Gepubliceerd: 25 oktober 2018
Indiener(s): Menno Snel (staatssecretaris financiƫn) (D66)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35032-5.html
ID: 35032-5

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 oktober 2018

1. Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, GroenLinks en de SGP.

Met genoegen heeft het kabinet geconstateerd dat de leden van de fractie van de VVD met interesse hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel en dat zij het belang van begrijpelijke wetgeving en ruimte voor ondernemers benadrukken. Dit wetsvoorstel kan daaraan bijdragen. De leden van de fractie van het CDA merken terecht op dat het voorstel leidt tot minder bureaucratie en administratieve lasten voor kleine ondernemers en ook tot een beperkte complexiteitsreductie voor de Belastingdienst. Het verheugt het kabinet dat ook de leden van de fractie van GroenLinks hun steun uitspreken voor de met dit voorstel beoogde vereenvoudiging voor ondernemers die leidt tot een afname van de administratieve lasten. Ook de leden van de fractie van de SGP hebben kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel en maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen. Hierna wordt ingegaan op de vragen van de leden van deze fractie en die van de fracties van de VVD, het CDA en GroenLinks.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er is gekozen voor een omzetdrempel van € 10.000 per jaar, waarboven pas de btw over grensoverschrijdende digitale diensten aan particulieren in andere lidstaten wordt geheven in de lidstaat waar die consument woont. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen waarom is gekozen voor deze grens. Deze grens is destijds in het voorstel voor de richtlijn elektronische handel opgenomen. De aanleiding daarvan was een door de Europese Commissie verrichte geschiktheidscontrole van het sinds 1 januari 2015 bestaande mini-éénloketsysteem (MOSS) voor grensoverschrijdende elektronische diensten binnen de Europese Unie. Op basis van de in die studie geconstateerde tekortkomingen en belemmeringen van het MOSS, waarmee in het bijzonder midden- en kleinbedrijven en micro-ondernemers te maken hebben, is gekozen voor de omzetdrempel van € 10.000. Dit voorkomt dat ondernemers die sporadisch of voor kleine bedragen digitale diensten over de grens verrichten, te maken krijgen met extra buitenlandse btw-verplichtingen. De Commissie en de lidstaten zijn van mening dat met de drempel de administratieve problemen voor genoemde bedrijven voldoende worden aangepakt en dat deze maatregel proportioneel is ten opzichte van de hiermee gemoeide heffingsbelangen

Het kabinet begrijpt de opmerking van de leden van de fractie van het CDA dat de invoering van bovengenoemde omzetdrempel van € 10.000 principieel een enigszins wonderlijke verandering is, omdat de btw onder die drempel voortaan niet meer wordt afgedragen in het land waar de consument woont. Dit is inderdaad een uitzondering op het algemene uitgangspunt in de btw-heffing dat de belasting moet toekomen aan de jurisdictie waar de consument woont, welk principe sinds 1 januari 2015 ook binnen de Europese Unie van toepassing is op alle digitale diensten. Zoals hierboven is aangegeven, en ook in onderdeel 2.1 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, was die wijziging van 1 januari 2015 voor in het bijzonder kleinere ondernemers in een aantal gevallen onevenredig zwaar wat betreft hun administratieve lasten. Deze kleinere ondernemers worden nu tegemoet gekomen, wanneer ze maar in 1 lidstaat een vestiging hebben en wanneer ze onder genoemde omzetdrempel blijven voor hun grensoverschrijdende digitale diensten. Het kabinet meent dat daarmee de door de leden van deze fractie bedoelde schuif van het land van de consument naar het land van de ondernemer gerechtvaardigd is en gezien de beperkte hoogte van de drempel ook proportioneel is in relatie tot de hiermee gemoeide heffingsbelangen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het aantal bewijsstukken dat ondernemers moeten leveren voor het bepalen van de plaats waar de consument van digitale diensten gevestigd is. Zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven, is de desbetreffende nieuwe bepaling in het Unie-recht een tegemoetkoming aan ondernemers die in niet omvangrijke mate digitale diensten verrichten voor consumenten. Hierdoor kan een ondernemer die jaarlijks voor niet meer dan € 100.000 aan digitale diensten verricht voor consumenten, voor het vaststellen van de woonplaats van een consument volstaan met één bewijsstuk van een derde betrokkene bij de digitale dienst. Het kabinet merkt in dit verband op dat de vermelding in onderdeel 2.1 van het algemene deel van de memorie van toelichting dat het hier zou gaan om een drempel van € 100.000 aan grensoverschrijdende digitale diensten, niet correct is. Het gaat hier dus om het totaal van de door een ondernemer verrichte digitale diensten aan consumenten die wonen in zowel zijn eigen lidstaat als in andere lidstaten. In antwoord op de leden van de fractie van het CDA merkt het kabinet dan ook op dat deze nieuwe regeling in het Unie-recht los moet worden bezien van de keuze die een ondernemer maakt voor de lidstaat van heffing wanneer zijn grensoverschrijdende digitale diensten aan consumenten minder dan € 10.000 bedragen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de mogelijkheid voor ondernemers met een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000 om er voor te kiezen toch de btw te blijven voldoen in het land van de consument. Dit naar aanleiding van de opmerking van de regering dat zoiets bijvoorbeeld aantrekkelijk kan zijn in gevallen waarin het tarief in de lidstaat van de consument aanzienlijk lager is dan het tarief in de eigen lidstaat. Graag licht het kabinet toe dat deze opmerking moet worden gezien in het belang van de kleine ondernemer die in andere lidstaten concurreert met lokaal gevestigde aanbieders en voor wie een substantieel tariefverschil relevant kan zijn. Omdat afdracht in de eigen lidstaat bedoeld is als een begunstigende administratieve faciliteit en niet als een nadelig uitwerkende verplichting, hebben lidstaten besloten om ondernemers die onder de drempel blijven de keuze te bieden tussen de administratieve faciliteit of het benutten van het buitenlandse tariefvoordeel.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks over de bestaande tariefverschillen merkt het kabinet op dat digitale diensten in de meeste lidstaten onder het algemene btw-tarief vallen. Het algemene tarief verschilt tussen lidstaten variërend van 17% tot 27% op 1 januari 2018. Verder vallen bepaalde digitale diensten in sommige lidstaten onder het verlaagde btw-tarief. Het totale bedrag aan buitenlandse btw voor digitale diensten dat via het MOSS systeem wordt aangegeven door Nederlandse ondernemers met een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000, bedraagt minder dan € 300.000. Naar verwachting zal slechts een klein deel van deze ondernemers ervoor kiezen om toch de btw te blijven voldoen in het land van de consument. Het budgettaire gevolg hiervan is nihil. Dat geldt ook voor buitenlandse ondernemers die ervoor kunnen kiezen om in Nederland btw te blijven voldoen.

De leden van de fractie van de SGP vragen naar de reden van de bepaling in de wet dat de tegenwaarde in de nationale munteenheid van de drempelwaarde van € 10.000 wordt berekend volgens de wisselkoers van 5 december 2017. Om te kunnen vaststellen of een ondernemer bijvoorbeeld onder de € 10.000 grens blijft, is er voor zowel de ondernemer als de nationale belastingdiensten zekerheid nodig over de omzet uitgedrukt in verschillende nationale valuta omgerekend in euro’s. Teneinde die zekerheid te bereiken is de koers van die nationale valuta in de richtlijn elektronische handel vastgepind op de koers van 5 december 2017, de datum van publicatie van die richtlijn. Schommelingen van de wisselkoers kunnen zo het systeem niet beïnvloeden.

3. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de wijze waarop de € 0,25 miljoen regeldrukreductie voor het wetsvoorstel implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel is vastgesteld. Er wordt verondersteld dat ondernemers op twee manieren gaan profiteren van de maatregelen uit het wetsvoorstel. Ten eerste zijn er circa 1.000 ondernemers die profiteren van het feit dat zij voortaan in de eigen lidstaat in plaats van de lidstaat van de consument aangifte kunnen doen over de grensoverschrijdende omzet van digitale diensten, waarbij voor de gemiddelde kostenbesparing € 225 per aangifte is gerekend. Verder zijn er circa 1.400 ondernemers die voortaan voor de vaststelling van de plaats van de afnemer nog maar één in plaats van twee bewijsstuk(ken) aan hoeven te leveren. Voor deze ondernemers wordt een besparing van € 25 per bewijsstuk verondersteld. In totaal hebben de maatregelen uit het wetsvoorstel een administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven tot gevolg van circa € 0,25 miljoen.

Ook wordt gevraagd op welke wijze de regeldrukreductie wordt gemonitord en hoe wordt geborgd dat het voorstel daadwerkelijk tot regeldrukreductie zal leiden. Het kabinet maakt voorafgaand aan het moment van implementatie van nieuwe wet- en regelgeving een ex-ante inschatting van de administratieve lasten, waarbij zowel de kwalitatieve als kwantitatieve regeldrukgevolgen in kaart worden gebracht. De geïnventariseerde regeldrukgevolgen worden vervolgens door het kabinet ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), waarna de ATR het kabinet adviseert over de regeldrukgevolgen van de voorgenomen wet- en regelgeving. Het ATR advies kan aanleiding vormen voor het kabinet om voorafgaand aan het moment van implementatie nog wijzigingen in het voorstel aan te brengen.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de fractie van de VVD merkt het kabinet op dat dit wetsvoorstel een aantal verplicht te implementeren bepalingen van de richtlijn elektronische handel betreft. Die bepalingen geven de lidstaten niet de ruimte om eventueel nog aanvullende regeldrukreductie toe te passen.

4. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de fractie van de SGP vragen zich af of er geen verwachte kosten zijn voor de Belastingdienst na het jaar 2018. Het effect voor de uitvoering is klein omdat de doelgroep en het fiscaal belang relatief beperkt van omvang zijn. Mede hierdoor en gezien de wijzigingen verwacht de Belastingdienst dat er nauwelijks impact is op de uitvoeringskosten na het jaar 2018.

5. Advies en consultatie

In reactie op de opmerking van de leden van de fractie van de SGP dat zij benieuwd zijn naar de negatieve punten die het bedrijfsleven heeft ingebracht, merkt het kabinet op dat die er niet zijn met betrekking tot de omzetting van artikel 1 van de richtlijn elektronische handel.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel