Kamerstuk 35300-XVI-153

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 2 december 2019, over het Onderdeel Sport en Bewegen van de begroting VWS 2020 en aanverwante zaken

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2020

Gepubliceerd: 22 januari 2020
Indiener(s): Helma Lodders (VVD)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-XVI-153.html
ID: 35300-XVI-153

Nr. 153 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 22 januari 2020

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 2 december 2019 overleg gevoerd met de heer Bruins, Minister voor Medische Zorg en Sport, over:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2020 (Kamerstuk 35 300 XVI);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 12 augustus 2019 inzake reactie op verzoek commissie om aan te geven welke concrete stappen het kabinet zet om invulling te geven aan de motie-Diertens c.s. over een bid voor het WK voetbal in 2027 (Kamerstuk 30 234, nr. 231);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 24 september 2019 inzake analyse aanvragen Specifieke Uitkering Stimulering Sport (Kamerstuk 30 234, nr. 233);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 16 september 2019 inzake werkprogramma NLsportraad 2020 (Kamerstuk 30 234, nr. 232);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 30 september 2019 inzake reactie op verzoek commissie over een kabinetsreactie op voorstellen voor de verbetering van de zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland (Kamerstuk 30 234, nr. 234);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 4 oktober 2019 inzake concept deelakkoord 6 Topsport die inspireert! (Kamerstuk 30 234, nr. 235);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 11 november 2019 inzake brancherapport Sport van de Nederlandse Sportraad (NLsportraad) (Kamerstuk 30 234, nr. 238);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 7 november 2019 inzake advies Regie op kennis (Kamerstuk 30 234, nr. 237);

  • de brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport d.d. 25 november 2019 inzake informatie over het Nationaal Sportakkoord en de voortgang op lopend beleid (Kamerstuk 30 234, nr. 240).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Lodders

Griffier: Bakker

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van Aalst, Diertens, Remco Dijkstra, Rudmer Heerema, Lodders, Van Nispen, Von Martels en Westerveld,

en de heer Bruins, Minister voor Medische Zorg en Sport.

Aanvang 10.01 uur.

De voorzitter:

Goedemorgen allemaal. Hartelijk welkom bij de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en, waar vandaag de nadruk op ligt, Sport. Aan de orde is het wetgevingsoverleg, onderdeel sport en bewegen van de begroting VWS 2020 en aanverwante zaken. Het feit dat het een wetgevingsoverleg is, betekent dat we het begrotingsonderdeel uit de reguliere begrotingsbehandeling gehaald hebben. VWS is natuurlijk al behandeld in de plenaire zaal, maar om wat meer aandacht, en misschien gewicht, te geven aan dit onderdeel is ervoor gekozen om een apart wetgevingsoverleg te organiseren. Hartelijk welkom aan de Minister voor Medische Zorg en Sport en zijn ondersteuning. Hartelijk welkom aan de Kamerleden, en hartelijk welkom aan de mensen hier in de zaal en de mensen die het debat op een andere manier volgen.

We hanteren de begrotingsvolgorde. Ik ga zo een voorstel doen, want ik zie dat de eerste spreker er nog niet is. Maar voordat ik het woord ga geven aan de Kamerleden, wil ik richting de Kamerleden aangeven – ik wijs u er nu op, en vanmiddag aan het eind zal dat nog een keer gebeuren – dat we morgen stemmen over de ingediende moties en amendementen. Dat betekent dat, mocht u nog plannen hebben om een amendement in te dienen, dat echt vandaag moet gebeuren. Morgen bij aanvang van de stemmingen gaan we dus over alles stemmen. Ik zou heel graag dit hele overleg voor hebben gezeten, maar helaas heb ik vanmiddag een andere, ingelaste, bijeenkomst. Ik ben zo vrij geweest om een collega van mij te vragen, zodat ik niet een van u hoef te vragen en u gewoon het debat met elkaar kunt voeren. Vanaf 13.00 uur zal dus de heer Remco Dijkstra het voorzitterschap overnemen. Dan heb ik volgens mij de dienstmededelingen gehad. Een laatste nog, trouwens: aan het einde van de inbreng van de Kamer gaan we schorsen. Dat zal waarschijnlijk samenvallen met een lunch, misschien wel een vroege lunch, maar we gaan even zien hoe het uitkomt. Ik zou als eerste het woord geven aan meneer Van Aalst, maar die is nog niet binnen. Ik weet niet of hij komt?

De heer Von Martels (CDA):

Voorzitter. Ik heb even contact met de heer Van Aalst gehad. Ik heb gevraagd of hij nog voor de blessuretijd komt. Hij zei dat hij misschien nog komt, maar voorlopig even niet.

De voorzitter:

Dank voor deze ondersteunende dienst. Zullen we het dan zo doen dat ik als eerste de woordvoerder van GroenLinks het woord geef? Dat lijkt me netjes. Het woord is aan de vertegenwoordiger van de fractie van GroenLinks. We hebben spreektijden. Uw fractie heeft twaalf minuten; dat is inclusief de tweede termijn. Aan het aantal interrupties ga ik, als het enigszins binnen de perken blijft, geen maximum stellen. Maar ik doe wel een beroep op u. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Een jaar geleden vertelde ik in dit overleg dat we ook binnen de GroenLinks-fractie een eigen zaalvoetbalteam hebben, dat toen een paar weken bestond. Toen verloren we behoorlijk, met cijfers als 12–0 en 9–1, totdat de tegenstander het ons toestond om met een speler extra in het veld te spelen. Toen verloren we nog steeds, maar wel met minder hoge cijfers. Die lijn wordt voortgezet. Inmiddels spelen we niet meer met een extra speler, verliezen we helaas wel nog steeds, maar zien we wel dat die stijgende lijn voortgaat. Dat is volgens mij ook de essentie van sport: dat je toch met elkaar probeert om door te blijven zetten, dat je met elkaar één team bent en dat je ondanks tegenslagen niet opgeeft. Ik hoop eigenlijk dat ik er over een jaar verslag van mag doen dat we wel een aantal wedstrijden hebben gewonnen; dat zou mooi zijn.

Voorzitter. Ik zei het al: de essentie van sport is dat je beweegt, dat je met elkaar meedoet, dat je laat zien dat je één team bent. Sporten en bewegen is belangrijk voor je gezondheid en welbevinden, maar ook voor je sociale netwerk. We weten ook dat sporten en bewegen schoolprestaties verbetert, dat het mensen uit de eenzaamheid helpt te geraken en dat het energie geeft. Een sportclub is vaak de verbindende plek in een wijk of in een dorp. Daarom is het ook belangrijk dat we ervoor gaan zorgen dat iedereen kan sporten. Inclusie in de sport staat wat GroenLinks betreft voorop, want het sportveld is ook de plek waar mensen met verschillende achtergronden elkaar tegenkomen. Op het sportveld is iedereen gelijk. Helaas zien we nog wel te veel dat sommige groepen te weinig of niet sporten of bewegen. Mensen die een laag inkomen hebben, sporten bijvoorbeeld minder vaak. Gemeenten hebben ook vaak tekorten op het sociale domein. Die kijken dan waar ze kunnen bezuinigen. Die kijken ook naar sportsubsidies, die juist ten goede komen aan mensen die wat minder geld te besteden hebben. Omdat gemeenten dus tekorten hebben en soms op deze subsidies korten, komt de betaalbaarheid van sporten in het geding.

De Minister stelt in zijn laatste brief dat gemeenten volledig worden gecompenseerd voor de hoge kosten die ze hebben. Hij heeft ons een overzicht gegeven van het uitkeringsplafond van de regeling specifieke uitkering sport, de SPUK. Daarin zegt de Minister dat hij voor een heel groot deel die hogere kosten die sportorganisaties hebben ook compenseert. Maar toch horen we uit het veld dat er anders naar wordt gekeken. Kan de Minister vertellen waar dat verschil volgens hem in zit? Is de Minister bereid om die specifieke uitkering sport eventueel te verhogen? Is hij ook bereid om te kijken naar de hoogte van de huidige contributies en die jaarlijks te monitoren, zodat we daar zicht op blijven houden en we hier in de Kamer een vinger aan de pols kunnen houden als het gaat om de betaalbaarheid van de sport?

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, is er een vraag van de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat is een terecht punt van GroenLinks. Ik hoor de vraag of de Minister de tarieven wil monitoren. Vindt mevrouw Westerveld zelf ook niet dat we dan eigenlijk een beetje laat zijn? Want dan zijn die tarieven mogelijk verhoogd, iets wat we volgens mij allemaal niet willen en wat ook in strijd is met de beloftes van de Minister dat alle wijzigingen in de belastingregeling de sport in ieder geval niet zouden raken. Zouden we de Minister niet moeten vragen om iets anders te verzinnen dan het in de gaten blijven houden van de mogelijkheid dat de tarieven onverhoopt gaan stijgen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik ben het helemaal met de heer Van Nispen eens. Als we het nu monitoren en over een jaar of zo zien dat die tarieven verhoogd zijn, dan zijn we te laat. Dus als er suggesties komen om dat nu wat beter in de gaten te houden, dan sta ik daar natuurlijk heel erg voor open. Ik gaf net al aan in mijn inleiding dat, wat ons betreft, sporten voor iedereen betaalbaar zou moeten zijn. We zien ook juist dat mensen die wat minder te besteden hebben, minder sporten. Ik vind het heel belangrijk dat we daar hier als Kamer heel scherp op zijn.

De heer Van Nispen (SP):

Daar ben ik het ontzettend mee eens. Ik ben blij met dit antwoord; ik had eigenlijk ook niet anders verwacht. Maar ik denk dat we vooral de Minister moeten vragen om zaken te verzinnen. Wij kunnen nu als Kamer natuurlijk allerlei suggesties doen en met wilde bedragen gaan gooien, maar er zijn hier in de Kamer gewoon beloftes gedaan. Dus ik hoop echt dat we daar vandaag gezamenlijk de Minister aan zullen houden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

De Minister hoort dit ook. Ik ben dus heel benieuwd hoe hij hierop reageert. Maar ik ben het volledig met de heer Van Nispen eens.

Voorzitter. Inclusie betekent ook dat mensen met een beperking kunnen sporten, en dat is nu lang niet altijd het geval. Sporten in verenigingsverband kan enorm waardevol kan zijn, niet alleen omdat het mensen in een betere conditie houdt maar ook omdat het ervoor kan zorgen dat mensen uit hun sociale isolement worden gehaald. Het zorgt voor contacten en verbreedt je netwerk. Voor mensen met een beperking is het ook waardevol om mensen zonder beperking tegen te komen. Dat geldt ook andersom. Het gaat erom dat je elkaar tegenkomt, en dat gebeurt op de sportclub.

Maar het wordt mensen die een beperking hebben, niet altijd makkelijk gemaakt. Ik ken een rolstoelhockeyer die een crowdfunding was gestart om een nieuwe rolstoel te kunnen betalen. We vinden het met elkaar heel belangrijk dat mensen kunnen blijven rolstoelhockeyen, maar die rolstoelen zijn zeker niet goedkoop. In dit geval had de gemeente een regeling waarbij zij voor een aantal jaar, namelijk voor drie jaar, een bedrag vaststelde. Die rolstoel gaat veel langer mee dan die drie jaar, maar die is ook wel een flink stuk duurder dan het bedrag dat de gemeente daarvoor had uitgekeerd. Ik vind het eigenlijk niet goed te verkroppen dat iemand dan een crowdfunding moet opstarten. Ik heb afgelopen weekend contact met hem gehad. Hij vertelde dat het inmiddels voor een deel geregeld was, ook omdat hij de juiste mensen kende. Ik vind dat wat zuur, wat ik hoor dit soort verhalen wel vaker.

Ik heb in eerdere debatten al een aantal keren gevraagd naar de vergoeding van een pace-pro voor kinderen. Dat is een bescherming van de pacemaker waardoor kinderen met een hartafwijking beter kunnen blijven sporten. De Minister heeft in zijn beantwoording van onze schriftelijke vragen daarover gezegd dat dit gewoon vergoed zou moeten worden, maar ik hoor dat dit in de praktijk niet altijd gebeurt. Dit zijn twee willekeurige voorbeelden van zaken die we misschien op papier wel goed hebben geregeld, maar die in de praktijk niet goed gaan. We weten ook allemaal dat die kleine investering die je dan doet, voor iemand een hele grote investering kan zijn. Die zorgt er ook voor dat mensen langer gezond kunnen blijven. Ik wil de Minister vragen of hij eens kan inventariseren hoe zorgverzekeraars en gemeenten omgaan met de vergoedingen voor hulpmiddelen, omdat er nogal een verschil lijkt te zijn tussen wat we op papier regelen en hoe dat in de praktijk gaat. In de praktijk blijkt er dus heel vaak onduidelijkheid over te zijn. Hopelijk kan de Minister daar eens een gesprek over voeren met zorgverzekeraars en gemeenten, en dat aan ons terugkoppelen.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik heb een verhelderende vraag. Betreft uw vraag alle hulpmiddelen voor sport, dus ook protheses en rolstoelen? Heeft u het dus over alle hulpmiddelen die nodig zijn zodat mensen mee kunnen doen met sporten?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ja, wat mij betreft wel, ook om specifiek te focussen op mensen met een beperking. Ik weet dat mevrouw Diertens al eerder flink wat aandacht heeft gevraagd voor het vergoeden van protheses zodat ook mensen die bijvoorbeeld een been missen beter kunnen sporten. Ik geloof dat die discussie tussen mevrouw Diertens en de Minister nog niet is afgelopen. De onderwerpen die ik nu aankaart over een rolstoel maar ook over een pace-pro, liggen volgens mij heel erg in het verlengde van de vragen die mevrouw Diertens eerder aan de Minister stelde: kan daar niet meer duidelijkheid over zijn en kunnen we er ook voor zorgen dat die hulpmiddelen gewoon altijd vergoed worden?

De voorzitter:

Mevrouw Diertens, is dit voldoende? Ja? Dan vervolgt u uw betoog, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Een inclusief sportklimaat betekent ook dat we aandacht moeten besteden aan veiligheid, bijvoorbeeld bij turnen. Ook daar heb ik eerder schriftelijke vragen over gesteld. De Minister zei geschokt te zijn door de documentaire Turn!. Het is mooi dat de turnbond er alles aan doet om een veilig sportklimaat te garanderen, en dat het op papier allemaal in orde is, maar toch bestaan dit soort situaties. We zien dat ook omdat bij het Centrum Veilige Sport Nederland van juni tot november 40 casussen per maand extra binnen zijn gekomen. In de brief van NOC*NSF staat dat 70% van die casussen gaat over vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat is behoorlijk veel. Het is goed dat er melding wordt gemaakt, maar hoe gaan we beter voorkomen dat het nog gebeurt, zo vraag ik de Minister.

Voorzitter. Als we het hebben over veiligheid, moeten we het ook hebben over geweld en racisme. Helaas komt dat nog steeds voor in de sport. Een incident zoals bij de wedstrijd tussen Den Bosch en Excelsior kreeg veel aandacht. Dat vind ik terecht, maar er zijn natuurlijk veel vaker incidenten van racisme of agressie op of naast het voetbalveld. We zien nu al dat de aandacht heel erg uitgaat naar de sporten op professioneel niveau, terwijl de amateurtak zo onderbelicht blijft. Maar juist daar is ook steun nodig, want daar draait het om vrijwilligers. Je zult maar een amateurscheidsrechter zijn die op een zaterdag of zondag voor twee tientjes een wedstrijd fluit en dan wordt overvallen door bijvoorbeeld verbaal geweld langs de zijlijn. Wat doe je dan? Zijn ook amateurscheidsrechters of amateurclubleden voldoende toegerust? Als je in het bestuur van een club gaat, doe je dat vaak naast je baan of naast je werkzaamheden. Dan ben je er vaak minder goed op voorbereid dan wanneer je er professioneel mee bezig bent. Is de Minister bereid om nog eens te kijken naar een onderwerp dat ik al eerder heb aangekaart, namelijk de bereidheid om te melden? We weten dat er ook heel veel incidenten plaatsvinden die niet altijd worden gemeld. Hebben wij daar wel voldoende zicht op? Is de Minister bereid om daar toch eens samen met de KNVB verder onderzoek naar te laten doen of om beter in kaart te brengen wat er allemaal gebeurt, of er voldoende wordt gemeld en wat de belemmeringen zijn om te melden?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik heb een korte vraag. De SP en de VVD hebben een motie over veiligheid in stadions ingediend in de Tweede Kamer, om door middel van camera's in stadions te kijken wat er gezegd en gedaan wordt. De KNVB heeft zelf, niet alleen op het hoogste niveau maar juist ook op amateurniveau – denk aan VoetbalTV – de mogelijkheid om te kijken wat er op velden gebeurt, ook om de belevenis van sport echt in de huiskamer terecht te kunnen laten komen. Maar daar zit wel een probleem aan, namelijk privacy. Mijn vraag aan GroenLinks is de volgende. Waar ligt voor u, voor GroenLinks, het zwaartepunt op het moment dat er een keuze gemaakt moet worden tussen ofwel de privacy van de spelers op het veld of van de mensen die langs te kant staan om in de gaten te kunnen houden wat er gebeurt, ofwel de mogelijkheid om aan de hand van die camerabeelden mensen te kunnen oppakken? Geldt de privacy zwaarder of geldt het kunnen oppakken zwaarder?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik vind dat een goede vraag. Precies deze discussie hebben we gehad in de fractie toen wij het hadden over de motie die door SP en VVD is ingediend. Het privacyaspect is voor onze fractie inderdaad ook heel belangrijk. Tegelijkertijd weten we ook dat er vrij ernstige incidenten gebeuren. Soms kun je het misschien bijna geen incidenten meer noemen. We weten ook dat er gewoon veel vormen van verbaal en fysiek geweld zijn. Precies om die reden hebben we voor de motie gestemd die is ingediend. Het blijft voor ons wel iedere keer opnieuw een punt van afweging. Dus op het moment dat er opnieuw dit soort voorstellen gedaan worden, om bijvoorbeeld ook in de amateursport meer gebruik te gaan maken van microfoons en camera's, zullen we die discussie echt opnieuw in onze fractie voeren. Dit is voor ons soms namelijk een lastig punt, moet ik heel eerlijk zeggen.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Afrondend. Ik ben inderdaad bezig om te kijken of ik in de tweede termijn met een voorstel kan komen, juist om te zorgen dat het veiliger wordt op de amateurvelden. GroenLinks geeft aan dat ze dat opnieuw zullen moeten bespreken in de fractie, dus we wachten af wat daaruit komt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan een vraag van mevrouw... Althans, ik heb geen vraag gehoord van u. Wilt u nog reageren op de heer Heerema, mevrouw Westerveld?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Nee. Ik ben benieuwd naar de motie, want ik vind het wel heel belangrijk dat we inderdaad gaan inzetten op veiligheid. Dus ik ben gewoon heel benieuwd.

De voorzitter:

Ja, helder. Ik ging iets te snel. Mevrouw Diertens heeft ook een vraag. Gaat uw gang.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ben het natuurlijk ook eens over die veiligheid. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn. Maar ik heb een vraag over de privacy en over de financiering van de veiligheidsmaatregelen. Gaat dat van het sportbudget af? Hoe ziet u dat? Dat was wel een vraag die bij mij opkwam, omdat het best kostbare zaken zijn. Als dat er nog bovenop komt bij die sportverenigingen, vraag ik me af hoe we dat kunnen borgen en of dat niet een samenlevingsvraagstuk is in plaats van een sportvraagstuk.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dat is ook een mooi punt, en het is precies het volgende punt in mijn spreektekst.

De voorzitter:

Mevrouw Diertens wacht even op het onderdeel dat u nu gaat brengen, en voordat u daarmee verdergaat, heeft de heer Von Martels een vraag. Gaat uw gang.

De heer Von Martels (CDA):

Mevrouw Westerveld schetst het probleem met racisme dat speelt in de sport. Zij wil het breder trekken, dus ook naar de amateursport. Ik hoor mevrouw Westerveld ook een aantal vragen stellen, maar heeft GroenLinks ook enkele oplossingen om dit probleem goed aan te pakken en om eens een keer echt door te pakken?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

In een eerder debat – ik weet niet of dat een jaar geleden is of iets langer geleden – hebben wij een motie ingediend. Die heeft het toen niet gehaald. In de motie stond het verzoek om breder in kaart te brengen hoe groot het probleem nu is, omdat we dat nu niet precies weten. We hadden ons in de motie specifiek gericht op het voetbal, omdat dat een hele grote sport is en omdat het mijn vermoeden is dat het dilemma van verbaal geweld en racisme daar groter is dan in andere sporten. Wij wilden dat eerst eens wat beter in kaart brengen. Want als je niet precies weet wat de omvang van een probleem is, kun je ook moeilijk met oplossingen komen. Daar begint het dus wat ons betreft mee.

De heer Von Martels (CDA):

Daarop voortbordurend: zijn er geen mogelijkheden te bedenken om gemeenten meer bevoegdheden te geven om bijvoorbeeld clubs aan te pakken die geen goede voorzorgsmaatregelen hebben getroffen ten aanzien van dit probleem? Moeten we de rol van de gemeenten niet wat versterken?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik vind dat een hele goede vraag. Ik weet eigenlijk niet precies wat de bevoegdheden van de gemeente zijn. Ik heb zelf in de gemeenteraad van Nijmegen gezeten, waar ik ook woordvoerder sport was. Ik weet nog dat we dat debat een aantal keren in de Nijmeegse raad hebben gevoerd: als er incidenten plaatsvinden op een voetbalveld, wat gebeurt daar dan aan? Ik weet dat toen ook de burgemeester en de wethouder een aantal keren met besturen in gesprek zijn gegaan, waar dan uiteindelijk wel een oplossing uit kwam. Maar ik weet niet precies of we de bevoegdheden van de gemeenten nog verder moeten vergroten. Ik ben wel benieuwd of de Minister daar een antwoord op heeft, want ik weet gewoon niet precies wat er allemaal binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Mijn volgende punt is dat ik besef dat wij steeds meer vragen van sportverenigingen, bijvoorbeeld als het gaat om racisme en geweld, of dat nu verbaal of fysiek is, maar ook als het gaat om alcoholgebruik. Clubs krijgen soms hele hoge boetes op het moment dat ze een biertje geven aan iemand die geen legitimatie kan laten zien of die onder een bepaalde leeftijd zit. Ik vind het goed dat we die eisen stellen, maar tegelijkertijd merk ik dat er op een gegeven moment grenzen zitten aan wat je kunt doen als organisatie die draait op vrijwilligers. Dat zou ik ook aan de Minister willen voorleggen. Als we het hebben over dit soort zaken, zoals het niet verstrekken van alcohol en het aanpakken van geweld, seksueel misbruik en intimidatie, kunnen we dan meer vragen van de clubs? Vindt de Minister dat we dit nog allemaal kunnen vragen? Of zullen we uiteindelijk ook eens moeten kijken naar meer middelen voor clubs, ook financiële, om dit op een professionele manier aan te pakken? Want volgens mij zit daar een spanningsveld. En ik besef heel goed dat wij hier in de Kamer ook onderdeel zijn van dat spanningsveld door telkens maar meer te vragen van verenigingen die uiteindelijk draaien op vrijwilligers. Ik ben daar nog niet uit, maar ik ben ook heel benieuwd hoe de Minister daarnaar kijkt.

Dat is misschien ook een reactie op wat mevrouw Diertens net aan mij vroeg. Als we zaken gaan inventariseren, wie moet dat dan betalen? Kunnen we dat vragen van clubs? Ik denk dat we dat op een gegeven moment niet meer kunnen vragen. Daar zit een grens aan, en dat heeft ook te maken met de betaalbaarheid van de sport. Er zit ook een grens aan wat we kunnen vragen aan, en wat we hier allemaal eisen van mensen die op vrijwillige basis in een bestuur zitten.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik voel heel erg met u mee, want ik denk dat we de sportverenigingen gewoon moeten koesteren. Ik heb nog wel een vraag naar aanleiding van mijn motie van vorige keer over het versterken van de sportclubs, van de arbeidsmarkt. Mevrouw Westerveld spreekt steeds over vrijwilligers. Is zij het ook met mij eens dat wat meer professionalisering, ook binnen de gewone verenigingen, een kans zou kunnen bieden om vrijwilligers meer bij de sport te betrekken en die arbeidsmarkt te versterken? Ik heb het met die professionalisering hier dus niet alleen over het topsegment. Op die manier kan de slagkracht van verenigingen ook groter worden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik ben dat met mevrouw Diertens eens. Sterker nog, ik denk dat we steeds meer toe gaan naar de professionalisering van sportorganisaties. Ik heb het inderdaad heel veel over de sportverenigingen die draaien op vrijwilligers. Als je ziet wat we vragen en eisen van organisaties in de brede zin van het woord, ontkom je er niet aan om meer naar professionalisering toe te gaan. En ook daar zit natuurlijk een spanningsveld, omdat de financiële middelen vaak beperkt zijn. Als je wilt professionaliseren, moet je daar wel financiële middelen tegenoverstellen. Anders kan professionalisering niet.

De voorzitter:

Voldoende, mevrouw Diertens? Ja. Mevrouw Westerveld, u heeft nog drie minuten spreektijd, inclusief de moties die u zou willen indienen in de tweede termijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Misschien heeft dat ook wel te maken met het grote aantal interrupties dat ik nou heb gehad.

De voorzitter:

Nee, want bij interrupties wordt de tijdmeting stilgezet.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Een terugkerend thema bij het debat over sport is de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Daar hebben zowel collega Diertens als ik al een aantal keren naar gevraagd. De Minister geeft aan dat er wettelijke regelingen zijn, bijvoorbeeld voor zwangerschapsverlof, waar ik eerder naar vroeg. Maar als ik cao's doorneem in de verschillende takken, dan krijg ik toch een beetje de indruk alsof die cao's vooral gericht zijn op mannen. Ik vraag de Minister of hij dit onderwerp nog eens zou willen agenderen in zijn gesprekken met NOC*NSF.

Ik kom op de evenementenlijst van de publieke omroep. De Minister van Onderwijs en Media wil de Nederlandse vrouwencompetitie niet op de evenementenlijst zetten. Ik zou de Minister van Sport eens willen vragen om hiernaar te kijken met een sportbril op. Is het dan niet gek dat we in die evenementenlijst voor de eredivisie mannen soms tot op de minuut nauwkeurig in de lijst opnemen hoeveel aandacht ervoor moet zijn, terwijl de vrouwen daarbij totaal worden genegeerd?

Hier laat ik het bij, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Heerema. Hij spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat u gang.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Voorzitter. Sport verbroedert mensen in een steeds meer diverse en gepolariseerde wereld. Bij sport heb je plezier. Mensen genieten van sport. Je wordt fitter van sport en mensen kijken graag naar sport. Bij sport komen mensen bij elkaar, ontstaan vriendschappen en wordt eenzaamheid verdreven. Maar het is wel de vraag hoe sport als verbindende factor de beste plek kan krijgen en houden in onze veranderende samenleving.

Het sportveld is het afgelopen jaar, met name lokaal, flink in beweging gekomen. Het is heel mooi om te zien dat er in zo veel gemeenten, in 339 gemeenten heel hard is gewerkt aan een lokaal sportakkoord. De sportformateurs hebben hun werk afgerond. De papieren akkoorden zijn klaar. Het is nu aan de uitwerking om ervoor te zorgen dat er meer badmutsen in het zwembad komen, meer hockeysticks op het veld en meer rennende kinderen ook op dat veld. Dat is de cruciale stap. Want uiteindelijk gaat het niet om de papieren tijgers die we kunnen schrijven, maar om het praktische effect op het sportveld.

Ik heb daarom gevraagd of er sanctiemogelijkheden zijn voor gemeenten die geen of te weinig resultaten bereiken. Dat antwoord was in eerste instantie positief: dit zou mogelijk zijn. Maar helaas werd dit gecorrigeerd in de laatste brief van de Minister. Maar toch zoek ik naar een middel om ervoor te zorgen dat het geld dat voor de sport bedoeld is, ook bij de sport terecht gaat komen, en niet in overlegstructuren gaat zitten. Heeft de Minister bijvoorbeeld een toetsingskader met resultaatafspraken? En wanneer is een lokaal sportakkoord succesvol? En wie heeft eigenlijk het eigenaarschap van dat lokaal sportakkoord? Wie kunnen we als politiek aanspreken?

Het is heel goed om te zien dat een aantal sportverenigingen een serieuze partner zijn in het lokaal sportakkoord. Maar in het afgelopen jaar is ook pijnlijk blootgelegd dat een groot aantal sportverenigingen helemaal niet kan aanhaken. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze de dagelijkse gang van zaken maar net aankunnen. Ze doen er echt alles aan op lokaal niveau, maar de basis is vaak onvoldoende op orde. Als wij het afpellen, lopen sportverenigingen grofweg tegen vijf problemen aan. Ten eerste een kwalitatief goed bestuur, ten tweede voldoende gediplomeerde trainers, ten derde voldoende vrijwilligers, ten vierde de financiële zaken op orde hebben en ten vijfde kunnen opereren in de steeds professioneler wordende wereld. Onze unieke verenigingsstructuur staat onder druk. De klachten daarover hoor je niet zo snel, want de sport is gewend om zelf tot het uiterste te gaan om te proberen de problemen op te lossen. Een heel goede eigenschap, maar noodzakelijke hulp kan dan te laat komen. Als wij echter willen dat sportverenigingen die belangrijke rol in de lokale samenleving kunnen innemen, dan is het noodzakelijk dat wij sportverenigingen op die vijf punten gaan helpen.

Er zitten middelen in het Sportakkoord om zowel sportbonden als verenigingen te ondersteunen. Ik ga de effecten van het Sportakkoord daaraan toetsen. De vraag moet gesteld worden in hoeverre sportbonden binnen de huidige bezetting voldoende ondersteuning kunnen bieden aan al die sportverenigingen met vragen over het lokaal sportakkoord. Dit loopt in totaal in de tientallen fte's, waar sportbonden niet op voorbereid waren en vaak in personele zin niet aan kunnen voldoen, terwijl ze daar in financiële zin ook geen ruimte voor hebben. De kloof tussen kleine en grote bonden dreigt hierdoor groter te worden. Het gaat er dan om of je als sportbond mee kan komen, of dat je het niet redt.

Kleinere bonden krijgen het al lastiger in de komende jaren, want de bijdrage van NOC*NSF aan kleinere bonden wordt, als ik het goed begrepen heb, de komende jaren gehalveerd. Als we hier geen verbetering in zien, moeten we het Sportakkoord en daarmee ook de financiering gaan herijken. Wij moeten dan ofwel de ambitie verleggen, ofwel meer ondersteunen.

Volgend jaar wordt een belangrijk jaar.

De voorzitter:

Voor u verdergaat, een vraag van mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

ik heb een vraag over het Sportakkoord. Ik ben er zelf wel nieuwsgierig naar – maar misschien kan de heer Heerma daar antwoord op geven – in hoeverre mensen die ingezet worden om deze akkoorden te bereiken, ook bij welzijnsorganisaties in dienst zijn, in plaats van bij gemeenten of sportclubs. Ik heb het gevoel dat dit ook wel heel erg aan de gang is.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik weet dat niet. Wel zie ik bijvoorbeeld in mijn timeline op Twitter veel mensen die ik ken uit de sportwereld voorbijkomen die trots melden dat zij hebben geholpen om een lokaal sportakkoord voor elkaar te krijgen. Dat is heel mooi om te zien. Ik volg iets minder mensen uit het welzijnswerk, dus ik zie vooral de sportformateurs, uit de sportwereld, voorbij komen.

De voorzitter:

Voldoende? Ja. De heer Heerma vervolgt.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik ben daarom ook bijzonder geïnteresseerd in het advies over de financiering van de sport, dat wij straks van de Sportraad zullen krijgen. Ik hoop dat daarin scenario's zitten op basis waarvan wij niet alleen binnen hetzelfde beleidskader gaan kijken. De Minister heeft zelf aangegeven dat de koek groter moet zijn. Ik ben dat met hem eens. Daarom de vraag wat de relatie met het Preventieakkoord is. In het regeerakkoord staat dat sportbonden een duidelijke partner in het Preventieakkoord zijn, maar in de praktijk zie ik dat niet terug. Ik weet dat de Minister niet over het Preventieakkoord gaat, want dat is aan de Staatssecretaris, maar elke keer als het daar over sport gaat, wordt er doorverwezen naar de Minister voor Sport. De sport mag niet de dupe worden van dit kat-en-muisspelletje. Ik kan zo vijf à zes sportbonden opnoemen die dolgraag met resultaatsafspraken willen meewerken aan het Preventieakkoord. Ik noem de rookvrije club, de obesitasbestrijding, de gezonde kantine en het betrekken van ouderen. Maar dan moet het kabinet daar wel de ruimte voor geven. En omdat de Staatssecretaris vooral kijkt naar het verbieden van zaken, willen wij juist dat het betrekken van sport, zoals in het regeerakkoord staat, als kans benut wordt. De Staatssecretaris geeft onvoldoende thuis. Wil de Minister er dus vanuit zijn verantwoordelijkheid voor sport alles aan doen om zijn Staatssecretaris te helpen, te ondersteunen en te verleiden om tot deelname van sportbonden in het Preventieakkoord te komen? Wellicht kunnen de preventiemiddelen toegevoegd worden aan het Sportakkoord. Het is immers hetzelfde ministerie.

Voorzitter. Ik zou het verstandig vinden als gelijktijdig met het advies van de Sportraad ook een beter zicht op de arbeidsmarkt in de sport komt: voor coaches, trainers, scheidsrechters. We verwachten veel van de sport en er wordt ontzettend veel gedaan door honderdduizenden vrijwilligers. Het is een economische factor van 1,4 miljard. Maar ook degenen die carrière willen maken in de sport, moeten een gunstig perspectief hebben. Kan de Minister toezeggen dat in de brede discussie over de financiering van de sport ook het arbeidsmarktperspectief een onderdeel zal zijn? Is de Minister bereid daar onderzoek naar te doen?

De heer Van Nispen (SP):

Met mijn excuus, want het is alweer een tijdje terug in het betoog, maar ik zocht naar een geschikt moment voor een interruptie. Het gaat over de betaalbaarheid en financiering van de sport. Veel vragen zijn zeer terecht. Ik ben benieuwd naar de antwoorden. Ik ben ook benieuwd naar het advies van de Sportraad daarover. Maar even over al die gemeentelijke sportakkoorden. De rol van gemeentes in sport is natuurlijk ontzettend groot, vooral om veel jongeren aan het sporten te krijgen, maar ook om ouderen aan het sporten te krijgen en bij van alles en nog wat. De financiën bij de gemeentes zijn echter beperkt. Die zijn echt ongelooflijk beperkt. Veel gemeentes hebben het heel erg moeilijk. Er zijn grote gaten bij de jeugdzorg, de decentralisatie uit het verleden: noem het allemaal maar op. Hoe gaan we voorkomen dat de sport op een of andere manier de dupe daarvan gaat worden?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Dat is een terechte zorg. Daar waar middelen op lokaal niveau flexibel weg te nemen zijn, zie je dat cultuur en sport ten koste kunnen gaan van bijvoorbeeld de tekorten in de jeugdzorg. Ik maak me daar ook zorgen over. Daarom ben ik ook zo benieuwd naar het advies van de Sportraad over hoe de financierbaarheid van de sport minstens op peil kan blijven en het liefst groter kan worden. Het zou mij niet verbazen als... Laat ik het zo zeggen: ik hoop dat daar uitkomt dat de rol voor de landelijke overheid hierin groter zou moeten zijn. Als dat zo is, dan ben ik zeker bereid om juist vanuit mijn partij iets daarover te zeggen in ons volgende verkiezingsprogramma. Als wij zien dat de sport op lokaal niveau lijdt onder keuzes die lokaal gemaakt worden en wij kunnen dat landelijk een betere vorm, sturing en ondersteuning geven, dan ben ik zeker bereid om daar niet alleen over mee te denken, maar ook om eraan mee te doen.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

We hebben nu wel een hele rare situatie. De rijksoverheid is ongeveer rijker dan ooit. Er zijn miljarden aan begrotingsoverschot. Maar de gemeentes hebben het verschrikkelijk moeilijk. Die moeten zo ongeveer overal op bezuinigen. Even heel concreet over de sport: we hadden afspraken gemaakt met de Minister. De heer Heerema heeft de afgelopen jaren uitgebreid deelgenomen aan de discussie over die ingewikkelde btw-sportvrijstelling. Gemeentes zouden niet de dupe worden van al die wijzigingen in de belastingregels. Dat dreigt nu wel te gebeuren. Slechts 81% van de aanvragen van gemeentes wordt vergoed. Gemeentes schieten er 43 miljoen euro bij in. Dan denk ik: dat is niet zoals we hebben afgesproken met de Minister? Gemeentes waarschuwen ons dat de tarieven voor zwembaden omhoog dreigen te gaan en dat de contributies van sportverenigingen omhoog dreigen te gaan, omdat die verenigingen weer meer moeten gaan betalen voor hun accommodaties. Dat is precies wat we hier allemaal niet willen. Ik ben zelf ook zoekende. Ik zeg het er meteen maar bij. Wat is nou de concrete boodschap van de heer Heerema aan de Minister, anders dan: we gaan bij ons volgende verkiezingsprogramma weer eens kijken hoe we het anders kunnen financieren? Dat is een terecht punt, maar het komt niet tegemoet aan de zorgen van vandaag de dag.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Mijn komende drie pagina's gaan over de SPUK-regeling, waar u het over heeft. Ik heb er ook een voorstel in zitten, want ik heb uw interruptiedebatje met mevrouw Westerveld gevolgd over wat mogelijke oplossingen zouden zijn. Ik heb er in ieder geval één oplossing in zitten waar ik hopelijk een positieve blik van de Minister op krijg, juist om te zorgen dat die betaalbaarheid niet onder druk komt te staan. Daarbij probeer ik wel uit te leggen dat ik snap dat het volgend jaar waarschijnlijk lastig is. Het jaar erna, met de verevening, komt het mogelijk op orde. Daar gaan mijn komende pagina's over.

Voorzitter. Een belangrijk onderwerp bij het AO Sport in juni, is de SPUK-regeling geweest. Ik ben blij dat de Minister extra geld heeft losgekregen bij de Minister van Financiën. Dat is al een hele prestatie bij die koppige blokkeerfries. Maar we moeten ook constateren dat er geen 100% dekking is voor de aangevraagde middelen. Het gaat om een dekking van 82%, waardoor gemeenten in problemen zouden kunnen komen. Het gekke is dat er veel meer is aangevraagd dan voorzien. Ik kan de redenatie volgen dat er wellicht in totaal voldoende compensatie is voor de daadwerkelijke kosten, na verevening volgend jaar. Maar kunnen we de gemeenten die het juiste bedrag hebben aangevraagd, die nu die 82% krijgen en mogelijk na verevening pas het resterende bedrag, niet de helpende hand bieden? We weten dat het totaalbedrag genoeg moet zijn. Dan is het voor mij moeilijk denkbaar dat we het risico nemen dat we in 2020 iets afbreken wat in de jaren daarna extra moeite kost om weer op te bouwen. Het verhogen van tarieven voor sporthallen heeft direct effect op de sportdeelname. Als die lager wordt, moeten we extra hard werken en investeren om dat terug te winnen. Zijn er mogelijkheden om gemeenten die er 100% zeker van zijn dat ze na de verevening de resterende 18% krijgen, op voorhand te helpen met een voorschot of iets dergelijks? Als ik het goed snap wat er in de brief staat, is er niet meer geld nodig, maar flexibiliteit en misschien wat geschuif om het straks na de verevening goed geregeld te hebben, zonder dat de sport er lokaal gezien onder lijdt. Daar wil ik heel graag een antwoord van de Minister op hebben.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik vroeg me af of in de overwegingen van de heer Heerema, die ik van harte ondersteun, ook gevraagd wordt hoe het kan dat die sportverenigingen, ondanks dat we zien dat ze in nood zijn, zo terughoudend zijn in het aanvragen van subsidie. Zou daar eens naar gekeken kunnen worden? Wat is de oorzaak? Heeft men slechte informatie of zijn er andere oorzaken die leiden tot het niet aanvragen, waardoor het lijkt alsof er voldoende geld is?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Het is mij het afgelopen jaar heel duidelijk geworden, zeker in relatie tot lokale sportakkoorden, is dat heel veel verenigingen – het lijkt te gaan om 70% tot 75% – moeite hebben met de vijf dingen die ik opgenoemd heb. Het gaat gewoon om de kwaliteit van de vereniging en om het verder kunnen kijken dan de basis. Als je als sportvereniging jouw positie in die prachtige lokale maatschappij wil kunnen innemen, dan moet je de basis op orde hebben. Zolang je dat niet hebt, kun je moeilijk meedoen in zo'n lokaal sportakkoord, omdat je gewoon heel druk bezig bent om die basis op orde te krijgen. Je kunt de kleppen dan nog niet openzetten. Ik zou me heel goed kunnen voorstellen dat het kunnen opereren in die steeds professionelere wereld met meer papier, meer subsidieaanvragen, meer wet- en regelgeving, lastig is voor vrijwilligers die één, twee avonden per week in zo'n bestuur plaatsnemen om daar de juiste route te vinden. Dat zou volgens mij best een oorzaak kunnen zijn.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik snap dat dat voor sommige sportorganisaties geldt, maar je hebt natuurlijk ook sportbedrijven die wel op de lijn zitten. Die zijn natuurlijk niet landelijk dekkend. Zou daar ook een verschil in zitten? Dat soort bedrijven vraagt hier ook via de mail aandacht voor. Het is een probleem. Hoe doen wij dit met de kleinere gemeenten, die misschien niet een zelfstandig sportbedrijf hebben?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik heb eerlijk gezegd geen oplossing hoe kleinere gemeenten zonder eigen sportbedrijf het beste met subsidies kunnen omgaan. Toen ik zelf nog in de gemeenteraad van Alkmaar zat, hebben we de bewuste keus gemaakt om het sportbedrijf op afstand te zetten en je ziet dat daar kleinere gemeenten als Bergen bij aangehaakt zijn. Ik zou me kunnen voorstellen dat je een soort lokaal samenwerkingsverband organiseert voor zo'n sportbedrijf. Het is volgens mij niet aan ons hier in de Kamer om te zeggen hoe dat het beste kan. Ik zie alleen dat het op lokaal niveau wel op deze wijze gebeurt. Ik zou het van harte ondersteunen als het op lokaal niveau een oplossing zou kunnen zijn.

Voorzitter. Bijzondere aandacht wil ik schenken aan de ouderen. Het is een groep die steeds groter wordt, graag wil bewegen, fitter oud wil worden, maar moeite heeft om aansluiting te vinden bij de sportvereniging. Ik heb in juni gezegd dat ik een initiatiefnota zou schrijven om te komen tot een sport- en beweegfonds voor ouderen. Waar ik er eerst van uitging dat het vooral een fonds moest zijn van waaruit ouderen alleen maar begeleid zouden moeten worden naar de sportvereniging, blijkt na onderzoek dat er veel meer aan de hand is. Er zijn te weinig trainers en coaches om deze groep onder de hoede te nemen, er is een groep ouderen die net als bij jongeren via het Jeugdfonds Sport & Cultuur financiële hulp kan gebruiken, en om onverklaarbare redenen staan sporthallen zelfs naast het bejaardentehuis overdag gewoon leeg. Kortom, er is meer aan de hand. Dat moet je niet met een initiatiefnota willen regelen, dat verdient gewoon een prominente plek in ons verkiezingsprogramma en dat zal het ook krijgen.

We hebben onlangs het laatste hoofdstuk van het Sportakkoord gekregen: Topsport en evenementen. Ik heb daar een paar vragen over. We hebben mooie stappen in het regeerakkoord gezet voor evenementen. We hebben structureel 5 miljoen euro extra voor topsportevenementen. Daarmee kunnen we sportbonden en gemeenten goed ondersteunen. We hebben een nieuw evenementenkader, waardoor we grote topsportevenementen beter zouden moeten kunnen ondersteunen. Maar ik zou wel willen weten hoe realistisch de hoogte van ons evenementengeld is en wat we nog kunnen verbeteren aan het evenementenkader. Nu is bijvoorbeeld alleen op voorhand een bijdrage aan een topsportevenement mogelijk. Maar juist die gemeenten, die hun nek uitsteken voor de organisatie van bijvoorbeeld een prachtig EK – laten we het EK Wielrennen in Alkmaar als voorbeeld nemen – worden gestraft als de voorbereidende paperassen minder goed zijn dan de praktische uitwerking en het effect van zo'n evenement achteraf. Het EK in Alkmaar is in belachelijk korte tijd belachelijk goed georganiseerd. Daar zou best wat waardering voor mogen komen, want dit was pure, pure reclame voor Nederland. Blijkbaar werkt het afvinksysteem dat we nu hebben niet goed genoeg. Dat heeft het EK in Alkmaar wat mij betreft wel uitgewezen.

Bij het debat in juni heb ik gesproken over een interdepartementaal loket voor de organisatie van grote evenementen. Daar is simpelweg behoefte aan. De maatschappij wordt juridischer en lastiger, en er zijn steeds meer regels waaraan moet worden voldaan. Dan is het voor organisatoren echt een uitkomst als er één loket is, in plaats van dat ze moeten aankloppen bij het Ministerie van VWS, Financiën, Economische Zaken en Binnenlandse Zaken, en bij elk ministerie een verschillend signaal krijgen. Ik heb de motie die ik toen ingediend heb, om te komen tot een interdepartementaal evenementenloket, aangehouden. En ik ben benieuwd of de Minister in de afgelopen zes maanden een beter beeld heeft kunnen krijgen, wat ik nu graag wil, en of hij ziet dat hier nu ook een meerwaarde is. Graag een reactie van de Minister hierop, want ik overweeg om de motie opnieuw in te dienen.

Voorzitter. Elke keer als we een debat over sport voeren, zal ik over topsport spreken. En vandaag spreek ik over een bijzondere groep, namelijk de groep die talent heeft, maar een thuissituatie heeft waar het financieel lastig is. Het is zo zonde als dit talent vanwege die reden verloren gaat. Ik heb reeds via een amendement op de onderwijsbegroting kunnen regelen dat er vanuit het Ministerie van OCW geld naar die groep kinderen gaat. Er was tot afgelopen jaar geld vanuit het Ministerie van Sociale Zaken, maar dat is stopgezet. Deze middelen liepen via NOC*NSF, en ik zou willen dat ook het Ministerie van VWS hieraan bij gaat dragen. Daarom heb ik een amendement ingediend om € 50.000 te reserveren om talentvolle kinderen in arme gezinnen te ondersteunen. Ik verneem graag de reactie van de Minister op dit amendement.

Voorzitter. Voordat ik tot een afronding kom, heb ik nog drie losse vragen. In 2022 is Den Haag de Europese sportstad van het jaar. Dit lijkt mij een uitstekende aanleiding om in het jaar 2022 in Den Haag een groot sportcongres organiseren. Ik weet dat er voorzichtig gedacht wordt aan het jaarcongres van het Europees Olympisch Comité. Kan de Minister hier een oriënterend gesprek met NOC*NSF over voeren?

Mijn tweede vraag betreft het aanvragen van een topsportsubsidie. Klopt het dat die jaarlijks aangevraagd moet worden bij het ministerie? En als dit zo is, wat zijn daar dan de voor- en nadelen van? Ik kan me namelijk goed voorstellen dat er wat topsport betreft in olympische cycli gehandeld wordt.

Dan mijn laatste vraag, voor mijn afronding. De KNVB heeft een heel mooi instrument ontwikkeld om de voetbalvereniging beter te ondersteunen. Dit initiatie heet VoetbalTV. Hiermee kan een wedstrijd ook thuis bekeken worden, is er informatie beschikbaar als er incidenten zijn op of om het veld en kan een vereniging zichzelf beter op de kaart zetten. Maar – natuurlijk is er een maar – de Autoriteit Persoonsgegevens heeft een nieuwe beleidslijn uitgezet, na de introductie van VoetbalTV. Daardoor wordt VoetbalTV onnodig afgeremd. Dit lijkt op doorschieten in de privacysfeer. Mijn vraag aan de Minister is of deze problematiek bekend is, en in hoeverre die beleidslijn aan te passen is tot iets dat beter werkbaar is.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Mijn nadruk ligt op de sportvereniging, de sportvereniging die nauwelijks het hoofd boven water kan houden en daarom haar rol in het lokale maatschappelijke veld niet kan pakken. We hebben die sportvereniging zo ontzettend hard nodig. Onze maatschappij heeft uitdagingen op het gebied van zorg, onderwijs, veiligheid en integratie. En ik ben ervan overtuigd dat sport hier een unieke bijdrage aan kan leveren. Maar dat kan pas als die noodzakelijke basis op orde is. En dat is nog niet zo. Die vijf aspecten die ik heb genoemd, moeten we het hoofd bieden. Dan is het lokale maar ook het nationale sporttekort voor mij de kapstok om desnoods in een volgend kabinet de noodzakelijke ondersteuning voor verenigingen te regelen vanuit een zero-based begroting.

Voorzitter. For the love of sports, want sport is en blijft het mooiste, het meest verbindende en het meest kansrijke onderwerp in deze Kamer.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik heb een vraag over het amendement dat de heer Heerema heeft ingediend en waarover we morgen gaan stemmen. Wij hebben daar in onze fractie dus al een discussie over gevoerd. Het gaat in het amendement om een bedrag van naar ik meen € 100.000, terwijl de heer Heerema het net had over € 50.000. Wij hebben in de fractie een discussie gevoerd over de volgende vraag. Het geld wordt nu bij onderwijs weggehaald om aan kinderen te geven die in armoede leven en die dat bijvoorbeeld kunnen gebruiken voor reiskosten of voor middelen die zij nodig hebben. Ik vind dat een heel goed doel. Ik heb er alleen moeite mee dat dat geld bij het onderwijs wordt weggehaald. We weten allemaal dat er in het onderwijs grote tekorten zijn. Ik zou de heer Heerema dus willen vragen of er geen andere dekking voor dit amendement gevonden kan worden.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Het gaat om twee amendementen. Het eerste amendement betreft € 100.000 uit de Onderwijsbegroting specifiek bedoeld voor NOC*NSF om die pot die we vorige jaren hadden opnieuw te vullen, en dan niet vanuit Sociale Zaken maar vanuit Onderwijs. Omdat het om een combinatie van onderwijs en sport gaat, lijkt het mij niet meer dan logisch dat ook het Ministerie van Sport daar een duit in het zakje doet. Dat ministerie doet, wat mij betreft, in het tweede amendement voor € 50.000 mee, zodat er één mooi bedrag van € 150.000 ontstaat, waarmee deze kinderen begeleid kunnen worden. En ja, ik ben het ermee eens dat er in de Onderwijsbegroting andere mogelijke bestedingsdoelen zitten. Maar het gaat om € 100.000 waarmee we tientallen kinderen die heel specifiek een talent hebben, kunnen helpen. In de afweging om het hieruit of ergens anders vandaan te halen, vind ik € 100.000 op een begroting van 24 miljard te verdedigen. Gelukkig heeft dat amendement oordeel Kamer gekregen. Ik ben benieuwd naar het oordeel van deze Minister over het amendement binnen de begroting Sport. Volgens kunnen we daarmee echt tientallen kinderen die het nodig hebben, ondersteunen in die ambitie om naast een moeilijke thuissituatie toch ook iets belangrijks in de sport te kunnen doen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik vind het een verhelderende uitleg, maar ik blijf erbij dat we er moeite mee hebben waar het geld vandaan moet komen. We hebben geen moeite met het doel waaraan het besteed moet worden. We zullen vanavond in onze fractie die discussie nog verder voeren.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb nog een korte vraag aan de heer Heerema. Het valt mij op dat hij in zijn betoog een aantal keer benadrukt dat hij er zijn best voor zal doen dat in een volgend VVD-verkiezingsprogramma iets weer opgenomen wordt. Dat vind ik prachtig, al hoop ik niet dat de VVD heel groot wordt bij de volgende verkiezingen. Maar goed, dat even terzijde. Dezelfde opmerkingen maakte hij ook weleens in de vorige periode, wat bij mij de volgende vraag oproept. Het is toch niet zo dat het VVD-verkiezingsprogramma een hoger goed is dan het vandaag bij elkaar zitten als volksvertegenwoordigers om zaken te kunnen doen? En als het zo is dat de heer Heerema bepaalde goede dingen die hij wil voor de sport, nog niet voor elkaar krijgt... Ik geloof niet dat hier nou coalitiepartijen zitten die hem het leven zuur aan het maken zijn op het gebied van sport en bewegen. Dus hoe zit het nou? Als hij goede voorstellen heeft, dan steunen we die toch gewoon! Dan hoeven wij toch niet te wachten op een volgend verkiezingsprogramma van de VVD?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Dat is een hele mooie vraag. Wij hebben in de vorige periode steeds gezegd: in deze periode moeten wij een stap kunnen maken. Dat is gelukkig ook gebeurd. We hebben 25 miljoen extra voor de sport kunnen regelen. Dat is bijna een kwart meer ten opzichte van de begroting van 2015. Ik ben gewoon heel erg blij dat we dat kunnen organiseren. Maar volgens mij is er meer nodig. En op dit moment, als je midden in zo'n periode zit, is het moeilijker om de muntjes te verdelen – laat ik het zo maar heel simpel noemen – dan als je een regeerakkoord schrijft waarin je grote keuzes kunt maken. Volgens mij moeten we niet meer denken over een paar miljoen extra of een paar miljoen eraf. We moeten volgens mij groter durven denken dan een beetje meer of een beetje minder. En als je praat over grote substantiële bedragen voor de sport, dan praat je wat mij betreft over een verkiezingsprogramma waarin mensen een uitspraak doen. Volgens mij is het dan heel verstandig dat mensen juist wel voor sport op de VVD stemmen, want daar zal in komen te staan dat wij substantieel willen bijdragen aan sport ten opzichte van wat we nu doen. Daar heb je een uitspraak van de kiezer voor nodig. Daar heb je een onderhandeling voor een regeerakkoord voor nodig. Hopelijk hebben we dan een hele grote stap kunnen maken, in plaats van een beetje geld links of een beetje rechts.

De heer Van Nispen (SP):

Ik geloof niet dat er op dit moment kiezers zijn die zeggen: de heer Heerema wil te veel voor de sport; daar gaan we de VVD eens even op afrekenen, want daarom heb ik niet op de VVD gestemd. Zo zit het volgens mij gewoon niet. We zitten hier allemaal bij elkaar. We willen allemaal goede dingen voor de sport. De ervaring leert dat we nooit heel erg ver uit elkaar liggen bij de zaken die wij belangrijk vinden en waar wij de Minister nog extra toe aansporen. Ik noem een voorbeeld. U heeft in juni aangekondigd met een initiatiefnota te komen om ouderen meer te laten deelnemen aan sport. Fantastisch. Dat wachtten we af. Nu horen we: dat gaat naar het VVD-verkiezingsprogramma. Ik begrijp best dat als je iets onderzoekt het anders kan komen te liggen. Maar ik wil de heer Heerema echt aanmoedigen om niet nu zijn plannen op te schuiven. Wat mij betreft zijn er snel verkiezingen, maar als we een beetje pech hebben, zijn ze er pas in maart 2021. Ik vind het wel zonde om de zaken die we belangrijk vinden tot die tijd op te schuiven. Dat is mijn aansporing aan de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Volgens mij heb ik voor 2020 een heel aardige insteek gehad in mijn betoog, juist ook omdat die lokale sportakkoorden een grote, belangrijke rol gaan krijgen in 2020. Dat wordt voor mij een heel mooi ijkpunt om vervolgens het toekomstperspectief te gaan schetsen. Op basis daarvan zullen we dat gaan doen. Maar dan is dit jaar wel een heel belangrijk jaar om juist te komen tot zo goed mogelijke voorstellen.

De voorzitter:

Hartelijk dank. U was aan het einde van uw betoog. Dat betekent dat ik nu naar de heer Van Nispen ga voor zijn betoog, zeg ik tegen de heer Von Martels. Graag geef ik het woord aan de heer Van Nispen. Hij spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

De heer Van Nispen (SP):

Heel veel mensen hebben liefde voor sport, om het zelf te doen, of om ernaar te kijken, maar sport is zoveel meer dan dat. Sport heeft zoveel meer te betekenen, voor sociale contacten, voor de ontwikkeling van jong en oud, voor onze hele samenleving. Sport zorgt voor verbroedering en betrokkenheid. De maatschappelijke kracht van sport is enorm groot. Ik blijf daar namens de SP op terugkomen. We moeten er meer aan doen om kinderen te leren hoe leuk het is om te bewegen. Bewegingsarmoede is echt een probleem aan het worden. Nog los van deze belangrijke maatschappelijke betekenis moeten we en mogen we wat mij betreft ook naar de financiële kant van de zaak kijken. We bespreken hier immers niet voor niets de begroting. Sport en bewegen is een bijzonder kleine kostenpost, maar het zou weleens een hele slimme investering kunnen zijn. Het is geen gekke gedachte dat sport ons veel op kan leveren.

Uit onderzoek van Kenniscentrum Sport bleek al dat er hoge maatschappelijke opbrengsten zijn door sport. Er wordt zelfs geschat dat de maatschappelijke opbrengsten tweeënhalf keer zo hoog zijn als de kosten. Dat was nog maar een voorzichtige schatting. Die opbrengsten komen voor een vrij groot deel bij het bedrijfsleven terecht. Denk aan een hogere arbeidsproductiviteit en een lager ziekteverzuim. Maar sport leidt ook tot afnemende zorgkosten en hogere leeropbrengsten. Ik vraag de Minister om nader onderzoek te doen naar de effecten en opbrengsten van investeringen in sport en bewegen. Want het zou toch fantastisch zijn als we nog beter kunnen onderbouwen dat de investeringen nu ons in de toekomst veel op zouden kunnen leveren? Ik hoop echt dat dat onderzoek er over een jaar kan zijn, niet alleen met het oog op nog te schrijven verkiezingsprogramma's, zeg ik dan toch maar – ik maak me er zelf ook schuldig aan – maar ik wil echt dat de Minister onderzoek gaat doen, want dat lijkt me heel erg belangrijk.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik weet dat meneer Van Nispen vragen heeft gesteld over de relatie van zorgkosten tot kwaliteit van leven. Daar heeft de Minister op geantwoord. Ik vond dat een summier antwoord. Is dit een vervolgvraag daarop of ziet u daar nog andere kansen in?

De heer Van Nispen (SP):

Dank voor de vraag. Ik heb die Kamervragen inderdaad gesteld, omdat uit onderzoek van Kenniscentrum Sport bleek dat, simpel gezegd, elke euro die je erin doet een opbrengst heeft van € 2,50. Dat zal natuurlijk niet altijd gelden en dat moet je wel slim doen, maar dat moeten we juist nader onderzoeken. Maar daarvan zei de Minister in de beantwoording inderdaad: zo'n nader onderzoek heeft voor mij geen prioriteit. Dat heeft me wel verbaasd. Dat vind ik gewoon echt raar. Heel veel mensen hebben de mond vol van de stijgende zorgkosten, dat we die niet zouden kunnen betalen – ik denk dat het ook een kwestie is van verdelen – maar we moeten daar gewoon naar durven kijken, ook naar wat de investeringen in sport en bewegen ons op een slimme manier op zouden kunnen leveren. Vandaar deze vragen aan de Minister. Ik zou het heel mooi vinden als we daarop samen kunnen optrekken.

De voorzitter:

Mevrouw Diertens, is dit voldoende? Dan vervolgt u uw betoog, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Alle mooie woorden en plannen en sportakkoorden ten spijt zijn er in gemeenten op dit moment gewoon weer financiële problemen die de sport raken. We hebben een ingewikkelde discussie gehad over de btw-sportvrijstelling: we hebben de SPUK en we hebben de BOSA. Dat is allemaal vrij technisch, maar het komt er gewoon op neer dat gemeenten er miljoenen bij inschieten. En gemeenten hebben het financieel al zo ontzettend moeilijk. Dat is dus heel tegenstrijdig. Investeringen op lokaal niveau worden hierdoor ongedaan gemaakt, en lokale sportakkoorden en de betaalbaarheid van de sport komen in de verdrukking. Het is letterlijk aan het gebeuren. Hogere tarieven voor het gebruik van accommodaties voor verenigingen worden doorbelast in contributies of in de kaartjes voor zwembaden. Mensen die al weinig geld hebben, gaan nu nog minder sporten. Dat is toch precies wat we niet willen? En we hadden toch duidelijke afspraken gemaakt met deze Minister? Wijzigingen in de belastingregels zouden de sport niet raken, maar dat gebeurt nu wel. Gemeenten blijven zitten met een rekening van 43 miljoen euro. Het in de gaten houden van de tarieven, zoals de Minister voorstelt, is volgens mij geen oplossing voor het probleem. Ik vind het goed dat hij het doet, maar het is geen oplossing, want dan ben je volgens mij gewoon te laat. Sport wordt duurder voor een grote groep en volgens mij moeten wij dat vandaag niet accepteren. Daarom verwacht ik ook een oplossing van de Minister.

Mensen met een beperking die sporten: het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn, maar dat is het nu helaas niet. Slechts 34% van de mensen met een beperking sport structureel, tegenover 59% van de mensen zonder beperking. Dat verschil is echt veel te groot. Misschien is het wel verklaarbaar, maar we moeten ons er niet bij neerleggen. Is de Minister bereid om het uitgangspunt te omarmen dat het beleid erop gericht moet zijn dat in 2030 mensen met een handicap net zo veel deelnamen aan sport als mensen zonder beperking? Is de Minister bereid om te onderzoeken wat ervoor nodig is om dit te bereiken? Daarnaast is er een mooi initiatief om hulpmiddelen, zoals een basketbalrolstoel of een handbike, uit te lenen. Dat sluit misschien wel aan op het punt van mevrouw Westerveld. Het heet Wheels2Sport. Het is prachtig om mensen kennis te laten maken met een sport zonder dure investeringen. Kan de Minister toezeggen dat hij dit onder de aandacht brengt van de lokale bestuurders? Ik hoop niet dat de Minister straks aankomt met het argument dat dit zich niet verhoudt tot de marktwerking. Dan kies ik namelijk voor de mensen met een beperking die willen sporten, en de Minister hopelijk ook.

Voorzitter. Dan kom ik op het voetbal. Fout geld in het voetbal is een probleem. We moeten fout geld zien te weren, omdat het de financiële integriteit raakt. De KNVB doet daar volgens mij veel aan, maar kan het niet alleen. Is de Minister bereid om te laten bekijken hoe de mogelijkheden van de KNVB verruimd kunnen worden om ongewenste investeerders te verhinderen clubs over te nemen, door betere informatie-uitwisseling met overheidsinstanties die relevante informatie hebben? Zo kan beoordeeld worden of er sprake is van geld uit illegale activiteiten of zelfs crimineel gedrag. We moeten voorkomen dat clubs ten prooi vallen aan cowboys. Is de Minister ook bereid om in gesprek te gaan met collega's van Financiën en Justitie en Veiligheid en met banken over het weren van betaaldvoetbalorganisaties? Ook dat is aan het gebeuren en ook dat is een risico.

Wat de SP betreft moeten we ook de rol van de supporters vergroten. Steeds meer clubs worden overgenomen door private investeerders. In het buitenland hebben dit soort overnames er al toe geleid dat sommige clubs, waar mensen jarenlang met hart en ziel naartoe gingen, gewoon kapot zijn gemaakt door foute investeerders in combinatie met slecht beleid. Voetbal mag niet worden gekaapt. Voetbal is van en voor de mensen die een club door dik en dun steunen. Het is vaak hun leven. Het zit bij mensen in hun hart. Het is belangrijk voor gemeenschappen. De SP wil daarom dat voetbalsupporters meer te zeggen krijgen over de zaken die de identiteit van de club raken. De supportersvereniging zou bijvoorbeeld een vetorecht moeten krijgen op voorgestelde wijzigingen die betrekking hebben op de naam, het logo, de clubkleuren en de thuisbasis van de club. Supporters zouden een plek kunnen afdwingen in het commissariaat, zodat hun stem gehoord wordt bij beleidsbeslissingen. Ook kan worden afgesproken dat maximaal 49% van de aandelen verkocht mag worden aan een externe investeerder. De meerderheid moet in handen blijven van de club zelf. Dit alles sluit ook aan op Europese initiatieven om betrokkenheid van fans beter te organiseren. Daarom vind ik het ook niet raar om de Minister vandaag te vragen om hierover in gesprek te gaan met de KNVB, met de clubs en met supporters om dit te bespreken, en om daarna met voorstellen te komen voor hoe supporters geholpen kunnen worden om dit af te dwingen. Het voetbal is namelijk van en voor de mensen, en niet van foute investeerders.

Mevrouw Diertens (D66):

Denkt de heer Van Nispen dan ook aan een quotum voor het aantal supporters in de raden van toezicht?

De heer Van Nispen (SP):

Quota zijn er in allerlei vormen en maten, maar dit voorstel gaat daar niet specifiek over. Ik heb als een van de mogelijkheden genoemd om de zeggenschap van supporters te vergroten door supportersverenigingen één plek in het commissariaat te geven. Dat is op sommige plekken wel zo en op andere plekken niet. Het is heel verschillend georganiseerd bij de voetbalclubs. Dit is een van de mogelijkheden om die betrokkenheid, die langetermijnvisie, het clubgevoel en de identiteit van de club te bewaken. Dit is een van de voorstellen.

Tot slot, voorzitter, kom ik op de zwemveiligheid. Ja, iedereen zat er al op te wachten en ik merk dat er hier iets gebeurt als ik daarover begin. Dat is altijd goed. Het aantal verdrinkingen stijgt en de zwemveiligheid neemt af. Ik schreef hierover deze zomer een uitgebreid eigen plan. De Nationale Raad Zwemveiligheid heeft hele mooie voorstellen gemaakt. Dit verdient de hartstochtelijke steun van de Minister, maar ik vind zijn reactie tot nu toe wel heel erg beperkt. De Minister wordt nu nog nergens concreet over. Ik haal er enkele zaken uit.

Wat gaat de Minister bijvoorbeeld nou doen om ervoor te zorgen dat de zwemveiligheid bij kinderen uit lage-inkomensgezinnen vergroot wordt en dat zwemmen op scholen weer normaal wordt? Ook als het klassieke schoolzwemmen er niet in zit, wat ik betreur, zijn er nog heel veel mogelijkheden, al was het maar om te signaleren welke kinderen nog niet kunnen zwemmen aan het eind van de basisschoolperiode, om hen door te verwijzen naar de fondsen die er daar wel voor zijn.

Ik kom op de kwaliteit van de diploma's en de veiligheid. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat die op orde zijn. Zwemleraren zijn bijvoorbeeld niet eens verplicht om een verklaring omtrent het gedrag te hebben, en de Minister is niet bereid om daar iets aan te doen. Waarom zouden we daar nu geen actie op ondernemen? En wat gaan we doen om ervoor te zorgen dat kinderen blíjven zwemmen? Zo is er nog veel en veel meer. Iets meer urgentie zou wel op zijn plaats zijn.

Ik kom op een iets algemener punt. Deze Minister is coördinerend bewindspersoon, maar ik mag toch hopen dat het Ministerie van IenW, het Ministerie van OCW en het Ministerie van Justitie en Veiligheid ook betrokken zijn? Als de Minister erkent dat zwemveiligheid ook voor hem belangrijk is, dan hoop ik wel op een toezegging voor financiële ondersteuning om de plannen van niet zozeer Kamerlid Van Nispen, maar van de Nationale Raad Zwemveiligheid ook echt vooruit te helpen. Ook voor 2020 zijn al middelen nodig voor de uitvoering van dat plan. Want het ministerie vroeg zelf aan de sector om met plannen te komen omdat de Minister dat zelf niet wilde doen. Dan vind ik het eigenlijk niet meer dan logisch dat de Minister dan ook verantwoordelijkheid zou kunnen nemen, ook financieel. Daarom heb ik een zeer bescheiden amendement ingediend. Maar een ruimhartige toezegging van de Minister vandaag incasseer ik natuurlijk ook graag, zelfs als daarvoor nodig zou zijn dat ik mijn amendement in zou moeten trekken. Maar de Minister mag dat amendement ook omarmen; dat laat ik aan de Minister.

Helemaal tot slot zeg ik dat de SP natuurlijk van mening blijft dat we álle kinderen meer kansen moeten geven om beter dan nu te leren bewegen. Daarbij past meer en beter bewegingsonderwijs van vakleerkrachten.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Ik kom nu uit bij de heer Von Martels. Is het uw eerste bijeenkomst als sportwoordvoerder?

De heer Von Martels (CDA):

Ja, dat klopt, voorzitter.

De voorzitter:

Hartelijk welkom in deze commissie op dit onderdeel. Ik geef u graag het woord. U spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.

De heer Von Martels (CDA):

Dat klopt allemaal. Dank u wel, voorzitter. Er zijn al heel wat zaken naar voren gebracht en ik hoop er nog een aantal aan toe te voegen.

Dikwijls wordt sport gepositioneerd als belangrijkste bijzaak in het leven. Ik ben ervan overtuigd dat dit voor heel veel mensen geldt, en sport zelfs nog veel verder reikt. Ook in mijn leven heeft sport altijd een voorname rol gespeeld. En nog steeds ben ik er zo bezeten van dat ik er dagelijks over zou kunnen en willen spreken. Vandaag, tijdens dit WGO, heb ik dus een uitgelezen kans om dit ook daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Het draait allemaal om sport als middel om andere doelstellingen te kunnen behalen.

De sport zou nergens zijn zonder onze vrijwilligers. Een op de vijf Nederlanders is minimaal actief als vrijwilliger in de sport. Het zijn vrijwilligers die de sportclub maken, en zij doen dat omdat zij dat belangrijk en leuk vinden. In het Brancherapport Sport wordt berekend dat vrijwilligers meer dan 1,4 miljard euro per jaar aan waarde bijdragen aan sportverenigingen. Het exacte bedrag is natuurlijk nooit aan te geven, maar voor het CDA zijn de vrijwilligers van onschatbare waarde. Onze unieke Nederlandse verenigingscultuur zou zonder hen niet mogelijk zijn. Wij zien het vrijwilligerswerk dan ook als het cement van de sterke samenleving die wij aan onze kinderen willen doorgeven.

Dit kabinet heeft de afgelopen jaren veel van de CDA-voorstellen om vrijwilligers te ondersteunen en te ontlasten, in actie omgezet. Meer vrijwilligers kunnen dankzij ons aanspraak maken op een gratis verklaring omtrent het gedrag. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is omhooggegaan. En gemeenten kunnen voor onder andere sportverenigingen een lagere ozb in rekening brengen. Ik noem daarmee slechts enkele punten. Dit leidt meteen tot mijn eerste vraag. Kan de Minister aangeven hoeveel gemeenten gebruikmaken van de mogelijkheid om een lagere ozb in rekening te brengen voor sportverenigingen?

Dat we al veel bereikt hebben voor vrijwilligers, betekent niet dat we genoegzaam achterover mogen leunen. Uit de Brancherapportage Sport blijkt immers dat de groep sportverenigingen toeneemt waar men onvoldoende vrijwilligers kan vinden. In de amateurtopsport ervaren bestuursleden ook dat zij en hun vrijwilligers als professionele werknemers worden behandeld door de overheid. In het regeerakkoord is afgesproken om schrapsessies met vrijwilligers in de zorg te organiseren. Zijn deze schrapsessies ook met sportvrijwilligers opgezet? Zo niet, wil de Minister dan bekijken of dit bijvoorbeeld met verenigingen uit de amateurtopsport opgezet kan worden? Clubs en kaderleden kunnen ook beter ondersteund worden met opleidingen en cursussen. In het kader van het Sportakkoord zijn er vouchers beschikbaar voor de ondersteuning van 5.000 clubs en 10.000 kaderleden. Kan de Minister aangeven hoeveel hiervan gebruik wordt gemaakt? En is dit aantal vouchers genoeg of wordt hierop overtekend?

Een van de directere manieren om sportverenigingen te ondersteunen is de subsidie voor de verduurzaming van sportaccommodaties. Een vereniging is gemiddeld 20% van zijn uitgaven kwijt aan energiekosten, dus hierop kunnen besparen, kan al heel veel schelen. Deze subsidie is er destijds gekomen dankzij het CDA en D66. Jaar in jaar uit was het potje geld voor het hele jaar al na enkele weken op. Hoe is dat dit jaar gegaan? Hoeveel sportverenigingen hebben een subsidie gekregen om hun accommodatie te verduurzamen? Hoeveel verenigingen hebben achter het net gevist?

Scouting Nederland is medeondertekenaar van het Nationaal Sportakkoord en heeft ook vele accommodaties in het hele land. Met 110.000 leden en 30.000 vrijwilligers is dit een organisatie die werkelijk vele jongeren aan het bewegen krijgt. Is het een idee om de regeling voor verduurzaming ook voor deze clubhuizen open te stellen?

De voorzitter:

Er is een vraag van de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

De begroting Sport is ongeveer 160 miljoen, exclusief de btw-compensatie die er nog bij zou kunnen komen als doorgeefluik. U praat nou over verduurzaming van verenigingen en clubhuizen et cetera. Zou het niet veel logischer zijn om de mogelijke middelen daarvoor – volgens mij bent u op zoek naar meer mogelijke middelen – niet binnen de begroting Sport te zoeken, maar bijvoorbeeld binnen een andere begroting waar de ruimte om geld wat flexibeler in te zetten veel groter is dan in die hele kleine Sportbegroting van 160 miljoen?

De heer Von Martels (CDA):

Ik kwam eigenlijk specifiek op voor Scouting Nederland, omdat die een beetje buiten schot blijft. Voor deze hele specifieke vraag doe ik ook een beroep op de creativiteit van de Minister om te kijken waar de mogelijkheden liggen. Dat daarnaar gezocht moeten worden, ben ik helemaal eens met de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Maar deze Minister kan alleen zoeken in zijn eigen begroting. Hij kan niet zoeken in de begroting van een collega, lijkt mij. Als dat over de schutting gebeurt, vinden Ministers dat volgens mij iets minder prettig. Ik zeg dus tegen het CDA: u kunt het inderdaad bij deze Minister over de schutting gooien, maar ik vind eigenlijk dat het CDA als initiatiefnemer van die verduurzaming ook zelf erop moet toezien dat het niet ten koste gaat van een sport in Nederland, als u meer geld wilt. Het geld moet niet worden gehaald uit de Sportbegroting, maar er moet gezocht worden naar geld binnen de begroting van een ander ministerie waar veel meer geld beschikbaar is, zodat de sport er niet onder lijdt.

De heer Von Martels (CDA):

Daar heeft de heer Heerema helemaal gelijk in. Ook binnen het kabinet wordt natuurlijk gekeken hoe men elkaar de helpende hand kan bieden. Het amendement van de VVD is heel erg gemaakt in contact met het Ministerie van Onderwijs om daar mogelijkheden te zoeken. Als je meer geld wilt... Ik vroeg tijdens mijn inbreng niet eens om meer geld. Ik vraag om aandacht voor de verduurzaming van de clubhuizen van de scouting, omdat die een beetje buiten schot blijven. Daar gaat het mij dus meer om. Ik heb tot nu toe niet gevraagd om extra geld. Integendeel, ik zoek juist binnen de mogelijkheden om tot versterking te komen van het sportbeleid.

Dat betekent dat ik verder kan gaan, voorzitter. De grootste investeerder in sportaccommodaties blijft toch de gemeente. Uit de satellietrekening sport van het CBS blijkt dat er in tien jaar tijd een enorme daling in de investeringen in sportaccommodaties is geweest. Ziet de Minister het risico dat dit kan leiden tot steeds verder verouderende sportparken en sportzalen? Hoe wordt gemonitord of de specifieke uitkering stimulering sport, die dit jaar is begonnen, deze trend daadwerkelijk keert? Is het huidige budget voor deze specifieke uitkering voldoende? Klopt het dat slechts 82% van het totaal aangevraagde budget voor de compensatie van de verruiming van de btw-vrijstelling wordt toegekend?

Voorzitter. Duurzaamheid in de sport gaat om meer dan alleen sportaccommodaties. De Zevenheuvelenloop is dit jaar bijvoorbeeld door de Europese Atletiekfederatie beloond met het predicaat «European Race of the Year», vanwege de doelstelling om met een duurzame race te komen. Zo zijn de medailles dit jaar van afvalhout gemaakt en de lintjes van gerecyclede petflesjes. De sportdrank werd dit jaar niet in plastic flesjes uitgedeeld, maar in balletjes van zeewier. Dat is wat het CDA betreft een prachtig initiatief. Hoe kunnen we stimuleren dat meer sportevenementen met dergelijke duurzame innovaties komen?

Er zijn 339 gemeenten aan de slag gegaan met de lokale sportakkoorden. Een prachtig succes, dat laat zien dat er behoefte is aan het stimuleren van lokale verbindingen in de sport. Die verbinding zouden wij ook graag zien met lokale preventieakkoorden. Het leefstijlakkoord van de gemeente Venray is een goed voorbeeld van een dergelijke verbinding. Supermarkten, zorgaanbieders, bedrijven en sportaanbieders hebben daar de handen ineen geslagen met als doel om in 2022 de gezondste jeugd en de gelukkigste senioren van Limburg te hebben. Is de Minister het met het CDA eens dat dit een prachtig voorbeeld is? Hoe ziet hij het voor zich om ook andere gemeenten op een dergelijke manier aan een fittere en vitalere bevolking te laten werken?

Twee weken geleden was ik op bezoek in de Achterhoek. Het regionale project Achterhoek in beweging is een voorloper en heeft dankzij de motie-Bruins Slot van vorig jaar een experimenteerstatus gekregen. Ook hier wordt een mooie verbinding gelegd tussen sport en preventie. Deze regio is nu klaar voor een volgende stap, waarbij ingezet wordt op preventie, gezondheid en het tegengaan van eenzaamheid. Is de Minister bereid om met de initiatiefnemers in gesprek te gaan om te bekijken of hij hier aanvullende ondersteuning kan bieden?

Over sport en preventie gesproken. In het Preventieakkoord is afgesproken dat de sportsector vanaf 2019 geen nieuwe contracten meer afsluit voor het plaatsen van reclame voor alcoholhoudende dranken langs sportvelden. Heeft de Minister er een beeld van in hoeverre men zich aan deze afspraken houdt?

In het Brancherapport sport van KPMG lezen wij dat de gestage verschuiving van het sportaanbod in Nederland een deel van de sportverenigingen en sportbonden in Nederland onder druk zet en dat innovatie nodig lijkt om een neerwaartse spiraal te voorkomen. In de grote steden zijn in het afgelopen jaar in het kader van het Sportakkoord de eerste vijf living labs gestart, met als doel sociale innovatie te stimuleren op het gebied van sport en bewegen. Wat zijn daarvan de voorlopige uitkomsten? En hoe zit het met de nieuwe goal van zestien living labs voor volgend jaar? Wij weten dat de georganiseerde sport vooral in krimpgebieden onder druk staat. Ziet de Minister de mogelijkheid om deze nieuwe goal van living labs specifiek in dergelijke regio's in te zetten?

In de sport zien we helaas ook de slechtste kanten van onze samenleving terugkomen. Discriminatie en racisme komen niet alleen in de sport voor, het gaat hier helaas om een breder maatschappelijk probleem. Maar als wij vinden dat de sport moet verbroederen en inspireren, kunnen wij niet accepteren dat discriminatie en racisme in de sport voorkomen. Het incident in Den Bosch van twee weken geleden is geen incident in het voetbal. Uit het recente rapport «Racisme, sociale kramp en innerlijke drijfkrachten in het betaald voetbal» van het Mulier Instituut blijkt opnieuw dat jonge profvoetballers met een migratieachtergrond discriminatie en racisme ervaren. Het is wat het CDA betreft in eerste instantie aan de sport zelf om hier actie op te ondernemen.

Afgelopen donderdag heeft de Minister met de KNVB afgesproken om tot een aanvalsplan te komen tegen racisme in het voetbal. Daar staan goede ideeën in, zoals meer gebruik van slimme camera's, het opzetten van een app om anoniem te kunnen melden en langere stadionverboden. Wanneer moeten deze maatregelen allemaal ingaan? Welke concrete acties zijn op korte termijn afgesproken? Gaat de KNVB vanaf nu echte straffen opleggen aan voetbalclubs waar onvoldoende opgetreden wordt tegen racisme, bijvoorbeeld door puntenaftrek? En wanneer kunnen we verwachten dat camera's en microfoons die toeschouwers in de gaten kunnen houden ook daadwerkelijk in alle stadions hangen? Welke lessen worden er uit het buitenland getrokken? In Engeland bijvoorbeeld straft men veel zwaarder.

Wat nog mist in de aanpak van de Minister en de KNVB, is de rol van de gemeenten. Wat het CDA betreft kunnen betaaldvoetbalorganisaties in ieder geval geen aanspraak meer maken op subsidies van de overheid als zij hun beleid op het gebied van het tegengaan van discriminatie en racisme niet op orde hebben. Is de Minister bereid om samen met de betrokken gemeenten afspraken vast te leggen over het niet meer financieel ondersteunen van betaaldvoetbalclubs die hun zaken niet op orde hebben?

De voorzitter:

Voor u verdergaat. Of is dit punt nog niet helemaal klaar?

De heer Von Martels (CDA):

Nog niet helemaal.

De voorzitter:

Maakt u uw punt dan even af. Daarna eerst de heer Van Nispen en dan mevrouw Westerveld.

De heer Von Martels (CDA):

Want gemeenten hebben op basis van artikel 172a en artikel 172b van de Gemeentewet de mogelijkheid om bestuursrechtelijk op te treden tegen individuen of groepen die de openbare orde ernstig verstoren. Wat het CDA betreft mogen gemeenten deze bevoegdheid vaker gebruiken bij racistische incidenten zoals in Den Bosch. Is de Minister bereid om dit met de gemeenten te bespreken?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan eerst de heer Van Nispen. Ga uw gang.

De heer Van Nispen (SP):

Allereerst het voorstel van het CDA om, een beetje naar Engels voorbeeld, te kijken hoe je individuen die zich schuldig maken aan wangedrag binnen stadions, veel strenger kunt straffen. Dat lijkt mij een goed idee. Het is ook iets wat we al veel eerder hebben voorgesteld.

Hoewel er ook heel veel goede vragen tussen zaten, heeft de rest van het pleidooi van het CDA me een heel klein beetje gestoord, omdat het heel erg leek op de eerste reactie van Minister Grapperhaus op de walgelijke racistische incidenten. Dat was niet de enige reden, het ging me om de inhoud. Het was namelijk vooral met de vinger wijzen naar de KNVB en de clubs. Het zou allemaal aan hen liggen. Ik zou van het CDA echter willen weten of het niet veel passender zou zijn als wij de vandalen en racisten – ik druk mij heel netjes uit – vaker strafrechtelijk zouden vervolgen. Daar ligt namelijk een rol voor de Minister van Justitie en Veiligheid. Dat hebben we al jaren tegen hem gezegd. Mede door de bezuinigingen van de VVD is de opsporing niet op orde. Er is heel weinig capaciteit bij de politie en het OM. Laten we gewoon kijken hoe we die mensen vaker individueel heel hard kunnen aanpakken, zonder het meteen te hebben over collectieve straffen voor hele grote groepen voetbalsupporters of sancties tegen clubs. Heel vaak willen de clubs het wel aanpakken. Waar ze in gebreke blijven, moeten we hen daarop aanspreken. Natuurlijk moeten we ook van gemeentes meer vragen, maar laten we kijken hoe we elkaar gezamenlijk kunnen versterken en niet wegkijken van wat de Minister zelf kan doen.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ben in ieder geval blij dat mijn antwoord erg lijkt op dat van Minister Grapperhaus, al bedoelde de heer Van Nispen het niet als compliment. Ik vind het prima, want het CDA denkt er inderdaad precies eender over. Moeten we de bal nu direct weer leggen bij politie en justitie, of leggen we de verantwoordelijkheid bij de clubs en eventueel bij de gemeenten? Dat laatste is waar ik voor gepleit heb en waar ik volledig achtersta. De manier waarop we het al jaren doen, werkt niet, dus we zullen verantwoordelijkheden moeten verleggen. Wat ons betreft, gebeurt dat meer richting de gemeenten.

De heer Van Nispen (SP):

Natuurlijk is het een gezamenlijke verantwoordelijkheid van clubs, de KNVB en gemeentes. Maar waarom zouden wij mensen die zich schuldig maken aan strafbare feiten niet heel hard aanpakken? Het is gewoon belediging. Het zijn feiten die in het Wetboek van Strafrecht staan. Nog even los van de politieke kleur van de Minister, moet de Minister juist in de spiegel kijken en denken: ik ga mijn bijdrage leveren aan het terugdringen van racisme in Nederland; ik ga die individuen vaker aanpakken. Ik vind het heel raar als het CDA zou zeggen dat we het strafrecht niet gaan inzetten hiervoor. Het voorstel van de SP en VVD, dat gelukkig is aangenomen, was nu juist om de pakkans te vergroten van de mensen die racistische leuzen scanderen. Door slimme camera's op te hangen, kun je de pakkans vergroten. Dan kun je die mensen echt aanpakken. Ik geloof niet altijd in het afschrikwekkende effect, maar hierbij wel. Ik hoop echt dat het CDA daar niet van terugkomt. Natuurlijk hebben de clubs, KNVB en gemeentes ook hun verantwoordelijkheid, maar het moet toch zeker ook in het strafrecht. Kom op!

De heer Von Martels (CDA):

Kijk, daarover verschillen wij dan weer niet van mening. Als er overtredingen worden begaan, zeker als het gaat over dit onderwerp, moeten die inderdaad keihard worden aangepakt. Maar het gaat er bij mij meer om wie de verantwoordelijkheid heeft om als eerste in actie te komen. Dat was de basis van mijn inbreng. Je kunt dit probleem pas gemeenschappelijk oplossen als je een wat zwaardere druk legt bij de clubs en de gemeenten.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Mijn vraag sluit hierbij aan. Ik hoor het CDA zeggen dat vandalisme en geweld een maatschappelijk probleem zijn. Tegelijkertijd is het in eerste instantie aan de sport zelf om het op te lossen. Als we het hebben over de amateursport en de amateurtopsport, vraag ik me af hoe we van clubs kunnen vragen dat zij met vrijwilligers dit soort maatschappelijke problemen oplossen. Zouden we hen daarin niet veel meer moeten ondersteunen?

De heer Von Martels (CDA):

Dat het een maatschappelijk probleem is, is zo helder als wat. Het is ook een probleem dat al jaren speelt. Ik las onlangs een interview uit 1991. Volgens mij was het een gesprek tussen Frénk van der Linden en Stanley Menzo. Als je dan leest wat hij allemaal over zich heen kreeg destijds. En wat is er sinds 1991 daadwerkelijk gebeurd? Heel weinig. We laten het allemaal maar voortsudderen. Daarom is ons pleidooi dat de clubs meer in beweging moeten komen. Hoe kan dat? Bijvoorbeeld met het inzetten van subsidies van gemeenten aan clubs. Hoe kunnen we die twee meer verantwoordelijk maken voor het maatschappelijke probleem dat door iedereen aan deze tafel onderkend wordt? Hoe kunnen we dat doen? Daar is het hele pleidooi op gericht. Ik begon met de betaaldvoetbalclubs. Mevrouw Westerveld begon over de amateurclubs. Ook amateurclubs hebben wel degelijk mogelijkheden om het bespreekbaar te maken binnen de club en om afspraken met de leden te maken over hoe ze omgaan met dit probleem.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, afrondend.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

De heer Von Martels zegt dat we het laten doorsudderen, maar volgens mij is dat juist niet wat er gebeurt. Volgens mij zien we juist dat verenigingen, of het nou amateurclubs zijn of professionele voetbalclubs, spelers en trainers steeds meer in actie komen. Vervolgens is het wel de vraag of dat wordt opgepakt. Worden mensen die zich schuldig maken aan racisme of geweld, inderdaad strafrechtelijk vervolgd? Worden clubs daar voldoende in ondersteund? Wat ik zie, is dat dit wel steeds meer door clubs zelf wordt aangetoond – het gebeurt en we vinden dit een probleem – maar dat het vervolgens aan de rest van de maatschappij en aan ons is om te zeggen: wij ondersteunen jullie daarin en wij helpen jullie om dit soort zaken niet alleen te signaleren maar er ook vervolgstappen in te zetten.

De heer Von Martels (CDA):

Volgens mij verschillen we niet zo veel van mening over dit onderwerp, maar het gaat om de nadruk. Waar leggen we de nadruk op? Hoe kunnen we er toch nog voor zorgen dat gemeenten en voetbalclubs tot nadere duiding komen van dit probleem? Doorsudderen? Er wordt wel degelijk aandacht besteed aan dit onderwerp binnen verenigingen. Er is ook wel enige winst te zien. Maar zeker in het betaald voetbal zien we nog steeds uitwassen. We zien dit soort incidenten nog steeds bijna wekelijks, met als negatieve uitschieter het incident in Den Bosch twee weken geleden.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik wil het probleem toch ook even benaderen vanuit het debat dat we een paar jaar geleden hebben gehad. Ik heb toen samen met uw collega Hanke Bruins Slot heel erg gepleit voor intensieve samenwerking tussen de Minister van Sport en de Minister van JenV. Ik noem matchfixing, ik noem dopingzaken. Ook dan wordt de relatie nooit gelegd met JenV. Dan is altijd de vraag: waarom wordt er niet eerder opgetreden? Het is iedereen duidelijk dat matchfixing niets met sport te maken heeft, maar dat sport als middel door criminelen wordt gekozen om hun acties uit te voeren. Dat geldt ook voor andere zaken die vanuit de samenleving in de sport terechtkomen. Dat is niet alleen de verantwoordelijkheid van de sport. We moeten preventief en duidelijker aan opsporing doen. Dat is een internationaal probleem.

De voorzitter:

Is de heer Von Martels het hiermee eens? U spreekt via de voorzitter.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ben het ermee eens dat er een intensievere samenwerking moet komen tussen in dit geval het Ministerie van Volksgezondheid en het Ministerie van JenV, maar dat geldt ook voor andere ministeries als het gaat om dit probleem.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Von Martels (CDA):

Ik kom bijna tot een afronding. Waar het voetbal wél hulp van de overheid bij mag verwachten, is het tegengaan van ondermijning en criminele inmenging van amateurverenigingen. Voor de zomer heeft het CDA een motie ingediend gericht op overleg met de KNVB naar aanleiding van het onderzoek naar criminele ondermijning bij clubs in Brabant en Zeeland. Onlangs bleek bij RTL opnieuw dat veel voetbalclubs signalen zien van criminaliteit op de vereniging. Is de Minister nú wel bereid om samen met het OM, de FIOD en de KNVB – een fantastische samenwerking – een breder onderzoek te starten naar de aard en omvang van criminele ondermijning in de sport? Komt dit vooral voor bij voetbal of ook bij andere sporten? Kan de Minister in dat onderzoek ook laten uitzoeken welke handelingsperspectieven sportbonden, sportverenigingen en gemeenten hebben om criminele ondermijning in de sport tegen te gaan?

Voorzitter, ten slotte nog een unicum. Binnenkort komt er een Kamervoetbalteam in actie. Mijn collega Dion Graus en ik hebben het initiatief hiervoor genomen en een twintigtal collega's hebben zich al aangemeld. Nu maar even afwachten wie er in de basis komen te staan. Mijn collega Mustafa Amhaouch is de coach. Het is de vraag of er in een drie-vier-drie-, vier-drie-drie- of vier-vier-twee-opstelling zal worden gespeeld. Met een CDA-coach zal ongetwijfeld geopereerd worden met een versterkt middenveld.

Tot zover, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Volgens mij heeft u dan ook nog een team nodig om tegen te spelen.

De heer Von Martels (CDA):

Die teams hebben we al gevonden: de politie, de journalisten, RTV Oost. Het wordt gewoon een toernooi.

De voorzitter:

U houdt ons vast en zeker op de hoogte. Mag ik u danken voor uw inbreng? Tot slot geef ik graag het woord aan mevrouw Diertens, die spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Diertens (D66):

Dank u wel, voorzitter. Racisme, homohaat, uitsluiting van mensen met een beperking of van mensen die net even iets anders zijn dan gewone mensen zijn in onze samenleving harder opkomende feiten. En dat hoort niet in de sport. Iedereen is gelijk en iedereen moet een kans hebben. Toch zien mensen de sport als het platform om hun idiote mensbeeld kwetsend of agressief uit te dragen. Dat we dit moeten stoppen en niet kunnen tolereren, lijkt mij niet alleen de verantwoordelijkheid van sportorganisaties zoals een KNVB. Ik hoor dan ook graag van deze Minister hoe hij gaat samenwerken met zijn collega Grapperhaus. Slecht gedrag moet bestraft worden. Pak racisme hard aan!

Sport is onderdeel van onze samenleving. Naast lol – het bekende woord van Onze Minister – kan de maatschappelijke positieve impact van sporten groot zijn. Een gezonde leefstijl geeft een betere kwaliteit van leven, zowel lichamelijk als mentaal. Toch bewegen we met z'n allen steeds minder. De World Health Organization berekende dat jongeren steeds minder sporten, vooral tieners en meisjes. In de rapportage van het SCP staat dat met name meisjes met een migratieachtergrond achterblijven bij de deelname aan sport. Dat is zorgwekkend, want jong starten is, naar ik hoop, heel lang bewegen. Helaas valt ook te constateren dat van de volwassenen met een laag inkomen, bijna de helft nooit sport. Klopt het dat een derde van de gemeentelijke regelingen, kortingspassen en sportfondsen toegankelijk zijn voor volwassenen? Hoe kunnen we die participatie meer stimuleren, vraag ik de Minister.

Ik heb zelf veel plezier beleefd – want ik behoor tot de doelgroep – aan walking football. Veel ouderen zien dat als een manier om vitaal te blijven en niet terecht te komen in een sociaal isolement of eenzaamheid. Wellicht kunnen we daar ook een competitie voor opstarten. Gelukkig vindt dit initiatief navolging bij andere sportbonden. Hoe kan de Minister helpen om bij dit bewegingsaanbod voor deze vaak vergeten groep in de samenleving tot een landelijke dekking te komen?

De sportsector is een groeiende sector. Daar had ik het in het vorige debat ook al over. Maar de sportsector is nog geen volwaardig en erkende arbeidsmarkt. Hier hebben we het tijdens ons vorige debat ook over gehad. Het symposium over het menselijk kapitaal in de sport heeft plaatsgevonden. Carrièreperspectieven en arbeidsomstandigheden zijn nog steeds onder de maat. De sportsector loopt al jaren achter bij de bv Nederland, zo stelt de werkgeversorganisatie in de sport. Kan de Minister aangeven welke thema's onderdeel gaan uitmaken van het streven om de sportsector als aantrekkelijke arbeidsmarkt vooruit te helpen? Graag meer info over de uitwerking van mijn motie.

Ook bij de uitwerking van het Sportakkoord is het belangrijk om de sportsector te verbeteren en toekomstbestendig te maken. Dat is ook in het belang van de vrijwilligers die baat hebben bij een professionele begeleiding. Goed werkgeverschap en professionalisering zouden moeten leiden tot een betere participatie van sport zelf in de lokale sportakkoorden. Herkent de Minister de signalen dat sportverenigingen nauwelijks betrokken zijn bij de totstandkoming van de sportakkoorden en dat buurtsportcoaches de naam krijgen van gemeentelijke vergadertijgers?

Als woordvoerder sport en preventie vraag ik hoe de Minister samenwerkt met zijn collega Blokhuis, die werkt aan lokale preventieakkoorden. Bij het preventiedebat heb ik een motie ingediend over een living lab in krimpgebieden, en deze motie is aangenomen. Hoe gaat de Minister samenwerken bij dat soort initiatieven?

Ik vind het teleurstellend dat 68% van de sportverenigingen nog nooit van het Preventieakkoord heeft gehoord. Is de Minister het met mij eens dat sport- en preventieakkoorden elkaar kunnen versterken? Liggen we op schema met 2.500 clubs die een gezondere kantine hebben? Wordt er in de leefomgeving ook innovatief nagedacht over de manier waarop we mensen tot meer beweging kunnen uitdagen of kunnen faciliteren? Ik zou het namelijk tijd vinden dat sportcomplexen uit de jaren zeventig gemoderniseerd worden. Denk bijvoorbeeld aan interactieve sportzalen. Waarom hebben we wel digiborden in scholen en geen digiborden in sportzalen? Sportaccommodaties kunnen omgebouwd worden tot gezellige community centra waar jong en oud samenkomen om te bewegen en te sporten. Op welke wijze moedigt de Minister deze innovaties aan? Hoe kunnen subsidieregelingen daaraan bijdragen?

Voorzitter. Het Nederlandse sportevenementenland, daar zijn we goed in. Ook de maatschappelijke impact van sportevenementen kan vervolgonderzoek gebruiken. Het is geweldig dat de Minister en de KNVB mijn motie om het WK Vrouwenvoetbal in 2027 in Nederland te houden, omarmen. Daarvoor is een haalbaarheidsstudie noodzakelijk, maar ook een studie naar de betekenis van sportevenementen in het algemeen. Wat zijn bijvoorbeeld de effecten van side events? Als we aan sportevenementen denken, past daar dan ook een evenement bij waarbij alle alle EK-para-sporten geclusterd worden in één groot evenement? Dat is goed voor het onderlinge contact, efficiënt in de kosten en interessant voor de media. Deze evenementen zouden als sportief evenement neergezet kunnen worden. Ik vraag me af in hoeverre grote evenementen die niet topsportgerelateerd zijn, zoals Sportief met diabetes, binnen het evenementenbeleid kunnen vallen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de Minister op het advies van de Sportraad over het WK Voetbal en het clusteren van parasporten in Nederland als evenement.

De voetbalvrouwen inspireren veel vrouwen. Wat vind ik het ontzettend jammer dat er, nadat ik 40 jaar in de sport heb gewerkt, nog steeds te weinig vrouwen in de top van sportorganisaties te vinden zijn. Dit stagneert ook de doorstroom van Nederlandse vrouwen naar internationale sportorganisaties. Het aandeel van vrouwen in bondsbesturen is sinds 2012 18%. Dat neemt nauwelijks toe. Hoe stuurt de Minister op meer diversiteit en in het bijzonder meer vrouwen in sportbesturen? Ziet de Minister mogelijkheden om met subsidievoorwaarden te sturen op een toename van diversiteit?

Ten slotte heb ik nog twee belangrijke kwesties.

De voorzitter:

Voordat u daartoe overgaat, is er een vraag van de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik hoorde iets verontrustends. In mijn bijdrage heb ik aangegeven dat door het accorderen van het beleidsplan van NOC*NSF een groot deel van met name de kleine sportbonden getroffen wordt door een halvering van het budget voor de komende jaren. Dat is lastig, dat is moeilijk voor die sportbonden. Ik hoor nu dat u wellicht een subsidiesanctie wil instellen voor sportbonden, die het soms al heel moeilijk hebben om überhaupt bestuursleden te krijgen, als ze onvoldoende vrouwen in het bestuur hebben. Volgens mij zou dat de doodsteek kunnen zijn voor een aantal kleine sportbonden. Dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn van uw motie of in ieder geval uw inzet. Ik deel met u de zorgen dat er meer vrouwen in besturen moeten komen, maar dat moet toch op een andere manier te regelen zijn dan via sancties? Daardoor zouden sportbonden er financieel onder gaan lijden.

De voorzitter:

Er werd even verwezen naar een motie, maar die is nog niet ingediend.

Mevrouw Diertens (D66):

Nee, die motie is inderdaad nog niet ingediend. Ik heb ook gedacht aan quota, maar dat vind ik te ver gaan. Ik denk dat met de Code Goed Sportbestuur en met eventueel een kleine financiële druk de mogelijkheid groter kan worden dat vrouwen ook eens echt kunnen toetreden tot sportbesturen. Ik denk gewoon dat een dergelijk middel heel veel kan helpen om die diversiteit tot stand te brengen. Dat hoeft helemaal niet ten koste te gaan van de bestuurskracht van de kleine sportorganisaties. Ook daarin kan men op zoek gaan naar vrouwen die kunnen meedoen in de top.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik maak me hier toch echt zorgen over, want een kleine financiële sanctie is voor een kleine vereniging nog steeds een groot bedrag. Dan gaat het om tienduizenden euro's. Of wilt u een boete van € 100 gaan uitschrijven? Als we het daarover hebben, kunnen we elkaar misschien vinden, maar ik kan me gewoon niet voorstellen dat we bonden die het ontzettend moeilijk hebben en die het de komende jaren alleen maar moeilijker gaan krijgen, ook nog eens een dreiging op zich af laten zien komen: als u hier niet aan voldoet, gaan we u korten. Dat kan toch gewoon niet? Die bonden zijn gewoon belangrijk voor de diversiteit van ons landschap.

Mevrouw Diertens (D66):

Ja. Ik denk dat ook kleine sportbonden op zoek kunnen gaan naar vrouwen voor hun bestuur. Ik denk dat dit een stimulans is om sportbesturen diverser te maken. Dat is de opzet. Daar moet een heel groot drukmiddel op komen. De sport moet daarnaar op zoek gaan. Want we zeggen steeds: een bestuurskadercursus, en dan gaan we graag op zoek naar vrouwen die mee gaan doen, enzovoort. Ik denk dat er heel veel vrouwen zijn, ook binnen de kleine sportbonden, die best op dat landelijke niveau hun taak kunnen uitoefenen en benaderd kunnen worden om in een bestuur plaats te nemen. Dat gebeurt te weinig, ook door de kleine sportbonden.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik heb nog twee belangrijke kwesties. De participatie van mensen met een beperking heeft meer aandacht nodig. Ruim 491.000 mensen staan buiten spel. Kinderen met een beperking hebben ook sporthulpmiddelen nodig. Kan de Minister mij vertellen hoe hij vordert met mijn motie, waarin ik pleit voor sportprotheses voor kinderen? Ik sluit daarmee aan bij de voorzetten van Wheels2sport, die ook door mevrouw Westerveld en de heer Van Nispen zijn genoemd.

U kunt niet anders van mij verwachten: ik vraag ook uw aandacht voor Caribisch Nederland en Curaçao. Na 10-10-10 is ons Caribisch deel van het Koninkrijk sportief gezien in een soort niemandsland gekomen. Bonaire wordt niet ondersteund in ontwikkel- en talentprogramma's, zo vernam ik tijdens mijn werkbezoek, waarbij ik sprak met topsporters en topsportbestuurders op Bonaire. Curaçao heeft geen eigen Olympisch comité. Sporters moeten vaak noodgedwongen kiezen voor Nederland of Aruba. Zou de Minister contact kunnen opnemen over deze specifieke situatie van Curaçao en Bonaire?

Dank u wel.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb nog één vraag aan mevrouw Diertens, zodat de heer Van Aalst veilig kan landen. Die gaat over zwemveiligheid. Ik weet dat mevrouw Diertens dat een warm hart toedraagt. Inmiddels liggen er een heleboel plannen en voorstellen vanuit de sector zelf, waar de Minister op heeft aangedrongen. In het «Nationaal Plan Zwemveiligheid 2020–2024 – Veilig opgroeien en meedoen in Nederland waterland» zijn de doelstellingen dat inwoners zwemvaardiger worden, dat de zwemomgeving in Nederland veiliger wordt en dat inwoners zich bewust zijn van risico's op verdrinking. Ik weet niet of mevrouw Diertens het hele plan al heeft gelezen, maar het is echt een aanrader. Wat vindt zij van de reactie van de Minister tot nu toe? Hij zegt: we kijken het even aan; we komen er in het voorjaar nog een keer op terug. Straalt dat voldoende urgentie en daadkracht uit volgens mevrouw Diertens?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik hoop dat dit onderdeel zal zijn van de versterking van de arbeidsmarkt in het perspectief. Bij een werkbezoek aan de reddingsbrigade in Den Haag en de overkoepelende organisatie heb ik gezien dat zij kampen met de professionaliteit, het opleiden van vrijwilligers en ook het geven van cursussen in zwemveiligheid na de zwemdiploma's. Ik denk dat daarin de kansen liggen. De initiatieven van zwemscholen om kinderen jong bij het leren zwemmen te betrekken, zijn er wel, maar de sportsector moet krachtiger en professioneler worden. Daarbij kan dit onderwerp aan de orde komen.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat is mooi, maar het is wel een heel stuk breder dan dat. Het gaat ook over: alle kinderen goed leren zwemmen, het kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de zwemdiploma's, het feit of zwemleraren wel of niet een verklaring omtrent het gedrag hebben, de buitenruimtes, het waarschuwen voor de gevaren van zwemmen in open water, al dat soort aspecten. Het is echt een heel breed plan. Het komt helemaal van onderop, samen met de Reddingsbrigade, met het Mulier Instituut en de Nationale Raad Zwemveiligheid. Ik hoop op een positieve blik van de fractie van D66 bij oproepen aan de Minister om ruimte te geven voor de uitvoering van deze plannen, die door de sector zelf op verzoek van de Minister zijn bedacht.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik kan alleen maar zeggen dat ik uw zorg deel en dat ik hoop dat er met allerlei maatregelen meer aandacht komt voor dit fenomeen.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot een vraag van de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik heb nog even zitten kauwen op dat vrouwenquotum of straffende systeem van D66. Zou het niet verstandiger zijn om in belonen te gaan denken? Sportbonden die het lukt om meer vrouwen in het bestuur te krijgen, zou je kunnen belonen vanuit bijvoorbeeld de portefeuille Emancipatie, waar uw eigen Minister over gaat. Uw eigen Minister vanuit OCW praat hier altijd over. Zij vindt dat heel belangrijk en is er soms nog meer mee bezig dan met onderwijs. Het is op zijn minst interessant om te kijken of juist die portefeuille kan bijdragen aan het belonen van vrouwen in besturen binnen de sport. Dan halen we ook nog eens wat meer geld naar de sport toe. Het is puur een suggestie.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik kan u vertellen dat nu of later het emancipatiedebat aan de gang is. Uiteraard is dit afgestemd met mijn collega, Vera Bergkamp, die het emancipatiedebat voert. Daarom hebben we er ook van afgezien om een motie in te dienen voor een quotum. Dit is een maatregel waar ik compleet achter sta, omdat we al vanaf 2012 met allerlei vriendelijke woorden geprobeerd hebben de sportsector te stimuleren om meer vrouwen in hun sportbesturen te krijgen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nog een korte vraag van de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Ik kan het VVD-voorstel wel ondersteunen. Ik zou ook willen dat vrouwen verleid worden om in besturen actief te worden. Ik hoop dat mevrouw Diertens inziet dat verleiden beter is dan straffen.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Diertens, een korte reactie.

Mevrouw Diertens (D66):

U zult wel begrijpen dat het verleiden van mannen ook heel interessant kan zijn voor vrouwen, maar ik denk dat het woord «verleiden» niet in deze context past. Wij doen namelijk gewoon een hele zakelijke en duidelijk professionele opleg, omdat er al zo vaak gevraagd is aan de sport om meer vrouwen in sportbesturen te krijgen. Het lukt niet. Dat heeft niet alleen te maken met het aanbod van vrouwen, want er zijn fantastisch goede vrouwen die op het landelijke niveau kunnen opereren en die ook een kans moeten krijgen. We moeten dus gewoon beter gaan zoeken en eerder beginnen.

De voorzitter:

Kort, afrondend.

De heer Von Martels (CDA):

Het lukt inderdaad niet. Die 18% is best teleurstellend. Je vraagt je af waarom dat cijfer zo langzamerhand niet naar boven kan gaan. Wat is nu de echte reden dat het blijft steken op 18%? Ik wilde het woord «verleiden» helemaal niet noemen, want dat is in deze context inderdaad niet gepast, maar het is toch wel zorgelijk dat het percentage maar niet omhooggaat? Wat zijn de redenen? Die moeten we wegnemen.

De voorzitter:

Uw punt is helder. Mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

De reden is dat er, als er vacatures zijn, niet goed gezocht wordt naar vrouwen, die er wel zijn. Ze worden dus niet uitgenodigd om te reageren op een vacature. Het is toch nog steeds heel erg een old boys network. Ik heb daar veertig jaar ervaring mee en ik ben het gewoon zat. Ik denk dat er nu een manier is gekomen om in actie te komen.

De voorzitter:

Hartelijk dank. U was aan het einde van uw betoog. Een heel goede timing van de heer Van Aalst, die zojuist binnenkwam. Hartelijk welkom. Ik geef u graag de gelegenheid om uw inbreng te doen. Dat doet u namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik was iets later, omdat ik druk bezig was met de voorbereiding van een overleg over de pfas-problemen. Daar kom ik straks nog kort op terug, want ook sportclubs hebben natuurlijk met het pfas- en stikstofprobleem te maken, in verband met nieuwbouw et cetera.

Als het hier vandaag zelfs over vrouwenquota in de sport gaat, dan ziet u maar weer hoe belangrijk het is dat de PVV aanwezig is. Na het succes van de pitspoes en de kasseienweg dacht ik: ik kan geen verstek laten gaan.

Voorzitter. De PVV is groot fan van onze sport. Sport blijft de nationale trots. Het is prachtig om zo veel jongeren elk weekend weer in beweging te zien op de velden. Als jongen uit Twente hoef ik niet uit te leggen hoe sport met ups and downs gaat. Het zorgt natuurlijk voor verbondenheid en plezier. Daarom draagt de PVV onze amateurclubs een warm hart toe. Elk weekend zetten veel vrijwilligers zich weer met hart en ziel in. De PVV vind het dan ook triest om te zien dat deze clubs onnodig worden gepakt.

Zo leidt het gedoe rondom de kunstgrasvelden nog steeds tot allemaal extra kosten. Ik vraag de Minister hoe het zit met de discussie rondom de gezondheid in relatie tot de rubberkorrels en wat het elke keer met zich meebrengt, waardoor clubs echt in de problemen komen. Moeten ze nu gewoon gras nemen? Gewoon gras zorgt voor beperking van de speelbaarheid et cetera. Graag een antwoord van de Minister.

Voorzitter. Dan de sportakkoorden. Die zijn natuurlijk leuk, maar het is voor kleine clubs die bestaan uit vrijwilligers soms een heel bureaucratisch gedoe. De PVV hoort dan ook dat ze er daarom juist niet bij betrokken worden en het gewoon niet kunnen uitvoeren. Wat levert het landelijke Sportakkoord nou concreet op? Zo'n landelijk Sportakkoord is leuk, maar wat als je er regionaal geen uitvoering aan kunt geven? Het zijn natuurlijk de vaders en moeders die zich elke week weer inzetten als vrijwilliger, trainer, penningmeester of voorzitter. Hoe krijgen we het voor elkaar dat het heel laagdrempelig wordt en de juiste uitwerking krijgt die de Minister voor ogen had?

De PVV heeft een vraag over de beslissing van de Rabobank om professionele voetbalclubs niet langer als klant aan te nemen. Dit is in verband met het gevaar van witwassen. Het leidt ook tot problemen bij de clubs. Die worden daardoor gedwongen om naar buitenlandse banken te gaan, wat als neveneffect heeft dat we helemaal geen zicht meer hebben op de financiële middelen. Wat gaat de Minister eraan doen om te voorkomen dat we alle clubs aan buitenlandse investeerders blootstellen?

Voorzitter. De PVV hoort dat lokale voetbalclubs slecht op de hoogte zijn van die veranderde regels rondom de btw en de BOSA. Kan de Minister zich sterk maken voor een simpele uitleg van die regels, zodat die clubs weten waar ze aan toe zijn? Dat sluit natuurlijk mooi aan bij die sportakkoorden, waarbij we ons afvragen: hoe komen Jantje en Pietje, die voorzitter en penningmeester zijn, nog door dat oerwoud van regels? Dat krijgt dan niet de uitwerking die het verdient.

Voorzitter. Dan trekt de overheid nogal van leer tegen het gebruik van alcohol en tabak bij de sportvelden. Ik heb daar vorig jaar ook al aandacht aan besteed. Ik hoorde net via de livestream al dat mijn collega van het CDA aan de andere zijde daar ook al aandacht aan besteedde, alleen was dat net de andere kant van het verhaal. De PVV zegt net als vorig jaar: wij willen geen betutteling. We zien hier ook geen rol voor de KNVB in weggelegd, want als er straks in die sportkantines geen alcohol meer verkocht mag worden, dan verliezen clubs hun grootste inkomstenbron. Ook ondermijnt dit de sociale gezelligheid van een pilsje na het voetballen. Die derde helft is juist hetgeen waarvoor mensen naar hun sport toegaan. Dus dit leidt er wat ons betreft juist toe dat mensen minder gaan sporten, terwijl we die mensen aan het sporten willen houden. Dus de PVV ziet beide als een aderlating voor de clubs. Kan de Minister beloven dat hij toch gewoon stopt met die betutteling, want dit leidt tot niets.

Voorzitter. Tot slot vraagt de PVV nog wat aandacht voor onze oeroude Hollandse sporten, waaronder fierljeppen, kaatsen en klootschieten. Als jongen uit de regio vind ik deze tradities prachtig. Dus wat ons betreft mogen we ook wat meer aandacht vragen voor deze sporten en zetten we ze wat meer op de kaart. Kan de Minister ons toezeggen dat hij deze passie van de PVV deelt, en deze oer-Hollandse sporten wat meer onder de aandacht kan brengen? Het lijkt ons goed dat Den Haag wat enthousiaster wordt over deze prachtsporten uit het noorden en oosten van het land.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. We hoorden al over een Kamerteam voor het voetbal, en wellicht kunt u die suggestie volgen in deze regionale sporten. Ik heb volgens mij geen vragen gezien in de richting van de PVV. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank u allemaal hartelijk voor uw inbreng. Ik stel voor om deze vergadering te schorsen. Dat geeft de Minister de gelegenheid om de antwoorden voor te bereiden, en het geeft u en de Minister ook de gelegenheid voor de lunch. Dus ik zie u graag om 12.30 uur terug in deze zaal.

De vergadering wordt van 11.45 uur tot 12.31 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is het wetgevingsoverleg Sport. Voor de lunchpauze heeft de Kamer haar inbreng gedaan. Tegen enen zal ik vervangen worden door een andere voorzitter, maar dat zal waarschijnlijk naadloos gaan. We zijn met zes personen; mevrouw Westerveld zal zo binnenlopen. Ik wil het aantal interrupties nog steeds niet maximeren, maar ze moeten wel korter en bondiger zijn. Anders redden we het niet. Om 17.00 uur is er een volgend wetgevingsoverleg in deze zaal, dus we zijn echt aan de tijd gebonden.

We kunnen van start gaan. Ik geef graag de Minister de gelegenheid om de vragen in eerste termijn te beantwoorden.

Minister Bruins:

Voorzitter, dank u wel. Voordat ik toekom aan de vragen van de verschillende fracties, maak ik een paar algemene opmerkingen over de hoofdlijnen van het sportbeleid in de achterliggende periode. Ik zal de sprekers daarna op sprekersvolgorde beantwoorden. Als ik bij spreker vijf of zes kom, zullen sommige vragen dan natuurlijk al beantwoord zijn, maar ik zal mij uitputten in creativiteit.

Ik begin met het vreselijke incident tijdens de wedstrijd Den Bosch – Excelsior. Daar is veel om te doen geweest en nog steeds. We zullen er veel aandacht voor moeten hebben, want racisme en discriminatie horen niet thuis in de sport, zoals u allemaal vanochtend heeft betoogd. Ik was onder de indruk van het gesprek dat wij vorige week bij en met de KNVB konden voeren, vooral met de betrokkenheid van de speler, Ahmad Mendes Moreira, en de scheidsrechter bij het tot stand komen van wat wij zijn gaan noemen het aanvalsplan tegen racisme en discriminatie. Dat waardeer ik zeer, niet alleen van de speler en de scheids, maar ook van de club. Er zijn ook andere partijen bij betrokken. Ik noem ook de collega's van Justitie en van Sociale Zaken. Daartoe aangemoedigd door de Tweede Kamer heeft ook de premier deelgenomen aan het debat bij de KNVB.

We hebben nu acht weken de tijd om op een rijtje te zetten wat de inhoud van dat aanvalsplan moet zijn. Het moet concreet en praktisch en het moet vooral geen kwestie worden van verwijzen naar elkaar. Het moet mét elkaar. Dat betekent wat mij betreft dat de rijksoverheid met betrokkenheid van de KNVB maatregelen moet nemen. Het is best complex, zo blijkt in de uitvoering, maar we gaan het wel doen. Het moet op een zodanige manier begrijpelijk zijn, dat we allemaal kunnen volgen wat de consequenties van de maatregelen zijn in de uitvoering.

Zijn daarmee racisme en discriminatie als vanzelf over en uit? Welnee. Is dat een reden om niks te doen? Welnee. Het gaat erom dat we scholder an scholder, om een Achterhoekse uitdrukking te gebruiken, staan voor de aanpak van dit probleem. De verschillende thema's die u de afgelopen dagen in de kranten las, komen echt allemaal aan bod: het stadionverbod, de fair-playprojecten en de integrale persoonsgerichte aanpak. Ik noem ook het kijken naar andere landen, bijvoorbeeld Engeland als het gaat om een appje waarmee anoniem discriminerend gedrag kan worden gemeld. Ik noem slimme camera's, niet alleen kijkend naar het betaald voetbal, maar ook naar amateurorganisaties. Het was mevrouw Westerveld die van dat laatste een punt maakte.

Er is dus nog wat werk te doen. Vanuit Sport zullen wij de activiteiten coördineren. Wij zullen ervoor zorgen dat we toewerken naar die 31ste januari. Hoe vreselijk het onderwerp ook is, het is wel iets waarbij iedereen zijn betrokkenheid toont. Het gebeurt niet alleen aan die tafel bij de KNVB, maar ook bij heel veel spelers en bij heel veel mensen in de samenleving. Je kunt niet blij zijn bij zo'n onderwerp, maar over die betrokkenheid en aandacht van zovelen ben ik wel verheugd.

Dat zeg ik allemaal in de context van het feit dat wij natuurlijk willen dat sport een positieve beleving is. Een mooie sportbeleving is natuurlijk het allermooist wat er is. Sport waar mensen bij samenkomen, waar mensen aan deelnemen, waarbij mensen langs de lijn staan en ernaar kijken, sport waar mensen over praten, tot 's avonds laat op de televisie, is natuurlijk het allermooiste wat er is. Wij willen natuurlijk naar die mooie sportbeleving toe werken.

En eerlijk gezegd is dat ook wat we natuurlijk willen met het Sportakkoord. Daarmee kom ik op mijn tweede opmerking.

De voorzitter:

Dat Sportakkoord is echt een ander punt. Voordat u daarop doorgaat, wil ik leden in de gelegenheid stellen vragen te stellen. Volgens mij zag ik eerst de heer Van Nispen zijn hand opsteken.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb een heel korte vraag zonder ellenlang betoog vooraf. Daar heeft u mij om gevraagd, voorzitter. Komt de Minister dan over acht weken ook met dat aanvalsplan naar de Kamer, inclusief een financiële paragraaf waarin staat wie wat betaalt? Daarbij gaat het bijvoorbeeld over die camera's.

Minister Bruins:

Ik zal het plan maken met al die partijen en ik zal u daar dan ook een exemplaar van sturen. Ik kan me inderdaad ook voorstellen dat er financiële consequenties aan zitten. Als dat zo is, zal ik daarmee naar de Kamer moeten komen en willen komen. Er wordt nu gevraagd wanneer dat zal zijn. Wij hebben echt de maand januari nodig om dat plan af te maken. Dus wat zal ik zeggen? Na 31 januari moet de Kamer dat kunnen krijgen.

De voorzitter:

Zullen we als toezegging noteren dat het in het eerste kwartaal van 2020 komt? Ja. Dank u wel. De heer Von Martels heeft ook een vraag.

De heer Von Martels (CDA):

Het is mij niet helemaal duidelijk of er nog een blokje over racisme in de sport komt. Of is dit maar een warming-up waarbij dit slechts zijdelings wordt benoemd? Hoe moet ik dit zien?

De voorzitter:

De Minister heeft aangegeven dat hij eerst een algemene inleiding geeft. Daarna zou hij de vragen per Kamerlid beantwoorden. Maar als dezelfde vraag door meerdere leden gesteld is, zal hij niet elke keer opnieuw op de vraag ingaan. Ik zie de Minister instemmend knikken. Op specifieke vragen zal de Minister dus nog terugkomen. Maar u mag ook nu uw vraag stellen.

De heer Von Martels (CDA):

De Minister noemt een aantal voorbeelden hoe je op een concrete en praktische manieren racisme in de sport kunt bestrijden. Er worden vier of vijf voorbeelden genoemd. Alleen het voorbeeld dat ik naar voren heb gebracht, namelijk het intrekken van bijvoorbeeld gemeentelijke subsidies voor voetbalclubs, dat voorbeeld werd nou net níét genoemd. Heeft de Minister dat vergeten, of is dit voorbeeld met opzet nu even niet naar voren gekomen?

Minister Bruins:

Ik heb een aantal thema's genoemd die in het gesprek met de KNVB afgelopen donderdag aan bod geweest. En de vraag van de heer Von Martels heb ik heel goed verstaan. Ik kom daar later op terug.

Mevrouw Diertens (D66):

De Minister spreekt over racisme, maar er is ook homohaat. Daarvan is ook sprake in allerlei spreekkoren. Wordt homohaat ook meegenomen in uw gesprekken met de KNVB en met de partners waar u mee op gaat trekken?

De voorzitter:

Spreekt u alstublieft via de voorzitter. De Minister.

Minister Bruins:

Jazeker, voorzitter. Dit gaat in de breedte van de aanpak van racisme en discriminatie.

De heer Van Aalst (PVV):

Afgelopen week bekroop mij toch wel het gevoel: goh, waar was u al die tijd? De joodse gemeenschap wordt al jaren vanaf de tribunes belaagd. Ik heb nog geen scheidsrechter gezien die daarbij toen een wedstrijd heeft stilgelegd. Alle vormen van racisme zijn verwerpelijk, ook in de sport. Maar ik krijg het gevoel alsof deze Minister nu aan allerlei actieplannen werkt. Bent u niet jaren te laat? Wat hebt u al die tijd dan gedaan? Racisme is verwerpelijk en ook de KNVB moet ik hier toch wel even prikkelen. Ik heb zelf aan den lijve ondervonden dat wedstrijden uit de hand liepen. Afgelopen weekend zijn er ook weer allerlei wedstrijden uit de hand gelopen, met allerlei racistische uitingen van twee kanten. Ik heb voorbeelden waarbij niet is opgetreden. Dus waarom nu ineens wel, en waarom al die jaren eerder niet?

Minister Bruins:

Ik zeg de heer Van Aalst na: racisme is verwerpelijk. Dat vraagt aldoor om een aanpak. Ik heb vorige week ook wel genoemd dat ik juist op de dag na de wedstrijd, op 18 november, contact zou hebben met de KNVB over bijvoorbeeld een campagne «Voetbal is van iedereen», om te spreken over die positieve sportbeleving. We dachten erover om daar rolmodellen bij te betrekken. En als er dan zo'n vreselijk incident gebeurt, denk ik dat je er goed aan doet om dat te betrekken bij de maatregelen die je wil nemen. Er zijn natuurlijk al veel vaker van heel veel verschillende zijden, lokaal en nationaal en vanuit sport en politiek, acties geweest en maatregelen getroffen om racisme en discriminatie tegen te gaan. Is het allemaal onvoldoende geweest en komt het nog steeds voor? Ja, het komt nog steeds voor. Kun je met een actieplan alles afvangen? Nee, zo werkt dat natuurlijk niet. Alleen als we met 17 miljoen mensen optreden en opstaan kunnen we racisme en discriminatie aanpakken.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Ja, heel kort. Daar zijn we het over eens. Ik denk inderdaad dat een actieplan leuk voor de bühne is, maar niks oplevert. Ik heb de vraag al meermaals voorbij zien komen bij de Minister: hoe gaat u dat doen en maakt u extra capaciteit vrij? Racisme is gewoon strafbaar. Maar als u geen capaciteit heeft, hoe gaat u het dan oplossen? Dit klinkt allemaal heel leuk voor de bühne en we kunnen met z'n allen schouder aan schouder gaan staan, maar we moeten het ook met elkaar gaan dóén. Ik snap dat dit deels bij JenV ligt, maar als de Minister grote woorden gebruikt – we gaan het aanpakken – moet hij ook boter bij de vis leveren.

Minister Bruins:

Om een aanvalsplan te betitelen als «leuk» vind ik niet passen bij de strekking van het onderwerp. Ik vind dat wij echt schouder aan schouder moeten staan als samenleving om racisme en discriminatie uit alle hoeken en gaten te bannen. In dit geval staan wij aan de lat voor de sport en de stadions. Ik denk dat zo'n aanvalsplan noodzakelijk is om daar gezamenlijk, niet wijzend naar een ander, een aanpak op te plegen. Zoals de heer Van Aalst aangeeft, moet daaraan ook JenV een bijdrage leveren, en ook de sport en andere partijen. In die gezamenlijkheid moet het gebeuren. Dat zal echt nog passen en meten worden, want je kunt niet in één gesprek op een donderdagmiddag bij de KNVB zeggen: zo is het klaar; strik eromheen en ga het maar uitvoeren. Daar zullen nog gesprekken over gevoerd moeten worden; het is niet anders. Daar hoort ook boter bij de vis bij als dat financiële consequenties heeft van rijkszijde. Dan zal ik ook mijn part daarvan aan u voorleggen.

Voorzitter. Ik had het over dat vreselijke incident. Racisme en discriminatie horen niet thuis in de sport. We willen allemaal een positieve sportbeleving. Sport is een bindmiddel, sport is plezier. Daar moet je vreugde en lol aan beleven. Dat is ook een van de doelstellingen van het Nationaal Sportakkoord, waarover mijn tweede opmerking gaat. Ik ben blij dat we na het sluiten van het nationale akkoord, in de zomer van 2018, zien dat er een hele hoop gemeenten aanhaken en dat er lokale en regionale sportakkoorden worden gesloten. Inmiddels staat de teller op 339 van de 355 gemeenten die werken aan zo'n lokaal sportakkoord of dat inmiddels af hebben. Dat vind ik nou eens een mooie score. Ben je er dan? De heer Heerema heeft daar een punt van gemaakt. Hij zegt: het is wel allemaal papier. Dat is ook zo, maar daaraan gaat vooraf dat we hier gezamenlijk de afspraken maken en dan toewerken naar de uitvoering. Dat kan lokaal en dat kan ook regionaal en dat vind ik mooie voorbeelden.

Bij die lokale sportakkoorden worden ook verschillende partijen betrokken van buiten de sport, soms vanuit zorg, soms vanuit welzijn en soms vanuit onderwijs. Kijk naar het akkoord in Haarlem. Daar hebben fysiotherapeuten, de ggz en de gezondheidscentra het lokale sportakkoord meegetekend, om een gezonde leefstijl te bevorderen voor de mensen die dit het hardst nodig hebben. Ook wordt er extra ingezet op gezonde scholen en bso's, met het programma Jongeren Op Gezond Gewicht. Ik word er blij van dat er in die breedte wordt gekeken, want lol in sport en in bewegen liggen heel dicht bij elkaar, maar ook aspecten als een gezonde leefstijl en eenzaamheidsbestrijding zijn heel belangrijk. Ik kom straks nog op het vervlechten van Sportakkoord en Preventieakkoord.

Voorzitter, dan mijn derde opmerking vooraf. U weet dat ik de buurtsportcoachregeling dit jaar heb uitgebreid. Er werken inmiddels bijna 6.000 professionals door het hele land aan de doelen van het Sportakkoord, bijvoorbeeld aan het Sportakkoord voor mensen met een beperking, voor ouderen en voor mensen met een lager inkomen. Ook zijn er pilots met clubkadercoaches, die verenigingen en verenigingsstructuren kunnen versterken.

Tot zover op dit onderwerp, voorzitter.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

De Minister geeft een soort snel antwoord. We hebben extra buurtsportcoaches, 6.000 stuks, en die worden ingezet ten behoeve van het lokale sportakkoord. Maar wij hebben hier in de Kamer al een aantal jaren geprobeerd om wat grip te krijgen op die buurtsportcoaches om te kijken of wij, als grote financier van die groep, misschien wat aandachtsvelden kunnen meegeven waarmee ze aan de slag zouden moeten gaan. Ze zijn heel divers ingezet in de samenleving. Mijn vraag is: op basis waarvan zijn al die buurtsportcoaches daadwerkelijk aan de slag met die lokale sportakkoorden? Mijn beeld is anders.

Minister Bruins:

Dit is een vraag uit het betoog van de heer Heerema. Ik was van plan om straks een document op te houden dat gebruikt kan worden bij het tot stand komen van die lokale sportakkoorden. De een noemt het een menukaart, de ander noemt het een inspiratielijst met allerlei thema's, waarbij ook de verbinding wordt gemaakt tussen sport en preventie. Daarin komt het thema van de gezonde leefstijl bijvoorbeeld regelmatig naar voren. Uiteindelijk worden de keuzes op lokaal niveau gemaakt. Maar de inspiratie over een aantal onderwerpen vanuit VWS, waarbij zowel preventie als sport een rol spelen, kunnen we vinden in die inspiratielijst.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Het ging mij even heel specifiek over de buurtsportcoach. Ik heb ook een aandachtsveld waar ik heel graag wil dat ze aan de slag gaan, namelijk ouderen helpen in beweging te laten komen in relatie tot al die sportverenigingen. Dat is moeilijk omdat wij geen sturing op hen hebben. Ik begrijp van de Minister dat er een menukaart is van waaruit ook wij invloed kunnen uitoefenen om de buurtsportcoaches sturing te geven en daar word ik alleen maar heel erg blij van.

Minister Bruins:

We hebben bestuurlijke afspraken gemaakt voor de inzet van de buurtsportcoachregeling. Bij die bestuurlijke afspraken gaat het onder andere over het versterken van de clubs en over het versterken van aandacht voor groepen die achterblijven. Laat ik het zo formuleren. Dat zijn niet alleen ouderen, dat kunnen ook jongeren zijn. Het kunnen ook andere deelverzamelingen uit de gemeente zijn.

Voorzitter. Dan nog een opmerking over het zesde deelakkoord van het Nationaal Sportakkoord, namelijk topsport die inspireert. Samen met de sport en de gemeenten hebben we gewerkt aan het toekomstige topsportbeleid, waarin presteren en inspireren hand in hand gaan. De prestaties van topsporters en hun weg naar de topsport toe moet zichtbaar worden, niet alleen voor de huidige generatie, maar ook voor de toekomst. Dan kunnen we de unieke kracht van topsport voor heel Nederland benutten en zullen meer partijen bereid zijn om in topsport te investeren. Ik heb het al eerder gezegd: daarmee wordt de koek voor de sport groter en stellen we meer sporters in staat om te gaan presteren. De komende maanden ga ik samen met de partners de uitwerking van dat zesde deelakkoord in, om na de Olympische Spelen in Tokio een nieuw en inspirerend topsportbeleid te kunnen voeren.

De Olympische Spelen komt steeds dichterbij. Dat gaan we de komende tijd merken. Zo zijn er verschillende Olympische kwalificatietoernooien die volgend jaar in Nederland worden gehouden, zoals waterpolo en volleybal. Hiermee creëren we kansen om Team NL in Tokio te laten schitteren.

Voorzitter. De Oranje Leeuwinnen hebben zich al geplaatst voor Tokio. Ze blijven maar presteren en daar heeft heel Nederland deze zomer van genoten. Zo zorgen zij zelf voor de allerbeste reclame. Daarom heb ik de bid van de KNVB ondersteund voor de Champions League finale in 2023 in Eindhoven. Dat kan een mooie opmaat zijn naar een bid voor het WK in 2027, waarvoor uw Kamer al steun heeft uitgesproken. Ik kijk ook enorm uit naar de Invictus Games in mei volgend jaar, hier in het Zuiderpark in Den Haag.

Samen hebben we al mooie evenementen georganiseerd. Ik denk aan het WK handboogschieten in Den Bosch, een sport die in Nederland helemaal niet zo bekend is. Door de prachtige arena in de binnenstad, onder de Sint-Jan, hebben veel meer mensen kunnen ervaren hoe leuk en spannend deze sport kan zijn. Ik noem dit voorbeeld omdat het de eerste keer was dat een WK voor valide sporters en het WK voor paralympische sporters in één evenement zijn georganiseerd. Dat vind ik een prachtig voorbeeld van wat ik wil uitdragen met inclusief sporten. Iedereen die dat wil, moet kunnen sporten, samen met anderen, zonder dat er drempels voor bestaan. Het was een hele operatie, die alleen mogelijk was met financiële steun vanuit de overheid. Ik hoop dat deze opzet ook internationaal navolging zal krijgen.

Mevrouw de voorzitter. In de sport is veel in beweging, met het Sportakkoord, de lokale Sportakkoorden, de Sportlijn, de landelijke projecten, maar ook bijvoorbeeld de aanpak van grensoverschrijdend gedrag in de sport. Daar zit nog een hoop werk aan, maar ik weet zeker dat wij daar in de komende periode nog veel constructieve debatten over zullen voeren.

Met deze opmerkingen kom ik toe aan de vragen die door de Kamer zijn gesteld. Ik begin met de vragen van mevrouw Westerveld. Zij sprak als eerste over de SPUK-regeling. Het kan allicht leiden tot vragen als 82% van de aanvraag vergoed wordt. Dan heb je niet 100% vergoed gekregen. Is dat dan geen nadeel? Schiet dan de compensatie tekort ten opzichte van de aanvraag? Wij hebben aan de ene kant een budget, wij hebben aan de andere kant aanvragen, en wij hebben de afspraak dat de sport niet moet lijden onder het afschaffen van de btw-compensatievrijstelling. Al die aanvragen zijn in de afgelopen periode gedaan en op basis daarvan kon een bedrag beschikbaar worden gesteld ter hoogte van 82% van de aanvraag. Vervolgens gaan er activiteiten ondernomen worden. Er wordt gebouwd, er wordt gerenoveerd en vervolgens moet er worden afgerekend. Er wordt afgerekend op basis van de subsidiabele uitgaven.

De vraag is natuurlijk of de aanvraag altijd precies pasmaat is voor de zaken waar de SPUK-regeling voor bedoeld is, of dat er misschien een beetje meer aangevraagd is. Het is misschien goed om in gedachten te houden dat aanvragers nooit meer dan 100% kunnen aanvragen. Dus niemand vraagt 120% aan, maar men gaat misschien de aanvraag een beetje ruim formuleren, in de hoop dat dit binnen de subsidiabele uitgaven valt. Nu krijgt men dus 82%, dan wordt er gebouwd of gerenoveerd en vervolgens wordt er afgerekend. Dan kunnen wij bekijken wat de subsidiabele uitgaven zijn. En dan wordt verder afgerekend, zodat de aanvrager voor de subsidiabele uitgaven ook voor 100% wordt tegemoetgekomen, opdat de sport er niet onder lijdt dat de btw-compensatieregeling is afgeschaft.

Wanneer gaat het allemaal gebeuren? Dit jaar vinden de toekenningen plaats, laten we zeggen dat volgend jaar het bouwen gebeurt. Misschien zijn dan de eerste projecten ook wel klaar. Dan moet het allemaal geadministreerd worden. Ik heb begrepen dat ook de Rekenkamer daar nog een opvatting over heeft.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik kan de Minister een heel eind volgen, maar als straks blijkt dat er meer geld nodig is, gaat de Minister er dan samen met de Minister van Financiën voor zorgen dat dat geld er komt, zodat de sport niet hoeft te leiden onder de btw-verhoging?

Minister Bruins:

Dat laatste is mijn inzet. Zo ben ik het debat met de Kamer steeds ingegaan. Ik vind dat de sport niet moet lijden onder de afschaffing van de btw-compensatieregeling. Ik weet dat er nu lucht zit in sommige begrotingen, in die zin dat ze misschien ruimhartig zijn omschreven, wat ik heel goed begrijp. Misschien dat er ook oneigenlijke kosten in de begrotingen zijn opgenomen. Maar het uiteindelijke punt is precies zoals mevrouw Westerveld en anderen betogen: hier moet de sport niet onder lijden, dus dan moet er additioneel geld komen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik vind het mooi dat we die oude afspraak nog een keer herbevestigen, maar het doet volgens mij onvoldoende recht aan de problemen die er op dit moment zijn bij verenigingen en bij gemeenten. Voor sommige gemeenten is het een heel groot probleem dat 82% van de aanvragen vergoed wordt. Dus in welk opzicht is de herbevestiging van de oude afspraak van de Minister een antwoord op de acute problemen bij gemeenten?

Minister Bruins:

Het is ongetwijfeld geen antwoord op alle problemen waar de gemeenten mee zitten, maar in de voorbereiding van de opzet van de SPUK-regeling is er ook nauwgezet contact geweest met de gemeenten. Die contacten onderhoud ik ook. De gemeenten zijn dus zeer goed op de hoogte van het feit dat die regeling zo in elkaar steekt en dat die voor deze onderwerpen zijn bedoeld. Wij trekken op dit punt zorgvuldig en nauwgezet op met de gemeenten.

De voorzitter:

De heer Van Nispen, afrondend.

De heer Van Nispen (SP):

De Minister kan het heel zorgvuldig noemen, maar ik weet niet hoe zorgvuldig het is dat 82% van de aanvragen nu gecompenseerd wordt en dat dit mogelijk in 2021 wordt aangevuld tot 100%. Want als gemeenten bij ons aankloppen met de mededeling dat dat tot grote problemen leidt, tot hogere contributies bij verenigingen en tot hogere tarieven voor de zwembaden, dan vind ik dat geen recht doen aan de afspraken die we hier met de Minister gemaakt hebben. Ik vind dat dus wel degelijk problematisch. Dan is volgens mij de concrete vraag: wat gaat de Minister eraan doen? Kan de Minister uitsluiten dat dit het komend jaar toch gaat leiden tot hogere tarieven, hogere contributies et cetera? Als hij dat niet kan uitsluiten, dan doet dat geen recht aan de afspraak die we gemaakt hebben. Er is voor gekozen om maar 82% te vergoeden, terwijl we niet eens weten over er wel sprake is van misbruik of van overvragen als het gaat om waar die regeling voor bedoeld is.

Minister Bruins:

Het woord «misbruik» neem ik al helemaal niet in de mond, want ik meen dat wij hier met de gemeenten een heel constructief gesprek over hebben.

Voorzitter. Het omgekeerde komt natuurlijk ook voor. Er zijn ook gemeenten die te veel voorschot krijgen. We moeten de uitvoering van de SPUK-regeling echt losmaken. Daar voeren wij uitgebreid het gesprek over. Ik houd daar ook een vinger aan de pols. En de verbinding met de contributies, die ga ik niet maken.

Voorzitter: Remco Dijkstra

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik heb ook een vraag over dit onderwerp, maar even via een andere aanvliegroute. De Minister geeft aan dat er een deel subsidiabel en een deel niet-subsidiabel is. Ik vraag mij af in hoeverre gemeenten er van tevoren op de hoogte kunnen zijn, of dat mogelijk al zijn, dat bij de aanvraag die ze gedaan hebben, een deel van die aanvraag niet subsidiabel is. Dat zou wellicht al heel wat onduidelijkheid weg kunnen nemen bij gemeenten. Ik ben ook even op zoek naar iets waardoor we in ieder geval niet volgend jaar een verhoging van contributies of van huren van zalen krijgen, wat we daarna weer moeten repareren. Ik ben daar dus even naar op zoek. En hoe meer duidelijkheid bij gemeenten vooraf, hoe makkelijk het is, denk ik, bij de afrekening.

Minister Bruins:

Wij hebben van tevoren een regeling gemaakt waar gemeenten een beroep op doen. Pas als de aanvragen binnenkomen, krijg je steeds beter inzicht in de inhoud van die aanvragen. De SPUK-regeling is volgens mij zeer duidelijk opgesteld. U heeft die SPUK-regeling ook allemaal gezien. U kunt ook zien dat het een hele duidelijke regeling is. Maar wat gemeenten vervolgens bij ons indienen, hoe de aanvragen er vervolgens uitzien, is stap twee. Ik denk dat er niet zo veel onduidelijkheid bestaat. Ik kan me wel voorstellen dat er vanuit de gemeenten wordt gezegd: als ik nou toch bezig ben met een bepaalde aanvraag, laat ik die dan een beetje ruimhartig opschrijven. Dat kan ertoe leiden dat er soms te veel en soms te weinig wordt bevoorschot. De uitkomst moet zijn dan de subsidiabele kosten voor 100% worden vergoed aan de gemeenten. En dat zal dus zijn in het jaar van afrekening, en dat is 2021.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik kan die lijn van de Minister heel goed volgen. Volgens mij is die ook passend. Het gaat mij erom dat gemeenten op basis van de regeling die ze gekregen hebben, van tevoren de inschatting kunnen maken dat ze misschien zelf ook wel wat te ruimhartig hebben aangevraagd. Dat zal inderdaad in een aantal gevallen zo zijn gebeurd. Dus ik denk dat het verstandig is om ook nog even proactief naar alle aanvragende gemeenten het signaal te sturen dat ze het zelf ook nog even goed moeten nakijken en dat ze geen gekke dingen moeten doen met contributies op lokaal niveau.

Minister Bruins:

Voorzitter. Ik ga verder met de beantwoording. Ik kom op de volgende vraag. Mevrouw Westerveld legde net als de heer Van Nispen een relatie met de SPUK-regeling. Zij vroeg: bent u bereid om de contributies te monitoren? Ik vind overigens dat het twee verschillende onderwerpen zijn. Zij vroeg dus: bent u bereid om dat te monitoren? Het antwoord is «ja». Het Mulier Instituut publiceert jaarlijks de zogeheten Contributiemonitior. Dus dan kunnen we ook kijken hoe het zit met de betaalbaarheid van de sport.

Kan de Minister inventariseren hoe zorgverzekeraars en gemeenten omgaan met de vergoeding voor sporthulpmiddelen? Hier hebben we helaas met een complex onderwerp te maken. Mevrouw Diertens en anderen hebben daarop gewezen. Je zou graag willen dat er één regeling was waar alle sporthulpmiddelen onder vielen. In de praktijk zie je dat er soms onder de Zvw, de Zorgverzekeringswet, wordt vergoed en soms onder de Wmo. Je zou kunnen zeggen dat het, als er twee regelingen zijn, toch wel goed geregeld zal zijn in Nederland. Helaas blijkt dat in de praktijk soms toch niet het geval.

De stichting Special Heroes doet een handreiking om ervoor te zorgen dat het gesprek over die aanvraag op een goede manier kan worden gevoerd. Daar zijn leveranciers, prothesemakers, revalidatiecentra en zorgverzekeraars allemaal bij betrokken. Die handreiking moet straks ook bruikbaar zijn voor gemeenten. Ik heb nu het concept van die handreiking gezien. Dat vind ik een mooie eerste stap. Zij is nog niet af. Ik denk dat ze wel gaat helpen om ervoor te zorgen dat het inzicht er niet alleen voor de zorgverzekeraars komt, maar ook voor de gemeenten. Het gaat om beide kanten. Verzekerde zorg is één ding, maar de Wmo-vergoeding vanuit de gemeente is ook een ding. Ik denk dat ik daarmee tegemoetkom aan de vraag van mevrouw Westerveld over het inventariseren waar de behoefte zit. Ik zou eigenlijk een stapje verder willen gaan: ik zou eigenlijk willen dat verzekeraars en gemeenten elkaar de bal toespelen, dat het of de een of de ander is. Zo ver zijn we beslist nog niet. Laat ik daarvoor waken. Het helpt misschien wel dat die handreiking er is. Wat daar ook bij helpt, is dat er een aantal proefprojecten gaat draaien met de mobilotheek, een uitleensysteem voor hulpmiddelen – ik zeg het nu een beetje huiselijk – in drie verschillende gemeenten. Uit m'n hoofd zeg ik: Emmen, Breda en nog een derde gemeente. Daar krijgen we dan ook de eerste ervaringen in de loop van volgend jaar.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik vind het heel mooi dat er een handreiking is en dat er ook nog concrete actieplannen komen waar partijen bij betrokken zijn en dat Wheels2sport, waar het nu met name om rolstoelen gaat, opgezet wordt. Ik zou wel graag horen hoe die handreiking er precies concreet uit gaat zien. Wilt u dat ook met de Kamer delen? Hoe bruikbaar kan die zijn? In hoeverre kunnen die vestigingen van Wheels2sport, die bibliotheken of sport-o-theken, uitgebreid worden met andere hulpmiddelen dan alleen rolstoelen?

