in het telproces tijdig te constateren en te corrigeren. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger een grondige aanpassing aangekondigd van de procedure voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen.1 Dit wetsvoorstel voorziet daarin, en introduceert daarbij in de Kieswet de mogelijkheid van centrale stemopneming, waarmee sinds 2014 wordt geëxperimenteerd op basis van de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming. Het wetsvoorstel regelt dat het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente2 voor elke verkiezing een gemeentelijk stembureau instelt. Gemeenten hebben de keuze uit twee manieren van het tellen van de stemmen:

  • 1) ofwel de stembureaus verrichten op de avond van de stemming een integrale telling; het gemeentelijk stembureau controleert de volgende dag, in het openbaar en op een of meer centrale locaties, de processen-verbaal van alle stembureaus, en voert een nieuwe telling uit voor die stembureaus die vermoedelijk een of meer fouten hebben gemaakt;

  • 2) ofwel de stembureaus verrichten op de avond van de stemming alleen een basistelling op lijstniveau; het gemeentelijk stembureau voert de volgende dag, in het openbaar en op een of meer centrale locaties, de integrale telling uit (inclusief die op kandidaatsniveau).

Na afronding van zijn openbare zitting berekent het gemeentelijk stembureau de gemeentelijke totalen, en maakt daarvan een proces-verbaal op.

Verder krijgt het centraal stembureau, dat belast is met de vaststelling van de uitslag van de verkiezing, een aantal nieuwe controletaken. Als het centraal stembureau het vermoeden heeft dat er fouten staan in een proces-verbaal van een stembureau of gemeentelijk stembureau, vraagt het het desbetreffende gemeentelijk stembureau om opnieuw in openbare zitting bijeen te komen, teneinde de vermeende fouten te onderzoeken en zo nodig te corrigeren.

Om het voorgaande mogelijk te maken voorziet dit wetsvoorstel ook in verlenging van de termijn tussen de dag van de stemming en de eerste samenkomst van de nieuwgekozen leden van het vertegenwoordigend orgaan, en wel van de huidige acht naar dertien dagen. Deze extra tijd is nodig om alle actoren in het proces van uitslagvaststelling voldoende gelegenheid te geven hun werkzaamheden zorgvuldig te verrichten.

Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in een aantal wijzigingen die betrekking hebben op het stemmen vanuit het buitenland. In lijn met hetgeen de minister van Buitenlandse Zaken eerder3 aan de Tweede Kamer heeft bericht, wordt het instellen van briefstembureaus in het buitenland afgebouwd. In dit wetsvoorstel komt daarom de mogelijkheid te vervallen om briefstembureaus in te stellen bij diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen of bij militaire missies. De afschaffing hiervan gaat gepaard met maatregelen om ervoor te zorgen dat er meer tijd wordt gecreëerd om de briefstemmen van kiezers in het buitenland te ontvangen bij het briefstembureau in de gemeente ‘s-Gravenhage, opdat die stemmen nog meetellen voor de betreffende verkiezing. Verder introduceert dit wetsvoorstel een nationaal briefstembureau, dat verantwoordelijk wordt voor de vaststelling van het aantal stemmen dat vanuit het buitenland is uitgebracht. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de gemeente ’s-Gravenhage om deze stemmen niet langer bij de teluitkomsten van die gemeente te betrekken.

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de Kieswet op enkele andere punten te wijzigen. Deze voorstellen zijn met name gebaseerd op adviezen van de Kiesraad uit 2014, 2015 en 20174, alsmede op de eerdere reactie van mijn ambtsvoorganger op deze adviezen.5 Onder meer wordt voorgesteld dat het centraal stembureau in het kader van het onderzoek naar de geldigheid van de kandidatenlijsten meer tijd krijgt om na te gaan of geconstateerde verzuimen zijn hersteld, en dat de termijn voor het registreren van een aanduiding door politieke groeperingen voor de Eerste Kamerverkiezing wordt verlengd. Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel invulling gegeven aan een van de aanbevelingen van de Staatscommissie parlementair stelsel (de commissie-Remkes): de Kiesraad krijgt de taak om verkiezingsuitslagen te verzamelen en te ontsluiten en wordt daarin gefaciliteerd. Deze aanvullende taak draagt bij aan de toegankelijkheid en transparantie van verkiezingsuitslagen; ook op lange(re) termijn.

1.1.2 Wijziging Tijdelijke experimentenwet, Waterschapswet, Mediawet 2008, Mediawet BES

Nu centrale stemopneming in de Kieswet wordt geregeld, schrapt dit wetsvoorstel in de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming, de mogelijkheid om te experimenteren met centrale stemopneming. Ook noopt de invoering van centrale stemopneming in de Kieswet tot enkele aanpassingen in de Wet algemene regels herindeling.

In overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Waterstaat voorziet dit wetsvoorstel voorts in aanpassing van de wijze van benoeming van de categorie gebruikers van bedrijfsruimten in het algemeen bestuur van een waterschap. Verder wordt, in overeenstemming met de minister voor Basisonderwijs, Voortgezet Onderwijs en Media, voorgesteld de Mediawet 2008 en de Mediawet BES zodanig te wijzigen dat een politieke groepering niet langer in alle, maar in ten minste negentien van de twintig kieskringen in Nederland moet meedoen aan een Tweede Kamerverkiezing om voorafgaand daaraan in aanmerking te komen voor verkiezingszendtijd voor politieke partijen.

1.2 Verhouding tot eerdere versies van dit wetsontwerp en tot andere wetsvoorstellen

In december 2017 is een eerdere versie van dit wetsvoorstel in consultatie gebracht bij de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Die versie regelde dat in alle gemeenten een gemeentelijk stembureau daags na de stemming in het openbaar en op een of meer centrale locaties, de processen-verbaal van alle stembureaus controleert, en een nieuwe telling uitvoert voor die stembureaus die een of meer fouten hebben gemaakt (optie 1 uit paragraaf 1.1.1).

In april 2019 is een tweede versie van dit wetsvoorstel in consultatie gebracht bij de genoemde partijen. Die versie voorzag in een verplichte centrale stemopneming in alle gemeenten (optie 2 uit paragraaf 1.1.1).

Gelet op de adviezen van de geconsulteerde partijen en de uitkomsten van de evaluatie van de experimenten met centrale stemopneming regelt de voorliggende versie van het wetsvoorstel een combinatie van beide opties (voor een uitgebreide toelichting zij verwezen naar paragraaf 2.4.1). In oktober 2019 is de Kiesraad gevraagd om daarover een advies uit te brengen.

Alle uitgebrachte adviezen zijn bijgevoegd6.

Ten opzichte van de in december 2017 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel, wijkt de voorliggende versie op nog enkele andere belangrijke onderdelen af:

  • 1) anders dan de in december 2017 in consultatie gebrachte versie, voorziet de voorliggende versie in een aantal wijzigingen die betrekking hebben op het stemmen vanuit het buitenland (zie hoofdstuk 3 van deze toelichting);

  • 2) anders dan de in december 2017 in consultatie gebrachte versie, gaat de voorliggende versie niet over digitale openbaarmaking van de processen-verbaal van alle stembureaus en de opgaven met stemtotalen van de gemeenten en openbare lichamen, omdat deze onderwerpen inmiddels wettelijk zijn geregeld;7

  • 3) anders dan de in december 2017 in consultatie gebrachte versie, bevat de voorliggende versie geen uitbreiding van de grondslag voor het stellen van eisen aan het gebruik van digitale hulpmiddelen in het verkiezingsproces; daarvoor zal een separaat wetsvoorstel worden ingediend.8

2. DE PROCEDURE VAN UITSLAGVASTSTELLING

Paragraaf 2.1 somt de stappen op in de procedure van de vaststelling van de uitslag van een verkiezing zoals die nu in de Kieswet is geregeld. In die procedure doet zich in de praktijk een aantal knelpunten voor. Daarover gaat paragraaf 2.2. In paragraaf 2.3 doet de regering voorstellen tot verbetering van de procedure.

2.1 De huidige procedure van uitslagvaststelling

In de huidige praktijk zijn met de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling van de uitslag meestal vijf dagen gemoeid. Meteen na het sluiten van de stemming, woensdagavond9 om 21.00 uur, tellen de stembureaus de stembiljetten, stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen (stembescheiden) in de stemlokalen en stellen zij de uitkomsten daarvan in het openbaar vast. Zij noteren eventuele bezwaren van kiezers in het proces-verbaal. Na afloop van de stemopneming (vaak pas na middernacht) leveren zij het proces-verbaal in op het gemeentehuis. De volgende ochtend stelt de burgemeester de stemtotalen per kandidaat en per lijst voor de gemeente vast, alsmede het aantal toegelaten kiezers. Dit gebeurt niet in het openbaar. Onverwijld daarna (veelal nog dezelfde dag) stuurt de burgemeester de processen-verbaal van de stembureaus, alsmede zijn eigen opgave van de aantallen stemmen op gemeenteniveau, naar het hoofdstembureau. De door het stembureau verzegelde pakken met de stembescheiden houdt hij onder zich. Het hoofdstembureau totaliseert de uitslag per kandidaat en per lijst op kieskringniveau, alsmede de aantallen blanco en ongeldige stemmen, en maakt daarvan een proces-verbaal op, dat tijdens een openbare zitting op de tweede dag na de stemming (vrijdag)10 wordt vastgesteld. Aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren inbrengen tijdens de openbare zitting. Het hoofdstembureau noteert die bezwaren in het proces-verbaal. Onmiddellijk na de zitting brengt het hoofdstembureau zijn proces-verbaal over naar het centraal stembureau.11 De processen-verbaal van de stembureaus en de opgaven van de burgemeesters brengt het hoofdstembureau naar het vertegenwoordigend orgaan. Het centraal stembureau verricht, onmiddellijk nadat het de processen-verbaal van de hoofdstembureaus heeft ontvangen, alle werkzaamheden die nodig zijn voor de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van de verkiezing. De bekendmaking van de uitslag geschiedt tijdens een openbare zitting, die zo spoedig mogelijk wordt gehouden.12 Kiezers kunnen tijdens deze zitting bezwaren inbrengen, die worden genoteerd in het proces-verbaal. Het centraal stembureau is bevoegd om tijdens de openbare zitting te besluiten tot een nieuwe opneming van de stemmen die bij een of meer stembureaus zijn uitgebracht, indien er een ernstig vermoeden bestaat dat door een of meer stembureaus bij de stemopneming zodanige fouten zijn gemaakt dat zij van invloed op de zetelverdeling kunnen zijn.

Na de vaststelling van de uitslag worden de werkzaamheden ten behoeve van de benoeming en toelating van de gekozenen verricht. De kennisgeving aan de benoemden van hun benoeming door de voorzitter van het centraal stembureau, het aanvaarden van de benoeming door betrokkenen en het geloofsbrievenonderzoek nemen nu een of twee dagen in beslag. De beslissing omtrent de toelating door het vertegenwoordigend orgaan in oude samenstelling geschiedt doorgaans tijdens de laatste vergadering van het vertegenwoordigend orgaan in oude samenstelling, veelal op de zevende dag na de stemming (woensdag). De «oude» leden treden af met ingang van de achtste dag (donderdag), onder gelijktijdig aantreden van de nieuwe leden. Bij de beslissing over de toelating van de nieuw benoemden kunnen de zittende leden van het vertegenwoordigend orgaan beslissen over geschillen die rijzen met betrekking tot de verkiezing. Zij zijn bevoegd om zowel een hertelling als een herstemming te gelasten. Ingeval van een hertelling worden de betrokken stembiljetten overgebracht naar het vertegenwoordigend orgaan.

2.2 Nadelen van de huidige procedure van uitslagvaststelling

De hiervoor beschreven procedure kent nadelen, waarop in deze paragraaf nader wordt ingegaan.

2.2.1 Tellen in niet goed uitgeruste stemlokalen door vermoeide personen

Het tellen van de stembescheiden gebeurt meteen na het sluiten van de stemming, in de stemlokalen waar ook de stemming heeft plaatsgevonden. De stemlokalen lenen zich vaak niet goed voor het tellen van de stembiljetten, bijvoorbeeld doordat de ruimte te klein is en/of doordat er niet voldoende tafels zijn, zodat mensen op de grond moeten tellen. Stembureauleden blijken zich bij het tellen ook niet altijd aan de instructies te houden.13 Bovendien gebeurt het tellen vaak door personen die er al een lange dag op hebben zitten. Bij verkiezingen met een hoge opkomst en waaraan veel partijen meedoen, kan alleen al het uitvouwen en op de juiste stapel leggen van de stembiljetten meer dan anderhalf uur duren. Het eigenlijke tellen moet dan nog beginnen. Niet zelden zijn de stembureaus pas na middernacht klaar met de telling. Hierdoor bevatten de processen-verbaal van de stembureaus soms fouten.14 Het kan gaan om diverse soorten fouten, waaronder (over)schrijffouten (die bijvoorbeeld worden veroorzaakt door het verkeerd overnemen van stemaantallen van klad naar het proces-verbaal), optelfouten (veroorzaakt door het verkeerd optellen van stemaantallen) of slordig schrijven (met onduidelijkheden als gevolg).

2.2.2 Fouten kunnen pas aan het einde van de procedure worden hersteld

De burgemeester stelt de stemtotalen voor de gemeente vast, maar de Kieswet geeft hem geen bevoegdheid om fouten in de processen-verbaal van de stembureaus te corrigeren, of om de verzegelde pakken met stembescheiden te openen, om zo de oorzaak van de fouten te achterhalen en deze vervolgens te herstellen. Ook het hoofdstembureau heeft geen bevoegdheid om fouten in de processen-verbaal te verbeteren, noch om de verzegelde pakken te openen. Pas aan het einde van het proces kan het centraal stembureau, tijdens de openbare zitting tot vaststelling van de uitslag, besluiten om een nieuwe opneming (hertelling) uit te voeren van de stemmen die in een of meer stemlokalen zijn uitgebracht. Die bevoegdheid heeft het centraal stembureau echter alléén als er zodanige fouten zijn gemaakt dat die van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling. Fouten (ook relatief grote fouten) die geen consequenties kunnen hebben voor de zetelverdeling, kunnen dus ook door het centraal stembureau, het orgaan dat nochtans verantwoordelijk is voor vaststelling van de verkiezingsuitslag, niet worden gecorrigeerd. Alleen het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing is gehouden heeft een ongeclausuleerde bevoegdheid om tot een hertelling te besluiten. Het is niet goed voor het vertrouwen in de verkiezingsuitslag dat de gelegenheid om fouten te herstellen zich pas in dit stadium voordoet, na vaststelling van die uitslag.

2.2.3 Centraal stembureau niet voldoende geëquipeerd

Het hoofdstembureau brengt zijn proces-verbaal naar het centraal stembureau. De processen-verbaal van de stembureaus gaan niet naar het centraal stembureau, maar naar het vertegenwoordigend orgaan (samen met de opgaven van de burgemeesters met stemtotalen van de gemeente). Het centraal stembureau heeft dus geen inzage in de processen-verbaal van de stembureaus, noch in de bezwaren die daarin zijn geuit over de stemming en de stemopneming, anders dan door deze documenten digitaal te raadplegen op de websites van de gemeenten. Het is bezwaarlijk dat bedenkingen van kiezers over het verloop van de telling formeel het centraal stembureau niet bereiken, terwijl het centraal stembureau wel de instantie is die de uitslag van de verkiezing vaststelt.

2.2.4 Uitvoering hertelling problematisch

Zoals beschreven kan het centraal stembureau, ingeval van een ernstig vermoeden dat een of meer stembureaus bij het tellen zodanige fouten hebben gemaakt dat die van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling, een hertelling gelasten. Die zou volgens de Kieswet uitgevoerd moeten worden tijdens de zitting van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag van de verkiezing. De burgemeester van de desbetreffende gemeente moet, als het verzoek daartoe komt, de stembiljetten «onverwijld» naar het centraal stembureau brengen, dat vervolgens «onmiddellijk» (dus tijdens de zitting tot vaststelling van de uitslag) overgaat tot de hertelling.

Naast het centraal stembureau kan ook het (zittende) vertegenwoordigend orgaan tot een hertelling van de stemmen in een of meer stembureaus beslissen. Ook hier bepaalt de Kieswet dat de desbetreffende stembiljetten, als het verzoek daartoe komt, «onverwijld» naar het vertegenwoordigend orgaan worden gebracht; de hertelling vindt vervolgens «onmiddellijk» plaats.

Een eventuele grootschalige hertelling kan echter redelijkerwijs niet centraal worden uitgevoerd (uitgezonderd bij gemeenteraadsverkiezingen). Niet alleen zouden alle stembiljetten dan naar die ene locatie moeten worden vervoerd (wat tijd kost en het risico meebrengt dat er tijdens het vervoer iets misgaat), maar ook zou dat vergen dat op die ene locatie alle benodigde voorzieningen en mensen voorhanden zijn. Aan een grootschalige hertelling kan uitsluitend uitvoering worden gegeven door deze decentraal, dat wil zeggen op gemeentelijk niveau, te laten uitvoeren.

2.2.5 Tijdsdruk

Tot 2001 waren er dertien dagen beschikbaar voor het proces na de stemming tot aan het aftreden van de zittende leden van het vertegenwoordigend orgaan. Eind dat jaar is het proces ingekort tot de huidige acht dagen.15 Achtergrond van deze inkorting was de wens om de nieuw gekozen Kamer sneller bijeen te doen komen.16 Toen er nog elektronisch werd gestemd, zorgde dit verkorte tijdpad over het algemeen niet voor problemen, omdat met de toen gebruikte stemmachines een echte hertelling van de stemmen niet mogelijk was. Maar bij de terugkeer naar het stemmen met papier en potlood en handmatig tellen in 2007 – om redenen van een betrouwbaar verkiezingsproces –, is deze termijn gelijk gebleven, terwijl de hoeveelheid werk sterk toenam.

2.3 Aanpassingen in de procedure voor uitslagvaststelling

Gelet op de hiervoor geschetste nadelen meent de regering dat de volgende aanpassingen nodig zijn in de procedure die leidt tot de vaststelling van een verkiezingsuitslag:

  • 1) Er is een gemeentelijk stembureau nodig, dat op de dag(en) na de stemming, in het openbaar en op een of meer centrale locaties, ofwel fouten van stembureaus opspoort en corrigeert, ofwel een integrale telling verricht (dit komt tegemoet aan de nadelen die zijn genoemd in paragrafen 2.2.1 en 2.2.2).

  • 2) Nadat het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau openbaar is gemaakt, moeten kiezers de gelegenheid krijgen om eventuele resterende fouten aan de orde te stellen bij het centraal stembureau. Het centraal stembureau moet, bij een vermoeden van fouten, het gemeentelijk stembureau vragen dit vermoeden te onderzoeken en eventuele fouten te corrigeren (dit komt tegemoet aan het nadeel dat is genoemd in paragraaf 2.2.3).

  • 3) Als het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan besluit tot een hertelling, moet die decentraal plaatsvinden (dit komt tegemoet aan het nadeel dat is genoemd in paragraaf 2.2.4).

  • 4) De termijn tussen de stemming en het aftreden van de zittende leden van het vertegenwoordigend orgaan moet worden verlengd naar dertien dagen (dit komt tegemoet aan het nadeel dat is genoemd in paragraaf 2.2.5).

In de paragrafen 2.4 en 2.5 doet de regering daarvoor voorstellen. In paragraaf 2.4 stelt zij een andere wijze van vaststelling van de uitkomsten van de stemming op gemeenteniveau voor. In paragraaf 2.5 worden voorstellen gedaan voor wijzigingen in de procedure na vaststelling van de uitkomsten op gemeenteniveau.

2.4 De vaststelling van de uitkomsten op gemeenteniveau

2.4.1 Twee opties voor de stemopneming

Het ontwerp van dit wetsvoorstel zoals dit in december 2017 in consultatie is gebracht, regelde dat een door het college van burgemeester en wethouders in te stellen gemeentelijk stembureau daags na de stemming tot taak kreeg om alle processen-verbaal van de stembureaus te controleren en eventuele daarin voorkomende fouten te corrigeren. In hun respectieve adviezen over die versie van het wetsvoorstel toonden de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) zich voorstander van het instellen van een gemeentelijk stembureau, maar zij plaatsten ook kanttekeningen bij de uitvoerbaarheid van de voorgestelde werkwijze van het gemeentelijk stembureau.

In april 2019 is een tweede versie van het wetsvoorstel in consultatie gebracht (zie ook paragraaf 1.2 van deze toelichting). Deze versie schreef een centrale opzet van de stemopneming voor in alle gemeenten (centraal tellen van de stembiljetten). Aanleiding was het feit dat de experimenten met centraal tellen die in 2014, 2015 en 2018 in verschillende gemeenten zijn gehouden op grond van de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming, goed waren verlopen.17 De genoemde Experimentenwet is ontwikkeld om tegemoet te komen aan de knelpunten die veel gemeenten ervaren bij het tellen van de stemmen.18 Een grote meerderheid van de gemeenten die aan de experimenten hebben meegedaan, was ervan overtuigd dat centraal tellen bijdraagt aan een transparanter telproces en een betrouwbaarder telresultaat. De experimenten toonden aan dat het goed mogelijk is om, ook in de grootste gemeenten,19 op de dag na de stemming een integrale centrale telling uit te voeren. Ook de experimenten die tijdens de gecombineerde provinciale staten- en waterschapsverkiezingen in 2019 zijn gehouden, zijn goed verlopen.20 Opnieuw was een grote meerderheid van de deelnemende gemeenten ervan overtuigd dat de doelen van centraal tellen worden gehaald. 71% van de gemeenten beoordeelde het verloop van de centrale stemopneming als (zeer) goed.

Gemeenten ervaren echter ook de nodige nadelen. De VNG en de NVVB noemen in hun adviezen over het wetsvoorstel zoals dit in 2019 in consultatie is gebracht onder meer de belasting van de gemeentelijke organisatie, de kosten van centraal tellen, de tijdsdruk voor hoofdstembureaugemeenten, de moeite die het kost om een geschikte en betaalbare tellocatie te vinden en om voldoende tellers te werven en op te leiden, en het gebrek aan efficiencywinst. De voor- en nadelen worden per gemeente heel verschillend gewaardeerd; reden waarom de VNG en de NVVB adviseren om centraal tellen niet verplicht te stellen, maar facultatief te maken.

De regering heeft dat advies overgenomen. Zij is overtuigd van de meerwaarde van een centrale stemopneming, die beoogt bij te dragen aan een transparanter telproces en een betrouwbaarder telresultaat. Zij wijst er in dit verband ook op dat het behalen van efficiencywinst geen doel van deze manier van stemopneming is. Maar zij begrijpt uit de adviezen van de VNG en de NVVB en de evaluatie van de experimenten dat de appreciatie van de voor- en nadelen van centraal tellen sterk verschilt per gemeente, en afhangt van een groot aantal lokale factoren. De regering deelt daarom het standpunt van de VNG en de NVVB dat de afweging welke werkwijze wenselijk is, het beste lokaal kan worden gemaakt, en ziet in de adviezen aanleiding om voor te stellen gemeenten de keuze te geven uit twee manieren om het tellen van de stemmen te organiseren:

  • 1) ofwel de stembureaus verrichten op de avond van de stemming een integrale telling; het gemeentelijk stembureau controleert de volgende dag, in het openbaar en op een of meer centrale locaties, de processen-verbaal van alle stembureaus, en voert een nieuwe telling uit voor die stembureaus die een of meer fouten hebben gemaakt (deze wijze van tellen was geregeld in de in december 2017 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel);

  • 2) ofwel een centrale opzet van de stemopneming, waarbij de stembureaus op de avond van de stemming alleen een basistelling op lijstniveau uitvoeren; het gemeentelijk stembureau verricht de volgende dag, in het openbaar en op een of meer centrale locaties, de integrale telling, inclusief die op kandidaatsniveau (deze wijze van tellen was geregeld in de in april 2019 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel).

Uitgangspunt is de eerstgenoemde manier van tellen (optie 1). Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten tot een centrale opzet van de stemopneming (optie 2). Ook de Kiesraad heeft begrip voor een regeling waarin burgemeester en wethouders een telmethode kunnen kiezen die het beste aansluit bij de lokale behoefte.21 In het navolgende worden beide vormen van stemopneming nader uitgewerkt.

2.4.2 Optie 1 - Het gemeentelijk stembureau controleert de processen-verbaal van de stembureaus

Deze paragraaf bevat een gedetailleerde uitwerking van de werkzaamheden die nodig zijn voor de controle door het gemeentelijk stembureau van de processen-verbaal met daarin voor elk stembureau de uitkomsten van de stemming.

2.4.2.1 Burgemeester en wethouders stellen een gemeentelijk stembureau in

Burgemeester en wethouders stellen voor elke verkiezing als bedoeld in de Kieswet een gemeentelijk stembureau in. Naar aanleiding van de reacties van de VNG en de NVVB op het ontwerp van dit wetsvoorstel van december 2017 wordt geregeld dat burgemeester en wethouders ingeval van gecombineerde staten- en waterschapsverkiezingen kunnen besluiten één gemeentelijk stembureau in te stellen dat als zodanig optreedt voor beide verkiezingen. Als een gemeente in het beheersgebied van twee of meer waterschappen ligt, kan er één gemeentelijk stembureau worden ingesteld voor de verschillende waterschapsverkiezingen. Vinden in een gemeente tegelijk twee waterschapsverkiezingen en een provinciale statenverkiezing plaats, dan kan het college dus drie afzonderlijke gemeentelijk stembureaus instellen, maar ook twee of één.

Het gemeentelijk stembureau bestaat uit ten minste vijf leden. Het aantal te benoemen leden zal afhangen van onder meer de grootte van de gemeente, het aantal stembureaus, het aantal aan de orde zijnde verkiezingen en het aantal deelnemende lijsten. Als er in een kleine gemeente één verkiezing wordt gehouden met slechts een gering aantal deelnemende partijen, zal met vijf leden kunnen worden volstaan. Vinden er gelijktijdig meerdere verkiezingen plaats, met veel deelnemende lijsten en in een grote gemeente, dan zijn mogelijk meer leden nodig. Er is geen maximum gesteld aan het aantal leden.

Bij verkiezingen voor gemeenteraden en eilandsraden kan het in kleine gemeenten en in de openbare lichamen lastig zijn om ten minste dertien personen te vinden die (plaatsvervangend) lid kunnen zijn van het gemeentelijk of het centraal stembureau (voor het gemeentelijk stembureau vijf leden en voor het centraal stembureau vijf leden en drie plaatsvervangende leden). Als er maar een of enkele stembureaus zijn, is dat meestal ook niet nodig. Het wetsvoorstel bepaalt daarom dat het gemeentelijk stembureau bij gemeenteraads- en eilandsraadsverkiezingen uit ten minste drie, in plaats van ten minste vijf leden bestaat. Uiteraard kan ervoor gekozen worden meer dan drie personen te benoemen als lid van het gemeentelijk stembureau.

Het gemeentelijk stembureau kan zich bij zijn werkzaamheden doen bijstaan door een of meer door burgemeester en wethouders te benoemen of aan te wijzen tellers die, onder toezicht en verantwoordelijkheid van het gemeentelijk stembureau, de telwerkzaamheden verrichten.

Om te voorkomen dat de stembureauleden zichzelf controleren, kunnen zij geen lid zijn van het gemeentelijk stembureau. Stembureauleden kunnen wel fungeren als tellers. Ook leden van het centraal stembureau kunnen voor dezelfde verkiezing niet tevens lid zijn van het gemeentelijk stembureau. Bij gemeenteraadsverkiezingen kan dus ook de burgemeester, die immers voorzitter is van het centraal stembureau, geen lid of voorzitter zijn van het gemeentelijk stembureau. Wel kan het gemeentelijk stembureau desgewenst de bekendmaking van de uitslag van het gemeentelijk stembureau overlaten aan de burgemeester.

Ook degenen die kandidaat zijn voor een verkiezing, kunnen voor die verkiezing geen lid zijn van het gemeentelijk stembureau. Dit wetsvoorstel regelt tevens dat kandidaten evenmin nog langer lid kunnen zijn van een stembureau (zie paragraaf 4.2).

Het lidmaatschap van het gemeentelijk stembureau eindigt van rechtswege nadat over de toelating van de gekozenen is beslist.

2.4.2.2 Het stembureau verricht de integrale stemopneming op de avond van de stemming

Om 21.00 uur sluit de stemming; kiezers die op dat moment in de rij staan, mogen hun stem nog uitbrengen. Vervolgens tellen de stembureaus (handmatig) en in het openbaar alle stembescheiden en maken een proces-verbaal op. Zij doen de stembescheiden in pakken, die worden verzegeld.

2.4.2.3 Het stembureau maakt de stembescheiden gereed voor vervoer

De verzegelde pakken gaan in een transportbox, waarin zij kunnen worden vervoerd. De transportbox moet zijn voorzien van een slot. Nadat het stembureau de stembescheiden in de transportbox heeft gedaan, doet het de transportbox op slot en verzegelt het die. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de transportbox en over hoe deze moet worden afgesloten. Ook de stembus kan als transportbox worden gebruikt. De VNG bepleit in haar advies om af te zien van de verplichting tot het verzegelen van de transportbox. Dit advies is niet overgenomen. De verzegeling leidt in de praktijk niet problemen.

Van elk stembureau gaan de stembescheiden in een separate transportbox. Er worden dus geen stembescheiden van meerdere stembureaus in één transportbox vervoerd.

Het stembureau stopt zijn proces-verbaal, samen met de sleutel van de transportbox, in een enveloppe, die het verzegelt.

Totdat de gemeente de transportbox heeft opgehaald, staat deze onder verantwoordelijkheid van het stembureau. De stembureauleden moeten ervoor zorgen dat de transportbox op slot en verzegeld blijft. Nadat zij de transportbox hebben overgedragen ten behoeve van het vervoer naar de opslag dan wel de locatie waar het gemeentelijk stembureau zitting houdt, gaat de verantwoordelijkheid voor de transportbox over op de burgemeester.

2.4.2.4 De burgemeester zorgt voor vervoer en opslag van de stembescheiden

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vervoer en de opslag van de transportbox en de enveloppe met de sleutel en het proces-verbaal. De regering is voornemens om, uit oogpunt van risicospreiding, daarin voor te schrijven dat de enveloppe gescheiden van de transportbox wordt vervoerd naar de opslaglocatie. Daarbij is de burgemeester ervoor verantwoordelijk dat de transportbox onder toezicht staat gedurende het vervoer. Dat houdt in dat er steeds twee personen per vervoermiddel betrokken zijn bij het vervoer van de transportbox, zodat de transportbox niet onbeheerd wordt achtergelaten en altijd onder toezicht staat, ook als de ophaaldienst transportboxen ophaalt bij andere stemlokalen. Ook heeft de regering het plan opgevat voor te schrijven dat het (separate) vervoer van de enveloppe, met daarin de sleutel van de transportbox en het proces-verbaal van het stembureau, zal plaatsvinden door twee personen. De burgemeester bepaalt zelf hoe het vervoer van de transportboxen plaatsvindt: door (de buitendienst van) de gemeente of door een ingehuurde vervoerder.

De transportboxen en de enveloppen worden vervoerd naar ofwel de locatie waar het gemeentelijk stembureau de volgende dag zitting houdt, ofwel naar een opslag waar de spullen gedurende de nacht worden opgeslagen, om van daaruit de volgende dag te worden vervoerd naar de zittingslocatie. De regering is voornemens om bij algemene maatregel van bestuur, opnieuw uit oogpunt van risicospreiding, te bepalen dat in beide gevallen de transportboxen en de enveloppen separaat worden opgeslagen. Daarbij kan ook worden geregeld dat de opslag wordt beveiligd. Denkbaar is dat de enveloppen in de kluis van de gemeente worden bewaard, en dat de transportboxen elders in het gemeentehuis worden opgeslagen, onder bewaking van een alarminstallatie en/of bewakers. Als de opslag niet plaatsvindt op de locatie waar het gemeentelijk stembureau zitting houdt, gelden de volgende dag uiteraard voor het vervoer naar deze locatie dezelfde voorwaarden als voor het vervoer naar de opslaglocatie. De burgemeester is ervoor verantwoordelijk dat alle stembescheiden tijdig voor aanvang van de zitting van het gemeentelijk stembureau worden overgebracht naar de zittingslocatie.

Voorts is de regering van plan om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de burgemeester aan het gemeentelijk stembureau een overdrachtsdocument verstrekt, waarin hij melding maakt van de overgedragen aantallen enveloppen en transportboxen, alsmede van eventuele bijzonderheden die zich tijdens het vervoer en de opslag van de transportboxen en de enveloppen hebben voorgedaan. Aan de hand van dat overdrachtsdocument kan het gemeentelijk stembureau nagaan hoe het vervoer en de opslag zijn verlopen en of er documenten of transportboxen ontbreken. Als het gemeentelijk stembureau, gelet op het overdrachtsdocument of om enige andere reden, de inhoud van een of meer transportboxen niet vertrouwt, ligt het op zijn weg om de burgemeester te vragen om, al dan niet met inschakeling van het Openbaar Ministerie, een onderzoek te verrichten. Het gemeentelijk stembureau maakt hiervan melding in zijn proces-verbaal. Aan het einde van zijn zitting kan het gemeentelijk stembureau wel het proces-verbaal opmaken en de uitkomsten op gemeenteniveau vaststellen, maar in dit geval met de kanttekening dat er redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan. Het centraal stembureau, dat de uitslag van de verkiezing vaststelt, zal van deze bijzonderheid eveneens melding maken in zijn proces-verbaal. Het vertegenwoordigend orgaan kan in laatste instantie eventueel besluiten tot een nieuwe stemming voor de kiezers die hierdoor zijn geraakt.

2.4.2.5 Het gemeentelijk stembureau controleert tijdens een openbare zitting de processen-verbaal en corrigeert eventuele fouten

Het gemeentelijk stembureau krijgt een controlerende en corrigerende taak, die het verricht tijdens een openbare zitting. Na opening van de zitting controleert het gemeentelijk stembureau de processen-verbaal van alle stembureaus in de gemeente op eventuele fouten. Als het een of meer fouten aantreft, zorgt het voor correctie daarvan. Het kan daarbij nodig zijn dat het gemeentelijk stembureau de stemopneming van dat stembureau (geheel of gedeeltelijk) opnieuw verricht. Het gemeentelijk stembureau krijgt de bevoegdheid om daartoe, tijdens de openbare zitting, de verzegelde pakken met stembiljetten en stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen te openen.

De Kiesraad, de VNG en de NVVB bepleiten in hun respectieve adviezen over de in december 2017 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel om nader uit te werken welke fouten het gemeentelijk stembureau wel en welke het niet moet onderzoeken en corrigeren. De regering beoogt echter met de verbetering van het proces van uitslagvaststelling niet slechts dat sommige, maar dat alle vermeende telfouten worden onderzocht, en dat alle geconstateerde telfouten zoveel mogelijk worden hersteld. Ook als het gaat om relatief kleine fouten, is een correctie gewenst. Ook kleine fouten kunnen immers gevolgen hebben voor de zetelverdeling. Hoewel een volstrekt foutloze uitslag nooit is te garanderen, is het voor het publieke vertrouwen in het verkiezingsproces van groot belang om de procedure van uitslagvaststelling zo in te richten dat fouten zo veel mogelijk worden opgespoord en gecorrigeerd.

De controle op fouten verloopt aldus. Het gemeentelijk stembureau controleert allereerst voor elk stembureau of het proces-verbaal melding maakt van een verschil tussen enerzijds het aantal toegelaten kiezers (de som van het aantal stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen) en anderzijds het aantal getelde stembiljetten, waarvoor het stembureau géén verklaring heeft gegeven. Ingeval van een door het stembureau niet verklaard verschil tussen beide aantallen verricht het gemeentelijk stembureau voor dat stembureau een hertelling. Uiteraard is niet steeds een integrale hertelling nodig: het kan zijn dat een nieuwe vaststelling van alleen het aantal toegelaten kiezers het verschil opheft. Maar is dat niet het geval, dan zal het gemeentelijk stembureau voor dat stembureau ook voor een of meer of alle lijsten de stembiljetten opnieuw moeten tellen, om na te gaan of het onverklaarde telverschil kan worden weggenomen.

Niet in alle gevallen zal een hertelling leiden tot opheffing van het verschil. Immers, niet alle telverschillen zijn te herleiden tot telfouten. Een kiezer kan bijvoorbeeld zijn stembiljet mee naar buiten hebben genomen, zonder dat dit door het stembureaus is opgemerkt. In dat geval ontstaat een verschil tussen het aantal toegelaten kiezers en het aantal getelde stembiljetten, waarvoor het stembureau geen verklaring kan geven. Een hertelling zal dan niet zorgen voor opheffing van het verschil. Blijft na de hertelling een verschil bestaan, dan vult het gemeentelijk stembureau op zijn proces-verbaal in dat voor dat verschil geen verklaring kan worden gegeven.

Verder controleert het gemeentelijk stembureau alle door de stembureaus ingevulde aantallen op alle pagina’s van alle processen-verbaal. Het gaat daarbij na of de optellingen kloppen. Als het gemeentelijk stembureau programmatuur gebruikt voor de berekening van de uitkomsten op gemeenteniveau, verricht het deze controle door invoering in die programmatuur van de door de stembureaus bij elke kandidaat ingevulde aantallen en van de ingevulde aantallen stempassen, kiezerspassen en volmachten. Als van een bepaald proces-verbaal een of meer optellingen niet kloppen, opent het gemeentelijk stembureau de desbetreffende verzegelde pakken en voert het een hertelling uit van de desbetreffende bescheiden.

De Kiesraad adviseert in de toelichting te expliciteren wanneer het gemeentelijk stembureau tot een nieuwe telling moet overgaan.22 Daarvan is sprake in alle gevallen waarin een of meer optellingen niet kloppen; dat wil zeggen: als de bij de kandidaten ingevulde aantallen niet optellen tot het ingevulde lijsttotaal, of als het ingevulde aantal stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen niet optelt tot het ingevulde aantal toegelaten kiezers.

Het kan zijn dat het gemeentelijk stembureau vermoedt dat een stembureau een fout heeft gemaakt, zonder dat dit meteen blijkt uit het proces-verbaal. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een lokale kandidaat in een bepaald stembureau geen stemmen heeft gekregen, terwijl hij of zij in andere stembureaus in de gemeente wel veel stemmen heeft gekregen. Het komt weleens voor dat het stembureau de stemmen voor de betreffende kandidaat per abuis invult bij de naasthoger of -lager geplaatste kandidaat. Heeft het gemeentelijk stembureau het vermoeden dat sprake is van een dergelijke fout, dan voert het voor dat stembureau een hertelling uit voor de desbetreffende kandidaten of kandidatenlijsten.

Alle correcties worden genoteerd op een document dat, na ondertekening door de leden van het gemeentelijk stembureau, als corrigendum en bijlage bij het oorspronkelijke proces-verbaal van het desbetreffende stembureau wordt gevoegd. Het gemeentelijk stembureau maakt op het proces-verbaal van het desbetreffende stembureau melding van het bestaan van het corrigendum. Bij algemene maatregel van bestuur worden daarover nadere regels gesteld. Te denken valt aan een op de eerste bladzijde van het proces-verbaal aan te brengen stempel. Op die manier is, na openbaarmaking van het proces-verbaal, voor belangstellenden direct duidelijk dat het proces-verbaal een bijlage bevat met correcties door het gemeentelijk stembureau.

Zoals opgemerkt, kan het gemeentelijk stembureau zich bij zijn werkzaamheden laten bijstaan door tellers. Zij voeren de eigenlijke telwerkzaamheden uit, of verrichten de invoer van uitslaggegevens in de gebruikte programmatuur. Zij doen dat echter steeds onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het gemeentelijk stembureau, en hebben dus geen eigen bevoegdheden. Ook als er twijfel is over de geldigheid van een stem, leggen zij de stem ter beoordeling voor aan een of meer leden van het gemeentelijk stembureau. De VNG en de NVVB adviseren om tellers zelf te laten bepalen of een stem blanco of ongeldig is. De regering heeft dat advies niet overgenomen. Het zijn de leden van het gemeentelijk stembureau, en niet de tellers, die verantwoordelijk zijn voor de stemopneming, en die het proces-verbaal ondertekenen. Door deze beoordeling aan de leden van het gemeentelijk stembureau te laten, wordt de eenvormigheid van de telling bevorderd. De regeling is bovendien in lijn met de huidige Kieswet, die het aan de leden van het stembureau, en niet aan de tellers, opdraagt om te beslissen over de geldigheid van het stembiljet (artikel N 8).

Als het gemeentelijk stembureau de nieuwe telling voor een stembureau heeft afgerond, stelt het de aanwezige personen in kennis van de uitkomsten. Dit kan ook door de uitkomsten ter inzage te leggen, of door deze te tonen op een beeldscherm. De aanwezigen kunnen mondeling bezwaren inbrengen tegen de vastgestelde uitkomsten voor een stembureau. Het gemeentelijk stembureau noteert de bezwaren in zijn proces-verbaal, alsmede, voor zover nodig, zijn reactie daarop.

2.4.2.6 Het gemeentelijk stembureau stelt de uitkomsten op gemeenteniveau vast en maakt proces-verbaal op van zijn zitting

Nadat het gemeentelijk stembureau de processen-verbaal van alle stembureaus heeft gecontroleerd en eventuele fouten heeft hersteld, stelt het de uitkomst van de stemopneming op gemeentelijk niveau vast. Het kan daarbij programmatuur gebruiken. Na invoering van de uitkomsten van de stemopneming voor alle stembureaus c.q. de correctie van het gemeentelijk stembureau daarop, genereert de programmatuur een bestand met alle uitkomsten op kandidaats- en stembureauniveau, alsook de getotaliseerde uitkomsten op gemeenteniveau. Het gemeentelijk stembureau controleert daarna of de uitkomsten van de stemopneming (zoals genoteerd in de processen-verbaal van de stembureaus c.q. de corrigenda van het gemeentelijk stembureau) goed zijn verwerkt door de programmatuur. Ten behoeve van deze controle op de juiste werking van de programmatuur stelt de Kiesraad een controleprotocol op. Voor elke verkiezing (dus ook voor die verkiezingen waarvoor de Kiesraad niet zelf fungeert als centraal stembureau) omschrijft de Kiesraad in dat controleprotocol in algemene zin welke controles het gemeentelijk stembureau moet uitvoeren. Het gemeentelijk stembureau is gehouden om het door de Kiesraad opgestelde controleprotocol te volgen.

In de consultatieversie van dit wetsvoorstel werd ervan uitgegaan dat de Kiesraad het controleprotocol uiterlijk op de dag vóór de stemming zou publiceren. De VNG en de NVVB hebben geadviseerd om deze termijn te vervroegen, zodat gemeenten ruimte hebben voor voorbereiding.23 Dit advies is overgenomen. Voorgesteld wordt dat de Kiesraad het controleprotocol uiterlijk op de dag van de kandidaatstelling voor de desbetreffende verkiezing in de Staatscourant bekendmaakt.

Vervolgens maakt het gemeentelijk stembureau van al zijn werkzaamheden een proces-verbaal op. Daarin vermeldt het voor welke stembureaus een nieuwe opneming van stembescheiden heeft plaatsgevonden en welke bescheiden het daarbij betrof. Tevens maakt het gemeentelijk stembureau melding van de tijdens de zitting ingediende bezwaren; het vermeldt voor zover nodig bovendien zijn reactie op de bezwaren. Als het gemeentelijk stembureau programmatuur gebruikt bij de berekening van de uitkomsten van de stemopneming, kan het proces-verbaal ook worden gegenereerd door deze programmatuur.

De Kiesraad adviseert om voor te schrijven dat het gemeentelijk stembureau in zijn proces-verbaal ook alle bezwaren overneemt die zijn opgenomen in de processen-verbaal van de stembureaus, zoals ook wordt geregeld wanneer is gekozen voor optie 2 (centraal tellen; zie paragraaf 2.4.3.5 onder b).24 De regering heeft dat advies niet overgenomen, omdat het zou gaan om een onnodige extra last voor gemeenten. Onnodig, omdat de processen-verbaal van de stembureaus integraal (dus inclusief de daarin opgenomen bezwaren) naar het centraal stembureau worden overgebracht.

Nadat de bovenvermelde werkzaamheden zijn afgerond, deelt de voorzitter de uitkomsten (de stemtotalen op gemeentelijk niveau) mee aan de aanwezigen. Het gemeentelijk stembureau kan ook de burgemeester vragen om de bekendmaking van de uitkomsten te verzorgen. Vervolgens ondertekenen de leden van het gemeentelijk stembureau het proces-verbaal.

2.4.2.7 Overige aspecten die samenhangen met de zitting van het gemeentelijk stembureau

In het navolgende wordt nader ingegaan op een aantal overige aspecten die samenhangen met de zitting van het gemeentelijk stembureau.

a. De locatie en de openbaarheid van de zitting

In de meeste gemeenten zal kunnen worden volstaan met één locatie voor de zitting van het gemeentelijk stembureau, zoals het gemeentehuis, of een sport- of festivalhal. Het kan echter wenselijk zijn twee of meer locaties aan te wijzen. Burgemeester en wethouders besluiten op welke locatie(s) de zitting wordt gehouden, en maken dit uiterlijk op de zevende dag voor de stemming op algemeen toegankelijke wijze bekend.

Burgemeester en wethouders zijn ook verantwoordelijk voor de inrichting van de tellocatie(s). De zitting moet ordelijk en overzichtelijk verlopen. Het gemeentelijk stembureau en de tellers moeten beschikken over faciliteiten voor het tellen, zoals tafels die geschikt zijn om daarop de stembiljetten te tellen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat het gemeentelijk stembureau zijn werkzaamheden in het openbaar uitvoert. Iedereen die dat wil (zoals kiezers, pers, vertegenwoordigers van politieke partijen) kan daarbij dus aanwezig zijn, en desgewenst foto’s maken of filmen. Belangstellenden moeten daadwerkelijk kennis kunnen nemen van de controle van de processen-verbaal door het gemeentelijk stembureau en van de telwerkzaamheden, en moeten desgewenst bezwaren kunnen inbrengen, bijvoorbeeld tegen het al dan niet ongeldig verklaren van een stembiljet. Ook de Kiesraad wijst in zijn advies op het belang dat aanwezigen voldoende zicht hebben op het telproces en dat het voor hen reëel mogelijk moet zijn om genomen beslissingen te controleren. Met het oog op de logistieke organisatie van de stemopneming kan het wel wenselijk zijn dat degenen die de zitting bijwonen, niet overal vrijelijk kunnen rondlopen. Dat kan de organisatie verstoren en daarmee ook het goede verloop van de zitting. Burgemeester en wethouders kunnen bijvoorbeeld looppaden in de ruimte laten aanbrengen, en/of regelen dat belangstellenden alleen onder begeleiding van een gemeentefunctionaris toegang hebben tot de telwerkzaamheden. Ook het plaatsen van een of meer beeldschermen is een mogelijkheid, waarop aan belangstellenden die op een tribune zitten via een camera gegenereerde beelden kunnen worden getoond van bijvoorbeeld (on)geldig verklaarde stembiljetten, of van het resultaat van de (her)telling van een stembureau. Steeds blijft echter gelden dat de zitting van het gemeentelijk stembureau fysiek toegankelijk moet zijn voor belangstellenden. In geen geval kan het vertonen van camerabeelden dus in de plaats komen van de daadwerkelijke fysieke toegankelijkheid tot het telproces.

De Kiesraad adviseert om in de toelichting in te gaan op de vraag of het invoeren van uitslagen in een digitaal rekenhulpmiddel werk is dat in het openbaar moet worden uitgevoerd.25 De Raad meent dat deze openbaarheid niet nodig is, en vindt het belangrijk dat de genoemde werkzaamheden in alle rust en zonder inmenging van derden plaatsvinden. De regering ziet echter geen enkel bezwaar tegen het in de openbaarheid verrichten van deze werkzaamheden. Zij vindt het anderzijds niet nodig daartoe in de wet een verplichting op te nemen, omdat belangstellenden de uitkomsten van de optellingen kunnen raadplegen op de gemeentelijke website, en bovendien door raadpleging van de processen-verbaal kunnen nagaan hoe deze optellingen tot stand zijn gekomen (zie paragraaf 2.5.1 van deze toelichting).

De Kiesraad adviseert om voor te schrijven dat de informatie over waar en wanneer de zitting plaatsvindt, actief openbaar wordt gemaakt, door deze informatie te combineren met de in artikel J 1 van het Kiesbesluit voorgeschreven bekendmaking van informatie over de kandidatenlijsten en adressen en openingstijden van de stemlokalen.26 De regering vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk kiesgerechtigden op een laagdrempelige manier worden geïnformeerd over de zitting van het gemeentelijk stembureau en de mogelijkheid om bij deze zitting aanwezig te zijn, en zal daarom dit advies van de Kiesraad volgen, en artikel J 1 van het Kiesbesluit op dit punt uitbreiden.

Als de zitting van het gemeentelijk stembureau op meerdere locaties wordt gehouden, moeten per locatie steeds ten minste vijf leden van het gemeentelijk stembureau aanwezig zijn; bij gemeenteraads- en eilandsraadsverkiezingen is dit aantal drie. De regering is voornemens om bij algemene maatregel van bestuur voor te schrijven dat, als de telling op één locatie, maar binnen die locatie in afzonderlijke ruimtes plaatsvindt, in elke ruimte altijd ten minste één lid van het gemeentelijk stembureau aanwezig moet zijn. Op die manier wordt de rol van het gemeentelijk stembureau als verantwoordelijke voor de telling gewaarborgd.

b. Het tijdstip van de zitting

In de in december 2017 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel was geregeld dat de zitting van het gemeentelijk stembureau aanvangt om 10.00 uur op de dag na de stemming. De VNG en de NVVB hebben in hun adviezen over deze versie van het voorstel bepleit om het aanvangstijdstip niet in de wet vast te leggen. Er kan lokaal behoefte bestaan aan een later tijdstip, opdat de zitting ambtelijk kan worden voorbereid, aldus de VNG. Dit advies is overgenomen. Burgemeester en wethouders besluiten hoe laat de zitting van het gemeentelijk stembureau begint, en maken dit besluit uiterlijk op de zevende dag voor de stemming bekend. Er kan echter geen sprake van zijn dat voorafgaand aan de zitting ambtelijk wordt bepaald voor welke transportboxen het gemeentelijk stembureau wel en voor welke het geen hertelling moet uitvoeren. Het is niet de gemeente maar het gemeentelijk stembureau dat dit bepaalt, in onafhankelijkheid en tijdens een openbare zitting.

Uitgangspunt is dat de zitting van het gemeentelijk stembureau daags na de stemming aanvangt; ook bij Europees Parlementsverkiezingen, die in Nederland op een donderdag worden gehouden. Veel EU-lidstaten stemmen pas op zondag. Omdat de Europese Kiesakte bepaalt dat er pas uitslagen officieel bekend mogen worden gemaakt na sluiting van de stembussen in de lidstaat waar de kiezers het laatst hun stem uitbrengen,27 vond de zitting bij de experimenten met centrale stemopneming pas plaats op de maandag na het weekend.28 Dit wetsvoorstel regelt dat de zitting van het gemeentelijk stembureau bij Europees Parlementsverkiezingen daags na de stemming aanvangt, maar dat de uitkomsten van de stemopneming op gemeenteniveau na afloop nog niet worden meegedeeld. In lijn met de Europese Kiesakte vindt de mededeling daarvan plaats na een hervatting van de openbare zitting op de eerste werkdag na sluiting van de laatste stembussen in de Europese Unie.

Bij gecombineerde provinciale staten- en waterschapsverkiezingen kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat de zitting van het gemeentelijk stembureau voor de waterschapsverkiezing op de tweede dag na de stemming begint. De getotaliseerde opkomst van de gecombineerde provinciale staten- en waterschapsverkiezingen 2019 was in sommige gemeenten meer dan 120%. Daar komt bij dat ruim 70 gemeenten liggen in het beheersgebied van twee, drie of zelfs vier waterschappen. Dat brengt voor het proces van uitslagvaststelling veel extra werk mee. De mogelijkheid (niet: verplichting) om de zitting van het gemeentelijk stembureau voor de waterschapsverkiezingen een dag later te houden, biedt gemeenten ruimte in de organisatie van de gecombineerde verkiezingen.

De VNG en de NVVB hebben in hun adviezen over het wetsvoorstel bepleit om gemeenten ook bij andere dan waterschapsverkiezingen de vrijheid te geven de zitting van het gemeentelijk stembureau te laten beginnen op de tweede dag na de stemming.29 Dit advies is niet overgenomen. De regering acht het onwenselijk dat er na de dag van de stemming een volledige dag rust wordt genomen. Dan kunnen eventuele tegenslagen verderop in het proces minder goed worden opgevangen. Wel is het uiteraard mogelijk om, indien nodig, de zitting van het gemeentelijk stembureau te schorsen en de volgende dag te continueren.

Het wetsvoorstel sluit uit dat de zitting van het gemeentelijk stembureau al op de avond van de stemming begint. De zitting zou dan immers pas laat op die avond of in de nacht kunnen beginnen. Belangrijk doel van de voorgestelde manier van uitslagvaststelling is een betrouwbaarder telresultaat. Dat doel komt in het gedrang als de controle en eventuele nieuwe stemopnemingen worden uitgevoerd door vermoeide mensen.

Het kan voorkomen dat het gemeentelijk stembureau op meer fouten stuit dan vooraf werd verwacht, en dat er niet meteen voldoende tellers beschikbaar zijn om alle hertellingen uit te voeren waartoe het gemeentelijk stembureau besluit, en/of dat de zitting van het gemeentelijk stembureau niet in een dag kan worden afgerond. In dat geval schorst het gemeentelijk stembureau de zitting. De burgemeester stelt vervolgens de locatie, de dag en het tijdstip vast waarop de stemopneming wordt hervat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld. Deze regels zullen onder meer zien op de beveiliging van de stembescheiden.

2.4.2.8 Vervoer en opslag stembescheiden na afloop van de zitting van het gemeentelijk stembureau

Het gemeentelijk stembureau zorgt dat de stembescheiden opnieuw worden ingepakt en verzegeld, op dezelfde manier als dat op de avond van de stemming door het stembureau is gedaan. De burgemeester is ervoor verantwoordelijk dat alle stembescheiden weer beveiligd worden vervoerd en opgeslagen op de gewenste opslaglocatie. Dat is nodig omdat, zolang de verkiezingsuitslag nog niet onherroepelijk is vastgesteld, er voor een of meer stembureaus kan worden besloten tot een nieuwe telling van de uitgebrachte stemmen (zie paragraaf 2.5).

Totdat de transportboxen zijn opgehaald, staan deze onder verantwoordelijkheid van het gemeentelijk stembureau. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau en voor de enveloppen (met in elk daarvan voor één stembureau het proces-verbaal en de sleutel van de transportbox). De enveloppen, de processen-verbaal van de stembureaus en het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau worden overgebracht naar de burgemeester.

2.4.3 Optie 2 - Het gemeentelijk stembureau verricht een centrale stemopneming

Bij een centrale opzet van de stemopneming verrichten de stembureaus op de avond van de stemming een basistelling van de stembiljetten, uitsluitend op lijstniveau. Het tellen op kandidaatsniveau vindt de volgende dag plaats, op een of meer centrale locaties in de gemeente. Voordeel van het centraal tellen van de stembiljetten is dat de definitieve telling gestructureerd en uniform kan worden georganiseerd. Er kan daardoor eenvoudig assistentie worden verleend aan tellers, bijvoorbeeld waar het gaat om de beoordeling van de geldigheid van stembiljetten. Telfouten kunnen daardoor beter worden voorkomen en sneller worden gedetecteerd. Dat komt de betrouwbaarheid van de stemopneming ten goede. De telling kan worden georganiseerd op een locatie met voldoende faciliteiten (zoals teltafels), en wordt verricht door personen die er niet al een lange werkdag op hebben zitten. Het tellen gebeurt in een rustige sfeer, zonder tijdsdruk om snel een voorlopige uitslag bekend te maken. Tevens is een centrale stemopneming voor kiezers, politici en journalisten aantrekkelijker om bij te wonen. Weliswaar is het tellen van de stembiljetten in de stemlokalen ook onder de huidige Kieswet publiek toegankelijk, maar in de praktijk wordt daarvan zelden gebruikgemaakt, ook doordat de stemopneming versnipperd plaatsvindt in de vele stemlokalen. Een ander voordeel van een centrale stemopneming is dat de leden van de stembureaus op de avond van de stemming worden ontlast, omdat zij alleen een basistelling op lijstniveau hoeven uit te voeren.

Paragraaf 2.4.3 bevat een gedetailleerde uitwerking van de werkzaamheden die nodig zijn voor een centrale stemopneming.

2.4.3.1 Burgemeester en wethouders stellen een gemeentelijk stembureau in

Hiervoor geldt hetzelfde als wanneer wordt gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2.1).

2.4.3.2 Het stembureau verricht een basistelling op lijstniveau

Na het sluiten van de stemming, om 21.00 uur, stellen alle stembureaus het aantal geldige stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen vast (net als onder de huidige Kieswet). De som van deze aantallen is het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten. Het stembureau doet de bescheiden in afzonderlijke pakken, die het verzegelt. Ook de onbruikbaar gemaakte en de niet gebruikte stembiljetten gaan in pakken, die het stembureau verzegelt (eveneens net als onder de huidige Kieswet).

Vervolgens opent het stembureau de stembus en leegt het deze. Het stembureau rangschikt de stembiljetten lijstgewijs, en stelt daarna voor elke lijst het aantal stemmen vast dat op alle kandidaten gezamenlijk is uitgebracht, alsmede het aantal blanco en ongeldig uitgebrachte stemmen. Het stembureau doet dat handmatig. Anders dan onder de huidige Kieswet, worden de op de individuele kandidaten uitgebrachte stemmen niet door het stembureau geteld. De voorzitter deelt de totalen mee aan de aanwezige belangstellenden, die mondeling bezwaren kunnen indienen, bijvoorbeeld tegen het blanco of (on)geldig verklaren van een stembiljet. Van de stemopneming wordt een proces-verbaal opgemaakt.

De door de stembureaus te verrichten basistelling heeft een andere functie dan de (integrale) telling die de stembureaus onder de huidige wet uitvoeren, en blijven uitvoeren als wordt gekozen voor optie 1 (paragraaf 2.4.2). Onder de huidige wet fungeert de telling door de stembureaus als directe input voor de verkiezingsuitslag. De basistelling op lijstniveau die de stembureaus verrichten als wordt gekozen voor een centrale stemopneming (optie 2), heeft een andere functie. Deze basistelling fungeert als «nulmeting», en waarborgt dat het gemeentelijk stembureau de volgende dag kan nagaan of (voor elke lijst) het aantal stembiljetten en het aantal stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen in de transportbox gelijk is gebleven. De aantallen stembiljetten en toegelaten kiezers die het stembureau in zijn proces-verbaal heeft genoteerd, horen immers overeen te komen met de aantallen die het gemeentelijk stembureau de volgende dag voor het desbetreffende stembureau aantreft. Als blijkt dat er tussen beide tellingen (aanzienlijke) verschillen zitten, kan dat aanleiding zijn om nader onderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden bij het vervoer en/of de opslag van de stembiljetten.

Een andere functie van de basistelling op lijstniveau is dat deze kan dienen als input voor de voorlopige uitkomsten van de stemopneming die gemeenten op de avond van de stemming kunnen doorgeven aan media en andere belangstellenden (de «voorlopige uitslag»). Het betreft echter altijd voorlopige uitkomsten: het gemeentelijk stembureau verricht de volgende dag een nieuwe telling van de stembiljetten, en stelt daarbij (voor het eerst) de aantallen op de kandidaten uitgebrachte stemmen vast. Er moet dus rekening mee worden gehouden dat de door het gemeentelijk stembureau uitgevoerde telling een ander resultaat kan opleveren, bijvoorbeeld als het stembureau fouten heeft gemaakt bij de basistelling op lijstniveau.

2.4.3.3 Het stembureau maakt de stembescheiden gereed voor vervoer

Hiervoor geldt hetzelfde als wanneer wordt gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2.3).

2.4.3.4 De burgemeester zorgt voor vervoer en opslag van de stembescheiden

Hiervoor geldt hetzelfde als wanneer wordt gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2.4).

2.4.3.5 Het gemeentelijk stembureau verricht de centrale stemopneming

Het gemeentelijk stembureau stelt in een openbare zitting per stembureau vast hoeveel stemmen er op elke kandidaat zijn uitgebracht en totaliseert deze aantallen tot op gemeentelijk niveau. In het navolgende wordt dieper ingegaan op de werkzaamheden van het gemeentelijk stembureau.

a. De werkzaamheden tijdens de centrale stemopneming

Het gemeentelijk stembureau stelt voor elke lijst handmatig het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen vast, alsmede de som van deze aantallen. Ook stelt het gemeentelijk stembureau het aantal blanco en ongeldige stemmen vast. Ten slotte stelt het gemeentelijk stembureau de som vast van de aantallen op kandidaten uitgebrachte stemmen, blanco stemmen en ongeldige stemmen. Dit is het aantal stemmen dat voor het betreffende stembureau is geteld.

De eigenlijke telwerkzaamheden kunnen worden verricht door tellers, die hun werkzaamheden uitvoeren onder toezicht en verantwoordelijkheid van het gemeentelijk stembureau. Het ligt voor de hand de tellers te verdelen in telteams, onder aanvoering van een telleider, waarbij elk telteam telkens de inhoud van één transportbox telt. In de praktijk zullen diverse teams gelijktijdig bezig zijn met de stemopneming van de verschillende stembureaus. Zodra een team de stemopneming van een stembureau heeft afgerond, informeert het de aanwezige leden van het gemeentelijk stembureau over de uitkomsten. Als het gemeentelijk stembureau van oordeel is dat de stemopneming correct is verlopen, wordt de stemopneming voor het betreffende stembureau afgerond en wordt de uitkomst vastgelegd in het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau. Als er onduidelijkheden zijn, kan het gemeentelijk stembureau beslissen de stembiljetten opnieuw te tellen.

Het gemeentelijk stembureau gaat voor elk stembureau na of er een verschil is tussen enerzijds het door het stembureau vastgestelde aantal toegelaten kiezers (de som van het aantal stempassen, kiezerspassen en volmachten) en anderzijds het door het gemeentelijk stembureau vastgestelde aantal stembiljetten. Is er sprake van een verschil, dan gaat het gemeentelijk stembureau na of het stembureau voor dat verschil een verklaring heeft opgenomen in zijn proces-verbaal. Zo ja, dan hoeven de stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen niet opnieuw te worden geteld. Het gemeentelijk stembureau neemt de door het stembureau gegeven verklaring voor het verschil over in zijn proces-verbaal.

Wordt het verschil in het proces-verbaal van het stembureau níét (of niet volledig) verklaard, dan opent het gemeentelijk stembureau de verzegelde pakken met stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen, en stelt het voor dat stembureau opnieuw het aantal toegelaten kiezers vast. Het door het gemeentelijk stembureau vastgestelde aantal komt in de plaats van het door het betreffende stembureau getelde aantal. Blijft er na de nieuwe telling een verschil bestaan tussen de aantallen getelde stemmen en toegelaten kiezers, dan noteert het gemeentelijk stembureau daarvoor, voor zover mogelijk, een verklaring in het proces-verbaal.

Een nieuwe vaststelling van het aantal toegelaten kiezers door het gemeentelijk stembureau is ook nodig als er weliswaar géén verschil is tussen enerzijds het door het stembureau vastgestelde aantal toegelaten kiezers en anderzijds het door het gemeentelijk stembureau vastgestelde aantal stemmen, maar het stembureau in zijn proces-verbaal wél melding heeft gemaakt van een verschil tussen het aantal stemmen en het aantal toegelaten kiezers. Ook in dat geval stelt het gemeentelijk stembureau voor dat stembureau opnieuw het aantal toegelaten kiezers vast, en komt het door het gemeentelijk stembureau vastgestelde aantal in de plaats van het door dat stembureau getelde aantal.

De VNG adviseert te schrappen dat het gemeentelijk stembureau het aantal toegelaten kiezers opnieuw moet vaststellen ingeval van een onverklaard verschil met het aantal getelde stembiljetten.30 De regering heeft dat advies niet overgenomen. Een onverklaard telverschil kan duiden op een onjuistheid in de door het stembureau verrichte telling, zeker als het gaat om grote verschillen. Bij een betrouwbaar proces van uitslagvaststelling past dat daar onderzoek naar wordt gedaan, en dat telfouten worden gecorrigeerd.

De Kiesraad adviseert te regelen dat het gemeentelijk stembureau de resultaten van de eigen telling vergelijkt met de basistelling van de stembureaus.31 De regering heeft dat advies overgenomen. Voorgesteld wordt dat het gemeentelijk stembureau voor elk stembureau nagaat of er verschillen zijn met de door dat stembureau uitgevoerde basistelling op lijstniveau. Het gemeentelijk stembureau noteert zijn reactie op eventuele verschillen in zijn proces-verbaal.

Terecht merkt de Kiesraad op dat onverklaarde verschillen niet direct op manipulatie hoeven te wijzen. Die kunnen bijvoorbeeld ook te wijten zijn aan onzorgvuldig tellen door het stembureau. Zelfs ingeval van aanzienlijke verschillen hoeft er geen sprake van fraude te zijn: ook die kunnen te wijten zijn aan een onzorgvuldigheid. Zo bleek bij de Europees Parlementsverkiezing in 2019 uit het proces-verbaal van een stembureau dat er 100 stembiljetten meer waren geteld dan er kiezers tot de stemming waren toegelaten. De Tweede Kamer heeft daarop voor onder andere dit stembureau besloten tot een nieuwe opneming van de stembescheiden.32 Bij deze hertelling bleek dat het telverschil te wijten was aan een onzorgvuldige optelling door het stembureau van het aantal stempassen.

Als het gemeentelijk stembureau echter, om wat voor reden dan ook, de inhoud van een of meer transportboxen niet vertrouwt, ligt het op zijn weg om de burgemeester te vragen om, al dan niet met inschakeling van justitie, een onderzoek te verrichten (zie paragraaf 2.4.2.4). Het gemeentelijk stembureau maakt hiervan melding in zijn proces-verbaal.

De Kiesraad adviseert voorts om de controlerende rol van het gemeentelijk stembureau bij de centrale stemopneming op een vergelijkbare manier vast te leggen als wanneer is gekozen voor optie 1.33 De regering heeft dat advies niet overgenomen. In gemeenten die centraal tellen, bestaat de controlerende en corrigerende taak van het gemeentelijk stembureau eruit dat het, na de basistelling op lijstniveau door de stembureaus, een integrale telling verricht van alle stembiljetten, ook op kandidaatsniveau. Langs die weg kan het gemeentelijk stembureau eventuele fouten van stembureaus (bijv. stembiljetten die door de stembureaus op de verkeerde stapel zijn gelegd, of ten onrechte geldig of juist ongeldig zijn verklaard) corrigeren. De verplichting tot correctie van fouten is inbegrepen in deze werkwijze, en hoeft dus niet te worden vastgelegd in de wet.

Zoals opgemerkt, kan het gemeentelijk stembureau zich bij zijn werkzaamheden laten bijstaan door tellers. Zij voeren de eigenlijke telwerkzaamheden uit, maar als er twijfel is over de geldigheid van een stem, leggen zij de stem ter beoordeling voor aan een of meer leden van het gemeentelijk stembureau (zie ook paragraaf 2.4.2.5).

Als het gemeentelijk stembureau de stemopneming voor een stembureau heeft afgerond, stelt het de aanwezige personen in kennis van de uitkomsten van de stemopneming voor dat stembureau. Dit kan ook door de door het telteam ingevulde uitslagen ter inzage te leggen, of door die te tonen op een beeldscherm. De aanwezigen kunnen mondeling bezwaren inbrengen tegen de vastgestelde uitkomsten voor een stembureau. Het gemeentelijk stembureau noteert deze bezwaren in zijn proces-verbaal.

b. Afronding van de centrale stemopneming en opmaken van het proces-verbaal

Nadat het gemeentelijk stembureau de stemopneming voor alle stembureaus heeft afgerond, stelt het de uitkomst van de stemopneming op gemeentelijk niveau vast. Het gemeentelijk stembureau kan bij het totaliseren van de resultaten op stembureauniveau programmatuur gebruiken. Het moet dan na gebruik van de programmatuur controleren of de uitkomsten van de stemopneming goed zijn verwerkt door de programmatuur, aan de hand van het door de Kiesraad op te stellen controleprotocol (zie ook paragraaf 2.4.2.6).

In zijn proces-verbaal neemt het gemeentelijk stembureau alle bezwaren over die zijn opgenomen in de processen-verbaal van de stembureaus, en hecht die aan zijn eigen proces-verbaal.34 De processen-verbaal van de stembureaus hoeven, als is gekozen voor optie 2, namelijk niet langer naar het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan te worden overgebracht (zie paragraaf 2.5.2). Zij bevatten immers uitsluitend de resultaten van een basistelling op lijstniveau. Door het voorschrift dat het gemeentelijk stembureau alle bezwaren uit de processen-verbaal van de stembureaus in zijn proces-verbaal overneemt, is gewaarborgd dat het centraal stembureau en het vertegenwoordigend orgaan een indruk kunnen krijgen van het verloop van de stemming en de telling in de gemeente.

Nadat de bovenvermelde werkzaamheden zijn afgerond, deelt de voorzitter de uitkomsten (de stemtotalen op gemeentelijk niveau) mee aan de aanwezigen. Het gemeentelijk stembureau kan ook de burgemeester vragen om de bekendmaking van de uitkomsten te verzorgen. Vervolgens ondertekenen de leden van het gemeentelijk stembureau het proces-verbaal.

2.4.3.6 Locatie, tijdstip en openbaarheid van de zitting

Hiervoor geldt hetzelfde als wanneer wordt gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2.7).

2.4.3.7 Vervoer en opslag stembescheiden na afloop van de zitting van het gemeentelijk stembureau

Hiervoor geldt hetzelfde als wanneer wordt gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2.8).

2.4.4 Risicoanalyse

De regering meent dat beide voorgestelde manieren van stemopneming tegemoetkomen aan de breed levende wens om het mogelijk te maken dat door stembureaus gemaakte fouten tijdig voor de vaststelling van de verkiezingsuitslag worden gecorrigeerd, en dat deze manieren van stemopneming bijdragen aan meer transparantie in het proces van uitslagvaststelling en aan een betrouwbaarder telresultaat. Aan beide manieren van tellen zijn, zoals aan elk proces, ook risico’s verbonden, die de regering overigens beheersbaar vindt.

Allereerst is er het risico dat stembescheiden in het ongerede raken tijdens het vervoer van of naar de opslag en/of de locatie waar het gemeentelijk stembureau zitting houdt. Dat kan gebeuren doordat het vervoermiddel waarin het vervoer plaatsvindt, betrokken raakt bij een ongeluk. Er is een kans dat daarbij stembescheiden verloren gaan. De regering acht echter het risico op dergelijke calamiteiten gering. Bovendien zijn vergelijkbare risico’s nu ook al aanwezig. Zo kunnen stembescheiden verloren gaan door een brand in het stemlokaal. Overigens is het vervoeren van stembiljetten voorafgaand aan de definitieve stemopneming in verschillende landen om ons heen gebruikelijk (zoals in diverse Scandinavische landen, Ierland en het Verenigd Koninkrijk).35 In deze landen zijn in dit opzicht geen excessen bekend. Mocht zich onverhoopt toch een situatie voordoen waarin stembescheiden verloren gaan bij het vervoer, dan kan het vertegenwoordigend orgaan uiteindelijk eventueel besluiten tot een nieuwe stemming voor de kiezers die hierdoor zijn geraakt.

Een tweede risico is dat er tijdens het vervoer of de opslag van de stembescheiden fraude wordt gepleegd met de bescheiden. De bescheiden zijn dan immers aan het oog van stembureau en publiek onttrokken, waardoor de mogelijkheid ontstaat om de transportboxen bij te vullen met ingevulde stembiljetten, of om daaruit biljetten te verwijderen, zonder dat dit wordt ontdekt. Om dit risico te minimaliseren, worden in dit wetsvoorstel verschillende maatregelen voorgesteld. Zo moet het stembureau, als gekozen wordt voor een centrale opzet van de stemopneming, een basistelling op lijstniveau uitvoeren. Aan de hand daarvan kan het gemeentelijk stembureau de volgende dag nagaan of (voor elke lijst) het aantal stembiljetten en het aantal stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen in de transportbox gelijk is gebleven. Als blijkt dat er tussen beide tellingen (aanzienlijke) verschillen zitten, kan dat aanleiding zijn om nader onderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden bij het vervoer en/of de opslag van de stembiljetten. Verder worden er eisen gesteld aan het vervoer en de opslag. De transportbox wordt afgesloten en verzegeld voordat het vervoer plaatsvindt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wil de regering regelen dat de transportbox enerzijds en de enveloppe met daarin de sleutel van de transportbox en het proces-verbaal anderzijds, gescheiden van elkaar worden vervoerd. Voorts is zij voornemens te regelen dat het vervoer van zowel transportbox als enveloppe door ten minste twee personen wordt verzorgd, zodat de bescheiden niet onder toezicht van slechts één persoon staan. Ook de opslag van transportbox en envelop vindt gescheiden plaats, en bovendien beveiligd. Het vervoer en de opslag geschieden onder verantwoordelijkheid van de burgemeester, die nadere maatregelen kan treffen om fraude te voorkomen (door bijvoorbeeld de opslag te beveiligen met bewakers). De regering is van plan voor te schrijven dat de burgemeester in een aan het gemeentelijk stembureau over te dragen document melding moet maken van eventuele bijzonderheden tijdens het vervoer en de opslag. Als het gemeentelijk stembureau de inhoud van een of meer transportboxen niet vertrouwt, kan de burgemeester een onderzoek verrichten (zie uitgebreider paragraaf 2.4.2.4). Het vertegenwoordigend orgaan kan in laatste instantie eventueel besluiten tot een nieuwe stemming voor de desbetreffende kiezers.

De VNG wijst in haar advies over de tweede versie van dit wetsvoorstel op het risico dat, als wordt gekozen voor een centrale opzet van de stemopneming, alle ongetelde stemmen op één centrale locatie staan. De regering is zich van dat risico bewust. Dit wetsvoorstel schrijft daarom voor dat de opslag van stembescheiden beveiligd en onder toezicht plaatsvindt, zoals hiervoor betoogd. Tijdens de zitting van het gemeentelijk stembureau is het aan burgemeester en wethouders om, indien nodig, extra beveiligingsmaatregelen te nemen (zoals bewaking van de zittingslocatie).

Een derde risico is dat bij de stemopneming de stembiljetten van verschillende stembussen vermengd raken. Het is aan burgemeester en wethouders en het gemeentelijk stembureau om dit te voorkomen, door te zorgen voor een goed georganiseerd telproces op een locatie met voldoende ruimte en goede faciliteiten. Daarmee zijn overigens al goede ervaringen opgedaan op basis van de experimenteerregelgeving.

2.5 Overige aanpassingen in de procedure van uitslagvaststelling

Ook de procedure na de vaststelling van de uitkomsten van de stemopneming door het gemeentelijk stembureau kan worden verbeterd. In deze paragraaf doet de regering enkele voorstellen daartoe. Die gaan achtereenvolgens over de openbaarmaking van de uitslagen, de overdracht van de processen-verbaal aan het centraal stembureau, de bewaring en vernietiging van de processen-verbaal, de opheffing van de hoofdstembureaus, de rol van het centraal stembureau en ten slotte de termijn waarbinnen de uitslag moet worden vastgesteld en beslist moet worden over de toelating van de nieuwgekozen leden door het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden.

2.5.1 De openbaarmaking van de processen-verbaal van de stembureaus en het gemeentelijk stembureau

De burgemeester (of een door deze aangewezen ambtenaar) scant de papieren processen-verbaal van alle stembureaus en het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau. Als is gekozen voor optie 1 (zie paragraaf 2.4.2), worden ook de eventuele corrigenda van het gemeentelijk stembureau gedigitaliseerd. Als is gekozen voor optie 2, worden ook de tellijsten (met de handmatige ingevulde uitslagen van alle stembureaus) gedigitaliseerd. Per stembureau worden een of meer afzonderlijke bestanden aangemaakt.36

Na het scannen verricht de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar een visuele controle, om na te gaan of het scannen goed is gegaan. De VNG en de NVVB menen dat deze visuele controle achterwege kan blijven. De regering deelt deze opvatting niet. Bij het scannen kunnen dingen misgaan. Zo kunnen, door een storing van het scanapparaat, een of meer pagina’s van de te scannen documenten niet goed leesbaar zijn, of geheel of gedeeltelijk wegvallen. Vrijwel altijd zal een snelle blik voldoende zijn om na te gaan of het scannen goed is gegaan.

De burgemeester maakt de gedigitaliseerde versies van de processen-verbaal van alle stembureaus en van het gemeentelijk stembureau elektronisch openbaar op de gemeentelijke website. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over deze elektronische openbaarmaking. De handtekeningen van de leden van de stembureaus worden niet elektronisch openbaar gemaakt (zoals ook is geregeld in de huidige Kieswet).

Heeft het gemeentelijk stembureau programmatuur gebruikt, dan maakt de burgemeester ook het door deze programmatuur gegenereerde bestand met de uitkomsten op gemeentelijk niveau (inclusief de uitkomsten op stembureau- en kandidaatsniveau) elektronisch openbaar op de website van de gemeente. Door ook dit bestand openbaar te maken, kunnen belangstellenden controleren of de in de processen-verbaal ingevulde aantallen overeenkomen met de aantallen die zijn ingevoerd in de programmatuur. Openbaarmaking van deze bestanden draagt aldus bij aan de transparantie en controleerbaarheid van de totstandkoming van de verkiezingsuitslag.

De gedigitaliseerde processen-verbaal en het door de programmatuur gegenereerde bestand moeten ten minste tot drie maanden na toelating van de gekozenen op de gemeentelijke website blijven staan. Dat is ook het moment waarop de fysieke processen-verbaal ex art. N 12, vierde lid, van de Kieswet, moeten worden vernietigd. De huidige wet bepaalt niet tot hoe lang de gescande processen-verbaal van de stembureaus (N 10) en de opgave van de burgemeester met stemtotalen van de gemeente (N 11) online moeten blijven staan. Maar na de provinciale staten- en waterschapsverkiezingen in maart 2019 en de Europees Parlementsverkiezing in mei 2019 is gebleken dat sommige gemeenten de gescande documenten slechts kort (enkele dagen) beschikbaar hielden op hun website. Dat komt het doel van de elektronische publicatie (controleerbaarheid van de totstandkoming van de uitslag) niet ten goede. Het voorschrift dat de bestanden ten minste drie maanden online blijven staan, zorgt voor een duidelijke minimumtermijn; desgewenst kunnen gemeenten de documenten langer online beschikbaar houden.

Zoals eerder opgemerkt, vervalt de vaststelling door de burgemeester van de stemtotalen in zijn gemeente (de zogenaamde opgave N 11). Daarmee vervalt, vanzelfsprekend, ook de elektronische openbaarmaking van de opgave daarvan.

De huidige Kieswet schrijft fysieke terinzagelegging voor van de processen-verbaal van de stembureaus totdat over de toelating van de gekozenen is beslist. Die blijft gehandhaafd: de burgemeester legt een afschrift van de processen-verbaal van de stembureaus en het gemeentelijk stembureau, inclusief de ondertekening, ter inzage op het gemeentehuis totdat over de toelating van de gekozenen is beslist. Zo kan iedereen die dat wil controleren of de inhoud van de digitale bestanden overeenkomt met de ter inzage gelegde processen-verbaal. Ook kunnen langs die weg kiezers die geen toegang tot internet hebben, de processen-verbaal inzien.

De regering wil alle gemeentelijke processen-verbaal en de digitale bestanden met uitkomsten van de stemopnemingen ook toegankelijk maken via een centraal portaal op internet. Belangstellenden die de totstandkoming van de uitslag van bepaalde verkiezingen willen narekenen, hoeven dan niet de sites van alle gemeenten te raadplegen.

De VNG en de NVVB wijzen erop dat het scannen van de processen-verbaal en het publiceren daarvan op de gemeentelijke website (waartoe de huidige wet reeds verplicht), gemeenten veel werk kost.37 Als het gemeentelijk stembureau programmatuur gebruikt voor berekening van de uitkomsten, moet de burgemeester ook de door deze programmatuur gegenereerde bestanden met uitslaggegevens publiceren. De VNG vindt dat een gemeente evengoed kan volstaan met publicatie van dat laatste bestand.

De regering wijst erop dat beide soorten bestanden inhoudelijk niet gelijk zijn, en ook elk een andere functie hebben. De processen-verbaal zijn de brondocumenten, waarin de stembureaus verantwoording afleggen over de stemming en het (resultaat van het) tellen van de stemmen. Daarnaast bevatten de processen-verbaal informatie die niet is terug te vinden in de door de programmatuur gegenereerde bestanden, zoals over de samenstelling van het stembureau, voorgevallen onregelmatigheden of bijzonderheden en de ingediende bezwaren. De digitale bestanden met uitslaggegevens worden niet gegenereerd door de stembureaus, maar door programmatuur, na invoering door het gemeentelijk stembureau van alle op de processen-verbaal ingevulde stemaantallen. Het zijn vervolgens deze digitale bestanden met uitslaggegevens (en dus niet langer de brondocumenten) die door het centraal stembureau worden gebruikt voor de vaststelling van de verkiezingsuitslag. Het is belangrijk voor de transparantie en controleerbaarheid van het proces van uitslagvaststelling dat belangstellenden kunnen nagaan of de brondocumenten corresponderen met de uitslaggegevens zoals deze in de digitale bestanden zijn opgenomen.

2.5.2 De overdracht aan het centraal stembureau

De burgemeester zorgt dat de fysieke, ondertekende processen-verbaal van de stembureaus en van het gemeentelijk stembureau onverwijld naar het centraal stembureau worden overgebracht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels over de overdracht worden gesteld. Die kunnen er bijvoorbeeld in voorzien dat, indien het de Tweede Kamer- of Europees Parlementsverkiezing betreft, de overdracht van de processen-verbaal binnen één provincie ook kan geschieden door tussenkomst van de burgemeester van de gemeente waar de vergadering van provinciale staten wordt gehouden.

Als is gekozen voor een centrale opzet van de stemopneming (optie 2), worden de fysieke processen-verbaal van de stembureaus niet langer naar het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan gebracht. Zij bevatten immers uitsluitend de resultaten van een basistelling op lijstniveau; het gemeentelijk stembureau neemt de uitkomsten van elk stembureau, inclusief het resultaat van de telling op kandidaatsniveau, op in (een bijlage bij) zijn eigen proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de bezwaren uit de processen-verbaal van de stembureaus. Deze werkwijze heeft als voordeel dat het centraal stembureau en het vertegenwoordigend orgaan één overzicht hebben van alle in een gemeente ingebrachte bezwaren. Wel kunnen het centraal stembureau en het vertegenwoordigend orgaan desgewenst de processen-verbaal van een of meer stembureaus opvragen bij de burgemeester.

Als het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt voor het berekenen van de uitkomsten van de stemopneming op gemeenteniveau, zorgt de burgemeester dat ook het bestand met de door de programmatuur gegenereerde uitkomsten van de telling op gemeenteniveau naar het centraal stembureau wordt gestuurd. Dat moet zodanig gebeuren dat het centraal stembureau de authenticiteit van het verzonden bestand kan vaststellen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verzending. Op dit moment wordt gedacht aan de verplichting voor de burgemeester om het bestand te voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening. Aan de hand daarvan kan het centraal stembureau na ontvangst vaststellen of het bestand inderdaad afkomstig is van de burgemeester.

De Kiesraad bepleit om de fysieke overbrenging van de processen-verbaal van de stembureaus en het gemeentelijk stembureau (van de gemeenten naar het centraal stembureau) te vervangen door het versturen van een digitaal gewaarmerkte scan van de processen-verbaal.38 Dit zou volgens de Kiesraad de administratieve last voor gemeenten verminderen. Ook de VNG en de NVVB menen dat fysieke overdracht van de processen-verbaal niet verplicht moet worden gesteld.39 Zij wijzen erop dat het gemeentelijk stembureau, als het programmatuur gebruikt, de door die programmatuur gegenereerde bestanden met uitslaggegevens langs digitale weg naar het centraal stembureau moet sturen. Bovendien worden de processen-verbaal van de stembureaus en het gemeentelijk stembureau op de gemeentelijke websites gepubliceerd. Het centraal stembureau kan ook langs die weg kennisnemen van de uitslaggegevens en bij eventuele twijfel alsnog om fysieke overdracht van de stukken vragen, aldus de VNG en de NVVB.

De regering neemt deze adviezen niet over. Zij meent, in navolging van de commissie-Van Beek40, dat het papieren proces leidend moet zijn bij verkiezingen. Het centraal stembureau moet zich ervan verzekeren dat het op basis van de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus een betrouwbare uitslag kan vaststellen. Daartoe moet het een aantal controletaken uitvoeren (zie hierna, onder paragraaf 2.5.4). Zou het centraal stembureau zich bij die controle alleen baseren op gedigitaliseerde versies van de processen-verbaal, dan zou het papieren proces niet langer leidend zijn. Het zou een spoedige uitslagvaststelling in de weg staan als het centraal stembureau, bij twijfel aan de authenticiteit, juistheid of volledigheid van een of meer gedigitaliseerde processen-verbaal, afhankelijk zou worden gemaakt van nazending van de fysieke documenten door de desbetreffende gemeente(n). De regering wijst er daarbij op dat het overbrengen van de papieren processen-verbaal naar het centraal stembureau41 geen nieuwe administratieve last is voor gemeenten: ook onder de huidige wet bestaat deze verplichting.

De VNG bepleit om, als fysieke overdracht van de processen-verbaal gehandhaafd blijft, een hardheidsclausule in de wet op te nemen voor bijzondere omstandigheden waaronder het onmogelijk is om «onverwijld» de fysieke processen-verbaal naar het centraal stembureau te brengen.42 Hierbij kan worden gedacht aan extreme weersomstandigheden, aldus de VNG. De regering heeft ook dit advies niet overgenomen. Ingeval van calamiteiten moet altijd naar bevind van zaken worden gehandeld. Consequentie kan zijn dat de in de wet- en regelgeving neergelegde procedures niet onverkort kunnen worden toegepast. Dat is bij de overdracht van verkiezingsbescheiden aan het centraal stembureau niet anders dan op andere momenten in het verkiezingsproces.

2.5.3 Het opheffen van de hoofdstembureaus

Zoals uit het voorgaande blijkt, regelt dit wetsvoorstel dat de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus rechtstreeks worden overgebracht naar het centraal stembureau. Onder de huidige Kieswet is, na de vaststelling door de burgemeester van de uitkomsten van de stemopneming op gemeenteniveau, de openbare zitting van de hoofdstembureaus de volgende schakel in de keten die leidt tot de vaststelling van de verkiezingsuitslag. De regering stelt voor de hoofdstembureaus op te heffen. Het proces van uitslagvaststelling voltrekt zich onder de huidige Kieswet over liefst vier schijven: stembureau – burgemeester – hoofdstembureau – centraal stembureau. Elke schijf leidt tot een extra risico op fouten, terwijl de hoofdstembureaus geen andere taak hebben dan het totaliseren van de in de gemeenten binnen hun kieskring vastgestelde uitkomsten van de stemopneming. Dit wetsvoorstel voorziet al in de eerste fase van de stemopneming, door de introductie van het gemeentelijk stembureau, in mogelijkheden om fouten te corrigeren, wat in het geheel de kwaliteit van het proces van uitslagvaststelling verbetert. Daar komt bij dat ook het centraal stembureau controlerende en corrigerende taken krijgt: het kan, bij een vermoeden van fouten, het gemeentelijk stembureau vragen om opnieuw in openbare zitting bijeen te komen, teneinde dat vermoeden te onderzoeken en zo nodig voor correctie van zijn proces-verbaal te zorgen (zie paragraaf 2.5.4). Handhaving van de hoofdstembureaus zou er in zo’n geval toe leiden dat ook telkens het hoofdstembureau zijn proces-verbaal opnieuw zou moeten vaststellen. De procedure om een vermeende fout te corrigeren zou daarmee veel meer tijd bestrijken.

