Kamerstuk 35300-XVI-10

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2020

Gepubliceerd: 18 oktober 2019
Indiener(s): Helma Lodders (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-XVI-10.html
ID: 35300-XVI-10

Nr. 10 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 oktober 2019

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 27 september 2019 voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 17 oktober 2019 zijn ze door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Bakker

Vraag 1

Welke kosten heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 gemaakt ten behoeve van (leden van) het Koninklijk Huis? En welk bedrag is hiervoor precies gereserveerd in de begroting van 2020?

Antwoord:

Er is geen sprake van kosten voor het Koninklijk Huis die worden opgenomen in de begroting De Koning volgens de hiervoor vastgestelde uitgangspunten. Er is sprake van uitgaven voor kosten op de begroting van dit ministerie voor activiteiten die verband houden met de beleidsdoeleinden en/of uitvoering van regelgeving van dit ministerie en waarbij in dit kader een persoon is betrokken die tevens lid is van het Koninklijk Huis. In de periode 2010 tot en met 2019 is totaal circa € 120.000,– aan kosten gemaakt ten behoeve van (leden van) het Koninklijk Huis. Dit bedrag heeft betrekking op de reis- en verblijfskosten in het kader van de Olympische- en Paralympische Zomer en Winter Spelen. Het Ministerie van VWS vergoedt deze kosten omdat leden van het Koninklijk Huis een belangrijke bijdrage leveren aan het uitdragen van het Nederlandse sportbeleid. De bedragen worden gezien de omvang niet apart in de begroting vermeld.

Vraag 2

Kan per programma van de 21 actieprogramma's die verschenen zijn, aangegeven worden welke concreet meetbare doelen én bijbehorende indicatoren opgenomen zijn en kan hierbij per indicator / doel aangeven worden in hoeverre deze op dit moment gehaald gaan worden

Antwoord:

Zoals onder andere tijdens het wetgevingsoverleg bij het jaarverslag 2017 d.d. 18 juni 2019 is aangegeven ontvangt uw kamer op gezette tijden voortgangsrapportages van de verschillende programma’s waarin telkens een overzicht is opgenomen van de concreet meetbare doelen en bijbehorende indicatoren. Zo wordt uw kamer vanuit de context van het programma geïnformeerd over de voortgang. In de brief van 15 juli 2019 (TK 35 000 XVI, nr. 135) is een overzicht opgenomen van de momenten in het parlementaire jaar waarop de voortgangsrapportages van de lopende beleidsprogramma’s naar verwachting zullen verschijnen.

Daarnaast is, om meer samenhang te creëren tussen de begroting en de actieprogramma’s, in de beleidsagenda van deze ontwerpbegroting en de VWS-monitor die ook met Prinsjesdag aan uw kamer is aangeboden (TK 35 300 XVI, nr. 4) een aantal indicatoren uit de verschillende actieprogramma’s opgenomen.

Vraag 3

Kan per programma van de 21 actieprogramma’s die verschenen zijn, aangegeven worden welke middelen beschikbaar zijn gesteld voor deze programma’s en in hoeverre deze middelen in de afgelopen jaren uitgegeven zijn?

Antwoord:

In de programma’s die zijn opgenomen in mijn brief van 15 juli jl. (TK 35 000 XVI, nr. 135) wordt aandacht besteed aan de budgettaire impact van de verschillende programma’s.

Voor een groot deel van de programma’s geldt dat door middel van actieprogramma’s politieke prioriteiten zijn weergegeven en hiervoor zijn binnen de begroting bestaande middelen beschikbaar gesteld. Het betreft hier onder meer de programma’s Rechtmatige zorg, (Ont)regel de zorg en enkele programma’s voor de jeugdzorg. Ook binnen de beschikbare Wlz-premiemiddelen is vanuit politieke prioritering geld vrijgemaakt voor de programma’s Langer thuis en Volwaardig leven.

Het programma Volwaardig leven maakt daarnaast ook gebruik van middelen die bij het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld, namelijk voor cliëntondersteuning. Ook voor de programma’s Thuis in het Verpleeghuis en Een tegen eenzaamheid geldt dat deze met middelen uit het Regeerakkoord (Kwaliteitskader verpleeghuiszorg en waardig ouder worden) worden uitgevoerd. Als laatste geldt dat voor het programma Werken in de zorg onder meer de extra middelen voor Sectorplanplus beschikbaar zijn gesteld; hierbij gaat het om een bedrag van € 420 miljoen.

Bij de verschillende voortgangsrapportages zal melding worden gedaan van eventuele aanpassingen in de bestedingen.

Vraag 4

Kunt u een overzicht sturen met de jaarlijkse uitgaven aan zorg vanaf het jaar 2000 tot en met 2019 in zowel totaal als uitgesplitst per wet?

Antwoord:

In de onderstaande tabellen zijn de niet gecorrigeerde cijfers (onder meer voor overhevelingen tussen zorgdomeinen) van de ontwikkeling van de zorguitgaven 2000 tot en met 2019 opgenomen in zowel totaal (tabel 1) als uitgegeplitst per wet (tabel 2).

Het betreft hier de zorguitgaven die vallen onder de definitie van het Uitgavenplafond Zorg (het UPZ), grotendeels de premiegefinancierde uitgaven. De zorguitgaven die verantwoord worden op de VWS-begroting zijn niet in de tabellen opgenomen. Zoals in voetnoot 6 beschreven geldt dat ook voor de middelen Wmo en jeugd die per 2019 zijn opgegaan in de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Tabel 1 Ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten onder het Uitgavenplafond Zorg 2000–2019 (bedragen x € 1 miljard)1
 

2000

2001

2002

20032

2004

2005

20063

20074

2008

2009

20105

2011

2012

2013

2014

20156

2016

2017

2018

2019

Bruto zorguitgaven

34,6

38,4

43,1

43,7

44,9

46,5

48,3

51,0

55,5

59,3

62,5

64,5

67,9

68,8

69,3

68,9

71,0

72,8

75,6

75,1

Eigen risico/ eigen betalingen

2,6

2,6

2,4

2,4

2,2

3,8

3,8

3,7

3,0

3,0

3,0

3,2

3,6

4,6

5,1

5,1

5,1

5,0

5,0

5,0

Netto zorguitgaven

32,0

35,8

40,7

41,3

42,7

42,7

44,5

47,3

52,6

56,3

59,4

61,3

64,3

64,2

64,2

63,7

65,9

67,8

70,6

70,2

X Noot
1

De zorguitgaven zijn exclusief de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (VWS-begroting en aanvullende post Financiën).

Tabel 2 Ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten onder het Uitgavenplafond Zorg per wet 2000–2019 (bedragen x € 1 miljard)
 

2000

2001

2002

20032

2004

2005

20063

20074

2008

2009

20105

2011

2012

2013

2014

20156

2016

2017

2018

2019

Zorgverzekeringswet (Zvw)

                                       

Bruto Zvw-uitgaven

18,1

20,0

22,3

23,5

23,7

24,3

25,3

26,1

31,5

33,8

35,5

36,0

36,7

39,2

39,2

41,8

43,8

45,1

46,6

49,3

Eigen risico

0,7

0,9

0,8

0,5

0,4

2,0

2,1

2,0

1,3

1,4

1,5

1,5

1,9

2,7

3,1

3,2

3,2

3,2

3,2

3,1

Netto Zvw-uitgaven

17,4

19,2

21,5

23,0

23,2

22,3

23,2

24,0

30,2

32,4

34,0

34,5

34,7

36,5

36,1

38,6

40,6

41,9

43,4

46,1

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)/Wet langdurige zorg (Wlz)

                                       

Bruto AWBZ/Wlz-uitgaven

14,6

16,2

18,4

20,2

21,2

22,2

23,0

22,9

21,8

23,2

24,1

25,2

27,9

27,5

27,8

19,5

19,9

20,4

21,4

23,6

Eigen betalingen

1,6

1,6

1,6

1,8

1,8

1,8

1,8

1,6

1,6

1,6

1,5

1,6

1,7

1,9

2,0

1,9

1,9

1,9

1,8

1,8

Netto AWBZ/Wlz-uitgaven

12,9

14,7

16,8

18,3

19,4

20,4

21,2

21,2

20,2

21,6

22,7

23,6

26,2

25,5

25,8

17,7

18,0

18,5

19,6

21,7

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)7

                                       

Bruto Wmo-uitgaven (gemeentefonds)

             

1,4

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,6

1,7

4,9

4,9

4,9

5,1

1,8

Jeugdwet7

                                       

Bruto Jeugdwet-uitgaven (gemeentefonds)

                             

2,0

1,9

1,9

2,0

 

Bron: VWS

X Noot
2

De overheidssectoren zijn vanaf 2003 t/m 2006 leeggeboekt omdat deze niet meer tot het Uitgavenplafond Zorg gerekend worden.

X Noot
3

De Zorgverzekeringswet (Zvw) is in 2006 ingevoerd. Daarvoor maakten deze uitgaven deel van het Ziekenfondswet (ZFW), particuliere verzekeringen, eigen betalingen ZFW en eigen betalingen particuliere verzekeringen.

X Noot
4

De integratie-uitkering Wmo huishoudelijke hulp is in 2007 ingevoerd.

X Noot
5

Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het Uitgavenplafond zorg is toegerekend.

X Noot
6

De Wet langdurige zorg (Wlz) is in 2015 in werking getreden.

X Noot
7

De uitgaven voor Wmo en de Jeugdwet betreffen alleen het premiedeel dat valt onder het Uitgavenplafond Zorg. Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds via verschillende uitkeringen ook andere budgetten om aan hun wettelijke verantwoordelijkheden op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te voldoen. Het totale budget dat gemeenten aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet uitgeven kan alleen indicatief worden gegeven op basis van Iv3. De gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Op basis van het Iv3-systeem wordt voor een deel van de taken geen onderscheid gemaakt tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet, en de overhead wordt niet per taak inzichtelijk gemaakt maar op één taakveld door gemeenten geboekt. Zie ook het antwoord op Kamervraag 40, 43, 44, 47 en 803.

Vraag 5

Hoeveel wordt er door u geïnvesteerd in de zorg? Kunt u dit zowel weergeven in een totaalbedrag als uitgesplitst in aparte tabellen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Jeugdwet?

Antwoord

In de onderstaande tabel zijn de belangrijkste intensiveringen in de Zvw, de Wlz, Wmo en Jeugdwet opgenomen sinds de ontwerpbegroting 2019.

Het betreft hier zowel intensiveringen vanuit de begroting als premiemiddelen.

Belangrijkste intensivering in de begroting 2020 (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Zvw

2,2

48,6

68,6

88,6

101,6

Beschikbaarheidsbijdrage Prinses Maxima Centrum

0,0

9,9

10,9

11,9

11,9

Regeling Veelbelovende Zorg

2,2

28,7

47,7

66,7

79,7

Beschikbaarheid geneesmiddelen

0,0

10,0

10,0

10,0

10,0

           

Wlz

18,5

526,0

526,3

526,5

526,6

Kwaliteitskader verpleeghuiszorg tranche 20201

0,0

500,0

500,0

500,0

500,0

Ontwikkelopgave zorgkantoren

11,8

10,2

10,4

10,4

10,4

Wet zorg en dwang

0,5

9,6

9,7

9,9

10,0

Bijdrage zorgvisie Groningen

6,2

6,2

6,2

6,2

6,2

           

Wmo

50,0

85,0

100,0

115,0

115,0

Ambulantisering in het ggz-domein

50,0

65,0

80,0

95,0

95,0

Invoeren Wet verplichte ggz

0,0

20,0

20,0

20,0

20,0

           

Jeugdwet

422,2

306,1

307,8

9,5

11,4

Tekorten Jeugdhulp

420,0

300,0

300,0

0,0

0,0

Verhoging leeftijdsgrens gezinshuizen

2,2

6,1

7,8

9,5

11,4

           

Overig

5,0

10,0

50,0

0,0

0,0

Arbeidsmarktprogramma Sectorplanplus

0,0

0,0

50,0

0,0

0,0

Viering 75-jaar vrijheid

5,0

10,0

0,0

0,0

0,0

Totaal

497,9

975,7

1.052,7

739,6

754,6

Bron:VWS

X Noot
1

Deze investering betreft de tranche 2020 binnen het ingroeipad van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg. Er komt in 2020 € 500 miljoen extra beschikbaar voor het kwaliteitsbudget. Het betreft in deze tabel dus enkel de toevoeging ten opzichte van de eerder beschikbaar gestelde middelen ten behoeven van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg.

Vraag 6

Hoeveel winst is er gemaakt in de Nederlandse zorgsector in het jaar 2019?

Antwoord:

Ik beschik niet over de precieze informatie die u vraagt. Het gemiddelde winstpercentage is in deze sector zeer laag. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het bedrijfsresultaat (de bedrijfsopbrengsten minus de bedrijfslasten, exclusief het saldo van financiële en buitengewone baten en lasten) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in 2015, 2016 en 2017.

Bedrijfsresultaat per sector (x € 1 miljoen)
 

2015

2016

20171

Universitair medisch centra

318

314

350

Algemene ziekenhuizen

621

563

543

Categorale ziekenhuizen

64

39

31

GGZ met overnachting

168

104

152

Gehandicaptenzorg

305

249

309

Jeugdzorg met overnachting

22

28

33

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

33

– 12

43

Ambulante jeugdzorg

3

12

– 3

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

322

163

517

Bron: CBS Statline

X Noot
1

Voorlopige cijfers.

Vraag 7

Hoeveel winst is uitgekeerd aan de investeerders, aandeelhouders en eigenaren?

Antwoord:

Ik hebben hier geen integraal overzicht van. SIRM en Finance Ideas hebben eerder dit jaar in opdracht van VWS onderzoek gedaan naar dividenduitkering door zorgaanbieders met een Wtzi-toelating.1 In hun rapport zeggen de onderzoekers hier het volgende over: «Het is moeilijk rechtstreeks te achterhalen hoeveel dividend in de zorg is uitgekeerd. Onze ruwe schatting komt op € 275 miljoen voor 2016. Hieronder valt niet eventueel dividend uitgekeerd door BV’s aan wie WTZi toegelaten zorgaanbieders zorg hebben uitbesteed. Daarvoor hebben we onvoldoende gegevens. Wel hebben we de medisch-specialistische bedrijven meegenomen in de schatting. Het in de zorg uitgekeerd dividend bestaat grotendeels uit dividend van bedrijven van medisch specialisten, huisartsen, tandartsen, apothekers en paramedici. Een klein deel, ongeveer € 6 miljoen per jaar, wordt uitgekeerd door BV’s, werkzaam in de extramurale GGZ en thuiszorg. Of een ondernemer-zorgaanbieder kiest voor een BV of werkt als zelfstandige, is deels een juridische en fiscale optimalisatie. Daarom is ook de vergelijking met winst van zelfstandig gevestigde zorgverleners zonder BV relevant. Dat schatten we voor 2016 op € 605 miljoen.»

Vraag 8

Hoeveel reserves hebben de verschillende zorginstellingen opgebouwd?

Antwoord:

Ik beschik niet over de precieze informatie die u vraagt. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het eigen vermogen (waar de reserves onderdeel van uitmaken) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in 2015, 2016 en 2017.

Eigen vermogen per sector (x € 1 miljoen)
 

2015

2016

20171

Universitair medisch centra

2.072

2.228

2.479

Algemene ziekenhuizen

3.707

3.930

4.147

Categorale ziekenhuizen

341

373

380

GGZ met overnachting

1.299

1.341

1.379

Gehandicaptenzorg

2.516

2.690

2.920

Jeugdzorg met overnachting

251

267

307

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

281

271

320

Ambulante jeugdzorg

54

63

58

Verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg

4.530

4.462

4.764

Bron: CBS Statline

X Noot
1

voorlopige cijfers.

Vraag 9

Kunt u een overzicht geven van alle convenanten die sinds 2015 zijn afgesloten tussen het Ministerie van VWS en betrokken partijen in de zorg? Kunt u daarbij aangeven welke convenanten succesvol hebben gewerkt en welke convenanten minder succesvol waren met een toelichting daarop?

Antwoord:

De onderstaande convenanten zijn met partijen in de zorg afgesloten

Titel convenant

Stand van zaken

Convenant inzet onafhankelijk deskundige arts bij signalen en verdenkingen van fraude in de zorg

In de eerste voortgangsrapportage Rechtmatige zorg1is aangegeven dat ervaringen met het Convenant inzet onafhankelijk deskundige arts (ODA) bij signalen en verdenkingen van fraude in de zorg duidelijk maken dat het aantal zaken waarbij de inzet van een ODA aan de orde is gekomen tot op heden nog beperkt is. Op initiatief van het Openbaar Ministerie zal in samenwerking met de convenantspartners gestart worden met de tweede evaluatie van de Convenant inzet onafhankelijk deskundige arts bij signalen en verdenkingen van fraude in de zorg.

   

Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude: «Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ)»

Dit is een convenant over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude: «Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ)» in 2018 verlengd. Het nu nog publiekrechtelijk samenwerkingsverband, wordt een rechtspersoon met een wettelijke taak (stichting). Het wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg regelt een grondslag voor verschillende partijen, waaronder toezichthouders, opsporingsdiensten, zorgverzekeraars en gemeenten, om signalen over fraude beter uit gaan wisselen waar dit nu beperkt of niet mogelijk is. Deze partijen kunnen hierdoor – ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid fraude beter opsporen en aanpakken.

   

Relatiestatuut tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Nederlandse Transplantatie Stichting

Volgend jaar is er weer een vijfjaarlijkse evaluatie van de Nederlandse Transplantatie Stichting, waarin het tweejaar oude Relatiestatuut ook zal worden meegenomen.

   

Verlenging van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude: Voortzetting Bestuurlijk Overleg Integriteit Zorgsector (Stcrt. 2015, 8345)

Het convenant is verlengd. De werking wordt hierboven toegelicht.

   

Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude: Voortzetting Bestuurlijk Overleg Integriteit Zorgsector

Het doel van het samenwerkingsverband Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ) is het versterken van de integriteit van de zorgsector door samenwerking tussen de convenantpartners te stimuleren, te coördineren en te vergroten door het uitwisselen van informatie en het uitwisselen van kennis, inzicht en vaardigheden. De Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ) heeft een sturende rol in de aanpak van fouten en fraude in de zorgsector. Op 28 februari 2019 is het convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude verlengd nadat alle partijen hebben aangegeven de samenwerking in de TIZ voort te willen zetten. Verbetersuggesties die uit de evaluatie voortkomen worden door de TIZ opgepakt.

   

Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude: «Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ)» 2018

Het doel van het samenwerkingsverband Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ) is het versterken van de integriteit van de zorgsector door samenwerking tussen de convenantpartners te stimuleren, te coördineren en te vergroten door het uitwisselen van informatie en het uitwisselen van kennis, inzicht en vaardigheden. De Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ) heeft een sturende rol in de aanpak van fouten en fraude in de zorgsector. Op 28 februari 2019 is het convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de verbetering van de bestrijding van zorgfraude verlengd nadat alle partijen hebben aangegeven de samenwerking in de TIZ voort te willen zetten. Verbetersuggesties die uit de evaluatie voortkomen worden door de TIZ opgepakt.

   

Het Groninger Zorgakkoord

Het convenant is recent afgesloten en 2020 wordt de subsidieregeling gestart. Over het succes is nu nog niets te zeggen.

X Noot
1

Kamerstukken II, 2018/19, 28 828 nr. 111.

Vraag 10

Welk percentage van de groei van de collectieve zorguitgaven, zoals begroot voor 2020, komt puur op het conto van de vergrijzing?

Antwoord:

Het CPB stelt in het rapport «Een raming van de zorguitgaven 2018–2021» dat het effect van demografie en epidemiologie een bijdrage van 1,2%-punt per jaar levert aan de reële groei van de zorguitgaven.

Het effect van demografie en epidemiologie is het meest omvangrijk in de Wlz; de reële uitgaven nemen ieder jaar met 1,7% toe vanwege die factoren. In de Zvw is het effect van demografie kleiner dan in de Wlz; in de Wmo/jeugdzorg is het effect nog kleiner. Dit komt omdat in de jeugdzorg de invloed van demografie negatief is (–0,7% per jaar).

Vraag 11

Welk percentage van de groei van de collectieve zorguitgaven, zoals begroot voor 2019, komt puur op het conto van geneesmiddelen?

Antwoord:

Met betrekking tot de uitgaven aan extramurale geneesmiddelen (inclusief apothekerskosten) was een groei in 2019 begroot van € 287 miljoen (van € 4,750 miljard naar € 5,037 miljard, exclusief loon- en prijsbijstelling). De uitgaven aan intramurale geneesmiddelen maken onderdeel uit van de sector medisch-specialistische zorg. Voor de intramurale geneesmiddelen is dus geen expliciete groeiverwachting gemaakt. Het verwachte groeipercentage van intramurale geneesmiddelen is lastig in te schatten vanwege o.a. de instroom van nieuwe dure geneesmiddelen en de ingezette maatregelen om de groei aan uitgaven te beperken. Op basis van realisaties uit de voorgaande jaren (totale groei van circa 6,5% per jaar, waarvan circa 1,5% loon- en prijsbijstelling) zou een groei van 5% (dus exclusief 1,5% loon- en prijsbijstelling) in 2019 kunnen worden verondersteld. De uitgaven in 2018 bedragen naar schatting circa € 2,2 miljard, wat dan neerkomt op een groei van € 110 miljoen in 2019 (5% van € 2,2 miljard). Daarnaast is er een btw-verhoging van 3% (van 6% btw naar 9% btw), wat neerkomt op € 66 miljoen groei aan uitgaven.

De totale groei van de uitgaven aan geneesmiddelen (inclusief apothekerskosten) komt dan op naar schatting € 463 miljoen, op een totaal van naar schatting € 7,2 miljard aan uitgaven (+6,3%, waarvan grofweg +3% btw-stijging).

De totale groei van de zorguitgaven exclusief loon- en prijsbijstelling in 2019 bedraagt ruim € 2,3 miljard. Daarmee zou het aandeel van geneesmiddelen in de groei van de zorguitgaven in 2019 naar verwachting grofweg 20% bedragen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit mede beïnvloed wordt door de btw-stijging in 2019.

Vraag 12

Welk percentage van de groei van de collectieve zorguitgaven, zoals begroot voor 2019, puur op het conto van bureaucratie, overhead en verspilling?

Antwoord:

Dit is niet bekend. Er bestaat geen eenduidige definitie of meting van de omvang van de bureaucratie in Nederland.

Vraag 13

Welk percentage van de groei van de collectieve zorguitgaven, zoals begroot voor 2019, puur op het conto van bureaucratie, overhead en verspilling?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 12.

Vraag 14

Hoeveel procent van hun besteedbaar inkomen waren mensen met een modaal inkomen gemiddeld in 2018 kwijt aan eigen betalingen in de zorg, en hoeveel procent is dat in 2019?

Antwoord:

Het bedrag dat burgers kwijt zijn aan eigen betalingen varieert sterk met hun gezondheid. Burgers met een zeer goede gezondheid maken niet of nauwelijks gebruik van de zorg. Hun eigen betalingen zijn dan ook zeer laag of nul. Burgers met een gemiddelde gezondheid maken een deel van het eigen risico Zvw vol, maar doen geen beroep op Wlz-zorg. Burgers met een slechte gezondheid maken veelal het eigen risico Zvw vol en een deel van deze groep maakt daarnaast gebruik van Wlz-zorg waar ze een inkomensafhankelijke bijdrage voor betalen.

De gemiddelde eigen betalingen (eigen risico Zvw plus eigen bijdragen Wlz) bedragen in 2018 en 2019 respectievelijk € 366 en € 357. In de tabel hieronder zijn de eigen betalingen uitgedrukt als percentage van het besteedbaar inkomen van een alleenstaande (zonder kinderen).

Eigen betalingen als percentage van besteedbaar inkomen:

Eigen betalingen als percentage van besteedbaar inkomen:

Huishoudens met een laag inkomen worden via de zorgtoeslag deels gecompenseerd voor het eigen risico. Informatie over de daadwerkelijke verdeling van de eigen betalingen over inkomensgroepen is niet beschikbaar.

Vraag 15

Hoeveel procent van hun besteedbaar inkomen waren mensen met een inkomen van tweemaal modaal gemiddeld kwijt in 2018 aan eigen betalingen in de zorg en hoeveel procent is dat in 2019?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 16

Hoeveel procent van hun besteedbaar inkomen waren mensen met een inkomen van driemaal modaal gemiddeld kwijt in 2018 aan eigen betalingen in de zorg en hoeveel procent is dat in 2019?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 17

Hoeveel procent van hun besteedbaar inkomen waren mensen met een hoog inkomen gemiddeld in 2018 kwijt aan eigen betalingen in de zorg, en hoeveel procent is dat in 2019?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 18

Wat is een alleenstaande in de bijstand kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Onderstaande tabel laat voor 2020 zien, wat verschillende huishoudtypen en inkomensklassen aan zorgkosten betalen. Hierin is onderscheid gemaakt naar de inkomensafhankelijke bijdrage, ingeschatte nominale premie Zvw, het gemiddeld eigen risico, de zorgtoeslag, de Wlz-premie minus het aandeel algemene heffingskorting en de bijdrage aan het deel van de zorguitgaven dat via directe en indirecte belastingen wordt betaald.

Zorgkosten per verzekerde voor 2020:

Zorgkosten per verzekerde voor 2020:

Vraag 19

Wat is een alleenstaande met een minimuminkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 20

Wat is een alleenstaande met een modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 21

Wat is een alleenstaande met een twee keer modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 22

Wat is een alleenstaande met een drie keer modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 23

Wat is een alleenverdiener (paar) met kinderen in de bijstand kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 24

Wat is een alleenverdiener (paar) met kinderen met een minimuminkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 25

Wat is een alleenverdiener (paar) met kinderen met een modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 26

Wat is een alleenverdiener (paar) met kinderen met een twee keer modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 27

Wat is een alleenverdiener (paar) met kinderen met een drie keer modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 28

Wat zijn tweeverdieners in de bijstand met kinderen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 29

Wat zijn tweeverdieners met een minimuminkomen met kinderen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 30

Wat zijn tweeverdieners met een modaal inkomen met kinderen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 31

Wat zijn tweeverdieners met een twee keer modaal inkomen met kinderen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 32

Wat zijn tweeverdieners met een drie keer modaal inkomen met kinderen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 33

Wat zijn tweeverdieners in de bijstand kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 34

Wat zijn tweeverdieners met een modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 35

Wat zijn tweeverdieners met een twee keer modaal inkomen kwijt aan zorgkosten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 18.

Vraag 36

Kunt u aangeven wat het gemiddelde bedrag is dat een alleenstaande met een bijstandsinkomen, respectievelijk een minimuminkomen, een modaal inkomen, twee keer modaal inkomen en drie keer modaal inkomen uitgeeft aan zorg (inkomensafhankelijke bijdrage, premie Zvw, gemiddelde eigen risico en zorgtoeslag, de Wlz-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de Wlz) alsook de bijdrage aan het deel van de zorguitgaven dat via de directe en indirecte belastingen wordt betaald en hoe dit zich vertaalt naar percentage van het bruto inkomen? Kunt u deze cijfers geven vanaf het jaar 2010 tot nu en kunt u de verschillen duiden in ontwikkelingen in de percentages?

Antwoord:

Onderstaande tabel laat voor de jaren 2010 tot en met 2020 zien wat een alleenstaande gemiddeld betaalt aan zorg in euro’s en als percentage van het brutoinkomen. De cijfers zijn berekend voor verschillende inkomensklasses.

De zorgkosten zijn het totaal van:

  • De inkomensafhankelijke bijdrage

  • De nominale premie Zvw en het gemiddeld eigen risico minus de zorgtoeslag

  • De AWBZ/Wlz premie onder aftrek van het aandeel heffingskortingen dat betrekking heeft op de AWBZ/Wlz.

  • Het deel van de zorguitgaven dat uit belastingen betaald wordt (de rijksbijdragen Zvw en AWBZ, de BIKK, de zorgtoeslag, de WMO, de jeugdzorg en het begrotingsgefinancierde deel van het UPZ). Verondersteld is dat deze kosten worden gefinancierd uit directe (circa 60%) en indirecte belastingen (circa 40%). Hierbij wordt gerekend met een vast percentage van het brutoinkomen, waardoor er nog geen rekening wordt gehouden met de progressie van het belastingstelsel.

Voor het jaar 2017 is er een tweede cijfer opgenomen conform de nieuwe definitie van de zorguitgaven. Bij de nieuwe definitie worden zorguitgaven gepresenteerd exclusief de uitgaven aan Wmo en Jeugdzorg die vanaf 2019 niet meer onder het uitgavenplafond zorg vallen. Het is niet mogelijk om de cijfers voor deze nieuwe definitie voor de jaren 2010–2016 te leveren, omdat er in deze periode in de AWBZ-uitgaven geen onderscheid gemaakt is naar de Wmo- en Jeugdzorguitgaven.

Ontwikkeling totale zorgkosten voor alleenstaanden in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Ontwikkeling totale zorgkosten voor alleenstaanden in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Het aandeel van het inkomen dat aan zorg wordt betaald is door de jaren heen vrij stabiel. Veranderingen die optreden komen voort uit veranderingen bij de heffingskortingen (daarvan heeft niet iedereen in gelijke mate voordeel), bij de zorgtoeslag (daarop is eerst bezuinigd, terwijl de laatste jaren de zorgtoeslag juist is verhoogd). Verder is van invloed dat de inkomens in bepaalde jaren meer en in andere jaren minder groeien dan de zorguitgaven.

Vraag 37

Kunt u aangeven wat het gemiddelde bedrag is dat een alleenverdiener (paar) met kinderen met een bijstandsinkomen, respectievelijk een minimuminkomen, een modaal inkomen, twee keer modaal inkomen en drie keer modaal inkomen uitgeeft aan zorg (inkomensafhankelijke bijdrage, premie Zvw, gemiddelde eigen risico en zorgtoeslag, de Wlz-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de Wlz) alsook de bijdrage aan het deel van de zorguitgaven dat via de directe en indirecte belastingen wordt betaald en hoe dit zich vertaalt naar percentage van het bruto inkomen? Kunt u deze cijfers geven vanaf het jaar 2010 tot nu en kunt u de verschillen duiden in ontwikkelingen in de percentages?

Antwoord:

Zie de algemene opmerkingen bij het antwoord op vraag 36.

Ontwikkeling totale zorgkosten voor alleenverdieners met kinderen in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Ontwikkeling totale zorgkosten voor alleenverdieners met kinderen in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Vraag 38

Kunt u aangeven wat het gemiddelde bedrag is dat tweeverdieners met een bijstandsinkomen, respectievelijk een minimuminkomen, een modaal inkomen, twee keer modaal inkomen en drie keer modaal inkomen uitgeven aan zorg (inkomensafhankelijke bijdrage, premie Zvw, gemiddelde eigen risico en zorgtoeslag, de Wlz-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de Wlz) alsook de bijdrage aan het deel van de zorguitgaven dat via de directe en indirecte belastingen wordt betaald en hoe dit zich vertaalt naar percentage van het bruto inkomen? Kunt u deze cijfers geven vanaf het jaar 2010 tot nu en kunt u de verschillen duiden in ontwikkelingen in de percentages?

Antwoord:

Zie de algemene opmerkingen bij het Antwoord op vraag 36.

Ontwikkeling totale zorgkosten voor tweeverdieners in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Ontwikkeling totale zorgkosten voor tweeverdieners in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Vraag 39

Kunt u aangeven wat het gemiddelde bedrag is dat tweeverdieners met kinderen met een bijstandsinkomen, respectievelijk een minimuminkomen, een modaal inkomen, twee keer modaal inkomen en drie keer modaal inkomen uitgeven aan zorg (inkomensafhankelijke bijdrage, premie Zvw, gemiddelde eigen risico en zorgtoeslag, de Wlz-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de Wlz) alsook de bijdrage aan het deel van de zorguitgaven dat via de directe en indirecte belastingen wordt betaald en hoe dit zich vertaalt naar percentage van het bruto inkomen? Kunt u deze cijfers geven vanaf het jaar 2010 tot nu en kunt u de verschillen duiden in ontwikkelingen in de percentages?

Antwoord:

Zie de algemene opmerkingen bij het antwoord op vraag 36.

Ontwikkeling totale zorgkosten voor tweeverdieners met kinderen in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Ontwikkeling totale zorgkosten voor tweeverdieners met kinderen in euro’s per jaar en als percentage van het brutoinkomen voor 2010–2020:

Vraag 40

Kunt u de uitgaven aan de Wmo op een rij zetten van de jaren 2007 tot en met 2019?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft voor de volledigheid een overzicht voor de jaren 2007 t/m 2017 van de gemeentelijke uitgaven voor de Wmo 2015 en vanaf 2015 t/m 2017 voor de Jeugdwet.

Jaar

Uitgaven

2007

€ 2.910 mln. (Wmo)

2008

€ 3.104 mln. (Wmo)

2009

€ 3.322 mln. (Wmo)

2010

€ 3.724 mln. (Wmo)

2011

€ 3.705 mln. (Wmo)

2012

€ 3.684 mln. (Wmo)

2013

€ 3.501 mln. (Wmo)

2014

€ 3.485 mln. (Wmo)

2015

€ 4.098 mln. (Wmo), € 2.963 miljoen (Jeugd) en € 3.783 mln. (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2016

€ 4.121 mln. (Wmo), € 3.126 miljoen (Jeugd) en € 3.577 mln. (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2017

€ 5.127 mln. (Wmo), € 3.838 miljoen (Jeugd) en € 2.654 mln. (onverdeeld Wmo en Jeugd)

Bron: CBS, op basis van gemeentelijke rekeningcijfers Iv3 (Iv3: Informatie voor derden, het format voor gemeenten op basis van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten).

Vanwege de decentralisaties zijn per 2015 de Iv3-functies voor het sociaal domein gewijzigd. Een aantal nieuwe Iv3-functies betreft zowel de Wmo als Jeugd. Daarom is in de tabel voor 2015 en 2016 een bedrag «onverdeeld Wmo en Jeugd» opgenomen.

Om beter aan te sluiten bij de gemeentelijke praktijk zijn per 2017 de Iv3-functies vervangen door Iv3-taakvelden. Door de overgang naar taakvelden vertegenwoordigen de bedragen niet meer hetzelfde als tot en met 2016. Ook wordt in tegenstelling tot en met 2016 de gemeentelijke overhead niet meer door de individuele gemeenten zelf opgesplitst en toegerekend aan de verschillende Iv3-functies, maar in zijn geheel door de gemeenten op een afzonderlijk taakveld voor de totale overhead geboekt.

De gemeentelijke uitgaven aan de Wmo voor de jaren 2018 en 2019 zijn nog niet bekend.

Vraag 41

Kunt u de uitgaven aan de Wlz op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2019?

Antwoord:

In de onderstaande tabel zijn de bruto en netto Wlz-uitgaven van de jaren 2015 tot en met 2019 opgenomen.

Wlz-uitgaven en -ontvangsten 2015–2019 (bedragen x € 1 miljard)
 

2015

2016

2017

2018

2019

Bruto Wlz-uitgaven

19,5

19,9

20,4

21,4

23,6

Eigen betalingen

1,9

1,9

1,9

1,8

1,8

Netto Wlz-uitgaven

17,7

18,0

18,5

19,6

21,7

Vraag 42

Kunt u de uitgaven aan de Zvw op een rij zetten van de jaren 2007 tot en met 2019?

Antwoord:

In de onderstaande tabel zijn de bruto en netto Zvw-uitgaven voor de jaren 2007 tot en met 2019 opgenomen.

Zvw-uitgaven en -ontvangsten 2007–2019 (bedragen x € 1 miljard)
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bruto Zvw-uitgaven

26,1

31,5

33,8

35,5

36,0

36,7

39,2

39,2

41,8

43,8

45,1

46,6

49,3

Eigen risico

2,0

1,3

1,4

1,5

1,5

1,9

2,7

3,1

3,2

3,2

3,2

3,2

3,1

Netto Zvw-uitgaven

24,0

30,2

32,4

34,0

34,5

34,7

36,5

36,1

38,6

40,6

41,9

43,4

46,1

Vraag 43

Kunt u de uitgaven aan de jeugdzorg op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2019?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 40.

Vraag 44

Kunt u de uitgaven aan beschermd wonen op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2019?

Antwoord:

De uitgaven voor beschermd wonen maken onderdeel uit van de totale uitgaven aan de Wmo, zoals vermeld in het antwoord op vraag 40. Gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Dit Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor het gevraagde inzicht voor alleen beschermd wonen niet kan worden gegeven. Wel kan worden gemeld dat het budget voor beschermd wonen apart via de integratie-uitkering beschermd wonen aan de centrumgemeenten wordt verstrekt. Het gaat om een bedrag ter hoogte van € 1,4 miljard in 2015 en 2016, € 1,5 miljard in 2017, € 1,6 miljard in 2018 en € 1,8 miljard in 2019. Beschermd wonen wordt separaat benoemd omdat dit budget – in tegenstelling tot de overige onderdelen van de oude integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015 –, nog niet is overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds. Zie ook het

antwoord op vraag 297.

Vraag 45

Kunt u de uitgaven aan preventie op een rij zetten van de jaren 2005 tot en met 2019?

Antwoord:

Dit kabinet heeft in het regeerakkoord in totaal € 170 miljoen extra uitgetrokken voor preventiemaatregelen. Het RIVM zal naar verwachting eind 2019 op zijn website https://www.volksgezondheidenzorg.info/ de kosten van preventie in Nederland voor het peiljaar 2015 publiceren. In 2010 is dit voor het laatst gedaan met als peiljaar 2007. In 2007 werd 13 miljard euro uitgegeven aan preventie in Nederland. Daarvan werd ongeveer 3 miljard euro binnen de zorg besteed. Het RIVM schreef toen: «Het merendeel van de uitgaven, € 10 miljard euro, vindt buiten de zorg plaats. Vrijwel alle uitgaven buiten de zorg worden besteed aan gezondheidsbescherming. Voorbeelden hiervan zijn bestrijding van luchtverontreiniging en bevordering van de verkeersveiligheid. De uitgaven binnen de zorg gaan voor het merendeel, € 2,5 miljard, naar ziektepreventie bijvoorbeeld vaccinatie, screening en preventieve medicatie. Aan gezondheidsbevorderende maatregelen als leefstijlvoorlichting wordt binnen de zorg bijna een half miljard euro uitgegeven.» Zie ook het antwoord op vraag 200.

Vraag 46

Kunt u de uitgaven aan dagbesteding en begeleiding op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2019?

Antwoord:

De uitgaven voor dagbesteding en begeleiding maken onderdeel uit van de totale uitgaven aan de Wmo, zoals vermeld in het antwoord op vraag 40. Gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Dit Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor het gevraagde inzicht voor alleen dagbesteding en begeleiding niet kan worden gegeven.

Vraag 47

Kunt u de uitgaven van de Wmo op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2019?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 40.

Vraag 48

Kunt u een overzicht geven van de totale uitgaven in de verpleeghuiszorg, vanaf 2010 tot en met 2018?

Antwoord:

Onderstaand treft u de uitgaven van de intramurale verpleeghuiszorg vanaf 2010 tot en met 2018.

Intramurale verpleeghuiszorg (Wlz)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Bedragen x € 1 miljard

7,4

7,7

8,7

8,4

8,6

8,5

8,8

9,2

10,1

Vraag 49

Hoeveel mensen hebben in 2019 hun gehele eigen risico opgemaakt? Kan dit percentage gegeven worden voor de jaren 2010 tot en met 2019?

Antwoord:

In onderstaande tabel vindt u de schattingen van het percentage volwassenen dat het eigen risico volmaakt voor de periode 2010–2019:

Jaar

Volwassenen die het eigen risico volmaken (in % van het totaal aantal volwassenen)

2010

60%

2011

60%

2012

59%

2013

54%

2014

51%

2015

49%

2016

47%

2017

47%

2018

48%

2019

48%

Vraag 50

Hoeveel mensen hebben in 2019 hun gehele eigen risico opgemaakt? Kan dit percentage gegeven worden voor de jaren 2010 t/m 2019?

Antwoord:

In onderstaande tabel vindt u de schattingen van het percentage volwassenen dat het eigen risico volmaakt voor de periode 2010–2019:

Jaar

Volwassenen die het eigen risico volmaken (in % van het totaal aantal volwassenen)

2010

60%

2011

60%

2012

59%

2013

54%

2014

51%

2015

49%

2016

47%

2017

47%

2018

48%

2019

48%

Vraag 51

Hoeveel chronisch zieken en mensen met een beperking hebben in 2019 hun gehele eigen risico opgemaakt?

Antwoord:

Er bestaat geen eenduidige definitie voor chronisch ziek. Daarom wordt aangesloten bij de definitie die gehanteerd wordt in het kader van de risicoverevening. Iemand wordt hierbij als chronisch ziek beschouwd indien hij/zij in een Diagnosekostengroep (DKG), Farmaciekostengroep (FKG), Hulpmiddelenkostengroep (HKG), Fysiotherapiediagnosegroep (FDG), in een Meerjarig hoge kosten (MHK) klasse groter dan 1 of in een Meerjarig hoge kosten verpleging en verzorging (MVV) klasse groter dan 0 valt. Voor specifiek mensen met een beperking zijn geen gegevens beschikbaar.

In onderzoek rondom de risicoverevening is aandacht besteed aan de vraag in hoeverre chronisch zieken en niet-chronisch zieken kosten onder het verplicht eigen risico maken. Hieruit komt naar voren dat 86 procent van de chronisch zieken het eigen risico volmaakt. Dit bedrag is een schatting voor 2019, gebaseerd op data uit 2017.

Vraag 52

Hoeveel chronisch zieken en mensen met een beperking hebben in 2019 hun gehele eigen risico in de eerste maand van het jaar opgemaakt?

Antwoord:

Hierover zijn geen gegevens beschikbaar.

Vraag 53

Hoeveel mensen konden in 2019 hun eigen risico niet meer betalen? Wat zijn hiervan de laatste cijfers?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat specifiek het eigen risico niet kan betalen. Wel heeft een inventarisatie uitgewezen dat circa 800.000 verzekerden in 2017 van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om het eigen risico gespreid te betalen. Dit hoeft overigens niet te duiden op financiële problemen. Ook voor mensen met een hoog inkomen kan dit een prettige service zijn.

Vraag 54

Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel mensen respectievelijk 100%, 75%, 50%, 25% en 0% van het verplicht eigen risico kwijt waren?

Antwoord:

De hoogte van het eigen risico kan in 6 klassen worden onderscheiden:

  • 24% van de volwassenen heeft € 0 tot € 24 aan kosten;

  • 11% van de volwassenen heeft € 25 tot € 100 aan kosten;

  • 8% van de volwassenen heeft € 100 tot € 200 aan kosten;

  • 5% van de volwassenen heeft € 200 tot € 300 aan kosten;

  • 3% van de volwassenen heeft € 300 tot € 384 aan kosten;

  • 48% van de volwassenen maakt het verplicht eigen risico vol.

Deze cijfers betreffen schattingen voor 2019 op basis van onderzoeken ten behoeve van de risicoverevening (gebaseerd op data uit 2017).

Vraag 55

Hoeveel mensen hebben het eigen risico vrijwillig verhoogd tot respectievelijk € 485, € 585, € 685, € 785 en € 885?

Antwoord:

De Zorgthermometer van Vektis laat zien dat in 2019 in totaal 13,1 procent van de verzekerden voor een vrijwillig eigen risico heeft gekozen. Van de mensen met een vrijwillig eigen risico heeft:

  • 9,8% een vrijwillig eigen risico van € 100 (waarmee het totale eigen risico uitkomt op € 485 euro);

  • 9,1% een vrijwillig eigen risico van € 200 (waarmee het totale eigen risico uitkomt op € 585 euro);

  • 5,0% een vrijwillig eigen risico van € 300 (waarmee het totale eigen risico uitkomt op € 685 euro);

  • 1,4% een vrijwillig eigen risico van € 400 (waarmee het totale eigen risico uitkomt op € 785 euro);

  • 74,7% een vrijwillig eigen risico van € 500 (waarmee het totale eigen risico uitkomt op € 885 euro).

Vraag 56

Welke groep van de bevolking maakt gebruik van een vrijwillig eigen risico? Hoeveel wanbetalers waren er in 2019?

Antwoord:

Uit onderzoek van het Centraal Planbureau (zie TK 29 689, nr. 783) blijkt dat over het algemeen meer mannen dan vrouwen, meer jongeren dan ouderen, meer mensen met een hoog inkomen dan met een laag inkomen, meer hoogopgeleiden dan laagopgeleiden en meer mensen met lage zorgkosten dan hoge zorgkosten voor een vrijwillig eigen risico kiezen.

Op 1 september 2019 waren er 214.461 wanbetalers aan wie een bestuursrechtelijke premie werd opgelegd.

Vraag 57

Hoeveel mensen moeten op dit moment een bestuursrechtelijke premie betalen omdat zij een betalingsachterstand van meer dan zes maanden hebben op hun zorgverzekeringspremie?

Antwoord:

Op 1 september 2019 waren er 214.461 wanbetalers aan wie een bestuursrechtelijke premie werd opgelegd.

Vraag 58

Hoeveel mensen hebben een betaalregeling getroffen voor de zorgpremie en kunt u een overzicht geven per jaar sinds 2010?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is het aantal lopende betalingsregelingen (intern of extern bij een incassopartner) en het aantal stabilisatieovereenkomsten2 opgenomen dat per jaar open stond. Het betreft hier regelingen en overeenkomsten waar ten minste de premieschuld in zit. Betalingsregelingen bij de externe incassopartner hebben zowel betrekking op de buitengerechtelijke als de gerechtelijke fase. Er zijn geen aantallen bekend voor de jaren voorafgaand aan 2014.

 

Intern

Extern

Stabilisatie

2014

152.985

119.110

6.852

2015

137.468

93.515

7.978

2016

156.109

95.305

8.812

2017

161.509

95.726

8.544

2018

165.173

88.758

7.292

Vraag 59

Kan kwantitatief en kwalitatief worden aangegeven in hoeverre het eigen risico in 2018 heeft geleid tot het minder gebruikmaken van zorg en of dit heeft geresulteerd in gezondheidsschade?

Antwoord:

Op de website van de Staat van Volksgezondheid en Zorg is te zien dat het percentage van de mensen dat aangeeft de afgelopen twaalf maanden te hebben afgezien van zorg vanwege de kosten (niet specifiek het eigen risico), is afgenomen van 16% in 2016 en 11% in 2017 naar 8% in 2018. De cijfers zijn ook terug te vinden in de VWS-monitor, die twee keer per jaar als bijlage bij de begroting en het jaarverslag van VWS wordt meegestuurd naar de Tweede Kamer.3 Er is geen inzicht in eventuele effecten op de gezondheid.

Vraag 60

Kunt u een overzicht sturen welke zaken aan het basispakket zijn toegevoegd of eruit gehaald vanaf 2005 tot en met 2019?

Antwoord:

Bij de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is besloten dat het verzekerde pakket van de Ziekenfondswet zoals dat eind 2005 gold, bepalend was voor de aard, inhoud en omvang van het basispakket van de Zvw. Het basispakket 2006 was dan ook gelijk aan het ziekenfondspakket van ultimo 2005. Per 1 januari 2006 zijn er geen wijzigingen in het pakket aangebracht; geen uitbreidingen en ook geen beperkingen.

De te verzekeren prestaties van het basispakket zijn zo omschreven dat de medisch-inhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen worden gevolgd. Hierdoor stromen nieuwe interventies en zorgvormen die voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk «automatisch» het basispakket in. Daar tegenover staat dat verouderde interventies en zorgvormen die in de medische praktijk niet meer worden toegepast «automatisch» uit het basispakket verdwijnen, omdat deze niet langer voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk. Deze open in- en uitstroom is met name van belang ten aanzien van wijzigingen in de medisch-specialistische zorg. Omdat deze «automatische» in- en uitstroom in veel gevallen niet plaatsvindt op basis van uitspraken van het Zorginstituut, is het niet mogelijk hiervan een volledig beeld te geven. Wél zijn er in de medische wetenschap in brede zin de afgelopen 10 jaar veel ontwikkelingen geweest die ook impact hebben op het verzekerde pakket, zoals nieuwe dure geneesmiddelen en medische technologie.

Behalve de hiervoor genoemde automatische in- en uitstroom, vinden ook wijzigingen in het basispakket plaats op basis van politieke besluitvorming. In bijgaande drie tabellen is een overzicht hiervan opgenomen. De tabellen 1 en 2 geven een overzicht van respectievelijk de uitbreidingen en beperkingen in het basispakket. Tabel 3 betreft de voorwaardelijk toegelaten behandelingen.

Tabel 1: Overzicht politiek besloten uitbreidingen basispakket 2007–2019

Jaar

Uitbreiding

2007

uitbreiding aantal zittingen psychotherapie

2008

jeugdtandzorg t/m 21 jaar

2009

dyslexiezorg aan kinderen t/m 12 jaar

2010

geen uitbreidingen basispakket

2011

– bekkenfysiotherapie in verband met urine-incontinentie

– stoppen met roken

2012

geen uitbreidingen basispakket

2013

– brillenglazen voor kinderen met medische indicatie

– vervallen minimum leeftijdsgrens van 6 jaar bij fluorideapplicatie blijvende gebitselementen

– geriatrische revalidatie (overheveling uit AWBZ)

– bruikleen hulpmiddelen (overheveling uit AWBZ)

2014

geen uitbreidingen basispakket

2015

– niet-invasieve prenatale test (NIPT)

– zintuiglijk gehandicaptenzorg (overheveling uit AWBZ)

– verpleging en verzorging zonder verblijf (overheveling uit AWBZ)

– tweede en derde jaar intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (overheveling

uit AWBZ)

2016

geen uitbreidingen basispakket

2017

– fysiotherapie bij claudicatio intermittens (etalagebenen)

– plastische chirurgie bij het uitvoeren van een bovenooglidcorrectie

– borstvergroting bij agenesie of aplasie van de borst

– circumcisie om medische redenen

– (uitgestelde) fronttandvervanging bij verzekerden tot hun drieëntwintigste levensjaar

– bijzondere tandheelkunde, implantaatgedragen gebitsprothesen voor verzekerden die voor eigen rekening implantaten heeft laten plaatsen

2018

– fysiotherapie bij artrose aan heup- en kniegewrichten

– verleggen van de afbakening tussen het basispakket en de Jeugdwet als het gaat om verzorging bij verzekerden jonger dan achttien jaar

– wijzigen van de prestatie zittend ziekenvervoer bij oncologische behandelingen waar het gaat om immuuntherapie met geneesmiddelen

2019

– fysiotherapie bij Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD)

– Uitbreiding aanspraak ziekenvervoer naar consulten, (na)controles en (bloed)onderzoek die nodig zijn voor de oncologische behandelingen, nierdialyses en vergelijkbare situaties die onder de hardheidsclausule vallen.

Tabel 2: Overzicht politiek besloten beperkingen basispakket 2007–2019

Jaar

Beperking

2007

geen beperkingen basispakket

2008

geen beperkingen basispakket

2009

– slaapmiddelen

– cholesterolverlagers

– hulpmiddelen

2010

acetylcysteïne

2011

– antidepressiva

– jeugd tandzorg boven 18 jaar

– extracties

– anticonceptie

– fysiotherapie 9 naar 12 behandelingen voor eigen rekening

2012

– fysiotherapie 12 naar 20 behandelingen voor eigen rekening

– fysiotherapie, beperking chronische lijst

– maagzuurremmers, met uitzondering van chronisch gebruik

– stoppen met roken

– dieetadvisering

– eerstelijns psychologische zorg, van 8 naar 5 behandelingen

– aanpassingsstoornissen

2013

– eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen

– redressiehelm

– beperking aantal terug te plaatsen embryo’s bij ivf

– vruchtbaarheidsbehandelingen voor vrouwen van 43 jaar of ouder

– paracetamol/codeïne

2014

geen beperkingen basispakket

2015

– jeugd-ggz, inclusief dyslexiezorg voor kinderen naar Jeugdwet

– combinatietest voor zwangere vrouwen vanaf 36 jaar

2016

geen beperkingen basispakket

2017

geen beperkingen basispakket

2018

geen beperkingen basispakket

2019

vitaminen, mineralen en paracetamol waarvoor een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig alternatief bestaat in de vrije verkoop

Tabel 3: Overzicht voorwaardelijk toegelaten behandelingen 2012–2019

Jaar

Voorwaardelijk toegelaten behandelingen

2012

anesthesiologische pijnbestrijdingstechnieken bij patiënten met chronische aspecifieke lage rugpijn

2013

– renale denervatie bij patiënten met therapieresistentie

– behandeling van een herseninfarct met toepassing van intra-arteriële thrombolyse

2014

– het endoscopisch in plaats van chirurgisch behandelen van abcessen bij patiënten met geïnfecteerde pancreasnecrose

– autologe stamceltransplantaties bij therapierefractaire patiënten (patiënten die niet voldoende reageren op medicamenteuze behandeling met o.a. TNF-alfa blokkers) met de ziekte van Crohn

2015

– het geneesmiddel Belimumab (Benlysta®) bij een deel van de volwassen patiënten met Systemische Lupus erythematosus (SLE)

– tumor infiltrerende lymfocyten (TIL) bij patiënten met uitgezaaid melanoom in de laatste stadia

– een bepaald type chemotherapie (HIPEC) ter preventie van uitzaaiingen in de buik bij bepaalde patiënten met darmkanker

– borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie

2016

– percutane transforaminale endoscopische discectomie (PTED) bij lumbosacraal radiculair syndroom en lumbale hernia

– behandeling van medicamenteus onbehandelbare chronische clusterhoofdpijn met occipitale zenuwstimulatie

– het geneesmiddel fampridine (Fampyra®) bij multiple sclerosis (MS)

– dendritische celvaccinaties bij patiënten met stadium IIIB en IIIC melanoom na complete resectie

– sacrale neuromodulatie bij therapieresistente functionele obstipatie met vertraagde darmpassage

2017

– geïntensifieerde, alkylerende chemotherapie met autologe stamceltransplantatie voor behandeling van stadium III BRCA1-like borstkanker

– combinatiebehandeling van cytoreductieve chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) bij patiënten met zowel maagcarcinoom als synchrone buikvliesmetastasen of tumorpositief buikvocht

2018

– geen nieuwe voorwaardelijke toelatingen tot het basispakket

– verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van percutane transforaminale endoscopische discectomie (PTED) bij lumbosacraal radiculair syndroom en lumbale hernia tot 1 december 2020

– verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie tot 1 oktober 2022

2019

– vanaf 1 april 2019: CardioMEMS arteria pulmonalis monitoring bij patiënten met chronischhartfalen New York Heart Association (NYHA) klasse III met recidiverende ziekenhuisopnamen

– vanaf 1 oktober 2019: de behandeling met Binamed medische zilverkleding of Dermacura antibacterieel verbandkleding van kinderen en volwassenen met matig tot ernstig constitutioneel eczeem

– verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met tumor infiltrerende lymfocyten van uitgezaaid melanoom irresectabel stadium IIIc en stadium IV tot 1 juli 2022,

– verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met dendritische cel vaccinaties van patiënten met stadium IIIB en IIIC melanoom na complete resectie tot 1 augustus 2022, en

– verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met sacrale neuromodulatie voor therapieresistente, functionele obstipatie met vertraagde darmpassage tot 1 januari 2022

Vraag 61

Hoe was de verdeling naar inkomensgroep van mensen die de bestuursrechtelijke premie betalen? En hoe was dat in vorige jaren?

Antwoord:

Inkomensgroep

2014

2015

2016

Totaal

298.240

282.190

249.930

< € 10.000

34.110

29.820

26.340

€ 10.000 tot € 20.000

163.230

149.860

126.210

€ 20.000 tot € 30.000

67.850

68.260

64.640

€ 30.000 tot € 40.000

18.410

21.140

20.510

€ 40.000 tot € 50.000

3.630

4.410

4.490

> € 50.000

1.500

1.660

1.570

Onbekend

9.500

7.040

6.180

De cijfers over 2017 en 2018 zijn nog niet beschikbaar.

Bovenstaande tabel wijkt af van de Verzekerdenmonitor 2018 vanwege een gewijzigde definitie van het inkomensbegrip. Vanaf verslagjaar 2016 heeft een revisie plaatsgevonden door het CBS. De revisie leidt tot een hoger besteedbaar inkomen en een iets andere verdeling over bevolkingsgroepen.

Vraag 62

Hoeveel gemeenten bieden een collectieve ziektekostenverzekering aan voor minima?

Antwoord:

Van de in totaal 355 gemeenten bieden er 345 een gemeentelijke collectiviteit voor minima aan in 2019 (bron: Bureau BS&F).

Vraag 63

Hoeveel gemeenten zijn de afgelopen twee jaar gestopt met het aanbieden van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima?

Antwoord:

In 2017 kondigde Zilveren Kruis aan bij 24 gemeenten te stoppen met het aanbieden van de collectieve zorgverzekering of onder andere voorwaarden. Hierbij geldt dat Zilveren Kruis aan alle gemeenten het aanbod heeft gedaan dat het contract nog met 1 jaar kon worden verlengd. In 2018 kondigde Menzis aan geen collectieve zorgverzekeringen meer aan te bieden in gemeenten buiten hun kernwerkgebied. Ook Menzis hanteerde een overgangsjaar. Voor zover onze informatie strekt hebben vrijwel alle gemeenten een overeenkomst gesloten met een andere verzekeraar. In 2018 is de gemeente Emmen overgestapt op keuze-ondersteuning voor de inwoners van Emmen. In 2019 is er geen gemeente gestopt met het aanbieden van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima.

Vraag 64

Hoeveel mensen maken gebruik van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima?

Antwoord:

In de marktscan verzekeringsmarkt van de NZa die u op 9 september jongstleden is toegezonden (Kamerstukken II 2018/19, 29 689, nr. 1024) staat dat via de collectieve contracten van gemeenten in 2019 ruim 725.000 mensen zijn verzekerd (6,5% van de collectief verzekerden). In 2018 waren dit er ruim 715.000 (6,3% van de collectief verzekerden).

Vraag 65

In hoeverre zijn deze gemeentelijke verzekeringen gunstiger dan een lage polis bij een verzekeraar?

Antwoord:

Deelname aan een gemeentelijk collectief kan voor een burger met een minimuminkomen gunstiger zijn dan een andere polis bij een verzekeraar. Maar het kan ook ongunstiger zijn. De gemeentelijke polissen voor minima bevatten vaak uitgebreide aanvullende verzekeringen. Gemeenten proberen eigen betalingen door minima zo veel mogelijk te voorkomen en laten dit afdekken via de aanvullende verzekering. Extra dekking voor het afkopen van bijvoorbeeld het wettelijk verplicht eigen risico of de gedeeltelijke eigen bijdragen bij een bril leidt tot een hogere premie voor zo’n aanvullende verzekering. Gemeenten kiezen voor de extra dekking, omdat mensen anders bijvoorbeeld via de bijzondere bijstand compensatie moeten aanvragen voor deze kosten. Dat is duur in de uitvoering, maar daarnaast zijn er vaak grote groepen die wel recht hebben op compensatie, maar er geen gebruik van maken. Door het via de aanvullende zorgverzekering te laten lopen, maken meer mensen er gebruik van. Of de polis (te) duur is, hangt natuurlijk ook af van de compensatie in de premie die de gemeente verstrekt, omdat zij de diensten anders via – deels – de bijzondere bijstand had geleverd, en van de zorgbehoeften van de verzekerde.

Data van bijvoorbeeld de voorzieningenwijzer laten zien dat in de situaties waarin de voorzieningenwijzer minima helpt bij het maken van keuzes voor energiecontracten en zorgverzekeringen, de gemeentelijke collectiviteit voor minima slechts in 40% van de gevallen de best passende polis is. Het is primair aan gemeenten om goede ondersteuning te organiseren voor hun minima, waarbij zij kijken hoe hun minima het best geholpen zijn. Dat kan via een collectieve polis, waarbij meerdere aanvullende polissen worden aangeboden en een redelijke gemeentelijke bijdrage voor de verhoogde premie wordt verstrekt. Of door het bieden van ondersteuning bij het vinden van de best passende polis. Ongeacht het instrument van een keuzehulp of de collectieve zorgverzekering voor minima, het instrument is nooit het doel, maar het middel.

Vraag 66

Hoeveel mensen hebben in 2019 een naturapolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2019 zijn er 59 verschillende polissen op de markt: 34 hiervan zijn naturapolissen, 21 restitutiepolissen en 4 combinatiepolissen. In 2018 waren 31 van de 55 polissen naturapolissen. Driekwart van de verzekerden heeft een naturapolis. De verhoudingen zijn ten opzichte van 2018 en 2017 weinig veranderd. Deze cijfers blijken uit de NZa-monitor zorgverzekeringen 2019 (https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_289640_22/1/).

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een naturapolis per verzekeraar. Wel over het aantal (zuivere) naturapolissen per verzekeraar. Achmea heeft 14 naturapolissen, ASR 0, CZ 3, DSW 0, ENO 1, EUCARE 1, iptiQ 1, Menzis 3, ONVZ 0, VGZ 9 en Zorg en Zekerheid 2.

Vraag 67

Hoeveel mensen hebben in 2019 een budgetpolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

  • Een budgetpolis is een naturapolis, maar dan met meer beperkende voorwaarden dan een gemiddelde naturapolis. Zo kunnen er minder zorgaanbieders gecontracteerd zijn en/of is de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg lager dan 75%. Daar staat tegenover dat de premie voor een budgetpolis vaak lager is dan voor een gemiddelde naturapolis.

  • De Nza-monitor zorgverzekeringen (https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_289640_22/1/) laat zien dat in 2019 14 van de 34 naturapolissen polissen zijn met beperkende voorwaarden (13 in 2018 en 14 in 2017). Het aandeel verzekerden met een polis met beperkende voorwaarden bedraagt 14,1% in 2019 (13,4% in 2018 en 13,1% in 2017).

  • De meeste verzekeraars bieden een polis met beperkende voorwaarden aan. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een polis met beperkende voorwaarden per verzekeraar. Per 2019 heeft één polis geen beperkende voorwaarde meer die er in 2018 wel waren. Er zijn twee polissen met beperkende voorwaarden bij gekomen. Het gaat om een polis van Pro life (van Achmea) en van IZZ (van VGZ).

Vraag 68

Hoeveel mensen hebben in 2019 een restitutiepolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2019 zijn er 59 verschillende polissen op de markt: 34 hiervan zijn naturapolissen, 21 restitutiepolissen en 4 combinatiepolissen. Bijna 19% van de verzekerden heeft in 2019 een restitutiepolis. De verhoudingen zijn ten opzichte van 2018 en 2017 weinig veranderd. Deze cijfers blijken uit de NZa-monitor zorgverzekeringen 2019 (https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_289640_22/1/).

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een restitutiepolis per verzekeraar. Wel over het aantal restitutiepolissen per verzekeraar. Achmea heeft 5 restitutiepolissen, ASR 1, CZ 4, DSW 1, ENO 1, EUCARE 1, iptiQ 0, Menzis 1, ONVZ 1, VGZ 5 en Zorg en Zekerheid 1.

Vraag 69

Hoeveel mensen hebben in 2019 een aanvullende polis afgesloten en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2019 zijn 83,8% van de verzekerden aanvullend verzekerd (83,7% in 2018 en 84,1% in 2017). Deze cijfers blijken uit de NZa monitor zorgverzekeringen 2019 (https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_289640_22/1/).

Er zijn bij VWS geen gegevens bekend over het aantal afgesloten aanvullende verzekeringen per zorgverzekeraar.

Vraag 70

Hoeveel winst maakten zorgverzekeraars op collectieve zorgverzekeringen die in samenwerking met gemeenten aangeboden werd? Hoe hoog was die winst in 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018?

Antwoord:

Zorgverzekeraars publiceren hun resultaten niet per polis (modelovereenkomst) en evenmin per (soort) collectiviteit. Ook de gemeentelijke bijdrage per collectief is niet inzichtelijk.

Vraag 71

Zijn winstuitkeringen door zorgverzekeraars nu toegestaan? Hoeveel winst is er door welke verzekeraars uitgekeerd?

Antwoord:

De wet staat winstuitkeringen door zorgverzekeraars toe, maar dit is tot nu toe niet gebeurd. Een groot deel van de zorgverzekeraars heeft statuten die winstuitkeringen niet toestaan. De bestemming van het resultaat over 2018 is toegelicht in het antwoord op vraag 74.

Vraag 72

Kunt u per zorgverzekeraar de solvabiliteit noemen? Hoe groot is voor elk van deze verzekeraars het bedrag aan reserves bovenop de door De Nederlandsche Bank (DNB) vereiste solvabiliteit? Wat is het totaal aan reserves van zorgverzekeraars bovenop de door DNB vereiste solvabiliteit?

Antwoord:

Voor 2018 (meest recente cijfers) vindt u hieronder de aanwezige en vereiste solvabiliteit basisverzekering en de solvabiliteitsratio’s 2014–2018. Cijfers op basis van Solvency II zijn voor oudere jaren niet beschikbaar aangezien Solvency II pas per 1 januari 2016 van kracht is. Sinds de jaarcijfers 2014 presenteren zorgverzekeraars zelf wel al cijfers op basis van Solvency II voor de basisverzekering op hun website. De aanwezige reserves basisverzekering van zorgverzekeraars tezamen bedragen ultimo 2018 ruim € 9 mld. Hiervan is bijna € 6,5 mld. wettelijk vereist. De solvabiliteitsratio bedraagt gemiddeld 145%.

Solvabiliteit basisverzekering 2014–2018, Solvency II (voor 2018 x € 1 mln.)

Concern

Aanwezig 2018

Vereist 2018

2018

2017

2016

2015

2014

ASR

128

92

140%

138%

144%

146%

151%

CZ

2.126

1.353

157%

149%

173%

169%

163%

DSW-SH

317

236

134%

147%

141%

157%

154%

Eno

96

58

166%

159%

160%

108%

114%

Menzis

1.223

884

138%

129%

123%

124%

129%

ONVZ1

199

151

132%

121%

142%

166%

157%

VGZ1

141%

141%

149%

155%

137%

Zilveren Kruis2

2.452

1.735

141%

137%

167%

174%

162%

Z&Z

336

204

165%

151%

157%

188%

172%

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.

X Noot
1

Conform het transparantieoverzicht jaarcijfers 2015 van VGZ en ONVZ betreffen de solvabiliteitsratio’s van VGZ en ONVZ de basis- en aanvullende verzekering en ontbreken de onderliggende cijfers voor VGZ; voor 2016, 2017, 2018 geldt dit alleen voor VGZ. Daardoor kunnen de cijfers niet opgeteld worden tot de getallen uit het bovenstaande antwoord.

X Noot
2

Betreft een optelling door VWS van de solvabiliteitcijfers van de risicodragers van Zilveren Kruis.

Vraag 73

Als de volledige reserve zou worden ingezet voor premieverlaging, hoeveel zouden de premies dan dalen?

Antwoord:

Verzekeraars hebben € 9,1 miljard aan reserves, maar daarvan is € 6,3 miljard verplicht. In de raming van de nominale premie in de VWS-begroting is geraamd dat de verzekeraars een deel van hun reserves zullen afbouwen, namelijk € 450 miljoen. Indien ik had aangenomen dat verzekeraars hun (niet-verplichte) reserves volledig zouden afbouwen (€ 2,8 miljard), dan was de raming van de nominale premie uitgekomen op € 1.346 in plaats van € 1.421. Verzekeraars bepalen echter zelf hoeveel reserves zij daadwerkelijk inzetten en iedere zorgverzekeraar maakt daarin een eigen keuze. Zorgverzekeraars zetten in op een stabiele premieontwikkeling en dus op een geleidelijke inzet van reserves. Uiterlijk 12 november maken zorgverzekeraars hun premie voor het volgende jaar bekend. Dan is duidelijk hoeveel zij totaal zullen inzetten aan reserves.

Vraag 74

Kunt u een overzicht sturen wat de winsten van alle zorgverzekeraars in totaal en afzonderlijk waren vanaf 2006 tot en met 2019?

Antwoord:

DNB publiceerde jaarlijks – op basis van de verslagstaten DNB – een landelijk overzicht technische rekening zorgverzekeraars voor de basisverzekering. Deze overzichten zijn beschikbaar van 2007 t/m 2015.

Jaar

Resultaat technische rekening (bedragen x € 1 miljoen)

2007

– 269

2008

– 218

2009

464

2010

125

2011

381

2012

937

2013

1.229

2014

918

2015

323

Bron: DNB

Deze resultaten werden gepresenteerd op basis van Solvency I-cijfers en kunnen daardoor niet aangevuld worden met de cijfers na 2015.

Op basis van de transparantieoverzichten van zorgverzekeraars bedraagt het resultaat over 2016 ruim € 300 mln negatief; voor 2017 ruim € 550 mln negatief en voor 2018 ruim € 260 mln positief. Dit bedrag is inclusief beleggingsopbrengsten en na inzet van het resultaat voor lagere premies in het komende jaar van zorgverzekeraars op de basisverzekering.

De cijfers 2016, 2017, 2018 betreffen de resultaten conform de systematiek van de jaarrekeningen. Bij het resultaat «technische rekening» (2007–2015) blijft het resultaat van de «niet-technische» rekening buiten beeld. Het gaat hier voornamelijk om de opbrengsten uit beleggingen voor zover niet toegerekend aan de «technische rekening».

Onderstaande tabel geeft de resultaten en de bestemming van de resultaten per verzekeraar over 2018. Deze resultaten zijn voor aftrek van de teruggave in de premie 2019.

Resultaat en bestemming resultaat basisverzekering ultimo 2018 (in € mln)

Concern

Resultaat 2018

Bestemming lagere premie 2019

Bestemming toevoeging reserves

ASR

– 1

0

– 1

CZ

186

80

107

DSW-SH

33

29

4

Eno

34

11

23

Menzis

85

66

19

ONVZ

– 19

0

– 19

VGZ

62

2

60

Zilveren Kruis

65

20

44

Z&Z

41

13

28

Totaal

485

221

264

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2018, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website. Totaal kan door afrondingsverschillen afwijken.

Vraag 75

Wat waren de reserves uitgesplitst naar zorgverzekeraars in 2019? Welke reserves waren wettelijk verplicht? En hoe hoog waren die bedragen in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015, 2016, 2017 en 2018?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 72.

Vraag 76

Hoe hebben de reserves van de verzekeraars zich jaarlijks ontwikkeld? Kunt u een overzicht hiervan geven van de verzekeraars in totaliteit en de afzonderlijke verzekeraars vanaf 2004?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 72.

Vraag 77

Hoe hoog is het bedrag dat zorgverzekeraars uitgeven aan reclame? En hoe hoog waren die bedragen in 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019?

Antwoord:

In de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, die sinds de jaarcijfers 2014 door individuele zorgverzekeraars worden gepubliceerd, worden de uitgaven aan reclame vermeld. Op basis daarvan is onderstaande tabel opgesteld. Voor de jaren daarvoor zijn geen cijfers beschikbaar.

Ontwikkeling reclamekosten 2014, 2015 en 2016, 2017, 2018 concernniveau (x € 1.000), basisverzekering

Concern

2014

2015

2016

2017

2018

ASR

90

878

150

74

162

CZ

5.751

6.589

4.449

4.975

4.464

De Friesland

2.517

2.649

2.555

1

1

DSW

559

465

671

709

853

Eno

1.031

686

767

918

900

Menzis

4.835

4.408

3.900

3.900

3.710

ONVZ

886

977

1.404

869

882

Stad Holland

110

19

121

127

1

VGZ

6.286

4.581

5.962

5.962

4.877

Zilveren Kruis

10.808

10.808

13.598

11.093

12.326

Z&Z

1.269

1.277

1.288

1.455

1.511

Totaal

39.736

35.469

33.992

30.082

29.685

Gemiddeld per premiebetaler (in €)

2,97

2,64

2,51

2,20

2,18

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.

X Noot
1

Vanaf 2017 zijn de jaarcijfers van Zilveren Kruis inclusief de jaarcijfers van De Friesland, vanaf 2018 zijn de jaarcijfers van DSW inclusief de jaarcijfers van Stad-Holland.

Vraag 78

Kunt u aangeven wat sinds de inwerkingtreding van de Zvw in 2006 de jaarlijks verschuiving van collectief gefinancierde zorg naar eigen betalingen is geweest?

Antwoord:

In onderstaande tabel staat welk aandeel van de Zvw-uitgaven sinds 2006 is gedekt uit het eigen risico en de no-claimteruggaveregeling (bedragen x € miljard).

 

Zvw-uitgaven

Eigen risico / No-claim

Aandeel

2006

25,3

2,1

8%

2007

26,1

2,0

8%

2008

31,5

1,3

4%

2009

33,8

1,4

4%

2010

35,6

1,5

4%

2011

36,0

1,5

4%

2012

36,7

1,9

5%

2013

39,2

2,7

7%

2014

39,2

3,1

8%

2015

41,8

3,2

8%

2016

43,8

3,2

7%

2017

45,1

3,2

7%

2018

46,6

3,2

7%

2019

49,3

3,1

6%

2020

51,0

3,2

6%

Vraag 79

Hoeveel geeft elke zorgverzekeraar uit aan bedrijfskosten? Kunt u dit per zorgverzekeraar aangeven?

Antwoord:

Conform de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2018, zoals gepubliceerd door individuele zorgverzekeraars, bedragen de bedrijfskosten (ook wel beheerskosten of uitvoeringskosten genoemd) van zorgverzekeraars over 2018 totaal bijna € 1,2 miljard. De jaarcijfers 2019 komen uiterlijk 1 juni 2020 beschikbaar.

Onderstaande tabel geeft de bedrijfskosten per zorgverzekeraar op concernniveau weer voor de jaren 2014–2018, in euro’s en als percentage van de zorgkosten (basisverzekering).

 

Bedrijfskosten in % zorgkosten

Bedrijfskosten in % zorgkosten

Bedrijfskosten in % zorgkosten

Bedrijfskosten in % zorgkosten

Bedrijfskosten in % zorgkosten

Bedrijfskosten in € (x 1.000)

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

ASR

5,9%

5,7%

6,3%

5,9%

5,7%

33.306

CZ

2,5%

2,3%

2,6%

2,8%

2,6%

228.211

De Friesland

4,2%

3,9%

3,7%

1

1

1

DSW

3,5%

3,7%

3,1%

2,7%

2,7%

38.548

Eno

6,1%

7,7%

7,4%

8,4%

8,1%

23.911

Menzis

3,0%

2,9%

2,6%

2,8%

2,7%

150.046

ONVZ

4,5%

5,0%

4,7%

4,7%

4,1%

40.161

Stad Holland

5,0%

5,4%

4,3%

4,0%

1

1

VGZ

3,8%

3,6%

3,2%

2,8%

2,8%

264.914

Zilveren Kruis

4,7%

4,0%

3,5%

3,3%

3,2%

365.093

Z&Z

3,4%

3,2%

3,7%

3,7%

3,5%

41.483

Totaal

3,7%

3,5%

3,2%

3,1%

3,0%

1.185.673

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.

X Noot
1

Vanaf 2017 zijn de jaarcijfers van Zilveren Kruis inclusief de jaarcijfers van De Friesland, vanaf 2018 zijn de jaarcijfers van DSW inclusief de jaarcijfers van Stad-Holland.

Vraag 80

Hoeveel premiegeld verdwijnt in het eigen vermogen van de zorgverzekeraars? Hoeveel was dit in voorgaande jaren?

Antwoord:

In 2018 hebben zorgverzekeraars een gedeelte van het resultaat, namelijk € 20 per premiebetaler, toegevoegd aan de reserves. Het overige deel van het resultaat over 2018, € 17 per premiebetaler, hebben zorgverzekeraars teruggegeven aan de verzekerden door de premie lager vast te stellen dan kostendekkend. In 2016 en 2017 hebben zorgverzekeraars reserves afgebouwd door bij de vaststelling van de premie uit te gaan van een premie onder kostendekkend niveau. Op deze wijze hebben verzekeraars in 2016 € 108 per premiebetaler teruggegeven aan verzekerden en in 2017 € 42 per premiebetaler.

Vraag 81

Hoeveel mensen stapten de afgelopen tien jaar meer dan een keer over naar een andere zorgverzekeraar?

Antwoord:

Sinds 2006 is 17% van de Nederlanders 2 keer of vaker overgestapt naar een andere zorgverzekeraar, zo blijkt uit Verzekerden in Beeld 2018 van Vektis. Nog eens 21% van de Nederlanders is sinds 2006 één keer overgestapt naar een andere zorgverzekeraar. Daarnaast blijkt uit zowel onderzoek van het Nivel in 2017 als onderzoek in opdracht van de ACM door SAMR in 2016, dat naast de verzekerden die daadwerkelijk overstapten in het betreffende jaar, ongeveer 20% van de verzekerden zich oriënteerde op het wisselen van zorgverzekeraar.

Vraag 82

Hoeveel zorgverleners zijn in 2019 contractvrij gaan werken? Kunt u dit uitsplitsen per sector?

Antwoord:

Voor de sectoren ggz en wijkverpleging zijn percentages van aanbieders bekend die in 2019 zonder contract werken. Voor de ggz is dit percentage gebaseerd op een enquête die in het kader van de Monitor contractering 2019 is gehouden. Voor de geënquêteerde aanbieders geldt dat 18% met geen enkele zorgverzekeraar een contract heeft, zie onderstaande tabel. Er zijn nog geen cijfers bekend over het aandeel niet-gecontracteerde kosten ggz in 2019. Voor 2017 (het laatst bekende jaar) geldt dat het aandeel niet-gecontracteerde ggz 6,9% is (zie Kamerstuk II, 2019–2020, 25 424, nr. 484).

Contract in de GGZ

Aandeel van geënquêteerde ggz-aanbieders

Met geen enkele zorgverzekeraar een contract

18%

Contract met een deel van de zorgverzekeraars

52%

Met alle zorgverzekeraars een contract

29%

Bron: NZA, Monitor contractering ggz 2019

Uit de rapportage «Ontwikkeling niet-gecontracteerde wijkverpleging 2016–2018» die ik recent naar de Tweede Kamer heb verstuurd, blijkt dat in het eerste kwartaal 2019 65,5% van de aanbieders in de wijkverpleging met geen enkele zorgverzekeraar een contract heeft, zie onderstaande tabel (zie Kamerstuk II, 2019–2020, 23 235, nr. 184). Dit zijn overwegend kleine aanbieders. Het voorlopige aandeel niet-gecontracteerde wijkverpleging in het eerste kwartaal 2019 is 7%. Dit percentage is nog niet betrouwbaar omdat nog niet alle declaraties binnen zijn. Voor het einde van het jaar verwacht ik de Tweede Kamer te kunnen informeren met een robuust percentage niet-gecontracteerde wijkverpleging van het eerste kwartaal 2019.

2019 Q1 Wijkverpleging

Categorie zorgaanbieder

% gecontracteerd

Aantal aanbieders

% aanbieders

Volledig gecontracteerd

≥99,5%

510

25,5%

Merendeels gecontracteerd

≥50%–<99,5%

126

6,3%

Merendeels niet-gecontracteerd

≥0,5%–<50%

52

2,6%

Niet-gecontracteerde zorg

<0,5%

1.309

65,5%

Totaal

 

1.997

100%

Vraag 83

Hoe kan het dat zorgverzekeraars hun zorguitgaven standaard lager inschatten dan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport begroot?

Antwoord:

Zorgverzekeraars beschikken op het moment dat zij hun premie voor het volgende jaar vaststellen over actuelere cijfers dan waar VWS van uit gaat bij het opstellen van de begroting. Dit betreft zowel realisatiecijfers als contractinformatie over het komende jaar.

De laatste jaren blijkt de groei van de Zvw-uitgaven lager dan geraamd. VWS baseert zijn ramingen van de zorguitgaven op de groei van de uitgaven zoals geraamd bij het regeerakkoord en op realisatiecijfers van verzekeraars. VWS heeft op basis van die realisatiecijfers niet alleen het niveau van de uitgaven (structureel) verlaagd, maar ook de groei verlaagd.

Daarnaast gaat VWS in de begroting uit van de uitgavenniveaus zoals afgesproken in de hoofdlijnenakkoorden die gesloten zijn tussen VWS, zorgaanbieders en de verzekeraars. De afgelopen jaren bleek dat de uitgaven in een deel van de hoofdlijnenakkoordsectoren lager zijn uitgekomen dan het afgesproken kader.

Vraag 84

Hoeveel premiegeld geven zorgverzekeraars uit om te controleren of patiënten recht hebben op een vergoeding?

Antwoord:

Uit de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering blijkt dat de totale schadebehandelingskosten voor de basisverzekering in 2018 ca. € 185 mln bedragen, oftewel ca. € 14 per premiebetaler. De schadebehandelingskosten omvatten alle kosten die verband houden met de afwikkeling of uitkering van zorgkosten. Welk deel hiervan wordt besteed aan het controleren of patiënten recht hebben op een vergoeding, is niet bekend.

Vraag 85

Hoeveel premiegeld geven zorgverzekeraars uit om zorgaanbieders te controleren?

Antwoord:

Uit de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering blijkt dat de totale schadebehandelingskosten voor de basisverzekering in 2018 ca € 185 mln bedragen, oftewel ca € 14 per premiebetaler. De schadebehandelingskosten omvatten alle kosten die verband houden met de afwikkeling of uitkering van zorgkosten. Welk deel hiervan wordt besteed aan het controleren van zorgaanbieders, is niet bekend.

Vraag 86

Hoeveel premiegeld gaan er naast reclame- en acquisitiekosten gemoeid met het jaarlijkse overstapcircus van de zorgverzekeraars?

Antwoord:

Welk gedeelte van de reclamekosten tijdens het overstapseizoen worden gemaakt, is niet bekend. Zie voor reclamekosten per verzekeraar het antwoord op vraag 77.

Vraag 87

Hoe vaak is er melding gemaakt afgelopen jaren bij de Ondernemingskamer als het gaat om disfunctionerende bestuurders?

Antwoord:

Op grond van het enquêterecht kan een cliëntenraad van de zorginstelling een verzoek doen tot een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de zorginstelling. Indien uit het onderzoek van de enquêteur blijkt dat er sprake is van wanbeleid kan de Ondernemingskamer voorzieningen treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk acht. De Ondernemingskamer doet daarbij geen uitspraak over de aansprakelijkheid. Navraag bij de Ondernemingskamer wijst uit dat sinds 2010 dertien van dergelijke verzoeken zijn gedaan.

Vraag 88

Kunt u aangeven hoeveel bestuurders uitgesplitst per zorgsector meer verdienen dan de Balkenendenorm? Kunt u deze bestuurders in een overzicht zetten met salariëring, eventuele bonus en auto in plaats van doorverwijzen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken?

Antwoord:

WNT-instellingen zijn verantwoordelijk om overschrijdingen van de WNT-norm met onderbouwing op te nemen in hun jaarrekening. Het is verder de verantwoordelijkheid van de accountant om de bezoldigingscomponenten zoals salariëring, bonus of auto te toetsen aan de bezoldigingsnorm op grond van de WNT. De openbaarmakingsverplichting op grond van de WNT schrijft voor dat de bezoldiging dient te worden uitgesplitst in beloning en voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn. Derhalve is alleen zichtbaar of aan de bezoldigingsnorm wordt voldaan en niet waaruit deze bestaat. Het CIBG houdt hierop toezicht.

Sinds verslagjaar 2017 bestaat de algemene digitale meldplicht niet meer zodat ik geen landelijk overzicht heb van de gevraagde informatie. Voor verslagjaar 2017 heb ik enkel een overzicht van alle overschrijdingen van de WNT-norm en was er geen informatie over uit welke bezoldigingscomponenten de bezoldiging bestond.

Vraag 89

Kunt u een overzicht geven van alle zorgbestuurders die in opspraak zijn geweest vanwege wanbeleid/wanbestuur?

Antwoord:

Ik beschik niet over een dergelijk overzicht.

Vraag 90

Heeft u in 2019 zorgbestuurders ontslagen en laten vervangen? Zo ja, wie waren dat en waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De overheid ontslaat en vervangt geen zorgbestuurders omdat zij geen verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van een zorginstelling. De Raad van Bestuur is eindverantwoordelijk voor en belast met het besturen van de zorgorganisatie. De Raad van Toezicht houdt hier toezicht op en is bevoegd om bestuurders te ontslaan. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft ook geen bevoegdheid om zorgbestuurders te ontslaan. Wel kan de inspectie – als ultimum remedium – op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg een zorgaanbieder een aanwijzing geven om te bewerkstelligen dat de raad van bestuur of raad van toezicht van een zorginstelling wordt uitgebreid of een of meer leden daarvan worden vervangen. Die situatie heeft zich tot op heden niet voorgedaan.

Vraag 91

Wat zijn de meest actuele cijfers met betrekking tot zorgmijding? Wanneer is het volgende onderzoek naar zorgmijding gepland?

Antwoord:

Op de website van de Staat van Volksgezondheid en Zorg4 is te zien dat het percentage van de mensen dat aangeeft de afgelopen twaalf maanden te hebben afgezien van zorg vanwege de kosten (niet specifiek het eigen risico), is afgenomen van 16% in 2016 en 11% in 2017 naar 8% in 2018. Deze cijfers zijn afkomstig van het NIVEL, zijn gebaseerd op een vragenlijst en worden jaarlijks geactualiseerd. De cijfers zijn ook opgenomen in de VWS-monitor, die twee keer per jaar als bijlage bij de begroting en het jaarverslag van VWS wordt meegestuurd naar de Tweede Kamer.5 De VWS-monitor met cijfers over zorgmijding in 2019 wordt naar verwachting volgend jaar met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Vraag 92

Welk verband bestaat er tussen het mijden van zorg en de inkomensgroep, waartoe iemand behoort?

Antwoord:

In 2015 heeft het NIVEL onderzoek gedaan naar aard, omvang en redenen van zorgmijding. Daaruit blijkt dat mensen met lagere inkomens vaker afzien van een huisartsenbezoek vanwege financiële redenen dan mensen met hogere inkomens. Dit onderzoek is, inclusief een beleidsreactie, op 28 oktober 2015 aan de Kamer aangeboden.6

Vraag 93

Hoeveel mensen hebben in 2019 afgezien van zorg vanwege hogere kosten, graag uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

Deze cijfers zijn voor 2019 nog niet beschikbaar. Zie het antwoord op vraag 91 over de meest actuele cijfers over zorgmijding. Deze cijfers zijn in onderstaande tabel uitgesplitst naar soort zorg.

Percentage mensen dat zegt af te zien van zorg vanwege de kosten

Jaar

2016

2017

2018

Totaal

16

11

8

Bezoek aan arts

8

7

5

Medisch onderzoek of (na)behandeling

8

6

5

Ophalen recept of overslaan dosering

8

3

3

Afzien van alle voornoemde drie vormen van zorg

2

1

1

Vraag 94

Hoeveel mensen zien af van Wlz-zorg vanwege de hoge eigen bijdrage? Hoe was die verdeling in de vorige jaren?

Antwoord:

Het is niet bekend hoeveel mensen afzien van Wlz-zorg vanwege de eigen bijdrage. Er is dus ook geen verdeling over vorige jaren bekend. Wel krijgen mensen zorg als dat gegeven de situatie nodig is.

Vraag 95

Hoe was de verdeling naar inkomensgroep van mensen die zorg mijden in 2018? Hoe was die verdeling in vorige jaren?

Antwoord:

Deze gegevens zijn voor 2018 niet bekend. Zie verder het antwoord op vraag 92.

Vraag 96

Hoe vaak zijn in 2019 budgetplafonds bereikt bij behandelingen en zorg in de geestelijke gezondheidszorg (ggz), ziekenhuizen en in de wijkverpleging? Hoe was dit in vorige jaren? Kunt u uw antwoord duiden?

Antwoord:

Zorgverzekeraars maken met zorgaanbieders afspraken over het doorleveren van zorg als het budgetplafond is bereikt. Als er geen afspraken zijn over het doorleveren van zorg kunnen zorgaanbieders bij het bereiken van het budgetplafond een patiëntenstop afkondigen. Ook bij onvoldoende personele capaciteit kunnen zorgaanbieders een patiëntenstop afkondigen. Er zijn geen landelijke cijfers over het budgetplafonds en patiëntenstops. Hieronder is geciteerd uit de beschikbare informatie.

GGZ

  • Er is nog geen informatie beschikbaar over het bereiken van omzetplafonds in 2019. De NZa geeft in de Monitor contractering 2019 wel informatie over patiëntenstops in 2018. De uitkomsten van deze Monitor zijn gebaseerd op een enquête.

  • In 2018 heeft bijna twee derde van de geënquêteerde gecontracteerde vrijgevestigde zorgaanbieders een patiëntenstop afgekondigd. Vrijgevestigden noemen het meest als reden dat hun maximale capaciteit om patiënten te behandelen (als eenpitter) is bereikt.

  • Ruim een derde van de gecontracteerde instellingen heeft een patiëntenstop ingesteld. Voor instellingen is de meest genoemde reden het bereiken van het omzetplafond.

Ziekenhuizen

Ik beschik voor de medisch-specialistische zorg niet over informatie met betrekking tot het aantal patiëntenstops dat wordt ingesteld. In het geval van een patiëntenstop moet een verzekeraar vanwege de zorgplicht of bijcontracteren bij de betreffende zorgaanbieder of zorgen voor voldoende aanbod bij andere zorgaanbieders in de regio. De NZa ziet toe op naleving van de zorgplicht. Recent beantwoordde ik schriftelijke vragen over casussen bij Zuyderland (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3804) en het Ikazia Ziekenhuis (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3876).

Wijkverpleging

  • Er is nog geen informatie beschikbaar over het bereiken van omzetplafonds in 2019. De NZa geeft in de Monitor contractering 2019 wel informatie over patiëntenstops in 2018. De uitkomsten van deze Monitor zijn gebaseerd op een enquête.

  • Uit de monitor van de NZa over de contractering wijkverpleging7 komt naar voren dat in 2018 bij bijna de helft van de aanbieders een patiëntenstop in het geheel niet aan de orde is geweest.

  • 19% van de aanbieders heeft in 2018 een patiëntenstop afgegeven in verband met het bereiken van het budgetplafond. Ongeveer een derde van de aanbieders heeft een patiëntenstop overwogen, maar is daar uiteindelijk niet toe overgegaan.

  • 14% van de zorgaanbieders heeft in 2018 een patiëntenstop afgegeven in verband met een personeelstekort en 25% heeft dat overwogen.

Vraag 97

Wat is de precieze omvang van bekende én vermoede fraude in de zorg?

Antwoord:

De precieze omvang van fraude in de zorg is niet goed te kwantificeren, omdat fraude per definitie heimelijk plaatsvindt en we niet weten wat we niet weten. Dat betekent niet dat wat we niet zien, niet bestaat. We zijn ons ervan bewust dat meer met zorggeld wordt gefraudeerd dan gemeld wordt. Hoeveel geld daar concreet mee gemoeid gaat, blijft onduidelijk. Ook is de precieze omvang van vermoedde fraude in de zorg niet goed vast te stellen.

De meest recente Rapportage resultaten en fraudebeheersing van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) uit 2018 geeft (ook) geen volledig beeld van het totaal aan zorgfraude. Het onderzoek van ZN is bedoeld om de door zorgverzekeraars aangetoonde fraude in kaart te brengen. Dit onderzoek is niet bedoeld om het totaal aan (mogelijke) fraude weer te geven.

In 2018 hebben zorgverzekeraars 1.018 fraudeonderzoeken afgerond. Hiervan is in 310 onderzoeken fraude vastgesteld van in totaal € 20,5 miljoen.

Vraag 98

Hoeveel fraudesignalen waren er in 2019 en hoeveel daarvan zijn er voorgelegd voor strafrechtelijk onderzoek? Hoeveel fraudezaken die betrekking hebben op de gezondheidszorg worden momenteel behandeld door het Openbaar Ministerie (OM), uitgesplitst per zo

Antwoord:

In 2019 zijn (t/m 30 september) 377 unieke signalen bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) binnengekomen. Deze signalen zijn afkomstig van ketenpartners die aangesloten zijn op het IKZ. Onderstaande tabel geeft het aantal ingebrachte signalen per ketenpartner bij het IKZ weer.

Melder

Totaal

Belastingdienst

1

CIZ

8

Gemeenten

1

IGJ

43

iSZW

31

NZa

254

ZN

39

Eindtotaal

377

De besluitvorming over welke fraudesignalen in aanmerking komen voor strafrechtelijke afdoening vindt plaats in de zogeheten Stuur- en Weegploeg Zorg, onder voorzitterschap van het Openbaar Ministerie (het onder andere in fraude gespecialiseerde Functioneel Parket, OM/FP). Om de voortgang van de onderzoeken niet te schaden, geeft het OM geen nadere informatie over lopende onderzoeken uit 2019 noch over welke specifieke (sub)sectoren het betreft.

Vraag 99

In welke zorgsectoren vindt de meeste fraude plaats en wat zijn de oorzaken hiervan?

Antwoord:

Zorgverzekeraars hebben over het jaar 2018 fraude vastgesteld in alle verzekeringsvormen. Uit de Rapportage resultaten en fraudebeheersing 2018 van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) blijkt dat de vastgestelde fraude in de Zvw het hoogst is (64%), gevolgd door de Wlz (29%). Ook in de aanvullende verzekering werd fraude gepleegd (2%). In 5% van de bewezen fraudegevallen was de verzekeringsvorm onbekend of niet van toepassing. Onderstaande diagram geeft per zorgsoort/verstrekkingsvorm de vastgestelde fraude weer. Wat betreft de oorzaken van onrechtmatigheden in de zorg verwijs ik Uw Kamer naar het Programmaplan Rechtmatige Zorg 2018–2021. Voor een weergave van de maatregelen die getroffen zijn en de voortgang van het programma verwijs ik Uw Kamer naar de Tweede voortgangsrapportage Rechtmatige Zorg die recent naar Uw Kamer gezonden is (TK 28 828, nr. 113).

Vraag 100

Zijn er zorgorganisaties die op dit moment onder verdenking staan van het Openbaar Ministerie?

Antwoord:

Als te doen gebruikelijk kan het OM geen mededelingen doen over lopende strafrechtelijke onderzoeken. Dit om het verloop van de onderzoeken niet te schaden.

Vraag 101

Hoeveel personen zijn in 2019 opgepakt voor fraude in de zorg?

Antwoord:

Als te doen gebruikelijk kan het OM geen mededelingen doen over lopende strafrechtelijke onderzoeken. Dit om het verloop van de onderzoeken niet te schaden.

Vraag 102

Hoeveel personen zijn berecht in 2019 voor fraude in de zorg?

Antwoord:

De opsporingsinstanties en het OM houden niet systematisch bij dat het om fraude in de zorg gaat. Deze informatie is derhalve niet beschikbaar.

Vraag 103

Hoeveel fte is er beschikbaar voor fraudeopsporing, graag uitgesplitst naar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het Functioneel Pakket, het Openbaar Ministerie en de zorgverzekeraars?

Antwoord:

De strafrechtelijke opsporing van fraude in de zorg is belegd bij de bijzondere opsporingsdiensten Inspectie SZW en FIOD. Deze diensten voeren strafrechtelijke onderzoeken uit onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM/FP). Het OM/FP is tevens verantwoordelijk voor de strafrechtelijke vervolging en de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen.

De Inspectie SZW is verantwoordelijk voor de opsporing van zorgfraude. De Inspectie SZW heeft hier structureel circa 68 fte voor beschikbaar. De capaciteit bij de Inspectie SZW zal de komende jaren toenemen met 20 fte, zoals ook gemeld in de eerste voortgangsrapportage Rechtmatige zorg8.

De totaal beschikbare capaciteit voor zorgfraudebestrijding bij het gehele OM is niet exact in fte’s aan te geven. Elke officier van justitie is in beginsel toegerust om fraudezaken af te doen en kan dit doen als onderdeel van een breder takenpakket. Hierdoor wordt de totale beschikbare capaciteit van het OM ingezet daar waar deze op dat moment het meest nodig is.

De capaciteit die de FIOD beschikbaar heeft voor zorgfraude is onveranderd en bedraagt op jaarbasis circa 20.000 opsporingsuren.

Volledigheidshalve merk ik op dat de NZa juridisch gezien geen opsporingstaak heeft. De NZa is krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) verantwoordelijk voor het bestuursrechtelijke toezicht en de handhaving van onrechtmatigheden in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). In dat kader voert de NZa ook toezichtonderzoeken uit. De capaciteit die de NZa in 2019 in totaal beschikbaar heeft voor toezicht en handhaving is 105 fte.

Ook voor zorgverzekeraars geldt dat zij formeel juridisch gezien geen opsporingstaak hebben. Wel voeren de zorgverzekeraars reguliere (formele en materiële) controles uit op de rechtmatigheid van de door zorgaanbieders en verzekerden ingediende declaraties. Bij vermoedens van fraude stellen zorgverzekeraars een fraudeonderzoek in. Zorgverzekeraars Nederland houdt geen administratie bij van de aantallen medewerkers die bij de verschillende zorgverzekeraars en zorgkantoren zijn belast met het uitvoeren van controles en (fraude)onderzoeken.

Vraag 104

Hoeveel fte was er in 2019 in totaal belast met toezichthouden in de zorg? Hoeveel was dat aantal in vorige jaren? Hoe was dat uitgesplitst naar toezichthoudende instantie zoa Hoeveel fte was er in 2019 in totaal belast met toezichthouden in de zorg? Hoeveel was dat aantal in vorige jaren? Hoe was dat uitgesplitst naar toezichthoudende instantie zoals de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), voorheen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg, en de NZa opgenomen die in totaal belast zijn met toezicht in de zorg. De NVWA en de FIOD zijn niet in de tabel opgenomen. Het toezicht dat de NVWA voor VWS uitoefent op voedsel- en productveiligheid vindt plaats in het kader van de volksgezondheid, maar dit is geen toezicht op de zorg. De FIOD is een bijzondere opsporingsdienst en geen toezichthouder.

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

IGZ1

490

516

536

574,7

631,4

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

IJZ1

61

62

63

67

67

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

IGJ

         

708,1

756,9

779,32

NZa

40

50

80

96

100

100

100

105

Totaal

591

628

679

737,7

798,4

808,1

856,9

884,3

X Noot
1

Betreffen de formatiecijfers van de betreffende jaren per ultimo.

X Noot
2

De formatie van IGJ is per eind augustus 2019 779,3 fte. Cijfers over heel 2019 zijn nog niet bekend.

Vraag 105

Hoeveel (fraude-)onderzoeken zijn er door de NZa gedaan in 2019? Hoeveel daarvan hebben geleid tot een bestuursrechtelijke maatregel? En hoeveel tot een strafrechtelijke? Hoeveel waren die aantallen in de vorige jaren?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bestuursrechtelijke maatregelen die de NZa in de periode 2012–2018 heeft uitgevoerd. De cijfers over 2019 zijn nog niet bekend. In 2018 is een flinke daling te zien in het totale aantal interventies van de NZa. Zo is er fors minder gehandhaafd op de informatieverplichtingen en is het aantal interventies bij zorgaanbieders gedaald.

Beide bevindingen zijn het resultaat van de verschuiving van reactief naar proactief toezicht. Een voorbeeld is de proactieve benadering richting zorgaanbieders om aan te geven dat aan de informatieverplichting moet worden voldaan.

De strafrechtelijke opsporing van fraude in de zorg is belegd bij de bijzondere opsporingsdiensten Inspectie SZW en FIOD. Deze diensten voeren strafrechtelijke onderzoeken uit onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM/FP). Het OM/FP is tevens verantwoordelijk voor de strafrechtelijke vervolging en de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen. Als te doen gebruikelijk kan het OM geen mededelingen doen over lopende strafrechtelijke onderzoeken. Dit om het verloop van de onderzoeken niet te schaden.

Activiteiten

2012

2013

2014

2015

20161

2017

2018

Interventies bij zorgaanbieders2

102

34

26

382

354

498

210

Interventies bij zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders (zorgkantoren)2

31

49

5053

117

224

156

143

Opgelegde boetes n.a.v. signalen en handhavingsacties

2

3

1

2

2

4

2

Handhaving informatieverplichtingen

251

370

491

318

193

164

10

Last onder dwangsom op grond van informatieverplichtingen

20

58

115

22

24

19

0

Totaal

406

514

1.138

841

797

841

365

X Noot
1

In 2016 is het Snelle Interventieteam gestart. De interventies van dit team zijn onderdeel van de aantallen interventies bij zorgaanbieders en verzekeraars/Wlz-uitvoerders (zorgkantoren).

X Noot
2

Een interventie is een actie van de NZa richting een toezichtobject, met als doel om een ongewenste situatie te beëindigen. Een interventie kan een rapportageverplichting, informatieverzoek, normoverdragend gesprek en de inzet van formele handhavingsinstrumenten (voornemen tot) aanwijzing of last onder dwangsom zijn.

X Noot
3

Aanwijzingen die in 2014 zijn gegeven aan zorgkantoren zijn tevens verstuurd aan de alle achterliggende zorgverzekeraars. De NZa registreert dit als unieke aanwijzingen, waardoor het overzicht dubbeltellingen bevat.

Vraag 106

Hoeveel opsporingscapaciteit is er voor fraude met het persoonsgebonden budget (pgb) bij zowel het OM, de FIOD, de Inspectie SZW en zorgkantoren?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar naar de beschikbare capaciteit per soort van zorgfraude. Afhankelijk van de soort zorgfraude die wordt geconstateerd vindt er door betrokken partijen inzet plaats. Voor de cijfers over de opsporingscapaciteit verwijs ik u naar het antwoord op vraag 103.

Vraag 107

Hoeveel budget is er in 2020 beschikbaar voor de opsporing van fraude met pgb's en voor welk bedrag is er sinds de invoering van het Trekkingsrecht gefraudeerd met pgb-gelden?

Antwoord:

Vanaf 2020 is er structureel € 10,6 miljoen beschikbaar voor de Inspectie SZW voor de opsporing van zorgfraude. De meest recente en beschikbare cijfers over fraude met pgb gaan over de resultaten van de strafrechtelijke opsporing- en ontnemingsonderzoeken die de Inspectie SZW in 2018 heeft uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken heeft de Inspectie SZW circa € 16,1 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel berekend. Daarvan heeft € 3,5 miljoen betrekking op fraude met het pgb. Ter vergelijking, in 2017 ging het om een totaalcijfer van € 1,1 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel, waarvan € 0,1 miljoen fraude met het pgb (in de Wlz/ AWBZ) betrof.

Vraag 108

Welke onderzoeken heeft het Ministerie van VWS extern laten uitvoeren en bij wie? Welke kosten gingen hiermee gemoeid? En is er tussen het Ministerie van VWS en de onderzoekers gesproken over de concept-conclusies?

Antwoord:

De administratieve systemen van VWS zijn – conform rijksbrede voorschriften – niet zodanig ingericht dat deze vraag kan worden beantwoord. Onderzoek vormt geen aparte uitgavencategorie binnen de administratie.

Op verzoek van uw Kamer wordt vanaf najaar 2015 een overzicht van alle beleidsrelevante VWS-onderzoeken gepubliceerd op het VWS-deel van de website van de rijksoverheid (www.Rijksoverheid.nl). Conform de toezegging aan uw Kamer wordt vanaf dat moment met terugwerkende kracht het overzicht gepubliceerd van alle beleidsrelevante onderzoeksrapporten van de concernorganisaties en kennisinstellingen die vanaf april 2015 zijn verschenen. Omdat VWS deel uitmaakt van de pilot Open Overheid van het Ministerie van BZK worden in het overzicht ook alle sinds die datum verschenen rapporten van het door VWS uitgezette opdrachtonderzoek onder ARVODI-voorwaarden opgenomen. Het totaaloverzicht wordt maandelijks achteraf geactualiseerd.

VWS stelt bij conceptrapporten waar relevant vragen over (vermeende) feitelijke onjuistheden of over de wijze waarop de conclusies voortvloeien uit het desbetreffende onderzoek. Daarbij is geen sprake van inhoudelijke beïnvloeding van de conceptconclusies.

Andere beschikbare cijfers over de omvang van fraude met het pgb zijn afkomstig van zorgverzekeraars en zorgkantoren. In de rapportage Controle en Fraudebeheersing 2018 geeft ZN aan dat de vastgestelde fraudes binnen de pgb-Wlz/AWBZ regelingen in 2018 ruim 29% van het totaal vastgestelde fraudebedrag uitmaken: € 6,1 miljoen van totaal € 20,5 miljoen aan vastgestelde fraude. Fraudecijfers over de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet zijn niet beschikbaar.

De beschikbare cijfers over de resultaten van fraudeonderzoeken geven een indicatief beeld van de problematiek, maar geven geen uitsluitsel over de totale omvang van fraude met het pgb.

Vraag 109

Kunt u een overzicht geven van congressen waaraan ambtenaren deelnamen? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven in 2019? Kunt u aangeven wat het doel was van deze congressen?

Antwoord:

Net als vorige jaren wordt er op het departement geen separate administratie bijgehouden, waarin wordt geregistreerd welke congressen worden bezocht. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 110

Kunt u een overzicht geven van congressen en reizen waaraan ambtenaren deelnamen in het buitenland? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven? Kunt u hierbij aangeven wat het doel was van deze congressen en reizen?

Antwoord:

Er is op het departement geen separate administratie waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Deze informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 111

Hoe vaak werden reizen en congressen geheel of gedeeltelijk bekostigd door externe partijen?

Antwoord:

Er is zoals bij vraag 110 aangegeven op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Tot het najaar van 2012 was in het algemeen de lijn dat wanneer een VWS’er was uitgenodigd om een inleiding te houden, de deelname- en verblijfkosten voor rekening van de uitnodigende partij konden zijn. Met ingang van het parlementaire jaar in september 2012 hanteert VWS de lijn dat ook in zulke gevallen VWS bij volledige deelname aan het congres de deelname- en verblijfkosten voor eigen rekening neemt.

Vraag 112

Door wie werden de reizen waar ambtenaren aan deelnamen of hun verblijven bekostigd en wat was de bijdrage?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 111.

Vraag 113

Hoeveel procent van de zorgaanbieders maakten in 2019 gebruik van digitale gegevensuitwisseling met andere zorgaanbieders? Hoe was dat percentage in voorgaande jaren?

Antwoord:

Er zijn veel vormen van digitale gegevensuitwisseling die in reikwijdte en mate van implementatie van elkaar verschillen. Een algemeen antwoord op deze vraag is daarmee niet beschikbaar. Deelinformatie is beschikbaar in verschillende rapportages en websites. Zo publiceert Zorgdomein op haar website dat in 2018 7,3 miljoen eerstelijnsverwijzingen digitaal hebben plaatsgevonden. Uit de eHealth-monitor 2018 van Nivel en Nictiz blijkt dat de mogelijkheden voor gestandaardiseerde elektronische gegevensuitwisseling tussen huisartsen en zelfstandige behandelcentra is toegenomen: van 61% in 2014 tot 87% in 2018.

Vraag 114

Hoeveel besloten vennootschappen (bv's), naamloze vennootschappen (nv's), verenigingen, vennootschappen onder firma (vof's), eenmanszaken en stichtingen hebben zich in 2019 geregistreerd als zorgverlener of zorginstelling?

Antwoord:

Het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) heeft in 2019 (tot en met 29 september) vanuit het Handelsregister de volgende aantallen registraties van zorginstellingen of zorgverleners ontvangen: 2.153 bv’s, 2 nv’s, 92 verenigingen, 984 vof’s, 20.690 eenmanszaken en 863 stichtingen.

Daarnaast heeft het LRZa vanuit het Handelsregister ook nog registraties van andere dan de gevraagde rechtsvormen ontvangen: 17 commanditaire vennootschappen, 37 coöperaties, 22 buitenlandse rechtsvormen, 350 maatschappen en 1 onderlinge waarborgmaatschappij.

Vraag 115

Bij hoeveel nieuw opgerichte zorgorganisaties is de IGJ langs geweest?

Antwoord:

In 2019 heeft IGJ tot op heden 166 bezoeken aan nieuwe of niet eerder bij IGJ bekende zorgaanbieders gebracht.

Het grootste deel hiervan, 122, betrof bezoeken aan zorgaanbieders binnen de sectoren gehandicaptenzorg, geestelijk gehandicaptenzorg en verpleging en verzorging. Daarnaast zijn 14 jeugdzorginstellingen en 30 particuliere klinieken bezocht.

Vraag 116

Hoeveel nieuw opgerichte zorgorganisaties mochten niet starten vanwege het verleden van de oprichter, dat betrekking heeft op fraude, wanbeleid et cetera?

Antwoord:

Bij de huidige WTZi-toelating spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders geen rol.

Met de invoering van het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) bestaat de mogelijkheid de Wtza-vergunning te weigeren of in te trekken als de bestuurder na een verzoek geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) kan verstrekken. Deze mogelijkheid tezamen met de mogelijkheid om de vergunning te weigeren of in te trekken op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), zijn instrumenten om te voorkomen dat door het verlenen van vergunningen fraude wordt gefaciliteerd.

Zoals aangegeven in de brief van 9 juli 20199 zullen we, omdat geld dat bedoeld is voor de zorg ten gunste moet komen voor de zorg, de Wtza-vergunningplicht in de toekomst verder inrichten en uitbreiden. Gezien de complexiteit en impact pakken we dit op in een apart traject dat moet uitmonden in een nieuw aanvullend wetsvoorstel dat voortbouwt op de Wtza. Bij deze verdere inrichting en uitbreiding is van belang een goede balans te vinden tussen regeldruk en uitvoeringslasten en de effectiviteit van de vergunningplicht.

Overigens kan een bestuurder met een bestuursverbod (opgelegd door de rechter in relatie tot een faillissement, in de vorm van een strafrechtelijk beroepsverbod of een verbod om een stichting te besturen) door de Kamer van Koophandel niet als bestuurder ingeschreven worden, respectievelijk wordt hij uitgeschreven bij het handelsregister.

Vraag 117

Hoeveel mensen betalen een eigen bijdrage uit vermogen, uitgesplitst naar de Wlz en Wmo?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft informatie over het aantal Wlz-cliënten en Wmo-leefeenheden waarbij vermogen een rol speelt in de berekening van 2019 van de eigen bijdrage Wlz of Wmo. Voor Wmo-leefeenheden speelt vanaf vermogen vanaf 2019 vanwege het abonnementstarief, alleen nog een rol bij beschermd wonen.

Aantal cliënten/leefeenheden met vermogen, peildatum september 2019:

Aantal cliënten/leefeenheden met vermogen, peildatum september 2019:

* De cijfers voor 2019, het lopende kalenderjaar, betreffen een voorlopige inschatting.

Vraag 118

Hoeveel klachten en bezwaren heeft het CAK afgelopen jaar gekregen en hoeveel bedroeg dit voorgaande jaren?

Antwoord:

Onderstaand is een overzicht opgenomen van het totaal aantal klachten en bezwaren over de Wmo, Wlz, en de burgerregelingen van het CAK.

 

2016

2017

2018

Klachten Wlz

390

406

432

Bezwaren Wlz

1.695

1.684

2.117

Klachten Wmo

517

411

424

Bezwaren Wmo

2.323

1.841

3.214

Klachten burgerregelingen

2611

239

239

Bezwaren burgerregelingen

5.2111

4.331

3.758

X Noot
1

In 2016 werden de burgerregelingen nog uitgevoerd door het Zorginstituut Nederland.

Vraag 119

Kunt u nauwkeurig toelichten per beleidsartikel welke extra amendeerruimte nog bestaat? Als deze ruimte ontbreekt, wat is hiervoor de reden?

Antwoord:

In de begroting wordt per beleidsartikel aangegeven welk aandeel van de uitgaven reeds juridisch verplicht is. In de onderstaande tabel is het niet-juridisch verplichte deel van de beleidsartikelen opgenomen. Voor dit niet-juridisch verplichte deel geldt dat er andere afspraken zijn die het budget vastleggen, bijvoorbeeld door bestuurlijke afspraken. Het anders aanwenden van de middelen kan dan ook tot gevolg hebben dat bepaalde plannen en activiteiten geen doorgang kunnen hebben.

Artikel

x 1.000 euro

1. Volksgezondheid

49.300

2. Curatieve Zorg

19.118

3. Langdurige zorg en ondersteuning

47.611

4. Zorgbreed beleid

18.079

5. Jeugd

6.214

6. Sport en bewegen

5.996

7. Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

2.109

8. Tegemoetkoming specifieke kosten

0

Vraag 120

Hoeveel mensen maken gebruik van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten?

Antwoord:

Voor de jaren 2009 t/m 2016 maakten gemiddeld ruim 158.000 mensen gebruik van de Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten (TSZ). De toekenning voor 2017 is nog niet afgerond, maar naar verwachting zullen voor dat jaar meer dan 160.000 mensen gebruik maken van de TSZ. Over 2018 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar om een gefundeerde prognose te doen.

Vraag 121

Kunt u aangeven wat de bezuiniging was bij het afschaffen van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatie eigen risico (Cer)?

Antwoord:

Het afschaffen van de Wtcg en de CER leidde tot een netto besparing van structureel € 375 miljoen. Zie onderstaande tabel.

Budgettaire gevolgen (x € 1 miljoen)

2014

2015

2016

2017/struc

CER afschaffen (premie)

– 200

– 200

– 200

– 200

Wtcg tegemoetkomingen (begroting)

 

– 348

– 414

– 418

uitvoeringskosten CAK

 

– 12,5

– 25

– 25

beschikbaar gemeenten

45

216

266

268

Totale besparing

– 155

– 344,5

– 373

– 375

Vraag 122

Wat zijn de opbrengsten indien het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt afgeschaft en de indicatiestelling wordt teruggegeven aan professionele zorgverleners? Bent u bereid deze besparingsmogelijkheid in de zorg te onderzoeken?

Antwoord:

De exacte kosten van de indicatiestelling door professionals zijn op voorhand lastig te bepalen. Vooropgesteld dient te zijn dat het recht op zorg, gefinancierd op basis van de Wlz, eenduidig, onafhankelijk en integraal wordt vastgesteld. Een centrale indicatiestelling biedt de beste borging hiertoe. Dit biedt ook voordelen in termen van efficiëntie. De kosten van indicatiestelling door zorgprofessionals zullen naar verwachting niet lager zijn wanneer de indicatiestelling op dezelfde toegangscriteria is gebaseerd en op uniforme wijze wordt uitgevoerd. Het kabinet is niet voornemens een dergelijk ingrijpende wijziging door te voeren en heeft daarom ook geen volledig antwoord op de gestelde vraag.

Vraag 123

Hoeveel communicatiemedewerkers of hoeveel fte heeft het Ministerie van VWS in dienst?

Antwoord:

Voor de exacte aantallen verwijs ik naar het openbare document op

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/03/01/fte-overzicht-directies-communicatie-rijksoverheid-2019.

Vraag 124

Kunt u een overzicht geven van alle (aanjaag)teams die het Ministerie van VWS heeft ingezet, welke personen (uit welke organisaties) werken voor deze (aanjaag)teams, hoeveel fte dit bedraagt, wat hun salariëring bedraagt, wat hun doelstellingen zijn en we

Antwoord:

Er zijn «praktijkteams» ingesteld onder verschillende benamingen (zoals aanjaagteam, interventieteam, praktijkteam). Deze teams kennen een wisselende samenstelling van medewerkers van VWS en andere organisaties (o.a. Zorgverzekeraars Nederland, VNG en diverse partijen uit de praktijk). Soms worden deze teams geleid door een VWS-medewerker, soms door iemand van één van deze organisaties.

In de meeste gevallen maakt het werken in een praktijkteam deel uit van een breder takenpakket van de betrokkenen. Het aantal uren dat zij werken in de praktijkteams wordt niet geregistreerd, zodat het niet mogelijk is uit te rekenen hoeveel fte er in de praktijkteams aan het werk zijn en wat de salariskosten van deze teams zijn.

Zoals gebruikelijk en zoals meermaals toegezegd, wordt aan uw Kamer verslag gedaan van de resultaten van de praktijkteams. Dat gebeurt bij de reguliere voortgangsrapportages aan uw Kamer over de diverse beleidsthema’s.

De resultaten en werkwijzen van de praktijkteams zijn te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/kwaliteit-van-de-zorg/praktijkteams-betere-samenwerking-overheid-en-praktijk-in-de-zorg

Vraag 125

Hoeveel medicatie (in bedragen en aantal medicijnen) wordt er jaarlijks vernietigd na inlevering? Hoe is de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren?

Antwoord:

Op basis van onderzoek door RTL Nieuws in 2012 wordt de hoeveelheid vernietigde medicatie geschat op circa 150.000 kilogram. Dit betreft de geneesmiddelen die zijn ingeleverd bij apotheken en die vervolgens worden vernietigd. De waarde van deze geneesmiddelen wordt geschat op circa € 100 miljoen. Er is mij geen andere en recentere informatie bekend.

Vraag 126

Kunt u een overzicht geven van de absolute levensverwachting in jaren en de jaren daarvan in goed ervaren gezondheid onderverdeeld in laag, midden en hoog sociaal economische status (SES) én minimum, modaal en hoog inkomen?

Antwoord:

Voor sociaaleconomische status kan met verschillende maten gerekend worden. Het RIVM acht opleidingsniveau de meest valide indicator van sociaaleconomische status. Daarom treft u in onderstaande tabel de gevraagde informatie voor zowel opleidings- als inkomensniveau. Qua inkomensniveau is van CBS cijfers gebruik gemaakt. Het CBS onderscheidt vijf inkomensgroepen en het meest recente cijfer betreft het gemiddelde van 2011–2014; het gemiddelde van 2015–2018 verschijnt later dit jaar.

 

Laag onderwijsniveau

Middelbaar onderwijsniveau

Hoog onderwijsniveau

Levensverwachting bij geboorte

79,3

81,8

84,4

Levensverwachting in goed ervaren gezondheid

56,9

64,7

71,6

StaatVenz, verslagjaar 2015/2018

inkomensklasse

Laagste

Laag midden

Midden

Hoog midden

Hoogste

Mannen

Levensverwachting

75,1

79,3

81,5

82,1

83,3

Mannen

Levensverwachting in goed ervaren gezondheid

54,4

59,9

65,2

68,8

71,9

Vrouwen

Levensverwachting

78,9

84,3

85,3

86,2

85,6

Vrouwen

Levensverwachting in goed ervaren gezondheid

53

59,4

64,1

68,4

71,8

CBS, verslagjaar 2011/2014

Vraag 127

Hoeveel kosten de Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ) en andere keurmerken in de zorg?

Antwoord:

Er wordt niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven noch welke kosten verbonden zijn aan de verschillende keurmerken. Derhalve is niet bekend welke besparing mogelijk is als partijen in het veld geen gebruik meer maken van keurmerken.

Vraag 128

Hoeveel van deze keurmerken per merk worden jaarlijks afgegeven?

Antwoord:

De gevraagde gegevens worden niet op een centrale plaats bijgehouden en derhalve is ook niet bekend hoeveel keurmerken per merk jaarlijks worden afgegeven.

Vraag 129

Welke besparing is mogelijk als keurmerken in de zorg afgeschaft worden?

Antwoord:

Certificering is niet verplicht op grond van wet- en regelgeving; dit is een aangelegenheid van de veldpartijen zelf. Er wordt niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven en welke kosten verbonden zijn aan de verschillende keurmerken. Derhalve is het gevraagde bedrag aan kostenbesparing niet bekend.

Vraag 130

Welke keurmerken worden er vereist bij zorginkoop, uitgesplitst naar zorgkantoorregio?

Antwoord:

In het Inkoopkader Wlz 2018–2020 is voor zowel nieuwe als bestaande zorgaanbieders afgesproken dat het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het kwaliteitskader gehandicaptenzorg uitgangspunt is voor de contractering van zorg. Voor de GGZ-zorgaanbieders worden na overleg met koepels en het veld de multidisciplinaire richtlijnen en standaarden die betrekking hebben op de mensen in de Wlz, namelijk mensen met een ernstig psychische aandoeningen (EPA), gehanteerd. Er worden geen aanvullende keurmerken vereist door zorgkantoren.

Vraag 131

Wat kost jaarlijks de bureaucratie in de zorg in Nederland?

Antwoord:

De jaarlijkse kosten van de bureaucratie in de zorg in Nederland zijn mij niet bekend. Er bestaat geen eenduidige definitie of meting van de omvang van de bureaucratie in Nederland.

Vraag 132

Hoe groot is de overhead en de kosten hiervan, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

Deze informatie wordt sinds 2011 niet meer door het CBS bijgehouden. Voor wat betreft de langdurige zorg heeft de voormalig Staatssecretaris van VWS u in de brief van 30 maart 2017 (TK 29 515, nr. 400) geïnformeerd over de niet-cliëntgebonden kosten van deelnemende organisaties. De niet-cliëntgebonden kosten bedragen gemiddeld 41,6% van hun totale kosten. Onder niet-cliëntgebonden kosten verstaat PWC alle kosten die niet direct aan de cliënt ten goede komen. Het gaat dan om:

  • de (klassiek gedefinieerde) centrale overheadkosten: gemiddeld 13%

  • de decentrale overheadkosten (per locatie): gemiddeld 11,4%

  • verminderd met kosten die in feite direct aan de cliënt ten goede komen: gemiddeld -3,8%

  • vermeerderd met de kosten die traditioneel tot de directe zorg worden gerekend, maar niet direct aan de cliënt ten goede komen: gemiddeld 21%.

Vraag 133

Met hoeveel procent en kosten is de bureaucratie toegenomen na de decentralisaties naar de gemeenten, graag uitgesplitst naar Wmo en de Jeugdwet?

Antwoord:

Er zijn op landelijk niveau geen gegevens beschikbaar over het percentage en de kosten van bureaucratie in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het Kabinet zet zich wel in om de bureaucratie in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te verminderen, bijvoorbeeld door het stimuleren van de taakgerichte uitvoeringsvariant voor de verantwoording van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Onder de vlag van het programma (Ont)Regel de Zorg worden diverse activiteiten ondernomen die bijdragen aan het verminderen van de bureaucratie in het sociaal domein. U bent hierover in de voortgangsbrief (Ont)Regel de Zorg (4 oktober 2019) nader geïnformeerd.

Vraag 134

Hoeveel mensen, in aantallen, maken vanaf 2019 gebruik van Wlz?

Antwoord:

Op 1 juli 2019 hebben 302.590 mensen een indicatie voor een zorgprofiel in de Wlz (bron: CIZ).

Vraag 135

Hoeveel mensen, in aantallen, maken vanaf 2019 gebruik van de Wmo?

Antwoord:

Er zijn nog geen cijfers bekend over het gebruik van Wmo-voorzieningen vanaf 2019. Gemeenten bieden op grond van de Wmo 2015 een diversiteit aan algemeen toegankelijke en individuele maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat daadwerkelijk een beroep doet op deze voorzieningen. Wel zijn er ramingen van het CBS beschikbaar die een inschatting geven van het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen. Het gaat om het gebruik van zorg in natura en/of een persoonsgebonden budget, ongeacht het feit of een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage betaald moet worden. Gegevens zijn afkomstig van gemeenten, die in het kader van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD) gegevens hebben aangeleverd en toestemming hebben gegeven voor publicatie. De cijfers over het totaal aantal cliënten in Nederland zijn door het CBS geschat met een regressiemodel op de data van de deelnemende gemeenten. De voorzieningen zijn uitgesplitst naar globale categorieën voorzieningen, omdat de precieze definitie van voorzieningen kan verschillen per gemeente.

Vraag 136

Hoeveel mensen, in aantallen, maken vanaf 2019 gebruik van de Zvw?

Antwoord:

De raming van het aantal Zvw-verzekerden door het Zorginstituut voor 2019 bedroeg 17.210.000 verzekerden.

Vraag 137

Hoeveel mensen maken vanaf 2019 gebruik van zorg vanuit de verschillende domeinen, Zvw, Wmo, Wlz en jeugdzorg?

Antwoord:

De raming van het aantal Zvw-verzekerden voor 2019 bedroeg 17.210.000 verzekerden (bron: Zorginstituut).

Op 1 juli 2019 hebben 302.590 mensen een indicatie voor een zorgprofiel in de Wlz-regulier (bron: CIZ).

Er zijn nog geen cijfers bekend over het gebruik van jeugdzorg en van Wmo-voorzieningen vanaf 2019. Cijfers over het gebruik 2019 worden in het voorjaar van 2020 aangeleverd bij het CBS.

Vraag 138

Hoeveel mensen maken gebruik van huishoudelijke verzorging?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 135.

Vraag 139

Hoeveel mensen maken gebruik van dagbesteding?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend. Zie het antwoord op vraag 135.

Vraag 140

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend. Zie verder het

Antwoord op vraag 135.

Vraag 141

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding in combinatie met persoonlijke verzorging?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend. Zie verder het

Antwoord op vraag 135.

Vraag 142

Hoeveel mensen maken gebruik van beschermd wonen?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend. Zie verder het

Antwoord op vraag 135.

Vraag 143

Hoeveel mensen maken gebruik van ziekenhuiszorg?

Antwoord:

Cijfers van Vektis (declaratiedata zorgverzekeraars) laten zien dat het aantal personen dat gebruik maakt van ziekenhuiszorg in 2018 7,5 miljoen bedroeg.

Vraag 144

Hoeveel mensen maken gebruik van wijkverpleging?

Antwoord:

Zorgprisma (publicatie van Vektis) geeft aan dat in 2017 ruim 550.000 personen gebruik hebben gemaakt van wijkverpleging. Maandelijks ontvingen gemiddeld 293.000 personen wijkverpleging.

Vraag 145

Hoeveel mensen wonen in een verzorgingshuis?

Antwoord:

In 2018 woonden circa 3.800 cliënten in een instelling met een zorgprofiel VV 1–3. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2018 betroffen deze afspraken 1,4 miljoen dagen (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 146

Hoeveel mensen wonen in een verpleeghuis?

Antwoord:

In 2018 woonden circa 116.400 cliënten in een instelling met een zorgprofiel VV 4–10. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2018 betroffen deze afspraken 42,5 miljoen dagen (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 147

Hoeveel mensen wonen in een beschermde woonvorm?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend. Zie verder het

Antwoord op vraag 135.

Vraag 148

Hoeveel mensen wonen in een kleinschalige woonvorm?

Antwoord:

Mensen die in een kleinschalige woonvorm wonen kunnen zorg ontvangen uit de Wmo, de Wlz of Zvw (wijkverpleging). Er is landelijk geen registratie beschikbaar van het aantal mensen dat in een kleinschalige woonvorm woont.

Vraag 149

Hoeveel mensen wonen in een instelling voor gehandicaptenzorg?

Antwoord:

In 2018 woonden circa 72.000 cliënten in een instelling voor gehandicaptenzorg. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2018 betroffen deze afspraken 26,3 miljoen dagen (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 150

Hoeveel mensen wonen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige ggz 2018 van het Trimbos Instituut laat zien dat Nederland in 2017 naar schatting circa 15.000 klinische plaatsen (inclusief die vanuit de Zorgverzekeringswet, Wlz en jeugdzorg en exclusief de Dienst Justitiële Inrichtingen-gefinancierde plaatsen) en 16.500 plaatsen voor beschermd wonen telt. Ik heb deze monitor aan uw Kamer aangeboden op 4 december 2018 (Vergaderjaar 2018–2019, TK 25 424, nr. 433).

Vraag 151

Hoeveel mensen maken gebruik van ambulante geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

In de Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ van het Trimbos Instituut zijn cijfers opgenomen over het aantal cliënten per echelon in de jaren 2015 en 2016.

De cijfers over de generalistische basis ggz en de specialistische ggz zonder verblijf bevatten de aantallen mensen met (alleen) ambulante zorg. Hieronder worden ook mensen begrepen die zorg in zowel de basis als specialistische ggz hebben ontvangen.

Vraag 152

Hoeveel verzorgingshuisplekken zijn er op dit moment?

Antwoord:

In 2018 zijn er circa 3.800 verzorgingshuisplekken voor cliënten met een zorgprofiel VV 1–3. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2018 betroffen deze afspraken 1,4 miljoen dagen (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 153

Hoeveel verzorgingshuisplekken zijn er ten tijde van het kabinet Rutte II verloren gegaan?

Antwoord:

Het aantal verzorgingshuisplekken voor zzp VV 1–3 is tussen 2013 en 2017 afgenomen van circa 30.500 naar 6.300. Het aantal plaatsen is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2013 betroffen deze afspraken 11,1 miljoen dagen en in 2017 2,3 miljoen dagen (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg).

Vraag 154

Wat is het verschil aan zorgkosten indien iemand nog thuis woont in vergelijking met de kosten van het wonen in een verpleeghuis?

Antwoord:

De gemiddelde kosten voor verblijf van een jaar lang in een verpleeghuis voor een cliënt met een VV4 t/m VV10 zijn circa € 81.000. Dit betreft de kosten voor de zorg inclusief vergoeding voor huisvestingskosten. Deze kosten per jaar zijn afgeleid van de productieafspraken die zorgkantoren in 2018 hebben gemaakt voor deze zorg, waarbij de gemiddelde dagprijs € 221 bedraagt (bron: CBS Monitor Langdurige Zorg)

In de Monitor Zorg voor ouderen van de NZa, die ik uw Kamer op 19 april 2018 heb doen toekomen (TK 31 765, nr. 319), staan de gemiddelde uitgaven per zorgtrede. De gemiddelde uitgaven voor een thuiswonende oudere variëren van € 450 per jaar voor zorgtrede 1 tot € 21.600 voor zorgtrede 5 met zware zorg en ondersteuning uit de Wmo en wijkverpleging uit de Zvw of een modulair pakket (mpt)/persoonsgebonden budget (pgb) uit de Wlz of vormen van kortdurend verblijf. De NZa onderscheidt zes zorgtreden waarbij het zorggebruik wordt ingedeeld in treden van relatief lichte naar zware zorg en ondersteuning. Zorgtrede 6 betreft ouderen die zijn opgenomen in een verzorgings- of verpleeghuis of die een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen via de Wlz. De gemiddelde uitgaven in zorgtrede 6 zijn ruim € 60.000 per jaar. Doordat dit het gemiddelde is van verzorgingshuis, verpleeghuis en vpt en doordat sommige ouderen in trede 6 pas gedurende het jaar worden opgenomen en kosten maken, is trede 6 minder vergelijkbaar met een verblijf van een jaar lang in een verpleeghuis.

Vraag 155

Kunt u een overzicht geven van alle geschrapte regels in de zorg?

Antwoord:

Daar valt geen totaaloverzicht van te geven, omdat veel formulieren en procedures door of in individuele zorginstellingen gebruikt worden. Steeds meer zorginstellingen zijn ook zelf aan de slag met het terugdringen van (interne) regeldruk. De totale opbrengsten daarvan worden niet centraal geregistreerd. Wel is het zo dat van de 155 acties en maatregelen uit het programma (Ont)Regel de Zorg er inmiddels 60 gerealiseerd zijn. Ik heb u hier in meer detail over geïnformeerd in de voortgangsbrief bij het programma (PM datum/Kamerstuknummer).

Vraag 156

Hoeveel Diagnose Behandeling Combinaties (DBC's) op weg naar Transparantie (DOT's) zijn er geopend in 2019, uitgesplitst per specialisme?

Antwoord:

Gegevens van Vektis laten zien dat er in 2019 tot en met peildatum 31 juli circa 9 miljoen zorgproducten zijn geopend. Voor 4,5 miljoen gevallen betreft dit zorgproducten die als declaratie in de database van Vektis zijn opgenomen. Voor de andere 4,5 miljoen gevallen betreft het informatie over het onderhanden werk, die de zorgaanbieders aan de zorgverzekeraars leveren. Dit levert geen compleet beeld. Het werkelijke aantal geopende zorgproducten zal daarom hoger liggen.

Voor het grootste deel van de zorgproducten die als declaratie in de database van Vektis zijn opgenomen is een uitsplitsing naar specialisme beschikbaar. Deze is in onderstaand overzicht opgenomen.

Tabel. Declaratievolume per specialisme, openingsjaar 2019

Specialisme

Volume DBC-zorgproducten (x 1.000)

Allergologie

8,7

Anesthesiologie

66,1

Audiologie

19,4

Cardiologie

442,3

Cardio-pulmonale chirurgie

8,5

Chirurgie

401,4

Dermatologie

342,5

Geriatrie

33,5

Geriatrische revalidatiezorg

16,1

Gynaecologie

246,8

Inwendige Geneeskunde

626,0

Keel-, Neus- en Oorheelkunde

254,0

Kindergeneeskunde

156,1

Klinische genetica

7,5

Longgeneeskunde

210,8

Maag-, Darm-, en Leverziekten

160,5

Neurochirurgie

24,0

Neurologie

235,6

Oogheelkunde

529,4

Orthopedie

287,9

Plastische chirurgie

93,7

Psychiatrie

4,7

Radiologie

0,1

Radiotherapie

28,7

Reumatologie

94,0

Revalidatiegeneeskunde

78,2

Urologie

162,1

Onbekend

10,7

Totaal

4549,3

Bron: Vektis. Declaratiegegevens verwerkt tot en met 31 augustus 2019

Vraag 157

Hoeveel personen hebben een zorg met verblijf-indicatie?

Antwoord:

Op 1 juli 2019 hebben 302.612 mensen een indicatie voor een zorgprofiel in de Wlz (bron: CIZ). Dit is een indicatie voor zorg met verblijf. Met een Wlz-indicatie heeft de cliënt de mogelijkheid om in een zorginstelling te wonen en daar zorg te ontvangen.

Vraag 158

Hoeveel personen hebben een zorg zonder verblijf-indicatie?

Antwoord:

Er worden in de Wlz na 1 januari 2015 geen indicaties «zorg zonder verblijf» meer afgegeven. Een deel van de ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is te scharen onder de term «zorg zonder verblijf». Zie voor het aantal mensen met betrekking tot Wmo-ondersteuning het antwoord op vraag 135.

Vraag 159

Hoeveel personen hebben een volledig pakket thuis (vpt)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben circa 12.200 personen een Volledig Pakket Thuis op 1 juli 2019. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 160

Hoeveel personen hebben een modulair pakket thuis (mpt)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben circa 27.200 personen een Modulair Pakket Thuis op 1 juli 2019. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 161

Kunt u een overzicht geven van de vermogensontwikkeling van verpleeghuizen,

verzorgingshuizen, gehandicapteninstellingen, thuiszorgorganisaties en ziekenhuizen voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019?

Antwoord:

In de onderstaande tabel ziet u de vermogensontwikkeling van de sectoren. Deze ontwikkeling is getoond als weerstandsvermogen (eigen Vermogen/bedrijfsopbrengst in %). In het tweede deel is het eigen vermogen van de sector als bedrag weergegeven.

De weerstandsvermogens in de sector Wlz zijn voor 2018 beschikbaar. Deze zijn nog niet beschikbaar bij de ziekenhuizen. Het jaar 2019 is een lopend boekjaar. De cijfers daarover komen naar verwachting in de tweede helft van 2020 beschikbaar.

Vraag 162

Hoeveel mensen hebben een zorgzwaartepakket (zzp), graag per zzp uitgesplitst in aantallen?

Antwoord:

Op 1 juli 2019 hebben 302.612 mensen een indicatie voor een zorgprofiel (zorgzwaartepakket) in de Wlz. In onderstaande tabel staan de aantallen cliënten per zorgzwaartepakket (ZZP) onderverdeeld naar: de ouderenzorg (VV), verstandelijk gehandicapten (VG), licht verstandelijk gehandicapten (LVG en SGLVG), zintuiglijk gehandicapten visueel en auditief (ZG), lichamelijk gehandicapten (LG) en GGZ- cliënten (GGZ).

Peildatum 1 juli 2019

Aantal cliënten

TOTAAL Wlz

302.612

VV01

526

VV02

1.334

VV03

2.376

VV04

35.961

VV05

77.972

VV06

32.130

VV07

10.993

VV08

2.624

VV09

3

VV09a

1

VV09b

1.225

VV10

78

Totaal VV

165.223

VG01

634

VG02

4.344

VG03

25.263

VG04

16.791

VG05

13.723

VG06

26.571

VG07

15.016

VG08

8.353

Totaal VG

110.695

LVG01

17

LVG02

498

LVG03

1.034

LVG04

290

LVG05

35

SGLVG01

364

Totaal (SG)LVG

2.238

ZGVIS01

39

ZGVIS02

225

ZGVIS03

641

ZGVIS04

385

ZGVIS05

622

Totaal ZGVIS

1.912

ZGAUD01

68

ZGAUD02

471

ZGAUD03

597

ZGAUD04

237

Totaal ZGAUD

1.373

LG01

174

LG02

1.633

LG03

469

LG04

4.615

LG05

1.865

LG06

5.688

LG07

1.497

Totaal LG

15.941

GGZ01B

0

GGZ02B

1

GGZ03B

138

GGZ04B

507

GGZ05B

2.703

GGZ06B

544

GGZ07B

1.337

Totaal GGZB

5.230

Vraag 163

Hoeveel faillissementen hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

In de onderstaande tabel treft u een overzicht van het aantal uitgesproken faillissementen in het jaar 2018 en de maanden januari tot en met augustus 2019, uitgesplitst naar zorgsector. De cijfers zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor de maanden juli en augustus 2019 betreffen het voorlopige cijfers.

 

Natuurlijk persoon met eenmanszaak

 

Bedrijven en instellingen

 
 

2018

Jan t/m aug 2019

2018

Jan t/m aug 2019

Gezondheids- en welzijnszorg

5

10

124

86

Gezondheidszorg

3

1

56

39

Ziekenhuizen en GGZ-aanbieders

0

0

4

3

Medische praktijken

0

0

18

14

Overige ambulante gezondheidszorg

3

1

34

22

Verpleging en zorg met overnachting

0

0

10

11

Verpleeghuizen

0

0

0

0

Huizen verstandelijk gehandicapten

0

0

5

5

Huizen lichamelijk gehandicapten

0

0

0

3

Welzijnszorg met overnachting

0

0

5

3

Welzijnszorg zonder overnachting

2

9

58

36

Welzijnswerk ouderen, gehandicapten

0

4

25

19

Kinderopvang, jeugd- en welzijnswerk

2

5

33

15

Ter toelichting: Het CBS hanteert een hiërarchische indeling van economische activiteiten die wordt gebruikt om bedrijven in te delen naar hun hoofdactiviteit. Een nadere uitsplitsing van de in het overzicht weergegeven categorieën is niet voorhanden. Zodoende omvat de categorie «Welzijnszorg zonder overnachting» ook gefailleerde kinderopvanginstellingen.

Vraag 164

Hoe zijn de prijzen van zzp's de afgelopen jaren veranderd? Kunt u een historisch overzicht geven van de prijsontwikkeling van zzp's?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van de maximumtarieven per dag uit de NZa-beleidsregels weergegeven. Dit zijn de tarieven voor de ZZP’s inclusief behandeling en dagbesteding. Naast deze tarieven zijn toeslagen en meerzorg mogelijk. Met ingang van 2018 zijn de tarieven inclusief normatieve huisvestingscomponent (NHC) en normatieve investeringscomponent (NIC). In 2019 en 2020 zijn de tarieven gewijzigd als gevolg van het kostprijsonderzoek. Voor 2020 zijn de tarieven in de sector verpleging en verzorging waarop het kwaliteitskader verpleeghuiszorg van toepassing is (ZZP V&V 4 en hoger) gewijzigd. De tarieven van de overige ZZP’s zijn in 2019 aangepast. Daarnaast zijn de tarieven geïndexeerd.

ZZP-tarieven (max. NZa-beleidsregel)

2016

2017

2018

2019

2020

VV 4

€ 143,12

€ 146,75

€ 190,32

€ 197,33

€ 165,03

VV 5

€ 188,11

€ 192,89

€ 241,07

€ 250,05

€ 266,47

VV 6

€ 188,42

€ 193,21

€ 242,14

€ 251,14

€ 249,07

VV 7

€ 224,46

€ 230,17

€ 282,58

€ 293,16

€ 322,86

VV 8

€ 256,07

€ 262,58

€ 319,35

€ 331,33

€ 397,61

VV 9b

€ 223,41

€ 229,09

€ 289,88

€ 300,63

€ 293,41

VV 10

€ 276,92

€ 283,96

€ 341,29

€ 354,14

€ 439,29

           

GGZ 3B

€ 148,91

€ 150,76

€ 194,73

€ 210,33

€ 214,37

GGZ 4B

€ 169,26

€ 171,37

€ 215,95

€ 222,55

€ 226,80

GGZ 5B

€ 181,37

€ 183,63

€ 238,16

€ 233,41

€ 237,92

GGZ 6B

€ 237,47

€ 240,43

€ 291,76

€ 366,18

€ 373,07

GGZ 7B

€ 323,07

€ 327,09

€ 390,79

€ 429,67

€ 437,82

           

VG 3

€ 150,05

€ 151,92

€ 190,95

€ 186,10

€ 189,68

VG 4

€ 165,13

€ 167,19

€ 206,67

€ 218,97

€ 223,15

VG 5

€ 206,35

€ 208,92

€ 258,21

€ 280,76

€ 286,06

VG 6

€ 200,21

€ 202,70

€ 249,59

€ 251,38

€ 256,14

VG 7

€ 277,13

€ 280,58

€ 331,98

€ 350,87

€ 357,44

VG 8

€ 232,70

€ 235,60

€ 295,08

€ 345,41

€ 351,97

           

LVG 1

€ 141,25

€ 143,01

€ 181,78

€ 218,26

€ 222,44

LVG 2

€ 181,99

€ 184,26

€ 224,24

€ 259,58

€ 264,51

LVG 3

€ 224,56

€ 227,36

€ 281,04

€ 337,38

€ 343,78

LVG 4

€ 264,14

€ 267,43

€ 322,29

€ 385,52

€ 392,81

LVG 5

€ 262,93

€ 266,20

€ 321,03

€ 367,79

€ 374,76

           

SGLVG 1

€ 342,28

€ 346,54

€ 405,94

€ 421,16

€ 428,97

           

LG 2

€ 159,35

€ 161,33

€ 200,46

€ 199,01

€ 203,69

LG 4

€ 192,90

€ 195,30

€ 223,13

€ 255,00

€ 259,81

LG 5

€ 224,13

€ 226,92

€ 236,87

€ 274,66

€ 279,87

LG 6

€ 239,58

€ 242,56

€ 301,59

€ 340,26

€ 346,73

LG 7

€ 248,24

€ 251,33

€ 310,58

€ 351,58

€ 358,26

           

ZG aud 2

€ 302,44

€ 306,21

€ 355,01

€ 390,87

€ 398,22

ZG aud 3

€ 346,76

€ 351,08

€ 405,12

€ 457,94

€ 466,55

ZG aud 4

€ 235,49

€ 238,42

€ 285,22

€ 295,83

€ 301,34

           

ZG vis 2

€ 140,52

€ 142,27

€ 183,67

€ 190,36

€ 198,78

ZG vis 3

€ 184,77

€ 187,07

€ 232,35

€ 240,90

€ 244,99

ZG vis 4

€ 235,77

€ 238,71

€ 291,34

€ 302,13

€ 316,44

ZG vis 5

€ 256,51

€ 259,70

€ 319,86

€ 331,67

€ 349,71

Vraag 165

Wat heeft de extramuralisering van zzp 1,2 en 3, het sluiten van verzorgingshuizen, in financiële zin opgeleverd?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft een beeld van de netto-besparingen door de maatregel «extramuraliseren ZZP 1 t/m 3». Deze lopen op tot € 200 miljoen in 2019 en € 235 miljoen structureel.

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

structureel

Netto effect extramuralisering (bedragen x € 1 miljoen)

– 20

– 50

– 130

– 170

– 180

– 190

– 200

– 235

Vraag 166

Hoeveel procent van de zorgaanbieders maakten in 2019 gebruik van digitale gegevensuitwisseling met andere zorgaanbieders? Hoe was dat percentage in voorgaande jaren?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 113.

Vraag 167

Hoeveel zorgorganisaties hebben onderhangende bv's?

Antwoord:

Het LRZa bevat 4.359 toegelaten zorginstellingen met een KvK-nummer, waarvan 215 zorginstellingen een dochter bv hebben (peildatum: 30 september 2019).

Vraag 168

Hoeveel mensen zijn een eigen bv gestart om de eigen bijdrage met betrekking tot de vermogensinkomensbijtelling te omzeilen?

Antwoord:

Voor de uitoefening van zijn taken heeft het CAK alleen het verzamelinkomen, de verschuldigde belasting en het vermogen in Box 3 nodig. Het is dus niet bekend of en in hoeverre bijdrageplichtigen via een eigen BV de vermogensinkomensbijtelling omzeilen.

Vraag 169

Kunt u een overzicht per jaar geven van de kostenontwikkeling van verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg van de jaren 2000 tot 2005 en van de jaren 2006 tot en met 2019 en kunt u deze cijfers voorzien van uw duiding?

Antwoord:

Ja. Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de ontwerpbegroting 2016 (TK2015–2016, 34 300 XVI, nr. 12, antwoord 230) heb ik het gevraagde overzicht verstrekt tot en met 2013 en van mijn duiding voorzien. Dat heb ik gedaan via een tabel over de totale ouderenzorg uit de «Zorgrekeningen» van het CBS over de periode 2000–2013. De cijfers uit de «Zorgrekeningen» zijn niet gewijzigd en dat geldt ook voor de duiding.

Hieronder treft u de tabel over de intramurale ouderenzorg voor de periode 2014 tot en met 2019. De cijfers tot en met 2018 zijn gebaseerd op het jaarverslag van VWS. Voor 2019 betreft het cijfers uit de ontwerpbegroting 2020. Dit cijfer wordt bij het jaarverslag geactualiseerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven in 2019 ten opzichte van 2018 met circa € 1,4 miljard tot € 11,5 miljard. Daarbij is rekening gehouden met de extra middelen die beschikbaar zijn gesteld voor verbetering van de kwaliteit in verpleeghuizen (€ 1.035 miljoen in totaal voor 2019 en € 600 miljoen extra ten opzichte van 2018), de groei van het aantal cliënten, de loon- en prijsontwikkelingen en technische verschuivingen.

bedragen in miljarden euro

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Intramurale ouderenzorg

8,6

8,5

8,8

9,2

10,1

11,5

Vraag 170

Kunt u een overzicht geven van alle (aanjaag)teams die u heeft ingezet, welke personen (uit welke organisaties) werken voor deze (aanjaag)teams, hoeveel fte dit bedraagt, wat hun salariëring bedraagt, wat hun doelstellingen zijn en welke resultaten ze toe hebben geboekt?t

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 124.

Vraag 171

Kunt u een overzicht geven hoeveel commerciële aanbieders die verpleeghuiszorg aanbieden, via een bv-constructie winst uitkeren?

Antwoord:

Op grond van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) geldt dat winstuitkering binnen de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg is verboden voor intramurale zorg. Uit onderzoek van SiRM en Finance Ideas komt naar voren dat mogelijk wel indirect dividend wordt uitgekeerd door BV’s aan wie het leveren van zorg is uitbesteed. De onderzoekers merken op dat specifieke data daarover niet beschikbaar zijn. Wel noemen zij dat uitbesteding van zorgverlening relatief weinig voorkomt. Uitbesteding van zorgverlening lijkt met name, maar niet alleen, plaats te vinden bij zelfstandige behandelcentra.

Zie over de uitkomsten van dit onderzoek en de maatregelen die worden genomen de brief aan uw Kamer van 9 juli 2019.10

Vraag 172

Kunt u een overzicht geven van zorgaanbieders die winst uitkeren?

Antwoord:

Op 9 juli 2019 is uw Kamer geïnformeerd over onderzoeken naar winstuitkering in de zorg, waaronder een analyse van de huidige praktijk en de effecten van dividenduitkering in de Nederlandse gezondheidszorg door onderzoeksbureaus SiRM en Finance Ideas.11 De onderzoekers schatten in dat op dit moment over maximaal 7% van de zorguitgaven mogelijk rechtstreeks dividend wordt uitgekeerd.12 Daarbij wijzen de onderzoekers erop dat mogelijk ook dividend wordt uitgekeerd door BV’s aan wie de zorgverlening is uitbesteed, maar dat daarover geen informatie beschikbaar is.

Voor uitgebreidere informatie verwijs ik u naar het onderzoek van SiRM en Finance Ideas, dat als bijlage bij bovengenoemde brief aan uw Kamer is toegezonden. In deze brief wordt ook ingegaan op de verschillende maatregelen die het kabinet neemt om beter te waarborgen dat geld voor de zorg ook daadwerkelijk ten goede komt aan de zorg.

Vraag 173

Kunt u een overzicht geven van buitenlandse zorgaanbieders die in Nederland zorgorganisaties hebben opgericht dan wel opgekocht?

Antwoord:

Ik beschik niet over een dergelijk overzicht. Wel heeft de NZa dit voorjaar een verkennend onderzoek gedaan naar overnames door buitenlandse partijen. De NZa toetst de fusie of overname van een zorgaanbieder met meer dan 50 zorgverleners aan de hand van de zorgspecifieke fusietoets. Van de 567 besluiten die de NZa in het kader van de zorgspecifieke fusietoets heeft genomen, was er in 8 gevallen een buitenlandse partij betrokken. Het ging om voorgenomen overnames in de verpleeghuissector (1), medisch specialistische zorg (2), diagnostiek (1), mondzorg (2) en de hulpmiddelensector (2).

Vraag 174

Hoe staat het met de kwaliteitsplannen verpleeghuizen, wat is de stand van zaken?

Antwoord:

De zorgaanbieders hebben per 31 december 2018 hun kwaliteitsplannen ingediend bij de zorgkantoren om daarmee een goed onderbouwde aanvraag te doen voor het kwaliteitsbudget 2019. De zorgkantoren hebben deze plannen in de periode tot 1 april 2019 beoordeeld en besproken met de zorgaanbieders. Op 1 april hebben de zorgkantoren de goedgekeurde begrotingen ingediend bij de NZa. Voor 2019 is een landelijk kwaliteitsbudget beschikbaar van € 600 miljoen. In de kwaliteitsplannen voor 2019 hebben de zorgaanbieders de ambitie uitgesproken om ten opzichte van 2018 circa 19.000 extra zorgverleners aan te nemen. Ik heb u hierover geïnformeerd via de tweede voortgangsrapportage Thuis in het Verpleeghuis (TK2018–2019, 31 765, nr. 411). Daarbij hebben zij rekening gehouden met de verwachte toename van het aantal cliënten. Hiervoor hebben zij bijna 3.000 extra zorgverleners ingepland. De overige 16.000 extra zorgverleners (circa 10.000 fte) zijn ingepland om meer tijd te creëren voor liefdevolle zorg en aandacht voor bewoners in de verpleeghuizen. Op basis van de kwaliteitsplannen 2019 hebben de zorgkantoren landelijk een kwaliteitsbudget toegekend van € 583 miljoen, waarvan € 496 miljoen wordt ingezet voor extra zorgpersoneel en € 87 miljoen voor andere investeringen om het Kwaliteitskader te implementeren, zoals investeringen in technologie. Tot slot is een bedrag van € 17 miljoen beschikbaar om in te kunnen zetten bij nieuwe aanbieders of bij aanbieders die mogelijkheden zien om sneller te groeien dan afgesproken in het goedgekeurde kwaliteitsplan.

Zorgkantoren bezien in overleg met de individuele zorgaanbieders of een herschikking van de beschikbare middelen aan de orde is. Bij een achterblijvende realisatie zal besproken worden wat mogelijke oorzaken zijn en hoe er bijgestuurd kan worden. De gegevens van de herschikking 2019 worden in november door de zorgkantoren ingediend bij de NZa. Ik zal de Tweede Kamer informeren over de realisaties uit de kwaliteitsplannen in de derde voortgangsrapportage Thuis in het Verpleeghuis die ik in november 2019 naar de Kamer zal sturen.

Vraag 175

Hoeveel zorgverleners zijn er afgelopen jaar bijgekomen in de verpleeghuizen?

Antwoord:

In 2018 is het aantal werknemers in de verpleeghuiszorg gestegen met 12.000 personen (6.500 fte). Dit betreft alle werknemers, dus zorgpersoneel en ondersteunend personeel, maar is exclusief het personeel niet in loondienst (o.a. uitzendkrachten en zzp’ers).

Vraag 176

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van het CAK?

Antwoord:

Bij de oprichting van het CAK in 1968 waren geen externe organisaties en adviesbureaus betrokken. Over de transitie van het CAK van een privaatrechtelijk naar een publiekrechtelijk Zbo in 2013 heeft Berenschot in 2008 een adviesrapport uitgebracht. Dit rapport is in 2008 met uw Kamer gedeeld (bijlage bij Kamerstukken II, 2008–09, 29 689, nr. 224).

Vraag 177

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten die zijn uitgevoerd voor het CAK?

Antwoord:

Bij de ICT-projecten die het CAK in 2018 en 2019 heeft uitgevoerd, zijn de volgende externe organisaties en adviesbureaus betrokken geweest:

  • IDFocus

  • Jnet

  • Pegamento

  • Pink Elephant

  • Quint Wellington Redwood

  • SIG

  • Truelime

  • Truston

  • VKA/ RINIS

Vraag 178

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor het CAK?

Antwoord:

Bij niet-ICT gerelateerde projecten heeft het CAK in 2018 en 2019 de volgende externe organisaties en adviesbureaus betrokken:

  • ABF Research

  • BDO

  • MetrixLab

  • PA Consulting

  • WCMConsult

Vraag 179

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen het CAK en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Op 31 december 2018 werkten er 1203 medewerkers bij het CAK. Hiervan werkten 78 personen in een managementfunctie. Gemiddeld heeft een manager van het CAK 15 personen onder zijn hoede.

Vraag 180

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen het CAK en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Op 31 december 2018 werkten er 1203 medewerkers bij het CAK. Hiervan werkten 16 personen in een communicatiefunctie.

Vraag 181

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij het CAK en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord:

Het onderstaande overzicht geeft de verdeling van contracten bij het CAK per 31 december 2018 weer.

CAK contracten

820 medewerkers

Vast dienstverband

742 contracten

Tijdelijk CAK dienstverband

78 contracten

   

Externen/uitzendkrachten

383 medewerkers

Externen

133 contracten

Uitzendkrachten

250 contracten

Vraag 182

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van het CIZ?

Antwoord:

Voor zover ons bekend waren bij de oprichting van het CIZ in 2005 geen externe organisaties en adviesbureaus betrokken.

Vraag 183

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten die zijn uitgevoerd voor het CIZ?

Antwoord:

Het CIZ heeft in 2014 zijn ICT-systeem voor het primair proces vernieuwd. Voor dit indicatiestellingsproces werkt het CIZ met een externe leverancier, Atos, die de ICT-dienstverlening voor dit proces inricht en onderhoudt. Voor de financiële- en personeelsadministratie maakt het CIZ gebruik van de diensten van de externe leverancier Afas. Verder maakt het CIZ bij de uitvoering van projectmatige werkzaamheden gebruik van aanvullende personele capaciteit via raamcontracten. Voor ICT-personeel betreft dit Yacht. Specifieke niet-gecontracteerde diensten worden via een aanbesteding in de markt gezet.

Vraag 184

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor het CIZ?

Antwoord:

Bij de uitvoering van andere projectmatige werkzaamheden maakt het CIZ gebruik van aanvullende personele capaciteit via raamcontracten. Dit betreft Growwork, Career rebels, Yacht, Staffing MS en AevesBenefit. Specifieke niet-gecontracteerde diensten worden via een aanbesteding in de markt gezet.

Vraag 185

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen het CIZ en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Het aantal medewerkers in januari 2019 bedroeg in totaal 852, waarvan 25 in leidinggevende functies.

Vraag 186

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen het CIZ en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Het aantal medewerkers in januari 2019 bedroeg in totaal 852, waarvan 5 in communicatiefuncties.

Vraag 187

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij het CIZ en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord:

Het aantal medewerkers in januari 2019 bedroeg in totaal 852. Het aantal vaste contracten bedroeg 609 en het aantal medewerkers met een tijdelijk of extern contract 243.

Vraag 188

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)?

Antwoord:

Er zijn geen externe organisaties en adviesbureaus betrokken geweest bij de totstandkoming van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit laat zich mede uit de geschiedenis verklaren. De Rijksverzekeringsbank, voorloper van de SVB, werd in 1901 opgericht om de eerste sociale verzekeringswet uit te voeren: de Ongevallenwet 1901. De Rijksverzekeringsbank kwam in 1956 losser te staan van de overheid en er werd een tripartite bestuur ingevoerd. De naam veranderde toen in Sociale Verzekeringsbank. Sinds 1988 is de SVB samengegaan met de Raden van Arbeid. De huidige wettelijke basis voor de SVB als zelfstandig bestuursorgaan is te vinden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) van 29 november 2001.

Vraag 189

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten die zijn uitgevoerd voor de SVB?

Antwoord:

In de beantwoording van deze vraag gaat de SVB uit van het peiljaar 2018. Adviesbureaus die in 2018 betrokken zijn geweest bij ICT-projecten voor de SVB zijn de volgende organisaties (zie ook opmerking SVB bij beantwoording volgende vraag):

  • IBM Nederland

  • Time Series Group

  • Het Bureau voor publieke vernieuwing

  • Kadenza

  • CIO Platform NL

  • Gartner

  • CGI

Vraag 190

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor de SVB?

Antwoord:

In de beantwoording van deze vraag gaat de SVB uit van het peiljaar 2018. De organisaties en adviesbureaus die bij de SVB in 2018 betrokken zijn geweest bij andere projecten dan (zuivere) ICT-projecten zijn hieronder opgenomen. Dit betreft een opgave door de SVB op basis van de financiële administratie, waarbij onder «projecten» is geboekt, uitgezonderd de ICT-projecten die hierboven reeds zijn genoemd. Deels betreft het hier bovendien projecten met tevens een IT-component; een zuivere splitsing tussen ICT-projecten en niet ICT-projecten valt volgens de SVB veelal niet te maken. Het betreft hier in 2018: KPMG, ADP, Bonte Bij, PA Consulting Services BV, PWC, Protinus IT BV, SecureLink NL, SoftwareONE en Heijmans Utiliteit B.V.

Vraag 191

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Binnen de SVB werkt in totaal ca. 216 fte binnen een managementpositie. Dit ten opzichte van ca. 3152 fte uitvoerende medewerkers. Cijfers hebben betrekking 2019 en hiervoor is de peildatum van 31-08-2019 gehanteerd.

Vraag 192

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord:

Binnen de SVB heeft in totaal 10 fte een communicatiefunctie. Cijfers hebben betrekking 2019 en hiervoor is de peildatum van 31-08-2019 gehanteerd.

Vraag 193

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord:

Binnen de SVB werkt in totaal, exclusief uitzendkrachten en externe medewerkers, ca. 148 fte met een contract voor een bepaalde tijd. Hier tegenover staat ca. 2.573 fte die met een vast contract werkzaam zijn binnen de SVB. Cijfers hebben betrekking 2019 en hiervoor is de peildatum van 31-08-2019 gehanteerd.

Voor eventuele vervolgvragen wijs ik u op de mogelijkheid om deze te stellen in het kader van de begrotingsbehandeling 2020 van het Ministerie van SZW.

Vraag 194

Wat is de totale omvang van de financiële onderuitputting van 2019?

Antwoord:

Dit is nu nog niet bekend. In de Najaarsnota en de tweede suppletoire begrotingswet wordt u geïnformeerd over de uitvoering van de begroting 2019. Deze worden uiterlijk 1 december 2019 aan beide Kamers aangeboden. Wanneer alle realisatiecijfers bekend zijn wordt u via het Jaarverslag en de Slotwet geïnformeerd over de totale omvang van de onderuitputting op de begroting. Deze worden op de derde woensdag van mei 2020 aan beide Kamers aangeboden.

Vraag 195

Waarom werkt een korting op de loon- en/of prijsbijstelling in een jaar meerdere jaren door op de begroting?

Antwoord:

De uitgaven op de begroting worden waar nodig jaarlijks bijgesteld met de loon- en prijsontwikkeling. Deze bijstellingen zijn structureel van aard. Eventuele kortingen zijn dus ook structureel van aard.

Vraag 196

Hoeveel geld gaat er jaarlijks naar het financieren van alle jeugdartsen in Nederland? En hoeveel fte jeugdartsen zijn werkzaam in Nederland?

Antwoord:

Op grond van artikel 5 van de Wet publieke gezondheid draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Hoeveel geld zij gezamenlijk jaarlijks besteden aan alle jeugdartsen in Nederland en hoeveel fte jeugdartsen in dienst zijn van de door hen gecontracteerde JGZ-uitvoerders is mij niet bekend. Dit volgt uit de uitvoeringsovereenkomsten die gemeenten sluiten met hun JGZ-uitvoerder.

Het aantal werkzame jeugdartsen per maart 2019 bedraagt 1019.

Vraag 197

Op welke wijze voldoen de 21 actieprogramma's die verschenen zijn aan artikel 3.1 van de comptabiliteitswet? Kunt u naast de verzochte doelstellingen ook per actieprogramma ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van het actieprogramma?

Antwoord:

De doelen, doeltreffendheid en doelmatigheid van beleidsvoorstellen, waaronder actieprogramma’s, worden zoveel mogelijk toegelicht wanneer het voorstel aan uw Kamer wordt aangeboden, conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016.

Zoals in het antwoord op vraag 2 naar de meetbare doelen en de bijbehorende indicatoren is aangegeven ontvangt uw kamer op gezette tijden voortgangsrapportages van de verschillende programma’s. In deze voortgangsrapportages zal tevens ingegaan op de actuele stand van zaken met betrekking tot de doelstellingen, doelmatigheid en de doeltreffendheid.

Vraag 198

Kunt u een overzicht geven van de wachttijden en wachtlijsten voor de Raad voor de Kinderbescherming in de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019?

Antwoord:

Hieronder zijn de wachttijden en wachtlijsten voor de Raad van de Kinderbescherming (RvdK) over de gevraagde jaren per onderzoekssoort weergegeven. Het betreft landelijke cijfers. Er zijn verschillen per jeugdzorgregio. De wachtlijst en wachttijd gaan over de totale werkstroom bij de RvdK en bevat ook onderzoekssoorten waarbij geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, zoals bijvoorbeeld een juridische vraag of onderzoekssoorten waar gewacht wordt op een zitting.

Wachtlijst Raad voor de Kinderbescherming ultimo jaar
 

2015

2016

2017

2018

20191

Beschermingsonderzoek

979

444

1.384

1.474

1.478

Gezag en Omgangsondzk.

646

780

969

1044

747

Adoptie gerel. activiteiten

131

340

160

123

121

Strafonderzoek LIJ

483

588

558

468

585

Strafonderzoek + aanvulling

0

4

10

7

5

Actualisatie Straf

80

88

70

81

70

Onderzoek Schoolverzuim

146

144

149

129

181

Strafonderzoek GBM

3

0

4

1

5

Totaal

2.468

2.388

3.304

3.327

3.192

X Noot
1

voor 2019 is ultimo september.

Wachttijden in jaargemiddelden in dagen
 

2015

2016

2017

2018

20191

Beschermingsonderzoek

15

20

17

28

25

Gezag en Omgangsondzk.

32

45

49

63

62

Adoptie gerel. activiteiten

24

32

48

30

23

Strafonderzoek LIJ

9

16

18

19

19

Strafonderzoek + aanvulling

9

15

16

16

14

Actualisatie Straf

10

16

19

23

26

Onderzoek Schoolverzuim

18

25

25

26

27

Strafonderzoek GBM

6

10

17

15

25

X Noot
1

Betreft januari t/m september.

Vraag 199

Kunt u een uitputtend overzicht geven van de wijze waarop de rijksoverheid bijdraagt aan de organisatie van de Formule 1-race in Zandvoort? Kunt u daarbij een onderscheid maken in directe en indirecte bijdragen? Kunt u daarbij een onderscheid maken in financiële en niet-financiële bijdragen? Dragen de investeringen in het spoortraject van Haarlem naar Zandvoort volgens u bij aan de organisatie van de Formule 1-race in Zandvoort?

Antwoord:

Het is niet mogelijk om een gedetailleerd en uitputtend overzicht te geven er de bijdragen die de rijksoverheid levert aan een specifiek (sport)evenement omdat het gebruik en de kosten van publieke voorzieningen niet worden toegeschreven aan een specifiek onderdeel van een evenement. Dat geldt ook voor de Formule 1 race. Het kabinet heeft besloten om niet direct financieel bij te dragen aan de organisatie van de race op het circuit Zandvoort. Net al bij alle andere (sport)evenementen draagt de overheid bij aan de publieke randvoorwaarden om evenementen in Nederland te kunnen organiseren, bijvoorbeeld met betrekking tot veiligheid, verkeersinfrastructuur en het verlenen van vergunningen. Wat een evenementenorganisator van de rijksoverheid kan verwachten is terug te vinden in de modelgaranties die mijn ambtsvoorganger naar uw Kamer heeft gestuurd.

De investeringen in het spoortraject van Haarlem naar Zandvoort zijn primair bedoeld om de bereikbaarheid van Zandvoort per trein op drukke dagen te vergroten. Deze extra capaciteit zal tijdens de Formule 1 race worden benut.

Vraag 200

Hoeveel procent van de totale VWS-begroting gaat naar preventiebeleid? En wat was dit aandeel vijf-, tien- en vijftien-jaar geleden?

Antwoord:

In de zorg komt preventie in alle vijf de stelselwetten (Wet publieke gezondheid (Wpg), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz)) voor. De uitgaven op basis van deze wetten zijn niet geoormerkt voor preventie. Op de website www.loketgezondleven.nl/zorgstelsel/preventie-vijf-stelsel-wetten van het RIVM is wel beschreven waar de preventie betrekking op heeft. Zie ook mijn antwoord op vraag 45.

Vraag 201

Hoeveel zou het de Rijksbegroting opleveren als alle artsen in Nederland in loondienst zouden zijn in plaats van dat zij geld verdienen in een maatschap?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van verschillende aspecten. Hierbij spelen het gemiddelde loon van vrijgevestigde artsen en artsen in loondienst een rol en daarbij een inschatting over het verschil in productieprikkels. Tevens dient rekening te worden gehouden met de potentiële weglek, de juridische afdwingbaarheid van het werken in loondienst en een eventueel benodigde compensatie voor goodwill. Het antwoord is verder afhankelijk van de vormgeving van de gekozen variant. In het kader van Zorgkeuzes in Kaart (TK 29 689, nr. 515) zijn in 2015 verschillende varianten uitgewerkt. Voor een inzicht in de opbrengst verwijs ik naar dat rapport. Een meer actuele inschatting zal volgend jaar beschikbaar komen in het kader van een nieuwe editie van Zorgkeuzes in Kaart.

Vraag 202

Wat is het percentage gezondheidszorgkosten, afgezet tegen het bruto binnenlands product (bbp) in 1990, 1995, 2000, 2005, 2010, 2015, en 2020?

Antwoord:

In onderstaande tabel staan de bruto zorguitgaven vallend onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) als percentage van het BBP. Een cijfer voor 1990 is niet beschikbaar.

 

1995

2000

2005

2010

2015

2020

Zorguitgaven

8%

8%

8%

10%

10%

9%

Vraag 203

Hoeveel ggz-instellingen hebben in 2019 meer zorg geleverd dan waarvoor zij bekostiging hebben ontvangen vanwege omzetplafonds?

Antwoord:

Een veel voorkomende aanvullende contractafspraak tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders is de doorleverplicht. Dit houdt in dat de zorgaanbieder zorg moet blijven leveren aan nieuwe en/of bestaande patiënten, ook als het omzetplafond is bereikt. Ik heb geen gegevens over hoeveel aanbieders met een dergelijke doorleverplicht te maken hebben (gehad) in 2019 of 2018. Wel is uit de Monitor contractering 2019 van de NZa bekend dat ruim een derde van de ggz-instellingen een patiëntenstop heeft afgegeven in 2018. Het bereiken van het omzetplafond was voor 80% van de betreffende ggz-instellingen reden om de patiëntenstop in te stellen. Deze uitkomsten zijn gebaseerd op een enquête.

Uit de Monitor contractering 2019 blijkt voorts dat van de acht zorgverzekeraars die de enquête hebben ingevuld, er zeven melden dat ze (voor 2018) bij instellingen een doorleverplicht hebben afgesproken voor bestaande patiënten. Vier verzekeraars geven aan een doorleverplicht te hebben afgesproken met vrijgevestigde aanbieders. Van de acht verzekeraars geven er vijf aan dat ze géén doorleverplicht hebben afgesproken voor nieuwe patiënten.

Vraag 204

Hoeveel kost het opnemen van anticonceptie in het basispakket als het onder het eigen risico zou vallen?

Antwoord:

Het opnemen van de anticonceptiepil in het basispakket als het onder het eigen risico zou vallen zal naar verwachting tussen de € 10–20 miljoen kosten voor 21 jaar en ouder.

Vraag 205

Hoeveel kost het opnemen van anticonceptie in het basispakket als het niet onder het eigen risico zou vallen?

Antwoord:

De kosten van het opnemen van de anticonceptiepil in het basispakket als deze niet onder het eigen risico zou vallen zullen naar verwachting tussen de € 20–30 miljoen bedragen.

Vraag 206

Hoeveel gemeenten hebben tot en met 1 september 2019 een sportakkoord afgesloten?

Antwoord:

Dat weet ik op dit moment nog niet exact. De reden is dat gemeenten tot 8 november de tijd hebben om hun sportakkoord in te dienen om in aanmerking te komen voor uitvoeringsbudget. Wel is bekend dat veertien gemeenten al begin 2019 een Sportakkoord hebben aangeleverd en over 2019 al uitvoeringsbudget hebben ontvangen. En 151 gemeenten zijn met een sportformateur aan de slag om tot een sportakkoord te komen. Tijdens het WGO Sport zal hier nader op worden ingegaan.

Vraag 207

Hoeveel gemeenten hebben tot en met 1 september 2019 een preventieakkoord afgesloten?

Antwoord:

Dit jaar zijn gemeenten vooral begonnen met het opstellen van akkoorden, dit najaar worden de eerste lokale preventieakkoorden verwacht en wordt duidelijk in hoeveel gevallen er een integraal sport/preventieakkoord ontwikkeld is. Zo is in Nijmegen op 7 oktober 2019 een van de eerste lokale preventieakkoorden getekend. Het ondersteuningsprogramma van de VNG brengt de gemeenten die een preventieakkoord aan het opstellen zijn of afgesloten hebben, in kaart, voor zover daar zicht op is

Vraag 208

Hoeveel gemeenten hebben tot en met 1 september 2019 een integraal sport- en preventieakkoord afgesloten?

Antwoord:

Dit jaar zijn gemeenten vooral bezig met het opstellen van akkoorden, dit najaar worden de eerste akkoorden verwacht en wordt duidelijk in hoeveel gevallen er een integraal sport/preventieakkoord ontwikkeld is. De VSG respectievelijk VNG brengen de gemeenten in kaart die een sport en/of preventieakkoord afgesloten hebben dit najaar. Tijdens het WGO Sport zal ik hier nader op in gaan.

Vraag 209

Hoeveel extra gemeenten krijgen door de uitbreiding van Specifieke Uitkering Stimulering Sport (SPUK), zoals naar voren komend in de Analyse aanvragen Specifieke Uitkering Stimulering Sport, een vergoeding voor de activiteiten waar zij een specifieke uitkering hebben aangevraagd?

Antwoord:

Het is niet zo dat door de ophoging van de SPUK meer gemeenten in aanmerking komen voor een vergoeding voor de activiteiten vallend onder de SPUK. In totaal hebben 346 gemeenten een aanvraag ingediend en dit aantal blijft gelijk. Door de verhoging van het plafond ontvangen gemeenten voor de activiteiten waarvoor zij een aanvraag hebben ingediend een hoger percentage vergoeding. Per aanvraag kan 82% worden toegekend in plaats van 67% bij het oorspronkelijke plafond.

Vraag 210

Welke mate van uitputting van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccomodaties en Sportmaterialen (BOSA) is voorzien voor de jaren 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023? Welk budgettair beslag is er geserveerd voor de BOSA in deze jaren?

Antwoord:

Jaarlijks is er een bedrag van € 87 miljoen beschikbaar voor de Subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties en Sportmaterialen. Voor 2019 is hiervan € 7 miljoen toegevoegd aan de Specifieke Uitkering Stimulering Sport (SPUK). Momenteel is de uitputting bijna € 60 mln. Investeringen in de sportsector zijn jaarlijks fluctuerend. De verwachting is dat het beschikbare bedrag jaarlijks toereikend is.

Vraag 211

Kunt u toelichten hoe hoog het aandeel niet-gecontracteerde zorg in de wijkverpleging en de ggz op dit moment is? Zo ja, als blijkt dat de stijging van het aandeel niet-gecontracteerde zorg in deze velden alarmerend hoog worden, nog voor de uitkomsten van de onderzoeken van Vektis gepubliceerd zijn, bent u dan voornemens acute maatregelen te nemen? Zo ja, aan welke maatregelen moet dan gedacht worden?

Antwoord:

Uit recente onderzoeken van Vektis (september 2019) blijkt dat het aandeel niet-gecontracteerde zorg in de wijkverpleging 9% (2018) en in de ggz 6,9% is (2017). Deze percentages zijn (bijna volledig) gebaseerd op werkelijke declaraties, en daarmee betrouwbaar en robuust. Deze percentages groeien en dat vind ik zorgelijk.

In de Hoofdlijnenakkoorden wijkverpleging en ggz hebben partijen afspraken gemaakt om het contracteerproces te verbeteren en contractering te stimuleren. De NZa ziet toe op de naleving van die afspraken door zorgverzekeraars en zorgaanbieders middels een jaarlijkse monitor contractering en Vektis monitort de omvang van de niet-gecontracteerde zorg. In lijn met de afspraken uit de Hoofdlijnenakkoorden bereidt het kabinet een wetswijziging voor die de overheid de mogelijkheid biedt om voor bepaalde (deel)sectoren de hoogte van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg in (nadere) regelgeving vast te leggen en deze dus niet langer over te laten aan zorgverzekeraars en de daarover ontstane jurisprudentie. Deze wetswijziging zal in het najaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Vraag 212

Welke acties heeft u genomen om de beschikbaarheid van sportprotheses voor opgroeiende kinderen te bevorderen? In welke mate is deze beschikbaarheid in 2018 en 2019 toegenomen?

Antwoord:

Stichting Special Heroes is gevraagd om samen met de protheseleveranciers en prothesemakers te onderzoeken hoe de beschikbaarheid van sportprothese voor kinderen nu is geregeld. De beschikbaarheid van sporthulpmiddelen is lastig te bepalen omdat de financiering op meerdere manieren plaatsvindt onder andere vanuit de WMO en ZW.

Er wordt op dit moment gesproken met leveranciers, prothesemakers, revalidatiecentra en zorgverzekeraars om de beschikbaarheid in kaart te brengen na te gaan waar de knelpunten zitten en hoe deze weggenomen kunnen worden. De eerste voorstellen worden uiterlijk zomer 2020 gepresenteerd.

In hoeverre de mate van beschikbaarheid is toegenomen, is niet bekend.

Vraag 213

Op welke wijze is invulling gegeven aan de jaarlijkse monitoring van de implementatie van de herziene Code Goed Sportbestuur, met daarbij oog voor diversiteit? Wanneer verschijnt deze eerste monitor?

Antwoord:

De gezamenlijke sport herziet op dit moment de Code Goed Sportbestuur. Naar verwachting is deze in het voorjaar van 2020 gereed. Om de nieuwe code te implementeren zullen sportbonden worden ondersteund en worden online tools voor sportclubs opgezet. Daarnaast zullen lokale sportbestuurders worden opgeleid en begeleid om met de herziene code aan de slag te gaan.

Vanaf 2021 zal onder andere via het verenigingspanel het thema diversiteit jaarlijks gemonitord worden. Daarin zal ieder jaar een ander onderwerp worden bevraagd dat in een driejaarlijkse cyclus steeds terugkomt.

Vraag 214

Hoeveel vrouwen gebruiken niet de gewenste anticonceptie uit financiële overwegingen?

Antwoord:

Het is niet bekend hoeveel vrouwen uit financiële overwegingen niet de gewenste anticonceptie gebruiken.

Vraag 215

Hoeveel vrouwen gebruiken soms geen anticonceptie vanuit financiële overwegingen?

Antwoord:

Het is niet bekend hoeveel vrouwen vanuit financiële overwegingen geen anticonceptie gebruiken.

Vraag 216

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds van € 3.1.826.405.000 wordt in het jaar 2020 besteed aan jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Het budget voor jeugdhulp is vanaf 2019 onderdeel van de algemene uitkering en valt onder de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten. Het budget voor voogdij en 18+ wordt nu nog via een decentralisatie-uitkering verdeeld. Na aanpassing van het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet, zal, naar verwachting, ook dit deel van het jeugdhulpbudget overgeheveld worden naar de algemene uitkering. Daarom is niet op voorhand te zeggen welk deel van het totale gemeentefonds door gemeenten besteed zal worden aan jeugdhulp. Uiteraard geldt voor gemeenten wel de jeugdhulpplicht, evenals andere verplichtingen die uit de Jeugdwet voortvloeien.

Vraag 217

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds van € 3.1.826.4050.00 krijgt iedere gemeente in 2020 voor jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Vanaf 2019 maakt het grootste deel van het jeugdhulpbudget onderdeel uit van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Het budget voor voogdij en 18+ wordt nu nog via een decentralisatie-uitkering verdeeld. Na aanpassing van het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet, zal, naar verwachting, ook dit deel van het jeugdhulpbudget overgeheveld worden naar de algemene uitkering.

Binnen de algemene uitkering gemeentefonds is niet apart inzichtelijk welk budget een gemeente krijgt voor een specifieke taak. Een uitsplitsing naar de gevraagde categorieën is niet mogelijk. Dit sluit aan bij de systematiek van de algemene uitkering. Lokale keuzes en afwegingen passend bij de eigen gemeentelijke situatie moeten leidend zijn voor de uitgaven van individuele gemeenten, en niet de oorspronkelijke herkomst van de middelen.

Vraag 218

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds van € 3.1.826.405.000 krijgen de 40 grootste gemeenten in 2020 voor jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag vraag 217.

Vraag 219

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds wordt in 2019 besteed aan jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 216.

Vraag 220

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds krijgt iedere gemeente in 2019 voor jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 217.

Vraag 221

Hoeveel geld van het totale gemeentefonds krijgen de 40 grootste gemeenten in 2019 voor jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 217.

Vraag 222

Hoeveel kinderen hebben in 2019 gebruikgemaakt van jeugdzorg, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Er is op dit moment nog geen inzicht in het gebruik van jeugdzorg in 2019. Deze gegevens worden door gemeenten in het voorjaar van 2020 aangeleverd bij het CBS. In 2018 hebben 428.000 jongeren gebruik gemaakt van jeugdzorg (jeugdhulp plus jeugdbescherming en jeugdreclassering).

Vraag 223

Hoeveel kinderen maken naar verwachting in 2020 gebruik van jeugdzorg, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers over het verwachte jeugdhulpgebruik. Voor de laatste cijfers uit 2018 verwijs ik naar het antwoord op vraag 222.

Vraag 224

Hoeveel kinderen zijn in 2019 uit huis geplaatst?

Antwoord:

In 2018 hebben 428.000 jongeren gebruik gemaakt van jeugdzorg (jeugdhulp plus jeugdbescherming en jeugdreclassering). Voor 2020 is nog geen inzicht in het verwachte gebruik naar jeugdzorg en onderverdeling. Het CBS publiceert in het voorjaar van 2021 het gebruik over 2020. Via de benchmark beleidsinformatie vergelijken we wel het jeugdhulpgebruik bij vergelijkbare gemeenten, regio’s en jeugdhulpaanbieders om te leren welk deel van het jeugdhulpgebruik niet en wat wel door beleid is te beïnvloeden. De verhouding verschilt per onderwerp. Cijfers en onderzoeksverslagen zijn te vinden op: https://jeugdmonitor.cbs.nl/.

Vraag 225

Hoeveel kinderen worden naar verwachting in 2020 uit huis geplaatst?

Antwoord:

We hebben geen cijfers beschikbaar over het verwachte aantal uithuisplaatsingen. Voor de laatste aantallen in 2018 verwijs ik naar het antwoord op 224.

Via de benchmark beleidsinformatie vergelijken we wel het jeugdhulpgebruik bij vergelijkbare gemeenten, regio’s en jeugdhulpaanbieders om te leren welk deel van het jeugdhulpgebruik niet en wat wel door beleid is te beïnvloeden. De verhouding verschilt per onderwerp. Cijfers en onderzoeksverslagen zijn te vinden op: https://jeugdmonitor.cbs.nl/.

Vraag 226

Hoeveel kinderen zitten in 2019 in een open jeugdinstelling?

Antwoord:

De jaarcijfers jeugdhulpgebruik 2019 worden op 30 april 2020 bekend gemaakt door het CBS. Er vanuit gaande dat met «open-jeugdinstelling» de gezinshuizen en andere verblijfsvormen bij jeugdhulpaanbieders (niet zijnde gesloten plaatsingen) wordt bedoeld, dan heeft het CBS over 2018 de volgende cijfers:

 

20181

Gezinsgericht

6.080

Ander verblijf bij JH-aanbieder

18.090

X Noot
1

Som der delen is groter dan het totaal omdat jongeren in één jaar meerdere vormen van jeugdzorg kunnen ontvangen.

Vraag 227

Hoeveel kinderen zitten in 2019 in een gesloten jeugdinstelling?

Antwoord:

Over het lopende jaar 2019 hebben we geen cijfers over het jeugdhulpgebruik. Deze cijfers worden door het CBS op 30 april 2020 gepubliceerd. Over 2018 heeft het CBS de volgende cijfers:

 

2018

Gesloten plaatsing

2.565

Vraag 228

Hoelang zitten kinderen gemiddeld in 2019 in een open jeugdinstelling?

Antwoord:

Over het lopende jaar 2019 hebben we geen cijfers over het jeugdhulpgebruik. Deze cijfers worden door het CBS op 30 april 2020 gepubliceerd. Over 2018 heeft het CBS geen gemiddelde maar wel cijfers over de duur van de trajecten onderverdeeld in periodes:

Duur van beëindigde jeugdhulptrajecten onderverdeelde in volgende periodes

Gezinsgericht

ander verblijf bij JH-aanbieder

0 tot 3 maanden

675

3.990

3 tot 6 maanden

315

1.385

6 maanden tot 1 jaar

630

1.950

1 tot 2 jaar

305

1.385

2 tot 3 jaar

125

395

3 tot 4 jaar

115

175

4 jaar of langer

100

150

Totaal duur van de beëindigde trajecten

2.260

9.430

Vraag 229

Hoelang zitten kinderen gemiddeld in 2019 in een gesloten jeugdinstelling?

Antwoord:

De jaarcijfers jeugdhulpgebruik 2019 worden op 30 april 2020 bekend gemaakt door het CBS. Over 2018 heeft het CBS geen gemiddelde maar wel cijfers over de duur van de trajecten van gesloten plaatsing onderverdeeld in periodes:

Duur van beëindigde jeugdhulptrajecten onderverdeelde in volgende periodes

aantallen

0 tot 3 maanden

945

3 tot 6 maanden

380

6 maanden tot 1 jaar

525

1 tot 2 jaar

195

2 tot 3 jaar

25

3 tot 4 jaar

.

4 jaar of langer

.

Vraag 230

Hoeveel kinderen zitten naar verwachting in 2020 in een open jeugdinstelling?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers over het verwachte jeugdhulpgebruik 2020 in een open instelling. Voor de cijfers uit 2018 verwijs ik naar het antwoord op vraag 226. De jaarcijfers jeugdhulpgebruik 2020 worden door het CBS in het voorjaar van 2021 gepubliceerd.

Vraag 231

Hoeveel kinderen zitten naar verwachting in 2020 in een gesloten jeugdinstelling?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers over het verwachte jeugdhulpgebruik in een gesloten jeugdinstelling. Voor de cijfers uit 2018 verwijs ik naar het antwoord op vraag 227.

Vraag 232

Hoelang zitten kinderen gemiddeld naar verwachting in 2020 in een open jeugdinstelling?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoelang kinderen gemiddeld naar verwachting in 2020 in een open instelling verblijven. Voor de cijfers uit 2018 verwijs ik naar hetantwoord op vraag 228.

Vraag 233

Hoelang zitten kinderen gemiddeld naar verwachting in 2020 een gesloten jeugdinstelling?

Antwoord:

Er is op dit moment geen inschatting beschikbaar hoelang kinderen naar verwachting in 2020 in een gesloten instelling zullen zitten. Voor de cijfers van 2018 verwijs ik naar het antwoord op vraag 229.

Vraag 234

Wat is de gemiddelde periode dat kinderen in 2019 gebruikmaken van enige vorm van jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Aangezien de vraag deels ziet op toekomstig jeugdhulpgebruik, is de vraag niet te beantwoorden. De jaarcijfers jeugdhulpgebruik 2019 worden op 30 april 2020 gepubliceerd.

Voor 2018 zijn de doorlooptijden jeugdhulp als volgt.

Duur van beëindigde jeugdhulptrajecten onderverdeeld in volgende periodes

Jeugdhulp in natura

Jeugdhulp zonder verblijf

Pleegzorg

Gezinsgericht

ander verblijf bij JH-aanbieder

gesloten plaatsing

0 tot 3 maanden

47.340

40.670

1.060

675

3.990

945

3 tot 6 maanden

40.975

38.340

560

315

1.385

380

6 maanden tot 1 jaar

62.995

59.150

740

630

1.950

525

1 tot 2 jaar

38.075

35.110

1.085

305

1.385

195

2 tot 3 jaar

11.295

10.380

370

125

395

25

3 tot 4 jaar

5.045

4.410

335

115

175

.

4 jaar of langer

3.960

3.005

705

100

150

.

Vraag 235

Wat is de gemiddelde periode dat kinderen naar verwachting in 2020 gebruikmaken van enige vorm van jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers over het verwachte jeugdhulpgebruik in 2020. Voor de meest recente cijfers uit 2018 verwijs ik naar het antwoord op vraag 234.

Via de benchmark beleidsinformatie vergelijken we wel het jeugdhulpgebruik bij vergelijkbare gemeenten, regio’s en jeugdhulpaanbieders om te leren welk deel van het jeugdhulpgebruik niet en wat wel door beleid is te beïnvloeden. De verhouding verschilt per onderwerp. Cijfers en onderzoeksverslagen zijn te vinden op: https://jeugdmonitor.cbs.nl/.

Vraag 236

Hoeveel kinderen komen in 2019 na een afgerond traject voor de tweede keer in aanraking met jeugdhulp?

Antwoord:

Over het lopende jaar 2019 hebben we geen cijfers over het jeugdhulpgebruik. Deze cijfers worden door het CBS op 30 april 2020 gepubliceerd. In 2018 zijn 333.165 nieuwe jeugdhulptrajecten gestart, waarvan in 91.460 keren sprake is van herhaald beroep. Een jeugdhulptraject wordt als herhaald beroep gezien, als de desbetreffende jongere in de vijf jaar voorafgaand aan de verslagperiode jeugdhulp heeft ontvangen. Dat kan zijn voor hetzelfde, maar ook voor een andere hulpvraag.

Vraag 237

Hoeveel fte werkt naar verwachting in de jeugdhulp in 2020?

Antwoord:

Er zijn geen ramingen over het aantal fte in jeugdhulp in 2020. Meest recente cijfers over het 1ste kwartaal 2019 zijn 26.500 fte in de jeugdzorg, exclusief jeugd-ggz en jeugd-gehandicaptenzorg (zie ook het antwoord op vraag 240).

Vraag 238

Hoeveel personen werken naar verwachting in de jeugdhulp in 2020?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers over de verwachte werkgelegenheid in de jeugdhulp.

Vraag 239

Hoeveel fte wordt naar verwachting niet vervuld binnen de jeugdhulp in 2020?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het verwachte aantal niet vervulde fte binnen de jeugdhulp.

Vraag 240

Hoeveel fte werkt in de jeugdhulp in 2019?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal fte in de jeugdhulp in 2019. Wel heeft het CBS cijfers over het aantal fte in de jeugdzorg (excl jeugd-ggz en jeugd gehandicaptenzorg). Meest recente cijfers daarvan zijn van 2019 1ste kwartaal: 26.500 fte in de jeugdzorg.

Vraag 241

Hoeveel personen werken in de jeugdhulp in 2019?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal werkzame personen in de jeugdhulp over het hele jaar 2019. Wel heeft het CBS cijfers over het aantal werkzame personen in de jeugdzorg (excl jeugd-ggz en jeugd gehandicaptenzorg). Meest recente cijfers daarvan zijn van 2019 1ste kwartaal: 32.800 werkzame personen in de jeugdzorg.

Vraag 242

Hoeveel fte wordt niet vervuld binnen de jeugdhulp in 2019?

Antwoord:

Het UWV houdt een overzicht van openstaande vacatures bij per sector (zorg en welzijn), maar niet per sub-sector (jeugdhulp). Er zijn zodoende geen cijfers beschikbaar over het aantal onvervulde FTE binnen sub-sector jeugdhulp.

Vraag 243

Hoeveel gemeenten zijn onderdeel van een zorgregio in 2019?

Antwoord:

Alle gemeenten zijn onderdeel van één van de 42 jeugdregio’s.

Vraag 244

Hoeveel en welke gemeenten hadden in 2018 een tekort op de balans met betrekking tot jeugdhulp?

Antwoord:

Een overzicht van tekorten die specifiek samenhangen met jeugdzorg is niet beschikbaar. Een tekort heeft zelden een eenduidige oorzaak en is meestal een resultante van een veelheid aan factoren. Om die reden laat een tekort zich in de regel niet gemakkelijk uitsplitsen naar een specifieke herkomst.

Vraag 245

Hoeveel en welke gemeenten hebben naar verwachting in 2019 een tekort op de balans met betrekking tot jeugdhulp?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 244.

Vraag 246

Hoeveel en welke gemeenten hebben naar verwachting in 2020 een tekort op de balans met betrekking tot jeugdhulp?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 244.

Vraag 247

Hoeveel extra middelen ter ondersteuning van de gemeenten voor het uitvoeren van jeugdhulp worden in 2020 toegekend?

Antwoord:

In 2020 is door het kabinet € 300 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de jeugdzorg.

Vraag 248

Hoeveel kinderen staan momenteel op een wachtlijst voor jeugdhulp, daarbij onderverdeeld naar de verschillende soorten jeugdhulp zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en jeugdgezondheidszorg en is hierbij sprake van een negatieve of positieve trend?

Antwoord:

Hier is geen landelijk beeld van beschikbaar. Wachtlijsten worden op regioniveau geïnventariseerd en aangepakt, aangezien de problemen en oplossingen per regio verschillen.

Vraag 249

Hoe gaat een antwoord worden geformuleerd op de vraag waar de jeugdhulpplicht begint?

Antwoord:

Eén van de thema’s in de bestuurlijke afspraken met de VNG over de jeugdhulp is «normaliseren, demedicaliseren en inzet eigen kracht en preventie».

Als eerste stap in de concretisering van dit vraagstuk heeft de VNG op verzoek van de VNG-commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs deze zomer een expertiseteam ingesteld om met een advies te komen over de reikwijdte van de jeugdhulpplicht. Dit expertiseteam is gevraagd om advies uit te brengen op basis van een analyse van de vragen waar gemeenten mee worstelen, de mogelijkheden die de jeugdwet biedt om passend aanbod te bieden aan kinderen en gezinnen en een inventarisatie van kansrijke initiatieven van gewoon opvoeden en versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang.

Het expertiseteam is in september 2019 van start gegaan. Naar verwachting zal het advies van het expertiseteam begin 2020 beschikbaar komen. Op basis daarvan zal bezien worden welke vervolgacties nodig zijn om te komen tot een heldere invulling van de jeugdhulpplicht.

Vraag 250

Als het aandeel van het bbp dat wordt besteed aan zorg daalt, waarom stijgen dan de lasten per volwassene?

Antwoord:

De zorgkosten zijn de afgelopen jaren gestegen, waardoor ook de lasten per volwassene zijn toegenomen. Het aandeel van het bbp dat besteed wordt aan zorg is echter gedaald. Dit komt doordat de economie harder is gegroeid dan de zorgkosten (noemer-effect).

Het is niet waarschijnlijk dat het aandeel van het bbp dat besteed wordt aan zorg blijft dalen. De economische groei is de afgelopen jaren hoog geweest, ook in vergelijking met de ons omringende landen. De economische groei vlakt echter weer af.

Vraag 251

Welke invloed op de stijgende zorgkosten hebben factoren als bevolkingsgroei, vergrijzing, medische ontwikkelingen (aanbod) en overheidsbeleid? Kan hiervan een procentuele schatting worden gegeven?

Antwoord:

De grote drijvende krachten achter de groei van de zorguitgaven zijn demografie, welvaart en technologie. Volgens de meest recente Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM groeien de zorguitgaven over de premie met gemiddeld 2,9 procent per jaar. Twee derde van de toename in de totale uitgaven is toe te schrijven aan ontwikkelingen in medische technologie en welvaartstijging; een derde aan de vergrijzing en bevolkingsgroei. De trendanalyse van het RIVM analyseert de historische uitgavengroei en wijst deze toe aan demografische ontwikkelingen enerzijds en «overige» ontwikkelingen anderzijds. In de analyses van de historische data wordt beleid niet als aparte factor onderscheiden.

Vraag 252

Met hoeveel groeide de Nederlandse bevolking tussen de jaren 2000–2010 en tussen de jaren 2010–2020? Wat is de verwachte groei voor de jaren 2020–2030 en welk aandeel is toe te wijzen aan immigratie?

Antwoord:

Volgens de CBS-bevolkingsstatistieken en de meest recente CBS-bevolkingsprognose (2018–2060) groeide de omvang van de Nederlandse bevolking tussen de jaren 2000–2010 met 711.039 personen en groeit deze tussen de jaren 2010–2020 naar verwachting met 802.983 personen. De groei voor de jaren 2020–2030 bedraagt volgens het CBS naar verwachting 652.384 personen.

Om het aandeel van immigratie in de bevolkingstoename te kunnen vaststellen, zijn de migratiesaldi over de drie genoemde tijdblokken nodig. Volgens de meest recente CBS-cijfers (stand december 201813) was tussen 2000–2010 de netto immigratie (immigratie minus de emigratie) 108.223 personen, is deze tussen 2010–2020 naar verwachting circa 510.000 personen en tussen 2020–2030 naar verwachting circa 430.000 personen.

Als percentage uitgedrukt is 15,2% van de bevolkingstoename tussen 2000–2010 toe te schrijven aan immigratie. Voor de perioden 2010–2020 resp. 2020–2030 gaat het naar verwachting om 63,4% resp. 65,8%.

Vraag 253

Hoeveel Spoed Eisende Hulp (SEH)-posten en afdelingen acute verloskunde zijn de afgelopen tien jaar gesloten of hebben hun openingstijden beperkt waardoor ze niet langer 24/7 open zijn?

Antwoord:

Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vraag 654 en 655.

Vraag 254

Hoeveel zorgbestuurders hebben om een uitzonderingspositie voor de Wet normering topinkomens (WNT) gevraagd en hoeveel hebben deze uitzondering gekregen? Wie zijn dit en hoeveel mogen zij meer verdienen?

Antwoord:

Sinds de inwerkingtreding van de WNT in 2013 tot en met peildatum 30 september 2019 zijn er binnen de zorgsector in totaal 24 uitzonderingsverzoeken op grond van artikel 2.4 WNT ingediend. Een dergelijk verzoek ziet op een uitzondering op het WNT-maximum. Hiervan zijn er 4 gehonoreerd.

Zorginstelling

Naam topfunctionaris

Toegekende bezoldigingsnorm

Datum besluit

UMC Utrecht

mw. prof. Schneider

€ 229.043 met jaarlijkse indexatie

17-dec-15

UMC Maastricht

Mw. H.J.M.M. Mertens

€ 230.000 met jaarlijkse indexatie

22-dec-16

AMC

de heer J.A. Romijn

€ 230.000 met jaarlijkse indexatie

22-dec-16

VUmc

de heer M. Kramer

€ 230.000 met jaarlijkse indexatie

24-jan-19

Vraag 255

Hoeveel opnamestops wegens overvolle SEH-posten zijn er de afgelopen tien jaar geweest?

Antwoord:

De informatie die beschikbaar is over aantal en duur van de SEH-stops vóór 2018 staat in de NZa-monitor acute zorg, die ik u in januari heb toegezonden (TK 2018–2019, 29 247, nr. 267). Naar aanleiding van de motie-Van den Berg (TK 2018–2019, 29 247, nr. 271) en verschillende andere vragen uit uw Kamer heb ik de NZa deze zomer gevraagd nader onderzoek te doen naar het aantal SEH-stops sinds 1 januari 2018. De uitkomsten van dit onderzoek staan in mijn brief over de toegankelijkheid van de acute zorg, die u voorafgaand aan het AO acute zorg van 3 oktober jl. heeft ontvangen. In deze brief heb ik aangegeven dat de NZa onder meer heeft geconcludeerd dat de SEH’s in de 4 regio’s die consequent stops registreren gemiddeld in 97% van de tijd beschikbaar zijn (geen stops hebben), en dat de acute zorg voldoende toegankelijk is. Tijdens het AO acute zorg van 3 oktober heb ik toegezegd dat ik bij de NZa zal informeren of het mogelijk is om meer inzicht te krijgen in SEH-stops.

Vraag 256

Hoeveel bezoeken aan de eerste hulp door 75-plussers vonden er de afgelopen tien jaar plaats?

Antwoord:

Er zijn geen precieze gegevens van het aantal bezoeken van 75-plussers aan de spoedeisende hulp (SEH). Volgens de eerste marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) van september 2017 (TK 2016–2017, 29 247, nr. 236) is het aandeel patiënten boven de 75 jaar in 2013 16,8%, in 2014 17,5% in 2015 18,9% en in 2016 18,9%. Volgens de Monitor acute zorg (TK 2018–2019, 29 247, nr. 267), het vervolg op de marktscan, lijkt er vooralsnog op dat die groep in 2017 is toegenomen naar 19,5%. De volgende monitor acute zorg verschijnt in 2020.

Vraag 257

Hoeveel ziekenhuizen zijn er de afgelopen tien jaar gefuseerd, gesloten of failliet gegaan?

Antwoord:

Voor het aantal ziekenhuisfusies verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 651. Ik heb verder geen overzicht van het aantal ziekenhuizen dat in de afgelopen 10 jaar is gesloten. In de afgelopen 10 jaar zijn er vier ziekenhuizen failliet gegaan: Het Ziekenhuis De Sionsberg te Dokkum, het Ruwaard van Putten Ziekenhuis te Spijkenisse, het MC Slotervaart te Amsterdam en de MC IJsselmeerziekenhuizen met locaties in Lelystad, Emmeloord, Urk en Dronten.

Vraag 258

Kunt u, liefst in een Excelbestand, de artikelsgewijze, complete begroting aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord:

Op https://www.rijksfinancien.nl/open-data en https://opendata.rijksbegroting.nl/#dataset_4a staan de budgettaire tabellen van de verschillende begrotingshoofdstukken van de rijksoverheid, waaronder die van de begroting van VWS. Er is ook een versie in Excel beschikbaar.

Vraag 259

Hoe is de verdeling van het opleidingsniveau van de buurtsportcoach?

Antwoord:

Het grootste deel (61%) van de fte combinatiefuncties afkomstig is van een opleiding op niveau hbo-5. 27% bestaat uit niveau mbo-3/4 en 9% uit niveau hbo-6/plus. Vanuit niveau mbo-1/2 en overig komt respectievelijk 2% en 2%. (Bron: Samenvatting Monitor Brede Impuls Combinatiefuncties 2018 (over 2018), BMC).

Vraag 260

Wat betekent het cijfer 32.8 voor de jeugdzorg binnen de VWS-monitor?

Antwoord:

Dit betreft de werkgelegenheid in de jeugdzorg afkomstig uit AZW-info (https://www.azwinfo.nl/jive/jive/jive?presel_code=wg_werknemers&cat_open_code=nat_wg_fp). In de VWS-monitor die tegelijkertijd met de ontwerpbegroting 2020 naar uw Kamer is verzonden is de werkgelegenheid op basis van AZW-info opgenomen voor de jaren 2019, 2012, 2015, 2016 en 2017.

Vraag 261

Welke soorten instellingen en soorten jeugdhulp worden geschaard onder «jeugdhulp zonder verblijf» binnen de VWS-monitor?

Antwoord:

In het Informatieprotocol Beleidsinformatie Jeugd van het CBS (recentste versie) is deze als volgt gedefinieerd:

Jeugdhulp zonder verblijf:

  • Uitgevoerd door het wijk- of buurtteam

  • Niet uitgevoerd door het wijk- of buurtteam:

    • o Ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder

    • o Daghulp op locatie van de aanbieder

    • o Jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige

Vraag 262

Klopt het dat 82% van de aanvragen voor de SPUK-regeling wordt toegekend? Wat gebeurt er met de overige 18%?

Antwoord:

Nee. Per aanvraag wordt 82% van het totaal ingediende bedrag toegekend. Er vindt dus een naar rato toekenning op alle aanvragen plaats. Bij de overige 18% moet blijken in 2021 in hoeverre dit btw-nadeel daadwerkelijk is opgetreden. Bij de afrekening zal binnen het beschikbare financiële kader vereffening plaatsvinden. Bovenstaande leidt tot een extra compensatie waarmee ik meen volledig tegemoet te komen aan de gemeenten voor het nadeel dat zij hebben door de verruiming van de btw-sportvrijstelling, zoals ook is opgenomen in de brief die ik aan uw Kamer heb verzonden op 24 september jl. (TK 30 234, nr. 233).

Vraag 263

Wat kost het onnodig bezet houden van ziekenhuisbedden door ouderen die nog niet naar huis kunnen?

Antwoord:

Bij de beantwoording van deze vraag ga ik uit van de kosten van zogenoemde «verkeerde bedden». Een «verkeerd bed» is in de beleidsregels van de NZa gedefinieerd als noodgedwongen verblijf in een instelling voor medisch specialistische zorg na een opname, dat tot stand komt omdat er geen mogelijkheid is tot opname in een instelling die Wlz zorg met verblijf biedt. Voor een «verkeerd bed» kunnen ziekenhuizen op basis van NZa-beleidsregels in 2019 een Wlz-tarief declareren van maximaal C 293,16 per dag. Op basis van gegevens van het Zorginstituut is te zien dat de declaraties «verkeerde bedden» een verwacht macrobeslag heeft van ruim € 8 miljoen in 2019. Ik sluit niet uit dat dit cijfer geen compleet beeld geeft van de in deze vraag bedoelde kosten, omdat ziekenhuizen de kosten van «onnodige bezetting» mogelijk niet volledig of op een andere manier declareren.

Vraag 264

Kunt u aangeven welke subsidies er binnen het beleidsartikel Sport verstrekt worden en aan welke organisaties? Kunt u per verstrekking aangeven of deze juridisch verplicht is en kunt u aangeven wanneer de subsidietermijn afloopt?

Antwoord:

Binnen het beleidsartikel Sport worden de volgende juridisch verplichte subsidies verstrekt:

Inclusief sporten

  • Sporthulpmiddelen aan de organisatie Special Heroes, termijn t/m 2020;

  • Vervoer sporters aan de organisatie Special Heroes, termijn t/m 2020;

  • Jeugdsportfonds, termijn t/m 2022;

  • Healthy Athletes aan de organisatie Special Olympics, termijn t/m 2020;

  • Alliantie sportakkoord, diverse organisaties (o.a. MEE, Fonds Gehandicaptensport, Sportkracht 12, Life Goals, Nationaal Ouderenfonds), termijn t/m 2021.

Vaardig in bewegen/Sport en bewegen in de buurt

  • Sportblessurepreventie aan de organisatie VeiligheidNL, termijn t/m 2020;

  • Koningspelen aan de organisatie Krajicek Foundation, termijn t/m 2020;

  • Plan Zwemvaardigheid, aan de organisatie NPZ, termijn t/m 2020.

Duurzame en toegankelijke sportaccommodaties

  • Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties en Sportmaterialen (BOSA) aan honderden verschillende sportverenigingen/instellingen, termijnen variëren van 2020 t/m 2022.

Vitale sportaanbieders

  • Versterken van bonden en verenigingen aan de organisatie NOC*NSF, termijn t/m 2021;

  • Uitwerking Sportakkoord sportlijn 2019–2021 aan de organisatie NOC*NSF, termijn t/m 2021;

  • Ondersteuningsstructuur Sportakkoord en buurtsportcoaches aan de organisatie VSG, termijn t/m 2022.

Positieve sportcultuur

  • Sport en gedrag aan de organisatie HALT, termijn loopt t/m 2020;

  • Instituut sportrechtspraak, termijn t/m 2020;

  • Vechtsportautoriteit, termijn t/m 2020;

  • De Stilte verbroken, termijn t/m 2021;

  • Integriteit aan de organisatie NOC*NSF, termijn t/m 2021.

Topsport en evenementen

  • Topsportprogramma aan de organisatie NOC*NSF, termijn loopt t/m 2020;

  • Diverse subsidies voor sportevenementen (o.a. Volleybalbond EK heren, Watersportverbond WK zeilen, Papendal WK BMX, Events KNVB, EURO 2020), termijnen variëren van 2020 t/m 2022.

Kennis en Innovatie

  • Instellingsubsidie Kenniscentrum sport, termijn t/m 2020;

  • Instellingssubsidie Mulierinstituut, termijn t/m 2020.

Vraag 265

Welk kader heeft de Nederlandse Sportraad gekregen als taakopdracht?

Antwoord:

Het kader voor de Nederlandse Sportraad is vastgelegd in het Instellingsbesluit Nederlandse Sportraad, d.d. 17 mei 201614. In de brief aan uw Kamer van mijn voorganger van 20 november 2015 zijn daarvoor de inhoudelijke uitgangspunten beschreven, zoals zorgen voor meer rendabele sportevenementen, de impact van evenementen op sportparticipatie en integratie vergroten en het benutten van sportinnovaties en maatschappelijke toepassingen (TK 30 234, nr. 142).

Vraag 266

Hebben er ook experts, dan wel organisaties op het gebied van topsportevenementen zitting in de Sportraad?

Antwoord:

Ja. Een groot aantal leden van de NLsportraad beschikt over expertise op het gebied van topsportevenementen.

Vraag 267

Wat is de status van een eventueel interdepartementaal Sportakkoord?

Antwoord:

Op het Nationaal Sportakkoord hebben diverse departementen meegetekend waaronder OCW, SZW en IenW. Daarmee verbindt het Nationaal Sportakkoord meerdere departementen.

Vraag 268

Welke expertisegebieden ontbreken er bij de leden van de Nederlandse Sportraad?

Antwoord:

Het is niet mogelijk om dat aan te geven. Wel constateer ik dat de Nederlandse Sportraad goed in staat is om de expertise in te schakelen die nodig is voor zijn adviezen. Wanneer die expertise niet voorhanden is in de raad zelf, schakelt hij externe experts in.

Vraag 269

In hoeverre valt programmalijn 3 binnen het kader van de opdracht voor de Nederlandse Sportraad?

Antwoord:

In het meerjarige werkprogramma 2018–2020, dat mijn voorganger in september 2017 aan uw Kamer heeft aangeboden, is de Nederlandse Sportraad gekomen tot de drie programmalijnen om te adviseren over thema’s die breder gaan dan de oorspronkelijke taak van advisering over sportevenementen. Binnen de programmalijnen wordt door de NLSportraad zowel gevraagd als ongevraagd advies gegeven over de betreffende onderwerpen.

Vraag 270

Is de Minister initiator van programmalijn 2 van het werkprogramma van de Nederlandse Sportraad?

Antwoord:

De adviezen in programmalijn 2 zijn het initiatief van de Nederlandse Sportraad. In het werkplan 2019 had de raad al eerder voorzien om een onderzoek te doen naar financiering en organisatie van de sport. De drie strategische partners van het Sportakkoord hebben daarom, na overleg met de Raad, besloten om het vraagstuk om te komen tot een onderzoek naar «de organisatie en de financiering van de sport om op basis daarvan te komen tot scenario’s voor de toekomst» ook bij de Sportraad te beleggen.

Vraag 271

Wat zijn de kosten om programmalijn 3 uit het werkprogramma van de Nederlandse Sportraad uit te voeren?

Antwoord:

De Sportraad maakt geen volledige uitsplitsing van haar budget per programmalijn. Het is daarom niet bekend welke kosten samenhangen met programmalijn 3.

Vraag 272

Wie is de initiatiefnemer van de onderwerpen die genoemd worden bij programmalijn 3 uit het werkprogramma van de Nederlandse Sportraad?

Antwoord:

Het initiatief voor de onderwerpen die genoemd worden bij programmalijn 3 van het werkprogramma van de Nederlandse Sportraad, ligt bij de Raad zelf.

Vraag 273

Hoeveel procent van de zorgkosten wordt uitgegeven aan personeelskosten?

Antwoord:

Het aandeel personeelskosten in de totale bedrijfskosten in de zorg varieert enigszins tussen verschillende categorieën van zorginstellingen en ligt ongeveer op tweederde. De meest recente cijfers betreffen het jaar 2017:

Bron: CBS

Vraag 274

Wat is op dit moment het personeelstekort, uitgedrukt in aantallen, uitgesplitst naar de verschillende wetten (Zvw, Wlz, Wmo en Jeugdwet)?

Antwoord:

Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage van het Actieprogramma Werken in de Zorg die ik dit voorjaar naar uw Kamer heb gestuurd, bedraagt het verwachte tekort in 2022 circa 80 duizend personen. Een uitsplitsing naar de verschillende wetten is daarbij niet voorhanden.

Vraag 275

Hoeveel verpleegkundigen komt Nederland tekort, indien mogelijk uitgesplitst naar de verschillende wetten en indien mogelijk uitgesplitst per regio?

Antwoord:

Als geen maatregelen worden getroffen bedraagt het verwachte tekort aan verpleegkundigen in 2022 circa 52.200. In onderstaande tabel is het verwachte tekort aan verpleegkundigen tevens uitgesplitst naar RegioPlus-regio. Hierbij is uitgegaan van de landelijke uitgangspunten, namelijk het zogenaamde hoge scenario15 van het model zorggebruik en zonder rekening te houden met de branche kinderopvang. Dit kan afwijken van de cijfers die regio’s hanteren, omdat zij op basis van hun eigen regionale inzichten een voor hen meest passend scenario hanteren.

Een uitsplitsing van het verwachte tekort naar wetten is niet voor handen.

Verwachte tekort aan verpleegkundigen in 2022, per RegioPlus-regio (afgerond op honderdtallen)

Achterhoek

1.000

Amersfoort en omgeving

1.100

Amstelland, Kennemerland en Meerlanden

2.000

Amsterdam

2.800

Drechtsteden

1.100

Drenthe

1.500

Flevoland

600

Friesland

2.000

Gooi- en Vechtstreek

800

Groningen

1.500

Haaglanden

3.100

IJssel-Vecht

1.000

Midden-Brabant

1.500

Midden-Gelderland

1.700

Noord- en Midden-Limburg

1.800

Noord-Holland Noord

2.200

Noordoost-Brabant

2.400

Noordwest-Veluwe en Stedendriehoek

2.400

Rijnmond

2.900

Rijnstreek

3.200

Twente

1.600

Utrecht

3.100

West-Brabant

1.900

Zaanstreek en Waterland

1.000

Zeeland

900

Zuid-Limburg

2.300

Zuidoost-Brabant

2.600

Zuid-West Gelderland

2.100

Totaal Nederland

52.2001

Bron: Prismant, model zorggebruik

X Noot
1

Vanwege afrondingverschillen telt het totaal van de regio’s niet op tot het totaal voor Nederland.

Vraag 276

Hoeveel verzorgenden komt Nederland tekort, indien mogelijk uitgesplitst naar de verschillende wetten en indien mogelijk uitgesplitst per regio?

Antwoord:

Als geen maatregelen worden getroffen bedraagt het verwachte tekort aan verzorgenden (niveau 3) in 2022 circa 52.200. In onderstaande tabel is het verwachte tekort aan verzorgenden tevens uitgesplitst naar RegioPlus-regio. Hierbij is uitgegaan van de landelijke uitgangspunten, namelijk het zogenaamde hoge scenario16 van het model zorggebruik en zonder rekening te houden met de branche kinderopvang. Dit kan afwijken van de cijfers die regio’s hanteren, omdat zij op basis van hun eigen regionale inzichten een voor hen meest passend scenario hanteren.

Een uitsplitsing van het verwachte tekort naar wetten is niet voor handen.

Verwachte tekort aan verzorgenden in 2022, per RegioPlus-regio (afgerond op honderdtallen)

Achterhoek

300

Amersfoort en omgeving

500

Amstelland, Kennemerland en Meerlanden

1.600

Amsterdam

300

Drechtsteden

500

Drenthe

500

Flevoland

100

Friesland

300

Gooi- en Vechtstreek

500

Groningen

100

Haaglanden

1.300

IJssel-Vecht

300

Midden-Brabant

600

Midden-Gelderland

700

Noord- en Midden-Limburg

1.400

Noord-Holland Noord

800

Noordoost-Brabant

1.100

Noordwest-Veluwe en Stedendriehoek

700

Rijnmond

400

Rijnstreek

1.600

Twente

600

Utrecht

1.400

West-Brabant

1.100

Zaanstreek en Waterland

800

Zeeland

200

Zuid-Limburg

1.400

Zuidoost-Brabant

1.900

Zuid-West Gelderland

700

Totaal Nederland

21.2001

Bron: Prismant, model zorggebruik

X Noot
1

Vanwege afrondingverschillen telt het totaal van de regio’s niet op tot aantal voor Nederland.

Vraag 277

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de gesprekken over de vergoeding van systeemtherapie?

Antwoord:

De interventie systeemtherapie kan alleen vanuit de Zvw worden vergoed als onderdeel van de behandeling van een DSM-stoornis. Op die manier heeft systeemtherapie ook op dit moment al een plek in de verzekerde ggz.

Daarnaast heeft de Nederlandse Vereniging van Relatie- en Gezinstherapeuten mij laten weten dat zij het gesprek voert met Zorgverzekeraars Nederland over meer inzet van systeemtherapie in de behandeling van ggz-problematiek.

Vraag 278

Hoeveel artsen komt Nederland tekort, indien mogelijk uitgesplitst naar de verschillende wetten en indien mogelijk uitgesplitst per regio? Hoeveel daarvan zijn medisch specialist?

Antwoord:

Er is sprake van een bestaand of toekomstig tekort, als er niet voldoende wordt opgeleid om in de huidige of toekomstige behoefte te voorzien.

Voor de medische vervolgopleidingen die door VWS gefinancierd worden, bepaalt het Capaciteitsorgaan de toekomstige behoefte. Het Capaciteitsorgaan monitort de aantallen beschikbare werkzame artsen en raamt op basis van de behoefte periodiek de benodigde instroom in diverse medische vervolgopleidingen.

Als er conform de instroomramingen wordt opgeleid, zouden er idealiter geen tekorten (meer) moeten zijn. Wanneer de gerealiseerde instroom structureel achterblijft op de geadviseerde instroom, ontstaan tekorten. Voor onderstaande beroepen bleef de instroom in 2019 achter bij de raming:

Beroep

Advies

Instroom

Wet

Specialist ouderengeneeskunde

186

127

Wlz

Arts Verstandelijk Gehandicapten

24

16

Wlz

Jeugdarts eerste Fase

102

64

Wpg

Jeugdarts tweede Fase

40

15

Wpg

Medisch Milieukundige tweede fase

2

0

Wpg

Arts infectieziektebestrijding eerste fase

20

17

Wpg

Arts infectieziektebestrijding tweede fase

16

3

Wpg

Arts tuberculosebestrijding eerste fase

2

0

Wpg

Arts tuberculosebestrijding tweede fase

2

1

Wpg

Forensisch arts

15

13

Wet op de Lijkbezorging

Bij de klinische medische specialismen wordt de instroom jaarlijks nagenoeg geheel gerealiseerd.

Informatie per regio is niet beschikbaar.

Vraag 279

Hoeveel geld wordt er uitgegeven aan slimme zorg om personeel te vervangen of te ondersteunen om zo de arbeidsmarktproblematiek aan te pakken?

Antwoord:

Er is geen overzicht van hoeveel wordt uitgegeven aan slimme zorg. Digitaal is het nieuwe normaal en een logisch onderdeel van zorg en ondersteuning. Verschillende maatregelen dragen bij aan de ontwikkeling van slimme zorg. Met het hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg is tot en met 2023 € 425 miljoen beschikbaar aan transformatiemiddelen, die ook ingezet kunnen worden voor slimme zorg. Voor het vergroten van de inzet van e-health, zorgvernieuwing en opschaling is voor 2020 in totaal € 27 mln beschikbaar het vergroten van de kennis en (digi)vaardigheden bij patiënten en professionals, de start van het gebruik van persoonlijke gezondheidsomgevingen en hulpmiddelen om mensen wegwijs te maken in de veelheid van meer dan 300.000 gezondheidsapps, en te kiezen voor apps die echt werken. Direct gericht op personeel investeren we met het Actieprogramma Werken in de Zorg met subsidieregeling SectorplanPlus € 420 miljoen in scholing en opleiding van (nieuw) personeel, onder andere om het huidige personeel te ondersteunen. Met de Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuiszorg (KIPZ) is voor ziekenhuizen jaarlijks ruim € 200 miljoen beschikbaar voor het bijscholen van personeel, bijvoorbeeld gericht op het gebruik van nieuwe technologie. Gericht op taakherschikking is het jaarlijks budget voor de opleiding tot physician assistant en verpleegkundig specialist € 38 miljoen.

Vraag 280

Hoeveel geld wordt er uitgegeven om de instroom van personeel in de zorg te stimuleren?

Antwoord:

Instroom van personeel is afhankelijk van een veelheid van actoren en factoren, die veelal met elkaar samenhangen. De inzet sec op instroom is daar niet uit te isoleren. Gericht op goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en het kunnen bieden van een marktconforme loonontwikkeling wordt jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskosten ter beschikking gesteld. Over 2019 is dit circa € 1,7 miljard. Dit wordt toegevoegd aan de bestaande budgetten voor arbeidsvoorwaarden, waaruit lonen maar ook andere op behoud gerichte arbeidsvoorwaarden worden gefinancierd.

Daarnaast wordt extra geïnvesteerd via het Actieprogramma «Werken in de zorg»:

  • De subsidie SectorplanPlus wordt voor het aanstaande vierde tijdvak verbreed naar inzet op behoud. Voor dit tijdvak is in totaal € 130 miljoen beschikbaar waarmee het totaal over de gehele looptijd 2017–2021 op € 420 mln. komt.

  • Via «Sterk in je Werk plus» is voor de periode 2019–2021 een bedrag van € 15 mln. gereserveerd voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding voor (nieuwe en zittende) medewerkers.

  • Campagne «Ik Zorg» (€ 8 miljoen: 4 miljoen in 2018 en 2 miljoen in 2019 en € 2 miljoen in 2020) waarin de zorgmedewerker centraal staat

Vraag 281

Hoeveel geld wordt er uitgeven om de uitstroom van personeel uit de zorg te voorkomen?

Antwoord:

Uitstroom en behoud van personeel is het gevolg van een veelheid aan factoren. Op veel van deze factoren zet het Actieprogramma «Werken in de zorg» in. Hiervoor zet ik € 420 miljoen in. Het is echter niet mogelijk om uit de inzet van het Actieprogramma (zie hiervoor het antwoord op vraag 3) de inzet op uitstroom te isoleren. Zo is bijvoorbeeld een van de doelen van de inzet op extra instroom van personeel het verlagen van de werkdruk. Daarmee wordt de werktevredenheid van zorgmedewerkers verhoogt en zal uitstroom voorkomen worden. Ook de aanpak van de regeldruk helpt bij het vergroten van werkplezier en draagt dus bij aan het verlagen van de uitstroom.

Vraag 282

Hoeveel geld wordt er uitgegeven om personeel in de zorg te behouden?

Antwoord:

Behoud van personeel is afhankelijk van een veelheid van actoren en factoren, die veelal met elkaar samenhangen. De inzet sec op behoud is daar niet uit te isoleren. Gericht op goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en het kunnen bieden van een marktconforme loonontwikkeling wordt jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskosten ter beschikking gesteld. Over 2019 is dit circa € 1,7 miljard. Dit wordt toegevoegd aan de bestaande budgetten voor arbeidsvoorwaarden, waaruit lonen maar ook andere op behoud gerichte arbeidsvoorwaarden worden gefinancierd.

Daarnaast wordt extra geïnvesteerd via het Actieprogramma «Werken in de zorg»:

  • De subsidie SectorplanPlus wordt voor het aanstaande vierde tijdvak verbreed naar inzet op behoud. Voor dit tijdvak is in totaal € 130 miljoen beschikbaar waarmee het totaal over de gehele looptijd 2017–2021 op € 420 mln. komt.

  • Via «Sterk in je Werk plus» is voor de periode 2019–2021 een bedrag van € 15 mln. gereserveerd voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding voor (nieuwe en zittende) medewerkers.

  • Campagne «Ik Zorg» (€ 8 miljoen: 4 miljoen in 2018 en 2 miljoen in 2019 en € 2 miljoen in 2020) waarin de zorgmedewerker centraal staat

Vraag 283

Wat zijn de resultaten tot dusver van het actieprogramma Werken in de zorg?

Antwoord:

Het aanvankelijk geraamde tekort van 100.000–125.000 personen in 2022 is dit jaar geraamd op 80.000 personen in 2022. Dit nieuwe cijfer is een gevolg van een aangepaste rekenmethode en daadwerkelijk toegenomen instroom in de sector. Er wordt twee keer per jaar uitgebreid gerapporteerd over de voortgang van het actieprogramma Werken in de zorg. Voor de meest actuele informatie verwijs ik u naar de rapportage van afgelopen voorjaar17. In het laatste kwartaal volgt een nieuwe voortgangsrapportage

Vraag 284

Wat zijn de meest recente percentages instroom en uitstroom in de zorg, uitgesplitst naar de verschillende wetten (Zvw, Wlz, Wmo en Jeugdwet)?

Antwoord:

Cijfers over in- en uitstroom van werknemers in de zorg zijn niet beschikbaar uitgesplitst naar de verschillende genoemde wetten. Voor geheel zorg en welzijn zijn de gevraagde percentages in onderstaande tabel weergegeven, op basis van de meest recente cijfers van het CBS.

Tabel instroom en uitstroom werknemers, als percentage van het totaal aantal werknemers, meetmoment eerste kwartaal 2019
 

% instroom

% uitstroom

Zorg en welzijn totaal (excl. kinderopvang)

12,4%

9,3%

Bron: CBS AZW Statline

Vraag 285

Hoe kijken de verschillende beroepsgroepen tegen taakherschikking aan?

Antwoord:

Gezien de arbeidsmarkttekorten, de vergrijzing en de veranderende zorgvraag is taakherschikking een belangrijk instrument. Taakherschikking past bij het idee dat iedere professional moet doen waar hij goed in is – de juiste zorgverlener op de juiste plek – en de patiënt hierbij maximaal wordt geholpen. Dit komt het werkplezier, de kwaliteit én de efficiency van professionals ten goede en daarmee de effectiviteit van de zorg.

Inmiddels is gebleken dat taakherschikking een succesvol instrument is voor het leveren van doelmatige en kwalitatief hoge zorg. Dat is ook terug te zien in diverse onderzoeken, die positieve effecten aantonen in termen van toegankelijkheid, kwaliteit van zorg en patiënttevredenheid. Graag verwijs ik u naar de resultaten van het onderzoek naar de financiële effecten van taakherschikking (Radboud UMC, 2019) zoals met u gedeeld in mijn brief d.d. 20 februari 2019 (TK 31 016, nr. 211).

Een goed voorbeeld van taakherschikking is de inzet van de physician assistant en verpleegkundig specialist in de zorg. Zij nemen steeds meer taken over van medisch specialisten en huisartsen. Vanuit de betrokken beroepsgroepen bereiken mij veel positieve geluiden hierover. In het kader van taakherschikking lopen op dit moment ook experimenten met de Bachelor Medisch Hulpverlener en start volgend jaar het experiment van de geregistreerd-mondhygiënist.

Taakherschikking zal door de invloed van technologie alleen maar toenemen. Een mooi beroep dat inspeelt op toenemend gebruik van technologie in de zorg is de klinisch technoloog. Dit beroep is een voorbeeld van een succesvol experiment conform de Wet BIG. De aangenomen wetswijziging tot definitieve regulering van de klinisch technoloog in de Wet BIG zal naar verwachting in het voorjaar van 2020 inwerkingtreden.

Terughoudendheid met betrekking tot taakherschikking ben ik tegen gekomen in het kader van het onderzoek «Zorgverplaatsing naar de paramedische sector: lokale kansen verzilveren op nationaal niveau» (TK 29 689, nr. 994). De onderzoekers concluderen dat het starten van een initiatief afhangt van de omvang van de patiëntengroep, de organisatiegraad van de (para)medici, de noodzaak en urgentie van zorgverschuiving en draagvlak. Daarnaast ben ik bij de beantwoording van de voorhang van het concept tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid geregistreerd-mondhygiënist (Kamerstuk 32 620, nr.217) uitgebreid ingegaan op de verschillende opvattingen van de betrokken beroepsgroepen bij de tijdelijke uitbreiding van de bevoegdheden van (geregistreerd-) mondhygiënisten.

Vraag 286

Hoeveel werkgevers in Nederland zetten op dit moment in op jobcarving en jobcrafting? Wat zijn de meest recente resultaten daarvan?

Antwoord:

Met het actieprogramma Werken in de zorg zetten we erop in dat meer werkgevers gebruik maken van de mogelijkheden van jobcarving en jobcrafting. Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel werkgevers in Nederland inzetten op jobcarving en jobcrafting. Iedere werkgever zal zelf de afweging maken of en hoe dit te doen. Er bestaan goede voorbeelden. Er zijn verschillende initiatieven gericht de inzet van de assistent zorg en welzijn, bijvoorbeeld door de Zorggroep Noorderboog in Noordoost-Nederland, vakschool de Zorgwacht in Utrecht en Thuis Opmaat in Rotterdam. Dit is een nieuwe functie op mbo-niveau 1. Hiermee krijgen meer mensen de mogelijkheid om aan de slag te gaan in de zorg en zorgorganisaties hebben zo extra krachten. We zien dat werkgevers nog veel van elkaar kunnen leren. Dit is waar het Actieleernetwerk op inzet. In eerste instantie met het in kaart brengen en laten zien van goede voorbeelden en hoe organisaties die kunnen toepassen in de eigen organisatie heeft het Actieleernetwerk een facilitatorspool gevormd. Organisaties en netwerken die concreet met actieleren aan de slag willen gaan en daarbij externe ondersteuning nodig hebben, kunnen vanuit die pool begeleiding bij actieleren inhuren, bijvoorbeeld voor actieleren rondom jobcarving en jobcrafting.

Vraag 287

Kunt u een update geven van de zorg voor mensen na coma met niet-aangeboren hersenletsel? Zijn hier ontwikkelingen te melden?

Antwoord:

In februari heb ik de Kamer naar aanleiding van vragen van Kamerlid Van den Berg geïnformeerd (Aanhangsel van de Handelingen, 2018–2019 nr. 1411) over de voortgang om tot een goedlopende zorgketen te komen voor mensen met een langdurige bewustzijnsstoornis (LBS).

In deze beantwoording heb ik toegelicht dat partijen de komende periode gezamenlijk werken aan de implementatie van de aanbevelingen uit het rapport Passende zorg voor mensen met een lage bewustzijnsstoornis (2018). Dat rapport betreft een beschrijving van wat goede ketenzorg is voor iemand met een langdurige bewustzijnsstoornis. Partijen hebben mij laten weten dat er de afgelopen maanden verdere stappen zijn gezet in het verbeteren van deze zorgketen. Zo wordt verder onderzoek naar de zorgketen gestart. Ook wordt door partijen uitwerking gegeven aan een passende bekostiging voor langdurige intensieve neurorevalidatie. Ten slotte werken partijen aan het opzetten van een specialistisch mobiel team voor het verrichten van diagnostiek ter plaatse en het opzetten van een diagnostisch centrum voor nader onderzoek naar de diagnoses. Het streven is dat beiden per 2020 van start gaan.

Vraag 288

Kunt u aangeven hoe het staat met de besteding van de middelen voor Waardig ouder worden die voor deze regeerperiode beschikbaar zijn gesteld? Kunt u dit uitsplitsen per post zoals dit in het regeerakkoord staat?

Antwoord:

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal waardig ouder worden cf. Regeerakkoord

50

50

50

30

30

wv. Campagne herwaardering ouderdom

2

2

2

0

0

Kasschuif onderuitputting 2018

– 1,4

1

0,2

0,2

 

Einde jaarsmarge 2018

– 0,4

0,4

     

Kasschuif onderuitputting 2019

 

– 1

1

   

Nieuw totaal Campagne herwaardering ouderdom

0,2

2,4

3,2

0,2

0

wv. Bestrijding eenzaamheid

8

8

8

5

5

Einde jaarsmarge 2018

-0,4

0,4

     

Kasschuif onderuitputting 2019

 

– 2,5

2

0,5

 

Nieuw totaal Bestrijding eenzaamheid

7,6

5,9

10

5,5

5

wv. Versteviging respijtzorg en dagopvang

10

10

10

5

5

Kasschuif onderuitputting 2018

– 6,5

1

1

2

2,5

Eindejaarsmarge 2018

– 1,6

1,6

     

Kasschuif onderuitputting 2019

 

– 1,2

1,2

   

Nieuw totaal Versteviging respijtzorg en dagopvang

1,9

11,4

12,2

7

7,5

wv. Landelijke vrijwilligersorganisaties

2

2

2

2

2

Kasschuif onderuitputting 2018

– 1,6

1,1

0,5

   

Eindejaarsmarge 2018

– 0,3

0,3

     

Kasschuif onderuitputting 2019

 

– 1

1

   

Nieuw totaal Landelijke vrijwilligersorganisaties

0,1

2,4

3,5

2

2

wv. Palliatieve zorg

8

8

8

8

8

Kasschuif onderuitputting 2018

– 1,6

1,6

     

Eindejaarsmarge 2018

– 0,4

0,4

     

Nieuw totaal Palliatieve zorg

6

10

8

8

8

wv. Levensbegeleiders/geestelijke verzorging

10

10

10

5

5

Kasschuif onderuitputting 2018

– 10

2

5

3

 

Nieuw totaal Levensbegeleiders/geestelijke verzorging

0

12

15

8

5

wv. Crisiszorg ouderen

10

10

10

5

5

Kasschuif onderuitputting 2018

– 3,9

   

3,9

 

Kasschuif onderuitputting 2019

 

– 1,2

1,2

   

Nieuw totaal Crisiszorg ouderen

6,1

8,8

11,2

8,9

5

Totaal waardig ouder worden na aftrek onderuitputting

21,9

52,9

63,1

39,6

32,5

Kasschuif onderuitputting + einddejaarsmarge 2018

– 28,1

9,8

6,7

9,1

2,5

Kasschuif onderuitputting 2019

0

– 6,9

6,4

0,5

0

Door afronding kunnen de totalen niet overeenkomen met de som der onderdelen.

Vraag 289

Kunt u aangeven hoe het staat met de besteding van de middelen voor preventie van onbedoelde zwangerschap die voor deze regeerperiode beschikbaar zijn gesteld? Kunt u dit uitsplitsen per onderdeel van het zevenpuntenplan?

Antwoord:

Toelichting tabel besteding middelen Preventie onbedoelde zwangerschappen.

  • Bij punt 1, het onderdeel «ophogen van het ondersteuningsaanbod van € 3.000 naar € 8.000» geldt dat het bedrag dat in 2019 wordt uitgegeven op dit moment nog een inschatting is. De scholen moeten zich nog aanmelden, omdat dit pas deze zomer besloten is. Voor verdere informatie verwijs ik u graag naar kamerbrieven TK 32 239 nr. 7 en nr. 402.

  • Bij punt 3 «open house keuzehulpgesprekken» uit de tabel (de ondersteuning van onbedoelde zwangerschap) is het bedrag een inschatting. De keuzehulpgesprekken worden via een open house financiering bekostigd (zie kamerbrieven TK 32 279, nr. 123 en nr. 128). Dit betekent dat de drie partijen die mee doen aan de open house iedere maand een factuur in kunnen dienen. Pas aan het eind van 2019 weet ik daarom wat exact aan dit onderdeel is uitgegeven.

  • De bedragen voor het programma Nu Niet Zwanger en voor de beleidsoptimalisatie jong en kwetsbaar ouderschap zijn onderdeel van het programma Kansrijke Start.

  • De bedragen die zijn gereserveerd voor het programma Nu Niet Zwanger zijn lager dan vanuit het programma Kansrijke start wordt gecommuniceerd. Dit komt omdat niet alle bedragen voor het programma Nu Niet Zwanger uit de RA middelen van onbedoelde zwangerschappen worden betaald; dit antwoord is beperkt tot de middelen uit het Regeerakkoord voor preventie en ondersteuning van onbedoeld zwangere vrouwen.

Tot slot telt de tabel niet op tot de € 53 miljoen die beschikbaar is. Dit komt omdat in 2018 een kasschuif van € 10 miljoen heeft plaatsgevonden en deze is verspreid over de jaren tot aan 2023. Dit betekent dat de € 53 over meer jaren is verspreid dan de huidige kabinetsperiode

Tabel: besteding middelen onbedoelde zwangerschappen.

Zevenpuntenplan en monitoring

Actie

2018

2019

2020

2021

1. Collectieve preventie

Publiekscampagne

1

1

Masterplan onderwijs

6,8

6,8

Coordinatie masterplan onderwijs

0,06

0,025

Zie bij masterplan onderwijs

Voor extra scholen via Gezonde School (103 scholen)

0,03

0,515

Zie bij masterplan onderwijs

Voor extra monitoring op scholen via Gezonde School

0,444

Zie bij masterplan onderwijs

Voor extra handen Gezonde School

 

0,08

Zie bij masterplan onderwijs

 

Voor ophogen ondersteuningsaanbod van € 3.000 naar € 8.000

0,5 dit is een inschatting

Zie bij masterplan onderwijs

 

Subsidie Siriz preventielessen

 

0,25

Behoefteninventarisatie onderwijs door RIVM (inclusief PO)

 

0,134

 

Stimulering erkenningsproces via RIVM

 

0,09

0,09

0,09

2. Groepen met hoog risico

ZonMW programma hoogrisicogroepen + punt 7 kennisinfrastructuur

0,1

3,5

3,5

3,5

3. Ondersteuning onbedoelde zwangerschap

Open house keuzehulpgesprekken

 

0,31

1

1,5

Subsidie Siriz keuzehulp tot 1 juni

0,25

24 uurs bereikbaarheid/ informatiepunt

0,417

0,417

0,417

Keuzehulp gesprekken GGD GHOR

0,37

0,37

0,37

Wordt open house

Opleiding keuzehulpgesprekken

 

0,3

0,4

0,5

4. Anticonceptiecounseling bij hoogrisicogroepen

Extra gelden Nu Niet Zwanger voor landelijke uitrol

0,9

0,5

0,5

1

Reeds lopende gelden Nu Niet Zwanger

1

1

1

 

5. (Herhaalde) abortus

Samenwerking huisartsen/ abortusartsen

0,2

6. Jong en kwetsbaar ouderschap

Beleidsoptimalisatie bij Jong en Kwetsbaar ouderschap via ZonMW

0

1,5

1,5

1,5

7. Kennisprogramma ZonMw

Stimulering kennisinfrastructuur over bereik professionals en burgers via ZonMw

Zie punt 2

Zie punt 2

Zie punt 2

Zie punt 2

Conferentie half 2019 en eind kabinet

0,160

 

0,2

8. Monitoring

Monitoring

0,2

0,2

0,2

Caribisch Nederland

0,5

0,5

0,5

0,5

Totaal kosten

3,46

12,1

16,4

17,5

X Noot
1

Dit bedrag is een inschatting. Facturen moeten nog worden ingediend.

Vraag 290

Kunt u toelichten hoe het amendement en de motie over leefstijlgeneeskunde van de leden Ellemeet en Dik-Faber (Kamerstukken 35 000 XVI, nrs. 14 en 70) worden uitgevoerd?

Antwoord:

VWS heeft via een subsidieoproep bij ZonMw binnen het Preventieprogramma 2019 t/m 2022 € 1 miljoen beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de effectiviteit van leefstijlgeneeskunde. Het uit te voeren klinisch onderzoek moet bijdragen aan beter inzicht in welke leefstijlinterventies kunnen worden ingezet bij welke (chronische) ziekten en aandoeningen, en bij welke patiënten – en onder welke voorwaarden – leefstijlgeneeskunde succesvol kan zijn. De onderzoeksprojecten gaan in september 2020 van start.

Vraag 291

Hoe vaak hebben zorgaanbieders in 2019 een beroep gedaan op de transformatiegelden die overeenkomstig het hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg beschikbaar zijn gesteld? In hoeveel gevallen is een beroep op de transformatiegelden vervolgens ook gehonoreerd door de zorgverzekeraar? Kan nader worden gespecificeerd waar de transformatiegelden precies voor zijn aangewend?

Antwoord:

Uit de monitor transformatiegelden van de NZa blijkt dat ziekenhuizen en zorgverzekeraars nog slechts beperkt gebruik maken van de beschikbare gelden om het verplaatsen, voorkomen en vervangen van ziekenhuiszorg te financieren. In totaal is hiervoor € 425 miljoen beschikbaar, waarvan € 70 miljoen in 2019. Op de peildatum 1 april 2019 is een bedrag van € 1,5 miljoen voor transformatiegelden opgenomen, verdeeld over 6 contracten met verschillende verzekeraars. De initiatieven die hiermee gesteund worden hebben vooral betrekking op e-health toepassingen, met name telemonitoring bij chronisch hartfalen, en integrale zorg. Verzekeraars gaven in april aan nog over 49 initiatieven in gesprek te zijn met ziekenhuizen, waarbij ze verwachten in 2019 nog aanvullende afspraken te maken voor in totaal € 27,5 miljoen.

Omdat de beweging van de juiste zorg op de juiste plek nog op gang moet komen, wordt in aanvang nog weinig gebruik gemaakt van de transformatiegelden. Zorgverzekeraars en ziekenhuizen geven aan dat zij wel afspraken maken in het kader van de juiste zorg op de juiste plek maar dat ze hier niet altijd de transformatiegelden voor inzetten. De NVZ is in gesprek met ZN om te kijken hoe hoe de transformatiegelden volgend jaar doelmatig kunnen worden ingezet. De NZa zal de monitor herhalen op basis van definitieve contracten, met 1 

Vraag 292

Hoeveel geld van het beschikbare budget voor de pilot en het onderzoek voor psychologische zorg voor (ex-)kankerpatiënten is tot nog toe besteed? Hoeveel (ex-)kankerpatiënten hebben inmiddels behandelingen voor de aanpassingsstoornis ontvangen en bij hoeveel (ex-)kankerpatiënten is het behandeltraject (succesvol) voltooid?

Antwoord:

De behandeling van aanpassingsstoornissen is met ingang van 1 januari 2012 uitgesloten van zorg in het kader van de Zvw. In maart 2018 is een tweejarige pilot gestart om behandeling van aanpassingsstoornissen voor patiënten bij wie de behandelingen in het ziekenhuis al zijn afgerond, tijdelijk te vergoeden. Voor de pilot is een subsidie van € 8 mln. van het Ministerie van VWS beschikbaar en een subsidie van € 0,6 mln. van het KWF. Dit bedrag is gebaseerd op een verwachte instroom van 4000 patiënten per jaar. Door de zorgkosten tijdelijk te vergoeden en onderzoek te doen naar de (kosten)effectiviteit vormen de resultaten van deze pilot de input voor een finale beslissing over mogelijke heropname van de aanpassingsstoornis na kanker in het basispakket of een andere vorm van financiering.

Tot nu zijn 470 patiënten opgenomen in de pilot en is € 918.000 besteed. De behandeling in het kader van deze pilot is tot nu toe door 170 van de 470 patiënten (succesvol) afgerond. De redenen dat het aantal aangemelde patiënten achterloopt op de verwachtingen ligt ten eerste in het gegeven dat er in het eerste half jaar van de pilot vertraging in de instroom is geweest, omdat de pilot nog moest worden opgestart. De logistiek moest worden georganiseerd, behandelaren moesten worden gecontracteerd en verwijzers moesten worden geïnformeerd. Een tweede reden voor het aantal lage aanmeldingen is dat het implementeren van zorg die zes jaar niet voorhanden is geweest meer tijd kost dan vooraf gedacht.

Vraag 293

Is in de begroting een bedrag gereserveerd, dan wel beschikbaar gesteld voor de uitvoering van een klinische trial voor het verkrijgen van meer inzicht in de veiligheid en effectiviteit van reconstructie na vrouwelijke genitale verminking (VGV)?

Antwoord:

Nee. Hierbij wordt opgemerkt dat in de aangenomen motie Raemakers/Sjoerdsma (TK 2018/19, 35 000 XVI, nr. 47) is verzocht om het Zorginstituut te vragen in overleg met de betrokken beroepsgroepen advies te geven op welke wijze een klinische trial kan worden vormgegeven zodra de concept-Leidraad Medische zorg voor vrouwen en meisjes met vrouwelijke genitale verminking definitief is vastgesteld. Van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) is vernomen dat de planning is dat deze leidraad rond 1 november wordt geautoriseerd en daarmee definitief is. Vervolgens zal ik hierover contact opnemen met het Zorginstituut. In deze fase dat de leidraad nog niet definitief is en dat het Zorginstituut er nog niet op heeft kunnen reageren, is het reserveren van middelen voor onderzoek dus niet opportuun.

Vraag 294

Hoeveel budget was er totaal gereserveerd voor de domeinoverstijgende experimenten, zoals uitgevoerd in Ede, Dongen en Hollandscheveld?

Antwoord:

Er is geen budget gereserveerd voor dit experiment. Gemeenten hebben in kader van dit experiment verzocht gecompenseerd te worden voor door hen gemaakt extra kosten. Er moet aan voorwaarden voldaan worden voordat er sprake kan zijn van compensatie van de gemeenten in dit experiment. Er moet sprake zijn van extra uitgaven ten behoeve van deelnemers aan het experiment die in de reguliere situatie niet zouden zijn gemaakt, hetgeen gestaafd kan worden met een valide monitor; de aanpak leidt tot behoud of verbetering van kwaliteit van leven waaronder begrepen de gezondheidssituatie van de deelnemer, zodanig dat verantwoord later of geen gebruik wordt gemaakt van zorg op basis van de Wlz. Of en zo ja welke extra kosten worden gemaakt en welke besparingen worden gerealiseerd is op dit moment nog niet bekend.

Vraag 295

Hoeveel budget is er beschikbaar voor eventuele volgende domeinoverstijgende experimenten?

Antwoord:

Er is geen apart budget gereserveerd voor domeinoverstijgende experimenten.

Bij domeinoverstijgende experimenten die door de financiers (gemeenten, Wlz-uitvoerders, zorgverzekeraars) ondersteund worden, maken zij gezamenlijk afspraken over onder andere het budget. Het gaat hierbij vaak niet om extra budget, maar om een andere verdeling van de beschikbare middelen.

Vraag 296

Welke bekostiging is er vanuit het Rijk beschikbaar wanneer in de loop van 2020 al blijkt dat invoering van het Wmo-abonnementstarief uitputting in de gemeentereserves veroorzaakt of dreigt te veroorzaken?

Antwoord:

Met de VNG heb ik afgesproken de gevolgen van de invoering van het abonnementstarief te volgen door middel van een landelijke monitor. Op basis van de uitkomsten uit deze monitor zal ik in overleg met de VNG bezien of het wenselijk is maatregelen te treffen, als blijkt dat er sprake is van ongewenste effecten die niet of onvoldoende door gemeenten kunnen worden beïnvloed binnen de hen toekomende beleidsruimte. Er zijn hiervoor op voorhand geen middelen gereserveerd.

Vraag 297

Hoeveel procent van Wmo Beschermd Wonen blijft onder het begrotingsgefinancierde deel vallen, en hoeveel procent gaat onder het Gemeentefonds vallen?

Antwoord:

  • Tot en met 2021 zal 100% van de middelen voor beschermd wonen begrotingsgefinancierd blijven omdat de verdeling tot en met 2021 voor het gehele budget op basis van een historische verdeling plaatsvindt.

  • Het Rijk en gemeenten zijn overeengekomen in tien jaar tijd tot een objectief verdeelmodel en algehele doordecentralisatie van beschermd wonen te komen (TK 2019–2020, 35 300 B).

  • Dat betekent dat gemeenten in die periode geleidelijk overstappen van de huidige historische verdeling over centrumgemeenten naar een volledig objectieve verdeling over alle gemeenten.

  • Het ingroeipad begint in 2021, waarbij de middelen in 2021 nog 100% historisch worden verdeeld. In 2022 wordt een deel van de middelen voor het eerst objectief verdeeld vanuit de algemene uitkering van het Gemeentefonds.

Vraag 298

Wat neemt u in het jaar 2020 aan concrete stappen om gehandicaptenorganisaties te ondersteunen?

Antwoord:

In de programma’s «Onbeperkt Meedoen», «Zorg voor de Jeugd» en «Volwaardig leven» is volop aandacht voor de zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Hierbij zijn diverse gehandicaptenorganisaties betrokken die waar nodig worden ondersteund. Zo worden cliëntorganisaties ondersteund om de inzet van ervaringsdeskundigheid vanuit deze doelgroep verder te ontwikkelen. En kunnen zorgaanbieders onder andere gebruik maken van ondersteuning bij de implementatie van zorgtechnologie. In de voortgangsrapportages van de drie programma’s die op respectievelijk 6 juni, 7 juni en 30 september 2019 aan de Tweede Kamer zijn verstuurd, is een doorkijk gegeven naar de acties die in 2020 staan gepland.

Vraag 299

Welke middelen zijn er vrijgemaakt om de inzet van zorgpersoneel voor gehandicapten te optimaliseren? Hoe ziet die optimalisatie er in praktijk uit en hoeveel procent van de totale VWS-begroting is dit?

Antwoord:

Om een marktconforme salarisontwikkeling mogelijk te maken stelt VWS jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling beschikbaar. Voor 2019 bedraagt deze bijdrage in totaal ongeveer € 1,7 miljard. Het is vervolgens aan sociale partners om een cao af te sluiten met afspraken over de daadwerkelijke loonontwikkeling.

Gericht op voldoende personeel in de zorg zijn met het actieprogramma Werken in de Zorg – zorgbreed – middelen beschikbaar vanuit SectorplanPlus voor zorginstellingen om nieuwe medewerkers scholing te kunnen bieden. Met ingang van tijdvak vier wordt SectorplanPlus verbreed naar behoud, i.c. voor trajecten die zorgaanbieders kunnen ondersteunen met het verbeteren van het werk- en organisatieklimaat (deze kabinetsperiode € 420 miljoen). Ook kunnen instellingen in de gehandicaptenzorg aanspraak maken op het stagefonds voor de begeleiding van studenten en scholieren (jaarlijks € 112 miljoen). Hiervan zijn geen middelen geoormerkt voor de gehandicaptenzorg. Zodoende valt het totaalbedrag voor de gehandicaptenzorg niet uit te drukken als percentage van de VWS-begroting.

Daarnaast wordt er met het programma «Volwaardig leven» in specifiek ingezet op de gehandicaptenzorg (Wlz), onder andere gericht op voldoende personeel. Zo wordt in 2020 onder andere een ambassadeurstraject voor medewerkers gestart, een handreiking ontwikkeld om in organisaties het gesprek over de personeelssamenstelling te voeren en is er ondersteuning voor zorgaanbieders en medewerkers beschikbaar voor thema’s zoals zorgtechnologie, persoonsgerichte zorg en zeer complexe zorg. In de voortgangsrapportage over het programma, die op 30 september 2019 aan de Tweede Kamer is verstuurd, wordt dit verder toegelicht. Voor het programma is in 2020 € 17,3 mln beschikbaar.

Vraag 300

Hoeveel budget is gereserveerd voor de opdracht aan een groep artsen, apothekers en andere deskundigen om maatregelen te bedenken om het gebruik van zware pijnstillers terug te dringen? Wanneer zijn de eerste resultaten te verwachten?

Antwoord:

Er is een bedrag van 200.000 euro ten behoeve van de activiteiten van de taakgroep opioïden gereserveerd. De eerste resultaten van de taakgroep werden 11 oktober j.l. aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

Vraag 301

Hoeveel zou het kosten om medisch noodzakelijke anticonceptie op te nemen in het basispakket?

Antwoord:

Omdat niet bekend is welk deel van het gebruik van anticonceptie medisch noodzakelijk is, kan ik niet aangeven wat het zou kosten om dit op te nemen in het basispakket. Verder verwijs ik naar de antwoorden op vraag 204 en 205.

Vraag 302

Hoeveel wordt er jaarlijks uitgegeven aan het project Nu Niet Zwanger?

Antwoord:

De GGD-GHOR ontvangt voor de landelijke uitrol van Nu Niet Zwanger in totaal € 5,9 miljoen.

De verdeling over de jaren is als volgt:

2018

2019

2020

2021

€ 1,1 mln.

€ 2,0 mln.

€ 1,9 mln.

€ 0,9 mln.

Vraag 303

Wat is de doelgroep van het project Nu Niet Zwanger?

Antwoord:

De doelgroep van Nu Niet Zwanger zijn kwetsbare mannen en vrouwen in de vruchtbare leeftijd waarbij sprake is van (vaak) een combinatie van:

  • opeenstapeling van problemen en beperkingen (multi-problematiek) zoals het zich gecombineerd voordoen van bijvoorbeeld ernstige psychiatrische problematiek, verstandelijke beperking, verslaving, dakloosheid, schulden, loverboyproblematiek, illegaliteit, etc.;

  • gebrek aan zelfredzaamheid en zelfherstellend vermogen;

  • tekortschieten of onvoldoende aansluiten van hulp van zorg en omgeving;

  • altijd ín beeld zij vanwege complexe problematiek (vrijwel) bij diverse organisaties.

Vraag 304

Bereikt het project Nu Niet Zwanger alle vrouwen die vanwege financiële redenen geen gebruikmaken van anticonceptie?

Antwoord:

Het programma Nu Niet Zwanger ondersteunt kwetsbare (potentiële) ouders om regie te nemen over hun kinderwens, seksualiteit en anticonceptie. Nu Niet Zwanger zet in op intensieve begeleiding van (potentiële) ouders met een verhoogde kwetsbaarheid door veelal een combinatie van problemen. Het gaat hierbij om kwetsbare mannen en vrouwen in de vruchtbare leeftijd waarbij sprake is van (vaak) een combinatie van opeenstapeling van problemen en beperkingen zoals ernstige psychiatrische problematiek, verstandelijke beperking, verslaving, dakloosheid, schulden, loverboyproblematiek, illegaliteit, etc. Daarbij is er gebrek aan zelfredzaamheid en zelf herstellend vermogen. Daarnaast schiet hulp van de zorg en omgeving vaak tekort of sluit onvoldoende aan en zijn de (potentiële) ouders vanwege complexe problematiek vrijwel altijd al in beeld bij diverse organisaties. Door het gesprek aan te gaan, bij de leefwereld aan te sluiten en vragen, emoties, opvattingen en barrières te verkennen, krijgen kwetsbare (potentiële) ouders regie over hun kinderwens en worden ongeplande en ongewenste zwangerschappen voorkomen. Indien nodig zorgt het programma voor financiële en praktische ondersteuning (denk aan toeleiden naar een arts) bij de realisatie van de gewenste anticonceptie. Het programma beperkt zich tot de hierboven beschreven doelgroep (zie ook vraag 303).

Vraag 305

Hoeveel geld is er gemoeid met de invoering van de nieuwe Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)?

Antwoord:

Zoals bij brief van 8 oktober 2019 (Kamerstukken II, 2018–19, 29 282, nr. 381) aan de Tweede Kamer is bericht zal dit wetsvoorstel definitief niet worden ingediend bij de Tweede Kamer.

Vraag 306

Hoe wordt gemeten of de zorg daadwerkelijk toegankelijk, betaalbaar en merkbaar beter wordt voor mensen, nu en in de toekomst? En wanneer is de nulmeting hiervoor gedaan?

Antwoord:

In de VWS-monitor zijn voor de verschillende levensfasen diverse indicatoren opgenomen voor de publieke waarden toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid. Het doel van de monitor is om meer inzicht te krijgen in de gesteldheid van de Nederlandse gezondheidszorg. De monitor is gekoppeld aan de beleidsagenda en heeft een signalerende werking. Door de monitor van opeenvolgende jaren naast elkaar te leggen, ontstaat er inzicht in de veranderingen van gezondheid en de gezondheidszorg.

Omdat deze publieke waarden meerdere dimensies kennen en er geen absolute criteria gelden, is het niet mogelijk om door middel van één indicator vast te stellen of de zorg toegankelijk, betaalbaar en/of merkbaar beter is. Er is om die reden ook niet één nulmeting gedaan.

Vraag 307

Wat is de stand van zaken van de beweging De Juiste Zorg op de Juiste Plek? Zijn hier al concrete cijfers over?

Antwoord:

In de voortgangsrapportage de Juiste Zorg op de Juiste Plek dat op 18 juni jl. aan de Kamer is verzonden is een breed overzicht gegeven van alle acties en beweging op dit onderwerp.18 Ik zie dat diverse brancheverenigingen en partijen in de regio aan de slag zijn. Het is mijn indruk dat de beweging die in het veld is ingezet echt de aandacht heeft van alle betrokkenen. Het gaat dan om patiëntorganisaties, burgerbewegingen, zorgaanbieders, zorgprofessionals en zorginkopers. Het bewustzijn over de beweging is aangewakkerd, de implementatie komt op gang. Op de website www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl zijn veel voorbeelden te vinden van hoe de Juiste Zorg op de Juiste plek gestalte krijgt, al is dat maar een selectie van alle initiatieven die in de praktijk vormkrijgt.

Vraag 308

Weten we hoeveel geld er omgaat in de zorg voor patiënten met meerdere chronische aandoeningen? Zo ja, hoeveel?

Antwoord:

Ik houd niet bij hoeveel zorgkosten gemaakt worden ten behoeve van patiënten met meerdere chronische aandoeningen.

Vraag 309

Constaterende dat het uitgangspunt is niet over patiënten te praten maar met patiënten, wat is de procentuele verhouding tussen verzekerden in de zin van patiënten-niet patiënten?

Antwoord:

De verhouding hangt af van de definitie van een patiënt. Een indicator voor de verhouding patiënt-niet patiënt is het al dan niet bezoeken van een huisarts. In 2018 heeft 78% van de personen die ingeschreven staan bij een huisarts ten minste éénmaal een gedeclareerd contact met de huisarts (en/of de praktijkondersteuner GGZ) gehad (bron: https://www.staatvenz.nl/kerncijfers/huisartscontact-minimaal-%C3%A9%C3%A9n-keer-jaar-contact).

Vraag 310

In hoeverre wordt de groep «verzekerd maar niet patiënt» betrokken bij gesprekken over nieuw beleid?

Antwoord:

Als het wetsvoorstel Verzekerdeninvloed wordt aangenomen heeft de zorgverzekeraar een inspanningsplicht om al zijn verzekerden inspraakgelegenheid te geven op in ieder geval het zorginkoopbeleid en het klantcommunicatiebeleid. Dit geldt dus ook de verzekerden die geen patiënt zijn. Hoe deze inspraak precies wordt vormgegeven, wordt vastgelegd in de inspraakregeling die de zorgverzekeraar en de verzekerdenvertegenwoordiging gezamenlijk opstellen.

Vraag 311

Wat is de verbinding tussen de beleidsvoornemens voor het Sportakkoord, het Nationaal Preventieakkoord en de te verwachten nieuwe Gezondheidsnota?

Antwoord:

Leefstijl, beweging, sport (thema’s uit het Nationaal Preventieakkoord en het Sportakkoord) en de inrichting van de fysieke leefomgeving (nieuwe Landelijke Nota Gezondheidsbeleid) zijn thema’s die inhoudelijk sterk met elkaar verbonden zijn. Daarbij komt dat in alle drie onderdelen de lokale aanpak voorop staat. De activiteiten die voortvloeien uit het Nationaal Preventieakkoord, het Sportakkoord en de op handen zijnde Landelijke Nota Gezondheidsbeleid worden, als het gaat om de lokale schaal, door de gemeenten met betrokken partijen in plannen en akkoorden uitgewerkt en opgepakt. We zien dat veel gemeenten een integrale aanpak voorstaan en de verschillende onderdelen willen verbinden op de genoemde thema’s.

Vraag 312

Kunt u aangeven hoe we de beleidsvisie (de verschuiving van focus op ziekte en zorg naar een focus op gezondheid en gedrag) van dit kabinet kunnen terug zien in het beleid?

Antwoord:

Dit kabinet heeft ervoor gekozen om twee belangrijke akkoorden te sluiten met focus op gezondheid en gedrag, namelijk het Nationaal Preventieakkoord en het Sportakkoord. Met het programma de juiste zorg op de juiste plek zet VWS samen met partijen uit het veld in op het voorkomen van zorg, het verplaatsen van zorg en het vervangen van zorg. Verder wordt de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) sinds 1 januari 2019 vergoed vanuit het basispakket. In navolging van de GLI wordt voor een aantal concrete interventies de haalbaarheid van implementatie verkend, zie ook de brief hierover aan de Kamer (32 793, nr. 403). Ook als mensen ziek zijn loont het om in te zetten op een gezonde leefstijl. Via ZonMw laat ik onderzoek doen naar effectieve leefstijlinterventies die ingezet kunnen worden binnen de zorg.

Vraag 313

Erkent u ook chronische pijn als chronische aandoening, naast de voorbeelden die hiervan worden genoemd zoals artrose, diabetes, Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) en hartfalen, en is er al een algemene richtlijn chronische pijn in Nederland?

Antwoord:

Pijn is een belangrijk symptoom en kan een grote lijdensdruk met zich meebrengen. Chronische pijn is een chronische aandoening, net als de genoemde ziekten chronische aandoeningen zijn.

De in ontwikkeling zijnde Zorgstandaard Chronische Pijn beschrijft vanuit het perspectief van de patiënt wat goede zorg is bij chronische pijn, hoe deze zorg het beste georganiseerd kan worden en hoe te voorkomen dat acute pijn verandert in chronische pijn. Zorginstituut Nederland heeft deze zorgstandaard op de meerjarenagenda geplaatst met het doel dit kwaliteitsinstrument door te ontwikkelen en autorisatie na te streven. In juli 2014 is de projectgroep Zorgstandaard Chronische Pijn gestart. De zorgstandaard Chronische Pijn zit in de fase van goedkeuring door de deelnemende wetenschappelijke verenigingen (autorisatiefase). De zorgstandaard Chronische Pijn is niet geautoriseerd door de NHG en Nederlandse Vereniging van Anesthesiologie. Het Zorginstituut helpt momenteel bij het alsnog autoriseren van de zorgstandaard en kan zo nodig met doorzettingsmacht interveniëren.

Vraag 314

Hoe staat het huidige kabinetsbeleid in verhouding tot de verwachte verdubbeling van 75-plussers in 2040 en op welke manieren bereidt u zich op deze prognose voor?

Antwoord:

De verdubbeling van het aantal 75-plussers in 2040 zal zorgen voor een groeiende zorgvraag. We zien nu al de gevolgen van de vergrijzing en lopen ook aan tegen de grenzen van de organiseerbaarheid van de zorg. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden heeft het kabinet hoofdlijnakkoorden met zorgpartijen afgesloten en lopen er verschillende actieprogramma’s. Het kabinet erkent echter dat er meer nodig is om ook in de toekomst goede zorg voor ouderen te organiseren. Het kabinet heeft daarom een commissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen ingesteld om te adviseren over wat nodig is om de zorg voor thuiswonende ouderen ook in de toekomst op peil te houden. Daarnaast is aan de SER en WRR gevraagd om te adviseren over de gevolgen van de stijgende zorguitgaven en mogelijke oplossingsrichtingen om de zorg betaalbaar te houden. Tot slotte zal het kabinet met alle betrokken partijen verkennen hoe de governance binnen ons zorgstelsel kan en moet worden versterkt om de (toekomstige) zorgvraag in de regio in te kunnen vullen. Daartoe brengt het kabinet voor het zomerreces van 2020 een contourennota uit om in het parlement te bespreken.

Vraag 315

Kunnen de uitgaven voor ouderenzorg worden gesplitst naar uitgaven binnen de Wlz, Wmo en Zvw?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn de uitgaven opgenomen die nagenoeg volledig zijn toe te schrijven aan de ouderenzorg uitgesplitst voor het jaar 2020.

Ouderenzorg (bedragen x € 1 miljard)

2020

Wlz (intramurale ouderenzorg)

12,1

Zvw (geriatrische revalidatie en eerstelijnsverblijf en de wijkverpleging)

5,3

Totaal

17,4

Daarnaast geldt dat voor meerdere onderdelen binnen de Wlz (persoonsgebonden budget, volledig pakket thuis en modulair pakket thuis), Zvw (o.a. genees- en hulpmiddelen, ziekenhuiszorg) en Wmo (o.a. huishoudelijke hulp en ondersteuning) ook door ouderen beroep wordt gedaan op zorg. Hierbij is echter niet bekend welk deel hiervan voor de ouderenzorg is.

Vraag 316

In hoeverre zijn zorgevaluaties verplicht of vrijblijvend?

Antwoord:

Ik heb u voor de zomer het plan van het Programma Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (TK 29 689, nr. 999) voor de komende vijf jaar toegezonden. Het programma Zorgevaluatie en Gepast Gebruik komt voort uit de afspraken zoals gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019–2022 (HLA-MSZ) en heeft als doel dat zorgevaluatie over vijf jaar integraal onderdeel is van het reguliere zorgproces, waarbij het onbekende wordt geëvalueerd en bewezen effectieve zorg wordt geïmplementeerd. Daardoor krijgt de patiënt de bewezen beste zorg en wordt ook bijgedragen aan het betaalbaar houden van de zorg.

De partijen uit het Hoofdlijnenakkoord hebben zich verplicht om de komende jaren gezamenlijk dit programma tot een succes te maken. Het programma streeft er naar om landelijk tot een hoger ambitieniveau te komen ten aanzien van het evalueren van zorg en het implementeren van de uitkomsten hiervan.

Vraag 317

Welke maatregelen op het gebied van zorg en ondersteuning worden er genomen om de verdubbeling van het aantal mensen met dementie tot het jaar 2040 op te vangen?

Antwoord:

In verschillende programma’s, zoals Dementiezorg voor Elkaar, Langer Thuis, Een tegen Eenzaamheid en Thuis in het verpleeghuis, is nu al aandacht voor verbetering van de zorg voor mensen met dementie. Op dit moment werk ik met veldpartijen aan het dementiebeleid vanaf 2021. In dit beleid komen ook maatregelen om voorbereid te zijn op de voorziene stijging van het aantal mensen met dementie. Nog dit jaar zal ik in een brief aan uw Kamer de hoofdlijnen van dit dementiebeleid schetsen.

Vraag 318

Hoe groot was de stijging van het aantal 75-plussers in de periode 2000–2019?

Hoe groot was de stijging van het aantal 90-plussers in de periode 2000–2019?

Hoe groot was de stijging van het aantal alleenwonende 75-plussers in de periode 2000–2019?

Hoe gro

Antwoord:

Het aantal 75-plussers is toegenomen met 449.955: van 957.591 (2010) naar 1.407.546 (2019)19.

Het aantal 90-plussers is toegenomen met 57.842: van 68.796 (2010) naar 126.638 (2019)1.

Het aantal alleenwonende 75-plussers is toegenomen met 153.479: van 407.844 (2010) naar 561.323 (2019)20

In 2018 hadden 5,6 miljoen mensen minimaal eenmaal contact met de huisartsenpraktijk voor een chronische aandoening. Dit komt overeen met 33% van de Nederlandse bevolking. Een «chronische aandoening» is hier gedefinieerd als een aandoening waarbij over het algemeen geen uitzicht is op volledig herstel. De schatting is gebaseerd op een selectie van 109 chronische aandoeningen.

Ruim 85% van de mensen van 75 jaar en ouder had contact met de huisartsenpraktijk voor een chronische aandoening21. Er zijn geen vergelijkbare cijfers over het jaar 2000 bekend.

Vraag 319

Op welke wijze wordt vervolg gegeven aan het Deltaplan Dementie, gezien de onverminderd grote opgave om mensen met dementie ook na 2020 te voorzien van goede zorg en ondersteuning?

Antwoord:

Op dit moment werk ik, samen met veldpartijen, aan het dementiebeleid vanaf 2021. Dit zal zowel onderzoek, zorginnovatie als sociale innovatie omvatten. Nog dit jaar zal ik in een brief aan uw Kamer de hoofdlijnen van dit beleid schetsen.

Vraag 320

Wat zijn de redenen voor het afnemen van het aantal mantelzorgers?

Antwoord:

Sinds 2014 schommelt het aantal mantelzorgers rond de 4 tot 4,5 mln. Het PBL en SCP verwachten voor 2040 een daling van het aantal mantelzorgers vanwege de toenemende vergrijzing.

(Bron: SCP, toekomst van de mantelzorg, 2018/2019)

Vraag 321

Gegeven dat «Niet alleen op ieders eigen domein, maar juist ook op domeinoverstijgende samenwerking»- hoeveel middelen zijn er in 2020 beschikbaar, per zorgdomein (Wmo 2015, Wlz, Zvw) voor domeinoverstijgende samenwerking? Hoeveel middelen zijn er per jaar besteed sinds het jaar 2015 in het kader van de experimenteerartikelen van de Wlz (artikel 10.1.1 en artikel 10.1.2)? Hoeveel experimenten/projecten hebben sinds 2015 gebruikgemaakt van de experimenteerartikelen van de Wlz? Hoeveel middelen zijn per jaar, sinds 2015, besteed in het kader van de experimenteerruimte van de Zvw, de beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten? Hoeveel experimenten/projecten hebben sinds 2015 gebruikgemaakt van de experimenteerruimte van de Zvw?

Antwoord:

Sinds de totstandkoming van de Jeugdwet (Jw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn voor de uitvoering van die onderscheiden wetten financiële middelen beschikbaar. Die middelen zijn separaat opgenomen in de begroting van VWS en de begroting van het Gemeentefonds. Ik heb geen zicht op de hoeveelheid geld die er in de dagelijkse praktijk, sinds 2015, per jaar per zorgwet wordt geïnvesteerd door partijen om passend aanbod over domeinen heen voor cliënten te realiseren.

Er is tot nu toe eenmaal gebruik gemaakt van het experimenteer artikel in de Wlz: voor het Experiment integraal pgb. Het betreft een experiment waarbij de domeinen van de Jeugdwet, de Wmo 2015, de wet Langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet zijn betrokken. Binnen de Zvw is geen apart experimenteerartikel opgenomen zoals deze er wel is binnen de Wlz. De Zvw kent echter wel experimenteerruimte, de Beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten. Deze kan ook over twee domeinen heen gaan (Zvw en Wlz). De aanvraag hiervoor moet door een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder gezamenlijk ingediend worden bij de Nederlandse Zorgautoriteit voor zover dit experiment en binnen het Wlz-domein betreft geldt hiervoor een financieel kader. Deze geoormerkte ruimte voor innovatie in de langdurige zorg bedraagt in 2019 € 10 miljoen. Op basis van de Beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten zijn er 10 experimenten in de Wlz die vanaf 1 januari 2015 gestart zijn, en experimenten die eerder gestart zijn maar nog steeds lopen. Deze experimenten zijn niet domeinoverstijgend. Er zijn daarnaast 41 experimenten in de Zvw (op basis van de beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten) die vanaf 1-1-2015 gestart zijn, én experimenten die eerder gestart zijn maar nog steeds lopen. Hiervan zijn er 7 domeinoverstijgend. Omdat experimenten in de Zvw niet uit budgetten, maar «gewoon» door de zorgverzekeraars uit de Zvw betaald worden heeft de NZa aangegeven geen zicht te hebben op de uitgaven.

Vraag 322

Welke resultaten zijn er toe nu toe geboekt vanuit de taskforce Juiste Zorg op de Juiste Plek? Kunt u voorbeelden geven van plekken waar al daadwerkelijk een zichtbare en tastbare verschuiving heeft plaatsgevonden van Universitair Medische Centra (umc’s) naar algemene ziekenhuizen, en van algemene ziekenhuizen naar anderhalve- en eerstelijnszorg?

Antwoord:

Zoals in de voortgangsrapportage die op 18 juni jl. aan de Kamer is verzonden staat te lezen wordt de beweging de Juiste Zorg op de Juiste Plek langs een aantal lijnen gestimuleerd.22 Het betreft communicatie, het delen van know-how, een aantal specifieke instrumenten en de VWS brede agenda. De instrumenten betreffen bijvoorbeeld de basisdataset die het RIVM heeft ontwikkeld en de vouchers die partijen kunnen aanvragen via ZonMw. In de beleidsagenda van VWS komen in alle programma’s en beleidsvelden de uitgangspunten van de beweging de Juiste Zorg op de Juiste Plek zo veel mogelijk terug. Voor wat betreft het delen van know-how gaat het kennisplatform per 3 oktober van start. Hiermee draagt VWS bij aan beter onderbouwde praktijk en beter onderbouwd beleid.

Voorbeelden waar al een daadwerkelijk zichtbare en tastbare verschuiving heeft plaatsgevonden staan op www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl

Vraag 323

Hoe komt het dat de kosten voor medische specialistische zorg in 2018 ten opzichte van 2017 het meest gestegen zijn? Wat betekent dit voor de beweging van de Juiste zorg op de juiste plaats? Wat betekent dit voor de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord Medisch specialistische zorg?

Antwoord:

De procentuele ontwikkeling van de uitgaven is in de MSZ niet het hoogst. Bijvoorbeeld: op basis van het jaarverslag 2018 is te zien dat de uitgaven in de MSZ tussen 2017 en 2018 met bijna 3% zijn gestegen. Voor de sectoren huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening gezamenlijk is de stijging in diezelfde periode bijna 6%. Echter, omdat de uitgaven in de MSZ (€ 22,6 miljard in 2018) aanzienlijk hoger zijn dan in de huisartsen- en multidisciplinaire zorg (€ 3,5 miljard in 2018) leidt een stijging van 3% in de MSZ tot een hogere groei in euro’s. Op basis van alleen de uitgavenontwikkeling kunnen geen conclusies worden getrokken over de beweging naar de Juiste Zorg op de Juiste Plek en de afspraken uit de hoofdlijnenakkoorden.

Vraag 324

Over welke regio gaat het in de vraag over de toekomstige zorgvraag? Zijn de contouren van deze regio's in beton gegoten?

Antwoord:

Op dit moment wordt voor verschillende onderwerpen soms een verschillende regio-indeling gevolgd. Voor de samenwerking op het terrein van ouderen, ggz, preventie is er een samenwerkingsstructuur, in lijn met de afspraken die zorgverzekeraars en gemeenten hebben gemaakt, in beginsel voor de indeling in zorgkantoorregio’s (Wlz-regio indeling). Daar past enige flexibiliteit en gaandeweg zal de indeling vaster komen te staan. Het is essentieel dat er uiteindelijk een landelijk dekkend beeld is.

Vraag 325

Wat is de basis voor de focus bij de contourennota op de regio?

Antwoord:

Er is voor gekozen om de regio centraal te stellen omdat er regionaal een goed beeld bestaat over de (verwachte) knelpunten die er zijn en deze ook verschillend kunnen zijn per regio. Om de (toekomstige) zorgbehoefte en daarmee benodigde zorg te kunnen leveren is het belangrijk dat er vanuit de regio een duidelijk beeld hierover ontstaat. Op basis van de regiobeelden zal worden bepaald wat in de regio nodig is en zullen ook oplossingsrichtingen worden geformuleerd.

Vraag 326

In hoeverre worden best practices van huidige samenwerkingen tussen zorgverzekeraars en zorgkantoren meegenomen bij de voorstellen tot aanpassing van wet- en regelgeving?

Antwoord:

Wetsvoorstellen die betrekking hebben op zorgverzekeraars en zorgkantoren worden voorafgegaan door een consultatie met betrokken veldpartijen. Op die manier worden ook best practices meegenomen.

Lessen op het gebied van samenwerken met betrekking tot het voorkomen, vervangen en verplaatsen van zorg die getrokken worden uit de beweging de Juiste Zorg op de Juiste Plek komen aan de orde via bijvoorbeeld de beleidsevaluatie, het kennisplatform en de voorbeelden uit het veld. Vervolgens wordt deze kennis gebruikt als er eventuele aanpassingen van wet- en regelgeving zijn.

Vraag 327

Welke stilstand in ontwikkeling wordt voorzien door de komst van de contourennota?

Antwoord:

VWS wil de ontwikkeling verder helpen zodat blijvend kan worden voldaan aan de (toekomstige) zorgvraag en haakt daarom aan bij de ontwikkelingen in de regio om te weten wat er speelt, wat er nodig is, wie daarbij aan zet is. Zo is VWS betrokken bij verschillende initiatieven in Flevoland, Land van Cuijk, Drenthe, Zeeland en Den Haag. De komende tijd zal die betrokkenheid in meerdere regio’s vorm krijgen.

Vraag 328

Is de bespreking van de contourennota gepland voor het zomerreces van het jaar 2020?

Antwoord:

Zoals toegezegd wordt voor het zomerreces van 2020 een contourennota uitgebracht om