Minister Bruins:

Ik sprak niet over rolstoelen. Het is breder. Er zijn verschillende pilots met betrekking tot mobilotheken. Misschien gaat het ook wel over een rolstoel of bepaalde rolstoelen. Het zijn pilots, dus laat ik ook de beperkingen benoemen, zodat ik mensen niet blij maak door te zeggen dat iets er al is in hun gemeente. Ik denk wel dat we van die eerste ervaringen kunnen leren. Ik denk dat Special Heroes ergens volgend jaar die handreiking af heeft. Misschien is het goed dat ik die dan ook met de Kamer deel. Dat lijkt me praktisch.

De heer Van Nispen (SP):

Heel kort. Ik hoor de Minister spreken over een pilot, maar we hebben toch al de pilot Wheels2sport? Daar heb ik in mijn bijdrage ook aandacht voor gevraagd. Daar komt de Minister nog op terug. Nu we het toch over dit onderwerp hebben, zou ik het op prijs stellen als de Minister gewoon zegt: daar gaan we op aansluiten en ik ga dat mooie project, dat mooie initiatief, waarbij mensen zonder al te hoge investeringen vooraf kennis kunnen maken met bepaalde sporten door hulpmiddelen te lenen – daar gaat het namelijk om – onder de aandacht brengen van gemeentes.

Minister Bruins:

Er zijn gelukkig meerdere initiatieven. Ik moet bij dit wetgevingsoverleg het initiatief Uniek Sporten noemen. De heer Van Nispen kent dat. Daarbij is er een mogelijkheid om via een website te kijken waar je vormen van aangepaste sporten kunt doen en waar misschien begeleiding, vervoer en hulpmiddelen beschikbaar zijn. Er zijn dus verschillende initiatieven. Ik had het nu, naar aanleiding van de vraag van mevrouw Westerveld, even specifiek over hoe je zorgverzekeraars kunt betrekken bij het verstrekken van die hulpmiddelen. Nu zie je dat het onderwerp uitwaaiert. Dat is ook terecht. Daar leent het onderwerp zich ook voor. Er zijn vele goede initiatieven. Die handreiking is niet van mij, maar van Special Heroes. Die hoeven we ongetwijfeld niet allemaal onder de aandacht te brengen. Hoe breder het overzicht is voor mensen die willen sporten, maar een beroep moeten doen op een specifiek hulpmiddel of op specifieke begeleiding, hoe duidelijker en overzichtelijker we de informatie voor heel Nederland kunnen presenteren. Ik weet zeker dat Uniek Sporten meeluistert. Misschien staat het initiatief waar de heer Van Nispen over sprak, al op de website van Uniek Sporten. Er zijn dus heel veel initiatieven, maar ik trek die even los van de handreiking. De handreiking gaat over de vergoeding en de beschikbaarheid van hulpmiddelen. Ik vind het belangrijk dat dat ook goed geregeld wordt in Nederland.

De heer Van Nispen (SP):

Heel kort. Ik wil ook wel wachten tot de Minister bij mijn vragen komt, om dan het antwoord «ja» te krijgen op de vraag of dit onder de aandacht van de gemeentes gebracht kan worden. Maar ik dacht: dan hebben we het maar meteen geregeld. Het is toch goed om een mooi initiatief dat er al is, te delen? Dat is juist in het belang van de mensen met een beperking die willen sporten. Ik wilde de vraag van collega Westerveld er niet al te veel mee belasten, maar het leek mij juist goed, omdat het hier ook betrekking op heeft. Ik hoor graag een toezegging van de Minister. Of moeten we het dadelijk weer oppakken bij mijn vragen?

De voorzitter:

En mevrouw Westerveld op dit punt, dan kunnen we het in één keer doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Mijn vraag gaat heel specifiek over de pace-oro. Ik heb die vraag al eens eerder gesteld. Ik weet niet of de Minister daar straks op terugkomt, of dat in zijn beantwoording dit deel al was meegenomen.

Minister Bruins:

Die vraag zit niet meer in mijn stapeltje. Ik had gehoopt dat ik met de schriftelijke beantwoording voldoende erop gereageerd had. De pace-pro is een bescherming voor een pacemaker. Ik roep even mijn eigen antwoorden in herinnering. Als ik het goed heb, is de pace-pro onderdeel van de verzekerde zorg, indien is aangegeven dat die pace-pro voor de sporter in kwestie vanuit medische noodzaak belangrijk is. Daarmee dacht ik dat er een sluitend antwoord was gegeven op de vraag of pace-Pro onder verzekerde zorg valt. Als het medisch noodzakelijk is wel, en dat zal het in veel gevallen zijn. In theorie is het dus goed geregeld. Mevrouw Westerveld maakte het punt dat het in de praktijk soms anders uitpakt. Ik zou zeggen: namen en rugnummers. Het gemakkelijkste is als de verzekerde de afdeling zorgbemiddeling van zijn verzekeraar belt. Echt waar. Dat is geen veelgebruikt instrument, maar elke verzekeraar in Nederland heeft een afdeling zorgbemiddeling. Daar kan men terecht met dit soort vragen. Echt doen! Zit er dan nog steeds een graatje in de keel? Graag namen en rugnummers. Ik heb regelmatig overleg met de zorgverzekeraars, maar ik ga ervan uit dat het niet nodig is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dan stuur ik de Minister met alle liefde een aantal e-mails door die ik heb ontvangen. Misschien is het woord «noodzakelijk» wel de kern. Is zo'n beschermkap nu medisch noodzakelijk? Nee. Behalve als je gaat sporten: dan wel. Ik heb de indruk uit de e-mails die ik krijg, dat daar wel eens het dilemma kan zitten, terwijl we natuurlijk allemaal weten dat het heel goed is voor kinderen om te sporten. Ik zal de e-mails die ik heb gekregen, doorsturen.

Minister Bruins:

Dan ga ik daarmee aan de slag. «Medische noodzaak» is overigens geen etiket dat de overheid plakt; dat doet de dokter. Mag ik het zo huiselijk uitdrukken? Dan ga ik ze ook voorleggen aan de verzekeraar en dan hoop ik u voor het volgende AO – dat zal volgend voorjaar zijn – nader hierover te kunnen informeren.

De voorzitter:

Heeft de heer Van Nispen zo voldoende?

Minister Bruins:

Nee, de heer Van Nispen wil nog weten of we Wheels to move onder de aandacht kunnen brengen bij gemeenten. Ik heb straks tegen de heer Heerema gezegd dat we bij de sportakkoorden een soort inspiratielijst hanteren. Daar zou ik Wheels to move best op willen zetten. Dat is een manier om Wheels to move onder de aandacht te brengen bij gemeenten voor de totstandkoming van de lokale sportakkoorden.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie nog een hele stapel vragen en antwoorden liggen.

Minister Bruins:

Ja, maar u bent een verse voorzitter, voorzitter. U hebt echt nog een stapel van niet geringe omvang te gaan.

Voorzitter. De volgende vraag van mevrouw Westerveld was: hoe gaan we beter voorkomen dat seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport gebeurt? De eerste opmerking is natuurlijk dat het realiseren van een positieve sportcultuur helaas een lange adem vergt en misschien ook wel nooit af is. Tegelijkertijd moeten we er wel altijd aan blijven werken. Voor volgend jaar staat onder andere op de planning om een campagne te organiseren die met name gericht is op die positieve sportcultuur. Wij zullen ook kijken hoe trainers en scholen daarop kunnen aanhaken. Daarnaast ondersteun ik de sportsector daar waar er geen sprake is van een positieve sportcultuur, waar er sprake is van grensoverschrijdend gedrag, met bijvoorbeeld het goed in de praktijk neerzetten van het Centrum Veilige Sport. U kent dat. Het is een uitvloeisel van de commissie-De Vries. Ik wil graag zorgen dat dat centrum voor zijn taken berekend is. Dus dat helpt ook een beetje. Daarnaast is het thema positieve sportcultuur weer een van de aandachtsgebieden bij het tot stand brengen van lokale sportakkoorden, dus ook langs die weg is het een stukje. Maar je kan niet zeggen: je kan met één maatregel grensoverschrijdend gedrag verhelpen. Het zal dus langs verschillende kanten moeten gaan, zoals een campagne, lokale akkoorden en het Centrum Veilige Sport. Het is natuurlijk ook niet iets dat alleen van sport is, maar ik geef u drie voorbeelden van wat ik denk dat er vanuit de sport zou moeten gebeuren.

Voorzitter. Zijn amateurclubs en vrijwilligers voldoende toegerust om racisme en discriminatie aan te pakken? In zijn algemeenheid zou ik willen zeggen dat ik denk dat clubs daarvoor misschien wel te weinig zijn toegerust. Wij spreken hier in het hoofd vandaag met bepaalde, grote organisaties, maar er zijn natuurlijk ook kleine amateurverenigingen. Je wilt graag dat iedereen daarvoor is toegerust. Wat discriminatie en racisme betreft denk ik dat dat aanvalsplan waar ik daarstraks over sprak en dat eind januari gereed moet zijn, niet alleen voor de bvo's moet gelden. Er moet ook aandacht zijn voor in dit geval amateurvoetbalverenigingen. Wat je daar dan precies zou kunnen doen met bijvoorbeeld camerabeveiliging, is nog weer stap twee. Daar zullen weer allemaal vervolgvragen uit rollen. Er zijn al amateurverenigingen die gebruikmaken van camera's. Dat zijn er enkele tientallen, maar misschien moeten we wel meer doen. De heer Van Nispen heeft daarstraks gevraagd: komt u hier ook nog een keer terug met wat het allemaal gaat kosten? Dit zou weleens een deel van de rekening kunnen zijn, als wij daar meer in willen investeren. Dat ga ik u dan voorleggen. In zijn algemeenheid zijn amateurclubs en vrijwilligers voldoende toegerust om racisme en discriminatie tegen te gaan. Ik denk dat er heel veel gebeurt. Ik denk ook dat er heel veel goeds gebeurt. Laten we dat ook allemaal blijven benadrukken. Maar we zijn er nog niet, vandaar de extra aandacht die erop moet zitten.

Bent u bereid om samen met de KNVB te kijken naar de bereidheid om incidenten te melden? Ja, dat is een van de maatregelen in het aanvalsplan. Misschien kan die anonieme meldingsapp ook helpen. Stel je voor dat je op de tribune zit en iets ziet wat echt niet pluis is. Dat is een te klein woord voor wat ik bedoel. Dat kan je dan melden met die app, omdat je het misschien niet durft te zeggen als toeschouwer. Het resultaat van zo'n app komt dan binnen bij een steward of stewards. Die kunnen dan een interventie plegen. De bereidheid om incidenten te melden is er zeker. Ik hoop dus dat zo'n app de belemmering om te melden, kan wegnemen.

Welke mogelijkheden hebben gemeenten om incidenten in de sport aan te pakken? Ik denk dat er een rol is voor lokale sportakkoorden. Soms zijn het bestuurlijke maatregelen, zoals de meldplicht, of het gebiedsverbod. Misschien kan op lokaal niveau de inzet van Halt ook een rol spelen. Er zijn dus ook voor gemeenten veel verschillende mogelijkheden om incidenten aan te pakken. Er gebeurt ook al veel. Bij het aanvalsplan moeten we de boel op een rijtje zetten.

Ziet de Minister dat we aan clubs kunnen vragen om zaken als alcohol, geweld en seksueel misbruik aan te pakken? Moet daar meer aan gedaan worden? In één vraag zijn een aantal van die onderwerpen gebundeld waarvan ik vind dat ze niet in één antwoord zijn te vatten. Ik heb zojuist al iets gezegd over seksueel misbruik: opvolging geven aan datgene wat de commissie-De Vries heeft gerapporteerd. Over het tegengaan van alcoholmisbruik is in het Preventieakkoord veel opgeschreven. De aanpak van geweldsincidenten en andere incidenten hoort, naast wat ik daarover daarnet heb gezegd bij het aanvalsplan, wat mij betreft bij de uitvoering van de sportakkoorden. We moeten positieve sportakkoorden bevorderen. Het is een aanpak van verschillende thema's langs verschillende routes. Je kunt er niet één antwoord op geven op die verschillende vragen. Ik vind dat je dit per deelonderwerp moet uitpluizen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Maar mijn punt was ook niet dat het drie zaken zijn die je op dezelfde manier zou moeten aanpakken, maar dat we steeds meer vragen van sportorganisaties, ook van amateurverenigingen. Op een gegeven moment is het de vraag hoeveel je nog kunt verwachten van vrijwilligers. Zou er niet nog meer hulp vanuit de landelijke of gemeentelijke overheid moeten komen? Ik zie daar gewoon spanning. We moeten hier tegen elkaar kunnen uitspreken dat daar spanning in zit, zodat we van gedachten kunnen wisselen over hoe we dat zouden kunnen veranderen.

Minister Bruins:

Daar ben ik het mee eens. Dit is juist een van de thema's die we vorig jaar hebben benoemd bij het landelijk Sportakkoord. We willen nu de vertaling maken naar het lokale niveau. We moeten proberen om de bestuurders te professionaliseren. Niet dat ze nu niet professioneel zijn, maar er is nog een hele groep bestuurders die geholpen is met trainingen, met «in hun kracht zetten», met het bieden van handvatten voor hoe je moet omgaan met incidenten. Ik denk dat dat hulp kan bieden. Ik zou willen zeggen: met de uitvoering van die lokale sportakkoorden moeten we dat eventjes z'n tijd geven om te kijken wat de resultaten zijn. Ik denk dat we veel van elkaar kunnen leren. Er wordt veel van de vrijwilligers gevraagd, maar in het komend jaar, in de komende jaren, zullen we de resultaten zien van wat in de praktijk een positieve sportcultuur is: hoe zien wij de rol van bestuurders graag en hoe kunnen we hen versterken en handvatten bieden? Wat mij betreft is dat onderdeel van het Sportakkoord.

Wil de Minister in gesprek met NOC*NSF over het verankeren van de gelijke behandeling van man en vrouw in de sport-cao's? Bij mijn weten wordt in de cao op sportgebied geen onderscheid gemaakt in de beloning van mannen en vrouwen. Ik moet hier een iets specifiekere vraag horen om te begrijpen waar mevrouw Westerveld op doelt.

Is het niet vreemd dat het eredivisievoetbal van de mannen op de evenementenlijst staat en het eredivisievoetbal van de vrouwen niet? Als je op de evenementenlijst staat, betekent dat dat je achter de decoder kunt verdwijnen. Dat is niet zo voor de eredivisie vrouwenvoetbal, omdat dat commercieel nog niet zo aantrekkelijk wordt gevonden. Waar ik het meest in zie, is het voeren van gesprekken met media en sport om de aandacht voor eredivisievrouwenvoetbal groot en sterk te maken. Dat vind ik de meest positieve manier van werken. Tot zover mijn opmerkingen richting mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Mijn verzoek aan de Minister om met NOC*NSF in gesprek te gaan over de cao's had niet met de beloning te maken, maar met beleid rondom zwangerschap. Eerder hebben mevrouw Diertens en ik daar samen een motie over ingediend. De Minister is er ook in een brief op teruggekomen dat hij dat gesprek heeft gevoerd. Alleen ben ik toch wel heel benieuwd wat daar nu de concrete resultaten in zijn. Want als ik ga kijken naar diverse sport-cao's, dan zie ik, zoals ik ook al in de eerste termijn zei, dat die heel erg toegeschreven lijken te zijn naar mannen. In ieder geval zie ik dat bij zwangerschap, want dat is niet een periode waarna je even terugkomt en je weer op je oude niveau bent. Daar hoort soms echt wel wat extra begeleiding en ondersteuning bij. Over dat soort afspraken, die wel specifiek gaan over vrouwen en die vrouwen ook zouden kunnen stimuleren om langer actief te blijven in de sport, zie ik gewoon heel weinig terug in die cao's. Dus ik wil aan de Minister vragen: wat is er uit die gesprekken gekomen? Hebben die voldoende resultaat opgeleverd? En zou hij ons daar eens wat uitgebreider over willen informeren?

Minister Bruins:

Informeren wil ik altijd. Laat ik daar eens een beginnetje mee maken. Ik heb de vraag niet goed begrepen. Ik dacht dat het over cao's in de sport ging, en daar vallen sporters niet onder. Dus je valt in het geval van zwangerschap al terug op sportspecifieke regelingen. Die bestaan er bijvoorbeeld in de atletiek. Daar zijn afspraken over gemaakt. Die zijn misschien niet overal gemaakt. Maar tot zover reikt mijn kennis over dit onderwerp. Dus ik zou echt graag willen weten wat mevrouw Westerveld – ik wil niet aan uitlokking doen – dan verder van mij verlangt. Maar ik ben graag bereid om daar in ieder geval met mevrouw Westerveld een keer over door te praten, om te kijken of dat dan weer aanleiding is om dat bij de NOC*NSF te melden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Mijn microfoon valt er telkens bijna af, dus vandaar dat ik even wegviel, maar misschien moet ik er ook verder vanaf blijven. Ik snap het punt van de Minister wel, maar het gaat over het volgende. Als ik kijk naar de verschillende cao-afspraken en andere afspraken, dan zie ik daarin heel weinig terug over zaken als zwangerschap, waar vrouwen mee te maken hebben. De Minister heeft een tijd geleden al gezegd, in antwoord op een motie van mevrouw Diertens waar ik ook onder sta, dat hij in ieder geval met NOC*NSF in gesprek gaat over welke regelingen er nou zijn die specifiek gaan over onder andere zwangerschap. Maar als ik nu naar verschillende afspraken kijk, dan zie ik daar nog weinig over terug. Dus zou de Minister ons hier eens over terug kunnen rapporteren: welke regelingen gaan hier nou specifiek over en wat wordt daarin geregeld? Dan heb ik het niet alleen over sporters, maar ook bijvoorbeeld over trainers, die wel onder een cao vallen. Hoe staat het daarmee, en zijn die wel ook gericht op zaken waar specifiek vrouwen mee te maken hebben?

Minister Bruins:

Bij het op deze manier bespreken wordt het onderwerp steeds... We begonnen met een cao. Toen dacht ik: dan heb ik het niet goed begrepen, het gaat over sporters en het gaat over zwangerschap. Bij zwangerschap heb je regelingen die sportspecifiek zijn, bijvoorbeeld bij de atletiek. Ik heb van NOC*NSF begrepen dat als een sporter door bepaalde omstandigheden uit de topsportstatus valt, NOC*NSF dan altijd in overleg gaat met de sportbond en er dan ruimte is voor het toekennen voor een maatwerkstatus. Ik heb ook begrepen dat NOC*NSF bezig is om meer duidelijkheid over deze regeling te verschaffen. Dan zegt mevrouw Westerveld: misschien moet je daar niet alleen naar kijken voor sporters, maar ook voor trainers. Ik denk eerlijk gezegd dat trainers wel weer onder de cao kunnen vallen. Maar ik ben best bereid om me daar nog eens eventjes verder in te verdiepen en daar dan ook schriftelijk op terug te komen. Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen. Tot zover de vragen van GroenLinks.

Voorzitter. Dan kom ik bij de vragen van de heer Heerema. Er is een heel dik mapje van de heer Heerema. Heeft de Minister een toetsingskader voor lokale sportakkoorden? Wanneer is een lokaal sportakkoord nou succesvol? Mijn eerste antwoord is: ik ben al blij dát er een lokaal sportakkoord komt. Het feit dat het lokale sportakkoord tot stand komt en een heel breed scala aan partijen daar op lokaal niveau aan meedoen, vind ik eigenlijk al heel, heel mooi. Ik denk dat dat betekent dat sportverenigingen, maar ook andere netwerken vanuit het bedrijfsleven, het onderwijs en de zorg op gemeentelijk niveau samen om de tafel gaan ten behoeve van de sport. Ik denk dat daar het eerste resultaat zit. Als een toetsingskader een afvinklijstje moet zijn van wat er wel of niet in een lokaal sportakkoord moet zitten, kan ik zeggen dat ik dat niet heb. Wel heb ik een brochure gemaakt: Dienstverlening voor sportclubs binnen het Sportakkoord. Daarin wordt het overzicht van wat je op lokaal niveau zou kunnen opnemen in zo'n sportakkoord als een soort menukaart aangeboden. Maar uiteindelijk bepalen de partijen op lokaal niveau natuurlijk zelf wat de inhoud daarvan is. Dat over het toetsingskader.

De volgende vraag is wie het eigenaarschap van het lokale sportakkoord heeft. Wie kunnen we er als politiek op aanspreken? Je zou kunnen zeggen dat de Minister voor Sport voor u altijd aanspreekbaar is. Als politiek kunnen we verder de gemeenten aanspreken. Het zou dan het handigst zijn om dat via de VSG te doen. Ook de clubs kunnen worden aangesproken. Maar het zou het handigst zijn om dat via de bonden te doen. Wie kan de Kamer aanspreken? Ik vind dat uw Kamer mij altijd moet kunnen aanspreken op de voortgang van de uitvoering van alle sportbeleid, dus ook van de lokale sportakkoorden.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

De sportbegroting zit qua verantwoordelijkheden altijd wat bijzonder in elkaar. Een groot deel van de middelen gaan namelijk direct door naar NOC*NSF. Daar hebben wij als Kamer geen grip op. Dat is een afspraak die we gemaakt hebben. We hebben grote delen van de middelen in buurtsportcoaches zitten, waar wij geen grip op hebben, want daar hebben wij geen sturing op. Ik wil proberen ervoor te waken dat wij straks weer een organisatie hebben, of in ieder geval een vorm van lokale sportakkoorden, waar wel geld vanuit onze begroting naartoe gaat, maar waar we uiteindelijk niets meer over te zeggen hebben. Ik heb er ergens gewoon moeite mee dat zo'n groot deel van onze sportbegroting zo weinig handvatten geeft voor ons als Kamer om er iets van te vinden. Daarom zoek ik naar een toetsingskader om te bepalen wanneer het succesvol is en wil ik weten wie we kunnen aanspreken. Als we geen afvinklijstje hebben, snap ik dat, want elk lokaal sportakkoord is anders en zit anders in elkaar. Maar we moeten toch iets kunnen bedenken op basis waarvan we kunnen zeggen: dit lokale sportakkoord is succesvol en een ander lokaal sportakkoord niet? Als we dat niet met elkaar kunnen afstemmen en dus ook niet over een, twee of drie jaar kunnen zeggen dat het succesvol is geweest, komt de sport er uiteindelijk niet mee verder. Daar maak ik me gewoon wat zorgen over.

Minister Bruins:

Die zorg wil ik natuurlijk graag wegnemen. We hebben al eerder een beginnetje gemaakt met de discussie over hoe we de resultaten van sportakkoorden zien. We hebben toen afgesproken dat sportakkoorden worden gemonitord. Ik verwacht iets te kunnen laten zien – ik denk voor het volgende AO – van hoe de uitvoering van die sportakkoorden verloopt. In hoeverre dat de productie is of in hoeverre dat het resultaat is, is deel twee, maar wij maken een monitor en die kunnen we natuurlijk bespreken.

Voorzitter. Ik wil er graag nog iets bij zeggen. Wij steken natuurlijk geld in op veel meer ingrediënten van het sportbeleid. We hebben het net gehad over de SPUK-regeling. Al die projecten binnen de SPUK-regeling krijgen allemaal een accountantsverklaring. Die accountantsverklaring is gewoon een resultaat, een monitor dat het geld wordt uitgegeven waarvoor het bedoeld is. Als het gaat over de buurtsportcoaches: via de VSG, de Vereniging Sport en Gemeenten, wordt het gesprek gevoerd met de gemeenten over de inzet van de buursportcoaches. Ook daarvoor is dus een vorm van een monitor beschikbaar. Als het gaat over de sportformateur en het uitvoeringsbudget dat daarbij hoort: naast de monitor die wij maken, zal ook op lokaal niveau worden gemonitord. Een gemeente moet immers zelf tekenen voor de inzet van een sportformateur. Ze steken er zelf geld in en hebben er dus belang bij dat er lokaal sportbeleid wordt gevoerd. Wij hebben dus niet één monitor voor alles. Zeker als het gaat over decentrale uitkeringen uit het Gemeentefonds hebben we ook een duidelijk appel gekregen van de Rekenkamer inzake de eisen. Langs verschillende wegen en met betrokkenheid van verschillende partijen wordt gemonitord wat de resultaten zijn.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Als Kamerlid heb ik er bij de monitoring van de lokale sportakkoorden veel behoefte aan om de simpele vraag te kunnen beantwoorden of de sportdeelname in een gemeente hoger is geworden.

Minister Bruins:

Dat lijkt mij een prima vraag. Het lijkt mij goed om die bij het volgende AO te bespreken aan de hand van de eerste ervaringen. Misschien kijk ik net een beetje anders naar het belang van monitoren. Ik zie monitoren ook als een vorm van leren van elkaar, leren van jaar tot jaar, leren van de ene gemeente ten opzichte van de andere, leren van de ene club ten opzichte van de andere. Ik hoop dus heel erg dat we een sportbeleid maken dat enthousiasmeert en waarbij de ervaring van de een bruikbaar is voor de ander.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ondersteun de laatste vraag van de heer Heerema van harte. De monitor moet ook kijken naar het effect op de sportdeelname, met name binnen de verenigingen.

Minister Bruins:

Ja, dat is ook zo. We gaan deze discussie aan de hand van de eerste ervaringen bespreken. De vraag in hoeverre partijen leren van de uitvoering van het Sportakkoord, ligt misschien nog verder in de tijd. Maar ik ben erg op zoek naar een werkwijze die enthousiasmeert, die motiveert en die niet afrekent in de zin van «afkammen». Ik denk dat uw Kamer begrijpt waar ik naartoe wil.

Dan de vraag van de heer Heerema in hoeverre sportbonden binnen de huidige bezetting voldoende ondersteuning kunnen bieden aan al die sportverenigingen met vragen over het lokale sportakkoord. Ik denk dat dat bijna geen enkele bond lukt, laat staan alle verenigingen die daarbinnen actief zijn. Daarom heeft de sport besloten om de ondersteuning niet per bond, maar gezamenlijk in te richten. Dat is de adviseur lokale sport. We hebben dus de sportinformateur, die actief is bij de totstandkoming van het lokale sportakkoord. Daarnaast kun je een beroep doen op een adviseur lokale sport, een soort verbindingsstuk tussen de sportverenigingen, om te zorgen dat de afspraken in het sportakkoord kunnen worden uitgevoerd. Ik denk dat dat instrument – als ik de adviseur lokale sport «een instrument» mag noemen – kan helpen en een goede praktische manier van ondersteuning is, zodat lokale sportaanbieders zoals verenigingen elkaar beter kunnen vinden.

Wat is precies de relatie tussen het Preventieakkoord en het Sportakkoord? Ik denk eerlijk gezegd dat uw Kamer dat nog beter weet dan ik. Ik denk dat heel veel interventies uit het Sportakkoord bijdragen aan de doelstellingen rondom overgewicht uit het Preventieakkoord. Zo zijn er ook parallellen te trekken over de inzet op rookvrije sportaccommodaties en het verantwoord alcoholgebruik. Het moet natuurlijk een mes zijn dat aan twee kanten snijdt. Ik heb een tweede boekje om aan u te laten zien: de handreiking voor sportinformateurs. De verbinding met preventie zit er bijna op elke pagina in. Volgens mij werken collega Blokhuis en ik goed en constructief samen. Dat is zoals wij beiden dat beleven. En als wij vanuit sport het land ingaan om het lokale sportakkoord te voeden, dan komt die relatie met preventie elke keer aan bod. Ik denk dat dat belrangrijk is.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Maar iets scherper: in ons regeerakkoord staat dat sportbonden een rol krijgen in het Preventieakkoord. Dat staat in het regeerakkoord. Dan heb ik het even niet over lokale sportakkoorden. Dan heb ik het over het Nationaal Preventieakkoord in relatie tot het Nationaal Sportakkoord. Er is op dit moment heel simpel een kat-en-muisspelletje gaande. Of het wordt bij preventie neergelegd en er wordt naar u doorverwezen. En hier lukt het niet om die sportbonden aan boord te krijgen in het Preventieakkoord. Dus bij wie moeten we nu zijn om het te regelen? Of heeft u een uitspraak van de Kamer nodig om ervoor te zorgen dat de sportbonden erbij betrokken worden? We kunnen er zo vijf, zes, zeven en misschien wel tien noemen die morgen klaarstaan om resultaatafspraken met deze Kamer te maken, met deze ministeries te maken, om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld de rookvrije club, obesitasbestrijding, een gezonde kantine, het betrekken van ouderen geregeld kunnen worden met middelen uit het Preventieakkoord. Maar we kunnen niet van het kastje naar de muur gestuurd blijven worden.

Minister Bruins:

Nee, dat vind ik vreselijk. Als u dat gevoel heeft, dan moet u mij daar gewoon op aanspreken. We redeneren hier vanuit de sport, dus u moet mij erop aanspreken. En dan neem ik het wel weer op met mijn collega. Wij denken dat wij geen misverstanden hebben. De samenleving en in dit geval de sportverenigingen moeten daar absoluut geen last van hebben.

Voorzitter. Mijn beeld is dat misschien niet alle bonden, maar wel een aantal bonden juist een heel actief beleid in de richting van hun clubs voeren als het gaat om alcoholgebruik en de rookvrije kantine. Er is weinig voor nodig om te kijken of ik dat appel ook nog sterker kan richten op mijn collega Blokhuis. Maar ik vind het ook vanuit de sport heel erg interessant om die discussie ter hand te nemen. Dus daarover bestaat geen misverstand. Je kunt zeggen dat elke aansporing terecht is, maar aan de andere kant: ik vind dat die preventiekant voor de sport van groot belang is. Dus dat kan ik allemaal prima meenemen in de gesprekken met bonden en verenigingen.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Afrondend. Het gaat inderdaad niet om de sportbonden die hier al intrinsiek gemotiveerd mee aan de slag zijn, maar het gaat mij om de structuur die we kunnen opzetten om in het kader van het Preventieakkoord en het Sportakkoord samen, sportbonden in hun kracht te zetten. Daar gaat het mij om. Volgens mij is het antwoord van de Minister heel hoopgevend. Dus daar ben ik blij mee.

Minister Bruins:

Dan nog even de vraag: kunnen de preventiemiddelen worden toegevoegd aan het Sportakkoord? Daar ga ik niet over. Daar gaat weer een andere partij over. Volgens mij bent u dat. Maar dat moet geen spelletje worden. Ik vind dat u moet zien dat wij samen optrekken. En ik ben zeer gemotiveerd om dat te doen.

Dan het punt van het arbeidsmarktperspectief. De heer Heerema, mevrouw Diertens en de heer Von Martels hebben daarover gesproken. Een vraag was: kan de Minister toezeggen dat in de brede discussie over de financiering van de sport ook het arbeidsmarktperspectief een onderdeel zal zijn? Bent u bereid om daar onderzoek naar te doen? Ik ben zeker bereid om dat toe te zeggen. Op 4 november heb ik een startbijeenkomst georganiseerd, waarin ik de vraagstukken met betrekking tot de arbeidsmarkt in de sport heb besproken met stakeholders. Het arbeidsmarktperspectief in de sportsector kwam daarbij nadrukkelijk naar voren. Ik neem het voortouw om met de sector een gedeeld toekomstbeeld van de arbeidsmarkt sport op te stellen, waarbij het arbeidsmarktperspectief ook zal worden meegenomen. Een onderzoek naar de arbeidsmarkt inclusief het perspectief vind ik een logische vervolgstap, zeker gezien de versnipperde kennis op dit terrein. Ik stel voor dat ik u ter voorbereiding van het volgende AO op de hoogte stel van de vorderingen. Dan waren er een aantal vragen over de SPUK, maar die heb ik nu wel beantwoord.

Hoe realistisch is de hoogte van het evenementenbudget? En wat kunnen we nog verbeteren aan het evenementenkader? Op dit moment zijn er voldoende middelen beschikbaar om de subsidieaanvragen die passen binnen de kaders te financieren. Of dat ook voor de toekomst geldt, is moeilijk te zeggen. Dat is onder meer afhankelijk van de gezamenlijke evenementenstrategie voor de komende tien jaar, die we in het kader van het zesde deelakkoord aan het ontwikkelen zijn. Als die strategie er is, kunnen we kijken welke financieringsvormen daarbij horen. Dan kunnen we ook kijken wat er vanuit de rijksoverheid en vanuit derde partijen nodig is. En dan kun je ook een uitspraak doen over de vraag of het budget voor evenementen een realistisch budget is of dat er meer nodig is.

Ziet de Minister de meerwaarde van een interdepartementaal evenementenloket, zoals voorgesteld in de motie van de VVD? De samenwerking tussen de departementen met betrekking tot de sport zijn we de laatste jaren aan het intensiveren. Het Ministerie van VWS speelt daarbij steeds meer een coördinerende rol. In deelakkoord 6 zijn diverse afspraken gemaakt. Bij de uitwerking worden ook andere ministeries aangesloten. Zo haakt het Ministerie van EZK aan bij de ontwikkeling van een strategische evenementenagenda en gaat het Ministerie van Financiën meewerken aan het actieplan rond belemmerende wet- en regelgeving. Daarnaast zijn er een aantal sportevenementen waarbij verschillende departementen worden betrokken. Bij de Formule 1 kunt u denken aan het Ministerie van Infrastructuur en bij de Invictus Games aan het Ministerie van Defensie. Wat betreft de kennisdeling rond sportevenementen ligt er een interessant advies van de Sportraad dat ik ga betrekken bij de uitwerking van deelakkoord 6. Kortom, ik denk dat ik van alles in gang heb gezet in lijn met de eerder ingediende motie van de heer Heerema.

Wat is mijn reactie op het amendement om € 50.000 te reserveren om talentvolle kinderen in armoedegezinnen te ondersteunen? Ik vind dat een sympathiek idee. Laten wij dat meenemen bij de uitwerking van de afspraken over topsport. Bij die uitwerking zijn ook het NOC*NSF en het Ministerie van OCW betrokken. Dan kunnen we er samen voor zorgen dat de middelen, in lijn met de doelstellingen van het deelakkoord Topsport, worden ingezet.

Kan de Minister een oriënterend gesprek voeren met het NOC*NSF over het jaarcongres van het Olympisch Comité? Ik kan in ieder geval het gesprek daarover voeren, dus ik ben graag bereid om dat gesprek aan te gaan.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb een procedureel punt. Ik vond het amendement ook sympathiek, maar als de Minister het sympathiek vindt en zegt ermee aan de slag te gaan, dan wil ik graag weten of het amendement morgen in stemming komt. Of heeft de Minister gezegd dat hij gaat doen wat in het amendement staat? Dat is voor ons allemaal wel van belang om te weten, want nu snap ik niet goed hoe het verdergaat.

De voorzitter:

De beoordeling van de moties en amendementen doen we aan het slot, neem ik aan.

De heer Van Nispen (SP):

Dat nam ik ook aan, voorzitter. Maar omdat het net al over het amendement ging, leek het een positief oordeel.

Minister Bruins:

Ja, ik was inderdaad positief over de inhoud. Het was nu nog een vraag – het woord «amendement» was nog niet gevallen – maar aan het eind van mijn bijdrage wil ik ingaan op beide amendementen. Maar nu weet u ongeveer wel wat mijn opvatting over dit amendement is.

Klopt het dat de topsportsubsidie jaarlijks aangevraagd moet worden bij het ministerie? En als dat zo is, wat zijn daarvan specifiek de voor- of nadelen? Dit klopt. Omdat het geen tijdelijke maar structurele activiteiten betreft, is er sprake van een instellingssubsidie die voor maximaal één jaar kan worden verstrekt. Jaarlijks vindt een aanvraag en dus ook een vaststelling plaats. Het nadeel is dat er extra administratieve handelingen nodig zijn die jaarlijks terugkomen. Het voordeel is de jaarlijkse check die VWS, NOC*NSF en de sportbonden doen om de circa 40 miljoen subsidie per jaar op verantwoorde wijze in te zetten. Hiermee heeft u een voor- en een nadeel. Dat voordeel zou je ook kunnen zien als een monitor over de resultaten.

Bent u bekend met de problematiek omtrent de nieuwe beleidslijn van de Autoriteit Persoonsgegevens na de introductie van VoetbalTV? Ja, ik ken de thematiek. Die heeft de KNVB in mijn laatste gesprek met hen ook ter tafel gebracht. Samen met de Minister van JenV heb ik toegezegd om met de Autoriteit Persoonsgegevens in gesprek te gaan om te kijken waar de nieuwe beleidslijn knelt en welke mogelijke oplossingsrichtingen voorhanden zijn. Daarnaast wil ik de AVG-Helpdesk voor Zorg, Welzijn en Sport noemen. Daar kunnen bonden en clubs advies inwinnen.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik ben blij dat de Minister aangeeft dat hij hierover in gesprek wil gaan, want dit is echt een knelpunt voor een flink aantal sportverenigingen. Ik verzoek de Minister om ook het onderdeel «verenigingsrecht» en wat het effect daarop is, mee te nemen. Daar lijken de knelpunten het grootst te zijn. Als daarin een verandering moet plaatsvinden, moeten we dat wel op tijd weten.

Minister Bruins:

Ja. We hebben bij het ministerie een AVG Helpdesk voor Zorg, Welzijn en Sport ingericht. Ik vind dat de vraagstukken die samenhang hebben met de privacy en het al dan niet toestemming geven voor beelden, vooral daar terecht moeten komen. Of daar ook het verenigingsrecht bij moet zitten, weet ik niet. Kan de heer Heerema mij een beetje op weg helpen met waar het knelt? In ieder geval ben ik bereid om samen met een collega van JenV het gesprek aan te gaan met de Autoriteit Persoonsgegevens.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik zal hier geen hele juridische verhandeling geven over de vraag waar het knelt met het verenigingsrecht. Dat zal op een ander moment richting de Minister komen.

Minister Bruins:

Ja. Laten we het een beetje praktisch doen. Ik weet dat de sportverenigingsstructuur die wij in Nederland hebben, uniek in de wereld is. De AVG-regelgeving is van Europese snit. Als het specifieke aandacht vraagt van ons gesprek met JenV, dan ben ik graag bereid om dat aspect mee te nemen. Ik denk dat ik door het stapeltje vragen van de heer Heerema heen ben.

Dan ga ik naar de SP, de heer Van Nispen. Wil de Minister nader onderzoek doen naar de effecten van de investeringen in sport en bewegen en kan dat over één jaar klaar zijn? Ik ben graag bereid om met bijvoorbeeld het Kenniscentrum Sport, het Mulier Instituut en misschien andere partijen te kijken wat voor verdiepingsslag zinvol is. Ik zou wel graag van de vragensteller iets meer horen van wat hij dan precies zou willen. Dan kan ik dat meenemen in mijn verkenning. Als ik dat van de heer Van Nispen hoor, dan neem ik dat graag mee in mijn gesprek. Misschien zijn er ook suggesties van andere leden uit uw Kamer om in het gesprek met het Kenniscentrum Sport en het Mulier Instituut mee te nemen. Ik stel voor dat ik u daarover informeer bij het volgende AO. Dat is één.

Over de SPUK-regeling hebben we het gehad. De derde vraag van de heer Van Nispen was de volgende. Is de Minister bereid om als uitgangspunt voor beleid te hanteren dat in 2030 mensen met een beperking even veel sporten en bewegen als mensen zonder beperking? Ik vind dat een mooie stip aan de horizon. Ik heb het zelf eerder zo geformuleerd. Ik denk dat het mooi zou zijn om als ambitie te formuleren dat mensen met een beperking over elf jaar – tien jaar en een beetje – even veel sporten als mensen zonder beperking. Dat lijkt me een mooie ambitie. Daarmee bevestig ik mijn eerdere ambitie met het antwoord op deze vraag.

De voorzitter:

De heer Van Nispen heeft nog een vraag.

De heer Van Nispen (SP):

Ik denk dat dit niet vanzelf gaat. Laat ik vooropstellen dat ik het mooi vind dat de Minister het zo uitdrukt. Volgens mij is het echt belangrijk en is het een mooie ambitie. Maar ik denk dat het niet vanzelf gaat. De vraag die ik eraan gekoppeld had, was om te onderzoeken wat er nodig is om dit te bereiken.

Minister Bruins:

In antwoord op de vraag van mevrouw Westerveld heb ik gezegd dat ik graag praktische dingen wil bedenken. Dus ik vind de handreiking die wordt gemaakt door Special Heroes bij het inzetten van hulpmiddelen een mooi en praktisch instrument. Ook het inrichten van pilots met mobilotheken heb ik genoemd in mijn antwoord aan mevrouw Westerveld. Ik vind dit een mooi en praktisch instrument om ervoor te zorgen dat er meer gesport kan worden. En ik laat het in geen enkel debat na – de initiatiefnemers van Uniek Sporten kunnen dat bevestigen – om Uniek Sporten te noemen als het platform waar je inspiratie uit kunt halen om iemand die mindervalide is te bewegen om toch te gaan sporten, al dan niet onder begeleiding, soms met het vervoer erbij, en ook naar sporten te kijken waar je nog niet eerder aan gedacht had. Dus ik zou het nu eigenlijk vooral willen zoeken in praktische dingen. Ik ben zo bang dat wij elke keer maar blijven onderzoeken, onderzoeken en onderzoeken. Ik wil graag aan de hand van die praktische ervaringen leren. Ik ben altijd bereid om over de resultaten daarvan te rapporteren en van daaruit te bekijken wat er meer moet worden gedaan. Tot zover mijn reactie op het punt van de heer Van Nispen.

Gevraagd is of de Minister voor de KNVB mogelijkheden wil onderzoeken om informatie-uitwisseling over geld uit illegale bron mogelijk te maken. Als ik mij goed herinner, zijn hierover ook Kamervragen gesteld. Binnenkort zal mijn collega van JenV de beantwoording van die vragen aan de Kamer toezenden. In antwoord op die vragen zal worden aangegeven dat de collega van JenV en ik samen onderzoek zullen doen naar inmenging van criminelen en crimineel gedrag bij de sportverenigingen. Ik zal dan ook kijken of informatie-uitwisseling – dat was het punt waar de heer Van Nispen naar vroeg – daarin kan worden meegenomen als een aandachtspunt. Waar moet je dit onderzoek dan plaatsen? Het gaat onderdeel uitmaken van het brede offensief tegen ondermijnende criminaliteit.

Wil de Minister in gesprek met KNVB, supporters en clubs om de rol van de supporters bij clubs te vergroten? Ja, voorzitter – en dit is dan ook het enige ja dat in dit antwoord kan klinken – ik zie hierbij eigenlijk geen rol voor mij weggelegd. In de toelichting die de heer Van Nispen gaf, sprak hij over het opnemen van supporters in de board van een club. Ik vind dat een club dat zelf moet bespreken. Ik zie daarin geen rol voor de rijksoverheid.

De heer Van Nispen (SP):

Ik hoop dat de Minister beide punten in samenhang wil bekijken. Het is mooi dat de Minister met de KNVB in gesprek wil om te bekijken hoe je het foute geld kunt weren uit de clubs. Ik hoop dat daar dan ook specifiek het punt in zit dat ook overheidsinstanties – dit is best een gevoelig punt; dat realiseer ik me – bijvoorbeeld de Financial Intelligence Unit en de politie, bereid moeten zijn om informatie door te kunnen geven die voor de KNVB, als toetsende instantie, van belang is om de beoordeling te kunnen maken of een bepaalde investeerder wel of niet fout geld bij zich heeft. De signalen die bij onze overheidsinstanties bekend zijn, moeten dan wel door de KNVB als toetsende instantie gedeeld kunnen worden. Ik hoop dat de Minister daarop terugkomt. Dan is dat een belangrijke toezegging op dat eerste deel.

Het tweede deel hangt daarmee samen. Het is namelijk ook aan de supporters om juist de identiteit van de club te bewaken. Wij weten uit de praktijk dat er voorbeelden zijn van supporters die opeens het logo op de jas van de steward veranderd zien, zonder dat zij daar überhaupt bij betrokken waren. De clubs zijn natuurlijk van en voor de mensen. Het is een publiek belang om dat ook te waarborgen. Het is niet de bedoeling dat foute investeerders, rijke kapitalisten uit andere landen, die misschien de bedoeling hebben om snel rijk te worden van een club – wat overigens helemaal niet zo makkelijk is – in clubs gaan investeren. Daar moet je volgens mij heel erg mee oppassen.

Ik vraag hier volgens mij niet het onmogelijke. Ik vraag gewoon aan de Minister om zich in dit onderwerp te verdiepen. Ik heb dat zelf ook gedaan. Je ziet het in het buitenland fout gaan. Wij zien in Nederland in toenemende mate dat steeds meer private investeerders ook clubs aan het opkopen zijn. Het enige wat ik aan de Minister vraag is om dit ook een beetje als een publiek belang te zien. En ik vraag het nu heel voorzichtig; ik vraag alleen om een oriënterend gesprek met de verschillende betrokkenen die ik zojuist noemde.

Minister Bruins:

Ik sprak zojuist over het onderzoek dat de collega van JenV gaat doen in het kader van het brede offensief tegen ondermijnende criminaliteit. Ik heb aangegeven dat ik het punt van informatie-uitwisseling – een van de vragen van de heer Van Nispen – daarbij wil betrekken. Ook is er gevraagd of de banken daarbij kunnen worden betrokken en of het misschien verbinding vergt met het Ministerie van Financiën. Dat wil ik daar ook graag bij betrekken. Ik zeg toe dat ik dat graag wil terugzien bij het onderzoek waarbij mijn collega van JenV het voortouw heeft. So far, so good.

Als uit dat onderzoek komt dat er ook een rol voor supportersorganisaties is, zie ik dat als stap twee. Ik zeg dus: eerst dat onderzoek, dan kijken wat daar uitkomt en dan kijken of er voor supportersverenigingen een bepaalde rol is. Dat weet ik niet. Ik ben daar minder ver in dan de heer Van Nispen. Hij zegt: dat moet je aan de voorkant meenemen in het onderzoek. Dat doe ik niet, dat zeg ik niet toe. Bij de uitkomsten van het onderzoek zou er voor de supportersverenigingen wel een rol kunnen zijn. Dat ligt in de toekomst verscholen. We zullen dat zien als het onderzoek is afgerond.

De heer Van Nispen maakte een andere opmerking over het laten deelnemen van supporters in de raad van toezicht of de raad van commissarissen van een betaaldvoetbalorganisatie. Ik vind dat echt iets wat de betaaldvoetbalorganisatie zelf moet organiseren. Daar is geen rol weggelegd voor mij. Ik voel er dus niet veel voor om het gesprek daarover met de KNVB te voeren.

Tot slot had de heer Van Nispen, zoals altijd, een vraag over de zwemveiligheid. Hij vraagt wat ik ga doen om de zwemveiligheid nog verder te verbeteren, met name voor kinderen uit families met een laag inkomen. Ik wil memoreren dat er op dat punt al veel gebeurt. 96% van de gemeenten heeft een lokale regeling. Gezinnen kunnen aankloppen bij het Jeugdfonds. Met het nieuwe plan van de NRZ, de Nationale Raad Zwemveiligheid, wordt ook hier weer op ingezet, om te zorgen dat ook die laatste kinderen kunnen gaan zwemmen. Ook het NRZ-plan krijgt mijn steun, zoals de heer Van Nispen weet. Daarmee is dit onderwerp volgens mij aardig onder schot.

Waarom onderneemt de Minister geen actie om vog's, verklaringen omtrent het gedrag, voor zwemleraren te verplichten? Het hebben van een vog is in de KNZB-opleiding voor zwemtrainers reeds verplicht. Daarnaast adviseert de Zwembond nadrukkelijk om een vog aan te vragen. Het kabinet ondersteunt sportverenigingen met de regeling Gratis vog en ondersteunt sportclubs bij het maken van bijbehorend integriteitsbeleid. Er is een actieve houding voor de Minister weggelegd en die geef ik hiermee invulling.

Bijna tot slot: wat kan de Minister doen om ervoor te zorgen dat kinderen blijven zwemmen? Het mooiste voorbeeld van de laatste tijd komt uit Eindhoven, waar een living lab Zwemmen wordt opgetuigd. Dat geeft inzicht, niet alleen voor de Eindhovense zwemmertjes maar ook breder in Nederland. Het gaat om de vraag hoe zwemmen leuk blijft, ook na het behalen van het diploma. Dat vind ik een mooi voorbeeld.

Tot slot: is de Minister bereid om financiële ondersteuning toe te zeggen voor het plan van de Nationale Raad Zwemveiligheid? Dat gaat over de € 100.000, als ik het amendement goed heb gelezen. Ik ben graag bereid om dat toe te zeggen.

De heer Van Aalst (PVV):

Goed om te horen dat de Minister veel aandacht heeft voor de zwemveiligheid. Maar wat vindt de Minister ervan dat er in veel gemeenten zwembaden gesloten worden, juist in de wijken waar die hard nodig zijn? Wat vindt de Minister daarvan?

Minister Bruins:

Wij leven in een waterrijk land, dus het zou fantastisch zijn als iedereen zo vroeg mogelijk leert zwemmen en daar ook nog heel veel plezier in heeft, zodat hij niet alleen het zwemdiploma haalt, maar ook tot op hoge leeftijd blijft zwemmen.

De heer Van Aalst (PVV):

Dat was niet helemaal de vraag. Wat vindt de Minister ervan dat er in die gemeenten keihard bezuinigd wordt op zwembaden? Zwembaden zijn zo ongeveer het afvoerputje van die gemeentelijke begrotingen geworden. We zien dat zwembaden als eerste van de begroting geschrapt worden. Dat staat toch wel haaks op het beleid van de Minister die zegt: ik kom zo op voor de zwemveiligheid.

Minister Bruins:

Ik vind inderdaad dat ik moet opkomen voor zwembevordering, zwemveiligheid, zwemplezier, maar ik ga natuurlijk niet in lokale afwegingen treden. Dat begrijpt de heer Van Aalst heel goed. We kunnen hier wel heel Nederland bespreken, maar ik zou het heel mooi vinden als hier geldt: jong geleerd is oud gedaan. Ik zou het heel mooi vinden als iedereen kan zwemmen en het zou fantastisch zijn als dat een beetje in de buurt zou kunnen. Tot zover de vragen die zijn gesteld door de heer Van Nispen.

Ik kom op de vragen die zijn gesteld van de zijde van de CDA-fractie. Kan de Minister aangeven hoeveel gemeenten gebruikmaken van de mogelijkheid om een lagere ozb in rekening te brengen voor sportverenigingen? Als wij goed hebben geteld, heeft dit jaar één gemeente gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. Deze gemeente gaat hier in 2020 weer mee stoppen. Ik heb begrepen dat de Minister van BZK en de VNG samen het gesprek voeren over het voortzetten van deze mogelijkheid om een lagere ozb in rekening te brengen voor sportverenigingen. Dat is één.

De heer Von Martels (CDA):

Die uitkomst verbaast en verrast mij wel enigszins. Kent de Minister de redenen waarom heel veel gemeenten hier niet aan beginnen en waarom deze specifieke gemeente er alweer mee stopt?

Minister Bruins:

Nee, ik denk dat dat pas duidelijk wordt als de Minister van BZK en de VNG het gesprek hebben gevoerd, en als de Minister van BZK daarover iets meldt aan de Kamer. Ik zal vragen of wij dan ook een kopietje kunnen krijgen, want ik vind het interessant om daarvan te leren.

Dan de schrapsessies. Kunnen die ook met sportvrijwilligers worden opgezet? Schrapsessies is een begrip dat wij kennen van de regeldruk in de zorg. De heer Von Martels vraagt mij of ik wil bekijken of daar ook behoefte aan is bij sportvrijwilligers. Ik heb eerlijk gezegd nog niet van die behoefte gehoord, maar ik ben graag bereid om dit bij de NOC*NSF te checken. Misschien kan met schrapsessies het plezier voor de sportvrijwilligers – dat zal de bedoeling van de heer Von Martels wel zijn – verder worden vergroot.

Kan de Minister aangeven hoeveel er gebruikgemaakt wordt van de vouchers voor clubs en clubkader? Nee, ik heb daar nog geen aantallen van beschikbaar. Pas als een lokaal sportakkoord is gesloten, kan gestart worden met de uitvoering. Pas dan kunnen concreet vouchers worden aangevraagd via de lokale coalitie. De afgelopen periode lag de nadruk op de ontwikkeling van die lokale akkoorden. Naar verwachting zijn er voldoende vouchers beschikbaar. Ik denk dat ik er in de eerste helft van het komend jaar meer feitelijke informatie over beschikbaar heb.

Hoeveel sportverenigingen hebben een subsidie gekregen om hun accommodatie te verduurzamen? Van die regeling, waar de heer Von Martels op doelt, hebben 1.815 verenigingen gebruikgemaakt tussen 2016 en 2018. In de huidige BOSA-regeling hebben zo'n 800 verenigingen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om voor de gehele of een deel van de aanvraag subsidie aan te vragen voor verduurzamende maatregelen. In totaal hebben ruim 2.600 verenigingen 108 miljoen euro in verduurzaming geïnvesteerd. De huidige BOSA-regeling heeft haar plafond nog niet bereikt. Daarmee zijn er in ieder geval dit jaar dus geen verenigingen die om deze redenen zijn afgewezen.

Ik ga maar gewoon door met...

De heer Von Martels (CDA):

Ik had nog een punt bij de eerdere beantwoording over de schrapsessies. Daarbij ging het ons specifiek om de topsport binnen de amateurverenigingen. Je hoort toch regelmatig geluiden dat die kampen met behoorlijke extra eisen en regels. Daar was de vraag eigenlijk specifiek voor bedoeld. De Minister antwoordde meer in algemene zin, maar het ging om de amateurtopsportverenigingen.

Minister Bruins:

Oké, maar dan geef ik toch hetzelfde antwoord, in die zin dat ik het eens even ga bespreken met NOC*NSF. Ik kan me haast niet voorstellen dat het een teveel aan regels van rijkszijde is, maar ik stel mij bescheiden op; wie weet. Het zou ook kunnen zijn dat het meer gaat over sportregels. Ik ga dat checken bij NOC*NSF en uiterlijk voor het volgende AO bericht ik u daarover.

Voorzitter. Is het een idee om de regeling voor verduurzaming ook open te stellen voor de clubhuizen van Scouting Nederland? De heer Von Martels weet dat de BOSA-regeling openstaat voor alle niet-commerciële aanbieders van sport en beweging. Bij de scouting gaat het bijvoorbeeld over de zeescouts, die als lid van het Watersportverbond voldoende aan de in de regeling gestelde eisen voldoen. Voor andere takken van scouting geldt dat deze een sociaal-culturele insteek hebben. Ik zie dus geen aanleiding om de regeling te verbreden, maar dit is toch net een iets meer genuanceerd antwoord dan dat wat u kreeg van de heer Heerema op uw daartoe gestelde vraag.

Ziet de Minister het risico dat de daling in de investeringen in sportaccommodaties kan leiden tot steeds verder verouderende sportparken en sportzalen? Een daling in de investeringen kan daar zeker toe leiden. Ik denk dat de heer Von Martels verwijst naar het CBS-rapport dat in mijn opdracht is opgesteld en dat inderdaad een dalend beeld liet zien tussen 2008 en 2015. Ik moet daarbij opmerken dat onderzoek van het Mulier Instituut op basis van recentere CBS-cijfers tot en met 2018 juist stabiliteit in de investeringen in sportaccommodaties laat zien, en dat het aantal gemeenten dat juist meer investeert groter is dan het aantal gemeenten dat bezuinigt. Wel is er een trend dat gemeenten het onderhoud van de accommodaties steeds meer bij de verenigingen leggen.

De vragen over SPUK hebben we inmiddels wel gehad.

Hoe kunnen we stimuleren dat meer sportevenementen met duurzame innovaties komen? De heer Von Martels gaf het voorbeeld van de Zevenheuvelenloop. Ik ben blij dat er ook bij de organisatie van sportevenementen steeds meer oog is voor duurzaamheid. Ik deel dat met de vragensteller. Het Kenniscentrum Sport en het eventloket van NOC*NSF ontsluiten samen voorbeelden van duurzame innovatie. Naast het Kenniscentrum Sport en het eventloket van NOC*NSF geven ook gemeenten steeds meer aandacht aan duurzaamheid, bijvoorbeeld door duurzaamheidseisen te stellen aan het organiseren van het evenement. Ik geef een voorbeeldje. De gemeente Utrecht biedt samen met Green Events een meerjarig begeleidingstraject aan, waarin een kleine groep organisatoren samen gaat werken op het gebied van duurzaamheid. Ik vind dat heel goed. We kunnen dat ook stimuleren bij topsport. Ik zal dat thema ook meenemen bij het topsportdeelakkoord. Dat noemen we dan wel de «Dutch approach». Sommige mensen denken dat dat «veel voor weinig» is, maar het is ook «veel duurzaam», en dan het liefst met een bescheiden budget.

Is de Minister het met het CDA eens dat het gecombineerde sport- en preventieakkoord in Venray een mooi voorbeeld is? En hoe ziet hij voor zich dat ook andere gemeenten op een dergelijke manier aan een fittere en vitalere bevolking gaan werken? Ja, ik vind dat lokale akkoord uit Venray een mooi voorbeeld van een manier om te komen tot een vitale bevolking. Het mooie is dat iedere gemeente die aan de slag gaat met een lokaal sport- of preventieakkoord bijdraagt aan die vitale, fitte bevolking. Het is natuurlijk aan de lokale partijen om te bepalen waar zij de accenten leggen. Ik zie wel vaker dat zo'n gecombineerd akkoord tot stand wordt gebracht. Ik zorg er in ieder geval voor dat de sportformateur op de hoogte is van beide akkoorden, zodat de formateur de brug daartussen eenvoudig kan slaan indien de lokale partijen die ambitie hebben. Dan kan ik nog een keer die boekjes ophouden die ik net heb opgehouden.

Is de Minister bereid om met de initiatiefnemers van de Achterhoek in gesprek te gaan om te bekijken of hij hier aanvullende ondersteuning kan bieden? Dank voor de vraag. Ik ken de werkwijze in de Achterhoek heel goed en ik vind het fantastisch om te zien hoe wij daar met acht gemeentes samen aanpakken. De Achterhoek is dan ook een van de voorbeelden geweest waar we in de regeling van de formateur en die van het uitvoeringsbudget hebben opgenomen dat gemeenten die een regionaal of provinciaal akkoord sluiten, de middelen mogen bundelen. Wat mij betreft is aanvullende ondersteuning niet nodig. Het is aan Achterhoek in Beweging om te bepalen hoe men daar de middelen die de acht gemeenten van mij ontvangen, wil bundelen en richten.

De heer Von Martels (CDA):

Dit is nou juist een goed voorbeeld waarin sport en preventie heel goed samenkomen. Bij dit specifieke project is de eerste stap gezet, maar je ziet nu heel duidelijk dat er bij de uitvoering toch enige ondersteuning noodzakelijk is. Daar was mijn vraag ook op gericht. Ik had gehoopt dat de Minister daar wat welwillender op zou antwoorden.

Minister Bruins:

Ik kan wel tien goede redenen bedenken om daar welwillend op te antwoorden, maar ik doe het niet. Ik vind dat wij goede afspraken hebben gemaakt over de besteding van gelden. En het feit dat wij Scholder an Scholder in de Achterhoek hier bij het debat over sport met enige regelmaat in het zonnetje zetten, helpt misschien ook wel een beetje.

Er is gevraagd of ik in beeld heb in hoeverre de sportsector zich houdt aan de afspraak dat er geen nieuwe contracten worden gesloten om langs sportvelden reclame voor alcoholhoudende dranken te plaatsen. Het RIVM zorgt voor monitoring van de verschillende afspraken en maatregelen uit het Preventieakkoord. De eerstvolgende meting wordt volgend jaar mei of juni uitgevoerd. Dan heb ik zicht op deze specifieke afspraak.

Zijn er al uitkomsten te melden over de eerste vijf living labs in de grote steden? Nee, nog geen uitkomsten in de zin van resultaten. Rotterdam, Eindhoven, Den Haag, Amsterdam en Utrecht zijn wel inmiddels allemaal met onderwerpen aan de slag. Maar als we daar iets van de resultaten weten, zullen we daar vast meer over horen van de G5-gemeenten.

Ziet de Minister de mogelijkheid om de nieuwe call van living labs specifiek in te zetten voor krimpregio's? Om precies te zijn zeg ik dat de nieuwe call vanuit ZonMw inmiddels gesloten is. Het zijn van een krimpregio is daarbij niet een criterium in de oproep geweest. Gemeenten zijn de hoofdaanvrager. De call stond ook voor krimpgemeenten open, maar niet alléén voor krimpgemeenten. En ik weet nog niet welke aanvragen zijn gehonoreerd.

Over het aanvalsplan tegen racisme en discriminatie hebben we het inmiddels gehad.

Is de Minister bereid om samen met de betrokken gemeenten afspraken vast te leggen over het niet meer financieel steunen van clubs voor betaald voetbal die hun zaken niet op orde hebben? Het is aan ieder gemeentebestuur zelf om de afweging te maken om een club voor betaald voetbal wel of niet financieel te steunen. Ik vind het initiatief van de gemeente Amsterdam heel goed om met alle verenigingen in gesprek te gaan over het tegengaan van racisme en discriminatie, waarbij clubs die hier niet genoeg aan doen, niet meer kunnen rekenen op huisvesting van de gemeente. Maar nogmaals merk ik op dat het aan de gemeente zelf is om te beslissen over de inzet van de eigen middelen.

Voorzitter. Ik heb hier nog twee vragen van de heer Von Martels. Is de Minister bereid het gebruik van de bevoegdheid om bestuursrechtelijk op te treden tegen verstoring van de openbare orde ook met de gemeenten te bespreken? Zoals ik eerder zei, zijn afgelopen donderdag de eerste contouren van dat aanvalsplan benoemd. Uitwerking vindt de komende twee maanden plaats. Dit onderwerp zal daar ongetwijfeld aan bod komen, zij het dat het via de collega van Justitie aan bod komt. Maar ik weet eigenlijk zeker dat het op tafel ligt.

Helemaal tot slot kom ik tot de vraag of de Minister bereid is om samen met het OM, de FIOD en de KNVB een breder onderzoek te starten naar de aard en omvang van criminele ondermijning in de sport, waarbij ook andere sporten, en handelingsperspectieven voor bonden, verenigingen en gemeenten worden meegenomen. Ik heb al eerder gezegd dat ik dit punt herken. Hierover zijn schriftelijke vragen gesteld door de Kamer. Antwoorden van mijn ambtsgenoot van Justitie volgen. Daarin zal worden aangegeven dat we gezamenlijk met JenV onderzoek doen naar de criminele inmenging bij amateurclubs, ook in andere sporten. Dat maakt deel uit van dat brede offensief tegen ondermijnende criminaliteit.

De heer Von Martels (CDA):

Ik kom nog even terug op dat aanvalsplan racisme en discriminatie. Ik hoor in de beantwoording van de Minister dat hij eigenlijk zegt dat het meer een bevoegdheid van gemeenten is om eventueel subsidies in te trekken of niet te verstrekken. Maar ja, het is een veel breder plan. U zegt het zelf al: wij moeten schouder aan schouder... In CDA-termen heet dat tegenwoordig «zij aan zij». Laten wij ervoor zorgen dat alle betrokken partijen ook daadwerkelijk aan tafel zitten. De Minister zou dan eigenlijk de regisseur moeten zijn om ook de gemeenten erbij te betrekken om dit in ieder geval bespreekbaar te maken en de gemeenten ervan bewust te maken dat dit een heel goed middel zou zijn om ons uiteindelijke doel te bereiken: het terugdringen van racisme en discriminatie. Ik doe dus toch een oproep aan de Minister om dat nogmaals te bepleiten bij de gemeenten.

Minister Bruins:

Dat dit onderwerp op tafel ligt bij het maken van dat aanvalsplan is duidelijk, maar ik heb willen benadrukken dat het aan ieder gemeentebestuur is om de afweging te maken om een bvo wel of niet te ondersteunen. Dat herhaal ik nog maar eens even.

Tot zover de vragen van de zijde van de CDA-fractie.

Dan de vragen van mevrouw Diertens. Zij is de vijfde spreker en nog zijn niet alle vragen van een antwoord voorzien. Dit geldt wel voor de vraag: hoe gaat de Minister samenwerken met collega Grapperhaus bij de aanpak van racisme en homohaat? Daar hebben we het over gehad.

Dan de vraag: hoe kan de Minister helpen om het sportaanbod voor ouderen meer landelijk dekkend te krijgen? Wat in ieder geval helpt, is het project OldStars dat als doel heeft om over een periode van drie jaar ouderen te laten kennismaken met verschillende sporten zoals basketbal, hockey, tennis en voetbal. Daar gaan duizenden ouderen aan mee doen. Dat is een mooi voorbeeld. Het is nog niet landsdekkend, maar wel verspreid over het land.

Daarnaast is er het nationaal beweegprogramma voor ouderen waarbij op dit moment wordt bekeken of er via zogeheten vitaliteitsspelen meer aandacht kan zijn voor ouderen in zorgcentra.

Ten derde noem ik de alliantie Sporten en bewegen die mevrouw Diertens kent uit het deelakkoord 1 van het Nationaal Sportakkoord met de interventie Meer Bewegen voor Ouderen. Van met name deze laatste alliantie die verkent hoe meer door ouderen kan worden bewogen, verwacht ik nog wel een aanvulling zodat het niet bij een enkel initiatief in het land blijft en de aandacht voor bewegen van ouderen meer landsdekkend wordt.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik hoop dat dat dan aansluit bij mijn gevoel over de eerste deelakkoorden 1 tot en met 5. Ik vind die fantastisch, maar ik mis de concrete invulling een beetje. Ik hoop dat ook met name op dit onderwerp die concrete invulling dan ook duidelijker wordt.

Minister Bruins:

Ook hier moeten de lokale partijen er een vervolg aan geven. Bewegen is van groot belang voor ouderen. De heer Heerema heeft daar ook op gewezen. Ik moet hier dus eventjes de lokale akkoorden hun werk laten doen. Ik wijs erop dat dit een van de groepen is. In eerdere debatten hebben wij wel eens de nadruk gelegd op het sporten voor jongeren en wij leggen telkenmale de nadruk op het inclusief sporten. Dit is ook een van de deelthema's. Ik zeg dat niet om het te verwateren, maar wij zijn zo langzamerhand meerdere speerpunten aan het neerzetten.

Klopt het dat een derde van de gemeentelijke kortingsregelingen voor sport toegankelijk is voor volwassenen? Hoe zou je die participatie kunnen bevorderen? Ik heb eigenlijk geen zicht op die kortingsregelingen zoals de Stadspas in Amsterdam of de Ooievaarspas hier in Den Haag. Dus als mevrouw Diertens vraagt of het klopt, heb ik daar geen sluitend antwoord op. Om sport voor iedereen toegankelijk te maken, is een verkenning gaande van de alliantie Sporten en bewegen, die ik zo net noemde, met onder andere Sportkracht en het Jeugdsportfonds. Dan gaat het specifiek om de vraag of mensen met een laag inkomen wel voldoende toekomen aan sport. De alliantie Sporten en bewegen maakt die verkenning en ik denk dat die verkenning er is voor het volgende AO. Dan kunnen we er wat concreter over spreken.

Ik herken de signalen dat sportverenigingen nauwelijks worden betrokken bij lokale sportakkoorden geheel niet. Zowel via de sportformateur als de adviseur lokale sport worden sportaanbieders nadrukkelijk betrokken. Dat is ook een voorwaarde voor het verkrijgen van een budget om aan de slag te gaan met zo'n lokaal akkoord. Dus ik herken het niet, maar dit leidt ongetwijfeld tot een vervolgvraag in de tweede termijn.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Dan een vervolgvraag als interruptie. Herkent de Minister wel dat er maar een beperkt aantal takken van sport vertegenwoordigd is in de lokale sportakkoorden?

Minister Bruins:

Laat ik het omdraaien. Ik probeer juist met die sportformateur en de adviseur lokale sport dé sport in een gemeente aan boord te krijgen en als je het aan mij vraagt, liefst ook nog de ongeorganiseerde sport erbij. Ik ben dus hard bezig met de suggesties om ervoor te zorgen dat de sport in een gemeente in den brede aanhaakt bij de creatie van zo'n lokaal sportakkoord. Daar waar dat niet lukt, word ik daarover graag getipt, want dan kunnen we daar actie op ondernemen. Als je het aan mij vraagt, hoort de ongeorganiseerde sport er het liefst ook nog bij. Ik ben hard bezig met de suggesties om ervoor te zorgen dat de sport in den brede in een gemeente aanhaakt bij de creatie van zo'n lokaal sportakkoord. Daar waar dat niet lukt, word ik graag getipt, want dan kunnen we daar actie op ondernemen.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik kan het niet helemaal hard maken en daarom is dit meer een oriënterende vraag. Bij werkbezoeken – ik kom nog weleens ergens in de sport – blijkt daar toch verwarring over te bestaan. Ik had gehoopt dat het Sportakkoord mede zou bijdragen aan de versterking van de sportvereniging zelf. Ik zie nu dat er allemaal mensen worden opgetuigd en in de pas worden gezet om dingen te regelen en te organiseren, maar ik vraag me af in hoeverre de sportclubs daar zelf nu echt baat bij hebben in de zin dat zij daarmee versterkt worden.

Minister Bruins:

Ik vind het van belang dat sportverenigingen deel uitmaken van lokale sportakkoorden. Het gaat nog steeds allemaal om wat wij opschrijven en niet om het bewegen an sich. Het is wel even nodig om te zorgen dat dat lokale sportakkoord er is om samen in de gemeenten de sport sterker te maken, de koek groter te maken en meer mensen aan het sporten te krijgen. Ik zie ook wel dat de ene bond daar actiever in is in de richting van zijn achterban, dus in de richting van zijn verenigingen, dan andere bonden. Als u een bond op het spoor komt waarvan u denkt dat hij minder actief is, dan ben ik graag bereid om daar het gesprek eens mee te voeren. Ik zie heel veel goede voorbeelden van bonden die daar echt werk van maken. Dat zie ik terug op hun websites. Ze bieden informatie aan hoe je dat nou moet doen met zo'n sportformateur en hoe je dan de verbinding maakt met de gemeente. Maar ongetwijfeld zijn er ook – laat ik het zo zeggen – bonden die nog een beetje achterblijven. Ik denk niet dat het ontbreekt aan goede wil, maar sommige bonden zijn gewoon kleine organisaties. Als daar nog een zetje nodig is, dan ben ik graag bereid om dat te geven.

Mevrouw Diertens (D66):

Het komt misschien ook voort uit het feit dat ik zelf in de sport gewerkt heb en allerlei initiatieven vanuit de overheid langs heb zien komen. Die houden dan weer op en dan stort het eigenlijk weer in. Ik zou het zo fijn vinden als de regelingen die we nu treffen op een duurzame manier een versterkend effect hebben voor die verenigingen. Dat houdt wederom verband met de arbeidsmarkt en met professionalisering van de sport zelf.

Minister Bruins:

Daar hangt het zeker mee samen. Het hangt ook samen met het feit dat er bij verenigingen soms wel heel veel op het bordje terechtkomt. Ik kan me ook voorstellen dat de behoefte bij de ene club groter is dan bij de andere club. Misschien is het ook wel nodig dat we partijen even de tijd geven. We zitten in het jaar nadat het nationaal akkoord is gesloten. Ik vind het echt prettig om te zien dat er zoveel gemeenten bezig zijn met een lokaal sportakkoord. Er gebeurt dus wel heel veel. Dat is positief te waarderen, denk ik. Maar nogmaals, als er een vermeende achterblijver is die even een zetje nodig heeft, dan ben ik graag bereid om daar vanuit het ministerie een actieve bijdrage aan te leveren.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Bruins:

Kunt u aangeven welke thema's onderdeel zullen uitmaken van de aanpak arbeidsmarkt in de sport? Op 4 november – ik dacht dat ook mevrouw Diertens daar aanwezig was – zijn op die conferentie vijf thema's benoemd. Die horen wat mij betreft allemaal in het toekomstbeeld dat voor de sector sport moet worden opgesteld. Het gaat dan over de strategische visie op eisen, opleiding en doorstroming van menselijk kapitaal. Het gaat over de versnipperde kennismarkt, over de arbeidsmarkt en over de opleidingsbehoefte. Het gaat over de kwaliteit van begeleiding, opleiding en pedagogische vaardigheden. Het gaat over samenwerking en mobiliteit met andere sectoren: zorg, welzijn, onderwijs. En het gaat over wat we steeds vaker zien: het hoge verloop in de sector. Zoals ik al heb gezegd over de conferentie van 4 november, neem ik graag het voortouw om een gedeeld toekomstbeeld van de arbeidsmarkt sport op te stellen met de sector. Ik denk dat de sector vervolgens zelf aan zet is om daar een actieplan of actieplannen bij te maken. Maar je blijft natuurlijk altijd graag meedenken met stakeholders. Maar dit zijn volgens mij de vijf thema's die op die conferentie naar voren zijn gekomen.

Over de living labs in krimpsectoren hebben wij het gehad. Ik hoor mompelen dat dat niet voldoende het geval is, maar ik dacht dat we een heel aardige poging hadden gedaan.

Mevrouw Diertens (D66):

U heeft vanuit de visie van het Sportakkoord gezegd dat u living labs hebt aangeboden die, bij de sport, niet specifiek krimpgebieden betreffen. Vanuit het Preventieakkoord is er dus wel gedacht aan een living lab specifiek voor krimpgebieden en daarbij kan ook de sport van betekenis zijn. Mijn vraag was in hoeverre u hier met uw collega Blokhuis misschien wat concrete invulling aan kunt geven.

Minister Bruins:

Daar ben ik altijd naar op zoek. Sorry, dan heb ik de vraag niet goed begrepen. Ik ben altijd op zoek naar die verbindingen. Daar waar wij komen, hebben we met de sportformateurs een beetje een werkwijze en een structuur opgebouwd die ons overal brengt. Bij het Preventieakkoord is dat nog niet zo. Dat is niet een kwestie van sliepuit, dus als wij thema's uit het Preventieakkoord kunnen meenemen die ook passend zijn in het Sportakkoord, ben ik daar graag toe bereid, maar we moeten natuurlijk wel zorgen dat sportgeld voor sport bestemd blijft; dat begrijpt u ook. Maar met die inzet ben ik graag bereid om alle verbinding te maken die we kunnen maken.

Wordt er nagedacht over de vraag of in de leefomgeving, dus in de openbare ruimte, innovatief bewegen gefaciliteerd kan worden? Ja. Ik heb begrepen dat dat zo is, bijvoorbeeld in Almere. Zo wordt de Smart Skills Garden in Almere, een mooi voorbeeld van innovatie in de leefomgeving, actief ondersteund voor verdere ontwikkeling. Dus daar zijn inderdaad mooie voorbeelden van te geven. Ik heb begrepen dat er ook bij de uitwerking van de nieuwe Omgevingswet veel aandacht is voor bewegen in de openbare ruimte, dus het inrichten van de openbare ruimte op een manier die uitdaagt om een sprongetje te maken of een blokje om te lopen.

Er is gevraagd of ik herken dat buurtsportcoaches worden ingezet als vergadertijgers. Nee, ik herken het niet en ik wil het niet. Ik hoop echt dat sportakkoorden leiden tot meer sporten en niet tot meer vergaderen. Daar moet onze inzet op gericht zijn.

Er is mij gevraagd om aan te geven hoe ik aanmoedig dat sportzalen gemoderniseerd worden. Wat mij betreft kan dat en hebben we daar subsidieregelingen voor. Met een beetje passen en meten denk ik dat binnen de SPUK- en de BOSA-regeling hiervoor ruimte kan worden gevonden. Ik waak dus voor een algemeen antwoord, maar voor het moderniseren van sportzalen zit, binnen de mogelijkheden van het redelijke, zowel bij SPUK als bij BOSA wel enige ruimte.

Dan is er gevraagd of ik bereid ben om een haalbaarheidsstudie te doen naar een evenementenkalender en daarbij de effecten van side events mee te nemen. Het initiatief om grote internationale sportevenementen naar Nederland te halen, blijft in eerste instantie iets van de sportbonden en hun partners. Zij zijn immers de risicodragers. Zij moeten dus zorgen voor haalbaarheidsonderzoeken. Voor de toekomst wil ik wel kijken, met de partners van het Sportakkoord, of we tot een soort strategische evenementenagenda voor Nederland kunnen komen, maar het voortouw voor die evenementen moet dus wel liggen bij de bonden zelf, dus bij de sport.

De voorzitter:

Ik zie nog wel behoorlijk wat vragen liggen, maar gaat uw gang, mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

Ja, maar ik heb maar twee keer per jaar de kans om eens even flink uit te pakken, dus... Nee, het gaat mij ook om het volgende. We spreken heel vaak over evenementen. Dat zijn dan vaak topsportevenementen. Die haalbaarheidsstudie van het WK vrouwenvoetbal 2027 gaat er hopelijk komen. Maar er zijn ook evenementen die voor de breedtesport van belang zijn. Daarbij mis ik eigenlijk wel een beetje een antwoord, bijvoorbeeld over fit met diabetes. Het zijn grote evenementen die ook belangrijk zijn voor de breedtesport.

Minister Bruins:

Ja, wij denken bij evenementen inderdaad al gauw aan topsportevenementen; daar heeft mevrouw Diertens gelijk in. Maar dat zou ook best een breedtesportevenement kunnen zijn. Dus het initiatief van de bond moet er nog steeds komen en het criterium is nog steeds: aansprekend internationaal. En wie bepaalt dat dan of wie adviseert daar dan over? Dat is de Sportraad. Maar het hoeft dus niet alleen topsport te zijn.

Hoe stuurt de Minister op meer diversiteit? Mevrouw Diertens doelt in dit geval op vrouwen in bondsbesturen. Mevrouw Diertens weet dat ik de Code Goed Sportbestuur steun. Ik steun de komst van die vernieuwde code. Voor de inhoud zijn andere partijen aan zet. Dat is de sport zelf. Ik begrijp dat er onder meer wordt nagedacht over een zelf op te leggen quotum met als einddoel maximaal 70% van één geslacht in besturen van sportbonden. Maar dat laat ik dan maar eventjes bij die partijen. Daar ga ik mij niet in roeren.

Wat is uw reactie op het onderzoek van de Sportraad inzake een Europees paralympisch evenement? Bij mijn weten loopt er geen onderzoek bij de Sportraad daaromtrent. In zijn algemeenheid ligt het initiatief voor het binnenhalen van dergelijke evenementen bij de sport, dus bij NOC*NSF of bij sportbonden.

Mevrouw Diertens vroeg voorts: kan de Minister vertellen hoe hij vordert met mijn motie over sportprotheses voor kinderen? Ik steun het project «Sporthulpmiddelen beter beschikbaar en bereikbaar». Ik heb daar eerder over gesproken. De Stichting Special Heroes Nederland brengt de beschikbaarheid van sportprotheses in kaart. In de zomer van komend jaar wordt een eerste plan gepresenteerd. Dat zal ik u dan ook doen toekomen.

Zou de Minister contact willen opnemen met Bonaire over de ondersteuning van topsport- en talentontwikkelingsprogramma's op de eilanden? Naar aanleiding van een soortgelijke vraag van mevrouw Diertens in het AO Koninkrijksrelaties van voor de zomer heb ik een inventarisatie gestart. Het doel daarvan is informatie te krijgen over welke problemen met deze onderwerpen op de BES-eilanden worden ervaren, om vervolgens te kijken of daarmee iets kan worden gedaan en, zo ja, wat dat dan is. Daarbij houd ik ook de eigen rol en verantwoordelijkheid van de openbare lichamen op de eilanden op het netvlies. Zodra ik de inventarisatie heb afgerond, zal ik uw Kamer daarover graag informeren. Ik wil dat die informatie voor het volgende AO beschikbaar is.

Wat vindt u ervan dat 68% van de verenigingen het Preventieakkoord niet kent? Ik kende dat percentage niet, maar ik weet wel dat heel veel verenigingen bijdragen aan de doelstellingen. Denk aan de rookvrije sportvereniging of aan het verantwoord verstrekken van alcohol. Eigenlijk dragen alle sportverenigingen uit de aard van hun bestaan bij aan het tegengaan van overgewicht. Zo heb ik het toch een beetje positief proberen te draaien!

Hoe staat het met de gezonde sportkantine? Een derde van de sportverenigingen geeft aan de komende twee jaar te werken aan een gezonde sportkantine. En nog eens een derde geeft aan dit wellicht te gaan doen.

Wil de Minister contact opnemen met Curaçao over het ontbreken van een nationaal olympisch comité? Ik ben bekend met de problematiek. Ik wil hier echter uiterst terughoudend in zijn. Ik kan en wil niet interveniëren in de autonomie van een ander land, in dit geval Curaçao, maar ik zal het signaal van mevrouw Diertens doorgeven aan NOC*NSF.

En dan heb ik ook de vragen van mevrouw Diertens beantwoord, voorzitter.

De voorzitter:

Ik zie dat zij nog een vraag heeft.

Mevrouw Diertens (D66):

Ja, ik wil toch een kleine toelichting geven op Curaçao. Er was sprake van een Nederlands Antilliaans Olympisch Comité. Dat comité is dus als gevolg van 10-10-10 opgeheven. Aruba had wel een olympisch comité. Dat betekent dus dat Aruba in het Koninkrijksverband wel een comité heeft en kan deelnemen aan wedstrijden all over the world. Atleten kunnen zich via dat comité kwalificeren. Curaçao is dus in een soort niemandsland terechtgekomen. Curaçao kan niet bij de regio Zuid-Amerika horen en moet terugvallen op Aruba of op Nederland. En dat is dus wel een probleem. Het zou fijn zijn als daar een gesprek over gevoerd zou worden.

Minister Bruins:

Ik herken het verhaal van mevrouw Diertens, maar het is echt een onderwerp dat Curaçao en NOC met het Internationaal Olympisch Comité moeten bespreken. Ik geef het signaal nog een keer door, maar het staat bij hen al helder op het netvlies. Overigens ook bij de mensen op Curaçao. Tot zover de vragen van D66.

Ik heb nog een enkele vraag van de heer Van Aalst van de PVV. Hoe zit het met de discussie over kunstgrasvelden in relatie tot de gezondheid? Tweeledig. Enerzijds heeft RIVM onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat kunstgras geen risico voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Dat is de ene kant. Aan de andere kant heb ik de sector uitgenodigd om met «het kunstgrasveld van de toekomst» te komen. Op dit moment gaan er twee consortia aan de slag met nieuwe velden, zonder infill. Ik merk dat ook andere producenten getriggerd zijn door die call for innovation.

De tweede vraag was lekker rond: wat leveren de sportakkoorden nu concreet op lokaal niveau op? Eén. Clubs merken dat zij invloed kunnen uitoefenen op het sportbeleid en ondersteuning kunnen krijgen om sterker te worden. Twee. Sporters merken uiteenlopende zaken: van nieuw sportaanbod dat tot stand komt en een lagere energierekening voor de club, tot aan een betere trainer voor de kinderen. Drie. Er ontstaan nieuwe netwerken waar sport, zorg, welzijn en onderwijs meer en meer samen zullen optrekken.

De heer Van Aalst (PVV):

Mijn vraag was niet of de Minister nog een keer het promotieplaatje voor het Sportakkoord wilde afspelen. Mijn vraag was hoe wij omgaan met die kleine amateurclubs waar de vaders en de moeders voorzitter en penningmeester zijn. Hoe kunnen die aansluiten bij de sportakkoorden? Gaan we van die mensen verwachten dat ze hun baan opzeggen en gaan meewerken aan de sportakkoorden, of kunnen we dit laagdrempelig maken? Dat was mijn vraag.

Minister Bruins:

Ik weet niet op wiens vraag ik heb geantwoord dat er daarbij een belangrijke rol is voor de lokale sportadviseur. Dat is juist met het oogmerk dat bij de mensen die nu vrijwilliger zijn bij de vereniging, ook een keer de rek eruit is. We proberen met zo'n lokale sportadviseur ervoor te zorgen dat de sportverenigingen in een bepaalde gemeente worden verbonden aan zo'n lokaal sportakkoord. Het hoeft dus niet allemaal van de zijde van de verenigingen te komen. Er wordt al zo veel van ze gevraagd. Bovendien wordt er ook heel veel aangeboden, want die kwetsbare bestuurder willen we juist sterker maken. Daarvoor is een heel scala aan trainingen beschikbaar, maar je moet er allemaal wel tijd voor hebben, want anders kom je de deur niet meer uit.

Wat gaat de Minister doen om te voorkomen dat professionele voetbalclubs niet meer terechtkunnen bij de Nederlandse banken? Het antwoord is dat ik dat voorlopig maar even bij de KNVB wil laten. Het was de Rabobank die het bericht publiceerde. Inmiddels is de KNVB met de Rabobank in gesprek. De KNVB wil er ook De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Vereniging van Banken en ook andere banken bij betrekken. Ik laat dat gesprek maar even aan die kant liggen. Daar meng ik mij niet in.

Kan de Minister zorgen voor een simpele uitleg van de SPUK- en de BOSA-regeling? U bent er de hele dag al over bezig. Daarnaast staat er op de website van de uitvoeringsorganisatie DUS-I een begrijpelijke uitleg. Verenigingen kunnen ook altijd bellen. Dat helpt ook. Bij DUS-I is veel kennis aanwezig, dus daar kan een toelichting worden gegeven.

Kan de Minister beloven dat hij stopt met de betutteling van sportclubs omtrent alcohol en tabak? Ik geloof dat wij een jaar geleden exact dezelfde vraag kregen. Ik geef dus ook exact hetzelfde antwoord. De afspraken rondom alcohol en tabak zijn samen met de sector gemaakt in het Preventieakkoord. Van betutteling is dus geen sprake.

Tot slot, voorzitter. Deelt de Minister de passie van de PVV voor fierljeppen, kaatsen en klootschieten? Wil de Minister deze sporten meer onder de aandacht brengen? Jazeker, daar ben ik graag toe bereid. Ik heb de hele dag zitten zoeken of ik de heer Johan Derksen vandaag nog eens kon aanroepen, want dat heeft altijd effect op het programma van de avond. Ik vind eigenlijk dat hij ook vaker aandacht moet geven aan fierljeppen, kaatsen, klootschieten en skûtsjesilen. Ik ben het daar helemaal mee eens. Afgelopen jaar mocht ik op een schip mee skûtsjesilen. Prachtig. Dit jaar zou ik gaan kijken bij fierljeppen, maar het werd snotverjoppie afgeblazen omdat er te veel wind was.

De voorzitter:

Ik dank de Minister voor de beantwoording. Ik zie een vraag van de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, die heeft betrekking op het Kamervoetbalteam dat er komt. De Minister is bezig met ambassadeurs aan te wijzen om de sport te promoten, ook als het gaat om alternatieve sporten. Ik roep er dus toe op om de Minister te bestempelen als ambassadeur van het Kamervoetbalteam. Ik hoop dat hij dat wil aanvaarden.

Minister Bruins:

Ik zou daar iemand met meer verstand van voetbal voor vragen. Ik denk dan toch heel direct aan de man met de snor. Ik denk aan Johan Derksen.

De heer Von Martels (CDA):

Ik vind dat wel een mooie hint. Maar zoals het vaak gaat: je hebt meerdere ambassadeurs nodig om iets echt te doen landen. Ik zal dus eens even kijken in welke hoek ik het moet gaan zoeken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dit was de beantwoording in eerste termijn van de Minister. Ik kijk even rond. Bent u er allemaal klaar voor om meteen door te gaan of wilt u een korte schorsing? We schorsen natuurlijk ook nog even na het indienen van de moties.

Minister Bruins:

Sorry, voorzitter. Ik moet nog eventjes iets zeggen, want dat had ik beloofd. Beide amendementen die zijn ingediend krijgen oordeel Kamer. Die steun ik graag.

De voorzitter:

Een tweede termijn? Ja?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Voorzitter, ik wil graag voorstellen om een paar minuten te schorsen om nog even wat moties onder de loep te nemen.

De voorzitter:

Prima. Dan schors ik tot 14.50 uur.

De vergadering wordt van 14.42 uur tot 14.50 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan beginnen met de tweede termijn van dit wetgevingsoverleg van de vaste Kamercommissie over sport en bewegen, dat betrekking heeft op de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. We hebben een aantal spreektijden en we hebben natuurlijk alle sprekers nog. We doen het in dezelfde volgorde als in de eerste termijn. Dat betekent dat we starten met GroenLinks, dat nog twee minuten heeft. Ik lees de spreektijden eventjes op. De VVD heeft nog maximaal negen minuten, de Socialistische Partij vier, het CDA vijf, D66 acht en de PVV dertien. U hoeft die tijd niet volledig te gebruiken. Nadat de moties zijn ingediend of u uw tekst heeft bijgedragen, geef ik de Minister even de gelegenheid om de moties te beoordelen. Daarna gaan we de oordelen af.

Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Westerveld van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Ik vind de sportdebatten in de Tweede Kamer misschien wel de allerleukste debatten, omdat ze worden gekenmerkt door ook een onderlinge sportiviteit. Ik kreeg bijvoorbeeld net van de heer Heerema aan mijn rechterkant nog een aantal extra minuten spreektijd aangeboden. Dat gebeurt niet zo heel snel in andere debatten. Dat laat volgens mij zien hoe we hier met elkaar omgaan.

Voorzitter. We zien dit ook aan de Minister, die op een heel aantal punten toezeggingen doet. Daar ben ik blij mee. De Minister zei in zijn beantwoording van net ook dat hij vooral dingen wil dóen. Volgens mij is dat heel mooi. Dat laat zien dat we in ieder geval op het gebied van sport met elkaar voor het grootste deel dezelfde doelstelling hebben, hoewel we over de invulling van beleid weleens anders denken.

Voorzitter. Ik heb aangegeven dat ik inclusiviteit in de sport heel belangrijk vind. Ik ben blij met de woorden van de Minister daarover. Ik zal hem een aantal e-mails toesturen. Zoals ik in mijn termijn al aangaf, komen we erachter dat je soms niet kunt meedoen met sport als je bijvoorbeeld een handicap of aandoening hebt. Verschillende personen lopen dan tegen diverse barrières aan. Ik zal de Minister via de mail verder informeren over een aantal concrete casussen.

Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste gaat over agressiviteit en verbaal en/of fysiek geweld. Ik vind dat het beleid zich heel erg richt op de betaalde tak van het voetbal, terwijl het probleem veel groter is.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat agressie en geweld in het voetbal een groot probleem zijn;

constaterende dat er de laatste jaren veel aandacht is voor omgangsvormen en gedrag, maar dat onduidelijk is wat de resultaten zijn;

constaterende dat de aandacht zich met name richt op betaald voetbal;

constaterende dat veel incidenten in het voetbal op en langs sportvelden niet officieel worden gemeld en er hierdoor geen helder beeld is van het aantal incidenten;

verzoekt de regering om te onderzoeken wat het aantal daadwerkelijke incidenten is en in het aanvalsplan met de KNVB maatregelen voor te stellen om de meldingsbereidheid te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 127 (35 300-XVI).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

De tweede motie gaat over de evenementenlijst. Daar keek de Minister toch iets anders tegenaan dan mijn fractie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het mannenvoetbal uitgebreid aan bod komt op openbare televisiekanalen omdat dit als zodanig, en tot in de kleinste details, is afgesproken in de evenementenlijst van de Mediawet 2008;

constaterende dat de verslaglegging van het eredivisievrouwenvoetbal niet is opgenomen in de Mediawet, waardoor het niet verplicht is om de eredivisie van vrouwenvoetbal op de openbare televisie uit te zenden;

verzoekt de regering om met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de evenementenlijst opnieuw onder de loep te nemen om meer vrouwensporten in de lijst op te nemen;

verzoekt de regering tevens in gesprek te treden met de KNVB om het vrouwenvoetbal verder te professionaliseren, daarover concrete afspraken te maken en vervolgens het vrouwenvoetbal op te nemen in de evenementenlijst van de Mediawet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 128 (35 300-XVI).

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Heerema namens de VVD. U heeft negen minuten, min twee.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Hartstikke goed, voorzitter. Ik heb een aantal punten naar aanleiding van de eerste termijn. Ik dank de Minister voor alle antwoorden die hij gegeven heeft. Ik vind dit inderdaad ook een van de mooiste debatten van het jaar. In deze Kamer praten we eigenlijk nooit een hele dag over sport. Dat doen we op één dag in het jaar, en dat is deze dag. Eigenlijk zouden we dat veel vaker moeten doen.

Voorzitter. De Minister heeft bijvoorbeeld bij de lokale sportakkoorden laten weten dat er een adviseur is waar verenigingen naartoe kunnen gaan op het moment dat ze vragen hebben over het lokale sporttekort. Dat is er juist om de sportbonden te verlichten. Ik loop daar wel wat uit de pas met de Minister, want ik denk dat het op papier goed geregeld is. Dat is natuurlijk hartstikke mooi, maar feit is dat nog steeds heel veel sportverenigingen bellen naar sportbonden om vragen te kunnen stellen en verheldering te krijgen. Die verzwaring voor de sportbonden zien we op ons afkomen. Er is blijkbaar een adviseur lokale sportakkoorden die eigenlijk die taak had moeten hebben. Ik ben altijd op zoek naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat die vrijwillig gerunde sportverenigingen weten waar ze naartoe moeten gaan. Het is nu eenmaal moeilijk om met vrijwillig gerunde sportbesturen de juiste slag te maken. Ik denk dat daar heel vaak de communicatie misloopt.

Ik ben heel blij met de toezegging van de Minister over het onderzoek naar de arbeidsmarkt en dat we dat gelijk kunnen laten lopen met het advies dat we krijgen over de sportfinanciering. Dan hebben we een mooi totaalbeeld waar we de komende jaren mee vooruit kunnen.

Ik had een motie klaarliggen over de Autoriteit Persoonsgegevens, maar ik ben erg tevreden met het antwoord van deze Minister, dus ik laat die motie achterwege.

Ik ga wel een motie indienen voor een evenementenloket. Ik merk dat ik er iets scherper in zit dan de Minister, dus die wil ik graag indienen. Ik hoor de Minister zeggen dat er veel is gebeurd en dat zijn ministerie contacten heeft met andere ministeries. Daar ben ik blij om, maar volgens mij kunnen wij met deze motie de aller-, aller-, allermooiste ambtelijke positie binnen alle ministeries creëren, namelijk degene die de aanvragen van al die topevenementen in ontvangst mag nemen en als primus inter pares interdepartementaal de connectie en de links kan leggen. Als je deze vacature uitzet, kom je op honderden, zo niet duizenden sollicitaties. Volgens mij moeten we dit gewoon gaan doen, want ik vind het echt belangrijk dat evenementen in Nederland zo goed mogelijk georganiseerd worden en dat we bijvoorbeeld zo'n EK wielrennen in Alkmaar de steun kunnen geven die het nodig heeft.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat grote sportevenementen beter en sneller georganiseerd kunnen worden als verschillende departementen makkelijker in te schakelen zijn voor kennis en expertise;

overwegende dat er bij organisatoren van sportevenementen veel behoefte is om sneller kennis te kunnen nemen van wet- en regelgeving en te verkennen wat de mogelijkheden zijn om samen op te trekken met de rijksoverheid;

tevens overwegende dat de kennis die nu bij een sportevenement opgedaan wordt, onvoldoende ingezet lijkt te worden bij de organisatie van andere sportevenementen omdat kennis verspreid in de rijksoverheid zit;

verzoekt de Minister te onderzoeken op welke wijze een klein maar slagvaardig interdepartementaal sportevenementenloket vormgegeven kan worden, waarbij in ieder geval de Ministeries van VWS, EZ, IenW en Financiën betrokken worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rudmer Heerema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 129 (35 300-XVI).

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Voorzitter, ik ben aan het einde van mijn tweede termijn. Ik ben erg benieuwd naar de reactie van de Minister. Ik dank hem voor het oordeel Kamer op het amendement, want daarmee kunnen we heel wat talenten die in armoedegezinnen zitten extra helpen. Daar ben ik erg blij mee.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kom ik bij de heer Van Nispen namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel. Mijn eerste motie gaat over de betaalbaarheid van de sport.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te garanderen dat gemeenten zo snel mogelijk volledig gecompenseerd worden voor het nadeel dat zij lijden vanwege de verruiming van de sportvrijstelling in de Wet omzetbelasting per 1 januari 2019,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 130 (35 300-XVI).

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Ik had gevraagd naar een onderzoek naar de opbrengsten van sport, omdat sport nog steeds te vaak wordt gezien als een kostenpost. Er gaat vrij weinig geld naartoe, maar het zou veel kunnen opleveren. Ik kreeg zelfs tijdens dit debat allerlei suggesties van experts voor wat er nog nader onderzocht zou kunnen worden. Ik noem bijvoorbeeld op macroniveau de relatie van sport en beweeggedrag op ervaren welzijn, de kwaliteit van leven en het inkomen van mensen. Op microniveau, op gemeentelijk niveau, zou gekeken kunnen worden naar interventies volgen. Het lopende onderzoek zou van tijd tot tijd kunnen worden aangevuld, een soort actualisatie. We zouden kunnen denken aan afnemende zorgkosten en hogere leeropbrengsten. Dat is een beetje een antwoord op de vraag die de Minister mij stelde. Om dit te onderstrepen dien ik hierover, mede namens mevrouw Diertens, een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit eerste onderzoeken blijkt dat de maatschappelijke opbrengsten van sport veel hoger kunnen zijn dan de kosten, waardoor blijkt dat investeringen in sport niet alleen maatschappelijke maar ook financiële meerwaarde hebben;

verzoekt de regering nader onderzoek te doen naar de effecten van extra investeringen in sport en bewegen op afnemende zorgkosten, bijvoorbeeld door de bijdrage aan een gezonde leefstijl en de kwaliteit van leven, en de Kamer hierover in de zomer van 2020 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Diertens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 131 (35 300-XVI).

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Ik was blij met de door de Minister uitgesproken ambitie dat mensen met een beperking in 2030 net zo veel moeten kunnen deelnemen aan sport als mensen zonder een beperking. Ik denk wel dat dit niet vanzelf gaat. Het is goed dat de Minister zegt: ik breng initiatieven onder de aandacht. Daar heb ik ook om gevraagd. Ik zal hierover geen motie indienen, maar ik wil wel van de Minister weten hoe hij dit gaat meten. Ik vraag niet om stapels papier en voortgangsrapportages, maar ik wil wel weten hoe het ervoor staat, hoe de voortgang is richting de ambitie die wij nu voor 2030 hebben gesteld en wat er nog meer nodig is om dat te bevorderen.

Het is goed dat er een toezegging is om de mogelijkheden te bekijken om fout geld uit het voetbal te weren en in gesprek te gaan met de banken. Wanneer mogen wij daarover een brief ontvangen?

Ik heb nog wel een motie over de zeggenschap van supporters.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat voorkomen moet worden dat voetbalclubs in handen vallen van ongewenste investeerders die clubs opkopen met geld uit illegale of criminele praktijken;

spreekt uit dat voetbal van en voor de mensen is en geen speeltje van investeerders die geen oog hebben voor de cultuur, de identiteit van de voetbalclub en de regio;

constaterende dat onderzoek wordt gedaan naar criminaliteit en ondermijning in de sport;

verzoekt de regering na ommekomst van het onderzoek in gesprek te gaan met supporters, voetbalclubs en de KNVB over de mogelijkheden om supporters meer zeggenschap te geven over zaken die de identiteit van de club raken, bijvoorbeeld doordat zij vetorecht verkrijgen op de naam, logo, clubkleuren en de thuisbasis van de club, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 132 (35 300-XVI).

De heer Van Nispen (SP):

Ik zie dat de heer Heerema deze motie hartstochtelijk ondersteunt.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik snap heel goed wat de heer Van Nispen beoogt met deze motie. Ik zoek even, ook voor mijn oordeel richting mijn fractie, wat nou de rol van de Minister is bij supportersgroepen. Dat zijn er een heleboel en die hebben verspreide aanspreekpunten. Deze Minister heeft nog iets meer te doen dan alleen de sportportefeuille en alles wat daar op dit moment in speelt. Hoe moet ik nou zien dat daar een tastbaar resultaat uit naar voren zou kunnen komen waar wij eventueel een Minister op zouden kunnen bevragen en dergelijke? Ik vind het wat lastig geformuleerd.

De heer Van Nispen (SP):

Naar de formulering wil ik altijd kijken, maar dank voor uw vraag. Dit is een terecht punt. Ik heb mezelf ook de vraag gesteld: wat moet een Minister hier nou mee? Ik vind het wel een probleem dat steeds meer private investeerders, soms uit het buitenland maar soms ook uit Nederland, clubs in handen krijgen. Uit onderzoek van Voetbal International blijkt dat steeds meer clubs in externe handen komen. Soms gaat dat gruwelijk fout. In het buitenland zien wij daar al heel slechte voorbeelden van. Ik zou dat graag voor willen zijn in Nederland. Wij zien ook dat er Europese initiatieven en aanbevelingen zijn om te bekijken hoe je de identiteit van clubs beter kunt laten bewaken door supporters, maar dan nog is het een strijd. U heeft er misschien gelijk in als u zegt dat supporters dat zelf zullen moeten bevechten binnen hun clubs. Kijk naar de ervaringen die supportersverenigingen daarmee hebben. Ik bedoel daarmee niet alle clubs daaromheen, maar er is ook een supporterscollectief in Nederland. Wij hebben daar ook mee gesproken. Ik vraag van de Minister eigenlijk om daarover zijn licht eens te laten schijnen en met die groepen in gesprek te gaan. Daar zou bijvoorbeeld het delen van best practices uit kunnen komen: hoe supporters dat binnen hun eigen club zouden kunnen bereiken. Inderdaad, wees niet bevreesd. Ik zal de Minister niet vragen om hier zijn allergrootste topprioriteit van te maken in zijn brede portefeuille, maar ik denk dat een kleine actie van de Minister, het in gesprek gaan met en het bij elkaar brengen van groepen, grote betekenis zou kunnen hebben in het belang van de clubcultuur die supporters graag zouden willen bewaken en het belang van de clubs voor de regio.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Kort, voorzitter. Ik heb het dictum nu niet voor me, maar ik meen gehoord te hebben dat er wel degelijk een consequentie aan het gesprek van de Minister met eventuele sportverenigingen wordt gehangen door hun een bepaald stemrecht te geven. Volgens mij is dat iets wat wij niet bij deze Minister zouden moeten neerleggen. Ik ga het dictum zo lezen en ik zal dan eventueel een al dan niet positief oordeel aan mijn fractie geven.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb in het dictum inderdaad één voorbeeld genoemd van hoe dat zou kunnen. Daar staat: bijvoorbeeld door hun een vetorecht te geven op zaken die de identiteit van de club raken zoals logo, clubkleuren et cetera. In mijn spreektekst heb ik ook een aantal andere vormen genoemd. Het kan per club verschillen en het verschilt ook op dit moment. Maar waar ik eigenlijk op doel – ik heb het woord niet willen gebruiken, want het lijkt een toverstokje voor alles – is een soort handreiking of het delen van best practices. In die vorm heb ik dit in ieder geval bedoeld. De supporters zouden heel erg geholpen kunnen zijn met een kleine inspanning van de Minister.

De voorzitter:

Dank u wel. U bent ook aan het einde van uw inbreng.

De heer Van Nispen (SP):

Bijna, voorzitter. Ik heb nog een allerlaatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat het in een waterrijk land als Nederland van groot belang is dat de zwemveiligheid toeneemt en dat het Nationaal Plan Zwemveiligheid 2020–2024 van de Nationale Raad Zwemveiligheid voorstellen bevat om de zwemveiligheid in Nederland te bevorderen;

verzoekt de regering zich actief in te spannen en het mede mogelijk te maken dat deze voorstellen uitgevoerd kunnen gaan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 134 (35 300-XVI).

De heer Van Nispen (SP):

Ik stel het oordeel van de Minister over het amendement zeer op prijs, in het belang van de zwemveiligheid.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan kom ik bij de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik luister altijd heel graag naar het programma Langs de Lijn. Ik heb dit vandaag toch wel beschouwd als een extra uitzending van Langs de Lijn, zij het een politieke variant daarop. Tijdens deze uitzending heb ik in ieder geval kunnen ervaren dat de Minister een aantal CDA-voorzetten heeft willen inkoppen. Maar bij andere spelsituaties zie ik diezelfde speler nog niet bewegen en is er niet de bereidheid om de verdedigende linies te verlaten. Daarom toch een aantal moties om het CDA-aanvalsplan af te ronden. Ik had in eerste instantie vijf moties, maar op twee daarvan heb ik min of meer een toezegging gekregen. Ik hoop dat de voorzitter daar bij de conclusies nog even op terugkomt. Die gaan over de schrapsessies en over de ondermijning. Op dat laatste punt is voldoende antwoord gekomen. In het voorjaar krijgen we nog uitsluitsel hoe we dit gaan aanpakken. Er blijven er nog drie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering met de KNVB afgesproken heeft eind januari met een aanvalsplan tegen racisme in het voetbal te komen;

constaterende dat hierbij gemeenten nog niet betrokken zijn;

constaterende dat gemeenten wel een belangrijke rol hebben, aangezien zij verantwoordelijkheid dragen voor de openbare orde en omdat zij vaak een financiële relatie met de betaaldvoetbalorganisatie hebben;

verzoekt de regering om bij de uitwerking van het aanvalsplan ook betrokken gemeenten te betrekken door bijvoorbeeld afspraken te maken om betaaldvoetbalorganisaties die onvoldoende optreden tegen discriminatie en racisme, voortaan op geen enkele manier meer financieel te ondersteunen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 135 (35 300-XVI).

De voorzitter:

Ik zie een vraag van de heer Heerema.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Kan de heer Von Martels aangeven om wat voor subsidies het gaat vanuit de rijksoverheid in relatie tot lokale subsidies? Ik ben even op zoek naar welke subsidies er dan precies gekort zouden kunnen worden.

De heer Von Martels (CDA):

Het gaat heel vaak juist om gemeenten die een subsidierelatie hebben met de clubs. Omdat de Minister een belangrijke regiefunctie heeft om het hele aanvalsplan te doen laten slagen, vind ik dat de Minister met de gemeenten moet spreken over hoe gemeenten de subsidierelatie met clubs kunnen verbeteren of in ieder geval aanpassen.

De voorzitter:

Korte vragen en korte antwoorden, alstublieft.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Dit is een beetje hetzelfde als bij de vorige. Ik ben op zoek naar wat de rol van deze Minister is in dit soort zaken. Dit is een gemeentelijke afweging. In Alkmaar krijgt de club AZ helemaal geen gemeentelijke subsidie. Is die dan niet aanspreekbaar? Volgens mij sla je de plank mis als je het bij deze Minister neerlegt en niet bij de gemeente waar het daadwerkelijk om gaat. Ik vind het geen logische motie.

De heer Von Martels (CDA):

Ik hoor ook de Minister keer op keer zeggen «we doen het samen, zij aan zij, schouder aan schouder» en «we moeten dit gezamenlijk oppakken». Dan vind ik ook dat in het gesprek dat met alle partijen gevoerd gaat worden, de Minister de gemeenten moet aanspreken om hierop acties te ondernemen.

De voorzitter:

De heer Van Aalst op deze motie.

De heer Van Aalst (PVV):

Moeten we deze Minister aanspreken wat betreft het racisme? Ik heb in interruptie met de Minister ook al aangeven dat racisme een algeheel probleem is, niet alleen voor de sport. Is de heer Von Martels het ermee eens dat hij eigenlijk zijn eigen CDA-minister aan de jas moet trekken en eindelijk moet gaan regelen dat er ook bezetting is om te kunnen handhaven? Want anders is het gewoon een symboolmotie.

De heer Von Martels (CDA):

Het is duidelijk dat de heer Van Aalst niet aanwezig was bij het eerste gedeelte van deze vergadering, want toen is dit ook nadrukkelijk naar voren gekomen. Toen heb ik steeds het antwoord gegeven dat wat dat betreft ook de Minister van IenW een rol moet gaan spelen. We moeten dit niet afschuiven. We moeten de bal op voorhand niet bij politie en Justitie neerleggen. Het gaat er eerst om wat de clubs en de sport zelf kunnen betekenen om oplossingen aan te dragen voor dit zware onderwerp.

De heer Van Aalst (PVV):

Heel kort. Als we dit af willen dwingen, is JenV aan zet want racisme is strafbaar. We kunnen iedereen erbij halen en allerlei aanvalsplannen bedenken vanuit de KNVB of vanuit waar dan ook, maar de eerste prioriteit ligt bij de handhaving door JenV. Het is uw Minister van het CDA, dus het lijkt mij handig dat u die aan de jas trekt en zo snel mogelijk zorgt dat er voldoende capaciteit is.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, maar die Minister komt inderdaad pas aan bod als het kwaad al is geschied. Het gaat er juist om dat je in een eerder stadium preventief te werk gaat om dit te voorkomen. De uitwassen moet de Minister nadrukkelijk aanpakken. Dat gaat hij ook ongetwijfeld doen.

De voorzitter:

Ik zag de heer Van Nispen nog. Hoeft niet, mag wel.

De heer Van Nispen (SP):

Volgens mij is vooral de Minister van Justitie aan zet. Dat had al veel eerder moeten gebeuren, dat hardere aanpakken van de racisten en de raddraaiers. Ik heb nog een concrete vraag. Ik begrijp de motie ook niet helemaal, want bijvoorbeeld het ophangen van die dure camera's in voetbalstadiums kun je soms niet alleen aan de clubs overlaten. Soms moeten gemeentes daarin bijspringen om ervoor te zorgen dat individuen die zo'n wedstrijd verstoren, gevonden kunnen vonden en om de pakkans te vergroten. Dat kun je toch niet alleen aan de clubs en de KNVB overlaten en vervolgens voorstellen om te gaan straffen? Je moet hen daar soms toch juist bij ondersteunen en helpen?

De heer Von Martels (CDA):

We moeten het natuurlijk ook niet moeilijker maken dan het is. Als iedere club een goed aanvalsplan heeft en duidelijk maakt dat ze racisme en discriminatie bestrijden, dan is het alleen maar een aanmoediging om dat te doen. De gemeente kan daarin inderdaad sturend optreden met behulp van subsidies.

De voorzitter:

Dank u wel. U had gezegd dat u nog twee moties heeft.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, dat klopt, voorzitter. De tweede motie gaat over de leidraad voor duurzame sportevenementen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat er nog veel te winnen valt bij het verduurzamen en schoner houden van sportevenementen in Nederland;

constaterende dat de organisatie van de Zevenheuvelenloop dit jaar daar een goed voorbeeld van is, die daarom tevens beloond is met het predicaat European Race of the Year;

constaterende dat hierbij innovatieve middelen werden ingezet, zoals het vervangen van plastic flesjes door zakjes gemaakt van zeewier;

verzoekt de regering goede voorbeelden van innovaties om sportevenementen te verduurzamen te verspreiden en hier zo mogelijk een leidraad voor op te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 136 (35 300-XVI).

De heer Von Martels (CDA):

Ten slotte, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het Nationaal Sportakkoord het voornemen is opgenomen tot lokale en regionale sportakkoorden te komen;

overwegende dat sport ook bijdraagt aan ambities van het Preventieakkoord, namelijk gezondheid, preventie en tegengaan van eenzaamheid;

constaterende dat de Achterhoek een experimenteerstatus heeft gekregen en op 27 juni een sportakkoord Achterhoek in Beweging heeft afgesloten, waarbij een groot aantal partners vanuit het bedrijfsleven, onderwijs en overheid zijn aangesloten;

constaterende dat het succes van de uitvoering hiervan afhankelijk is van de betrokkenheid van mensen zelf en niet «van bovenaf» opgelegd kan worden;

verzoekt de regering een experiment in de Achterhoek te starten waarbij verenigingen ondersteuning kunnen aanvragen bij de implementatie van het Sport- en het Preventieakkoord, waarbij ingezet wordt op preventie, gezondheid en tegengaan van eenzaamheid;

verzoekt de regering tevens de Kamer over de tussenevaluatie begin 2021 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Von Martels en Rudmer Heerema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 137 (35 300-XVI).

Dat was het dan. We komen nu bij mevrouw Diertens van D66.

Mevrouw Diertens (D66):

Dank u wel. Dit is ook mijn fijnste debat, als rasechte sportpro. Ik doe altijd de uitspraak dat sport onderdeel is van de samenleving. Dat betekent ook dat ik vind dat racisme, homohaat en andere idiote uitwassen die binnen de sport heel kenbaar worden, een verantwoordelijkheid zijn van de samenleving en dat we de sport daar niet alleen mee kunnen opzadelen. De sport heeft daarin dus ondersteuning nodig. Racisme moet worden bestraft. In die zin vind ik dat we een actievere rol kunnen verwachten van andere ministeries, ook bij ondermijning, zoals ik zonet aangaf. Ik ben ook blij met de aandacht die de Minister heeft toegezegd voor het meer betrekken van ouderen bij allerlei bewegings- en sportactiviteiten. Ik ben ook blij met de welwillendheid om het Preventieakkoord in krimpgebieden tegemoet te treden en vanuit het Sportakkoord de kennis en kunde te delen.

Ik had een motie klaarliggen, die ik niet ga indienen, over de clustering van EK's voor parasporten. Zelf ben ik in 1990 betrokken geweest bij de organisatie van de eerste Wereldspelen voor gehandicapten als pilot voor de Paralympics in Barcelona. Ik heb toen gezien wat voor effect het heeft als je voor deze groep mensen verschillende sporten op hetzelfde moment organiseert. Nederland is een land dat dat goed kan. Daardoor is er sprake van een efficiëntere besteding van geld maar ook van een goede spin-off naar de media. In die zin vind ik dat de sport voor mensen met een beperking binnen het evenementenbeleid wat meer aandacht verdient. Ik hoop dat de Minister nog even goed wil nadenken over de mogelijkheid om dat te ondersteunen.

De KVNB wil heel graag een nadere studie naar de haalbaarheid om de voetbalvrouwen naar Nederland te halen. Ik verwacht dat de Minister ook daar een positieve bijdrage aan zal leveren.

Ik had ook een motie over het innoveren van oude sportaccommodaties. Ik word er toch altijd een beetje verdrietig van dat bij heel veel sportaccommodaties nog steeds de jaren zeventig leidend zijn, terwijl er hele mooie vernieuwingen zijn waardoor mensen en kinderen meer uitgedaagd kunnen worden om te sporten. Ik noem bijvoorbeeld e-sport en andere zaken, zoals digiborden bij sportclubs. Dat lijkt me dus ook iets om aandacht voor te houden.

Ik ben heel erg blij dat de Minister in gesprek gaat met de BES-eilanden en Curaçao. Wat de BES-eilanden betreft, is het fijn dat er een inventarisatie komt. En voor Curaçao zou ik toch nog eens met klem willen vragen om echt contact op te nemen met NOC*NSF, omdat dit een groot probleem is en al tien jaar lang doorsuddert. Daar moet dus een keer een knoop over doorgehakt worden.

U zult begrijpen dat ik als vrouw toch een motie heb over vrouwen in de sport.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de diversiteit in bondsbesturen, waaronder het aandeel vrouwen, achterblijft en ondanks beleidsinzet nauwelijks toeneemt;

overwegende dat de Code Goed Sportbestuur nu wordt herzien, met daarbij ook als doel om diversiteit in de sport te stimuleren, en jaarlijks zal worden gemonitord;

verzoekt de regering om met de bondsbesturen in gesprek te gaan over het opnemen van een streefcijfer van minimaal 30% vrouwen in bondsbesturen in de Code Goed Sportbestuur;

verzoekt de regering mogelijkheden uit te werken om de ambities zoals geformuleerd in de vernieuwde Code Goed Sportbestuur te bekrachtigen door deze bijvoorbeeld ook op te nemen in de subsidievoorwaarden voor sportbonden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diertens en Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 138 (35 300-XVI).

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Nou dient D66 allerlei moties niet in, en die ene die ze niet moeten indienen, dienen ze wel in. Dus dat is wel wat jammer. Ik wil even markeren wat wij in eerste termijn hebben gedaan. Deze motie over het opnemen van sanctiemiddelen in relatie tot subsidies kan echt desastreus uitpakken voor kleinere sportbonden. Ik vind dat zeer onverstandig. Ik vind het ook jammer dat u niks heeft gedaan met de suggesties die diverse partijen in eerste termijn hebben gedaan over de veel betere optie van het belonen als er meer vrouwen in een bestuur zitten in plaats van dat bonden worden gestraft als er te weinig vrouwen in een bestuur zitten. Daar heeft u uw eigen Minister ook aan uw zijde. Dus ik vind het echt jammer dat deze motie nou net wel wordt ingediend, en die andere moties, die misschien nog beter waren, niet.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Dan is het misschien geen vraag. Ik ben gewoon een beetje teleurgesteld dat het zo moet.

De voorzitter:

Mevrouw Diertens, wilt u daarop reageren?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik heb geen vraag gehoord.

De heer Von Martels (CDA):

Misschien kan ik dan een vraag stellen. Hoe vaak gaat D66 dezelfde vraag opnieuw stellen? Die 30% vrouwen in het bestuur, in het bedrijfsleven; het is iedere keer weer dezelfde vraag, met hopelijk ook hetzelfde antwoord. Maar in hoeverre heeft het zin om keer op keer dit punt te maken? Dat is eigenlijk mijn vraag.

Mevrouw Diertens (D66):

Nou, ik denk dat dat heel veel zin heeft. Ik ben ook een ervaringsdeskundige in de sport. Er zit vanaf 2012 geen voortgang in. Er wordt te weinig gezocht naar vrouwen, terwijl ze er wel zijn. Ik denk gewoon dat dit een middel kan zijn om vrouwen meer te betrekken in het hoogste orgaan en dat we daarmee ook de doorstroming krijgen naar internationale sportbesturen. Dus ik denk dat het een hele goede stok achter de deur kan zijn om sportbonden wat meer te activeren om echt op zoek te gaan naar de vrouwen die er zijn en om die te betrekken bij het sportbestuur.

De heer Von Martels (CDA):

Het is goed dat u uw punt maakt op deze manier. Ik heb alleen nog niet het precieze antwoord gekregen op de vraag: hoe vaak gaat D66 dit herhalen? Krijgen we volgende week bij het WGO Zorg, of over twee weken bij een ander WGO weer dezelfde motie? Want op zich kennen we de discussie wel en eigenlijk heeft het geen zin om dat iedere keer weer te benadrukken. Dat staat los van de inhoud. Ik vind ook dat er wel een grens moet worden gesteld aan maximaal 70% mannen.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik denk dat dit de uitrol is van het beleid dat D66 voorstaat, namelijk dat er meer vrouwen komen in raden van toezicht, in welke sector dan ook. Ik draag dat nog eens in dit kader voor. Als er nog andere sectoren bij komen, dan is dat gewoon ondersteuning van beleid van D66.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Aalst heeft ook een vraag voor u.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik wil toch wel vragen of D66 dit niet een beetje hypocriet vindt. Een halfjaar geleden kwam ik hier met een motie over grid girls – lees: pitspoezen – om hun baan te behouden. Daar stemde D66 tegen. Die banen wilde D66 blijkbaar niet behouden voor die vrouwen en nu komt D66 met een quotum om vrouwenbanen op te leggen. Vindt D66 dat niet een beetje hypocriet?

Mevrouw Diertens (D66):

Nee, ik denk dat de intentie van een pits... – hoe heten die poezen? – van een hele andere orde is dan deze motie. Ik denk dat dat ook wel heel duidelijk is voor heel veel mensen die het ermee eens zijn dat vrouwen niet op een bepaalde manier neergezet kunnen en moeten worden.

De heer Van Aalst (PVV):

Dat is natuurlijk totale onzin. Het waren gewoon hardwerkende vrouwen die hun baan kwijt zagen raken en daar aandacht voor vroegen. Wij hebben er ook aandacht voor gevraagd. Als blijkbaar het vrouwenquotum niet voor alle vrouwen geldt, dan zou ik mevrouw Diertens verzoeken om in die motie op te nemen dat dat vrouwenquotum van 30% niet voor alle baantjes geldt en dat pitspoezen en zo daar niet onder vallen. Anders vind ik het allemaal wel een beetje hypocriet en symboolpolitiek. Volgende week hebben we het weer over «bemanning» en «bemensing». Ik ben er wel een beetje klaar mee.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik denk dat dat helemaal niet het geval is, want de internationale Formule 1-organisatie heeft zich ook geconformeerd aan het idee dat er geen pitspoezen meer noodzakelijk zijn.

De voorzitter:

U vervolgt? Of was u klaar?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ben bijna klaar. Ik wil alleen de Minister nog even hartelijk danken voor zijn inzet in de sport. Ik zie uit naar het volgende AO.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik hoor dat dat wederzijds is. De heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog dertien minuten, maar ik denk dat ik zo meteen nog tien minuten ga gebruiken om niet over sport te praten, maar om zelf te gaan sporten. Dat lijkt mij verstandiger. Ik zie dat dat wordt beaamd in de commissie. Laten we dat dus maar doen.

Voorzitter, ik heb twee moties. Ik reken eigenlijk op steun van de Minister voor beide moties. De eerste motie sluit aan bij het verhaal over de banken en de neveneffecten die het antiwitwasbeleid met zich meebrengt. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • Nederlandse banken voetbalclubs niet langer als klant willen nemen;

  • Nederlandse voetbalclubs daardoor hun financiële zaken in het buitenland zullen gaan doen;

  • dit mogelijk leidt tot een verminderd zicht op de financiële handelingen van clubs;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe de onbedoelde neveneffecten van het antiwitwasbeleid in de sport kunnen worden tegengegaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Aalst en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 139 (35 300-XVI).

De heer Van Aalst (PVV):

Voorzitter. Mijn tweede motie is eigenlijk gewoon om het ambassadeurschap voor de oud-Hollandse sporten even vast te leggen voor de Minister.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland een aantal oud-Hollandsche sporten heeft die niet de aandacht krijgen die ze verdienen;

verzoekt de regering om de sociaal-culturele waarde van onze traditionele oud-Hollandsche sporten een prominente plek in het Sportakkoord te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 140 (35 300-XVI).

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Als ik goed heb geteld, zijn er dertien moties ingediend. Die worden nu ook gedistribueerd. We gaan zo de Minister vragen naar zijn oordeel, maar we geven hem even de tijd om ze te beoordelen.

De vergadering wordt van 15.25 uur tot 15.35 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan verder met het wetgevingsoverleg Sport en Bewegen. Er zijn dertien moties ingediend. Ik geef de Minister de gelegenheid om een oordeel te geven over de ingediende moties.

Minister Bruins:

Voorzitter, dank u wel, ook voor de constructieve manier waarop wij dit sportoverleg voeren. Het is inderdaad een van de hele leuke debatten van het jaar, waarbij je toch stellig de indruk hebt dat wij, de Kamer en de regering, samen proberen om de sport sterker te maken voor Nederland. Dat is een leuke manier van debatteren. Dat geeft echt energie en daar zeg ik de Kamer dank voor.

Allereerst in de richting van mevrouw Westerveld. In haar motie op stuk nr. 127 verzoekt zij de regering om te onderzoeken wat het aantal daadwerkelijke incidenten is en in het aanvalsplan met de KNVB maatregelen voor te stellen om de meldingsbereidheid te verhogen. Ik stel voor dat de motie het oordeel van uw Kamer krijgt. Ze sluit erg aan op wat wij hiervoor hebben besproken.

Ik ontraad de motie op stuk nr. 128. Daarin wordt de regering onder meer gevraagd om het vrouwenvoetbal verder te professionaliseren, maar dat is een autonoom proces waarin ik me niet wil mengen. Ik ga me er niet in mengen en daarom ontraad ik de motie.

In de richting van de heer Heerema geef ik eerst antwoord op een vraag...

De voorzitter:

Een vraag van mevrouw Westerveld over de tweede motie, neem ik aan.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ja, dat klopt. Het is natuurlijk helemaal niet mijn inzet dat de Minister het vrouwenvoetbal verder gaat professionaliseren. U kunt de motie inderdaad zo lezen. Als ik de motie zo herschrijf dat die niet meer de suggestie wekt dat de Minister dit moet doen, kan ze dan wel oordeel Kamer krijgen?

Minister Bruins:

Ik was toch een beetje gevleid met dit verzoek aan mij, maar het was eigenlijk aan Sarina Wiegman gericht. Ik moet eerst de nieuwe tekst onder ogen krijgen en dan zal ik me daar graag over uitspreken. Ik houd het oordeel dus nog even in stand.

De heer Heerema vroeg hoe besturen van sportverenigingen weten waar ze terecht moeten, als het gaat over het Sportakkoord. Er zijn altijd twee mogelijkheden. Men kan bij de bond aankloppen, omdat we de bonden allemaal goed hebben geïnformeerd over het traject van het Sportakkoord. Het NOC*NSF weet natuurlijk ook heel veel. Zij hebben ook een helpdesk om aan te geven waar verenigingen terechtkunnen.

De heer Heerema had één motie, op stuk nr. 129, die de Minister verzoekt te onderzoeken op welke wijze een klein maar slagvaardig interdepartementaal sportevenementenloket vormgegeven kan worden waarbij in ieder geval de Ministeries van VWS, EZ, IenW en Financiën betrokken worden. Ik heb in eerste termijn betoogd dat ik denk dat we op de goede weg zijn. We zijn nu aan het coördineren. De motie vraagt een onderzoek om te kijken of een klein loket – niet een klein orkest, maar een klein loket – tot de mogelijkheden behoort. Ik stel voor om deze motie oordeel Kamer te geven, en dan gaan we dat onderzoeken.

Dan in de richting van de heer Van Nispen van de SP. Hij had allereerst een vraag. Hoe meet je de ambitie over dat inclusief sporten op weg naar 2030? Eens in de zoveel jaar wordt een meting daarvan georganiseerd was; ik dacht dat het eens in de vier jaar was. De volgende meting staat in 2021 op de rol. Een paar jaar verderop is ook weer een meting voorzien, dus we kunnen dat over een reeks van jaren volgen. Daarnaast kijkt op een iets andere manier het Mulier Instituut naar de voortgang van het Sportakkoord. Het kijkt dan ook naar groepen met een lagere sportdeelname. Ook langs die weg kunnen we al iets leren over het meer sporten.

Dan de moties. De motie op stuk nr. 130 verzoekt de regering te garanderen dat gemeenten zo snel mogelijk volledig gecompenseerd worden voor het nadeel dat zij lijden vanwege de verruiming van de sportvrijstelling in de Wet omzetbelasting per 1 januari 2019. Ik ontraad deze motie. Dat volledig compenseren leidt straks ongetwijfeld tot discussie. Ik heb juist betoogd dat ik moet beoordelen wat subsidiabel is. Dat is wat anders dan volledig compenseren. Ten tweede verhoudt dat garanderen zich niet goed met het feit dat ik nog een inzet heb te plegen in de richting van de collega van Financiën om te zorgen dat de compensatie daadwerkelijk helemaal wordt voltooid. Ik ontraad deze motie dus.

De motie op stuk nummer 131 is ondertekend door de heer Van Nispen en mevrouw Diertens. Zij verzoekt de regering nader onderzoek te doen naar de effecten van extra investeringen in sport en bewegen op afnemende zorgkosten, bijvoorbeeld door de bijdrage aan een gezonde leefstijl en de kwaliteit van leven en de Kamer hierover in de zomer van 2020 te informeren. Die handschoen wil ik oppakken. Dus ik laat het oordeel aan de Kamer.

De volgende motie, de motie op stuk nr. 132, ontraad ik. Die verzoekt de regering na ommekomst van het onderzoek in gesprek te gaan met supporters, clubs en KNVB over de mogelijkheden om supporters meer zeggenschap te geven over zaken die de identiteit van de club raken, bijvoorbeeld doordat zij een vetorecht verkrijgen op de naam, logo, clubkleuren en de thuisbasis van de club, en de Kamer hierover te informeren. Ik vind dat wij als regering geen rol hebben in het meer zeggenschap geven. Dat is iets wat bij de clubs thuishoort. Zij kunnen daarover het overleg voeren met de KNVB, maar niet met mij. Ik ontraad deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 132 is ontraden. Vervolgens de motie op stuk nr. 134.

Minister Bruins:

De motie verzoekt de regering zich actief in te spannen en het mede mogelijk te maken dat deze voorstellen uitgevoerd kunnen gaan worden. Het gaat dan om het Nationaal Plan Zwemveiligheid. Ik dacht dat ik al positief heb gereageerd op het amendement met dezelfde strekking. Ik heb dan ook de neiging om te zeggen: oordeel Kamer. Als het maar niet de bedoeling is dat het dubbel geld is voor een plan. Ik vind het een beetje flauw om te zeggen dat ik deze motie overbodig vind, maar met het in herinnering roepen van het feit dat ik al positief heb gereageerd op het amendement over hetzelfde onderwerp, meen ik dat dit het beste kan worden beoordeeld met een «oordeel Kamer».

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 135.

Minister Bruins:

Voorzitter. Die ontraad ik. Ik zal het dictum voorlezen: verzoekt de regering om bij de uitwerking van het aanvalsplan ook betrokken gemeenten te betrekken door bijvoorbeeld afspraken te maken om betaald voetbalorganisaties die onvoldoende optreden tegen discriminatie en racisme voortaan op geen enkele manier meer financieel te ondersteunen. Wij hebben vrij uitgebreid besproken dat het ondersteunen van clubs door de gemeenten een eigenstandig oordeel vraagt en een eigenstandige verantwoordelijkheid is van gemeenten. Zij moeten bekijken of zij willen ondersteunen, ook financieel. Dus om die reden ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 136 verzoekt de regering goede voorbeelden van innovaties om sportevenementen te verduurzamen, te verspreiden en hier zo mogelijk een leidraad voor op te stellen. Dat past, denk ik, goed bij de uitwerking van deelakkoord 6. Daar past ook een «oordeel Kamer».

De motie op stuk nr. 137 verzoekt de regering een experiment in de Achterhoek te starten waarbij verenigingen ondersteuning kunnen aanvragen bij de implementatie van het Sport- en Preventieakkoord waarbij ingezet wordt op preventie, gezondheid en tegengaan van eenzaamheid. De kans is levensgroot dat mensen die in de Achterhoek wonen, denken: ondersteuning? Dat is ondersteuning in geld. Dus ik ontraad deze motie, maar laat een ding duidelijk zijn. Als men in de Achterhoek of waar dan ook in Nederland wil nadenken over een sport- en preventieakkoord en men heeft daar behoefte aan het sparren met hetzij het departement in de zin van de Minister van Sport, hetzij de Staatssecretaris van Preventie, dan zijn wij daar allebei graag toe bereid. Wij mogen geen onduidelijkheid laten bestaan over de indruk die hier allicht kan worden gewekt, dat ondersteuning kan worden aangevraagd bij de implementatie van het Sport- en Preventieakkoord. Daarom ontraad ik deze motie, maar, nogmaals gezegd, ik vind het sympathiek als partijen zeggen dat zij samen een sport- en preventieakkoord willen opzetten. Zij kunnen bij mij of collega Blokhuis terecht om daarover te sparren. Daar is geen motie voor nodig; daar is altijd alle ruimte en aandacht voor.

De voorzitter:

De heer Von Martels over de motie op stuk nr. 137.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, nog even de vraag of dat sparren ook nog ergens toe kan leiden. Dat is natuurlijk de wezenlijke vraag.

Minister Bruins:

Nou ja.

De heer Von Martels (CDA):

Sparren houdt in dat je natuurlijk ook nog naar openingen zoekt om elkaar te versterken. Als de Minister openstaat voor sparren, is de vraag wat hem daarbij voor ogen staat. Waar gaat dat sparren toe leiden? Alleen maar kennis uitwisseling of is er nog meer mogelijk?

Minister Bruins:

Alleen maar? Het is kennis uitwisselen; dat is het goede gesprek voeren. Het zou kunnen zijn dat men in de Achterhoek een bepaald idee heeft en dat bij ons wil komen toetsen. Dan is dat goede gesprek altijd mogelijk en hoeft er niet te worden gewacht op de uitvoering van geen enkele motie. Ik ben daar altijd toe bereid. Niet alleen voor de Achterhoek, ook voor de rest van Nederland, tot het laatste eiland aan toe.

Mevrouw Diertens stelde...

De voorzitter:

Dat betreft dan de motie op stuk nr. 138 van mevrouw Diertens.

Minister Bruins:

Zij had ook nog drie vragen, die ik eerst graag wil beantwoorden. De eerste ging over extra aandacht voor de parasport binnen het evenementenbeleid. Het voortouw hiervoor ligt bij de sport, maar volgens mij vindt iedereen in deze Kamer het heel interessant om aandacht hiervoor te hebben en te houden.

Dan de vraag over het naar Nederland halen van het WK voetbal voor vrouwen in 2027. Mevrouw Diertens weet dat de KNVB op dit moment de mogelijkheden verkent voor een bid. Dat volg ik aandachtig. Uw Kamer heeft zich eerder al bij motie positief uitgesproken over het binnenhalen ervan, maar het is nog te vroeg om financiële steun toe te zeggen; maar de voortgang hiervan zien we in de komende jaren echt wel tegemoet.

Mevrouw Diertens (D66):

Die financiële steun was met name gericht op het haalbaarheidsonderzoek dat betrekking heeft op het voortraject ten aanzien van welke steden het eventueel zouden kunnen gaan organiseren.

Minister Bruins:

Laten we eerst maar eens eventjes kijken waar de KNVB mee komt. De KNVB verkent de mogelijkheden en dat volg ik aandachtig.

Wat betreft Curaçao heb ik eigenlijk niets toe te voegen aan mijn eerdere antwoord. Ik zal het onderwerp onder de aandacht brengen van NOC*NSF. Verder is het aan de sport op Curaçao om daarover met het IOC in contact te treden, maar ik begrijp heel goed de dieperliggende aandacht van mevrouw Diertens voor dit onderwerp. Het leeft ook bij mij, maar het betreft hier echt een rol die ligt bij NOC*NSF, de mensen op Curaçao en het IOC. Ik ben daar geen partij in.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 138 die is ingediend door mevrouw Diertens en mevrouw Westerveld. Daarin wordt de regering verzocht mogelijkheden uit te werken om de ambities zoals geformuleerd in de vernieuwde Code Goed Sportbestuur te bekrachtigen door deze bijvoorbeeld ook op te nemen in de subsidievoorwaarden voor sportbonden. Ik ontraad die motie. Het is aan de sport zelf. Die heeft dat voornemen en dan ga ik daar niet een rol bij zetten door het uitwerken van mogelijkheden. Dus ik ontraad de motie op stuk nr. 138.

De motie op stuk nr. 139 van de heer Van Aalst verzoekt de regering te onderzoeken hoe de onbedoelde neveneffecten van het antiwitwasbeleid in de sport kunnen worden tegengegaan. Dat is een verzoek aan de regering, maar ik vind dat in dezen het voortouw niet door de regering moet worden genomen maar door de KNVB. Reden waarom ik deze motie moet ontraden.

De heer Van Aalst (PVV):

Dat vind ik toch wel jammer, want volgens mij heeft de Minister in zijn eerste termijn gezegd dat hij iets van de banken mee wil nemen in het onderzoek dat JenV deed. Nou, dat is volgens mij exact wat hier aan bod komt. Dus ik verwacht niet een nieuw onderzoek, maar ik verwacht wel dat hij dit meeneemt. Ik heb het in mijn motie over voetbalclubs en clubs. Het is mijns inziens ook wel breed bedoeld om te voorkomen dat we dit probleem ook in andere sporten terug gaan zien. Volgens mij kan dit prima ondergebracht worden bij wat JenV al doet. Dus ik hoop dat de Minister zijn oordeel wil wijzigen en hij dit alsnog wil toevoegen aan het onderzoek dat al gedaan wordt door JenV.

Minister Bruins:

In de motie staat de passage «verzoekt de regering». Ik heb niet de behoefte om dat verzoek op mijn schouders te nemen. Ik vind dat het voortouw bij de KNVB ligt. Ik weet ook dat de KNVB over dit onderwerp in gesprek is met de banken. Die uitkomst wacht ik graag af. Dat is de reden waarom ik deze motie ontraad.

Tot slot de motie van de heer Van Aalst op stuk nr. 140 waarin de regering wordt verzocht om de sociaal-culturele waarde van onze traditionele «oud-Hollandsche» sporten een prominente plek in het sportakkoord te geven. In ontraad de motie. Alle sporten hebben de kans op een plekje in een lokaal akkoord. Het is aan henzelf om zich daartoe te profileren. Maar de warmte die uit de tekst van de motie klonk, kan ik heel goed navoelen, want we hebben vele mooie traditionele oud-Hollandse sporten en trouwens ook heel veel mooie nieuwe sporten die we allemaal koesteren en die allemaal onze aandacht waard zijn, maar ik ontraad de motie.

De voorzitter:

Ik zag nog een vraag van de heer Van Nispen over de motie op stuk nr. 139.

De heer Van Nispen (SP):

Dat klopt. Volgens mij heeft de heer Van Aalst inhoudelijk echt een punt dat dit een ongewenste ontwikkeling is. Als banken voetbalclubs gaan weigeren, dan heeft dat allerlei risico's. Volgens mij is de strekking van de motie zeer terecht. Volgens mij heeft de Minister een toezegging gedaan die erg lijkt op wat er in de motie staat. Ik begrijp niet helemaal waar de afwijzende houding van de Minister vandaan komt. Kan hij dit toelichten, mede in het licht van de toezegging die wel degelijk door deze Minister is gedaan om samen met de collega's van Financiën en Justitie in gesprek te gaan met de banken?

Minister Bruins:

Ik heb al eerder gezegd dat ik vind dat het voortouw hier niet moet worden genomen door de regering, maar door de KNVB. Ik heb ook al gezegd dat de KNVB op dit moment in gesprek is met de banken. Ik wacht eerst die uitkomsten af voor ik als regering kijk wat mij nader te doen staat.

De heer Van Nispen (SP):

Maar de Minister heeft toch gezegd dat hij zich met dat gesprek wil bemoeien, samen met de collega's van Financiën en Justitie? Die toezegging hadden we nou juist al losgepeuterd. Dat begrijp ik dan niet.

Minister Bruins:

Ik zei al dat de KNVB het gesprek voert met de banken. Dat wacht ik rustig af. Ik blijf dus bij het ontraden van deze motie. Ik vind niet dat het verzoek bij de regering moet worden neergelegd. Ik vind dat het voortouw daarvoor bij de KNVB moet liggen.

De voorzitter:

Dank u wel. Nee, meneer Van Nispen. U krijgt hetzelfde antwoord.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, maar u gaat dadelijk de toezeggingen voorlezen en dan staat daar een toezegging in die haaks staat op wat nu door de Minister wordt gezegd. Dat vind ik heel vreemd en ook een beetje onhandig.

De voorzitter:

Dat gaan we zo zien. We hebben toezeggingen genoteerd, dus die ga ik met u doornemen. Er zijn ook nog twee amendementen ingediend. Het amendement 35300-XVI-123 is een amendement van het lid Van Nispen over middelen voor zwemvaardigheid. Ik heb van de Minister begrepen dat hij daar oordeel Kamer aan gaf.

Minister Bruins:

Ja.

De voorzitter:

En datzelfde geldt voor amendement 35300-XVI-124 van het lid Rudmer Heerema over middelen voor de topsport en de scholieren in gezinnen met armoede. Ook dat krijgt oordeel Kamer. Voor de volledigheid voor iedereen die dit terugkijkt: er zijn twee amendementen en dertien moties met verschillende oordelen. Dan kom ik op de toezeggingen. Let u goed op.

  • In het eerste kwartaal zal het actieplan tegen racisme en discriminatie in de sport worden gepresenteerd (en eventuele financiële consequenties hiervan). Dat is een verzoek van de commissie VWS.

  • Voorafgaand aan het volgend algemeen overleg zal de Kamer nader worden geïnformeerd over de vergoeding van de Pacemaker Protector Pace-Pro. Dat was een vraag van mevrouw Westerveld.

  • De Minister zal schriftelijk terugkomen op regelingen die specifiek voor vrouwen gelden binnen de sport. Dat was een vraag van mevrouw Westerveld.

Op welke termijn kunt u schriftelijk terugkomen op deze specifieke regelingen voor vrouwen, Minister?

Minister Bruins:

Zal ik ze voor het volgende AO op een rijtje zetten?

De voorzitter:

Ja, dat wordt geaccepteerd.

  • Voorafgaand aan het komend algemeen overleg Sport wordt de Kamer geïnformeerd over het onderzoek naar en perspectief op de arbeidsmarkt binnen de sportsector. Dat was een vraag van de heer Heerema, mevrouw Diertens en de heer Von Martels.

  • Uiterlijk voor het volgend algemeen overleg Sport wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van de navraag bij NOC*NSF over de behoefte van schrapsessies bij vrijwilligers binnen de amateursport. Dat was een vraag van de heer Von Martels.

Ik zie de heer Von Martels knikken.

  • De verkenning van de alliantie Sporten en bewegen naar de toegankelijkheid van sport wordt voorafgaand aan het volgend algemeen overleg Sport afgerond en aan de Kamer gestuurd. Dat was een vraag van mevrouw Diertens.

  • De Minister stuurt in de zomer van volgend jaar het plan over sporthulpmiddelen aan de Kamer. Dat was ook een vraag van mevrouw Diertens.

  • De Minister gaat in overleg en inventariseert de problemen op het gebied van talentontwikkeling en topsport op de BES-eilanden en stuurt de Kamer hier voorafgaand aan het komend overleg Sport schriftelijk meer informatie over.

Dat is allemaal genoteerd. Staat er nog iets open?

De heer Van Aalst (PVV):

Ja, en volgens mij hebben we er net een interruptie over gehad. Volgens mij is letterlijk toegezegd door de Minister dat hij het verhaal over de banken mee gaat nemen. Daarom diende ik die motie in. Ik dacht: dat wordt een inkoppertje voor de Minister. Ik begrijp niet waar die toezegging gebleven is. In mijn optiek is die gewoon gedaan.

De voorzitter:

Alles wat hier gezegd is, wordt gewoon schriftelijk verwerkt. Dat kunt u daar dan ook in teruglezen.

De heer Van Aalst (PVV):

Nou ja, ik vind het heel slordig als ik zo meteen op het stenogram moet terugkomen dat het inderdaad is toegezegd.

De voorzitter:

De heer Van Nispen had hetzelfde punt?

De heer Van Nispen (SP):

Ja.

De voorzitter:

Dan vraag ik nog één keer of de Minister daarop wil reageren en dan zijn we klaar.

Minister Bruins:

Dat onderzoek over ondermijning is een bredere opdracht, dus daar zijn de departementen van JenV en in ieder geval dat van VWS bij betrokken. Daar zit ook een rol voor de banken bij. Dat gaat over de informatie-uitwisseling. Daar hebben we het over gehad in de eerste termijn. Hier wordt de regering verzocht om zelfstandig te onderzoeken hoe de onbedoelde neveneffecten van het antiwitwasbeleid in de sport kunnen worden tegengegaan. Daarvan heb ik gezegd: ik vind dat daar het voortouw bij de KNVB hoort te liggen. Ik wil niet dat het verzoek bij de regering komt te liggen, maar bij de KNVB. Ik maak daar dus twee punten van waar ik een duidelijk onderscheid in aanbreng.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het eind van dit wetgevingsoverleg. We hoeven het niet allemaal eens te worden. Er valt altijd nog wat te debatteren. Bedankt en tot een volgende keer!

Sluiting 15.57 uur.