Gelet op het voorgaande meent de regering dat de hoofdstembureaus kunnen worden gemist.

De Kiesraad bepleit in zijn advies afschaffing van de hoofdstembureaus gepaard te doen gaan met een gewaarborgde (verplichte) inzet van digitale hulpmiddelen om de uitslag te berekenen.43 De Kiesraad stelt dat het centraal stembureau de bestanden die ontstaan bij het gebruik van digitale hulpmiddelen bij het invoeren van de stemaantallen en het berekenen van de totalen, nodig heeft om een deugdelijke controle te kunnen uitvoeren op de tellingen van de gemeentelijke stembureaus (zie over de controletaken van het centraal stembureau paragraaf 2.5.4.1).

Uitgangspunt is dat gemeenten en het centraal stembureau digitale hulpmiddelen kunnen gebruiken bij de uitslagberekening. Anders dan de Kiesraad meent de regering echter dat het verkiezingsproces niet afhankelijk mag worden gemaakt van de beschikbaarheid van digitale hulpmiddelen. Het verkiezingsproces moet zó zijn ingericht dat ook zonder digitale hulpmiddelen een betrouwbare uitslag kan worden vastgesteld, en de daarvoor noodzakelijke controles kunnen worden uitgevoerd. Er is immers geen garantie te geven dat, ook als de digitale hulpmiddelen voldoen aan alle bij en krachtens de wet gestelde eisen, de inzet ervan niet toch op enig moment ter discussie komt te staan, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe digitale dreigingen, of omdat aan het licht komt dat de hulpmiddelen technisch falen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft gewezen op de lastenverzwaring die afschaffing van de hoofdstembureaus meebrengt voor het centraal stembureau. Op dit moment ontvangt het centraal stembureau bij Tweede Kamer- en Europees Parlementsverkiezingen de proces-verbalen van 20 hoofdstembureaus. Zonder de hoofdstembureaus als tussenschakel, ontvangt het centraal stembureau ruim 350 processen-verbaal, die in papieren vorm door de gemeenten kunnen worden aangeleverd. Het verwerken van grotere aantallen processen-verbaal kan aanzienlijk meer tijd kosten. De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet expliciet wordt ingegaan op de vraag of met de afschaffing van de hoofdstembureaus de uitvoerbaarheid van het nieuwe proces van het vaststellen van de uitslag voldoende gegarandeerd is.

Bij Tweede Kamer- en Europees Parlementsverkiezingen moet het centraal stembureau aan de hand van ruim 350 processen-verbaal de uitslag vaststellen. Terecht stelt de Afdeling dat dit extra werkzaamheden meebrengt voor het centraal stembureau (voor de genoemde verkiezingen is dat de Kiesraad). De Kiesraad krijgt daarvoor, na de uitbreiding van het tijdpad voor uitslagvaststelling waarin dit wetsvoorstel voorziet (zie paragraaf 2.5.5), de tijd vanaf het moment dat hij de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus heeft ontvangen (in verreweg de meeste gevallen zal dat zijn op de avond van de dag na de stemming of de ochtend van de tweede dag na de stemming) tot aan de zitting waarop hij de uitslag vaststelt (deze zitting vindt niet eerder plaats dan op de achtste dag na de stemming; zie paragraaf 2.5.4.3). De regering meent dat de Kiesraad in die periode voldoende tijd heeft om alle werkzaamheden te kunnen verrichten die nodig zijn om de uitslag vast te stellen. Daarbij zij benadrukt dat de Kiesraad organisatorische maatregelen kan nemen om zich voor te bereiden op dit proces. Het betreft immers geen werkzaamheden die onverwachts moeten plaatsvinden, maar die bij elke verkiezing terugkeren en die daarom ruim van tevoren gepland en voorbereid kunnen worden.

2.5.4 De rol van het centraal stembureau

2.5.4.1 Controle door het centraal stembureau; mogelijkheid om fouten te melden bij het centraal stembureau

Nadat het centraal stembureau de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus en, voor zover van toepassing, de digitale bestanden met de uitkomsten van de stemopneming op gemeenteniveau heeft gekregen, controleert het van elk ontvangen bestand met digitale uitkomsten van de stemming op gemeenteniveau of het is verzonden overeenkomstig de daaraan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde voorschriften. Het centraal stembureau gaat daarbij in elk geval na of het verzonden bestand daadwerkelijk afkomstig is van de burgemeester. Zoals opgemerkt, zullen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de verzending van het bestand aan het centraal stembureau. Daarbij kan worden gedacht aan de verplichting voor de burgemeester om het bestand te voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening. Aan de hand daarvan kan het centraal stembureau na ontvangst vaststellen of het bestand inderdaad afkomstig is van de burgemeester. Als blijkt dat de burgemeester het bestand niet of niet overeenkomstig de voorschriften heeft verzonden, verzoekt het centraal stembureau hem om daartoe alsnog over te gaan.

Vervolgens controleert het centraal stembureau of er met de processen-verbaal van de stembureaus en de gemeentelijk stembureaus (optie 1) c.q. de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus (optie 2) voldoende basis is om een betrouwbare verkiezingsuitslag vast te stellen. Het wetsvoorstel draagt het aan de Kiesraad op om te bepalen hoe het centraal stembureau deze controle moet inrichten. De Kiesraad stelt daartoe voor elke verkiezing (dus ook voor verkiezingen waarbij de Kiesraad niet zelf fungeert als centraal stembureau) een controleprotocol op, zoals hij dat ook moet doen voor de controle door het gemeentelijk stembureau van het digitale bestand met uitkomsten op gemeenteniveau (zie onder paragraaf 2.4.2.6). Het centraal stembureau is gehouden om het door de Kiesraad opgestelde controleprotocol te volgen. Om te waarborgen dat de werkwijze van het centraal stembureau transparant en controleerbaar is, moet de Kiesraad het controleprotocol uiterlijk op de dag van de kandidaatstelling voor de desbetreffende verkiezing in de Staatscourant bekendmaken.

In het controleprotocol omschrijft de Kiesraad welke controles het centraal stembureau moet uitvoeren. Het wetsvoorstel laat het aan de Kiesraad om te bepalen welke controles moeten worden uitgevoerd. Zoals opgemerkt, is het doel van het controleprotocol dat het centraal stembureau ervan overtuigd raakt dat er met de voorliggende stukken een betrouwbare uitslag is vast te stellen. Het controleprotocol zal dan ook, onder meer, richtlijnen moeten bevatten voor die gevallen waarin het centraal stembureau bij de uitslagberekening gebruikmaakt van de digitale bestanden met uitkomsten van de stemopneming op gemeenteniveau. Voordat het centraal stembureau deze digitale bestanden kan gebruiken, zal het, aan de hand van het controleprotocol, eerst moeten nagaan of de inhoud daarvan overeenstemt met de brondocumenten, zijnde de uitkomsten van de handmatige tellingen op stembureauniveau, zoals vastgelegd in de processen-verbaal van de stembureaus (optie 1), c.q. het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau (optie 2).

Vanaf het moment dat de burgemeesters de processen-verbaal van de stembureaus en het gemeentelijke stembureau en de digitale bestanden met uitkomsten van de stemopneming op het internet hebben gepubliceerd, en een kopie van de processen-verbaal ter inzage hebben gelegd, kunnen belangstellenden deze documenten en gegevens raadplegen. Zo kan iedereen die dat wil nagaan hoe elk gemeentelijk stembureau tot de vaststelling van de uitkomst van de stemopneming op gemeenteniveau is gekomen, controleren of er geen fouten zijn gemaakt in de processen-verbaal en kennisnemen van de daarin opgenomen bezwaren, en van wat er met die bezwaren is gedaan. Iedereen kan van eventuele fouten of onregelmatigheden in de processen-verbaal van de stembureaus en/of de gemeentelijk stembureaus melding maken bij het centraal stembureau. Meldingen kunnen schriftelijk worden gedaan, en ook per e-mail worden ingediend, mits het centraal stembureau kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend (art. 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht). In de in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel was geregeld dat meldingen ook mondeling (bijvoorbeeld telefonisch) konden worden gedaan, maar op advies van de Kiesraad44 is die mogelijkheid geschrapt. Het schriftelijkheidsvereiste voorkomt dat er discussie kan ontstaan over de exacte inhoud van de melding.

Meldingen kunnen worden gedaan tot achtenveertig uur voorafgaand aan de openbare zitting van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag. In de in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel was sprake van een termijn van vierentwintig uur voorafgaand aan de zitting, maar de regering heeft het advies van de Kiesraad overgenomen om de termijn op achtenveertig uur te bepalen. De begrenzing is nodig, omdat er voldoende tijd moet zijn voor gemeentelijk stembureaus om, indien nodig, ten tweeden male in openbare zitting bijeen te komen en de overgebleven fouten te herstellen (zie paragraaf 2.5.4.2), en vervolgens voor het centraal stembureau om, indien nodig, op basis van de verbeterde uitkomsten een uitslag te berekenen. Na het verstrijken van de termijn van achtenveertig uur voorafgaand aan de zitting van het centraal stembureau kunnen eventuele meldingen uitsluitend nog tijdens de openbare zitting van het centraal stembureau worden ingediend. In dat geval kan het centraal stembureau echter uitsluitend tot een hertelling van de stemmen beslissen als een ernstig vermoeden bestaat dat door een of meer gemeentelijk stembureaus zodanige fouten zijn gemaakt dat zij van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling (zie paragraaf 2.5.4.3).

2.5.4.2 Herstel overgebleven fouten door gemeentelijk stembureau tijdens nieuwe openbare zitting

Als het centraal stembureau, hetzij op grond van zijn eigen controle, hetzij op grond van een melding van belangstellenden, het vermoeden heeft dat een proces-verbaal van een gemeentelijk stembureau een of meer fouten bevat, beslist het dat het gemeentelijk stembureau deze vermeende fouten nader moet onderzoeken. Hetzelfde geldt als het centraal stembureau het vermoeden heeft van een of meer door het gemeentelijk stembureau niet gecorrigeerde fouten in het proces-verbaal van een stembureau. Het centraal stembureau draagt, via de burgemeester die het aangaat, het desbetreffende gemeentelijk stembureau op om onverwijld opnieuw in een openbare zitting bijeen te komen. Uiteraard deelt het centraal stembureau daarbij met het gemeentelijk stembureau welk concreet vermoeden aanleiding is voor deze opdracht.

De burgemeester maakt op een algemeen toegankelijke wijze melding van dag, tijd en locatie van de nieuwe openbare zitting. Tijdens de zitting onderzoekt het gemeentelijk stembureau het vermoeden van het centraal stembureau. Constateert het gemeentelijk stembureau, door de stembescheiden behorend bij de desbetreffende stembureaus geheel of gedeeltelijk opnieuw te tellen, dat er een of meer fouten zijn gemaakt, dan corrigeert het die. Het maakt van zijn zitting een nieuw proces-verbaal op. Komt het gemeentelijk stembureau tot de conclusie dat er van fouten geen sprake is, dan noteert het dat in zijn proces-verbaal. De burgemeester maakt het nieuwe proces-verbaal openbaar op de gemeentelijke website en brengt het origineel naar het centraal stembureau. Op de eerste bladzijde van het oorspronkelijke proces-verbaal maakt de burgemeester op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze melding van het bestaan van het nieuwe proces-verbaal. Als het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt voor het vaststellen van de uitkomsten van de stemopneming op gemeentelijk niveau en tijdens zijn tweede zitting fouten heeft gecorrigeerd, stuurt de burgemeester ook een nieuw digitaal bestand naar het centraal stembureau, en publiceert dit op de gemeentelijke website.

2.5.4.3 Centraal stembureau stelt uitslag vast; hertelling vindt decentraal plaats

Het centraal stembureau komt zo spoedig mogelijk, maar niet eerder dan de achtste dag na de stemming in openbare zitting bijeen, om de uitslag van de verkiezing vast te stellen en bekend te maken. Dat deze zitting niet eerder kan worden gehouden, heeft zijn achtergrond in het feit dat er in de dagen daarvóór gelegenheid moet zijn om eventuele fouten van het gemeentelijk stembureau op te sporen en te corrigeren, zoals hierboven is toegelicht.

Tijdens de openbare zitting van het centraal stembureau kunnen kiezers opnieuw eventuele fouten in de openbaar gemaakte processen-verbaal aan de orde stellen, of andere bezwaren naar voren brengen. Het centraal stembureau kan op grond daarvan besluiten tot een nieuwe stemopneming (hertelling) van de stemmen die zijn uitgebracht in een of meer stembureaus, maar alleen als een ernstig vermoeden bestaat dat een of meer gemeentelijk stembureaus zodanige fouten hebben gemaakt dat die van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling. Deze clausulering geldt ook ingevolge de huidige Kieswet (met dien verstande dat het in de huidige Kieswet gaat om fouten van stembureaus), en is nodig om te voorkomen dat het centraal stembureau in deze fase, kort vóór het vaststellen van de uitslag, ook nog bij meldingen over fouten van geringe importantie tot een hertelling moet besluiten. Als besloten wordt tot een nieuwe stemopneming, wijst het centraal stembureau een of meer gemeentelijk stembureaus en/of briefstembureaus aan die de hertelling onder zijn verantwoordelijkheid uitvoeren. De nieuwe stemopneming vindt plaats tijdens een openbare zitting, waarvan het gemeentelijk stembureau een proces-verbaal opmaakt, dat door de burgemeester naar het centraal stembureau wordt gebracht en gepubliceerd op de gemeentelijke website. Als het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt en fouten heeft gecorrigeerd, stuurt de burgemeester ook een nieuw digitaal bestand naar het centraal stembureau, en publiceert dit op de gemeentelijke website.

Nadat het centraal stembureau alle werkzaamheden tot vaststelling van de uitslag heeft beëindigd, maakt het daarvan proces-verbaal op. In dat proces-verbaal noteert het de vastgestelde uitslag van de verkiezing en alle bij het centraal stembureau ingebrachte bezwaren en meldingen (zowel de mondelinge bezwaren die tijdens de openbare zitting van het centraal stembureau zijn ingebracht, als de tijdig ontvangen meldingen die daaraan voorafgaand bij het centraal stembureau zijn binnengekomen). Als het centraal stembureau programmatuur gebruikt bij de uitslagberekening, kan het proces-verbaal ook worden gegenereerd door deze programmatuur.

Nadat de bovenvermelde werkzaamheden zijn afgerond, deelt de voorzitter de uitslag mee aan de aanwezigen, en ondertekenen de leden van het centraal stembureau het proces-verbaal.

Onverwijld na afloop van de openbare zitting maakt het centraal stembureau de gedigitaliseerde versie van zijn papieren proces-verbaal op algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar. Het legt een afschrift van zijn proces-verbaal ter inzage (zoals al is geregeld in de Kieswet).

Als het centraal stembureau programmatuur heeft gebruikt, maakt het ook het digitale bestand met de verkiezingsuitslag op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over elektronische ondertekening van dit bestand.

Het centraal stembureau brengt de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus en zijn eigen proces-verbaal onverwijld naar het vertegenwoordigend orgaan. Ook het vertegenwoordigend orgaan kan, na de vaststelling van de uitslag door het centraal stembureau, nog besluiten tot een hertelling van de stemmen die zijn uitgebracht in een of meer stembureaus. In dat geval wordt dezelfde procedure gevolgd als bij een hertelling waartoe het centraal stembureau besluit, met dien verstande dat het gemeentelijk stembureau van de gemeente waar de hertelling aan de orde is, dan wel het briefstembureau, deze hertelling uitvoert onder toezicht van het vertegenwoordigend orgaan. Het centraal stembureau stelt, ingeval van een hertelling in opdracht van het vertegenwoordigend orgaan, een nieuw proces-verbaal op, dat ook weer onverwijld elektronisch openbaar wordt gemaakt.

2.5.5 Meer tijd voor de vaststelling van de verkiezingsuitslag

Tot 2001 duurde het proces na de stemming tot aan het aftreden van de zittende leden van het vertegenwoordigend orgaan dertien dagen. In dat jaar is deze termijn teruggebracht naar acht dagen.45 De regering stelt voor om de termijn weer op dertien dagen te stellen. Uitbreiding van deze termijn is een randvoorwaarde voor de voorgestelde verbeteringen in het proces van uitslagvaststelling. De extra tijd is nodig om belangstellenden de gelegenheid te bieden om melding te maken van eventuele fouten in de processen-verbaal van het gemeentelijk stembureau, en om het centraal stembureau gelegenheid te bieden om de overgelegde processen-verbaal te controleren, om onderzoek te (laten) doen naar vermeende fouten daarin en om geconstateerde fouten te corrigeren. Ook is uitbreiding van genoemde termijn nodig om te bewerkstelligen dat briefstemmen tot en met vijf dagen na de dag van stemming kunnen worden ontvangen door de gemeente ’s-Gravenhage.

Opmerking verdient nog het volgende. Als het centraal stembureau een gemeentelijk stembureau opdraagt onderzoek te doen naar een mogelijke fout en daarbij, zo nodig, de verkiezingsbescheiden geheel of gedeeltelijk opnieuw te tellen, moet dit onderzoek op een zodanig tijdstip zijn afgerond dat het centraal stembureau tijdig de uitslag van de verkiezing kan vaststellen en het vertegenwoordigend orgaan tijdig kan besluiten over de toelating van de gekozenen. Als gevolg van dit wetsvoorstel hoeft er niet langer, zoals onder de huidige Kieswet, te worden gewacht met het herstel van eventuele fouten tot aan de openbare zitting van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag. De kans dat het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan tot een hertelling zal besluiten, wordt hierdoor kleiner. De regering verwacht daarom dat, mocht het centraal stembureau of het vertegenwoordigend orgaan toch een hertelling nodig vinden, het zal gaan om een hertelling op kleine schaal, die kan worden uitgevoerd binnen het tijdpad waarin dit wetsvoorstel voorziet.

Toch is niet uit te sluiten dat het centraal stembureau zich genoodzaakt ziet om tot een grootschalige hertelling te besluiten. Ook het vertegenwoordigend orgaan kan tot een grootschalige hertelling besluiten. Zeker in grote gemeenten is het organiseren daarvan een omvangrijke operatie, die al snel meerdere dagen kost en daarom hoogstwaarschijnlijk niet tijdig vóór het aftreden van de leden van het oude vertegenwoordigend orgaan zal kunnen worden afgerond. Ook de Kiesraad heeft daar aandacht voor gevraagd.46 Ingevolge artikel V 5 van de Kieswet staat een hertelling de toelating van nieuwe leden alleen in de weg als zij invloed kan hebben op de toewijzing van een zetel aan de betrokken kandidaten. Kandidaten op wier benoemdverklaring de hertelling geen invloed kan hebben, kunnen dus worden toegelaten. Mocht de hertelling op het moment van toelating van de benoemde kandidaten en het aftreden van de oude leden nog niet zijn voltooid, dan telt het vertegenwoordigend orgaan dus, zolang de definitieve verkiezingsuitslag niet is vastgesteld, minder leden dan het wettelijke vastgestelde aantal. De overige leden worden dan door de nieuwe leden toegelaten.

Het centraal stembureau en het vertegenwoordigend orgaan kunnen ook besluiten tot de hertelling van alle stemmen. Bij gemeenteraadsverkiezingen, waar de verschillen in stemaantallen soms gering zijn, komt dit onder de huidige Kieswet met enige regelmaat voor. Voor gemeenteraads-, provinciale staten- en waterschapsverkiezingen geldt dat, als op het tijdstip van periodieke aftreding van de zittende leden niet de geloofsbrieven van meer dan de helft van het wettelijk voorgeschreven aantal leden is goedgekeurd, de oude leden zitting houden totdat zulks is geschied (art. V 15, eerste lid, van de Kieswet). De Kieswet kent een dergelijke bepaling niet voor Tweede Kamerverkiezingen, maar de regering verwacht dat de in dit wetsvoorstel voorgestelde procedure voor de vaststelling van de verkiezingsuitslag, met ruime gelegenheid om eventuele fouten te herstellen, voldoende waarborg is tegen het risico op een algehele hertelling bij landelijke verkiezingen.

2.6 De Eerste Kamerverkiezing

Het wetsvoorstel voorziet niet in een bevoegdheid voor het centraal stembureau om bij Eerste Kamerverkiezingen fouten in de processen-verbaal van de stembureaus van provinciale staten te herstellen. Gelet op het wezenlijk andere karakter van de stemming en de stemopneming bij deze verkiezingen, tijdens een openbare vergadering van de provinciale staten, acht de regering het risico op fouten bij het tellen van de stemmen gering.

3. WIJZIGINGEN TEN BEHOEVE VAN KIEZERS BUITEN NEDERLAND

3.1 Afschaffing briefstembureaus bij diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen en bij militaire missies

Al enige tijd geleden heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Tweede Kamer gemeld dat hij het voornemen heeft om het instellen van briefstembureaus af te bouwen.47 Het instellen van briefstembureaus is voor de ambassades en consulaten in de praktijk een te grote belasting. Daarnaast zijn de ambassades en consulaten niet of maar in zeer beperkte mate geschikt om de taken uit te voeren van de briefstembureaus. Met name het openbare karakter van de werkzaamheden van de briefstembureaus is moeilijk te verenigen met de beveiliging die voor ambassades en consulaten nodig wordt geacht.

Ook voor de minister van Defensie is het instellen van briefstembureaus bij militaire missies in het buitenland in de praktijk lastig uitvoerbaar. De omstandigheden op missie verstaan zich niet goed met de wijze waarop een briefstembureau moet opereren terwijl als gevolg van roulatie er geen opbouw van ervaring met briefstembureauwerkzaamheden plaatsvindt. Daarnaast is gebleken dat het aantal kiezers dat gebruik maakt van de mogelijkheid om ter plaatse een briefstem uit te brengen, soms dermate gering is dat het stemgeheim onder druk komt te staan. De behoefte voor militairen om per brief te stemmen is ook klein, omdat militairen op missie veelal nog in Nederland zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen en er vaker de voorkeur aan geven een (schriftelijke) volmacht te verlenen aan familie of vrienden.

Het opheffen van de mogelijkheid om briefstembureaus in te stellen bij ambassades en consulaten of bij militaire missies gaat in dit wetsvoorstel gepaard met het wettelijk vastleggen van termijnen voor de doorzending van briefstemmen die per post of in persoon worden afgeleverd bij ambassades of consulaten (voor wat betreft de consulaten betreft het hier de consulaten-generaal). De Kieswet voorziet op dit moment reeds in de mogelijkheid om een briefstem te doen toekomen aan een ambassade of consulaat, ook als daar geen briefstembureau is ingesteld. Voor ambassades en consulaten waar een briefstembureau is ingesteld geldt thans dat de briefstem uiterlijk 15.00 uur lokale tijd moet zijn ontvangen. Voor ambassades en consulaten waar geen briefstembureau is ingesteld, geldt dat de ambassades en consulaten de ontvangen briefstemmen onmiddellijk doorzenden aan de burgemeester van ‘s-Gravenhage, die ervoor zorgt dat de briefstemmen terecht komen bij de briefstembureaus in zijn gemeente. Deze briefstemmen dienen thans uiterlijk om 15.00 uur lokale tijd in het bezit te zijn van de burgemeester van ‘s-Gravenhage om nog mee te tellen voor de verkiezingsuitslag.

Met dit wetsvoorstel wordt vastgelegd dat de kiezers die vanuit het buitenland mogen stemmen, hun briefstem tot en met de dag van stemming om 10.00 uur lokale tijd kunnen doen toekomen aan elke ambassade of consulaat-generaal van Nederland in het buitenland. Dit kan zowel per post als in persoon. De ambassade of het consulaat dient de ontvangen briefstemmen vervolgens onverwijld door te sturen naar de gemeente ‘s-Gravenhage. Daarbij dient de ambassade of het consulaat er zorg voor te dragen dat de briefstem uiterlijk op de vijfde dag na de dag van stemming om 17.00 uur Nederlandse tijd wordt ontvangen door de burgemeester van ’s-Gravenhage. Op deze manier wordt er meer tijd gecreëerd om de briefstemmen van kiezers in het buitenland te ontvangen bij de briefstembureaus in ’s-Gravenhage, zodat die stemmen nog meetellen voor de betreffende verkiezing. De uitbreiding van de termijn om de briefstemmen te kunnen ontvangen en mee te kunnen tellen maakt het voor de minister van Buitenlandse Zaken mogelijk om geen briefstembureaus meer in te stellen bij de ambassades en consulaten.

Zoals hiervoor beschreven, kan de kiezer zijn briefstem ook nu al per post sturen of in persoon afgeven bij Nederlandse ambassades en consulaten. Nu kan dat tot en met de dag van stemming 15.00 uur lokale tijd, voor zover er een briefstembureau is ingesteld. Indien dit wetsvoorstel wordt aanvaard, zal dat mogelijk zijn tot en met de dag van stemming om 10.00 uur lokale tijd. Het inkorten met vijf uur is nodig om het mogelijk te maken dat de ambassades en consulaten de briefstemmen die op de dag van stemming worden ontvangen, nog diezelfde dag kunnen doorsturen naar de gemeente ’s-Gravenhage.

Het voorgaande laat onverlet dat een kiezer zijn briefstem ook nog steeds rechtstreeks kan doen toekomen aan de burgemeester van ’s-Gravenhage, die de ontvangen briefstemmen vervolgens overdraagt aan de briefstembureaus in zijn gemeente.

Dit wetsvoorstel verandert niets aan de regeling die ziet op de instelling van briefstembureaus bij de vertegenwoordiging van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Deze briefstembureaus, die worden ingesteld door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zullen nog steeds worden ingesteld bij elke verkiezing waarvoor vanuit het buitenland kan worden gestemd. Tevens blijft de mogelijkheid behouden voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om, met instemming van de betrokken gemeente, briefstembureaus in te stellen in een grensgemeente. Deze mogelijkheid is begin 2019 vastgelegd in de Kieswet.48

3.2 Introductie nationaal briefstembureau

Dit wetsvoorstel introduceert de instelling van het nationaal briefstembureau. Het nationaal briefstembureau zal worden ingesteld voor elke verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement; de twee verkiezingen waarvoor vanuit het buitenland kan worden gestemd. Het nationaal briefstembureau wordt verantwoordelijk voor de vaststelling van het totaal aantal stemmen dat per brief is uitgebracht. Het wordt ingesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, dat tevens verantwoordelijk zal zijn voor de benoeming van de leden. Het nationaal briefstembureau maakt de aantallen die het vaststelt openbaar in een openbare zitting en doet zijn proces-verbaal vervolgens toekomen aan het centraal stembureau, dat de uitslag voor de verkiezing vaststelt.

De belangrijkste reden voor de introductie van het nationaal briefstembureau is dat de gemeente ‘s-Gravenhage er al langere tijd op aandringt de Kieswet zo te wijzigen dat de stemmen van de kiezers in het buitenland niet langer meegeteld worden bij de uitkomst van de stemopneming op gemeentelijk niveau. Aan dit verzoek van de gemeente wordt nu gevolg gegeven door een nationaal briefstembureau te introduceren dat verantwoordelijk wordt voor het vaststellen van het totaal aantal stemmen dat per brief is uitgebracht.

Het nationaal briefstembureau zal het aantal stemmen dat per brief is uitgebracht vaststellen op basis van de processen-verbaal die het ontvangt van de briefstembureaus. Hierbij is van belang dat het nationaal briefstembureau zich ervan kan verzekeren dat het op basis van deze processen-verbaal een betrouwbare uitslag kan vaststellen. Dit wetsvoorstel regelt daarom dat het nationaal briefstembureau, net als de gemeentelijk stembureaus, een aantal controlerende taken krijgt toebedeeld.

3.3 Overige wijzigingen

Diverse maatregelen die met dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd voor stembureaus, gemeentelijk stembureaus en het centraal stembureau om de procedure voor de vaststelling van de uitslag te verbeteren, worden met dit wetsvoorstel ook geregeld voor briefstembureaus en het nationaal briefstembureau. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorschriften omtrent het bewaren van verkiezingsbescheiden en de controlerende taken van het centraal stembureau ten aanzien van de processen-verbaal die het ontvangt. Voor een toelichting op deze maatregelen wordt verwezen naar de betreffende onderdelen uit het algemene deel en de artikelsgewijze toelichting bij de onderdelen die specifiek zien op briefstembureaus en het nationaal briefstembureau.

Dit wetvoorstel voorziet ook in een aantal wijzigingen die ertoe strekken het briefstembureau een meer zelfstandige positie te geven in de Kieswet. Deze wijzigingen zijn hoofdzakelijk technisch van aard en worden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij de betreffende onderdelen.

Verder wordt met dit wetsvoorstel de in het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming opgenomen regeling voor het aanvragen van een vervangend briefstembewijs in de Kieswet geïncorporeerd en in die zin uitgebreid dat het ook mogelijk wordt gemaakt om per e-mail een vervangend briefstembewijs te ontvangen.49 Het briefstembewijs is het equivalent van de stempas die de kiezers in Nederland ontvangen. Het briefstembewijs wordt door de gemeente ‘s-Gravenhage gestuurd aan de personen die geregistreerd zijn om te kunnen stemmen vanuit het buitenland. Het briefstembewijs wordt aan de kiezers die in de permanente registratie zijn opgenomen uiterlijk 12 weken voor de dag van stemming per post toegezonden. Omdat de postbezorging in het buitenland niet overal even betrouwbaar is én omdat het ook voorkomt dat kiezers een ontvangen briefstembewijs kwijtraken, is in 2013, in het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming, de mogelijkheid gecreëerd om een vervangend briefstembewijs aan te vragen. Daarmee hebben de kiezers in het buitenland dezelfde mogelijkheid als de kiezers in Nederland, die een vervangende stempas kunnen aanvragen. Omdat de kiezer in het buitenland voldoende tijd moet hebben om zijn stem per post naar een briefstembureau te kunnen versturen, volstaat het alleen per post verstrekken van het vervangend briefstembewijs in de praktijk niet. Daarom wordt nu de voor de kiezers die buiten het Koninkrijk woonachtig zijn, alsook voor de kiezers bedoeld in artikel M 1, tweede lid, van de Kieswet, de mogelijkheid geboden om het vervangende briefstembewijs per e-mail te ontvangen. Voor de kiezers die woonachtig zijn in Aruba, Curaçao en Sint Maarten is deze voorziening niet noodzakelijk, omdat deze kiezers ter plekke bij de Vertegenwoordiging van Nederland een vervangend briefstembewijs kunnen aanvragen en de Vertegenwoordiging het vervangend briefstembewijs ter plekke aan de kiezer kan overhandigen.

Uiteraard mag het per e-mail versturen van het vervangend briefstembewijs er niet toe leiden dat kiezers, doordat het vervangend briefstembewijs meerdere malen zou worden geprint, meer dan één keer stemmen. Voor het briefstembewijs is dit risico beperkt, door dit document op vergelijkbare wijze als de stempas te beveiligen met kenmerken die het mogelijk maken om te controleren of het gaat om een gekopieerde versie van de pas. Bij het vervangend briefstembewijs, dat per e-mail verstuurd wordt en door de kiezer zelf wordt geprint, is dat niet mogelijk. Ieder vervangend briefstembewijs bevat evenwel een nummer dat per verkiezing uniek is voor het betreffende briefstembewijs. Controle bij de ontvangst van de briefstemmen door het briefstembureau op deze nummers moet waarborgen dat pogingen om meer dan één stem uit te brengen niet succesvol zijn. Waar nodig zullen de bestaande processen en procedures door de gemeente ‘s-Gravenhage worden aangepast c.q. worden aangevuld zodat het risico op dubbel stemmen bij de verzending van het vervangende briefstembewijs niet toeneemt.

4. OVERIGE AANPASSINGEN IN DE KIESWET

4.1 Nieuwe taak Kiesraad: verzamelen en ontsluiten van verkiezingsuitslagen

Al enige jaren houdt de Kiesraad een databank met verkiezingsuitslagen bij.50 Deze databank bevat veel statistisch materiaal. De Staatscommissie parlementair stelsel (de Commissie-Remkes) vindt het wenselijk dat in deze databank niet alleen alle uitslagen van op basis van de Kieswet gehouden verkiezingen worden opgenomen, maar ook de resultaten van de stemopnemingen op lagere niveaus (tot en met stembureauniveau).51 Dit is echter alleen mogelijk als de Kiesraad over de daarvoor benodigde gegevens beschikt.

Met de Staatscommissie hecht de regering eraan dat de verkiezingsuitslag voor iedereen kenbaar en beschikbaar is. De regering wil de Kiesraad hierin faciliteren. Dat doet zij in dit wetsvoorstel op twee manieren. Op de eerste plaats wordt het verzamelen en ontsluiten van verkiezingsuitslagen expliciet in de Kieswet als taak aan de Kiesraad opgedragen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan adviezen van de Kiesraad van 24 juli 201452 en 30 mei 2017.53 Daarnaast wordt, overeenkomstig het advies van de Staatscommissie,54 in de Kieswet vastgelegd dat de burgemeester een afschrift van het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau dan wel, indien programmatuur is gebruikt, de daarmee tot stand gekomen digitale bestanden met de uitkomsten van de stemopneming, aan de Kiesraad overdraagt; ook bij verkiezingen waarvoor de Kiesraad niet is aangewezen als centraal stembureau. Op die manier wordt gewaarborgd dat de uitslagen van toekomstige verkiezingen binnen korte(re) tijd in de databank opgenomen kunnen worden en als open data beschikbaar kunnen worden gesteld.

4.2 Incompatibiliteiten

In het verleden werden de voorzitters van stembureaus verplicht gerekruteerd uit raadsleden. Hoewel deze bepaling in 1989 is geschrapt55, is het in sommige gemeenten nog steeds gebruikelijk dat (kandidaat-)raadsleden optreden als voorzitter of lid van een stembureau. De regering vindt het van belang dat (de schijn van) de verstrengeling van persoonlijke belangen wordt voorkomen, en stelt daarom voor te regelen dat kandidaten voor een bepaalde verkiezing geen lid kunnen zijn van het stembureau, het gemeentelijk stembureau of het centraal stembureau van de betreffende verkiezing. Concreet betekent dit dat kandidaat-raadsleden bij gemeenteraadsverkiezingen geen lid of plaatsvervangend lid kunnen zijn van een stembureau, een gemeentelijk stembureau of een centraal stembureau, maar wel bij andere verkiezingen. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor kandidaten bij andere verkiezingen. Wie bij waterschapsverkiezingen kandidaat is voor een geborgde zetel, heeft geen direct eigen belang bij deze verkiezingen, en kan daarom voor deze verkiezingen worden benoemd als lid van een stembureau, of van het gemeentelijk of centraal stembureau.

Op advies van de Kiesraad56 worden ook zittende volksvertegenwoordigers uitgesloten als lid van het stembureau of het gemeentelijk of centraal stembureau voor verkiezingen van het vertegenwoordigende orgaan waarin zij zitting hebben. Zo wordt voorkomen dat zij zich krachtens artikel V 4, eerste lid, van de Kieswet een oordeel moeten vormen over het verloop en de geldigheid van de verkiezing, terwijl zij daarbij zelf betrokken waren.

Het enkele feit dat iemand politiek actief is, is geen uitsluitingsgrond voor het lidmaatschap van een stembureau. Zo kan een (kandidaat-) wethouder of een lid van het (afdelings)bestuur van een politieke partij bij raadsverkiezingen dus lid zijn van een stembureau, mits hij of zij niet tevens kandidaat is voor de desbetreffende verkiezing.

4.3 Geen kandidatuur voor dezelfde verkiezing in meer dan twee provincies, waterschappen of gemeenten

Van een kandidaat die geen ingezetene is van de provincie waar hij als kandidaat voor provinciale staten wordt voorgedragen, moet op grond van artikel H 7, derde lid, een zogenoemde verklaring van voorgenomen vestiging bij de kandidatenlijst worden overgelegd. De betrokkene verklaart daarin het voornemen te hebben zich in de provincie te vestigen ingeval hij na de verkiezing als lid van het vertegenwoordigend orgaan van de provincie benoemd wordt verklaard. De maatregel is in 1989 ingevoerd om te voorkomen dat een landelijk bekend politicus bij niet-landelijke verkiezingen, enkel en alleen om stemmen te trekken, in elke provincie op de lijst van een groepering wordt geplaatst.57 Kandidaten mogen dan ook slechts één verklaring van voorgenomen vestiging afleggen. Leggen zij in meerdere provincies een dergelijke verklaring af, dan moet het centraal stembureau hen ingevolge artikel I 6, eerste lid, onderdeel f, van de Kieswet in al deze provincies van de kandidatenlijst schrappen. Hun kandidatuur in de provincie waarvan zij ingezetene zijn, wordt hierdoor uiteraard niet geraakt. Dezelfde regeling is van toepassing bij waterschaps- en gemeenteraadsverkiezingen.

Destijds is niet in de Kieswet geregeld hoe het centraal stembureau kan weten of iemand zich tegelijkertijd ook in andere provincies, waterschappen of gemeenten kandidaat stelt. De wetgever vertrouwde erop dat de centraal stembureaus de verklaringen van voorgenomen vestiging van landelijk bekende politici zou herkennen en dan «enkele telefoontjes» zou plegen.58 Deze regeling is evenwel niet zonder nadelen. De regel is weliswaar voor alle kandidaten dezelfde, maar het risico bestaat dat het centraal stembureau sommige (minder bekende) kandidaten ten onrechte niet van de lijst schrapt omdat het de toelaatbaarheid van de ten behoeve van deze kandidaten verstrekte verklaringen van voorgenomen vestiging niet of onvoldoende heeft onderzocht en dus niet heeft ontdekt dat er gronden aanwezig waren om tot schrapping van deze kandidaten over te gaan. Maar bovenal vindt de regering het belangrijk dat aan de kandidatuur van alle kandidaten niet alleen dezelfde voorwaarden worden gesteld, maar dat alle kandidaten in het hele verkiezingsproces ook volstrekt gelijk worden behandeld. Daarom is voor provinciale staten-, waterschaps- en gemeenteraadsverkiezingen in artikel I 1 een nieuw onderdeel aan het door het centraal stembureau uit te voeren onderzoek van de ingediende kandidatenlijsten toegevoegd. Het centraal stembureau moet bij iedere kandidaat voor wie een verklaring van voorgenomen vestiging wordt overgelegd (of overgelegd had moeten worden) contact opnemen met het centraal stembureau voor de provincie, het waterschap of de gemeente waarvan de betrokken kandidaat ingezetene is. Blijkt aan het laatstbedoelde centraal stembureau dat de kandidaat meer dan één verklaring als bedoeld in artikel H 7, derde lid, van de Kieswet heeft afgegeven, dan stelt het de andere betrokken centraal stembureaus daarvan in kennis, zodat zij de kandidaat van de bij hen ingediende lijsten kunnen schrappen. Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan een advies van de Kiesraad.59

4.4 Bewijs van inschrijving in het handelsregister

De Kiesraad heeft voorgesteld om in het derde lid, onder b, van de artikelen G 1, G 2, G 2a en G 3, van de Kieswet duidelijk te maken dat niet een bewijs van inschrijving in het handelsregister, maar een gewaarmerkt, recent uittreksel uit het handelsregister moet worden overgelegd bij de registratie van een aanduiding van een politieke groepering.60 In de in december 2017 in consultatie gebrachte versie van dit wetsvoorstel was dit advies van de Kiesraad overgenomen. Echter, het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft er in zijn advies over die versie van het wetsvoorstel op gewezen dat bij de inrichting van overheidsdienstverlening en het gebruik van gegevens het principe «eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik» geldt. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 30, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007. Ook namens de Kamer van Koophandel is hierop in de consultatie gewezen. De overheid hoort van burgers, bedrijven en instellingen in beginsel geen gegevens te vragen waarover zij al beschikt. Om dit uitgangspunt in de praktijk te realiseren, is een stelsel van basisregistraties ingericht, waarin basisgegevens zijn opgenomen die nodig zijn voor het uitvoeren van verschillende (beslis)processen van overheidsorganisaties.61 Het handelsregister is een van deze basisregistraties. Het Adviescollege adviseert de noodzakelijke gegevens uit het handelsregister te laten opvragen door de instantie die de aanvraag beoordeelt. De regering heeft dit advies overgenomen. Dat houdt in dat het centraal stembureau voor politieke groeperingen die een aanduiding willen laten registreren, in het vervolg zelf, op de website van de Kamer van Koophandel, zal moeten nagaan of de groepering is ingeschreven in het handelsregister. Daarvoor hoeft het centraal stembureau in beginsel geen (extra) kosten te maken. In de Gebruikersraad Handelsregister (een vertegenwoordiging van overheidsorganisaties) is afgesproken dat overheden die standaardinformatieproducten afnemen, daarvoor geen facturen ontvangen van de Kamer van Koophandel. Zij betalen jaarlijks een vast bedrag aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (de zogenaamde inputfinanciering). Vervolgens ontvangt de Kamer van Koophandel een totaalbedrag, waarvoor zij aan overheden de producten (waaronder ook een bewijs van inschrijving in het handelsregister) levert die onder inputfinanciering vallen. Inmiddels is in de Handelsregisterwet 2007 een basis opgenomen voor deze inputfinanciering.62

4.5 Centraal stembureau krijgt meer tijd om na te gaan of geconstateerde verzuimen zijn hersteld

Op de dag van de kandidaatstelling moeten politieke groeperingen een kandidatenlijst en bijbehorende bescheiden inleveren. Als het centraal stembureau in de daaropvolgende zitting tot onderzoek van de kandidatenlijsten verzuimen constateert, krijgt de desbetreffende politieke groepering tot de derde dag na deze zitting, om 15.00 uur, de gelegenheid om die verzuimen te herstellen (art. I 2, tweede lid, van de Kieswet). Een uur later, om 16.00 uur, moet de zitting beginnen waarin het centraal stembureau (onder meer) beslist over de geldigheid van de ingediende kandidatenlijsten (art. I 4 van de Kieswet), en waarin dus ook moet worden beoordeeld of de eerder geconstateerde verzuimen zijn hersteld. De Kiesraad heeft geconstateerd dat politieke groeperingen de verzuimperiode soms maximaal benutten.63 Gevolg kan zijn dat het centraal stembureau aan een uur niet voldoende heeft om te beoordelen of de geconstateerde verzuimen zijn hersteld.64 De regering stelt daarom voor om het centraal stembureau meer tijd te geven, door het tijdstip waarop verzuimen ten laatste kunnen worden hersteld, te vervroegen van 15.00 naar 12.00 uur,65 en de aanvangstijd van de zitting van het centraal stembureau te verplaatsen van 16.00 naar 17.00 uur.

4.6 Geen verplichte inlevering stempas bij verzoek om kiezerspas

Sinds eind 2013 is de kiezerspas, waarmee kiezers hun stem kunnen uitbrengen in elk willekeurig stemlokaal binnen het gebied van het orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden, een separaat document. Voorheen zette de gemeente een stempas om in een kiezerspas, door op de achterkant van de stempas een gemeentestempel te zetten. Nu de kiezerspas een separaat document is geworden, is het volgens de Kiesraad niet meer nodig dat de kiezer die een kiezerspas aanvraagt, bij zijn aanvraag zijn stempas overlegt.66 De regering is het hiermee eens en stelt daarom voor artikel K 6, derde lid, van de Kieswet te schrappen. De Kiesraad heeft hierbij in zijn advies over het wetsvoorstel wel de kanttekening geplaatst dat het innemen van een stempas ook kan helpen voorkomen dat een persoon zich voor iemand anders voordoet bij de aanvraag van een kiezerspas, en adviseert om te bepalen dat de kiezer zich bij het indienen van een verzoek moet legitimeren. Anders dan de Kiesraad lijkt te veronderstellen, is de verplichting om een reeds ontvangen stempas in te leveren niet bedoeld als waarborg om te voorkomen dat een persoon zich als iemand anders voordoet. De inlevering van de stempas had een praktische reden: om de stempas te kunnen omzetten in een kiezerspas, moest de gemeente over de stempas van de kiesgerechtigde beschikken, voor zover die al was verstrekt. Toch heeft de regering het advies van de Kiesraad overgenomen. Allereerst om daarmee het risico waar de Kiesraad op wijst, tegen te gaan, en ten tweede om de regeling voor het aanvragen van een kiezerspas of briefstembewijs in lijn te brengen met die voor het aanvragen van een vervangende stempas, waarvoor krachtens artikel J 8, vierde lid, van de Kieswet ook een legitimatieplicht geldt. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om bovenvermelde redenen ook in eenzelfde wijziging in artikel M 3 van de Kieswet.

4.7 Verlenging termijn registratie aanduiding voor Eerste Kamerverkiezing

Politieke groeperingen die onder een bepaalde naam (in de Kieswet «aanduiding» geheten) willen meedoen aan een Eerste Kamerverkiezing, maar waarvan geen aanduiding is vermeld in het register van aanduidingen voor de Tweede Kamerverkiezingen, moeten voor deze Eerste Kamerverkiezing een aanduiding laten registreren door het centraal stembureau. De uitslagen van de provinciale statenverkiezingen worden pas bekend ná de uiterste datum waarop registratieverzoeken kunnen worden ingediend.67 Dat is onwenselijk, omdat politieke groeperingen dan hun besluit om een aanduiding voor de Eerste Kamerverkiezing te laten registreren, waarvoor een waarborgsom is verschuldigd, niet kunnen laten afhangen van de vraag of zij een of meer zetels behalen bij de provinciale statenverkiezingen. Dit wetsvoorstel regelt daarom dat registratieverzoeken twee weken langer kunnen worden ingediend, namelijk tot de negenentwintigste dag voor de kandidaatstelling voor de Eerste Kamerverkiezing. Politieke groeperingen hebben dan tot vijf dagen na de provinciale statenverkiezingen de gelegenheid om een aanduiding te laten registreren voor de Eerste Kamerverkiezing.

4.8 Vertegenwoordigend orgaan kan zelf toets in basisregistratie uitvoeren

Een nieuwgekozen lid van een volksvertegenwoordigend orgaan moet een gewaarmerkt uittreksel van gegevens uit de Basisregistratie personen (BRP) overleggen aan het vertegenwoordigend orgaan, waaruit zijn woonplaats, datum en plaats van de geboorte, alsmede, indien het betreft een benoeming tot lid van de Tweede of Eerste Kamer of provinciale staten, zijn Nederlanderschap blijken. De Kiesraad heeft geadviseerd om het vertegenwoordigend orgaan te autoriseren zelf deze BRP-toets uit te voeren, omdat kandidaten slechts kort de tijd hebben om dit BRP-uittreksel op te vragen.68 Dit advies is overgenomen, ook omdat het in de praktijk regelmatig gebeurt dat het door een kandidaat opgevraagd uittreksel niet alle vereiste gegevens bevat, waardoor de kandidaat een nieuw uittreksel moet opvragen. Het is efficiënter om het vertegenwoordigend orgaan de mogelijkheid te bieden zelf de toets in de basisregistratie te verrichten. Dit wetsvoorstel voorziet daarin. Alle vertegenwoordigende organen kunnen op grond daarvan bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens een verzoek indienen tot autorisatie om voor dit doel de Gemeentelijke Basisadministratie Personen-verstrekkingsvoorziening (GBA-v, de centrale voorziening van het BRP-stelsel) te raadplegen.

Voor het lidmaatschap van een vertegenwoordigend orgaan is ook vereist dat betrokkene niet is uitgesloten van het kiesrecht.69 Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om dit criterium toe te voegen aan de voorwaarden waaraan moet worden getoetst.

5. ZENDTIJD VOOR POLITIEKE PARTIJEN

De Mediawet 2008 bepaalt dat politieke partijen die zijn vertegenwoordigd in de Eerste en/of Tweede Kamer, jaarlijks gedurende een aantal uren zendtijd krijgen bij de publieke omroep. Voorafgaand aan een Europees Parlements- of Tweede Kamerverkiezing krijgen zij zendtijd voor het uitzenden van verkiezingsspotjes. De reguliere zendtijd komt dan tijdelijk te vervallen.

Politieke groeperingen die nog niet in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd, moeten, ingevolge artikel H 4 van de Kieswet, ondersteuningsverklaringen inleveren voor elke kieskring waarin zij aan de Tweede Kamerverkiezing willen meedoen. Deze ondersteuningsverklaringen moeten door kiesgerechtigden worden afgelegd op het gemeentehuis (op Bonaire, Sint Eustatius en Saba: het bestuurskantoor). Voor het vergaren van ondersteuningsverklaringen hebben politieke groeperingen twee weken de tijd.

Om voor verkiezingszendtijd in aanmerking te komen, moeten partijen die nog geen zetel hebben in de Tweede Kamer, ingevolge de Mediawet 2008 in alle kieskringen meedoen aan de Tweede Kamerverkiezing. Voor nieuwe partijen is het vaak lastig om, binnen genoemde termijn van twee weken, óók voor (voldoende) ondersteuningsverklaringen te zorgen in kieskring 20 (Bonaire). Slagen zij hier niet in, dan is de consequentie dat zij niet in aanmerking komen voor verkiezingszendtijd. De regering vindt die consequentie te ver gaan en acht het van belang dat er op dit punt een gelijk speelveld is tussen partijen die aan de verkiezing meedoen. Daarom wordt voorgesteld in de Mediawet 2008 te regelen dat een politieke groepering in ten minste 19 van de 20 kieskringen moet meedoen aan een Tweede Kamerverkiezing om voorafgaand aan die verkiezing voor verkiezingszendtijd in aanmerking te komen. Dat houdt in dat een politieke groepering één kieskring (naar keuze) kan overslaan, zonder dat dit consequenties heeft voor de zendtijd. Gelet op de afstand met Europees Nederland zal die keuze in veel gevallen vallen op kieskring 20, maar er kan desgewenst ook een andere kieskring worden overgeslagen. Wel is uiteraard de consequentie dat de groepering in de desbetreffende kieskring dan ook niet meedoet aan de verkiezing. Voor de Tweede Kamerverkiezingen in Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt eenzelfde wijziging van de Mediawet BES voorgesteld.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft erop gewezen dat het voorstel kan zorgen voor een beperking van de keuze van de kiesgerechtigden in de desbetreffende kieskring. De regering acht die beperking echter gerechtvaardigd. Zij meent dat de plicht om in korte tijd in alle kieskringen ondersteuningsverklaringen te vergaren, in bepaalde gevallen een onevenredige last kan zijn voor nieuwe politieke partijen, en vindt dat het belang van zendtijd voor die partijen zwaarder moet wegen. Die zendtijd is voor de nieuwe partij immers een wezenlijk instrument om haar deelname aan de verkiezing onder de aandacht van een brede groep kiezers te brengen. De regering wijst er daarbij op dat de plicht om ondersteuningsverklaringen te vergaren, uitsluitend geldt voor partijen die nog niet zijn vertegenwoordigd in de Tweede Kamer. Eenmaal vertegenwoordigde partijen kunnen immers automatisch meedoen in alle kieskringen, en hoeven daarvoor geen ondersteuningsverklaringen meer over te leggen. Verder wijst de regering erop dat het geen uitzondering is dat nieuwe partijen niet in alle kieskringen meedoen. Zo deden er 17 nieuwe partijen mee aan de Tweede Kamerverkiezing in 2017. Daarvan deden er vijf mee in alle 20 kieskringen. Vier partijen deden niet mee in kieskring 20 (Bonaire) maar wel in de andere kieskringen. Eén partij deed niet mee in de kieskringen 2 (Leeuwarden) en 3 (Assen) maar wel in alle andere kieskringen (waaronder ook kieskring Bonaire). Zeven partijen deden niet mee in drie of meer kieskringen (waaronder ook kieskring Bonaire). Twee van die zeven partijen deden slechts mee in twee kieskringen.

6. BENOEMING GEBRUIKERS BEDRIJFSRUIMTEN IN ALGEMEEN BESTUUR WATERSCHAP

Het voorgestelde artikel IV betreft een wijziging van de Waterschapswet. De wijziging heeft betrekking op de wijze waarop een bepaalde categorie van leden in het algemeen bestuur van een waterschap wordt benoemd.

Volgens artikel 12 van de Waterschapswet is het algemeen bestuur van het waterschap samengesteld uit vertegenwoordigers van categorieën van belanghebbenden bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Eén van deze categorieën is de categorie van belanghebbenden die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte (kortweg: gebruikers van bedrijfsruimten). De Waterschapswet bepaalt in het huidige artikel 14, tweede lid, dat de Kamer van Koophandel de vertegenwoordigers van deze categorie benoemt. De Raad van Bestuur van de Kamer van Koophandel benoemt de bestuurders tot op heden op voordracht van de regionale raad van de regio van de Kamer van Koophandel, waartoe het gebied van het waterschap behoort. De betrokken regionale raad doet deze voordracht op basis van de door de Raad van Bestuur vastgestelde profielschets.

In de Wet op de Kamer van Koophandel, die per 1 januari 2014 in werking is getreden, zijn de regels omtrent de governance van de Kamers van Koophandel gewijzigd. De twaalf voormalige Kamers van Koophandel, de Vereniging Kamer van Koophandel Nederland en de Stichting Syntens zijn samengevoegd tot één centraal bestuurde organisatie met de status van zelfstandig bestuursorgaan.

Bij brief van 23 februari 2017 heeft de Kamer van Koophandel aangegeven dat de Raad van Bestuur van mening is dat de bevoegdheid van de regionale raden om waterschapsbestuurders voor te dragen voor benoeming minder logisch past bij de taakinvulling van de nieuwe Kamer van Koophandel. Met de inwerkingtreding van de Wet op de Kamer van Koophandel is een transitie in gang gezet naar een moderne, slanke, smart serviceorganisatie die geheel gericht is op het verzorgen van herkenbare en relevante (online-) dienstverlening aan individuele ondernemers. Daarbij is gekozen voor een scherp dienstverleningsprofiel. Bevoegdheden als de benoeming van bestuurders passen daar niet (meer) bij en doen afbreuk aan dat scherpe profiel. Daarom is het tijd om deze bevoegdheid over te dragen aan een partij die daar in de nieuwe constellatie veel meer voor in aanmerking komt, zo geeft de Kamer van Koophandel in haar brief aan.

VNO-NCW en MKB Nederland hebben aangegeven de taak van de Kamer van Koophandel over te willen nemen. Samen met de regionale verenigingen van VNO-NCW vertegenwoordigen zij meer dan 90% van de Nederlandse werkgelegenheid en dito economie. Deze verenigingen zijn in staat om met draagvlak uit een grote groep van betrokken bedrijven representatieve bestuurders te benoemen.

In 2014 hebben de bestuurders die zijn benoemd door de Kamers van Koophandel zich verenigd in de Nederlandse Vereniging van Waterschapsbestuurders namens Bedrijven (NVWB). Deze (vak)vereniging stelt zich tot doel de professionaliteit van de benoemde waterschapsbestuurders te versterken door bijeenkomsten en andere vormen van kennisoverdracht te organiseren. De vereniging werkt hierbij samen met VNO-NCW en MKB Nederland. De verenigingen VNO-NCW, MKB Nederland en de NVWB willen ook samenwerken om de benoemingen van bestuurders namens het bedrijfsleven goed te laten verlopen.

Na consultatie van de Unie van Waterschappen (UvW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO), in afstemming met de minister van Economische Zaken en Klimaat en in overleg met VNO-NCW en MKB Nederland, is bij de laatstgenoemde organisaties in samenwerking met hun regionale verenigingen de bereidheid gevonden de taak en de bevoegdheid van de Kamer van Koophandel voor wat betreft de benoeming van de vertegenwoordigers in de waterschapsbesturen over te nemen.

Met de wijziging wordt evenals nu beoogd voldoende binding met de regio van het waterschap te bewerkstelligen voor deze benoemingen, in het licht van het decentraal functioneel waterschapbestuur en de koppeling tussen belang, betaling en zeggenschap. Gezocht is naar een manier om hier recht aan te doen, die in lijn is met het reeds bestaande eerste lid van artikel 14 van de Waterschapswet.

Benoeming door organisaties die niet tot de overheid behoren is overigens al gebruik ten aanzien van de vertegenwoordigers van andere categorieën van belanghebbenden. De vertegenwoordigers in het waterschapsbestuur van agrariërs en overige eigenaren ongebouwd worden al geruime tijd door de land- en tuinbouworganisaties (LTO) benoemd. De land- en tuinbouworganisaties worden op grond van artikel 14, eerste lid, van de Waterschapswet door provinciale staten bij waterschapsreglement aangewezen. Een dergelijke aanwijzing dient op grond van artikel 14, eerste lid, sinds 1 januari 2015 ook gedaan te worden voor bos- en natuurterreineigenaren.70 Daarom wordt voorgesteld aan provinciale staten op te dragen bij reglement te bepalen welke organisatie de bevoegdheid heeft de vertegenwoordigers van de gebruikers van bedrijfsruimten te benoemen. Bij de mogelijkheid van toekenning van die bevoegdheid valt met name te denken aan VNO-NCW of MKB Nederland.

Het IPO heeft aangegeven de bovengenoemde organisaties te willen aanwijzen als de benoemende organisatie voor de desbetreffende geborgde zetels. De noodzakelijke aanpassing van de reglementen van de waterschappen vergt echter tijd. Daarom wordt op verzoek van het IPO voorgesteld dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat (waar nodig) tijdelijk de aanwijzing van de benoemende organisatie op zich neemt (artikel IV, onderdeel A, onder 2). Op langere termijn zullen de provincies bij reglement de benoemende organisatie aanwijzen. De bevoegdheid van de minister om de benoemende organisatie aan te wijzen zal namelijk slechts tot 1 januari 2023 gelden, zo wordt voorgesteld te bepalen in het nieuwe artikel 174 (artikel IV, onderdeel F). Deze termijn is gekozen op verzoek van het IPO.

Tot slot worden in artikel IV, onderdeel B, nog redactionele en technische wijzigingen doorgevoerd.

7. ADVIEZEN EN CONSULTATIE

Zoals opgemerkt in paragraaf 1.2 van deze toelichting, zijn van dit wetsvoorstel twee versies voorgelegd aan de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) en de bestuurscolleges van de drie openbare lichamen. Ook heeft er over beide versies een internetconsultatie plaatsgevonden. Gelet op de adviezen van de geconsulteerde partijen en de uitkomsten van de evaluatie van de experimenten met centrale stemopneming, regelt de voorliggende versie van het wetsvoorstel dat gemeenten kunnen kiezen uit twee manieren van het tellen van de stemmen (voor een uitgebreide toelichting zij verwezen naar paragraaf 2.4.1). In oktober 2019 is de Kiesraad gevraagd om daarover een advies uit te brengen.

Over de voorgestelde aanpassing van de Waterschapswet heeft consultatie plaatsgevonden van het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW), de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken, de Kamer van Koophandel, VNO/NCW en MKB NL. Over de voorgestelde aanpassingen van de Kieswet voor de kiezers in het buitenland heeft consultatie plaatsgevonden van de gemeente ‘s-Gravenhage.

De adviezen uit de consultatie zijn zorgvuldig gewogen en hebben op verschillende onderdelen geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel en deze toelichting. Op verreweg de meeste adviezen is ingegaan in het voorgaande, of wordt ingegaan in het artikelsgewijze deel van de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op die adviezen waarop niet elders in deze toelichting is gereageerd.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB)

De VNG en de NVVB hebben gevraagd om, alvorens het centraal tellen wettelijk verplicht te stellen, eerst de experimenten met en nadere besluitvorming over het nieuwe stembiljet af te wachten.71

Zoals uit dit wetsvoorstel en deze toelichting blijkt, heeft de regering het advies van de VNG en de NVVB overgenomen om centraal tellen facultatief te maken. Terecht merken de VNG en de NVVB op dat landelijke invoering van elektronisch tellen van een nieuw stembiljet, opnieuw zou leiden tot aanpassingen in het proces van uitslagvaststelling. De regering wijst er echter op dat er voor landelijk elektronisch tellen eerst een aantal andere stappen moet worden gezet.72 Eerst moet er een wet komen die experimenten mogelijk maakt met een nieuw model stembiljet. Als uit de daaropvolgende experimenten blijkt dat kiezers goed met dat stembiljet overweg kunnen, kan, als dat rendabel wordt geacht, de volgende stap worden gezet, zijnde experimenten met het elektronisch tellen van de stembiljetten. Na de evaluatie daarvan kan de besluitvorming plaatsvinden over landelijke invoering van elektronisch tellen, door dat mogelijk te maken in de Kieswet. De regering acht het ongewenst om tot die tijd het huidige proces van uitslagvaststelling ongewijzigd te laten, vanwege de daaraan verbonden, in paragraaf 2.2 van deze toelichting onder woorden gebrachte nadelen.

De VNG heeft in haar advies verzocht om artikel H 7, derde lid, van de Kieswet aan te passen.73 Daar is nu geregeld dat een kandidaat voor provinciale staten-, waterschaps- of gemeenteraadsverkiezingen die geen ingezetene is van de provincie, het waterschap of de gemeente, bij zijn kandidaatstelling een verklaring moet afleggen waaruit blijkt dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in de provincie, het waterschap of de gemeente. De VNG bepleit een dwingender formulering, en vraagt om een verklaring waaruit blijkt dat de kandidaat op de dag van toelating gevestigd zal zijn in de provincie, het waterschap of de gemeente.

De regering heeft dit verzoek niet overgenomen. De door de VNG voorgestelde verklaring moge richting kandidaten dwingender overkomen, maar heeft voor het overige in de praktijk geen effect. Uit een enkele verklaring kan immers niet blijken dat iemand op een datum in de toekomst daadwerkelijk ingezetene zal zijn van de gemeente. Daarvoor is inschrijving in de Basisregistratie personen nodig, die echter ingevolge art. 10, eerste lid, van de Gemeentewet pas is vereist op de datum van toelating tot de raad. Uiteraard staat het gemeenten wel vrij om richting kandidaten het dwingende karakter van de eis in de Gemeentewet te benadrukken.

De openbare lichamen

Het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire en de waarnemend eilandsecretaris van het openbaar lichaam Sint Eustatius hebben instemmend gereageerd op het wetsvoorstel. Van het bestuurscollege van het openbaar lichaam Saba is geen reactie ontvangen. Het bestuurscollege van Bonaire heeft erop gewezen dat de naam «gemeentelijk stembureau» niet passend is in het Caribische deel van Nederland. De regering heeft er in reactie daarop voor gekozen om te bepalen dat het gemeentelijk stembureau in het Caribische deel van Nederland «stembureau van het openbaar lichaam» heet (art. Ya 3 van de Kieswet).

Kiesraad

De Kiesraad heeft gevraagd om de nieuwe procedure voor vaststelling van verkiezingsuitslagen grondig te evalueren, ten minste zo lang tot die voor elke verkiezingssoort is toegepast.74 Het is staande praktijk dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties elke verkiezing evalueert. Uiteraard zal er in de evaluaties van de verkiezingen die worden gehouden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, uitgebreid aandacht worden besteed aan de wijze waarop de gemeenten en openbare lichamen het nieuwe proces voor de uitslagberekening in de praktijk brengen. Eventuele effecten van de wetwijziging die niet voorzien zijn, zullen zo aan het licht komen. Op basis van de evaluatie, ook dat is staand beleid, zal worden nagegaan wat beter c.q. anders kan en hoe dat te realiseren is.

Internetconsultatie

Van 8 april tot en met 15 mei 2019 zijn het wetsvoorstel en de toelichting raadpleegbaar geweest via www.internetconsultatie.nl. Er zijn zes reacties ontvangen. Een aantal reacties valt buiten de scope van dit wetsvoorstel, zoals een pleidooi voor gespreide raadsverkiezingen, de herinvoering van stemmachines of een andere inrichting van het stembiljet. Hetzelfde geldt voor het pleidooi van de Open State Foundation (OSF) om voor te schrijven dat kandidatenlijsten en de locaties van stemlokalen in opendata-format worden gepubliceerd.

De OSF bepleit verder om te regelen dat gemeenten de bestanden met uitslaggegevens die worden gegenereerd door het gebruik van digitale hulpmiddelen niet zelf op hun website plaatsen, maar doorsturen naar de Kiesraad, die deze bestanden vervolgens openbaar kan maken. Zoals toegelicht in paragraaf 2.5.1, wil de regering een centraal portaal op internet inrichten, via hetwelk alle gemeentelijke processen-verbaal en de digitale bestanden met uitkomsten van de stemopnemingen zijn te raadplegen.

Door of namens twee gemeenten is bezwaar gemaakt tegen (het verplicht maken van) een centrale opzet van de stemopneming. Daaraan is tegemoetgekomen, door te regelen dat centraal tellen facultatief wordt.

8. GEVOLGEN EN UITVOERING

8.1 Gevolgen voor burgers, bedrijven en professionals

De voorgestelde wijzigingen hebben slechts beperkte gevolgen voor burgers, bedrijven en professionals. Burgers kunnen geen voorzitter of lid meer zijn van het stembureau als zij zitting hebben in het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing aan de orde is, of als zij voor die verkiezing verkiesbaar zijn. Het lidmaatschap of voorzitterschap van het stembureau is geen verplichting. Vanwege het verbod ontstaat geen extra regeldruk. De desbetreffende wijziging leidt dan ook niet tot wijziging in de lasten voor burgers.

Bij het aanvragen van een kiezerspas hoeft de stempas niet meer te worden ingeleverd. Voor het overige blijft de handeling voor de aanvraag van een kiezerspas gelijk. Er is daarom wel sprake van een vereenvoudiging, maar niet of nauwelijks van een regeldrukverlichting.

Politieke groeperingen die een aanduiding willen laten registreren, hoeven niet langer een bewijs van inschrijving in het handelsregister over te leggen. Het centraal stembureau zal zelf op de website van de Kamer van Koophandel in het handelsregister moeten nagaan of de groepering is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

De verlenging van de termijn voor de registratie van een aanduiding voor de Eerste Kamerverkiezing heeft als positief effect dat een nieuwe partij de registratie, en daarmee de betaling van de waarborgsom, kan uitstellen tot na de provinciale statenverkiezing, en dus tot nadat duidelijk is dat in de provinciale staten (voldoende) personen zijn verkozen om kans te maken op een zetel in de Eerste Kamer.

Verder hoeven politieke groeperingen bij Tweede Kamerverkiezingen niet langer in alle, maar in 19 van de 20 kieskringen mee te doen om in aanmerking te komen voor zendtijd voor politieke partijen op grond van art. 6.1 van de Mediawet 2008 en artikel 11 van de Mediawet BES. Zij kunnen daarmee tijd en geld besparen.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk deelt de analyse dat het wetsvoorstel geen (omvangrijke) gevolgen heeft voor de regeldruk, en heeft daarom geen formeel advies uitgebracht over de voorliggende versie van het wetsvoorstel.

8.2 (Financiële) gevolgen voor de overheid

Dit wetsvoorstel biedt gemeenten twee opties voor het tellen van de stemmen (zie paragraaf 2.4.1 e.v.). Uitgangspunt is optie 1, waarin op de avond van de stemming een integrale telling door de stembureaus plaatsvindt, en een gemeentelijk stembureau de volgende dag controles en waar nodig correcties uitvoert. Het college van burgemeester en wethouders kan ook kiezen voor optie 2: een centrale opzet van de stemopneming.

In optie 1 wordt de wettelijke regeling over tellen door de stembureaus niet aangepast. Gemeenten hebben en houden de taak om te zorgen voor goedopgeleide stembureauleden, die zorgvuldig tellen. Daar verandert dit wetsvoorstel niets aan. De kwaliteit van de telling door de stembureaus is en blijft dus cruciaal. Wel creëert dit wetsvoorstel de mogelijkheid om eventuele (tel)fouten van stembureaus op transparante en controleerbare wijze te corrigeren. Het antwoord op de vraag of dit extra kosten voor gemeenten meebrengt, hangt in hoge mate af van het aantal fouten dat stembureaus maken, en dus van het aantal keren dat het gemeentelijk stembureau de stemmen opnieuw moet tellen. Doen de stembureaus hun werk goed, dan is alleen bij uitzondering een hertelling door het gemeentelijk stembureau nodig. Maken de stembureaus veel fouten, dan zullen meer hertellingen nodig zijn. De gemeente zal dan voor een volgende verkiezing maatregelen moeten treffen om een herhaling te voorkomen.

In optie 2 vindt een centrale opzet van de stemopneming plaats. Ook die kan meerkosten meebrengen, die eveneens kunnen samenhangen met de ruimte waar de zitting van het gemeentelijk stembureau wordt gehouden en de vergoeding aan de leden van het gemeentelijk stembureau en de tellers. Deze manier van tellen wordt in dit wetsvoorstel echter niet verplicht gesteld. Als gemeenten of openbaar lichamen voor deze manier van tellen kiezen, kunnen de daarmee samenhangende kosten dan ook voor hun eigen rekening blijven.

De Kiesraad heeft gevraagd om in te gaan op de financiële gevolgen voor de Kiesraad van de toegenomen werkzaamheden. De regering meent dat de Kiesraad de eventuele met dit wetsvoorstel samenhangende financiële gevolgen binnen het bestaande budget kan opvangen. De Raad ontvangt sinds de inwerkingtreding van de Wet raadgevend referendum in 2015 extra middelen ten behoeve van zijn taken betreffende de uitvoering van die wet. Nu die wet inmiddels is ingetrokken, kan de Raad een deel van de langs die weg vrijgekomen middelen aanwenden voor de eventuele met dit wetsvoorstel samenhangende kosten.

9. INWERKINGTREDING

Dit wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij de inwerkingtreding voor de verschillende onderdelen verschillend kan zijn. Bij bepalen van het moment van inwerkingtreding zal er rekening mee worden gehouden dat er geen belemmering ontstaat voor de voorbereiding van een verkiezing. Om deze reden kan het zijn dat moet worden afgeweken van de vaste verandermomenten.

De regering streeft naar inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen vóór de mogelijke herindelingsverkiezingen in november 2021 dan wel de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022. Daarbij geldt de voorwaarde dat alle betrokkenen, met name de gemeenten, voldoende gelegenheid krijgen om zich voor te bereiden op de voorgestelde wijzigingen. De regering zal daarop toezien.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

A (Art. A 3 Kieswet)

In het nieuwe derde lid wordt de Kiesraad als taak gegeven om de uitslagen van alle verkiezingen die op basis van de Kieswet zijn gehouden te verzamelen. Deze verkiezingsuitslagen worden op een «algemeen toegankelijke wijze», dat wil zeggen voor een breed publiek, ontsloten. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een suggestie van de Staatscommissie parlementair stelsel (de commissie-Remkes) om de verkiezingsresultaten door de Kiesraad te laten verzamelen en voor iedereen kenbaar en beschikbaar te laten maken. Met het woord «ontsluiten» is tot uitdrukking gebracht dat de Kiesraad, voor zover dit haalbaar is, ernaar moet streven niet alleen de verkiezingsuitslagen zelf te publiceren, maar ook zoveel mogelijk de onderliggende uitkomsten van de stemopnemingen (de uitkomsten op stembureau- en kandidaatsniveau). Om de Kiesraad hierin te faciliteren, wordt de burgemeester in artikel O 18, zesde lid, van de Kieswet bij gemeenteraads-, waterschaps- en provinciale statenverkiezingen opgedragen om, nadat over de toelating van de gekozenen is beslist, de Kiesraad een kopie van het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau te verstrekken. Dat kan niet eerder, omdat dan de uitslag nog niet definitief is. Het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau bevat ook een bijlage met daarin per stembureau de uitkomsten van de stemopneming zoals deze door het gemeentelijk stembureau zijn vastgesteld. Heeft het gemeentelijk stembureau gebruikgemaakt van programmatuur voor de berekening van de resultaten van de stemopneming, dan stelt de burgemeester het digitale bestand met de uitkomsten van de stemopneming ter beschikking van de Kiesraad. Een soortgelijke voorziening is in artikel P 23, vierde lid, van de Kieswet getroffen ten aanzien van het centraal stembureau. In het nieuwe derde lid wordt ook verwezen naar andere aan de Kiesraad opgedragen taken. Het betreft de taak om controleprotocollen op te stellen, zoals deze is neergelegd in de nieuwe artikelen O 12, O 36 en P 1d van de Kieswet. Met deze protocollen wordt gewaarborgd dat de door de gemeentelijk stembureaus, het nationaal briefstembureau en centraal stembureaus uit te voeren controles op uniforme wijze geschieden.

B, L, CC onderdeel 1, DD, NN, QQ, IIII, NNNN, RRRR, TTTT, YYYY (artt. B 5, F 1, I 18 lid 1, J 1, M 1, M 4, T 11, V 6, V 10, W 1, Y 38)

Deze onderdelen betreffen enige technische aanpassingen van hoofdzakelijk taalkundige aard.

C, D, E en F (Artt. C 1 t/m C 4 Kieswet)

In deze onderdelen wordt bepaald dat het aantreden van de leden van een vertegenwoordigend orgaan niet langer plaatsvindt op de donderdag acht dagen na de dag van stemming, maar op de dinsdag dertien dagen na de dag van stemming. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.5.5 van het algemene deel van deze toelichting.

Ervan uitgaande dat dit wetsvoorstel in werking treedt voor de eerstvolgende reguliere verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in 2021, heeft deze verschuiving van het moment van aantreden van de nieuwe leden van de Tweede Kamer tot gevolg dat de zittingsduur van de huidige leden van de Tweede Kamer met vijf dagen wordt verlengd. Voor deze eenmalige en geringe verlenging van de grondwettelijke zittingsduur van de huidige Kamer kan een beroep worden gedaan op artikel 64, vierde lid, eerste volzin, van de Grondwet. Ingevolge dat artikel stelt de wet de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast, waarbij de termijn niet langer mag zijn dan vijf jaren. Daarvoor is in beginsel noodzakelijk dat de na de inwerkingtreding van de wetswijziging optredende Kamer een na ontbinding gekozen kamer is. Het kan een politieke ontbinding betreffen dan wel een ontbinding wegens grondwetswijziging.75 De grondwetsbepaling is opgenomen om het mogelijk te maken dat na een tussentijdse ontbinding de volgende verkiezing weer op het reguliere tijdstip plaatsvindt. De redactie is evenwel zo ruim dat de bepaling ook in het onderhavige geval kan worden toegepast. Deze bepaling is ook eerder toegepast om kleine verschuivingen in de datum van een te houden Tweede Kamerverkiezing aan te brengen.76

G (Opschrift hoofdstuk E, paragraaf 2, Kieswet)

Het opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk E wordt gewijzigd om tot uitdrukking te brengen dat de paragraaf zowel betrekking heeft op stembureaus als op briefstembureaus.

H (Art. E 3 Kieswet)

In het verleden kon het college van burgemeester en wethouders de gemeente indelen in stemdistricten. In elk stemdistrict was één stembureau gevestigd. Als het stembureau gereed was met de stemopneming, deed het de stembiljetten in pakken. Op ieder pak werd de naam van de gemeente en het nummer van het stemdistrict genoteerd. Aan de hand daarvan kon men bij een eventuele nieuwe stemopneming weten welke pakken geopend moesten worden (en welke niet). Bij de invoering van het stemmen in een willekeurig stemlokaal zijn de stemdistricten afgeschaft (Wet van 29 oktober 2009, Stb. 452). Vanaf dat moment is beslist dat op de pakken met stembiljetten het nummer van het stembureau moet worden vermeld. Later werd dezelfde eis gesteld ten aanzien van de pakken met stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen (Wet van 3 juli 2013, Stb. 289). Dit impliceert dat ieder stembureau een uniek eigen nummer heeft. Deze wetswijziging verduidelijkt dat het college van burgemeester en wethouders daarvoor zorgt. Ook de Kiesraad heeft in zijn advies gewezen op de importantie van het stembureaunummer. Het draagt o.a. bij aan de duidelijke en eenduidige communicatie over vermeende fouten in de uitkomsten van stemopnemingen tussen kiesgerechtigden en het centraal stembureau en tussen het centraal stembureau en de gemeentelijk stembureaus.

I (Art. E 4 Kieswet)

Artikel E 4, tweede lid, wordt opnieuw vastgesteld. In deze bepaling werd een meervoudvorm gebruikt, waar enkelvoud gebruikelijk is. Daarnaast is het op enkele onderdelen aangepast. Allereerst wordt als gevolg van de opheffing van de hoofdstembureaus en de introductie van de gemeentelijk stembureaus geregeld dat een persoon geen lid of plaatsvervangend lid van het stembureau kan zijn als hij voor dezelfde verkiezing ook lid is van het gemeentelijk stembureau of het centraal stembureau. Een lid van het gemeentelijk stembureau voor de gemeenteraadsverkiezing kan dus niet als stembureaulid worden benoemd voor deze verkiezing. Hiermee wordt – vergelijkbaar met het huidige artikel E 4, tweede lid, onderdeel b, – beoogd te voorkomen dat leden van een stembureau hun eigen werk controleren. Treedt een gemeentelijk stembureau bij gecombineerde stemmingen voor meer dan één verkiezing op (vgl. art. E 6 Kieswet), dan kunnen de leden van het gemeentelijk stembureau bij al deze verkiezingen niet als stembureaulid worden benoemd. Het lidmaatschap van het stembureau is niet onverenigbaar met het lidmaatschap van een briefstembureau of het nationaal briefstembureau. In die situaties bestaat immers geen risico dat iemand op een later moment in het verkiezingsproces zijn eigen werk moet controleren of beoordelen.

Daarnaast wordt de formulering in artikel E 4, tweede lid, onderdeel b, aangepast. In deze bepaling was, voor zover hier van belang, geregeld dat benoemde leden van het centraal stembureau niet konden worden benoemd als lid van een stembureau. De Kiesraad heeft erop gewezen dat deze formulering onduidelijkheid schept over de vraag of een burgemeester zitting kan nemen in een stembureau terwijl hij voor dezelfde verkiezing ook voorzitter is van het centraal stembureau.77Hoewel hij als voorzitter lid is van het centraal stembureau, is hij dat immers van rechtswege en niet op basis van een benoeming (art. E 7 lid 2 en art. E 11 Kieswet (oud)). In dit onderdeel wordt verduidelijkt dat alle leden van het centraal stembureau (en het gemeentelijk stembureau) zijn uitgezonderd van benoeming als lid van het stembureau, waaronder derhalve ook de burgemeester.

Ten slotte worden in artikel E 4, tweede lid, twee nieuwe onderdelen toegevoegd, waarmee wordt geregeld dat personen die kandidaat zijn voor het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden of reeds lid zijn van dat orgaan, geen lid of plaatsvervangend lid kunnen zijn van een stembureau bij die verkiezing. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.2 in het algemene deel van deze toelichting.

J (Art. E 5 Kieswet)

Met het voorgestelde artikel E 5 worden de bepalingen omtrent de instelling van briefstembureaus opgenomen in hoofdstuk E. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek die reeds geldt voor reguliere stembureaus, gemeentelijk stembureaus en centraal stembureaus.

Het eerste tot en met derde lid regelen welke bestuursorganen bevoegd zijn tot het instellen van een briefstembureau. Deze bepalingen komen inhoudelijk nagenoeg overeen met respectievelijk het huidige artikel M 9, eerste lid, eerste zin, en artikel M 13, derde en vijfde lid, eerste zin, van de Kieswet. Anders dan het huidige artikel M 9, eerste lid, van de Kieswet bepaalt artikel E 5, eerste lid, evenwel dat het college van burgemeester en wethouders slechts één briefstembureau kan instellen en niet meerdere. Dit is nodig in verband met de invoering van het vervangend briefstembewijs. Voor de uitvoeringspraktijk heeft dit overigens geen gevolgen, omdat het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage in de praktijk geen gebruik maakte van de mogelijkheid om meer dan één briefstembureau in te stellen.

Het briefstembureau bestaat uit een door het college van burgemeester en wethouders, dan wel de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in geval van briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, vast te stellen aantal leden. In het vijfde lid wordt artikel E 4, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat ten aanzien van de eisen die aan de leden gesteld worden, aangesloten wordt bij de regels die gelden voor stembureaus. Voor een nadere toelichting op deze eisen wordt verwezen naar de toelichting bij het opnieuw vastgestelde artikel E 4, tweede lid.

K (Hoofdstuk E, paragrafen 3 en 4 Kieswet)

De huidige paragraaf 3 van hoofdstuk E betreft de instelling van de hoofdstembureaus. Aangezien de hoofdstembureaus worden opgeheven, wordt in de nieuwe paragraaf 3 de instelling van de gemeentelijk stembureaus en het nationaal briefstembureau geregeld. In de nieuwe paragraaf 4 wordt, evenals in de huidige paragraaf 4, de instelling van de centraal stembureaus geregeld. Om doornummering van de artikelen in hoofdstuk E mogelijk te maken, wordt ook die paragraaf opnieuw vastgesteld.

Artikel E 6

Het nieuwe artikel E 6 regelt dat het college van burgemeester en wethouders in beginsel voor elke verkiezing een gemeentelijk stembureau instelt. Ook voor de verkiezing van de voor Nederland gekozen leden van het Europees Parlement wordt een gemeentelijk stembureau ingesteld. Dit vloeit voort uit artikel Y 2, gelezen in samenhang met het nieuwe artikel E 6 van de Kieswet.

In artikel J 6 van de Kieswet wordt de mogelijkheid geboden dat de gemeenteraad bepaalt dat tegelijk met de stemming in het stemlokaal een andere, door de gemeenteraad uitgeschreven, stemming plaatsvindt. Het betreft lokaal uitgeschreven stemmingen, zoals een lokaal raadgevend referendum of een dorpsraadsverkiezing, op basis van gemeentelijke verordeningen. In het derde lid is verduidelijkt dat de gemeenteraad in deze lokale verordening ook kan bepalen dat het gemeentelijk stembureau taken uitvoert ten behoeve van de door de raad uitgeschreven stemming.

Artikel E 7

Het gemeentelijk stembureau bestaat uit een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen aantal leden. Het heeft ten minste zoveel leden, dat op elke locatie waar werkzaamheden worden uitgevoerd door het gemeentelijk stembureau altijd minimaal vijf leden van het gemeentelijk stembureau aanwezig zijn. Het minimumaantal leden van een gemeentelijk stembureau is dus vijf. Vindt de controle van de processen-verbaal van de stembureaus of de centrale stemopneming op twee locaties plaats, dan telt het gemeentelijk stembureau minimaal tien leden. Er is geen maximum gesteld aan het aantal personen dat tot gemeentelijk stembureaulid kan worden benoemd. Dit maakt het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om desgewenst zoveel leden te benoemen dat iedere telleider van een telteam, zoals beschreven in paragraaf 2.4.3.5 van het algemene deel van deze toelichting, lid is van het gemeentelijk stembureau.

In het tweede lid is geregeld dat het college er bij gemeenteraadsverkiezingen voor kan kiezen om niet meer dan drie personen als gemeentelijk stembureaulid te benoemen. Voor een toelichting op deze keuze wordt verwezen naar paragraaf 2.4.2.1 van het algemene deel van deze toelichting. Dezelfde mogelijkheid wordt ook geboden bij eilandsraadsverkiezingen (art. Ya 13 jo. E 7 lid 2 Kieswet) en kiescollegeverkiezingen (art. Ya 24 Kieswet).

Ingevolge het derde lid is voor de benoeming tot lid van het gemeentelijk stembureau vereist dat een persoon op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en, na het volgen van een training, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders over voldoende kennis en vaardigheden beschikt op het terrein van het verkiezingsproces. Aan de benoeming tot lid van het gemeentelijk stembureau worden dus dezelfde voorwaarden gesteld als aan de benoeming tot lid van een stembureau.

Degene die als (plaatsvervangend) lid van het stembureau of het centraal stembureau is benoemd, mag voor dezelfde verkiezing niet als lid van het gemeentelijk stembureau worden benoemd. Op deze manier wordt voorkomen dat stembureauleden en centraal stembureauleden zichzelf controleren. Dit geldt ook in het geval één gemeentelijk stembureau wordt ingesteld voor gecombineerde staten- en waterschapsverkiezingen en in het geval één gemeentelijk stembureau wordt ingesteld voor de verschillende waterschapsverkiezingen die in een gemeente worden gehouden. Zo kan een lid van het centraal stembureau voor waterschapsverkiezingen niet ook lid zijn van het gemeentelijk stembureau, in het geval dat het gemeentelijk stembureau als zodanig optreedt voor zowel de provinciale staten- als de waterschapsverkiezingen. In het geval bij die betreffende gecombineerde verkiezingen evenwel een gemeentelijk stembureau voor de statenverkiezingen wordt ingesteld en een afzonderlijk gemeentelijk stembureau voor de waterschapverkiezingen, kan een lid van het centraal stembureau voor waterschapsverkiezingen wel lid zijn van het gemeentelijk stembureau voor de statenverkiezingen.

Artikel E 8

Artikel E 8 regelt dat het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer een nationaal briefstembureau instelt. Dit nationaal briefstembureau heeft tot taak om het aantal per brief uitgebrachte stemmen vast te stellen op basis van de processen-verbaal van de briefstembureaus. Ook voor de verkiezing van in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement wordt een nationaal briefstembureau ingesteld. Dit vloeit voort uit artikel Y 2, gelezen in samenhang met het nieuwe artikel E 8 van de Kieswet.

Het tweede lid regelt dat het nationaal briefstembureau bestaat uit een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen aantal leden, van wie er één voorzitter en ten minste één plaatsvervangend voorzitter is. Degene die als (plaatsvervangend) lid van het briefstembureau of het centraal stembureau is benoemd, mag voor dezelfde verkiezing niet als lid van het nationaal briefstembureau worden benoemd. Op deze manier wordt voorkomen dat briefstembureauleden en centraal stembureauleden zichzelf controleren. Het lidmaatschap van het briefstembureau eindigt van rechtswege nadat over de toelating van de gekozenen is beslist.

Ten aanzien van de overige eisen die gesteld worden aan de leden van het nationaal briefstembureau wordt aangesloten bij de regels die zowel gelden voor leden van de stembureaus als voor leden van de gemeentelijk stembureaus. Voor een nadere toelichting op deze eisen wordt verwezen naar de toelichting bij het opnieuw vastgestelde artikel E 4, tweede lid.

Artikel E 9

Artikel E 9 biedt een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de samenstelling en werkwijze van het gemeentelijk stembureau en het nationaal briefstembureau.

Er is, anders dan in het ontwerp van dit wetsvoorstel zoals dit in december 2017 in consultatie is gebracht, niet langer voorzien in de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de inrichting van de gemeentelijk stembureaus. Daar bestaat geen noodzaak meer toe, omdat de bepalingen over die onderwerpen thans in het voorliggende wetsvoorstel zijn opgenomen. De Kiesraad adviseerde in dit verband om (ook) de werkwijze van het gemeentelijk stembureau hoofdzakelijk in de Kieswet te regelen, opdat de gemeentelijk stembureaus hun taken in onafhankelijkheid kunnen uitvoeren. Transparantie draagt alleen bij aan het behoud van het vertrouwen in het verkiezingsproces als gemeentelijk stembureaus allemaal op dezelfde wijze te werk gaan en bij vergelijkbare vraagstukken tot gelijke conclusies komen, aldus de Kiesraad. Hoewel het standpunt van de Kiesraad, dat de werkwijze van het gemeentelijk stembureau hoofdzakelijk in de Kieswet moet worden geregeld, wordt onderschreven, is de regering van oordeel dat met de voorgestelde bepaling niet van dat uitgangspunt wordt afgeweken. De regering wenst in dat verband te verduidelijken dat met deze grondslag uitsluitend wordt beoogd regels van ondergeschikte aard te stellen over de werkwijze van de gemeentelijk stembureaus en het nationaal briefstembureau, die geen afbreuk doen aan hun onafhankelijke positie. Gedacht kan worden aan bepalingen over de verhindering van leden om een zitting bij te wonen en het besluitvormingsproces bij staking van stemmen. Het vigerende Kiesbesluit bevat nu ook al dergelijke bepalingen ten aanzien van de hoofdstembureaus (vgl. art. E 2 Kiesbesluit). In het Kiesbesluit zullen voor gemeentelijk stembureaus ook de bepalingen worden opgenomen die thans zijn neergelegd in artikel 30 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming. Deze bepalingen hebben betrekking op de handelwijze en het besluitvormingsproces van het gemeentelijk stembureau indien de stemopneming op twee of meer locaties plaatsvindt. Dergelijke nadere regels dragen naar het oordeel van de regering bij aan de uniformering van de werkwijze van de gemeentelijk stembureaus en daarmee aan de transparantie en het vertrouwen in het verkiezingsproces.

Artikelen E 10 tot en met E 14

Ingevolge artikel E 11, derde tot en met vijfde lid, van de huidige Kieswet treden bij verkiezingen van de leden van provinciale staten, het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraad de ten behoeve van deze verkiezingen ingestelde hoofdstembureaus tevens als centraal stembureau op. Als gevolg van het vervallen van het orgaan hoofdstembureau, dient de instelling van het centraal stembureau voor de voormelde verkiezingen opnieuw te worden geregeld. Dit is gedaan in de artikelen E 10 tot en met E 14. Daarbij is grotendeels aangesloten bij de huidige bepalingen over de instelling van hoofdstembureaus.

De tekst van het voorgestelde artikel E 10 komt overeen met het huidige artikel E 11, eerste lid, van de Kieswet. In deze bepaling is als hoofdregel vastgelegd dat er voor de verkiezing van elk vertegenwoordigend orgaan een centraal stembureau wordt ingesteld. In de daaropvolgende bepalingen wordt deze hoofdregel voor de verkiezing van verschillende vertegenwoordigende organen nader uitgewerkt.

De tekst van het voorgestelde artikel E 11 is gelijk aan het huidige artikel E 11, tweede lid, van de Kieswet. De Kiesraad blijft optreden als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daarnaast blijft de Kiesraad optreden als centraal stembureau voor de verkiezing van de in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement (art. Y 2 jo. E 11 Kieswet (nieuw)) en als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (art. S 1 lid 1 Kieswet).

In de nieuwe artikelen E 12, E 13 en E 14 is de instelling van centraal stembureaus ten behoeve van de verkiezing van de leden van respectievelijk provinciale staten, het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraad geregeld. Het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van provinciale staten is gevestigd in de gemeente waar de vergadering van de staten wordt gehouden. Dit is dezelfde gemeente als die waar thans het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van provinciale staten gevestigd is, dat tevens de taken van het centraal stembureau voor zijn rekening neemt (art. E 11 lid 3 Kieswet (oud)). Voorzitter is de burgemeester van de gemeente waar het centraal stembureau is gevestigd. De overige leden en plaatsvervangende leden worden benoemd door gedeputeerde staten.

Voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur is het centraal stembureau gevestigd in de gemeente die daarvoor door het vertegenwoordigend orgaan van het waterschap wordt aangewezen. De voorzitter van het waterschap is de voorzitter van het centraal stembureau. De overige leden en plaatsvervangende leden worden benoemd door het dagelijks bestuur.

Het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad, dat tevens optreedt als centraal stembureau, telt nu vijf leden en drie plaatsvervangende leden. In het nieuwe artikel E 14 is geregeld dat het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad voortaan ook drie leden kan hebben, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is. Zoals ook in het algemene deel van deze toelichting uiteen is gezet, is dit gedaan omdat het in kleine gemeenten soms lastig kan zijn om voldoende gekwalificeerde personen te vinden die als lid of plaatsvervangend lid van het centraal stembureau benoemd kunnen worden. De burgemeester is voorzitter van het centraal stembureau. De andere leden en plaatsvervangende leden worden benoemd door het college van burgemeester en wethouders.

Artikel E 15

Om tot lid van het stembureau, briefstembureau, gemeentelijk stembureau of nationaal briefstembureau benoemd te kunnen worden, moet iemand op de dag van de stemming achttien jaar of ouder zijn. Om tot lid of plaatsvervangend lid van het centraal stembureau benoemd te kunnen worden, moet iemand deze leeftijd al ten tijde van zijn benoeming hebben bereikt. Hiervoor is gekozen omdat het centraal stembureau, anders dan de voornoemde organen, een permanent orgaan is waaraan ook buiten de verkiezingsperiode taken zijn opgedragen. In het bijzonder denkt de regering hierbij aan het nemen van besluiten op verzoeken van politieke groeperingen tot registratie van hun aanduiding.

In het wetsvoorstel zoals dit in april 2019 in consultatie is gebracht, stond nog expliciet vermeld dat een lid van het centraal stembureau niet tegelijkertijd ook lid of plaatsvervangend lid kan zijn van een stembureau, een briefstembureau, een gemeentelijk stembureau of het nationaal briefstembureau voor de desbetreffende verkiezing. Daarmee was beoogd buiten twijfel te stellen dat ook in de uitzonderlijke situatie dat iemand eerst tot lid van bijvoorbeeld een stembureau wordt benoemd en daarna tot lid van het centraal stembureau, beide functies onverenigbaar met elkaar zijn. De Kiesraad heeft er in zijn advies van 19 mei 2019 echter terecht op gewezen dat deze situatie zich niet snel zal voordoen.78 Bovendien volgt uit de andere bepalingen uit hoofdstuk E al dat deze functies onverenigbaar zijn. Het advies van de Kiesraad is dan ook overgenomen. Het college van burgemeester en wethouders kan een lid van een stembureau alleen tot lid van het centraal stembureau voor dezelfde verkiezing benoemen onder gelijktijdig ontslag van de betrokkene als lid van het stembureau wegens het niet (langer) voldoen aan de wettelijke vereisten voor het stembureaulidmaatschap. Voor (plaatsvervangende) leden van het gemeentelijk stembureau, het briefstembureau en het nationaal briefstembureau geldt mutatis mutandis hetzelfde. Voorts geldt dat degene die op grond van een van de in artikel E 4, tweede lid, onderdelen a en c tot en met e van de Kieswet genoemde redenen geen stembureaulid kan zijn, ook niet tot lid of plaatsvervangend lid van het centraal stembureau benoemd kan worden.

In de toelichting bij de voorgestelde artikelen E 10 tot en met E 14 staat dat bij het concipiëren van de artikelen over het centraal stembureau aansluiting is gezocht bij de huidige bepalingen over de instelling van hoofdstembureaus. Het huidige artikel E 8 van de Kieswet bepaalt dat de leden en plaatsvervangende leden van hoofdstembureaus voor vier kalenderjaren worden benoemd. In artikel E 15, tweede lid, is een vergelijkbaar voorschrift opgenomen voor de benoeming van de leden van het centraal stembureau.

Artikelen E 16 en E 17

Artikel E 16 komt overeen met het vigerende artikel E 9 van de Kieswet. Het regelt welk bestuursorgaan voor de zitting van het centraal stembureau een geschikte ruimte aanwijst. Het nieuwe artikel E 17 is gebaseerd op het huidige artikel E 10 Kieswet en regelt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld kunnen worden omtrent de samenstelling en werkwijze van de centraal stembureaus voor de verkiezing van de leden van provinciale staten, het algemeen bestuur en de gemeenteraden.

M, N, O, P, DDDDD en FFFFF (artt. G 1 t/m G 3, Ya 15 en Ya 25 Kieswet)

Zoals in paragraaf 4.4 van het algemene deel van deze toelichting is toegelicht, komt het vereiste om bij een verzoek tot registratie van een aanduiding een bewijs van inschrijving in het handelsregister over te leggen, te vervallen. De vereisten voor de registratie van een aanduiding blijven ongewijzigd. Uit het eerste lid van de artikelen G 1, G 2, G 2a en G 3 van de Kieswet blijkt dat uitsluitend een politieke groepering die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of, indien het een verzoek om registratie op grond van artikel G 2a betreft, een stichting is, een aanduiding kan laten registreren. Of de rechtspersoon die het verzoek heeft ingediend aan dit vereiste voldoet, blijkt uit zijn statuten. Daarvan moet bij de aanvraag een kopie worden overgelegd (telkens: lid 3 onder a). Ook moet het centraal stembureau nagaan of het verzoek is ingediend door degene(n) die bevoegd is, of zijn, om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Daarvoor heeft het centraal stembureau de statuten nodig, maar ook informatie die is opgenomen in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 of, indien het een politieke groepering betreft die in het Caribische deel van Nederland is gevestigd, artikel 2 van de Handelsregisterwet 2009 BES. Nu het centraal stembureau niet langer een (gewaarmerkt) afschrift ontvangt van de inschrijving in het handelsregister, zal het zelf de benodigde informatie over de rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel moeten opvragen. De grondslag daarvoor is te vinden in artikel 30 van de Handelsregisterwet 2007. Indien de aanvraag is ingediend door een politieke groepering die in het Caribische deel van Nederland is gevestigd, zal het centraal stembureau artikel 11 van de Handelsregisterwet 2009 BES moeten toepassen.

Blijkt het centraal stembureau dat het verzoek om registratie van een aanduiding niet is ingediend door degenen die bevoegd zijn de politieke groepering te vertegenwoordigen, dan stelt het de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen (art. 4:5 Awb) en stelt het de belanghebbende politieke groepering in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen (art. 4:8 Awb).

Q (Art. G 6 Kieswet)

Model G 1–1 van de Kiesregeling bevat een formulier waarmee een politieke groepering een verzoek tot registratie van een aanduiding kan indienen bij het centraal stembureau. Met deze wijziging wordt in de Kieswet in een wettelijke grondslag voor dit model voorzien. Er is geen model voor de inrichting van het register waarin het centraal stembureau de door hem voor politieke groeperingen geregistreerde aanduidingen bijhoudt. De opdracht tot het vaststellen daarvan wordt dan ook geschrapt.

R (Art. H 7 Kieswet)

De redactie van artikel H 7, tweede lid, wordt gemoderniseerd naar het voorbeeld van het huidige artikel R 5 van de Kieswet.

S, T, CCCC, KKKK en LLLL onderdeel 1 (Artt. H 10, H 10a, R 9a, V 3 en V 4 lid 4 Kieswet)

Om na te gaan of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet, gebruikt het vertegenwoordigend orgaan niet langer een door de benoemde over te leggen gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen, maar bevraagt het zelf de basisregistratie personen. Dit is geregeld in het nieuwe artikel V 4, vierde lid. Voor de uitvoering van het geloofsbrievenonderzoek zelf blijven dezelfde gegevens relevant als die thans ingevolge artikel V 3, tweede lid, door de kandidaat moeten worden overgelegd middels een gewaarmerkt uittreksel uit de basisregistratie personen.

Het «woonadres» is bij decentrale volksvertegenwoordigende organen relevant in verband met het ingezetenencriterium voor het lidmaatschap van deze organen. Het omvat de woonplaats, maar ook de postcode, straatnaam en het huisnummer. Bij een benoeming tot lid van een gemeenteraad of provinciale staten zou bekendheid met de woonplaats strikt genomen hebben volstaan, maar bij een benoeming tot lid van een algemeen bestuur is dit niet het geval (vgl. art. 31 lid 1 Waterschapswet). Sommige gemeente liggen immers op het grondgebied van meer dan één waterschap. De «datum van geboorte» is relevant om te kunnen beoordelen of iemand de vereiste leeftijd heeft om als lid tot het vertegenwoordigend orgaan toegelaten te kunnen worden. En de «kiesgerechtigdheid» is relevant, omdat de benoemde, om als lid toegelaten te kunnen worden tot het vertegenwoordigend orgaan, niet mag zijn uitgesloten van het kiesrecht.

Voor een toelichting op het vervallen van artikel V 3, tweede en vierde lid, wordt verwezen naar paragraaf 4.8 van het algemeen deel van deze toelichting. De verwijzingen in de artikelen H 10, H 10a, R 9 en R 9a naar artikel V 3 zijn aangepast.

U (Artt. H 12 en H 13 Kieswet)

Voor Tweede Kamer- en provinciale statenverkiezingen regelen artikelen H 12 en H 13 van de Kieswet dat degene die de waarborgsom betaalt die nodig is voor deelname aan de verkiezing, daarvan voor elke kieskring een bewijs ontvangt. De Kiesraad heeft er terecht op gewezen dat dit niet meer nodig is.79 Voorheen werden kandidatenlijsten ingeleverd bij het hoofdstembureau van de kieskring waarvoor de kandidatenlijst werd ingeleverd. Het was toen noodzakelijk dat degene die de waarborgsom betaalde, daarvan voor elke kieskring een afzonderlijk bewijs ontving. Nu de wet sinds 1 december 2013 voorschrijft dat kandidatenlijsten worden ingeleverd bij het centraal stembureau80 en de hoogte van de waarborgsom onafhankelijk is van het aantal kieskringen waarvoor een kandidatenlijst wordt ingeleverd, kan met één bewijs van betaling worden volstaan.

V, X en AAAAA (Artt. I 1, I 3 en Ya 10 Kieswet)

Bij Tweede Kamerverkiezingen en provinciale statenverkiezingen in een provincie die uit meer dan één kieskring bestaat, draagt het centraal stembureau er thans zorg voor dat de hoofdstembureaus op de tweede dag na de kandidaatstelling een afschrift van de kandidatenlijsten ontvangen die voor de desbetreffende kieskring zijn ingeleverd. Het hoofdstembureau, dat in deze gevallen niet samenvalt met het centraal stembureau, dient de afschriften van de kandidatenlijsten tijdig te ontvangen, teneinde na de stemming de uitslag op kieskringniveau vast te kunnen stellen. Aangezien in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de hoofdstembureaus te laten vervallen en de taak van de vaststelling van de uitkomsten op kieskringniveau aan het centraal stembureau over te dragen, kan het tweede lid van artikel I 1 een heel andere inhoud krijgen. Voorgesteld wordt om daarin een regeling te treffen voor de situatie waarin iemand zich tegelijkertijd verkiesbaar stelt als lid van verschillende vergelijkbare vertegenwoordigende organen, terwijl voor dit lidmaatschap een vestigingsvereiste geldt en de betrokkene op het moment van kandidaatstelling (nog) niet aan dit vereiste voldoet. Een uitgebreidere toelichting over het doel en de strekking van de nieuwe tekst is opgenomen in paragraaf 4.2 van het algemene deel van deze toelichting.

Ook de terinzagelegging van kandidatenlijsten bij de gemeente waar het hoofdstembureau is gevestigd, kan gelet op het vervallen van de hoofstembureaus worden gemist. Artikel I 3, tweede lid, komt derhalve eveneens te vervallen. Voldoende is dat de kandidatenlijsten die door het centraal stembureau zijn onderzocht, en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, voor eenieder ter inzage worden gelegd bij het centraal stembureau. In dit verband wordt er volledigheidshalve op gewezen dat bij Tweede Kamerverkiezingen de kandidatenlijsten die voor kieskring 20 zijn ingeleverd (Bonaire), en indien vereist, de ondersteuningsverklaringen, ook ter inzage moeten worden gelegd op de bestuurskantoren in de openbare lichamen. Gelet op de geografische afstand zullen kiezers in de openbare lichamen immers niet in staat zijn om de op het centraal stembureau (de Kiesraad) ter inzage gelegde stukken in te zien. Deze in artikel Ya 10 neergelegde verplichting blijft daarom ongewijzigd.

In de huidige artikelen I 3, eerste lid, en Ya 10, tweede lid, is de duur van de terinzagelegging van de ingeleverde kandidatenlijsten en de ondersteuningsverklaringen door het centraal stembureau niet geregeld. In de praktijk worden die stukken ter inzage gelegd totdat onherroepelijk over de geldigheid van de kandidatenlijsten is beslist. De regering acht het wenselijk deze praktijk in de Kieswet vast te leggen. Zodra de onherroepelijkheid van de kandidatenlijsten vaststaat, worden de definitieve (geldige) lijsten immers openbaar gemaakt. Overigens vindt de vernietiging van de ingeleverde kandidatenlijsten alsmede de daarbij horende stukken (met uitzondering van de overgelegde verklaringen van instemming) eerst plaats na de vaststelling van de uitslag.

W onderdeel 1 (Art. I 2 lid 1 Kieswet)

Indien bij een kandidatenlijst een aantal verklaringen van ondersteuning overgelegd moeten worden mag het centraal stembureau alleen de ondersteuningsverklaringen meetellen die voldoen aan de eisen die de Kieswet daaraan stelt. Tot de inwerkingtreding van de Wet van 3 juli 2013 (Stb. 2013, 289) stond in artikel H 4, eerste lid, tweede volzin het volgende: «Op deze verklaringen worden de kandidaten op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde vermeld als op de lijst.». Nadien is artikel H 4, eerste lid, opnieuw geformuleerd en zijn deze vereisten in het eerste lid opgenomen. Abusievelijk is de verwijzing in artikel I 2, eerste lid, onderdeel a, daarbij niet aangepast. Deze omissie wordt nu hersteld.

W onderdeel 2 en Y (Artt. I 2 lid 2 en I 4 Kieswet)

Politieke groeperingen kunnen binnen een termijn van drie dagen na de zitting van het centraal stembureau tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten geconstateerde verzuimen herstellen. Met de wijziging in artikel I 2, tweede lid, wordt geregeld dat die termijn op de laatste dag niet om 15.00 uur maar om 12.00 uur eindigt. In artikel I 4 wordt voorts geregeld dat de zitting van het centraal stembureau op de laatste dag van de voornoemde termijn over onder meer de geldigheid van de ingeleverde kandidatenlijsten wordt verplaatst van 16.00 uur naar 17.00 uur. Met deze maatregelen wordt het centraal stembureau meer tijd gegund om na te gaan of geconstateerde verzuimen zijn hersteld. Verwezen wordt naar paragraaf 4.5 van het algemene deel van deze toelichting.

Z en GGGG (Artt. I 8 en S 6 Kieswet)

In artikel H 5 van de vigerende Kieswet is reeds geregeld dat op de kandidatenlijst een of meer personen worden vermeld die bij verhindering van de inleveraar bevoegd zijn tot het herstel van verzuimen. Artikel I 8, eerste lid, wordt aldus gewijzigd dat expliciet wordt geregeld dat die personen tevens bevoegd zijn om, bij verhindering van de inleveraar, een verzuim hangende het beroep tegen een beschikking over de geldigheid van een kandidatenlijst te herstellen. In artikel S 6, eerste lid, van de Kieswet wordt een vergelijkbare verduidelijking aangebracht.

AA (Art. I 14 Kieswet)

In artikel I 14 wordt de volgorde van de nummering van de kandidatenlijsten geregeld. Het centraal stembureau nummert eerst de lijsten van politieke groeperingen die bij de laatste verkiezing een of meer zetels hebben behaald. De lijsten krijgen hun nummer in de volgorde van het aantal verkregen stemmen. De lijst waarop de meeste stemmen zijn uitgebracht, krijgt nummer 1. In het tweede lid wordt geregeld hoe het aantal uitgebrachte stemmen tijdens de laatste verkiezing moet worden vastgesteld in het geval twee of meer politieke groeperingen eerder afzonderlijk aan de verkiezing deelnamen, maar thans met een samenvoeging van aanduidingen aan de desbetreffende verkiezing deelnemen of als één groepering met een nieuwe aanduiding. In die gevallen waarbij aan ten minste één van de betrokken groeperingen ten minste één zetel is toegekend, worden voor de nummering van de lijsten de uitgebrachte aantallen stemmen van de groeperingen bij elkaar opgeteld. In het geval twee of meer groeperingen als één groepering onder een nieuwe naam samen aan de verkiezingen deelnemen en bij de laatstgehouden verkiezingen van de leden van het desbetreffende orgaan reeds onder een samengevoegde aanduiding met een gezamenlijke lijst deelnamen en daaraan een of meer zetels zijn toegekend, wordt het wenselijk geacht expliciet te regelen dat de stemmen die tijdens de laatstgehouden verkiezing op de kandidatenlijst van de samengevoegde partijen zijn uitgebracht, worden aangemerkt als stemmen waarmee de nummering van de kandidatenlijst van die nieuwe groepering wordt bepaald.

BB (Art. I 15 Kieswet)

Ingevolge artikel I 17 van de Kieswet maakt het centraal stembureau, nadat onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de ingeleverde kandidatenlijsten, de lijsten zo spoedig mogelijk openbaar. Artikel I 15 van de Kieswet bepaalt dat, nadat de nummering van de lijsten heeft plaatsgevonden, ook deze nummering openbaar moet worden gemaakt. De Kiesraad heeft erop gewezen dat, nu het besluit over de geldigheid van de kandidatenlijsten en de nummering van de geldige lijsten in dezelfde openbare zitting wordt genomen, kan worden volstaan met de publicatie als bedoeld in artikel I 17 van de Kieswet.81 De regering is het daarmee eens en stelt daarom voor het tweede en derde lid van artikel I 15 van de Kieswet te laten vervallen.

CC onderdeel 2 (Art. I 18 lid 2 Kieswet)

Vier dagen na de dag van de kandidaatstelling beslist het centraal stembureau in een openbare zitting onder andere over de geldigheid van de ingediende kandidatenlijsten en het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten. Artikel I 18, tweede lid, van de Kieswet bepaalt dat bij deze zitting aanwezige kiezers mondeling een bezwaar kunnen inbrengen. Dit wetsvoorstel regelt dat deze bevoegdheid niet langer voorbehouden blijft aan hen die kiesgerechtigd zijn, maar aan eenieder toekomt. Dit bevordert de transparantie en controleerbaarheid van het verkiezingsproces. Bovendien is het voor het centraal stembureau in de praktijk veelal niet mogelijk om te weten of degene die een bezwaar indient, kiesgerechtigd is voor de verkiezing. Daarnaast wordt geregeld dat het centraal stembureau de door kiezers ingebrachte bezwaren niet alleen in het proces-verbaal opneemt, maar eveneens inzichtelijk maakt hoe daarmee is omgegaan.

EE, GG en HH (Artt. J 4a, J 16 en J 35 Kieswet)

In de Kieswet staat thans dat «kiezers» in het stemlokaal aanwezig mogen zijn en mondeling bezwaren kunnen indienen over de stemming of stemopneming. Op grond daarvan zou twijfel kunnen rijzen over de vraag of andere personen dit ook mogen. Ter bevordering van de transparantie en de controleerbaarheid van de uitvoering van de taken door het stembureau wordt geregeld dat niet alleen kiezers, maar in beginsel eenieder in het stemlokaal aanwezig mag zijn en eventuele bezwaren kan laten opnemen in het proces-verbaal van het stembureau. Ook wordt in artikel J 16 verduidelijkt dat de tafel waarachter de leden van het stembureau zitten, zodanig moet zijn geplaatst dat de verrichtingen van de stembureauleden voor eenieder te zien zijn. Niet alleen voor de kiezers die in de rij staan om hun stem uit te brengen, maar ook voor hen die in het stemlokaal verblijven om de stemming gade te slaan. Ook dit draagt bij aan de transparantie en controleerbaarheid van het verkiezingsproces. Voorts wordt geregeld dat het stembureau eventuele bezwaren van personen die in het stemlokaal aanwezig zijn niet alleen in het proces-verbaal opneemt, maar eveneens inzichtelijk maakt hoe daarmee is omgegaan. In de praktijk wordt ervan uitgegaan dat bij het stembureau ook op andere gronden dan dat de stemming niet overeenkomstig de wet geschiedt een bezwaar ingediend kan worden. Bijvoorbeeld als het stembureau moeilijk vindbaar is. Artikel J 35, tweede lid, van de Kieswet wordt hiermee in overeenstemming gebracht.

FF (Art. J 12 Kieswet)

Bij de stemming in het stemlokaal dienen altijd minimaal drie stembureauleden aanwezig te zijn. Bij ontstentenis van een stembureaulid, wordt diens plaats ingenomen door een plaatsvervangend stembureaulid. Als er geen plaatsvervangend stembureaulid aanwezig is, bepaalt de Kieswet dat de voorzitter van het stembureau een van de in het stemlokaal aanwezige kiezers, die hij daartoe geschikt acht, verzoekt tijdelijk als zodanig op te treden; totdat er een plaatsvervangend stembureaulid aanwezig is. Het betreft een noodmaatregel om te waarborgen dat de stemming doorgang kan blijven vinden. Geregeld wordt dat de voorzitter eenieder die in het stemlokaal aanwezig is en die hij daartoe geschikt acht, een dergelijk verzoek kan doen.

II en PP (Art. K 3 en M 3 Kieswet)

In deze onderdelen wordt geregeld dat een kiesgerechtigde die een aanvraag indient voor een kiezerspas of een briefstembewijs, daarbij een kopie overlegt van zijn identiteitsbewijs. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.6 van het algemene deel van deze toelichting.

JJ en LL (Artt. K 4 en L 8 Kieswet)

Deze onderdelen regelen dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdig aan de gemeenten de informatie verschaft die nodig is voor het produceren van het de kiezerspas en het volmachtbewijs. Daarmee wordt een bestaande praktijk gecodificeerd. Tevens sluit dit aan bij het huidige artikel J 7 en het nieuwe artikel M 6, vierde lid, van de Kieswet, waarin eenzelfde verplichting is opgenomen ten aanzien informatie die nodig is voor het produceren van respectievelijk de stempas en het briefstembewijs.

KK en MM (Artt. K 11 en L 17 Kieswet)

De Kiesraad heeft opgemerkt dat in het huidige artikel K 11, tweede lid, van de Kieswet ten onrechte artikel J 25, vijfde lid, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.82 De kiezerspas behoort immers niet te worden getoetst aan het register van ongeldige stempassen. De regering is het hiermee eens en stelt daarom voor deze toepassing te schrappen. Om dezelfde reden stelt de regering voor om ook artikel L 17, derde lid, van de Kieswet te wijzigen.

OO (Art. M 2 Kieswet)

Zoals in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting is beschreven, wordt met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om een vervangend briefstembewijs aan te vragen in de Kieswet geïntroduceerd. Het eerste lid van artikel M 2, waarin stond dat degene aan wie een briefstembewijs is verzonden geen nieuw briefstembewijs kan ontvangen, komt daarom te vervallen.

RR (Art. M 5 Kieswet)

Voor de juridische vormgeving van de introductie van het vervangend briefstembewijs in de Kieswet is aansluiting gezocht bij de regeling voor het vervangend briefstembewijs zoals die in het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming is neergelegd. Die regeling bevat veel parallellen met de regeling voor het aanvragen van een vervangende stempas (art. J 7a Kieswet). Ook bij die regeling is, waar mogelijk, aansluiting gezocht.

De eerste twee leden van artikel M 5 komen inhoudelijk overeen met artikel 8, eerste en tweede lid, van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming. Het eerste lid bepaalt dat er een register van briefstembewijzen is. Dit register bevat zowel de nummers van de briefstembewijzen en vervangend briefstembewijzen die geldig zijn en gebruikt kunnen worden om aan de stemming deel te nemen, alsook de nummers van de briefstembewijzen die ongeldig zijn.

In het tweede lid is geregeld wanneer een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs ongeldig is. Een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs is ongeldig als daarvoor een vervangend briefstembewijs is verstrekt, als deze van iemand is die niet als kiesgerechtigd behoort te zijn geregistreerd dan wel is overleden of als het is ontvreemd of anderszins onrechtmatig in omloop is. In dit verband wijst de regering erop dat bij de Nederlandse verkiezing van de leden van het Europees Parlement dus ook het briefstembewijs ongeldig is van de kiezer van wie blijkt dat hij zijn stem toch zal uitbrengen in een andere lidstaat van de Europese Unie (art. Y 6 lid 1 Kieswet).

In het derde lid is geregeld dat de burgemeester van ’s-Gravenhage uiterlijk op de achtste dag voor de dag van de stemming voor elk van de briefstembureaus twee uittreksels uit het register van briefstembewijzen vaststelt en aan hen verstrekt. Dat dit uiterlijk op de achtste dag voor de dag van de stemming moet gebeuren, houdt verband met het bepaalde in het nieuwe artikel N 16, eerste lid, van de Kieswet. Daarin wordt het mogelijk gemaakt dat het briefstembureau in ’s-Gravenhage vanaf zeven dagen voor de dag van de stemming begint met de zogenoemde vooropening van de retourenveloppen. Bij deze vooropening wordt onder meer vastgesteld of het briefstembewijs of vervangend briefstembewijs geldig is. Om dit vast te kunnen stellen moeten de briefstembureaus de beschikking hebben over de uittreksels uit het register briefstembewijzen.

Elk briefstembureau ontvangt twee uittreksels. Eén uittreksel bevat alleen de nummers van de geldige briefstembewijzen en vervangend briefstembewijzen die het betreffende briefstembureau vermoedelijk zal ontvangen. Dit vermoeden kan de burgemeester baseren op de wetenschap dat hij de kiezers aan wie een briefstembewijs met een van deze nummers is verstrekt ook (eerder) een retourenveloppe heeft verstrekt waarop het adres van dit briefstembureau was voorgedrukt. Anders gezegd: de burgemeester van ’s-Gravenhage mag ervan uitgaan dat een kiezer de aan hem ter beschikking gestelde voorgeadresseerde retourenveloppe zal gebruiken om het briefstembewijs in te versturen naar het briefstembureau. Als het nummer van een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs niet voorkomt in het uittreksel van geldige briefstembewijzen, dan kunnen zich twee situaties voordoen. Allereerst kan het briefstembewijs ongeldig zijn. Om dit vast te kunnen stellen, ontvangen alle briefstembureaus een tweede uittreksel: het uittreksel van ongeldige briefstembewijzen. De tweede situatie die zich voor kan doen, is dat een kiezer de hem ter beschikking gestelde retourenveloppe niet heeft gebruikt en het briefstembewijs of vervangend briefstembewijs naar een ander briefstembureau heeft verzonden. Zie hierover de toelichting bij het nieuwe artikel N 18 van de Kieswet.

In navolging van het huidige artikel J 7a, vierde, van de Kieswet is in het vierde lid voorgeschreven dat de burgemeester van ’s-Gravenhage het register briefstembewijzen bewaart tot drie maanden nadat over de toelating van de gekozenen is beslist. Daarmee is een regeling getroffen voor de vernietiging van het register briefstembewijzen, bedoeld in het eerste lid. Hiermee wordt een nadere en gespecificeerde uitwerking gegeven aan het beginsel dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens verwerkt worden.

Tot slot zijn in het vijfde lid de artikelen 16 en 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) niet van toepassing verklaard op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van het register briefstembewijzen of een uittreksel daarvan. Artikel 16 (recht op rectificatie) en artikel 18 (Recht op beperking van de verwerking) zijn uitgesloten vanwege een belangrijke doelstelling van algemeen belang (art. 23 onder e AVG). Het belang van het register en het uittreksel is erin gelegen dat gecontroleerd kan worden of personen mogen worden toegelaten tot de stemming. Hiertoe vergelijkt het briefstembureau de gegevens zoals opgenomen op het briefstembewijs of vervangend briefstembewijs met de gegevens uit de uittreksels. De persoonsgegevens die gebruikt zijn voor het drukken van debriefstembewijzen en de gegevens in het register en uittreksel zijn gelijk aan elkaar. Een rectificatie in het register zou de controle bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Om die reden wordt het recht op rectificatie uitgesloten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dergelijke verzoeken overigens onwaarschijnlijk zijn. Uitoefening van het recht op beperking van de verwerking, bedoeld in artikel 18 van de verordening, zou er daarnaast toe kunnen leiden dat de persoonsgegevens van een betrokkene gedurende een periode niet verwerkt mogen worden in het register en uittreksel. Ook dit staat de voornoemde controle tijdens het openen van de retourenveloppen in de weg.

SS (Art. M 6 Kieswet)

In het tweede lid wordt een redactionele misslag hersteld. Het ingevoegde derde lid komt overeen met de eerste zin van artikel 7 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming. Ieder briefstembewijs krijgt een eigen nummer. Als een briefstembewijs ten onrechte in omloop is gebracht, kan dat briefstembewijs – indien daarmee toch wordt gepoogd een stem uit te brengen – op basis van het nummer worden herkend en ter zijde worden geschoven.

Het bestaande derde lid wordt vernummerd tot vierde lid. In dit lid is bepaald dat bij ministeriële regeling een model voor het briefstembewijs wordt vastgesteld, hetgeen tevens de grondslag biedt om het briefstembewijs van echtheidskenmerken te voorzien. Met dit wetsvoorstel wordt hier de tweede zin uit artikel 7 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming aan toegevoegd. Anders dan de informatie die nodig is voor het produceren van de stempas, die aan alle gemeenten wordt verstrekt, wordt de informatie die nodig is voor het produceren van het briefstembewijs alleen aan de burgemeester van ’s-Gravenhage verstrekt, omdat de burgemeester van ’s-Gravenhage de enige instantie is die briefstembewijzen aan kiesgerechtigden verstrekt.

TT (Art. M 6a Kieswet)

Het nieuwe artikel M 6a van de Kieswet bevat een procedure voor het aanvragen van een nieuw briefstembewijs. De bepaling is gebaseerd op het huidige artikel 10 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming.

De burgemeester van ’s-Gravenhage is bevoegd tot het uitgegeven van een vervangend briefstembewijs. Als aan een kiezer een vervangend briefstembewijs wordt verstrekt, wordt in het register van briefstembewijzen bij het nummer van het briefstembewijs dat oorspronkelijk naar de kiezer is verzonden genoteerd dat dit briefstembewijs ongeldig is. Kiezers kunnen hun aanvraag rechtstreeks indienen bij de burgemeester van ’s-Gravenhage. Kiezer die woonachtig zijn in Aruba, Curaçao of Sint Maarten kunnen een aanvraag ook indienen bij de vertegenwoordiging van Nederland in hun land.

Bij het schriftelijk verzoek overlegt de kiezer een kopie van een identiteitsdocument, zodat kan worden verondersteld dat de kiezer zelf het verzoek doet. Overigens hebben zij ook de mogelijkheid zich te identificeren met een kopie van het bewijs van het Nederlanderschap (met dit document kunnen zij zich ook als kiezer laten registreren). Dit is wenselijk, omdat kiezers in het buitenland niet altijd een geldig identiteitsdocument hebben. Verder is identificatie mogelijk – net als kiezers in het stemlokaal – aan de hand van een kopie van het proces-verbaal dat van een vermissing van het document op ambtseed is opgemaakt door een opsporingsambtenaar van de Nederlandse politie in het Europese deel van Nederland of in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, onderscheidenlijk de politie van Aruba, van Curaçao of van Sint Maarten, in combinatie met een kopie van een document van de kiesgerechtigde op diens naam en voorzien van zijn foto.

Voor het indienen van een verzoek tot het verstrekken van een vervangend briefstembewijs wordt een formulier gebruikt, waarvoor bij ministeriële regeling een model wordt vastgesteld. De kiezer kan op dit formulier aangeven of hij zijn vervangend briefstembewijs per post of per e-mail wil ontvangen. Dit geldt echter niet voor kiezers die hun werkelijke woonplaats in Aruba, Curaçao of Sint Maarten hebben. Zij krijgen hun vervangend briefstembewijs per post toegestuurd of in persoon uitgereikt. Zie paragraaf 3.3 in het algemene deel van de toelichting.

UU (Art. M 7 Kieswet)

Artikel M 7 geeft de wijze weer waarop een kiezer vanuit het buitenland zijn stem kan uitbrengen. De voorgestelde wijzigingen zien gedeeltelijk op een verduidelijking van de bestaande regeling. Zo wordt met de wijziging in het zesde lid uitdrukkelijk opgenomen dat een kiezer zijn retourenveloppe, met daarin onder andere zijn briefstembewijs (of vervangend briefstembewijs) en stembiljet, zowel per post als in persoon kan doen toekomen aan de burgemeester van ‘s-Gravenhage. De voorschriften omtrent de frankering van de retourenveloppe en de wijze waarop dient te worden omgegaan met persoonlijk afgegeven briefstembewijzen zijn gelijk gebleven.

Het voorgestelde zevende lid ziet op de mogelijkheid voor kiezers om de retourenveloppe per post of in persoon te doen toekomen aan het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland. Het voorschrift dat het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging er zorg voor draagt dat een retourenveloppe na ontvangst wordt doorgezonden naar de burgemeester van ’s-Gravenhage blijft behouden, met dien verstande dat ten behoeve van de uniformiteit binnen de Kieswet het begrip «terstond» wordt gewijzigd in «onverwijld».

Een nieuw element betreft de laatste volzin in het voorgestelde zevende lid. Hierin is bepaald dat het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging er zorg voor draagt dat de retourenveloppen die uiterlijk op de dag van de stemming om 10.00 uur lokale tijd in zijn bezit zijn, tijdig door de burgemeester van ’s-Gravenhage worden ontvangen.

VV (Art. M 7a Kieswet)

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die het register van briefstembewijzen, bedoeld in artikel M 5, eerste lid, en de uittreksels uit dit register, bedoeld in artikel M 5, derde lid, bevatten. Een vergelijkbare grondslag is ook te vinden in artikel J 7a, vierde lid, van de Kieswet met betrekking tot het register van ongeldige stempassen en de uittreksels daaruit.

XX (Art. M 8 Kieswet)

In verband met het voorgestelde artikel M 7, zevende lid, van de Kieswet is een verduidelijking aangebracht in artikel M 8, eerste lid. Daarmee wordt duidelijker dat als een kiezer de retourenveloppe per post of in persoon aan de burgemeester van ‘s-Gravenhage doet toekomen, deze retourenveloppe nog steeds uiterlijk op de dag van de stemming om vijftien uur in het bezit van de burgemeester moet zijn. Kiest een kiezer ervoor de retourenveloppe per post of in persoon aan het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland te doen toekomen, dan is niet artikel M 8, maar artikel M 9 van toepassing.

Voor de retourenveloppen die door kiezers rechtstreeks aan de burgemeester van ’s-Gravenhage worden toegezonden, blijft op grond van het nieuwe tweede lid gelden dat de burgemeester deze retourenveloppen uiterlijk om 21.00 uur op de dag van de stemming ongeopend overhandigt aan de voorzitters van de briefstembureaus in zijn gemeente. In het voorgestelde artikel M 10 van de Kieswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard op briefstembureaus die gevestigd zijn in grensgemeenten en bij de vertegenwoordigingen van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, met dien verstande dat in die gevallen de burgemeester van de aangewezen gemeente respectievelijk het hoofd van de Nederlandse vertegenwoordiging verantwoordelijk is voor het overdragen van de retourenveloppen aan de briefstembureaus.

In het derde lid wordt een redactionele misslag hersteld en wordt toegevoegd dat de in die bepaling bedoelde pakken worden voorzien van een beschrijving van de inhoud. Dit stelt betrokkenen in staat om te weten welke soort(en) verkiezingsbescheiden in welk pakket zijn terug te vinden.

YY (Art. M 9 Kieswet)

In het eerste lid is voorgeschreven dat retourenveloppen die door tussenkomst van het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan de burgemeester van ’s-Gravenhage zijn toegezonden, uiterlijk op de vijfde dag na de dag van stemming om 17.00 uur Nederlandse tijd in het bezit van de burgemeester moeten zijn om betrokken te kunnen worden bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag. De introductie van dit voorschrift houdt verband met de afschaffing van de briefstembureaus buiten het Koninkrijk der Nederlanden en wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1 van het algemene deel van deze memorie van toelichting.

In het tweede lid is geregeld dat de voornoemde retourenveloppen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op de vijfde dag na de dag van de stemming, door de burgemeester overhandigd worden aan de voorzitter van het briefstembureau. Dit houdt verband met het eerste lid. Om de retourenveloppen die de burgemeester uiterlijk op vijfde dag na de dag van de stemming om 17.00 uur langs deze weg bereiken, nog te kunnen betrekken bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag, is het nodig dat deze retourenveloppen zo spoedig mogelijk bij het briefstembureau terecht komen, opdat zij de retourenveloppen tijdig kunnen verwerken.

ZZ (Artt. M 10, M 11, M 13, M 16 en M 17 Kieswet)

Dit wijzigingsonderdeel regelt dat de artikelen M 10, M 11, M 13, M 16 en M 17 komen te vervallen. De inhoud van een aantal onderdelen uit deze artikelen wordt verplaatst. Dit betreffen onderdelen die zien op de instelling van briefstembureaus alsmede de voorschriften die zien op het openen en verwerken van de retourenveloppen. Dit wordt hierna nader toegelicht. Een aantal onderdelen komt daarnaast in het geheel te vervallen. Dit betreffen de onderdelen uit de artikelen M 13, M 16 en M 17 die zien op de instelling van briefstembureaus bij diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van Nederland en bij militaire missies buiten het Koninkrijk der Nederlanden. Met dit wetsvoorstel komt de mogelijkheid tot het instellen van briefstembureaus op deze locaties te vervallen. Voor een nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemene deel van deze toelichting.

De onderdelen die verplaatst worden betreffen ten eerste de bepalingen die zien op de instelling van briefstembureaus. Dit betreffen het huidige artikel M 9, eerste lid, eerste volzin, en M 13, derde, vijfde en zesde lid. De inhoud van deze bepalingen wordt verplaatst naar het nieuwe artikel E 5. Dit houdt verband met het doel van dit wetsvoorstel om het briefstembureau een eigen positie te geven in de Kieswet en de systematiek van de Kieswet die ertoe strekt dat de instelling van de diverse stembureaus in het verkiezingsproces geregeld wordt in hoofdstuk E. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het voorgestelde artikel E 5.

Daarnaast wordt de inhoud van de bepalingen die zien op het openen van de retourenveloppen, het controleren van de bescheiden die zich daarin bevinden en het moment waarop met deze handelingen kan worden aangevangen, verplaatst naar paragraaf 2 van hoofdstuk N. Dit betreffen de huidige artikelen M 9, tweede tot en met vijfde lid, M 10 en M 11. Met deze wijziging wordt geregeld dat alle handelingen die verricht worden door briefstembureaus (het openen van de retourenveloppen, de stemopneming van de stembiljetten en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten hiervan) voortaan zijn opgenomen in één paragraaf. Dit heeft tot doel de overzichtelijkheid van het proces, in het bijzonder de volgorde van de te verrichten handelingen, te bevorderen. Tot slot worden ook de bepalingen die zien op de toepasselijkheid van artikelen uit hoofdstuk J op het briefstembureau, omwille van de overzichtelijkheid van het proces, verplaatst naar hoofdstuk N.

AAA (Hoofdstuk M, paragraaf 3, Kieswet)

Paragraaf 3 wordt opnieuw vastgesteld. Het opschrift van de paragraaf wordt zodanig gewijzigd dat duidelijk is dat deze paragraaf alleen van toepassing is op briefstembureaus in grensgemeenten en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Dit is van belang omdat het huidige opschrift («Overige briefstembureaus») tot de conclusie zou kunnen leiden dat de betreffende bepalingen ook van toepassing zijn op het nationaal briefstembureau.

Het nieuwe artikel M 10 regelt welke bepalingen uit hoofdstuk M over briefstembureaus in de gemeente ’s-Gravenhage van overeenkomstige toepassing zijn op briefstembureaus in grensgemeenten en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel M 16, eerste lid, onderdelen a en c, van de Kieswet, met dien verstande dat een deel van de bepalingen die daarin van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, met dit wetsvoorstel verplaatst zijn naar hoofdstuk N. Voor een nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de toelichting bij wijzigingsonderdeel II.

BBB (Opschriften hoofdstuk N en hoofdstuk N, paragraaf 1, Kieswet)

Het opschrift van hoofdstuk N wordt gewijzigd van «De stemopneming door het stembureau» in «De stemopneming». Het opschrift blijft daarmee een indicatie geven van het onderwerp waaromtrent het hoofdstuk regels bevat, zonder echter nog langer aan te geven welk orgaan met dit onderwerp is belast. Het opschrift komt daarmee meer in lijn met de opschriften van andere hoofdstukken in de Kieswet, zoals de hoofdstukken G, I en J. Bovendien bevat dit wetsvoorstel een aantal technische wijzigingen teneinde het briefstembureau een meer zelfstandige positie te geven in de Kieswet. Zo wordt met dit wetsvoorstel zoveel als mogelijk geregeld dat daar waar gedoeld wordt op een briefstembureau, uitdrukkelijk gebruik gemaakt wordt van het begrip «briefstembureau». Op dit moment wordt in een aantal artikelen nog het begrip «stembureau» gebruikt (zie bijvoorbeeld de huidige artikelen M 8 tot en met M 10 en N 15). Daar waar mogelijk wordt dit aangepast, opdat geen verwarring kan bestaan over de vraag welke artikelen van toepassing zijn op briefstembureaus. Ook om die reden is het wenselijk de toevoeging «door de stembureaus» in het opschrift van hoofdstuk N te laten vervallen.

Ook het opschrift van de eerste paragraaf van hoofdstuk N wordt gewijzigd. Zoals in paragraaf 2.4.1 van het algemene deel van deze toelichting is gemeld, voorziet dit wetsvoorstel in twee manieren om het opnemen van de stemmen te organiseren. De taken en de werkzaamheden die aan de stembureaus en gemeentelijk stembureaus zijn opgedragen, zijn afhankelijk van de wijze waarop het opnemen van de stemmen wordt georganiseerd. Standaard verrichten de stembureaus op de avond van de stemming een integrale stemopneming. Een dag later controleert het gemeentelijk stembureau in een openbare zitting de juistheid van de uitkomsten van de stemming zoals vastgesteld door het stembureau. Ook stelt het gemeentelijk stembureau dan de uitkomsten van de stemming op gemeentelijk niveau vast en maakt het deze bekend. Dit is optie 1. De taken en werkzaamheden die het stembureau hierbij verricht, zijn neergelegd in paragraaf 1 van hoofdstuk N. De taken en werkzaamheden die het gemeentelijk stembureau verricht, zijn neergelegd in paragraaf 1 van hoofdstuk O. Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders ook besluiten dat het opnemen van de stemmen anders georganiseerd wordt, namelijk door middel van centrale stemopneming. Dit is optie 2 in het wetsvoorstel. In dat geval is hoofdstuk N, paragraaf 1, alleen van toepassing op het stembureau voor zover daar in hoofdstuk N, paragraaf 2, niet van is afgeweken. Voor het gemeentelijk stembureau is in hoofdstuk O in een vergelijkbare constructie voorzien.

CCC (Art. N 1 Kieswet)

Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat de voorzitter van het stembureau de aantallen als bedoeld in artikel N 1, eerste lid, niet alleen aan de aanwezige kiezers mededeelt, maar aan alle personen die op dat moment in het stemlokaal aanwezig zijn.

DDD (Art. N 2 Kieswet)

Nadat het stembureau heeft vastgesteld hoeveel kiezers er tot de stemming zijn toegelaten, worden de geldige stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen in een pak gedaan. Ook andere verkiezingsbescheiden die niet (langer) nodig zijn voor de stemopneming, worden door het stembureau in pakken gedaan. Nieuw is dat het stembureau de pakken niet alleen verzegelt en voorziet van de naam van de gemeente en het nummer van het stembureau, maar op elk pak ook een korte beschrijving van de inhoud geeft. Zo kan op het pak met geldige stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen worden genoteerd: »geldige stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen.» De korte beschrijving van de inhoud van een pakket stelt het gemeentelijk stembureau in staat om te weten welke soort(en) verkiezingsbescheiden in welk pakket zijn terug te vinden. De kwantiteit van de inhoud hoeft niet te worden vermeld; die blijkt immers al uit het proces-verbaal dat het stembureau van de stemopneming opmaakt (vgl. art. N 10 Kieswet).

EEE (Art. N 5 Kieswet)

De zinsnede «bij deze werkzaamheden» in het huidige artikel N 5 van de Kieswet wekt de indruk dat degenen die de leden van het stembureau bijstaan alleen mogen helpen bij het uitvouwen van de stembiljetten en het lijstgewijze bijeenvoegen daarvan. Dit is niet het geval. Daarom wordt voorgesteld deze zinsnede te vervangen. Met de woorden «bij hun werkzaamheden» wordt tot uitdrukking gebracht dat de personen die de leden van het stembureau bijstaan, naast het uitvouwen van de stembiljetten en het lijstgewijze bijeenvoegen daarvan, ook andere ondersteunende werkzaamheden mogen verrichten. Bijvoorbeeld het vaststellen van het aantal stemmen dat op een kandidaat is uitgebracht. Ten overvloede merkt de regering daarbij op dat de woorden «doen bijstaan» in deze bepaling een hiërarchische verhouding tot uitdrukking brengen. Het beslissen over de geldigheid van een stem (vgl. art. N 8 Kieswet) blijft aan het stembureau voorbehouden. Het is immers het stembureau dat de verantwoordelijkheid draagt voor het verloop van de zitting, de uitvoering van de werkzaamheden alsmede de beslissingen die daarbij worden genomen.

FFF (Art. N 8 Kieswet)

In het eerste lid van artikel N 8 wordt een omissie hersteld. Het stembureau beslist niet met inachtneming van artikel N 7 van de Kieswet over de geldigheid van het stembiljet, maar over de geldigheid van de daarmee uitgebrachte stem. De ongeldigheid van het stembiljet blijft ingevolge artikel N 7, tweede lid, een reden om een stem ongeldig te verklaren. Daarnaast zijn er evenwel ook andere situaties waarin een stem ongeldig is. Bijvoorbeeld als het op het stembiljet bijvoegingen zijn geplaatst waardoor de kiezer kan worden geïdentificeerd.

Het tweede en derde lid worden gewijzigd om te verduidelijken dat niet alleen kiezers maar eenieder in het stemlokaal mag vertoeven gedurende de periode dat het stembureau daar zitting houdt. Niet alleen tijdens de stemming, maar ook tijdens de stemopneming. Dit bevordert de transparantie en de controleerbaarheid van de uitvoering van de taken door het stembureau. Voorts is van de gelegenheid gebruikgemaakt om in het tweede lid tot uitdrukking te brengen dat de beslissing van het stembureau over de geldigheid van een stem geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom maakt het stembureau zijn beslissing niet bekend, maar doet het mededeling daarvan aan de aanwezige personen.

GGG en HHH (Art. N 8a en N 9 Kieswet)

Het vigerende artikel N 9 van de Kieswet stelt regels over de afronding van de zitting van het stembureau. Daarbij staat het eerste lid enigszins los van de andere drie leden. Het eerste lid ziet op de afronding van de inhoudelijke werkzaamheden ten behoeve van de stemopneming, waaronder de in kennisstelling van de aanwezige personen van de resultaten van de stemopneming. De andere leden zien op de handelingen die het stembureau moet verrichten als de stemopneming is afgerond, te weten het inpakken van de stembiljetten. Om op andere plaatsen in de Kieswet eenvoudiger te kunnen verwijzen naar de wijze waarop het stembureau de stembiljetten gereedmaakt voor transport en opslag, is er in dit wetsvoorstel voor gekozen artikel N 9 opnieuw vast te stellen en inhoudelijk tot dit onderwerp te beperken. Het voorschrift dat het stembureau op het pak schrijft hoeveel stembiljetten het bevat, is vervallen. Deze aantallen blijken reeds uit het proces-verbaal van het stembureau. Ook hoeft een stembureau niet meer op elk pak de nummers te vermelden van de lijsten waarop de ingesloten biljetten betrekking hebben; dit in navolging van artikel 23 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming. De verplichting om de blanco en ongeldige stemmen elk in afzonderlijke pakken te doen blijft in artikel N 9 gehandhaafd, opdat bij een nieuwe stemopneming inzichtelijk is welke stembiljetten het stembureau als blanco heeft aangemerkt en welke als ongeldig.

Ter vervanging van het vigerende artikel N 9, eerste lid, zijn aan artikel N 8a een twee en derde lid toegevoegd. In het tweede lid is geregeld dat de voorzitter van het stembureau, terstond nadat de stemmen zijn opgenomen, de in het stemlokaal aanwezige personen in kennis stelt van de uitkomsten van de stemopneming. Zowel van de aantallen bedoeld in artikel N 6, als van de aantallen bedoeld in artikel N 8a, eerste lid. In het derde lid is geregeld dat de in het stemlokaal aanwezige personen mondeling bezwaren kunnen inbrengen. Deze bezwaren worden door het stembureau in zijn proces-verbaal vermeld en voorzien van een reactie.

De procedure die het stembureau moet volgen om de stembiljetten gereed te maken voor transport en opslag is in het voorgestelde artikel N 9 opnieuw uitgeschreven. Inhoudelijk is zij ongewijzigd gebleven. De procedure is als volgt. Nadat de stemmen zijn opgenomen, stopt het stembureau de stembiljetten waarmee een ongeldige stem is uitgebracht in een pak. Daarna worden de stembiljetten waarmee een ongeldige stem is uitgebracht in een pak gedaan. Tot slot worden de stembiljetten waarmee een geldige stem op een kandidaat is uitgebracht, lijstgewijs gerangschikt, in een of meer pakken gedaan. Op ieder pak wordt de naam van de gemeente en het nummer van het stembureau vermeld. Op die manier blijft inzichtelijk welke pakken bij welk stembureau horen. Verduidelijkt is de verplichting om op de pakken ook een beschrijving van de inhoud te noteren. Op die manier kan het gemeentelijk stembureau of de burgemeester, zonder de verzegelde pakken te openen, weten welke stembescheiden in welk pakken zijn opgeborgen. In het derde lid is, in navolging van het huidige artikel N 9, vierde lid, onder b, daarbij aangevuld dat als de stembiljetten waarmee een geldige stem op een kandidaat is uitgebracht niet allemaal in één pak gedaan zijn, de nummers van de lijsten waarop de ingesloten biljetten betrekking hebben op het pak vermeld moeten worden. Tot slot noteert het stembureau op ieder pak hoeveel stembescheiden dit pak bevat.

III (Art. N 10 Kieswet)

Nadat het stembureau al zijn werkzaamheden heeft beëindigd, maakt het onmiddellijk proces-verbaal op van zijn zitting. De zitting omvat zowel de stemming (hoofdstuk J) als de stemopneming (hoofdstuk N). Onder de werkzaamheden van het stembureau valt ook het in pakken doen van de stembescheiden. Daarvoor hoeft niet expliciet naar artikel N 9 te worden verwezen. Die bijzin komt derhalve te vervallen, hetgeen de leesbaarheid van de wettekst bevordert. De laatste zin van het eerste lid kan eveneens komen te vervallen. Dat de door de aanwezige personen ingebrachte bezwaren in het proces-verbaal van het stembureau moeten worden vermeld, is voorgeschreven in het nieuwe artikel N 8, derde lid.

JJJ (Artt. N 11 en N 12 Kieswet)

De taak van de burgemeester met betrekking tot het totaliseren van de stemaantallen van de stembureaus in zijn gemeente komt te vervallen. Zoals in paragraaf 2.4.2.6 van het algemene deel van deze toelichting is beschreven, wordt deze taak in de nieuwe procedure voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen belegd bij het gemeentelijk stembureau. Ook de extra taak van de burgemeester van ’s-Gravenhage met betrekking tot het totaliseren van de stemaantallen van de briefstembureaus komt te vervallen. Die taak wordt overgenomen door het nationaal briefstembureau. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2 van het algemene deel van deze toelichting.

In het eerste lid van het nieuwe artikel N 11 is geregeld dat het stembureau, alvorens alle verzegelde pakken met verkiezingsbescheiden in de transportbox te deponeren, zich ervan vergewist dat deze leeg is. Daarmee is, in navolging van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling centrale stemopneming, aansluiting gezocht bij artikel J 18, tweede lid, van de Kieswet, dat een vergelijkbaar voorschrift bevat ten aanzien van de stembus bij de aanvang van de stemming. Als niet alle verzegelde pakken met verkiezingsbescheiden in één transportbox passen, kan het stembureau ook meer dan één transportbox gebruiken. Het is daarentegen niet mogelijk dat meerdere stembureaus van dezelfde transportbox gebruikmaken. Ieder stembureau moet per verkiezing ten minste één transportbox hebben, opdat het vervoer, de opslag, en de centrale stemopneming op een ordelijke wijze plaatsvindt.

Nadat de transportbox is gevuld, wordt deze voorzien van de naam van de gemeente, een aanduiding van de verkiezing en het nummer van het stembureau. Op die manier blijft tijdens het transport, de opslag, en de zitting van het gemeentelijk stembureau inzichtelijk welke transportbox bij welk stembureau hoort. Op de transportbox wordt ook een aanduiding van de verkiezing vermeld. Dat is niet alleen noodzakelijk als er gelijktijdig twee of meer stemmingen plaatsvinden, zoals bij gecombineerde provinciale staten- en waterschapsverkiezingen, maar ook in andere gevallen. De stembescheiden worden immers tot drie maanden nadat over de toelating van de gekozenen is beslist bewaard en het is mogelijk dat er voor die tijd een nieuwe stemming plaatsvindt. Bijvoorbeeld als de Tweede Kamer is ontbonden en er dientengevolge een tussentijdse verkiezing van de leden van die Kamer moet plaatsvinden (art. 64 lid 2 Gw).

Direct daarna wordt de transportbox op slot gedaan en verzegeld, zoals ook in het vigerende artikel 24, tweede lid, van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming is voorgeschreven.

Het tweede lid van het nieuwe artikel N 11 komt inhoudelijk overeen met artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke experimentenregeling centrale stemopneming. Nadat het stembureau de transportbox op slot heeft gedaan, doet het de sleutel en het proces-verbaal van de zitting samen in een enveloppe, en verzegelt die. Op de enveloppe wordt de naam van de gemeente, het nummer van het stembureau en een aanduiding van de verkiezing vermeld. Op die manier blijft voor de burgemeester en het gemeentelijk stembureau inzichtelijk welke enveloppe bij welke transportbox hoort.

Artikel N 11, derde lid, van de Kieswet is vergelijkbaar met artikel 24, derde lid, van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming. Daarbij is verduidelijkt op welk moment de verantwoordelijkheid voor de ongeschondenheid van de verzegelde enveloppe met daarin het proces-verbaal en de sleutel van de transportbox overgaat van het stembureau op de burgemeester, namelijk op het moment dat de overdracht daadwerkelijk plaatsvindt. Voor de overdracht van de transportbox en de verzegelde enveloppe door de burgemeester aan het gemeentelijk stembureau is in artikel O 7 eenzelfde regeling getroffen.

In de Kieswet is niet vastgelegd waar de overdracht plaatsvindt. Het stembureau kan, zoals in het vigerende artikel N 11, eerste lid, van de Kieswet is bepaald, het proces-verbaal naar het gemeentehuis brengen, maar de burgemeester kan er ook voor kiezen dat de enveloppe met de sleutel van de transportbox en het proces-verbaal in het stemlokaal wordt opgehaald. Hetzelfde geldt voor de transportbox. Het wordt aan de burgemeester overgelaten om hierin, rekening houdend met de lokale situatie, een keuze te maken. Overigens gelden voor het vervoer en de opslag van de transportbox wel de aanvullende maatregelen die krachtens artikel N 12 Kieswet zullen worden gesteld in het Kiesbesluit. Daarenboven kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften over de transportbox worden gegeven. Uit de Kieswet zelf volgt reeds dat een transportbox voldoende stevig moet zijn, op slot gedaan moet kunnen worden en moet kunnen worden verzegeld. Daarmee wordt de burgemeester bewust ruimte gelaten om naast de stembus, andere bewaarmiddelen als transportbox te gebruiken, zoals een koffer of kist. Het voordeel van het gebruik van dergelijke transportboxen is dat de burgemeester het vervoer van de stembescheiden logistiek eenvoudiger en efficiënter kan organiseren.

In navolging van artikel 46 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming is in het nieuwe artikel N 12 van de Kieswet in een grondslag voorzien om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over het vervoer, de opslag en de overdracht van de pakken met stembescheiden en de enveloppen met de processen-verbaal. Deze waarborgen zullen vergelijkbaar zijn met de waarborgen die thans in artikel 3, derde lid, van de Tijdelijke experimentenregeling centrale stemopneming zijn opgenomen. Zie ook paragraaf 2.4.2.4 van het algemene deel van deze toelichting.

KKK en LLL (Art. N 13 en hoofdstuk N, paragraaf 2, Kieswet)

Artikel N 13

In het eerste lid is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders ook kan besluiten dat het opnemen van de stemmen plaatsvindt door middel van centrale stemopneming. Dit is optie 2 in het wetsvoorstel. Zie paragraaf 2.4.1. Op stembureaus binnen gemeenten waar centrale stemopneming plaatsvindt zijn de bepalingen van hoofdstuk N, paragraaf 1, van toepassing voor zover daar niet in paragraaf 2 van dat hoofdstuk van is afgeweken. Het besluit wordt genomen voor «een verkiezing». Dit biedt het college de mogelijkheid om bij gecombineerde stemmingen – bijvoorbeeld bij gecombineerde provinciale staten- en waterschapsverkiezingen – de stemopneming voor één verkiezing volgens optie 1 te organiseren en voor de andere verkiezing volgens optie 2. Als het college van burgemeester en wethouders besluit dat de stemmen centraal worden opgenomen, wordt dit besluit uiterlijk op de dag van de kandidaatstelling voor de verkiezing bekendgemaakt. De bekendmaking geschiedt overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel N 14

Heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat bij een verkiezing de stemopneming centraal plaatsvindt, dan verrichten de stembureaus in de betreffende gemeente voor die verkiezing geen telling meer op kandidaatsniveau. In plaats daarvan wordt op de dag van de stemming alleen een eerste telling op lijstniveau verricht (de basistelling). Daartoe stelt het stembureau voor iedere lijst het gezamenlijke aantal op de kandidaten uitgebrachte stemmen vast. Uit artikel N 13, derde lid, volgt dat de andere leden van artikel N 6 van de Kieswet nog wel van toepassing zijn. Nadat het stembureau de stemcijfers van de verschillende lijsten heeft vastgesteld, stelt het dientengevolge ook het aantal blanco en ongeldige stemmen vast.

MMM (Hoofdstuk N, paragraaf 3, Kieswet)

Uit de huidige systematiek van hoofdstuk N volgt dat de bepalingen uit paragraaf 1 van hoofdstuk N van toepassing zijn op briefstembureaus, tenzij in paragraaf 2 anders is aangegeven. Paragraaf 2 bevat de zogenaamde bijzondere bepalingen betreffende de stemopneming door briefstembureaus. Dit betreffen bepalingen die afwijkende dan wel aanvullende regels geven voor briefstembureaus ten opzichte van (reguliere) stembureaus.

Met dit wetsvoorstel worden alle bepalingen die zien op de werkzaamheden van briefstembureaus in één paragraaf opgenomen (met dien verstande dat voor de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten een aparte paragraaf 4 wordt vastgesteld, teneinde de regeling daar waar nodig toe te spitsen op de afwijkende omstandigheden van die briefstembureaus). De reden hiervoor is dat de regering van mening is dat de overzichtelijkheid van het verkiezingsproces erbij gebaat is als de bepalingen over de werkzaamheden van het briefstembureau zoveel als mogelijk in één paragraaf worden opgenomen. Op dit moment zijn de voorschriften hieromtrent verspreid over diverse paragrafen in de Kieswet en moeten veel van deze bepalingen in samenhang worden gelezen (zie specifiek de huidige paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk M en de paragrafen 1 en 2 van hoofdstuk N). Teneinde de overzichtelijkheid en toegankelijkheid te vergroten worden deze bepalingen met dit wetsvoorstel in paragraaf 3 van hoofdstuk N opgenomen. Het gaat dan om de werkzaamheden die betrekking hebben op het openen van de retourenveloppen, de stemopneming van de stembiljetten en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten daarvan. Daarnaast is ernaar gestreefd om de volgorde waarin regels worden gegeven betreffende de werkzaamheden van het briefstembureau waar mogelijk overeen te laten komen met de volgorde waarin regels worden gegeven betreffende dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden van het stembureau.

Artikel N 15

Het voorgestelde artikel N 15, eerste lid, regelt dat het briefstembureau twee zittingen houdt: een zitting die strekt tot het verrichten van de handelingen, bedoeld in de artikelen N 18 tot en met N 22, en een zitting die strekt tot de stemopneming en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten hiervan. De handelingen, bedoeld in de artikelen N 18 tot en met N 22, betreffen handelingen die zien op het openen en verwerken van de retourenveloppen. Dit wordt ook wel de vooropening genoemd.

De zittingen van het briefstembureau kunnen, indien de omstandigheden daartoe nopen, gelijktijdig plaatsvinden. Het is van belang dat hier schaars mee wordt omgegaan. Dit zal alleen noodzakelijk zijn in die gevallen dat het aantal ontvangen retourenveloppen dermate groot is dat het gelet op de beschikbare tijd noodzakelijk is om de zittingen gedurende een of meer perioden gelijktijdig te laten plaatsvinden. Voor zover dit niet noodzakelijk is, is het omwille van de transparantie en de overzichtelijkheid van het proces van belang dat de zittingen volgtijdelijk plaatsvinden. De voorzitter kan in die gevallen de ene zitting schorsen ten behoeve van de voortzetting van de andere zitting.

Indien de zittingen gelijktijdig plaatsvinden, is het van belang dat het briefstembureau over voldoende leden beschikt om de zittingen ordelijk te laten verlopen. Het voorgestelde artikel N 15, derde lid, regelt dat in die gevallen waarin de zittingen gelijktijdig plaatsvinden, de handelingen van beide zittingen verricht worden door verschillende leden van het briefstembureau.

Anders dan het huidige artikel M 7 van het Kiesbesluit regelt, wordt niet langer gesproken van extra zittingen van het briefstembureau indien het briefstembureau gebruik maakt van de bevoegdheid om al voor de dag van de stemming zitting te houden. Dit wetsvoorstel regelt simpelweg dat sprake is van één zitting voor het openen van de retourenveloppen en één zitting voor de stemopneming en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten daarvan. Voor zover een zitting niet op één dag wordt afgerond, wordt de zitting aan het eind van de dag geschorst (zie ook het voorgestelde artikel N 17, eerste lid, onderdeel b). Dit zal noodzakelijkerwijs het geval zijn indien de zitting voor de vooropening van de retourenveloppen aanvangt voor de dag van de stemming (zie ook het voorgestelde artikel N 16, eerste lid). Voor het briefstembureaus in ’s-Gravenhage geldt daarnaast dat nog tot en met de vijfde dag na de dag van de stemming retourenveloppen ontvangen kunnen worden. Ook in die gevallen ligt het voor de hand dat zowel de zitting van de vooropening als de zitting van de stemopneming over meerdere dagen verspreid zal zijn. De zitting wordt dan aan het eind van de dag geschorst. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels gesteld worden over de schorsing van een zitting.

Met de voornoemde wijzigingen wordt in de Kieswet een lijn ingezet waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de handelingen die zien op de vooropening en anderzijds de handelingen die verband houden met de stemopneming en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten daarvan. Dit leidt niet tot ingrijpende wijzigingen voor de praktijk. Het doel is hoofdzakelijk om een heldere structuur aan te brengen in de Kieswet ten aanzien van de werkzaamheden de briefstembureaus.

Artikel N 15, tweede lid

In het tweede lid wordt geregeld dat het college van burgemeester en wethouders een geschikte locatie aanwijst ten behoeve van de zitting van het briefstembureau. Deze verplichting vloeit thans voort uit het huidige artikel J 4, eerste lid, met dien verstande dat in dat artikel gesproken wordt van het aanwijzen van een geschikt stemlokaal. Met de voorgestelde wijziging wordt gespecificeerd dat het gaat om het aanwijzen van een geschikte locatie voor de zittingen van het briefstembureau.

Artikel N 15, vierde lid

Het vierde lid regelt welke artikelen uit hoofdstuk J van toepassing zijn op het briefstembureau. Dit betreft een technische wijziging die verband houdt met het uitgangspunt van dit wetsvoorstel om het briefstembureau een meer zelfstandige positie te geven in de Kieswet. In het huidige artikel M 9, eerste en zesde lid, is opgenomen dat de artikelen J 11 en J 16, voor zover dat artikel betrekking heeft op stemhokjes, alsmede artikel J 17, niet van toepassing zijn op briefstembureaus. Dit betreffen artikelen uit de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk J, waarin respectievelijk voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot het stembureau en de inrichting van het stemlokaal. Dit wetsvoorstel regelt dat voortaan uitdrukkelijk bepaald wordt welke artikelen over het stembureau uit hoofdstuk J van overeenkomstige toepassing zijn op briefstembureaus, in plaats van te bepalen welke artikelen niet van toepassing zijn. Op deze manier kan geen onduidelijkheid bestaan over welke artikelen al dan niet van toepassing zijn op briefstembureaus en kan, daar waar nodig, uitdrukkelijk bepaald worden dat een bepaling op een andere manier gelezen dient te worden voor de briefstembureaus.

Artikel N 16

Dit artikel regelt de momenten waarop de zittingen van een briefstembureau kunnen aanvangen. Deze momenten komen op hoofdlijnen overeen met hetgeen de Kieswet ook nu al regelt voor briefstembureaus. Op dit moment zijn de regels hieromtrent echter verspreid over diverse artikelen uit de Kieswet (zie de huidige artikelen J 1, vierde lid, N 16, M 9, tweede lid, M 16 en M 17). Met onderhavig wetsvoorstel worden deze bepalingen zoveel als mogelijk samengevoegd en wordt de regeling op een klein aantal punten aangepast.

In het eerste lid wordt geregeld dat de zitting die strekt tot de vooropening van de retourenveloppen kan aanvangen vanaf zeven dagen voor de dag van de stemming (vergelijk het huidige artikel M 9, tweede lid). Het tweede lid regelt dat de zitting die strekt tot de stemopneming van de stembiljetten op zijn vroegst kan aanvangen om 7.30 uur (vergelijk het huidige artikel N 16a, eerste lid). Een briefstembureau zal de stemopneming logischerwijs alleen op dat tijdstip aanvangen indien de zitting voor de vooropening voor de dag van de stemming is aangevangen. Alleen in die gevallen zullen zich om 7.30 uur immers stembiljetten in de stembus bevinden. Indien een briefstembureau pas op de dag van de stemming aanvangt met de vooropening, zal de stemopneming noodzakelijkerwijs pas op een later tijdstip aanvangen. Het tweede lid regelt daarom specifiek dat de stemopneming aanvangt om 7.30 uur, of zoveel later als het college van burgemeester en wethouders bepaalt.

Ingevolge het derde lid moet het besluit over de locatie van de zitting en de tijdstippen waarop de zittingen aanvangen uiterlijk zeven dagen voor de (eerste) dag van de zitting bekend worden gemaakt. Op dit moment geldt op grond van het Kiesbesluit dat dit besluit uiterlijk veertien dagen voor de eerste zittingsdag bekend wordt gemaakt. Met de nieuwe termijn van zeven dagen wordt aangesloten bij de regeling die geldt voor de gemeentelijk stembureaus. Deze termijn wordt voldoende geacht om belangstellenden in staat te stellen tijdig kennis te nemen van het tijdstip en de locatie. De bekendmaking geschiedt overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel N 17

Het voorgestelde artikel N 17 regelt twee situaties waarin schorsing van de zitting van het briefstembureau in elk geval is aangewezen. Het artikel heeft zowel betrekking op de zitting die ziet op de vooropening als op de zitting die ziet op de stemopneming en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten daarvan.

Het betreft ten eerste de situatie dat zich naar het oordeel van het briefstembureau in of nabij de locatie van het briefstembureau omstandigheden voordoen die de behoorlijke voortgang van de zitting onmogelijk maken (onderdeel a). Op dit moment is een vergelijkbare regeling van toepassing op briefstembureaus ingevolge artikel J 38. Schorsing van de zitting is daarnaast tevens aangewezen indien de zitting niet op één dag kan worden afgerond (onderdeel b). De voorzitter zal de zitting naar verwachting bijvoorbeeld iedere avond schorsen indien de zitting die strekt tot de vooropening is aangevangen voor de dag van de stemming. Deze situatie zal zich tevens voordoen indien het openen van de (resterende) retourenveloppen en de stemopneming van de stembiljetten op de dag van de stemming niet in één dag wordt afgerond. Dat zal noodzakelijkerwijs het geval zijn bij de briefstembureaus waar nog tot en met de vijfde dag na de stemming retourenveloppen binnen kunnen komen.

Artikel N 18

Het eerste lid komt materieel grotendeels overeen met het huidige artikel M 10, eerste lid, van de Kieswet. Het bevat de controle die het briefstembureau uitvoert bij het openen van een retourenveloppe. Niet langer is voorgeschreven dat deze controle door de voorzitter van het briefstembureau wordt uitgevoerd. Gelet op de aantallen retourenveloppen die met name het briefstembureau in 's-Gravenhage moet verwerken, is het in de praktijk noodzakelijk gebleken dat de inhoud van retourenveloppen ook door anderen dan de voorzitter van het briefstembureau kan worden gecontroleerd. In navolging van artikel 11 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming wordt verduidelijkt dat de controle mede ziet op de vraag of het stembewijs echt is. Ook gaat het briefstembureau na of het briefstembewijs dan wel het vervangend briefstembewijs voorkomt in het uittreksel van ongeldige briefstembewijzen. Nieuw is het voorschrift (onder c) dat het briefstembureau controleert of het eerder een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs met eenzelfde nummer heeft ontvangen. Dit voorschrift houdt verband met de introductie van de mogelijkheid voor kiezers om per e-mail een vervangend briefstembewijs te ontvangen. Zij kunnen dat vervangend briefstembewijs meer dan één keer uitprinten. In combinatie met het lopende experiment om kiezers buiten Nederland hun stembiljet per e-mail toe te sturen, zou dat ertoe kunnen leiden dat deze groep kiezers bij een verkiezing meer dan één keer hun stem kan uitbrengen. In de praktijk bestaat dit risico overigens alleen bij vervangende briefstembewijzen, omdat de reguliere briefstembewijzen van echtheidskenmerken zijn voorzien en voor kiezers niet eenvoudig te dupliceren zijn. Het tweede lid is materieel vergelijkbaar met het huidige artikel M 11 van de Kieswet.

Artikel N 19

De introductie van de mogelijkheid om per e-mail een vervangend briefstembewijs te ontvangen, maakt het noodzakelijk dat het briefstembureau bijhoudt welke briefstembewijzen het reeds heeft ontvangen. Een vervangend briefstembewijs dat per e-mail wordt toegestuurd heeft immers geen echtheidskenmerken en kan meerdere keren door een kiezer worden afgedrukt en verstuurd. Daarom is het noodzakelijk dat het briefstembureau steeds nagaat of een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs dat in een retourenveloppe wordt aangetroffen het eerste is op basis waarvan een enveloppe met een stembiljet in de stembus wordt gedeponeerd, of niet. In het laatste geval moet de retourenveloppe ter zijde worden gelegd. Voor reguliere briefstembewijzen is dit risico beperkt, omdat deze voorzien zijn van enige echtheidskenmerken.

Het tweede en derde lid geven een procedure voor het geval het nummer van een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs niet voorkomt in de uittreksels die het briefstembureau van de burgemeester van 's-Gravenhage heeft ontvangen. In dat geval neemt het briefstembureau contact op met de burgemeester van 's-Gravenhage. Deze gaat na bij welk briefstembureau een (vervangend) briefstembewijs met het betreffende nummer werd verwacht en of deze daar al eerder is ontvangen. Als er door een ander briefstembureau al eerder een briefstembewijs of vervangend briefstembewijs met het betreffende nummer is ontvangen, wordt de retourenveloppe met het later ontvangen (vervangend) briefstembewijs met hetzelfde nummer terzijde gelegd. Is bij andere briefstembureaus niet eerder een (vervangend) briefstembewijs ontvangen met het betreffende nummer, dan wordt de ontvangst ervan bijgehouden door het briefstembureau dat het nummer van het betreffende briefstembewijs of vervangend briefstembewijs in zijn uittreksel van geldige briefstembewijzen heeft staan. Ook wordt het nummer van het (vervangend) briefstembewijs toegevoegd aan het uittreksel van geldige briefstembewijzen van het briefstembureau dat het briefstembewijs heeft ontvangen. Op die manier wordt voorkomen dat als dat briefstembureau opnieuw een (vervangend) briefstembewijs met datzelfde nummer ontvangt, het opnieuw contact moet opnemen met de burgemeester van ’s-Gravenhage.

Artikel N 20

Het eerste lid komt inhoudelijk overeen met artikel M 10, tweede en derde lid, van de huidige Kieswet en is in materieel opzicht niet gewijzigd. Het tweede lid bepaalt dat het briefstembureau aantekening houdt van het aantal keren dat in een retourenveloppe meer dan één briefstembewijs of vervangend briefstembewijs wordt aangetroffen, maar deze niet terzijde wordt gelegd omdat het aantal (vervangend) briefstembewijzen in die retourenveloppe gelijk is aan het aantal stembiljetten, onderscheidenlijk enveloppen met stembiljet dat zich daarin bevond. Dit aantal wordt door het briefstembureau in rubriek 5 van zijn proces-verbaal (Model N 10-2 Kiesregeling) vermeld.

Artikel N 21

In het huidige artikel N 15 van de Kieswet staat dat het briefstembureau vaststelt hoeveel kiezers tot de stemming zijn toegelaten, door het aantal ter zijde gelegde retourenveloppen af te trekken van het aantal ontvangen retourenveloppen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 3 juli 2013 (Stb. 2013, 289) is deze berekening niet meer accuraat. Sindsdien worden retourenveloppen waarin zich een gelijk aantal stembescheiden en enveloppen met stembiljet dan wel stembiljetten bevinden, namelijk niet meer ter zijde geschoven maar bij de stemopneming betrokken. Een retourenveloppe kan daardoor de stem van meer dan één persoon bevatten. Daarom wordt thans bepaald dat het briefstembureau het aantal tot de stemming toegelaten kiezers vaststelt, door het aantal geldige briefstembewijzen te tellen.

Om vast te stellen hoeveel kiezers er tot de stemming zijn toegelaten volstaat het niet om in het register met geldige briefstembewijzen na te gaan bij hoeveel nummers een aantekening is geplaatst dat een briefstembewijs met dat nummer is ontvangen. Immers, als de verwachting was dat het een briefstembewijs bij briefstembureau A ontvangen zou worden, maar de kiezer het naar briefstembureau C stuurt, dan wordt door zowel briefstembureau A als door briefstembureau C in het register geldige briefstembureau aantekening gehouden van de ontvangst van dit briefstembewijs. Hoewel briefstembureau C het briefstembewijs zelf niet heeft ontvangen, is die aantekening noodzakelijk voor het geval ook briefstembureau B een briefstembewijs met hetzelfde nummer ontvangt en de burgemeester van ’s-Gravenhage bij stembureau C nagaat of dit briefstembewijs al eerder is ontvangen.

Artikel N 22 en N 28

Deze bepalingen zien op het inpakken van de stembescheiden door de briefstembureaus. De wijze waarop de diverse bescheiden ingepakt worden is vergelijkbaar met de regeling die met dit wetsvoorstel voorgesteld wordt voor stembureaus en gemeentelijk stembureaus. Artikel N 22 is het equivalent van het huidige artikel N 2 van de Kieswet. Artikel N 28 is het equivalent van het huidige artikel N 9 van de Kieswet. Er is één verschil. Omdat dit wetsvoorstel regelt dat er in een gemeente slechts een briefstembureau kan zijn, wordt van het briefstembureau niet gevraagd om het nummer van het briefstembureau op de enveloppe te noteren.

Artikel N 23Deze bepaling heeft betrekking op het openen van de stembiljetten die zich in de stembus bevinden. Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 16, tweede lid, met dien verstande dat wordt verduidelijkt dat de aantekening die gemaakt wordt indien zich geen of meer dan één stembiljet in een enveloppe bevindt, opgenomen dient te worden in het proces-verbaal van het briefstembureau.

Artikel N 24

Het voorgestelde artikel N 24 komt inhoudelijk overeen met de huidige artikelen N 5 en N 16, eerste lid, van de Kieswet. Het regelt dat de leden van het briefstembureau de stembiljetten openen en deze lijstgewijs bijeenvoegen. Ook regelt het door welke personen de leden van het briefstembureau zich bij hun werkzaamheden kunnen doen bijstaan. Zie ook de toelichting bij de voorgestelde wijziging van artikel N 5 van de Kieswet.

Artikel N 25

Het voorgestelde artikel N 25 is het equivalent van het huidige artikel N 6 van de Kieswet. Voor de vaststelling van alle resultaten geldt dat het briefstembureau hier pas toe over kan gaan nadat alle retourenveloppen zijn geopend en alle stembiljetten zijn geteld. Ten aanzien van het briefstembureau in ’s-Gravenhage betekent dit dat de resultaten in elk geval niet voor de vijfde dag na de dag van de stemming om 21.00 uur vastgesteld kunnen worden, aangezien tot dat tijdstip nog retourenveloppen binnen kunnen komen ingevolge artikel M 9, tweede lid.

Artikel N 26

Het voorgestelde artikel N 26 is het equivalent van artikel N 8 van de Kieswet. Deze bepaling heeft betrekking op de beoordeling van de geldigheid van een stembiljet door het briefstembureau. Het artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 16, derde en vierde lid, te lezen in samenhang met de huidige artikelen N 7 en N 8. Daarbij zijn twee wijzigingen aangebracht, om de bepalingen betreffende stembureaus en briefstembureaus meer met elkaar in overeenstemming te brengen. In navolging van artikel N 7 is het niet langer het briefstembureau dat mededeling doet van de reden van ongeldigverklaring en van twijfel over de geldigheid, alsmede de beslissing daaromtrent, maar volstaat het als de voorzitter een dergelijke mededeling doet. Nieuw is ook dat dit wetsvoorstel regelt dat alle aanwezige personen mondeling bezwaren kunnen inbrengen tegen een beslissing omtrent de geldigheid van een stembiljet, en niet slechts kiezers.

Artikel N 27

Het voorgestelde artikel N 27 is voor het briefstembureau, wat artikel N 8a voor het stembureau is. In het eerste lid wordt geregeld dat het briefstembureau het verschil tussen het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten en het aantal stemmen dat is geteld vastlegt. Het kan hiertoe pas overgaan nadat alle retourenveloppen zijn geopend en alle stembiljetten zijn geteld. Ten aanzien van het briefstembureau in ’s-Gravenhage betekent dit dat de resultaten in elk geval niet voor de vijfde dag na de dag van de stemming om 21.00 uur vastgesteld kunnen worden, aangezien tot dat tijdstip nog retourenveloppen binnen kunnen komen ingevolge artikel M 9, tweede lid.

Het tweede lid komt inhoudelijk overeen met artikel N 16a, derde lid, van de huidige Kieswet. Hierin is bepaald dat de voorzitter van het briefstembureau de aanwezige personen in kennis stelt van de aantallen bedoeld in artikel N 27, eerste lid, artikel N 21 en artikel N 25. Dit doet hij echter alleen als de stemming in alle stembureaus in Nederland is geëindigd. Tot dat moment is eenieder die ambtshalve kennis kan nemen van de vastgestelde aantallen stemmen, zolang verplicht tot geheimhouding daarvan.

Het derde lid regelt de aanwezige personen mondeling bezwaren kunnen inbrengen. Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 9, eerste lid. De ingebrachte bezwaren, alsmede de reactie van het briefstembureau daarop, dienen in het proces-verbaal van het briefstembureau te worden vermeld. Dit komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 10, eerste lid, tweede volzin, met dien verstande dat nu geregeld wordt dat alle aanwezigen naar aanleiding van de in kennis stelling mondelinge bezwaren kunnen inbrengen, in plaats van alleen kiezers.

Artikel N 29

Anders dan het huidige artikel N 10, wordt met dit artikel uitdrukkelijk geregeld dat het briefstembureau een apart proces-verbaal opmaakt voor de zitting die strekt tot de vooropening van de retourenveloppen en voor de zitting die strekt tot de stemopneming en de vaststelling en bekendmaking van de resultaten daarvan.

Artikel N 30

Dit artikel regelt dat het briefstembureau de pakken met verkiezingsbescheiden in een transportbox deponeert. Met deze regeling, die tot doel heeft te waarborgen dat de bescheiden veilig worden vervoerd en opgeslagen, wordt aangesloten bij de regeling die geldt voor de stembureaus (het voorgestelde artikel N 11). Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

Artikel N 31

Het voorgestelde artikel N 31 regelt de overdracht van de processen-verbaal en de verzegelde pakken van een briefstembureau dat gevestigd is in ’s-Gravenhage. Voor deze briefstembureaus wordt geregeld dat het briefstembureau zijn processen-verbaal en de pakken overdraagt aan de burgemeester van ‘s-Gravenhage. Dit komt overeen met hetgeen thans voortvloeit uit artikel N 11, eerste lid, met dien verstande dat niet langer gespecificeerd wordt dat de bescheiden gebracht worden door de voorzitter of een door hem aan te wijzen lid.

De burgemeester maakt de processen-verbaal vervolgens, met weglating van de ondertekening, op een algemeen toegankelijke wijze openbaar en brengt de processen-verbaal onverwijld over naar het nationaal briefstembureau. Daarnaast legt hij een kopie van de processen-verbaal, dus inclusief de ondertekening, voor eenieder ter inzage in het gemeentehuis. Het is van belang dat de burgemeester de processen-verbaal met spoed ter kennis brengt van het nationaal briefstembureau, opdat het nationaal briefstembureau zo spoedig als mogelijk kan overgaan tot het vaststellen van de aantallen stemmen die zijn uitgebracht vanuit het buitenland. Dit is temeer van belang ten aanzien van de briefstembureaus in ‘s-Gravenhage, die nog tot en met de vijfde dag na de dag van stemming retourenveloppen kunnen ontvangen. Deze processen-verbaal zullen het nationaal briefstembureau noodzakelijkerwijs pas op een laat moment in het verkiezingsproces bereiken. Het is belangrijk dat hierbij geen onnodige vertraging wordt opgelopen.

Artikel N 32

Het voorgestelde artikel N 32 regelt de overdracht van de processen-verbaal en de verzegelde pakken van een briefstembureau dat gevestigd is in een grensgemeente. Voor deze briefstembureaus geldt dat zij hun processen-verbaal en de pakken overdragen aan de burgemeester van de gemeente. De burgemeester maakt het proces-verbaal vervolgens onverwijld elektronisch openbaar en brengt het proces-verbaal onverwijld langs elektronische weg ter kennis van het nationaal briefstembureau. Voorts legt hij een afschrift van het proces-verbaal ter inzage totdat over de toelating van de gekozenen is beslist. Gelijk aan de regeling die geldt voor briefstembureaus in ’s-Gravenhage wordt tot slot geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de werkwijze van de burgemeester.

Artikel N 33

Het voorgestelde artikel N 33 heeft betrekking op het bewaren en vernietigen van de pakken met verkiezingsbescheiden en de afschriften van de processen-verbaal. Het artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 12, vierde en vijfde lid.

Artikel N 34

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 13 van de kieswet.

Artikel N 35

Conform de regeling die geldt voor gemeentelijk stembureaus, wordt met dit artikel geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over het vervoer, de opslag en de overdracht van de stembescheiden en de processen-verbaal van het briefstembureau.

NNN (Hoofdstuk N, paragraaf 4, Kieswet)

Artikel N 36

Dit artikel regelt dat de bepalingen uit paragraaf 2 van hoofdstuk N van overeenkomstige toepassing zijn op de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, met uitzondering van de artikelen N 24, tweede zin, en N 31 en met inachtneming van hetgeen bepaald is in de onderdelen a tot en met g.

Artikel N 24, tweede zin, heeft betrekking op wie de leden van een in Nederland gevestigd briefstembureau kunnen bijstaan en is niet van overeenkomstige toepassing omdat in het voorgestelde artikel N 37 een gespecificeerde regeling is opgenomen voor de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel N 31 heeft betrekking op de overdracht van de processen-verbaal en de pakken met verkiezingsbescheiden door het briefstembureau in ‘s-Gravenhage. Dit artikel is niet van toepassing omdat voor de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt aangesloten bij de regeling die geldt voor briefstembureaus in grensgemeenten, zoals opgenomen in artikel N 32. Dit houdt in dat de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten hun processen-verbaal langs elektronische weg doen toekomen aan de vertegenwoordiger van Nederland, die de processen-verbaal vervolgens langs elektronische weg doet toekomen aan het nationaal briefstembureau en een afschrift van de processen-verbaal ter inzage legt.

In de onderdelen a tot en met g is geregeld hoe bepaalde bepalingen uit paragraaf 2 van hoofdstuk N gelezen moeten worden voor briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. In de onderdelen a en b wordt geregeld dat de bevoegdheden die toekomen aan de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders, ten aanzien van briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten toekomen aan respectievelijk de vertegenwoordiger van Nederland en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel M 16, eerste lid, onderdelen a en b.

Onderdeel c bepaalt dat de genoemde tijdstippen naar plaatselijke tijd gelden. Dit komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel M 16, eerste lid, onderdeel c, met dien verstande dat niet langer nodig is te bepalen dat dit alleen het geval is indien er een tijdsverschil met Nederland bestaat, aangezien dat ten aanzien van Aruba, Curaçao en Sint Maarten per definitie het geval is.

Onderdeel d schrijft voor dat als locatie van de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten de locatie van de vertegenwoordiging van Nederland in het betreffende land wordt aangewezen.

Onderdeel e regelt dat op de pakken met verkiezingsbescheiden de naam van het land wordt genoteerd in plaats van de naam van de gemeente.

In onderdeel f wordt geregeld dat indien de stemopneming, naar Nederlandse tijd gemeten, eerder is aangevangen dan in Nederland, de resultaten van de stemopneming, bedoeld in artikel N 27, niet mondeling bekendgemaakt worden. Dit komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 17, eerste lid. Op grond van het huidige artikel N 18, tweede lid, dient in dat geval een afschrift van het proces-verbaal gedurende vier weken ter inzage te worden gelegd. Deze bepaling wordt hier niet overgenomen. De reden hiervoor is dat dit wetsvoorstel reeds regelt dat, conform de regeling die geldt voor briefstembureaus in Nederland, de vertegenwoordiger van Nederland een afschrift van het proces-verbaal ter inzage legt totdat over de toelating van de gekozenen is beslist (zie het voorgestelde artikel N 32, te lezen in samenhang met artikel N 35, eerste lid en onder g).

Artikel N 37

Het eerste lid regelt welke personen de leden van een briefstembureau in Aruba, Curaçao of Sint Maarten kunnen doen bijstaan. Dit komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 18, tweede lid.

Het tweede lid regelt dat, onverminderd het recht van eenieder om tijdens de openbare zittingen op de locatie van het briefstembureau te vertoeven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de bevoegdheid heeft om te bepalen dat dit als gevolg van bepaalde omstandigheden in Aruba, Curaçao of Sint Maarten onmogelijk is. Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel M 17, tweede lid.

OOO (Hoofdstuk O Kieswet)

Omdat het hoofdstembureau wordt opgeheven, komen de bepalingen in hoofdstuk O over de taken van het hoofdstembureau te vervallen. Daarmee komt ruimte vrij om in hoofdstuk O regels te stellen betreffende de werkzaamheden van het gemeentelijk stembureau en het nationaal briefstembureau in het kader van de uitslagvaststelling. Het hoofdstuk is op een vergelijkbare manier opgebouwd als hoofdstuk N.

Artikel O 1

Het gemeentelijk stembureau houdt op de dag na de dag van de stemming een openbare zitting. Voor waterschapsverkiezingen is geregeld dat het college ook kan besluiten dat de zitting aanvangt op de vrijdag na de stemming. Dat biedt gemeenten meer ruimte in de logistieke organisatie van de gecombineerde staten- en waterschapsverkiezing. Deze uitzondering geldt overigens niet voor de gecombineerde eilandsraads- en kiescollegeverkiezingen, omdat daaraan gelet op de beperkte omvang van de kiescollegeverkiezingen geen behoefte zal bestaan. De zitting van het gemeentelijk stembureau vindt in het openbaar plaats. Belangstellenden moeten ter plekke zelf kunnen observeren hoe het gemeentelijk stembureau zijn werkzaamheden verricht.

Artikel O 2

In het eerste lid is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de zitting van het gemeentelijk stembureau een of meer geschikte locaties aanwijst. Bij het aanwijzen van een locatie zal het college rekening moeten houden met de te verwachten omvang van de werkzaamheden van het gemeentelijk stembureau alsook met de mogelijkheid voor belangstellenden om de zitting bij te wonen. Als voor de controle van de processen-verbaal van de stembureaus twee of meer locaties worden aangewezen, stelt het college van burgemeester en wethouders tevens vast op welke locatie elk van de processen-verbaal van de stembureaus wordt gecontroleerd. Daarnaast besluit het college op welke dag en op welk tijdstip de zitting van het gemeentelijk stembureau aanvangt. Dit laatste met inachtneming van het bepaalde in artikel O 1 van de Kieswet. Uiterlijk zeven dagen voor de dag van stemming moet het besluit over de locatie of locaties van de zitting, de dag en het tijdstip waarop de zitting aanvangt overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend zijn gemaakt. Het vierde lid maakt het mogelijk om, conform een advies van de Kiesraad, bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de informatie over waar en wanneer de zitting van het gemeentelijk stembureau plaatsvindt, tevens huis-aan-huis onder de aandacht van de kiesgerechtigden wordt gebracht (zie paragraaf 2.4.2.7 onder a van het algemene deel van deze toelichting).

Artikel O 3

In dit artikel wordt vastgelegd hoe het gemeentelijk stembureau kan handelen en besluiten bij de controle van de processen-verbaal van de stembureaus, indien de controle op twee of meer locaties plaatsvindt. De besluitvorming door de aanwezige leden van het gemeentelijk stembureau geschiedt namens het gemeentelijk stembureau. Als er een even aantal leden aanwezig is en de stemmen staken, is de stem van de (plaatsvervangend) voorzitter doorslaggevend.

Artikel O 4

In deze bepaling is geregeld dat het gemeentelijk stembureau zich bij zijn werkzaamheden kan doen bijstaan door zogenoemde tellers. Het begrip teller komt in de huidige Kieswet niet voor, maar wordt nu al veelvuldig in de uitvoeringspraktijk gebruikt om de personen aan te duiden die, op grond van artikel N 5 van de Kieswet, het stembureau kunnen bijstaan bij de stemopneming. Ook in die bepaling is geregeld dat het college een of meer ambtenaren van de gemeente als teller kan aanwijzen. Deze ambtenaren krijgen dan (binnen hun arbeidsrelatie) de opdracht om het gemeentelijk stembureau bij te staan. Daarnaast kan het college personen van buiten de eigen organisatie tot teller benoemen. Alle tellers hebben dezelfde bevoegdheden en verrichten hun werkzaamheden onder aansturing en verantwoordelijkheid van het gemeentelijk stembureau.

In het tweede lid is geregeld dat een persoon alleen tot teller kan worden benoemd of aangewezen als de betrokkene op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en over voldoende kennis en vaardigheden beschikt. De eisen zijn vergelijkbaar met de eisen die ook aan anderen worden gesteld die betrokken zijn bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag. Het voorschrift dat tellers een training krijgen, laat onverlet dat het het gemeentelijk stembureau is dat de beslissingen neemt en verantwoordelijkheid draagt voor de wijze waarop de stemopneming wordt uitgevoerd. Om dezelfde reden is ook artikel E 4, tweede lid, onderdeel b, van de Kieswet (nieuw) niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Iemand kan voor één verkiezing dus zowel teller voor het gemeentelijk stembureau zijn, als lid van een stembureau of het centraal stembureau.

Artikel O 5

Anders dan bij stembureaus, waar deze verantwoordelijkheid bij de voorzitter berust (vgl. art. J 37 Kieswet), is de handhaving van de orde tijdens de zitting van het gemeentelijk stembureau aan de leden van het gemeentelijk stembureau opgedragen. Daartoe is besloten, omdat de locaties waar de stemopneming plaatsvindt veelal groter zijn dan de huidige stemlokalen. Daardoor kan de verantwoordelijkheid om de orde tijdens de stemopneming te bewaren niet langer bij slechts één persoon belegd worden. Ook de controle van de processen-verbaal van stembureaus zal doorgaans in grote ruimten plaatsvinden. Indien het proces-verbaal van een stembureau daar aanleiding toe geeft, moet het gemeentelijk stembureau immers de stembescheiden, of een deel daarvan, opnieuw op kunnen nemen. Tot schorsing van de zitting blijft evenwel slechts de voorzitter van het gemeentelijk stembureau bevoegd.

Artikel O 6

Deze bepaling biedt een procedure voor twee situaties waarin schorsing van de openbare zitting van het gemeentelijk stembureau is aangewezen. De eerste situatie is die waarin het gemeentelijk stembureau zijn werkzaamheden onverhoopt niet op dezelfde dag krijgt afgerond als waarop het daarmee is aangevangen. De tweede situatie doet zich voor indien naar het oordeel van het gemeentelijk stembureau de orde zodanig wordt verstoord dat een behoorlijke voortgang van de stemopneming onmogelijk wordt. In beide situaties wordt de zitting door de voorzitter van het gemeentelijk stembureau geschorst en beslist de burgemeester wanneer en waar de zitting wordt hervat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld. Deze zullen in belangrijke mate lijken op de huidige schorsingsregels voor het stembureau.

Het eerste lid sluit overigens niet uit dat er ook andere situaties denkbaar zijn waarin de voorzitter van het gemeentelijk stembureau tot schorsing van de zitting overgaat. De voorzitter zal de stemopneming bijvoorbeeld ook moeten schorsen als, niettegenstaande het bepaalde in artikel O 7 van de Kieswet, op het moment dat de stemopneming dient aan te vangen, de transportboxen met te tellen stembescheiden nog niet aan het gemeentelijk stembureau zijn overgedragen. In dat geval kan de schorsing worden opgeheven zodra wel met de stemopneming kan worden aangevangen. Ook als de stemopneming is afgerond en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag op een andere locatie plaatsvindt, zal het gemeentelijk stembureau tot schorsing van de zitting overgaan.

Artikel O 7

In deze bepaling is geregeld op welk moment de verantwoordelijkheid voor de ongeschondenheid van de verzegelde enveloppen, met daarin de processen-verbaal en de sleutels van de transportboxen, en de transportboxen overgaat van de burgemeester op het gemeentelijk stembureau, namelijk: op het moment dat de overdracht daadwerkelijk plaatsvindt.

Artikel O 8

In artikel O 8 is tot uitdrukking gebracht dat de in de artikelen O 9 tot en met O 11 neergelegde procedure voor elk stembureau wordt doorlopen. Daarbij kunnen de leden van het gemeentelijk stembureau taken verdelen, zodat de in de artikelen O 9 tot en met O 11 beschreven procedure voor verschillende stembureaus gelijktijdig kan worden uitgevoerd. De stemopneming moet echter wel op zodanige wijze plaatsvinden, dat wordt voorkomen dat de stembescheiden van de verschillende stembureaus met elkaar vermengen. Mocht het centraal stembureau het gemeentelijk stembureau opdragen een geheel of gedeeltelijk nieuwe stemopneming uit te voeren (vgl. art. P 1d Kieswet), dan moet dit immers mogelijk zijn.

Artikel O 9

In artikel O 9 is geregeld dat het gemeentelijk stembureau de juistheid controleert van de uitkomsten van de stemming, zoals deze op de dag van de stemming door de stembureaus zijn vastgesteld. Alle processen-verbaal worden gecontroleerd. Het gemeentelijk stembureau doet dit in eerste instantie aan de hand van het proces-verbaal van het stembureau. Mocht het gemeentelijk stembureau vermoeden dat het stembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij de stemopneming of bij de vaststelling van de uitkomsten daarvan, dan is het bevoegd de stembescheiden opnieuw op te nemen. Zie daarover het voorgestelde artikel O 10. In paragraaf 2.4.2.5 van het algemene deel van deze toelichting is een meer gedetailleerde beschrijving van het verloop van de controle opgenomen.

Artikel O 10

Indien het gemeentelijk stembureau vermoedt dat het stembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij de stemopneming of bij de vaststelling van de uitkomsten daarvan, gaat het over tot een nieuwe opneming van alle stembescheiden, dan wel een deel daarvan. Het gemeentelijk stembureau is bevoegd daartoe de transportbox en de pakken met stembescheiden te openen. Het betreft niet alleen de pakken met stembiljetten, bedoeld in artikel N 9, maar ook de pakken bedoeld in artikel N 2 van de Kieswet. Immers, niet is uit te sluiten dat ook een onderzoek naar de inhoud van deze pakken bij kan dragen aan de correctie van een of meer fouten in het proces-verbaal van een stembureau. Nadat de stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen opnieuw zijn geteld, kan bijvoorbeeld blijken dat er toch geen verschil bestaat tussen het aantal tot de stemming toegelaten kiesgerechtigden en het aantal uitgebrachte stemmen. Bij de uitvoering van deze taken, zijn de artikelen N 1, N 5, eerste volzin, en N 6 tot en met N 8a van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat het gemeentelijk stembureau de stemaantallen op eenzelfde wijze vaststelt als het stembureau en daarbij dezelfde regels over blanco stemmen en ongeldige stemmen in acht neemt. Ook stelt de voorzitter van het gemeentelijk stembureau de aanwezige personen in kennis van de vastgestelde aantallen.

Een vermoeden dat het stembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij de stemopneming of bij de vaststelling van de uitkomsten daarvan, bestaat in ieder geval als er een door het stembureau in zijn proces-verbaal niet verklaard verschil is tussen het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten en het getelde aantal stembiljetten. In het tweede lid is geregeld dat het gemeentelijk stembureau in dat geval altijd overgaat tot een nieuwe opneming van alle stembescheiden, of een deel daarvan.

In het derde lid is geregeld dat het gemeentelijk stembureau in zijn proces-verbaal vermeldt ten aanzien van welke stembureaus een nieuwe opneming van stembescheiden heeft plaatsgevonden. Indien een deel van de stembescheiden opnieuw is opgenomen, wordt tevens vermeld welke stembescheiden het betrof. Het gemeentelijk stembureau kan bijvoorbeeld alleen de stemmenpassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen opnieuw hebben geteld. Ook is het mogelijk dat alleen de stemmen opnieuw worden opgenomen die op een of meer kandidaten van een bepaalde lijst zijn uitgebracht.

In het vierde lid is geregeld dat het gemeentelijk stembureau de uitkomsten van de nieuwe stemopneming vastlegt in een corrigendum bij het proces-verbaal van het stembureau. In het vervolg van de procedure wordt het proces-verbaal van het stembureau gelezen met inachtneming van dit corrigendum. Dat wil zeggen dat voor de vaststelling van de verkiezingsuitslag de in dit corrigendum vastgelegde aantallen in de plaats treden van de aantallen zoals deze eerder door het stembureau in zijn proces-verbaal zijn opgenomen. De processen-verbaal van de stembureaus worden ter inzage gelegd en elektronisch openbaar gemaakt. Dit geldt ook voor de bijbehorende corrigenda. Om transparant te maken dat het gemeentelijk stembureau ten behoeve van een stembureau een nieuwe stemopneming heeft uitgevoerd en daarbij de door het stembureau vastgestelde aantallen middels een corrigendum heeft gecorrigeerd, wordt voorgeschreven dat het gemeentelijk stembureau op het proces-verbaal van het stembureau aantekening maakt van het bestaan van een corrigendum. De wijze waarop hiervan aantekening wordt gemaakt op het proces-verbaal, wordt in lagere regelgeving vastgelegd.

Het vijfde lid bepaalt wat er moet gebeuren als de nieuwe stemopneming is afgerond. De stembescheiden – stempassen, kiezerspassen, volmachtbewijzen en stembiljetten – uit de geopende pakken worden dan opnieuw ingepakt. Dit gebeurt op dezelfde wijze als waarop de stembescheiden eerder door het stembureau zijn ingepakt. Daarna worden de pakken teruggelegd in de transportbox, wordt de transportbox op slot gedaan en opnieuw verzegeld.

Artikel O 11

Artikel O 11 vormt het sluitstuk van de controle door het gemeentelijk stembureau op de juistheid van de uitkomsten van de stemming zoals vastgesteld door het stembureau. De transportbox en de enveloppe, met daarin het proces-verbaal van het stembureau en, indien van toepassing, het bijbehorend corrigendum alsook de sleutel van de transportbox, worden door het gemeentelijk stembureau voor transport gereedgemaakt. Dit doet het op dezelfde manier als het stembureau.

Artikel O 12

Nadat het gemeentelijk stembureau de controle van de processen-verbaal van de stembureaus heeft afgerond, stelt het de aantallen vast die voorheen, op grond van artikel N 11 Kieswet (oud), door de burgemeester werden vastgesteld. Voor iedere lijst wordt vastgesteld hoeveel stemmen er in totaal, binnen de gemeente, geldig op elk van de afzonderlijke kandidaten zijn uitgebracht, alsook hoeveel stemmen zij gezamenlijk hebben gekregen. Ook het aantal blanco en ongeldig uitgebrachte stemmen wordt getotaliseerd tot gemeenteniveau. Het totaal van het aantal geldige op kandidaten uitgebrachte stemmen, blanco stemmen en ongeldige stemmen, is het aantal dat is geteld. Daarnaast stelt het gemeentelijk stembureau vast hoeveel stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen er in de gemeente zijn geteld. Door deze aantallen bij elkaar op te tellen, wordt het aantal kiezers verkregen dat in de gemeente tot de stemming is toegelaten.

Om het verschil vast te stellen tussen het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten en het aantal stemmen dat is geteld, volstaat het niet om de op grond van artikel O 12 van de Kieswet vastgestelde verschillen bij elkaar op te tellen. Het resultaat daarvan zou immers zijn dat de geconstateerde verschillen elkaar kunnen opheffen. Want als in een stembureau één kiezer meer tot de stemming is toegelaten dan er stembiljetten zijn geteld en in een ander stembureau juist één kiezer minder tot de stemming is toegelaten dan er stembiljetten geteld zijn, zou dit cumuleren tot 0. Dat geeft echter geen goed beeld van de telverschillen. Bedoeld is dat het gemeentelijk stembureau zowel vaststelt hoeveel kiezers er in totaal meer door de stembureaus tot de stemming zijn toegelaten dan er stemmen zijn geteld, als hoeveel kiezers er in totaal minder door de stembureaus tot de stemming zijn toegelaten dan er stemmen zijn geteld. Voor zover mogelijk geeft het gemeentelijk stembureau een verklaring voor deze verschillen. Daarbij kan het zich baseren op de verklaringen die de stembureaus in hun processen-verbaal hebben opgenomen.

In het zesde lid is een regeling opgenomen voor het geval het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt bij het vaststellen van de uitkomsten van de stemopneming. In dat geval moet het gemeentelijk stembureau de met de programmatuur gegenereerde uitkomsten van de stemopneming controleren aan de hand van een door de Kiesraad opgesteld controleprotocol.

Artikel O 13

Geregeld is dat het gemeentelijk stembureau het aantal in de gemeente geregistreerde kiesgerechtigden voor de verkiezing vaststelt. Door het aantal tot de stemming toegelaten kiezers (art. O 13 lid 3 Kieswet) te vergelijken met het aantal geregistreerde kiesgerechtigden, kan de opkomst worden bepaald. Naar het oordeel van de regering vormen beide aantallen – het aantal kiesgerechtigden en het aantal kiesgerechtigden dat tot de stemming is toegelaten – een wezenlijk onderdeel van de uitslagvaststelling. Om het aantal in de gemeente geregistreerde kiesgerechtigden te kunnen vaststellen, heeft het gemeentelijk stembureau de medewerking van het college van burgemeester en wethouders nodig. Het is immers het college dat ingevolge artikel D 1 van de Kieswet de kiesgerechtigheid van de ingezetenen van de gemeente registreert. Daarom wordt bepaald dat het college het gemeentelijk stembureau informeert over het aantal kiesgerechtigden.

Artikel O 14

De bij de openbare zitting aanwezige personen worden door het gemeentelijk stembureau geïnformeerd over de vastgestelde aantallen. Dit kan worden gedaan door (de voorzitter van) het gemeentelijk stembureau, maar zoals in paragraaf 2.4.2.7 van het algemene deel van deze toelichting is beschreven, is het ook mogelijk dat het gemeentelijk stembureau het aan de burgemeester overlaat om deze mededeling te doen, al dan niet ten overstaan van pers en publiek.

Artikel O 15

De tijdens de zitting van het gemeentelijk stembureau aanwezige personen kunnen mondeling bezwaren inbrengen. Deze bezwaren worden door het gemeentelijk stembureau, voorzien van een reactie, in zijn proces-verbaal vermeld. De term «reactie» is ruim bedoeld. Dit kan, maar hoeft geen, inhoudelijke reactie te zijn op het ingebrachte bezwaar. Het gemeentelijk stembureau kan bijvoorbeeld ook beschrijven welke actie het heeft ondernomen naar aanleiding van het bezwaar.

Artikel O 16

Nadat alle werkzaamheden voor een verkiezing zijn afgerond, maakt het gemeentelijk stembureau daar aanstonds proces-verbaal van op. Uitgangspunt is dat alle aanwezige leden het proces-verbaal ondertekenen. Omdat de controle van de processen-verbaal van de stembureaus tegelijkertijd op meerdere locaties kan plaatsvinden, en het gemeentelijk stembureau in zijn proces-verbaal ook verantwoording aflegt over de in dat kader verrichte werkzaamheden, moet het proces-verbaal ten minste worden ondertekend door de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitters van het gemeentelijk stembureau. Op deze manier wordt gewaarborgd dat altijd ten minste één van de ondertekenaars van het proces-verbaal op de andere locatie(s) waar de stemopneming heeft plaatsgevonden, aanwezig is geweest.

Is er één gemeentelijk stembureau ingesteld ten behoeve van twee of meer verkiezingen, dan maakt het gemeentelijk stembureau voor elke verkiezing een afzonderlijk proces-verbaal op.

Artikel O 17

Deze bepaling regelt de overdracht van het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau, de verzegelde enveloppen en de transportboxen aan de burgemeester. Als het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt bij het vaststellen van de aantallen, bedoeld in artikel O 12 van de Kieswet, dan wordt ook het bestand dat met deze programmatuur is gegenereerd aan de burgemeester overgedragen.

Artikel O 18

De burgemeester maakt het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau, de processen-verbaal van de stembureaus alsook de bijbehorende corrigenda, met weglating van de ondertekening, onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar. Drie maanden nadat over de toelating van de gekozenen is beslist mogen de documenten offline worden gehaald. Het langer online beschikbaar stellen van deze documenten, is optioneel. Daarnaast legt de burgemeester een kopie van de volledige processen-verbaal en corrigenda, dus inclusief de ondertekening, voor eenieder ter inzage in het gemeentehuis.

In artikel O 18, derde lid, is geregeld dat het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau en de processen-verbaal van de stembureaus (incl. de bijbehorende corrigenda) zo spoedig mogelijk fysiek worden overgebracht naar het centraal stembureau.

Als het gemeentelijk stembureau gebruik heeft gemaakt van programmatuur ten behoeve van de vaststelling van de uitkomsten van de stemopneming, maakt de burgemeester ook het digitale bestand met de uitkomsten van de stemopneming op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar. Daarnaast verstrekt hij het digitale bestand aan het centraal stembureau. Dat dient zodanig te gebeuren dat het centraal stembureau de authenticiteit van het verzonden bestand kan vaststellen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verzending. Op dit moment wordt gedacht aan de verplichting voor de burgemeester om het bestand te voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening.

Het vijfde lid biedt een grondslag om nadere voorschriften te stellen over de openbaarmaking, terinzagelegging alsmede de fysieke en digitale overdracht van verkiezingsbescheiden en de met hulp van programmatuur aangemaakte digitale bestanden. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om in een algemene maatregel van bestuur te regelen dat de processen-verbaal van de stembureaus en het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau bij Tweede Kamer- en Europees Parlementsverkiezingen worden overgebracht naar de burgemeester van de gemeente waar de vergadering van provinciale staten wordt gehouden en vanaf daar gebundeld bij het centraal stembureau, de Kiesraad, worden aangeleverd.

Artikelen O 19 en O 20

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de bewaring en vernietiging van de verzegelde pakken. Een gemeentelijk stembureau is immers onvoldoende geëquipeerd om deze taken uit te voeren. In de voorgestelde nieuwe artikelen wordt geregeld onder welke voorwaarden de pakken met stempassen en de pakken met stembiljetten alsmede de afschriften van processen-verbaal kunnen worden overgedragen aan de officier van justitie en wanneer deze bescheiden worden vernietigd. Artikel O 19 is het equivalent van het huidige artikel N 12, vierde en vijfde lid, en artikel O 20 komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel N 13 van de Kieswet.

Artikel O 21

Artikel O 21 bevat een wettelijke grondslag om nadere voorschriften te stellen betreffende het vervoer, de opslag en de overdracht van de stembescheiden, het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau, de processen-verbaal van de stembureaus alsook de bijbehorende corrigenda.

Artikel O 22

Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat het opnemen van de stemmen plaatsvindt door middel van centrale stemopneming. Dit is «optie 2», zoals beschreven in paragraaf 2.4.1 van het algemene deel van deze toelichting. In gemeenten waar centrale stemopneming plaatsvindt is hoofdstuk O, paragraaf 1, van toepassing op het gemeentelijk stembureau, maar met inachtneming van hoofdstuk O, paragraaf 2.

Voor een groot aantal bepalingen uit paragraaf 1 geldt dat zij altijd van toepassing zijn op het gemeentelijk stembureau, ongeacht de manier waarop het opnemen van de stemmen is georganiseerd. Als het gemeentelijk stembureau belast is met de stemopneming op kandidaatsniveau, moeten sommige bepalingen echter iets anders worden gelezen. Dit is geregeld in het tweede lid. De zinsnede «controle van de processen-verbaal van de stembureaus» moet dan worden gelezen als «stemopneming». Dit geldt idem dito voor dezelfde zinsnede zonder de toevoeging «van de stembureaus». Deze zinsneden komen voor in artikel O 2, eerste en tweede lid, O 3, eerste lid, en artikel O 12. De zinsnede «controle van het proces-verbaal van» wordt gelezen als «stemopneming voor». Deze komt voor in artikel O 2, tweede en vierde lid.

Artikelen O 23 t/m O 29

In een gemeente waar het opnemen van de stemmen niet decentraal – door de stembureaus – geschiedt, kunnen de werkzaamheden van het gemeentelijk stembureau niet worden beperkt tot een controle van de juistheid van de uitkomsten van de stemming zoals vastgesteld door het stembureau. Daarom blijven de artikelen O 8 tot en met O 11 in dat geval buiten toepassing. In plaats daarvan verricht het gemeentelijk stembureau de stemopneming. Dit doet het door voor elk stembureau de handelingen, bedoeld in de artikelen O 24 tot en met O 29 te verrichten.

De in bovengenoemd bepalingen neergelegde procedure komt grotendeels overeen met de procedure zoals deze in de artikelen 31 tot en met 36 van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming is neergelegd. Voor elk stembureau worden de stembescheiden afzonderlijk geteld. De stemopneming moet op zodanige wijze plaatsvinden, dat wordt voorkomen dat de stembescheiden van de verschillende stembureaus met elkaar vermengen. Mocht het centraal stembureau het gemeentelijk stembureau opdragen een geheel of gedeeltelijk nieuwe stemopneming uit te voeren, dan moet dit immers mogelijk zijn.

De redactie van artikel O 23 sluit niet uit dat het gemeentelijk stembureau de stemopneming voor een stembureau overdoet, bijvoorbeeld als later op de dag twijfel ontstaat over de juistheid van de stemopneming. Het gemeentelijk stembureau kan hiertoe beslissen totdat het de uitslag voor de gemeente heeft vastgesteld. Voor het verloop van de procedure van de stemopneming wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

In artikel O 26 is vastgelegd in welke gevallen het gemeentelijk stembureau ertoe overgaat om opnieuw het aantal door het stembureau tot de stemming toegelaten kiezers vast te stellen. Dit is in de eerste plaats het geval als er een verschil bestaat tussen het aantal tot de stemming toegelaten kiezers zoals het stembureau dat heeft vastgesteld en het aantal stemmen dat door het gemeentelijk stembureau is geteld, tenzij het stembureau voor dit verschil een verklaring in zijn proces-verbaal heeft gegeven.

Het tweede lid ziet op de situatie dat het aantal tot de stemming toegelaten kiezers, zoals dat door het stembureau is vastgesteld, gelijk is aan het aantal stemmen dat het gemeentelijk stembureau heeft geteld, maar het stembureau in zijn proces-verbaal wel melding heeft gemaakt van een telverschil. In die situatie moet het gemeentelijk stembureau de pakken met stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen openen, om zelf vast te stellen hoeveel kiezers door het stembureau tot de stemming zijn toegelaten. Het maakt daarbij niet uit of het stembureau in zijn proces-verbaal al of niet een verklaring heeft opgenomen voor het telverschil (zie ook paragraaf 2.4.3.5, onder a, van het algemene deel van deze toelichting).

Nieuw, in vergelijking met de in het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming neergelegde regeling, is de in artikel O 26, eerste lid, neergelegde opdracht aan het gemeentelijk stembureau om voor iedere lijst na te gaan of er een verschil bestaat tussen het stemcijfer – d.w.z.: de som van het aantal op de kandidaten van een lijst uitgebrachte stemmen – zoals het dit heeft vastgesteld (vgl. art. O 24 lid 1 onder b Kieswet) en het stemcijfer zoals het stembureau dit heeft vastgesteld (vgl. art. N 14 Kieswet). Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.4.3.5 onder a van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel O 28, eerste lid, regelt dat het gemeentelijk stembureau de aanwezige personen in kennis stelt van de resultaten van de stemopneming van elk stembureau. De aanwezigen kunnen kennisnemen van het aantal stemmen dat is geteld, alsook van de wijze waarop dit aantal is samengesteld: het aantal stemmen dat ongeldig is, dat blanco is, dat op iedere kandidaat is uitgebracht en de som van het aantal stemmen dat op de kandidaten op een lijst is uitgebracht (vgl. art. O 24 Kieswet). Voorts worden zij in kennis gesteld van het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten, alsook van de wijze waarop dit aantal is samengesteld: het getelde aantal geldige stempassen, kiezerspassen en volmachtbewijzen (vgl. art. N 1 of O 26 Kieswet). En tot slot raken de aanwezigen bekend met het verschil tussen het aantal stemmen dat is geteld en het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten en de verklaring(en) die het gemeentelijk stembureau daarvoor heeft (vgl. art. O 27 Kieswet).

Artikel O 30

In, of vanuit, gemeenten waar het opnemen van de stemmen op kandidaatsniveau door het gemeentelijk stembureau wordt verricht, worden de processen-verbaal van de stembureaus niet naar het centraal stembureau overgebracht. Om te bewerkstelligen dat het centraal stembureau desondanks kennis kan nemen van de bezwaren die bij de stembureaus zijn ingediend, maakt het gemeentelijk stembureau in zijn proces-verbaal melding van alle bezwaren die in de processen-verbaal van de stembureaus zijn vermeld. Om dezelfde reden is in het tweede lid geregeld dat in het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau de uitkomst van de stemopneming voor ieder stembureau herleidbaar is.

Artikel O 31

Artikel O 17 is van toepassing op een gemeentelijk stembureau, ongeacht de manier waarop de opneming van de stemmen in een gemeente is georganiseerd. In het eerste lid van die bepaling wordt verwezen naar de enveloppen, bedoeld in artikel O 11 van de Kieswet. Artikel O 31 verduidelijkt dat hier de enveloppen, bedoeld in artikel O 29, tweede lid, zijn bedoeld. Elk van deze enveloppen bevat de sleutel van de transportbox en het proces-verbaal van een stembureau. Artikel O 11 is immers niet van toepassing op een gemeentelijk stembureau in gemeenten waar de stemopneming centraal plaatsvindt.

Artikel O 32

Het gemeentelijk stembureau heeft, in een openbare zitting, voor elk stembureau de stemopneming tot op kandidaatsniveau uitgevoerd en de uitkomsten daarvan in zijn proces-verbaal opgenomen (vgl. art. O 30 lid 2 Kieswet). Aan de hand daarvan kan het centraal stembureau nagaan of het gemeentelijk stembureau bij het vaststellen van de uitkomst van de stemopneming op gemeentelijk niveau fouten heeft gemaakt. Het heeft de processen-verbaal van de stembureaus daar niet voor nodig. Op dat niveau is immers alleen een basistelling op lijstniveau uitgevoerd. Om deze reden worden, in gemeenten waar de stemopneming centraal is verricht, de processen-verbaal van de stembureaus wel gescand en op internet openbaargemaakt, maar niet naar het centraal stembureau overgebracht: fysiek noch digitaal. Het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau wordt wél overgebracht naar het centraal stembureau. Als het gemeentelijk stembureau gebruik heeft gemaakt van programmatuur om de uitkomsten van de stemopneming op gemeentelijk niveau vast te stellen, worden ook de daarmee gegenereerde bestanden openbaar gemaakt en aan het centraal stembureau verstrekt.

Hoofdstuk O, paragraaf 3

De nieuwe paragraaf 3 bevat bepalingen over de werkzaamheden van het nationaal briefstembureau. Het nationaal briefstembureau zal bij verkiezingen voor de leden van de Tweede Kamer en de Nederlandse leden van het Europees Parlement verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het aantal stemmen dat is uitgebracht per brief. Voor een nadere toelichting op de introductie van het nationaal briefstembureau wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen deel.

Artikel O 33

In het voorgestelde artikel O 33 wordt vastgelegd dat het nationaal briefstembureau onverwijld aanvangt met zijn werkzaamheden, nadat het de processen-verbaal van een briefstembureau heeft ontvangen. De controle van de processen-verbaal van briefstembureaus is daar een onderdeel van. De werkzaamheden kunnen starten zodra de processen-verbaal van het eerste briefstembureau zijn overgelegd. Het nationaal briefstembureau hoeft om te starten met zijn werkzaamheden niet te wachten totdat het de processen-verbaal van alle briefstembureaus ontvangen heeft.

Artikel O 34

Het nationaal briefstembureau controleert uit eigen beweging de in de processen-verbaal opgenomen uitkomsten van de stemopneming. Daarbij gaat het nationaal stembureau na: of een eventueel verschil tussen het aantal tot de stemming toegelaten kiezers en het aantal getelde stemmen door het briefstembureau is verklaard, of de optellingen kloppen en of er niet anderszins aanleiding is om te veronderstellen dat het proces-verbaal van het briefstembureau onjuistheden bevat. De controle is daarmee vergelijkbaar met de controle die het gemeentelijk stembureau ingevolge het voorgestelde artikel O 9 van de Kieswet uitvoert.

Artikel O 35

De redenen om tot het houden van een nieuwe stemopneming te beslissen, zijn voor het nationaal briefstembureau dezelfde als voor het gemeentelijk stembureau. Het eerste en tweede lid vertonen daarom veel overeenkomsten met de eerste twee leden van het voorgestelde artikel O 10 van de Kieswet. Een belangrijk verschil tussen het nationaal briefstembureau en een gemeentelijk stembureau, is dat de laatste de beschikking heeft over de transportboxen waarin de stembureaus de pakken met verkiezingsbescheiden hebben gedeponeerd. Indien het gemeentelijk stembureau bij de controle van een proces-verbaal tot de conclusie komt dat een nieuwe stemopneming noodzakelijk is, kan het de nieuwe stemopneming niet zelf uitvoeren. Daarom is geregeld dat het daartoe opdracht kan geven aan het briefstembureau.

In het derde lid is bepaald dat het nationaal briefstembureau in zijn proces-verbaal melding maakt van het feit dat het een briefstembureau opdracht heeft gegeven over te gaan tot een nieuwe stemopneming. Het meldt daarbij welk briefstembureau het betrof en welke opdracht daarbij is gegeven. Een dergelijke opdracht kan concreet zijn en betrekking hebben op een specifieke lijst. Een opdracht kan ook meer algemeen zijn, bijvoorbeeld als er sprake is van een niet verklaard telverschil. In het laatste geval zal het briefstembureau de tellingen moeten verrichten die nodig zijn om het telverschil te onderzoeken.

In het vierde lid is bepaald dat de dag, het uur en de locatie van de nieuwe stemopneming zitting zo spoedig mogelijk bekend worden gemaakt, opdat diegenen die de zitting wensen bij te wonen daartoe in staat worden gesteld.

Het vijfde lid regelt dat de burgemeester dan wel, in geval van een briefstembureau in Aruba, Curaçao of Sint Maarten de vertegenwoordiger van Nederland, ervoor zorgt dat de bescheiden onverwijld worden overgebracht naar de locatie waar het briefstembureau zitting houdt. Dit geldt ook voor de processen-verbaal van de briefstembureaus. Deze worden in geval van briefstembureaus in ’s-Gravenhage evenwel overgebracht door het nationaal briefstembureau, aangezien het nationaal briefstembureau op dat moment de papieren versies van die processen-verbaal onder zich heeft.

Op de nieuwe stemopneming zijn dezelfde regels van toepassing als op de eerder door het briefstembureau uitgevoerde stemopneming. Het briefstembureau maakt een proces-verbaal op van deze zitting. Voor dit proces-verbaal wordt een model vastgesteld.

Artikel O 36

Met het voorgestelde artikel O 36 wordt vastgelegd welke resultaten het nationaal briefstembureau vaststelt ten aanzien van de stemmen die per brief zijn uitgebracht. Deze resultaten worden op dit moment nog door de burgemeester van ’s-Gravenhage vastgesteld en opgenomen in het formulier waarin de burgemeester de aantallen stemmen voor zijn gemeente vaststelt (het huidige model N 11 van de Kiesregeling).

In het vierde lid wordt geregeld dat indien het nationaal briefstembureau programmatuur heeft gebruikt ten behoeve van het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde aantallen, het nationaal briefstembureau de daarmee gegenereerde uitkomsten controleert. Voor deze controle maakt het nationaal briefstembureau gebruik van een door de Kiesraad op te stellen protocol, dat de Kiesraad bekendmaakt in de Staatscourant.

Artikel O 37

Met het nieuwe artikel O 37 wordt vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage het nationaal briefstembureau informeert over het aantal kiesgerechtigden met een werkelijke woonplaats buiten Nederland dat zich heeft geregistreerd op basis van de registratie, bedoeld in artikel D 2 van de Kieswet. Het nationaal briefstembureau vermeldt dit aantal in zijn proces-verbaal. Daarmee wordt het centraal stembureau – dat op grond van het nieuwe artikel O 13 van de Kieswet ook de beschikking krijgt over het aantal geregistreerde kiesgerechtigden per gemeente – in staat gesteld om het opkomstpercentage vast te stellen.

Terzijde zij hier nog opgemerkt dat het in artikel O 37 van de Kieswet bedoelde aantal, niet gelijk is aan het aantal kiezers dat het is toegestaan per brief te stemmen. Allereerst, omdat ook in Nederland woonachtige kiezers soms – op grond van artikel M 1, tweede lid, van de Kieswet, wordt toegestaan om bij brief te stemmen. En ten tweede, omdat in het buitenland woonachtige kiezers er soms voor kiezen om een kiezerspas aan te vragen – waarmee zij hun stem in persoon kunnen uitbrengen bij een willekeurig stemlokaal in Nederland – of een volmacht verlenen. Het in het nieuwe artikel O 37 bedoelde getal kan dus niet ook worden gebruikt om te berekenen welk percentage van de kiesgerechtigden die het werd toe te staan per brief te stemmen van die mogelijkheid daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt.

Artikelen O 38 en O 39

In artikel O 38 wordt geregeld dat het nationaal briefstembureau de resultaten die het vaststelt meedeelt in een openbare zitting. Ingevolge het tweede lid, gaat het nationaal briefstembureau daar zo spoedig mogelijk toe over. Het advies van de Kiesraad om in de Kieswet voor te schrijven dat het nationaal briefstembureau uiterlijk op de zesde dag na stemming zitting houdt, is niet overgenomen. Dit houdt verband met het volgende.

Het nationaal briefstembureau dient zo spoedig mogelijk aan te vangen met zijn werkzaamheden, waaronder het controleren van de processen-verbaal van de briefstembureaus. Eén briefstembureau, het briefstembureau ’s-Gravenhage, kan op de vijfde dag na de dag van de stemming om 21.00 uur nog de retourenveloppen ontvangen (vgl. art. M 9 lid 2 Kieswet), die door kiezers aan het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging zijn gestuurd (art. M 7 lid 7 Kieswet). Dit briefstembureau kan niet eerder zijn processen-verbaal opmaken, dan nadat het alle ontvangen retourenveloppen heeft verwerkt. Naar verwachting zal dit op zijn vroegst op de zesde dag na de dag van de stemming zijn. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de processen-verbaal van de andere briefstembureaus op dat moment al door het nationaal briefstembureau gecontroleerd. Tijdens de openbare zitting informeert het nationaal briefstembureau de aanwezigen over de uitkomsten van de stemopneming door de briefstembureaus. Zou het nationaal briefstembureau bij wet verplicht worden om op de zesde dag na de dag van de stemming de zitting te houden, zoals de Kiesraad adviseert, dan heeft het nationaal briefstembureau hoogstwaarschijnlijk onvoldoende tijd om het proces-verbaal van het briefstembureau ’s-Gravenhage te controleren, terwijl dit briefstembureau de meeste retourenveloppen zal ontvangen. Bovendien zou er dan geen reële mogelijkheid bestaan voor het briefstembureau ’s-Gravenhage om eventuele door het nationaal briefstembureau geconstateerde fouten te verbeteren (vgl. art. O 35 Kieswet). Juist door te bepalen dat de openbare zitting zo spoedig mogelijk plaatsvindt, wordt voorkomen dat het centraal stembureau het proces-verbaal van het nationaal briefstembureau standaard later ontvangt dan strikt noodzakelijk, terwijl het nationaal briefstembureau tegelijk ook voldoende gelegenheid wordt geboden om zijn bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een betrouwbare verkiezingsuitslag.

Opdat belangstellenden op de hoogte zijn van wanneer de zitting plaatsvindt, wordt het aanvangstijdtip bekendgemaakt. Tijdens de zitting kunnen aanwezigen mondeling bezwaren inbrengen. Deze bezwaren dienen te worden opgenomen in het proces-verbaal, voorzien van een reactie van het nationaal briefstembureau.

Artikelen O 40 en O 41

Deze artikelen geven voorschriften over de overdracht van de processen-verbaal van het nationaal briefstembureau en de briefstembureaus aan het centraal stembureau.

Het voorgestelde artikel O 40, eerste lid, regelt dat het nationaal briefstembureau zijn eigen proces-verbaal en de processen-verbaal van de briefstembureaus uit ‘s-Gravenhage, die het nationaal briefstembureau fysiek onder zich heeft, zo spoedig mogelijk overdraagt aan het centraal stembureau. Het nationaal briefstembureau brengt daarnaast een afschrift van zijn proces-verbaal naar de burgemeester van ’s-Gravenhage. Dit is nodig met het oog op de elektronische openbaarmaking en de terinzagelegging hiervan, hetgeen geregeld wordt in artikel O 41, eerste en tweede lid. De burgemeester kan ten behoeve van de terinzagelegging zo nodig een kopie maken van het ontvangen afschrift.

Ten aanzien van de processen-verbaal van de briefstembureaus in grensgemeenten en in Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt in artikel O 40, tweede lid, een andere regeling voorgesteld. Dit is nodig omdat het nationaal briefstembureau deze processen-verbaal alleen langs de elektronische weg heeft ontvangen en niet fysiek onder zich heeft. Geregeld wordt dat het nationaal briefstembureau deze processen-verbaal langs elektronische weg ter kennis brengt van het centraal stembureau. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hier nadere eisen aan worden gesteld.

Indien het nationaal briefstembureau programmatuur heeft gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de uitkomsten, verzendt het het desbetreffende bestand zowel aan de burgemeester van ’s-Gravenhage als aan het centraal stembureau. Verzending aan de burgemeester is noodzakelijk met het oog op de elektronische openbaarmaking van het digitale bestand. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel O 41, derde lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ingevolge het voorgestelde artikel O 41, vijfde lid, nadere regels worden gesteld over de openbaarmaking en de overdracht van de digitale bestanden.

Artikel O 42

Overeenkomstig de Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming wordt geregeld dat in de fase van uitslagvaststelling door het gemeentelijk stembureau enkele rechten van betrokkenen, namelijk het recht van inzage, het recht op rectificatie en beperking van de verwerking, niet van toepassing zijn.

PPP (Art. P 1 Kieswet)

Artikel P 1 van de Kieswet wordt opnieuw vastgesteld. Om het mogelijk te maken dat de verkiezingsuitslag tijdig door het centraal stembureau wordt vastgesteld, is geregeld dat het centraal stembureau onverwijld nadat het een proces-verbaal van een gemeentelijk stembureaus ontvangen heeft, aanvangt met het verrichten van de werkzaamheden tot vaststelling en bekendmaking van de verkiezingsuitslag. Het centraal stembureau kan dus al met de werkzaamheden beginnen als het nog niet alle processen-verbaal van de gemeentelijke stembureaus heeft ontvangen.

QQQ (Artt. P 1b t/m P 1g Kieswet)

In de nieuwe artikelen P 1b tot en met en P 1g worden de nieuwe controlerende taken van het centraal stembureau vastgelegd.

Artikel P 1b

Iedereen heeft het recht om bij het centraal stembureau melding te maken van een of meer mogelijke fouten in de processen-verbaal van de stembureaus of de gemeentelijk stembureaus. Er moet daarbij sprake zijn van een «onderbouwde melding». Dat wil zeggen dat de melder de melding niet hoeft te bewijzen, maar wel enigszins moet onderbouwen. De melder dient aan te geven waaruit de vermeende fout concreet bestaat, zodat het centraal stembureau de melding gericht kan onderzoeken. Het is mogelijk dat de juistheid van de melding eenvoudig door het centraal stembureau kan worden nagegaan. Bijvoorbeeld als de uitkomsten van de stemopneming zoals deze in het digitale bestand zijn opgenomen, niet overeenkomen met de uitkomsten zoals deze op het papieren proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau staan vermeld, of als de som van de op alle kandidaten op een lijst uitgebrachte stemmen, het stemcijfer, niet correct is berekend. In andere gevallen is mogelijk meer onderzoek nodig. Een melding kan bijvoorbeeld ook bestaan uit de mededeling dat de melder in een specifiek benoemd stemlokaal een stem op een bepaalde kandidaat heeft uitgebracht, maar deze stem niet terugvindt in het door het desbetreffende stembureau opgemaakte proces-verbaal.

In het tweede lid is geregeld dat, als het gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt bij de vaststelling van de uitkomsten van de stemopneming, bij het centraal stembureau ook een onderbouwde melding kan worden gemaakt van vermeende fouten in de met deze programmatuur gegenereerde bestanden.

Het derde lid bepaalt dat een melding van een vermeende fout tot uiterlijk achtenveertig uur voor de bekendmaking van de verkiezingsuitslag bij het centraal stembureau kan worden ingediend. Meldingen die later zijn ontvangen, hoeft het centraal stembureau noch te onderzoeken noch in zijn proces-verbaal te vermelden.

Artikel P 1c

Als het centraal stembureau een digitaal bestand heeft ontvangen met de uitkomsten van de stemopneming in een gemeente, gaat het na of dit bestand is overgebracht conform de eisen die daaraan in de regelgeving zijn gesteld. Als dit niet het geval is, neemt het centraal stembureau contact op met de burgemeester van de desbetreffende gemeente en verzoekt hem het bestand opnieuw, maar nu in overeenstemming met de voorschriften, aan het centraal stembureau over te dragen.

Artikel P 1d

Het centraal stembureau controleert de in de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus opgenomen uitkomsten van de stemopneming. Als in een gemeente geen centrale stemopneming heeft plaatsgevonden, controleert het centraal stembureau ook de processen-verbaal van de stembureaus. Dit is geregeld in het tweede lid. In gemeenten waar wél centrale stemopneming heeft plaatsgevonden is dat niet nodig. In die gemeenten hebben de stembureaus immers alleen een telling op lijstniveau verricht en heeft het gemeentelijk stembureau voor elk stembureau de uitkomst van de stemopneming op kandidaatsniveau vastgesteld.

Als een gemeentelijk stembureau programmatuur heeft gebruikt voor de uitslagberekening, controleert het centraal stembureau voorts of de uitslaggegevens in de van die gemeente ontvangen digitale bestanden overeenkomen met de uitkomsten zoals genoteerd in de bijbehorende papieren processen-verbaal.

De controles hebben als doel om na te gaan of het centraal stembureau met de ontvangen processen-verbaal en digitale bestanden een betrouwbare verkiezingsuitslag kan vaststellen. Het centraal stembureau verricht de controles aan de hand van een door de Kiesraad op te stellen controleprotocol.

De in het eerste tot en met derde lid voorziene controles voert het centraal stembureau uit eigen beweging uit, aan de hand van het controleprotocol van de Kiesraad. In het vijfde lid is geregeld dat het centraal stembureau daarenboven ook tot een controle overgaat van het proces-verbaal van een gemeentelijk stembureau, het proces-verbaal van een stembureau, of een van een gemeentelijk stembureau ontvangen digitaal bestand, naar aanleiding van meldingen als bedoeld in het nieuwe artikel P 1b.

Artikel P 1e

Als de controle, bedoeld in artikel P 1d, het centraal stembureau aanleiding geeft om te vermoeden dat een gemeentelijk stembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij de stemopneming of het vaststellen van de uitkomsten daarvan, beslist het centraal stembureau dat het gemeentelijk stembureau de melding nader moet onderzoeken. Van een vermoeden dat een gemeentelijk stembureau een fout heeft gemaakt is ook sprake als er een vermeende fout in een proces-verbaal van een stembureau staat. In dat geval bestaat het vermoeden dat het gemeentelijk stembureau de vermeende fout bij de in artikel O 9 voorgeschreven controle niet heeft gevonden en mogelijk ten onrechte niet heeft gecorrigeerd.

Het tweede lid bepaalt dat het gemeentelijk stembureau het in opdracht van het centraal stembureau uit te voeren nader onderzoek verricht in een openbare zitting. De burgemeester maakt de locatie, de dag en het tijdstip waarop de zitting aanvangt bekend, zodat belangstellenden daarbij aanwezig kunnen zijn. Indien nodig kan het gemeentelijk stembureau in de openbare zitting ten aanzien van een of meer stembureaus overgaan tot een nieuwe opneming van de stembescheiden, of een deel daarvan.

In het derde lid wordt een groot aantal bepalingen uit hoofdstuk O van overeenkomstige toepassing verklaard. Bij het nader onderzoek gelden dezelfde criteria als bij de eerdere stemopneming. Welke verkiezingsbescheiden het gemeentelijk stembureau daarbij opnieuw opneemt, zal afhangen van de te onderzoeken melding. Stel: vanuit een gemeente waar de stemmen op een centrale locatie zijn opgenomen, meldt een kiezer dat hij zijn stem niet in de handmatig ingevulde bijlage bij het proces-verbaal van het gemeentelijk stembureau heeft aangetroffen. In dat geval kan het gemeentelijk stembureau de nieuwe stemopneming in eerste instantie beperken tot een nieuwe telling van de stemmen die op de kandidaten van die lijst zijn uitgebracht. Het gemeentelijk stembureau verricht zijn werkzaamheden in het openbaar. Van de zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. Ook dit proces-verbaal wordt, met weglating van de ondertekening, onverwijld elektronisch openbaargemaakt. Documenten die eerder openbaar zijn gemaakt en ter inzage zijn gelegd, worden daarbij niet vervangen maar blijven beschikbaar. Alleen dan blijft inzichtelijk hoe de vaststelling van de uitslag van de verkiezing is verlopen.

Artikel P 1f

De regeling omtrent de controlerende taken van het centraal stembureau, zoals opgenomen in de artikelen P 1b, P 1d en P 1e, eerste en tweede lid, zijn ingevolge dit artikel ook van toepassing op de processen-verbaal van briefstembureaus. Voor een nadere toelichting op het onderzoek door het centraal stembureau wordt verwezen naar de toelichting bij de voornoemde artikelen.

Als de controle door het centraal stembureau aanleiding geeft om te vermoeden dat een briefstembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij de stemopneming of het vaststellen van de uitkomsten daarvan, dan beslist het centraal stembureau dat het briefstembureau de melding nader moet onderzoeken. Het tweede lid regelt dat in dat geval de processen-verbaal en de pakken worden overgebracht naar de locatie waar het briefstembureau zitting houdt. Voor de briefstembureaus die gevestigd zijn in ’s-Gravenhage betekent dit dat het centraal stembureau, door tussenkomst van de burgemeester, zorg draagt voor het overbrengen van de processen-verbaal, aangezien de papieren processen-verbaal van deze briefstembureaus ingevolge het nieuwe artikel O 40 naar het centraal stembureau zijn overgebracht. De pakken met verkiezingsbescheiden van deze briefstembureaus zijn nog bij de burgemeester. De burgemeester draagt dan ook zorg voor de overdracht van deze pakken. Voor de briefstembureaus in grensgemeenten wordt geregeld dat zowel de processen-verbaal als de pakken met verkiezingsbescheiden worden overgebracht door de burgemeester van de gemeente, aangezien die deze bescheiden onder zich heeft. Voor de briefstembureaus in Aruba, Curaçao en Sint Maarten geldt dat de vertegenwoordiger van Nederland in het betreffende land de bescheiden onder zich heeft en dat hij daarom overgaat tot de overdracht hiervan aan het briefstembureau.

In het derde lid wordt geregeld dat de bepalingen uit hoofdstuk N over de werkzaamheden van de briefstembureaus van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover nodig is ten behoeve van het onderzoek van het briefstembureau. Dit met uitzondering van de bepalingen omtrent de vooropening van de retourenveloppen zoals opgenomen in de artikelen N 18 tot en met N 22. Nadat de werkzaamheden door het briefstembureau zijn voltooid, wordt opnieuw een proces-verbaal vastgesteld. Dit proces-verbaal wordt overgebracht naar het nationaal briefstembureau, dat vervolgens de benodigde werkzaamheden verricht om het totaal aantal per brief uitgebrachte stemmen opnieuw vast te stellen. Om die reden worden de artikelen O 33 tot en met O 41 van toepassing verklaard.

Artikel P 1g

De regeling omtrent de controlerende taken van het centraal stembureau, zoals opgenomen in de artikelen P 1b tot en met P 1d, zijn ingevolge dit artikel ook van toepassing op het proces-verbaal van het nationaal briefstembureau. Voor een nadere toelichting op het onderzoek door het centraal stembureau wordt verwezen naar de toelichting bij de voornoemde artikelen.

Als de controle aanleiding geeft om te vermoeden dat het nationaal briefstembureau een of meer fouten heeft gemaakt bij het vaststellen van de uitkomsten van het aantal per brief uitgebrachte stemmen, dan beslist het centraal stembureau dat het nationaal briefstembureau de melding nader moet onderzoeken. In dat kader kan het nationaal briefstembureau de briefstembureaus zo nodig gelasten om tot een geheel of gedeeltelijke opneming van verkiezingsbescheiden over te gaan. Voor zover daar sprake is, geldt in dat geval de regeling zoals opgenomen in het voorgestelde artikel P 1f. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

De situatie kan zich ook voordoen dat het nationaal briefstembureau fouten heeft gemaakt bij het vaststellen van uitkomsten. In dat geval stelt het nationaal briefstembureau de uitkomsten opnieuw vast en doet het zijn opnieuw vastgestelde proces-verbaal toekomen aan het centraal stembureau (vierde lid, tweede volzin).

RRR (Art. P 20 Kieswet)

In artikel P 20 van de vigerende Kieswet is geregeld dat het centraal stembureau de uitslag zo spoedig mogelijk vaststelt. Met het oog op het onderzoek van de geloofsbrieven door het vertegenwoordigend orgaan en de toelating van de gekozenen is het immers van belang dat de vaststelling van de verkiezingsuitslag tijdig is afgerond. In dit wetsvoorstel wordt een mogelijkheid geïntroduceerd om vermeende fouten in processen-verbaal op te zoeken, te onderzoeken en zo nodig te corrigeren. Eenieder kan bij het centraal stembureau melding maken van een vermeende fout. Daarom wordt in het nieuwe eerste lid aanvullend bepaald dat de zitting van het centraal stembureau niet eerder plaatsvindt dan de achtste dag na de stemming. Daarmee wordt gewaarborgd dat belangstellenden de tijd krijgen om de openbaar gemaakte processen-verbaal in te zien en, indien nodig, voorafgaand aan de zitting melding te maken bij het centraal stembureau van een of meer vermeende fouten. Nieuw is ook dat het centraal stembureau vaststelt hoeveel personen kiesgerechtigd waren voor de verkiezing van de leden van het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de stemming heeft plaatsgevonden en hoeveel daarvan daadwerkelijk tot de stemming zijn toegelaten. Het aantal kiezers dat tot de stemming is toegelaten wordt berekend door het aantal getelde stempassen, kiezerspassen, volmachtbewijzen, en het aantal toegelaten kiezers zoals vastgesteld door het nationaal briefstembureau bij elkaar op te tellen.

SSS (Art. P 21 Kieswet)

Het centraal stembureau heeft ingevolge het huidige artikel P 21 de bevoegdheid om tijdens de zitting tot een hertelling over te gaan. Het centraal stembureau kan hiertoe besluiten naar aanleiding van een eigen onderzoek dan wel naar aanleiding van een onderbouwd verzoek van een of meer personen. Bovendien moet een ernstig vermoeden bestaan dat bij de centrale stemopneming dan wel de vaststelling van de stemaantallen fouten zijn gemaakt die van invloed kunnen zijn op de zetelverdeling. Dit artikel is aangepast, in die zin dat een hertelling wordt uitgevoerd door een of meer gemeentelijk stembureaus of briefstembureaus die het betreffen onder verantwoordelijkheid van het centraal stembureau.

TTT (Art. P 22 Kieswet)

Het centraal stembureau stelt de verkiezingsuitslag op zodanige wijze vast dat daaruit te herleiden is hoeveel stemmen er in elke kieskring op de op de lijsten voorkomende kandidaten zijn uitgebracht. Daarnaast worden alle meldingen die het centraal stembureau heeft ontvangen van mogelijke onjuistheden, alsook hoe daarmee is omgegaan, in het proces-verbaal opgenomen. In het proces-verbaal worden ook alle mondelinge bezwaren die tijdens de zitting zijn ingebracht, en de reactie van het centraal stembureau daarop, vermeld.

UUU, VVV, WWW, XXX (Artt. P 23, P 24, P 25, P 26 Kieswet)

Het huidige artikel P 23 regelt de elektronische openbaarmaking van het proces-verbaal van het centraal stembureau. Voor zover het centraal stembureau programmatuur heeft gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de verkiezingsuitslag, wordt het bestand dat de verkiezingsuitslag bevat elektronisch openbaargemaakt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de elektronische openbaarmaking. Daarin kunnen ook eisen aan de bestanden worden gesteld. Omdat de ondertekening van het proces-verbaal niet wordt gepubliceerd, wordt in artikel P 23, tweede lid, bepaald dat de integrale versie van het proces-verbaal ter inzage wordt gelegd bij het centraal stembureau.

In artikel P 24 wordt geregeld welke stukken het centraal stembureau overdraagt aan het vertegenwoordigend orgaan: het eigen proces-verbaal alsmede de processen-verbaal van de stembureaus en de gemeentelijk stembureaus c.q. (voor de gemeenten die hebben gekozen voor optie 2 – centrale stemopneming) de processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus.

In de artikelen P 25 en P 26 wordt overeenkomstig het uitgangspunt van het bewaren en vernietigen van verkiezingsbescheiden, geregeld dat het centraal stembureau de verkiezingsbescheiden die het onder zich houdt, drie maanden vanaf het moment van toelating van de gekozenen, bewaart en daarna in beginsel vernietigt. Het betreft het afschrift van het eigen proces-verbaal dat ter inzage heeft gelegen, alsmede de processen-verbaal van het stembureaus, voor zover de burgemeester die op verzoek van het centraal stembureau naar dat orgaan heeft overgebracht.

YYY (Art. Q 6 Kieswet)

In het eerste onderdeel wordt de verlenging van de termijn voor de registratie van de aanduiding van een politieke groepering voor de Eerste Kamerverkiezing geregeld. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7 van het algemene deel van deze toelichting.

Door het schrappen van de zinsnede «of op dezelfde dag» wordt de tekst van artikel Q 6, vierde lid, van de Kieswet meer in overeenstemming gebracht met artikel G 1, vierde lid, onderdeel b, van de Kieswet.

Tegen het besluit van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal op het verzoek tot registratie van een aanduiding staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De in het derde onderdeel voorziene wijziging voorziet erin dat deze beroepsprocedure, als het een registratieverzoek op grond van artikel Q 6 betreft, op dezelfde wijze is ingericht als wanneer het een registratieverzoek op grond van artikel G 1 van de Kieswet betreft. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Kiesraad van 22 juli 2011.83

ZZZ en FFFF (Artt. R 5 en S 4 Kieswet)

In zijn advies van 5 augustus 2019 heeft de Kiesraad er op gewezen dat de Kieswet aangaande Eerste Kamerverkiezingen, anders dan bij andere verkiezingen, geen ondergrens stelt aan de leeftijd waarop iemand kandidaat kan staan. De Raad heeft geadviseerd om daar alsnog in te voorzien, omdat thans ook personen op de kandidatenlijst kunnen voorkomen die op geen enkel moment gedurende de zittingsperiode van de Eerste Kamer waarvoor de verkiezing plaatsvindt de vereiste leeftijd om in dat orgaan zitting te kunnen nemen zullen bereiken.84 Naar aanleiding van dit advies worden de artikelen R 5 en S 4 van de Kieswet aangevuld. Voorgesteld wordt dat voor alle verkiezingen dezelfde regel geldt. Wie kandidaat wil staan voor een verkiezing van een vertegenwoordigend orgaan, dient minimaal gedurende de zittingsperiode van het orgaan waarvoor de verkiezing plaatsvindt de leeftijd om in dat orgaan zitting te kunnen nemen te bereiken. Het centraal stembureau zit hierop toe en schrapt de kandidaat van de lijst die niet aan dit vereiste voldoet.

AAAA en DDDD (Art R 7 en S 1a Kieswet

Op grond van artikel R 7, derde lid, van de Kieswet lijkt het centraal stembureau thans een aan hem met het oog op een Eerste Kamerverkiezing overgelegde kandidatenlijst onmiddellijk ter inzage te moeten leggen. Maar bij alle andere verkiezingen die op basis van de Kieswet worden gehouden, bepaalt de Kieswet juist uitdrukkelijk dat hiermee wordt gewacht, tot het moment waarop het centraal stembureau de ingediende lijst heeft kunnen onderzoeken (vgl. art. I 3 Kieswet). De in dit wetsvoorstel voorziene wijziging van artikel R 7, derde lid, en het nieuwe artikel S 1a van de Kieswet strekken ertoe die werkwijze ook bij Eerste Kamerverkiezingen voor te schrijven. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Kiesraad d.d. 16 november 2007. Artikel S 1a bepaalt dat de bij het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer ingediende kandidatenlijsten onmiddellijk ter inzage moeten worden gelegd nadat zij door het centraal stembureau op gebreken zijn onderzocht. Op grond van reeds bestaande artikel Y 31b van de Kieswet worden zij op datzelfde moment ook op Bonaire, Sint Eustatius en Saba in het bestuurskantoor voor eenieder ter inzage gelegd.

BBBB (Art. R 9 Kieswet)

De gemachtigde van een kandidaat die in Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonachtig is hoeft ook bij Eerste Kamerverkiezingen niet langer een uittreksel uit de geboorteregisters over te leggen. Voor andere verkiezingen was dit sinds de inwerkingtreding van de Wet van 17 mei 2010 (Stb. 2010, 347) ingevolge artikel H 10, eerste lid, van de kieswet al niet meer nodig. Zie ook de toelichting bij de gewijzigde artikelen H 10 en H 10a van de Kieswet.

EEEE (Art. S 2 Kieswet)

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om te regelen dat de voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer niet alleen mededeling doet in de Staatscourant van de dag en het uur waarop de openbare zitting van het centraal stembureau aanvangt waarin het beslist over de geldigheid van de ingediende kandidatenlijsten en over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten, maar ook van de plaats waar deze zitting wordt gehouden. Een soortgelijke verplichting bestaat op grond van artikel I 18, derde lid, onder b, van de Kieswet gelezen in verbinding met artikel I 2 van het Kiesbesluit reeds ten aanzien van de andere verkiezingen die op basis van de Kieswet worden gehouden.

HHHH (Art. S 7 Kieswet)

Aan artikel S 7, eerste lid, van de Kieswet wordt een zin toegevoegd. Voorgeschreven wordt dat het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer het proces-verbaal betreffende het onderzoek van de ingediende kandidatenlijsten en het proces-verbaal van de openbare zitting, waarin onder andere over de geldigheid van de ingediende kandidatenlijsten is beslist, voor eenieder ter inzage moet leggen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Kiesraad d.d. 6 juli 2015, waarin de Raad heeft geadviseerd voor Eerste Kamerverkiezingen niet langer een van artikel I 18 van de Kieswet afwijkende regeling in stand te houden.85

JJJJ (Art. U 2 Kieswet)

De verplichting voor het Centraal Bureau voor de Statistiek om in de aanloop naar een Eerste Kamerverkiezing de inwonertallen van de provincies (art. U 2 Kieswet) en openbare lichamen (Ya 30 jo. U 2 Kieswet) in de Staatscourant te publiceren, komt te vervallen. De regering geeft hiermee uitvoering aan het advies van de Kiesraad d.d. 5 augustus 2019.86 Aan de verplichte publicatie van de inwonertallen in de Staatscourant bestaat niet langer behoefte, omdat het Centraal Bureau voor de Statistiek de bevolkingscijfers openbaar maakt middels een algemeen toegankelijke bron en het centraal stembureau voor de berekening van de stemwaarden deze bron kan gebruiken.

OOOO en KKKKK (Art. V 7, Z 1, Z 2 en Z 3 Kieswet)

De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen zijn noodzakelijk in verband met de introductie van het vervangend briefstembewijs.

LLLL onderdeel 2, MMMM en SSSS (Artt. V 4 lid 5, V 4a, V 4b en V 11a Kieswet)

Met het oog op de leesbaarheid van artikel V 4 is de bevoegdheid om tot een hertelling over te gaan, geregeld in de nieuwe artikelen V 4a en V 4b. Het is in de praktijk voor een vertegenwoordigend orgaan meestal niet mogelijk om zelf een nieuwe stemopneming (oftewel hertelling) uit te voeren. Daarom bepaalt het nieuwe artikel V 4a dat bij een verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, provinciale staten, het algemeen bestuur en de gemeenteraad, het vertegenwoordigend orgaan volmacht en mandaat verleent aan de gemeentelijk stembureaus of briefstembureaus die het betreft om namens hem de nieuwe stemopneming uit te voeren. Het vertegenwoordigend orgaan blijft daarmee het verantwoordelijke orgaan, maar laat de feitelijke organisatie en uitvoering over aan een orgaan dat beter geëquipeerd is voor deze taak. Artikel V 4b regelt de bevoegdheid van de Eerste Kamer om tot een hertelling te besluiten, maar is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel V 4, vierde en vijfde lid, van de Kieswet. Voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer wordt een eventuele hertelling door het vertegenwoordigend orgaan zelf uitgevoerd. De Eerste Kamer is in dat geval ook verantwoordelijk voor de bewaring en vernietiging van de verzegelde pakken die voor de hertelling naar dat orgaan zijn overgebracht (art. V 11a). Het vertegenwoordigend orgaan is voorts verantwoordelijk voor de bewaring en vernietiging van de (originele) processen-verbaal van de gemeentelijk stembureaus en het centraal stembureau, alsmede van de processen-verbaal van de stembureaus voor zover de burgemeester die op verzoek van het vertegenwoordigend orgaan naar dat orgaan heeft overgebracht.

PPPP en QQQQ (artt. V 8 en V 9 Kieswet)

Een nieuwe stemopneming kan ertoe leiden dat een vertegenwoordigend orgaan moet besluiten een of meer personen die door de voorzitter van het centraal stembureau benoemd zijn verklaard als lid van het vertegenwoordigend orgaan, wegens de onjuistheid van de vaststelling van de uitslag van de verkiezing, niet toe te laten als lid van dat vertegenwoordigend orgaan. In de huidige Kieswet is bepaald dat de voorzitter van het vertegenwoordigende orgaan van zulk een situatie melding maakt bij het centraal stembureau. Vervolgens moet het centraal stembureau binnen twee weken opnieuw in een openbare zitting bijeenkomen om, met inachtneming van de resultaten van de door het vertegenwoordigend orgaan uitgevoerde stemopneming, opnieuw de verkiezingsuitslag vast te stellen. Worden er wel verschillen geconstateerd in het aantal stemmen dat op een of meer kandidaten was uitgebracht, maar hebben deze geen gevolgen voor de zetelverdeling en zeteltoewijzing, dan wordt van deze nieuwe verkiezingsuitslag naar huidig recht geen proces-verbaal opgemaakt door het centraal stembureau. In plaats daarvan worden de nieuwe resultaten van de stemopneming vastgelegd in een intern stuk van het vertegenwoordigend orgaan. Deze werkwijze is echter niet in lijn met de uitgangspunten zoals die ten grondslag liggen aan de in dit wetsvoorstel neergelegde nieuwe procedure voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen. Daarom wordt in artikel V 9 van de Kieswet geregeld dat een nieuwe stemopneming door het vertegenwoordigend orgaan altijd leidt tot een nieuw proces-verbaal van het centraal stembureau met de gecorrigeerde verkiezingsuitslag.

UUUU (art. Y 22a Kieswet)

Ingevolge artikel Y 2 van de Kieswet zijn de bepalingen in de Kieswet die betrekking hebben op de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ook van toepassing op de verkiezing van de leden van het Europees Parlement, tenzij in afdeling V van de Kieswet in een afwijkende regeling is voorzien. Aan artikel Y 22a wordt een nieuw lid toegevoegd: een regeling die afwijkt van artikel J 20, eerste lid, van de Kieswet. Geregeld wordt dat bij de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op de achterzijde van het stembiljet niet langer de aanduiding van de kieskring hoeft te worden afgedrukt. Volstaan kan worden met het vermelden van het afdrukken van de handtekening van de voorzitter van het centraal stembureau en de naam van het orgaan waarvoor de verkiezing plaatsvindt. Bij Europees Parlementsverkiezingen komt het stembiljet er daardoor in alle kieskringen niet alleen aan de voorzijde (vgl. art. Y 12 Kieswet), maar ook aan de achterzijde hetzelfde uit te zien. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Kiesraad d.d. 5 augustus 2019.87 Deze wijziging vermindert de kosten die gemoeid zijn met het drukken van de stembiljetten bij Europees Parlementsverkiezingen en maakt het ook eenvoudiger om, als in een gemeente een tekort aan stembiljetten dreigt te ontstaan, ongebruikte stembiljetten te herdistribueren.

VVVV (Art. Y 22b Kieswet)

Bij de verkiezing van de leden van het Europees Parlement moet rekening worden gehouden met de Europees Parlementsverkiezingen in andere lidstaten van de Europese Unie. Artikel Y 22b van de Kieswet voorziet hierin. Het eerste lid regelt dat het gemeentelijk stembureau al wel de uitkomsten van de stemming op gemeentelijk niveau mag berekenen (art. O 12 Kieswet), maar de aanwezigen pas in kennis stelt van de uitkomsten daarvan op een moment dat de stembussen in alle lidstaten van de Europese Unie zijn gesloten. Tot die tijd wordt de zitting geschorst. Nadat het gemeentelijk stembureau de uitkomsten op gemeentelijk niveau aan de aanwezigen heeft medegedeeld, vervolgt het de openbare zitting met het noteren van eventuele bezwaren van de aanwezigen en de ondertekening van het proces-verbaal.

Het tweede lid regelt dat de openbare zitting waarin het nationaal briefstembureau de uitkomsten van de stemopneming van de stemmen die per post zijn uitgebracht meedeelt, niet eerder plaatsvindt dan nadat de stembussen in alle lidstaten van de Europese Unie zijn gesloten.

WWWW en XXXX (Artt. Y 23 en Y 25 Kieswet)

Enkele artikelen met betrekking tot de Europees Parlementsverkiezingen dienen te worden aangepast als gevolg van het opheffen van de hoofdstembureaus, de veranderde taken van de burgemeester en de introductie van de gemeentelijk stembureaus.

Artikel Y 23 wordt aldus aangepast dat bij Europees Parlementsverkiezingen afschriften van de processen-verbaal van gemeentelijk stembureaus op verzoek van de Tweede Kamer, naar dat orgaan worden verzonden. De wijziging van artikel Y 25 betreft een technische wijziging als gevolg van de voorgestelde wijziging van artikel V 4 en de introductie van de nieuwe artikelen V 4a en V 4b. Wat betreft het geloofsbrievenonderzoek is immers het mede op de Tweede Kamerverkiezingen betrekking hebbende artikel V 4a van overeenkomstige toepassing en niet het nieuwe artikel V 4b dat betrekking heeft op het geloofsbrievenonderzoek ingeval van Eerste Kamerverkiezingen.

ZZZZ (Art. Ya 3 Kieswet)

In zijn reactie op een eerder concept van dit wetsvoorstel, heeft het openbaar lichaam Bonaire erop gewezen dat de naam «gemeentelijk stembureau» niet passend is in het Caribische deel van Nederland. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn immers geen gemeenten, maar andere territoriale openbare lichamen in de zin van artikel 132a van de Grondwet. Naar aanleiding van dit advies wordt in artikel Ya 3 van de Kieswet geregeld dat het «gemeentelijk stembureau» in het Caribische deel van Nederland de naam «stembureau van het openbaar lichaam» draagt. Zie ook de toelichting in paragraaf 7 van het algemene deel van deze toelichting.

BBBBB en CCCCC (Artt. Ya 11 en Ya 12 Kieswet)

De inhoud van de artikelen Ya 11 en Ya 12 komt te vervallen als gevolg van het schrappen van de rol van de gezaghebber bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag, zoals ook de rol van de burgemeester in het Europese deel van Nederland is geschrapt. In het nieuwe artikel Ya 11, eerste lid, wordt geregeld dat de processen-verbaal van het stembureau van het openbaar lichaam door de gezaghebber langs elektronische weg ter kennis worden gebracht van het centraal stembureau, teneinde een tijdige vaststelling van de verkiezingsuitslag mogelijk te maken.

EEEEE (Art. Ya 24 Kieswet)

Omdat het orgaan «hoofdstembureau» wordt opgeheven en het orgaan «stembureau van het openbaar lichaam» wordt geïntroduceerd, moet artikel Ya 24 van de Kieswet worden aangepast. Op grond van artikel Ya 13 juncto E 6, tweede lid, van de Kieswet moet het bestuurscollege bij eilandsraadsverkiezingen minimaal drie personen tot lid van het stembureau van het openbaar lichaam benoemen. Op grond van artikel Ya 24 is het stembureau van het openbaar lichaam voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad tevens het stembureau van het openbaar lichaam voor de verkiezing van de leden van het kiescollege. Bij Tweede Kamerverkiezingen (art. Ya 1 jo. E 6 lid 1 Kieswet) en Europees Parlementsverkiezingen (art. Ya 1 jo. Y 2 jo. E 6 lid 1 Kieswet) worden minimaal vijf personen tot lid van het stembureau van het openbaar lichaam benoemd.

GGGGG (Art. Ya 26 Kieswet)

In de Wet van 14 februari 2018 (Stb. 2018, 58) is beoogd te regelen dat aanduidingen die geregistreerd staan ten behoeve van Tweede Kamerverkiezingen dan wel eilandsraadsverkiezingen, ook bij de verkiezing van de leden van het kiescollege boven een kandidatenlijst geplaatst kunnen worden.88 Abusievelijk bepaalt het huidige artikel Ya 26 van de Kieswet evenwel niet uitdrukkelijk dat aanduidingen die ten behoeve van eilandsraadsverkiezingen zijn geregistreerd, doorwerking hebben naar kiescollegeverkiezingen. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om deze omissie te herstellen. Omwille van de leesbaarheid is er daarbij voor gekozen de bepaling uit te schrijven en toe te spitsen op de verkiezing van de leden van het kiescollege. Dat aanduidingen die geregistreerd staan ten behoeve van Tweede Kamerverkiezingen kunnen doorwerken naar de verkiezing van de leden van de eilandsraad volgt immers al uit artikel Ya 3 gelezen in samenhang met artikel G 4 van de Kieswet.

HHHHH en IIIII (Art. Ya 29 en Ya 32 Kieswet)

Met de inwerkingtreding van de Wet van 14 februari 2018 (Stb. 2018, 58), op 1 augustus 2018, is in de nieuwe paragraaf 3a van hoofdstuk Ya de verkiezing van de leden van de kiescolleges voor de Eerste Kamer geregeld.89 Enkele in die paragraaf geïntroduceerde artikelen moeten worden aangepast, als gevolg van het vervallen van de rol van het hoofdstembureau (de artikelen Ya 24 en Ya 29).

JJJJJ (Art. Ya 44 Kieswet)

In het huidige artikel Ya 44, eerste lid, van de Kieswet is na het laatste onderdeel van een opsomming nog tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen. Dit is niet goed zichtbaar in de gepubliceerde wettekst. In onderdeel redigeert artikel Ya 44, eerste lid, van de Kieswet en brengt de bepaling in lijn met aanwijzing 3.59, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Materieel is er geen wijziging beoogd.

LLLLL (Bijlage bij art. E 1 Kieswet)

In de bijlage, bedoeld in artikel E 1, eerste lid, komt de kolom met de gemeenten waar het hoofdstembureau is gevestigd te vervallen, aangezien het orgaan hoofdstembureau komt te vervallen. Daarnaast wordt de rij van kieskring 12 aangevuld. Kieskring 12 beslaat het gebied van de gemeente ’s-Gravenhage. Omdat op grond van de huidige artikelen N 11, tweede en derde lid, en N 21 van de Kieswet de stem van kiesgerechtigden die per brief aan de stemming deelnemen door de burgemeester van ’s-Gravenhage in zijn opgave worden betrokken, is het duidelijk dat deze stemmen bij kieskring 12 worden meegerekend.

Dit wetsvoorstel voorziet evenwel in de instelling van een nationaal briefstembureau dat de uitkomsten van de stemopnemingen door de briefstembureaus totaliseert. Deze uitkomsten komen daarmee los te staan van de uitkomsten van de stemopneming op gemeentelijk niveau in ’s-Gravenhage. In de tabel wordt daarom verduidelijkt dat het gebied van kieskring 12 zich uitstrekt over het gebied van de gemeente ’s-Gravenhage alsmede het gebied dat geen deel uitmaakt van het land Nederland, zoals dit binnen het Koninkrijk der Nederlanden bestaat.

Artikelen II

Nu de centrale stemopneming in de Kieswet wordt geregeld, komt de mogelijkheid in de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming om te experimenten met een centrale opzet van de stemopneming te vervallen. De onderdelen die zien op dit experiment komen met dit wijzigingsonderdeel daarom te vervallen. De grondslag voor de mogelijkheid om te experimenteren met een nieuw stembiljet voor kiezers in het buitenland en om te experimenteren met het gebruik van logo’s van politieke groeperingen op dat stembiljet, blijft gehandhaafd. In het huidige artikel 2, derde lid, wordt thans verwezen naar diverse artikelen waarvan de inhoud met dit wetsvoorstel wordt verplaatst naar een ander hoofdstuk (voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting bij de opnieuw vastgestelde paragraaf 2 van hoofdstuk N). De betreffende verwijzingen worden met de voorgestelde wijzigingen in het derde lid, onderdelen a (nieuw) en b (nieuw) dienovereenkomstig aangepast.

Artikel III

Artikel 55, zesde lid, wordt gewijzigd, als gevolg van de introductie van de gemeentelijk stembureaus en het vervallen van de rol van de burgemeester en de hoofdstembureaus. Bovendien wordt geregeld dat de leden van de centraal stembureau in geval van herindelingsverkiezingen niet worden benoemd voor een periode die eindigt op hetzelfde tijdstip als de eerste zittingsperiode van de nieuwgekozen gemeenteraad, maar voor een periode die eindigt per 1 januari van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de zittingsperiode van de nieuwe gemeenteraad eindigt. Zo wordt aangesloten bij Kieswet, waarin de leden van de centraal stembureaus voor vier kalenderjaren worden benoemd en wordt bereikt dat het centraal stembureau ongewijzigd kan blijven in de periode rondom de eerstvolgende reguliere gemeenteraadsverkiezingen (in verband met de rol van het centraal stembureau in geval van opvolging en tijdelijke vervanging van gemeenteraadsleden, zoals neergelegd in onder meer de artikelen W 1, X 1 en X 2 van de Kieswet).

Artikel IV

A en F

Deze onderdelen hebben betrekking op de wijze waarop de leden van het algemeen bestuur die gebruikers van bedrijfsruimten vertegenwoordigen, worden benoemd. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6 van deze toelichting.

B

In artikel 15, tweede lid, worden redactionele en technische wijzigingen doorgevoerd.

C

In artikel 16, tweede lid, van de Waterschapswet is de zittingsduur van de benoemde leden van het algemeen bestuur van de waterschap (de vertegenwoordigers voor bedrijven, eigenaren ongebouwd en natuurbeheerders) gelijkgesteld aan de zittingsduur van de gekozen leden van het algemeen bestuur (vertegenwoordigers van de ingezetenen). Nu als gevolg van dit wetsvoorstel het moment van aftreden van de gekozen leden wordt gewijzigd, wordt in dit onderdeel voorgesteld het moment van aftreden van de benoemde leden van het algemeen bestuur overeenkomstig te wijzigen. Verwezen worden naar paragraaf 6 van deze toelichting.

D

In artikel 28 wordt bij de instelling van een nieuw waterschap het waterschap aangewezen dat met de voorbereiding van die instelling belast is. Daarbij worden de bevoegdheden in de Kieswet die bij het algemeen bestuur dan wel het dagelijks bestuur zijn belegd, toegewezen aan het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het aangewezen waterschap. De verwijzing naar artikel E 6a (instelling van het hoofdstembureau, tevens zijnde het centraal stembureau) en artikel V 4, eerste lid, (toelating tot het vertegenwoordigend orgaan) behoeft aanpassing als gevolg van die voorgestelde wijzigingen in de Kieswet. Geregeld wordt dat het aangewezen waterschap bevoegd is de gemeente aan te wijzen waar het centraal stembureau wordt gevestigd en bevoegd is de leden van het centraal stembureau te benoemen en te ontslaan. Voorts wordt verduidelijkt dat het aangewezen waterschap in het kader van de toelating van de gekozen leden (art. V 4 lid 1) tevens bevoegd is, een hertelling te gelasten (het nieuwe artikel V 4a).

E

De Wet van 28 juni 2017 tot wijziging van de Kieswet in verband met het afschaffen van de mogelijkheid voor politieke groeperingen om lijstencombinaties te vormen (Stb. 2017, 302) is op 1 december 2017 in werking treden. Met ingang van die datum is de mogelijkheid in de Kieswet om lijstencombinaties aan te gaan, komen te vervallen. Om die reden wordt geregeld dat de verwijzing naar de mogelijkheid van lijstencombinaties in 29, tweede lid, van de Waterschapswet komt te vervallen.

Artikelen V en VI

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 5 van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel VII

Dit voorstel van wet wordt bij de Tweede Kamer ingediend op een moment waarop het bij koninklijke boodschap van 6 juni 2019 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Bekendmakingswet en andere wetten in verband met de elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Wet elektronische publicaties) (35 218) nog aanhangig is bij de Eerste Kamer. Dit artikel regelt de samenloop tussen beide voorstellen, omdat beide wijzigingen in de Kieswet beogen aan te brengen. Het betreft de artikelen: I 15 (onderdeel A), K 3 (onderdeel B), Ya 3 (onderdeel C), Ya 15 (onderdeel D) en Ya 26 (onderdeel E).

Artikel VIII

Dit voorstel van wet wordt bij de Tweede Kamer ingediend op een moment waarop het bij koninklijke boodschap van 11 mei 2020 ingediende voorstel van wet Tijdelijke regels voor experimenten met nieuwe stembiljetten (Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten) (35 455) aanhangig is bij de Tweede Kamer. Dit artikel regelt de samenloop tussen beide voorstellen. In de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten is onder meer geregeld van welke bepalingen uit de Kieswet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken ten behoeve van de experimenten met nieuwe stembiljetten. In onderdeel A van deze samenloopbepaling wordt bewerkstelligd dat deze verwijzingen naar de Kieswet, die zijn opgenomen in artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten, worden aangepast aan de wijzigingen die onderhavig wetsvoorstel doorvoert in de Kieswet. Dit is onder andere nodig om ervoor te zorgen dat ook ten aanzien van bepaalde handelingen die verricht worden door het gemeentelijk stembureau, dat met dit wetsvoorstel geïntroduceerd wordt, afwijkende regels gesteld kunnen worden ten behoeve van de experimenten. Met onderdeel A wordt dan ook, naast een aantal technische wijzigingen, geregeld dat ten behoeve van de experimenten afgeweken kan worden van diverse bepalingen die zien op de handelingen van het gemeentelijk stembureau, zowel tijdens de stemopneming als tijdens een nieuwe opneming van stembiljetten. Hierbij is inhoudelijk aansluiting gezocht bij de afwijkingsmogelijkheden die de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten reeds biedt voor stembureaus en centraal stembureaus. Een voorbeeld hiervan betreft de noodzaak om voor de experimenten te regelen dat (ook) het gemeentelijk stembureau bij de beoordeling van de geldigheid van een stem, voorschriften hanteert die afwijken van de Kieswet. Voor het stembureau is de mogelijkheid om af te wijken van deze regels uit de Kieswet reeds geregeld in de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten. De wijzigingen in de onderdelen B en C zijn volledig technisch van aard en houden verband met de wijzigingen die onderhavig wetsvoorstel respectievelijk doorvoert in de artikelen Q 6 en Ya 15 van de Kieswet.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren