Gepubliceerd: 11 oktober 2018
Indiener(s): Johannes Sibinga Mulder
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35030-6.html
ID: 35030-6

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 11 oktober 2018

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Freriks

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking. Deze leden benadrukken het belang van het effectief tegengaan van belastingontwijking waarbij tegelijkertijd er oog voor moet zijn dat het vestigingsklimaat voor goedwillende bedrijven niet geschaad wordt. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking. Deze leden achten het zeer positief dat de in Europa overeengekomen maatregelen tegen belastingontwijking nu in wetgeving verankerd worden. Deze leden vinden de aanpak van belastingontwijking van het grootste belang en zien dit ook terug in de prioriteiten van de regering. De maatregelen in onderhavig wetsvoorstel zien zij als een belangrijke stap in gezamenlijke maatregelen op EU-niveau om belastingontwijking aan te pakken.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking. Deze leden verwelkomen de ambitieuze inzet van dit kabinet om belastingontwijking en -ontduiking aan te pakken.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij hebben hierbij nog een flink aantal kritische vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van de implementatiewet van de EU-richtlijn antibelastingontwijking. Zij vinden dit een goede eerste stap en willen graag van de regering weten waarom het zolang heeft moeten duren waarom de implementatiewet gereed was. Dit onderwerp verdient een uitgebreid debat en nu wordt het bij vele fiscale maatregelen gevoegd en verwatert de discussie over belastingontwijking en de mogelijkheden die landen daartoe bieden. Deze leden merken op dat het budgettair beslag van deze richtlijn behoorlijk is en vragen dan ook aan de regering een overzicht te geven van de gemiddelde belastingdruk van grote multinationale bedrijven.

Wat deze leden betreuren is dat de regering de woningbouwcorporaties niet uitzondert van deze richtlijn. Kan de regering een duidelijke verdeling van de belastingopbrengsten geven en wat opgebracht wordt door woningbouworganisaties en wat door commerciële bedrijven?

Dit wetsvoorstel is de uitwerking van de belastingontwijkingsrichtlijn Anti Tax Avoidance Directive 1 (ATAD 1). Belastingontwijking is bijna per definitie een grensoverschrijdend probleem. Hoewel alle landen naar mening van de leden van de PvdA-fractie binnenlandse maatregelen moeten nemen, is er bij uitstek een taak weggelegd voor de EU om duidelijke regels te stellen in de strijd tegen belastingontwijking. De leden van de PvdA-fractie steunen dit van harte. Zij hebben bij het wetsvoorstel nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van de implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking.

ATAD heeft vergaande gevolgen, met name voor kapitaalintensieve sectoren zoals lucht- en scheepvaart. Nederland heeft een relatief kapitaalintensieve economie in vergelijking met andere EU landen. Betekent dit (dus) dat Nederland ook onevenredig hard wordt geraakt door ATAD in het algemeen en door de extreem strenge Nederlandse implementatie van de maatregelen in het bijzonder? Indien nee, graag een toelichting waarom dit niet het geval is

De leden van de DENK-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van de implementatie in de verschillende lidstaten. Welke lidstaten hebben de richtlijn op tijd geïmplementeerd, wie moet nog en wie gaat de deadline waarschijnlijk niet halen? Heeft dit nog consequenties voor de (concurrentiepositie) van het Nederlands bedrijfsleven?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe overbodige stapeling van wetgeving wordt voorkomen? Hoe wordt voorkomen dat goedwillende bedrijven «verdrinken» in de hoeveelheid antimisbruikbepalingen?

De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze deze regering zich het afgelopen jaar heeft ingezet om het belastingbeleid, inclusief de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking, internationaal en binnen Europa nog beter te coördineren. Deze leden vragen om hierbij ook in te gaan op de conclusies van de beleidsbrief van het Europees netwerk voor economisch en fiscaal beleidsonderzoek1.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering een actualisatie kan geven van de stand van zaken bij de onderhandelingen over de belastingheffing in de digitale economie en het voorstel om te komen tot een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting. Deze leden vragen om een overzicht van de vennootschapsbelasting (vpb)-tarieven in andere EU-lidstaten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat het budgettair had opgeleverd als we op alle terreinen de strengst mogelijke optie uit ATAD 1 hadden overgenomen.

Wat had het budgettair opgeleverd als we op alle terreinen de minst strenge optie uit ATAD 1 hadden gekozen?

In hoeverre is bij dit wetsvoorstel rekening gehouden met de aangenomen motie Van der Lee, waarin de Kamer de regering verzoekt om uitgebreid toe te lichten hoe de keuzes van Nederland zich verhouden tot die van andere lidstaten?

Zou het niet beter zijn als alle Europese landen ATAD 1 op dezelfde (strenge) manier zouden implementeren? Heeft Nederland gepleit om de minimumharmonisatie te verhogen?

Hoe beoordeelt de regering de uitspraken van de directeur van het Centraal Planbureau (CPB) dat Nederland nog steeds niet genoeg doet om belastingontwijking aan te pakken?

De leden van de SP-fractie vragen de regering of met het vastleggen van maatregelen in bindende regels werkelijk belastingontwijking wordt uitgebannen. Deze leden vragen de regering welke regels nog meer nodig zijn om belastingontwijking uit te bannen.

De leden van de SP-fractie menen dat de sociale huursector, die geen winstdoelstelling heeft, niet internationaal opereert en geen belasting ontwijkt, van de regering geen vrijstelling krijgt van deze belastingmaatregel. Deze leden vragen de regering wat zij hieraan gaat doen. Klopt het dat andere lidstaten hun woningbouwcorporaties uitzondert van deze richtlijn? Kan de regering een overzicht geven?

De leden van de DENK-fractie vragen hoe ATAD 1 en de fiscale eenheid op elkaar inwerken? Klopt het dat de ene maatregel zorgt voor meer belastingopbrengsten en de andere voor minder? Wat is het saldo van deze twee maatregelen?

Is het op basis van EU-recht echt niet mogelijk om woningcorporaties uit te zonderen van de maatregelen van ATAD 1, net als dit gebeurd is voor publiek-private samenwerking (PPS)-projecten? Waarom kiest de regering niet voor deze mogelijkheid?

Waarom is bij de implementatie van ATAD 1 uitgegaan van fraus legis en bij de Moeder-dochterrichtlijn in 2015 niet?

Hoe werken de renteaftrekbeperking van ATAD 1 en de renteaftrekbeperking voor de banken (92% van het balanstotaal) op elkaar in? Geldt ATAD 1 ook voor banken?

Klopt het dat door middel van de Wet bronbelasting 2020 de regering tegelijkertijd ook invulling geeft aan ATAD 1 via model A?

2. Implementatiegevolgen voor Nederland

De leden van de SP-fractie vragen de regering of het gebruik van hybride entiteiten en instrumenten in Nederland schering en inslag zijn. Deze leden vragen de regering of hybridemismatchmaatregelen gebruikelijk zijn in Nederland. Deze leden vragen de regering wat voor effect ze zullen hebben op de Nederlandse situatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer de maatregelen ter implementatie van ATAD II naar de Kamer worden gestuurd. Zij constateren dat de datum van inwerkingtreding vast staat, en dat er derhalve geen redenen zijn te dralen met het voorbereiden van de wetgeving.

2.1 Controlled foreign companies

De leden van de VVD-fractie vragen of uitgebreid ingegaan kan worden op de afweging tussen «model A» en «model B». Waar kiezen andere landen voor? Kan een lijst van alle EU-lidstaten gegeven worden, voor zover bekend. Hoe wordt voorkomen dat de keuze van de Nederlandse regering materieel te veel doorslaat naar A en daarmee het Nederlandse bedrijfsleven onnodig tegenwerkt?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering kiest om meer te doen dan noodzakelijk. Kan uitgebreid aangegeven worden in welke gevallen het huidige, materiele model B, niet voldeed?

Welke alternatieve invullingen van het begrip wezenlijke economische activiteit zijn eveneens verkend? Hoe zorgt dit voor een reductie in het verlies van concurrentiepositie voor het Nederlandse bedrijfsleven? Hoe wordt bij deze invulling van wezenlijke economische activiteit omgegaan met kortlopende projecten, die geen termijn van 24 maanden halen?

Waarop is het percentage van 50% gebaseerd? Waarom is er niet gekozen voor een hoger of lager percentage om vast te stellen of er sprake is van een controlled foreign company (CFC)?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe met het percentage van 7% (als definitie voor laag belast) wordt omgegaan wanneer er op een later moment gekozen wordt om het tarief van de innovatiebox weer te verlagen (waarmee Nederland dus zelf als «laag belast» gedefinieerd zou worden?)

De leden van de VVD-fractie zien niet in waarom ATAD en een ruimere regeling om dubbele belastingheffing niet samen kunnen gaan en vragen of de regering deze keuze uitgebreider kan toelichten.

De leden van de VVD-fractie vragen of ingegaan kan worden op waarom er geen uitzondering binnen de CFC-wetgeving voor banken is opgenomen? Kan ingaan worden op het commentaar van bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) dat dit wel de expliciete bedoeling van de richtlijn is geweest?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan uiteenzetten waarom voor de controlled foreign company-regels, anders dan bij de Wet bronbelasting 2020, géén overgangsregeling is getroffen voor verdragslanden die zijn aangewezen als zogeheten low tax jurisdiction.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering per land op basis van de hierboven geciteerde passage uit de memorie van toelichting, toelichten waarom zij op de zwarte lijst of de lijst met laagbelaste jurisdicties staan. Hoe wordt omgegaan met sommige Golfstaten, die voor buitenlandse firma’s een vpb-tarief kennen dat vele malen hoger is dan voor binnenlandse firma’s?

De regering heeft gekozen voor een grens van 7% bij het bepalen of sprake is van een laagbelaste dochtermaatschappij. Het statutaire tarief moet dus meer bedragen dan 7% om buiten de CFC-maatregel te vallen. De leden van de CDA-fractie vragen of deze grens per lidstaat apart kan worden vastgesteld. Heeft de regering inzicht op het percentage dat andere lidstaten als grens hanteren? Welke afweging heeft de regering gemaakt bij het kiezen voor 7%? Tot nu toe wordt in de vennootschapsbelasting immers eigenlijk altijd een grens gehanteerd van 10%, want dit wordt gezien als een reële heffing. De leden van de CDA-fractie wijzen bijvoorbeeld op de regels voor de laagbelaste beleggingsdeelneming, waarbij bovendien wordt gekeken naar het effectieve en niet naar het statutaire tarief.

De leden van de CDA-fractie vragen of de CFC-maatregel achterwege blijft als sprake is van een wezenlijke economische activiteit, zowel bij een dochtermaatschappij in een land met een laag belastingtarief als bij een dochtermaatschappij in een land dat op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties staat. Deze leden vragen de regering of de kwantitatieve vereisten, zijnde de loonsom en de kantoorruimte, niet makkelijk te organiseren zijn in het kader van tax planning. Daarom willen deze leden ook graag weten op welke wijze de Belastingdienst gaat toetsen op de kwalitatieve kant van de criteria.

Waarom heeft de regering gekozen voor één vaste substance-toets die onafhankelijk is van de hoeveelheid winst en de hoeveelheid activiteiten die zijn ondergebracht in de laagbelaste dochtermaatschappij? Voor een start-up die toevallig in een laagbelast land activiteiten wil ontplooien, lijken de gestelde eisen best redelijk. Maar als er (op papier) miljoenen winst gemaakt worden in een dochtermaatschappij in datzelfde laagbelaste land, dan is een loonsom van € 100.000 en een kantoor geen passende substance. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie waarom voor één vaste substance-eis gekozen is en of de grens niet hoger zou moeten liggen bij meer activiteiten en meer winst in de dochtermaatschappij. Heeft de inspecteur de vrijheid om in de praktijk, gezien de omvang van de winst en de activiteiten, te oordelen dat geen sprake is van voldoende substance als wel voldaan is aan de loonsom- en de kantooreisen?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een overzicht van de landen die momenteel op de EU-lijst van non-coöperatieve jurisdicties staan en een overzicht van de landen met een lager statutair tarief van 7%. Kan de regering aangeven aan welke substance-eisen landen die op de EU-lijst moeten voldoen om als coöperatieve jurisdictie te gaan gelden?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de CFC-maatregel te ontwijken valt door een tussenhoudster tussen te schuiven die in een land gevestigd is dat (net) niet kwalificeert als laagbelast. De winst wordt dan nog steeds niet uitgekeerd naar de moedermaatschappij, maar er is geen sprake van CFC-winst.

De leden van de D66-fractie verwelkomen dat Nederland bij de implementatie van de Wetgeving voor gecontroleerde buitenlandse entiteiten verder gaat dan de minimumstandaard. Deze leden vragen of Nederland zoals toegezegd2 voor landen met een laag statutair tarief of in een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen kiest voor model A. Zou op basis van model A niet al eerder sprake moet zijn van landen met een laag statutair tarief dan bij een statutair tarief van 7%? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor een statutair tarief van 10% om landen te benoemen als land met een laag statutair tarief? Waarom wordt gekozen voor een statutair tarief en niet voor een tarief dat de effectieve belastingdruk weergeeft? Deze leden vragen of de keuze van Nederland nu duidelijk is voor andere landen en of andere landen een soortgelijke keuze als Nederland maken.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om een actualisatie te geven van welke landen op de zwarte lijst staan. Deze leden lezen dat bepaalde jurisdicties, zoals Palau, niet meer op de zwarte lijst staan3, omdat zij hebben aangekondigd dat zij het komende jaar hun belastingstelsel zullen hervormen. Nu zijn deze leden van mening dat het goed is dat zulke jurisdicties hun beleid aanpassen om belastingontwijking en -ontduiking te voorkomen, maar zij vragen zich af hoe deze aankondiging zich verhoudt tot de uitspraken van de Staatssecretaris van Financiën bij het plenair debat over belastingontwijking dat hij het eens is «dat landen die op 1 januari 2019 niet leveren, gewoon op die zwarte lijst moeten komen». In hoeverre hebben deze jurisdicties nu al geleverd? Welke landen die nu op de grijze lijst staan worden vanwege het gebrek aan hervormingen teruggezet naar de zwarte lijst?

De leden van de D66-fractie vragen om nader toe te lichten waarom de regering bij de substance-eisen niet gekozen heeft voor een open norm of meer proportionele norm. Deze leden vragen of andere landen, en meer specifiek andere EU-lidstaten, hier wel voor kiezen. Zo ja, betekent dit dat een open norm goed uitvoerbaar en handhaafbaar is? Deze leden vragen of de regering kan bevestigen dat het invoeren van een open norm als één van de voorwaarden geldt om, voor landen die nu op de zwarte lijst van belastingparadijzen staan, van de zwarte lijst af te komen.

Het valt de leden van de fractie van GroenLinks op dat de regering voorstelt CFC-model A van de ATAD 1-richtlijn veel soepeler te implementeren voor bedrijven dan de ATAD 1-richtlijn voorschrijft. Zo is een buitenlandse gecontroleerde dochtervennootschap in het voorstel van de regering pas laagbelast indien deze vennootschap onderworpen is aan een tarief van 7%, terwijl de ATAD 1-richtlijn uitgaat van de helft van het tarief van de EU-lidstaat waarin de moedervennootschap is gevestigd. Dat zou voor Nederland dus de helft van het geldende vennootschapsbelastingtarief betekenen, hetgeen uitkomst op ruim boven de 10%. Kan de regering aangeven waarom zij zich vrij acht om af te wijken van de ATAD 1-richtlijn in voor belastingplichtigen voordelige zin? Als de leden van de fractie van GroenLinks het goed begrijpen is alleen een afwijking van de ATAD 1-richtlijn mogelijk indien die afwijking strenger is voor belastingplichtigen. De leden van de fractie van GroenLinks wijzen in dit verband erop dat de ATAD 1-richlijn minimumstandaarden bevat voor het aanpakken van belastingontwijking (zie artikel 3 van de ATAD 1-richtlijn).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welke landen allemaal hebben gekozen voor model B. Welke landen hebben allemaal gekozen voor model A?

Wat hebben andere landen gekozen waar wij 7% hebben gekozen als «lage belastinggrens»? Kan een zo compleet overzicht worden gegeven hiervan?

Zijn er landen die model A hebben gekozen met minder beperkte voorwaarden dan wij, bijvoorbeeld zonder de eis van 7%?

Tot hoever zouden wij het percentage van 7% mogen verhogen zonder dat dit botst met het vrij verkeer van kapitaal?

De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen dat het kabinet meent dat CFC-model B al ingebakken zou zitten in het fiscale winstbegrip zoals gekenmerkt door het arm’s length-beginsel van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich echter af of dit wel echt zo is onder verwijzing naar het commentaar van H. Lohuis in het Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht (2018/2247). Kan de regering ingaan op dit commentaar?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen concreet naar het geval waarin een dochtervennootschap op Bermuda een rentebate op een groepsvordering ontvangt, terwijl de sleutelfuncties die verband houden met deze vordering worden uitgeoefend door de controlerende Nederlandse moedervennootschap. De ATAD 1-richtlijn schrijft voor dat Nederland dan de door de dochtervennootschap niet-uitgekeerde rentebate moet belasten bij de controlerende moedervennootschap. Is het niet zo dat in een dergelijk geval onder het Nederlandse winstbepalingstelsel slechts een dienstverleningsbate bij de controlerende Nederlandse moedervennootschap in aanmerking moet worden genomen? Voelt de regering er soms iets voor om de door het kabinet voorgestane interpretatie van het arm’s length-beginsel vast te leggen in een nieuw aan artikel 8b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toe te voegen lid? In dat lid kan dan artikel 7, tweede lid, onderdeel b van de ATAD 1-richtlijn ter verduidelijking voor iedereen, ook voor de Europese Commissie, worden geïmplementeerd.

De leden van de GroenLinks-fractie brengen onder de aandacht dat de regering stelt dat Nederland eigenlijk al voldeed aan deze wet (model B). Sommige lidstaten komen door ATAD 1 dus op het niveau dat wij al hadden. Hoe goed is model B dan eigenlijk? Er is door/via Nederland toch veel belasting ontweken de laatste jaren? Hoe verhoudt dat zich tot het nieuwe voorstel waardoor lidstaten op het oude niveau van Nederland kunnen komen?

De leden van de GroenLinksfractie vragen of het klopt het dat het «arm’s length-beginsel» al sinds 2003 onderdeel uitmaakt van de winstbepaling in de vennootschapsbelasting in Nederland? Hoe zijn wij dan toch aan het imago gekomen van een belastingparadijs? Hoe kan het dat er dan toch belasting wordt ontweken door het kunstmatig verplaatsen van winsten?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom er voor een tarief van 7% is gekozen? Zou een hoger tarief ook mogelijk zijn? Is 10% of 15% theoretisch gezien mogelijk?

Wat is het laagste statutaire tarief in Europa? Wat vindt de regering van de suggestie om dit tarief te hanteren als minimum in plaats van de 7%?

Hoe verhoudt de 7% zich tot de bestaande norm van 10%, binnen de anti-misbruikregeling van de deelnemingsvrijstelling?

Hoe verhoudt de 7% zich tot het voorschrift bij het model A dat lidstaten bij moeten heffen als de effectieve belastingdruk van de CFC minder dan 50% van het nationale vpb-tarief is?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt dat er jurisdicties zijn met een territoriaal belastingregime die bepaalde winsten uit internationale activiteiten niet belasten, zoals Hong Kong en Panama.

Klopt het dan ook dat in deze landen de belastingdruk lager is dan het statutaire tarief?

Klopt het dat in het huidige voorstel deze regimes niet preferentieel zijn en er dat ook geen sprake is van een laag statutair tarief, waardoor eenvoudig belasting ontweken kan worden via deze jurisdicties?

Waarom neemt de regering het effectieve tarief niet als uitgangspunt, zoals model A van ATAD 1 voorschrijft?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een update worden gegeven van de zwarte lijst en van de grijze lijst? Zijn er al landen van de grijze lijst af gehaald inmiddels? Gaan de overige landen allemaal van de grijze lijst af of naar de zwarte lijst per 1 januari 2019, zoals de regering eerder al heeft aangegeven? Hoeveel landen verwacht de regering ongeveer op de zwarte lijst op 1 januari 2019?

De regering verwacht dat de substance eisen effectief zijn. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waar dit op gebaseerd is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering voor een one size fits all-benadering bij de substance-eisen heeft gekozen.

Beseft de regering dat het op deze manier erg makkelijk is voor grote multinationals om de nieuwe regels te omzeilen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering achter de volgende woorden van voormalig Staatssecretaris van Financiën Wiebes staat:

«Is één man voldoende? Nou, als dat inkomen bij die ene man hoort, is één man inderdaad voldoende. Maar als je daar een winst maakt van tientallen miljoenen euro's, kan iedereen zien dat één man niet voldoende is. Het gaat niet alleen om mensen, maar het heeft ook met activa, gebouwen en allerlei daadwerkelijke zakelijke verschijningsvormen te maken (...). Dit gaat om een titel die een relatie onderhoudt met de omvang en de aard van het inkomen. Daar zit dus een beoordeling aan vast. Als het inkomen gegenereerd is door één persoon, is één persoon voldoende. Maar in veel gevallen zal dat niet zo zijn.»

Als de regering zich aansluit bij bovenstaande woorden, waarom is dan toch gekozen voor een one size fits all-benadering?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bekend is met de volgende waarschuwing uit het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)- Actieplan van de OESO:

«Under a threshold (or «all-or-nothing» test) a set amount of activity (as identified through one or more proxies) would allow all income of the CFC to be excluded (.) but it should prevent businesses from locating just the right type and amount of activity in a CFC to ensure that its profits are excluded by the CFC rules of its parent jurisdiction».

Waarom heeft de regering er dan toch voor gekozen om in te gaan tegen de internationale aanpak van de OESO, waarvan ze eerder heeft gezegd er juist veel waarde aan te hechten?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering niet een open norm met proportionele substance eisen gebruikt zoals de standaarden die zijn genoemd door de OESO of door de Europese Unie bij ATAD 1.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering op de hoogte is van het feit dat de Europese Gedragscodegroep adviseert om een proportionele open norm te hanteren voor de substance-eisen?

Erkent de regering dat door onze one sizefits all-benadering substance norm, Nederlandse moedermaatschappijen winsten kunnen blijven verplaatsen naar CFC’ss in landen die door de EU op de zwarte lijst zijn gezet, omdat deze CFC’s voldoen aan de zwakkere Nederlandse substance-eis?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering de oproep beoordeelt van Tax Justice dat als de Nederlandse substance-eis niet wordt aangescherpt en in lijn wordt gebracht met internationale standaarden, dit zeer schadelijk zal zijn voor de internationale reputatie van Nederland.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering zich de toezegging herinnert de regering om te kiezen voor model A.

Erkent de regering dat Nederland feitelijk voor model B heeft gekozen door model A alleen te gebruiken voor een zeer beperkte groep landen?

Erkent de regering dat Nederland uit de pas loopt door niet volwaardig voor model A te kiezen? Klopt het dat veruit de meeste landen in Europa voor model A hebben gekozen zonder aanvullende voorwaarden/eisen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering de analyse van Tax Justice beoordeelt dat Nederland met de 7%-norm een zeer schadelijk signaal afgeeft.

Hoe beoordeelt de regering de analyse van Tax Justice dat Nederland de internationale wedloop van belastingverlagingen versterkt?

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom er onderscheid wordt gemaakt tussen model A en B. Deze leden vragen de regering waarom zij niet gewoon besluit model A en model B in te voeren. Deze leden vragen de regering helder te maken wat de aanvullende maatregel is en deze maatregel met argumenten te onderbouwen. Hoe verklaart de regering dat uit de toelichting bij het wetsvoorstel en de transponeringstabel blijkt dat nu wordt gekozen voor model B en dat model A slechts ten dele wordt geïmplementeerd, terwijl in de brief van 23 februari 20184 de Staatssecretaris aankondigt dat hij voor landen met een laag statutair tarief en landen op de EU zwarte lijst kiest voor model A?

Erkent de regering dat de voorgestelde CFC-regels, gezien de verschillen ten opzichte van ATAD 1 CFC regel model A, veel zwakker zijn dan waar de Kamer om heeft verzocht via de motie Groot5? Het gaat om de volgende verschillen:

  • een drempeltarief van 7% in plaats van de helft van het vpb-tarief;

  • een drempeltarief op basis van een statutair tarief in plaats van een effectief tarief naar Nederlandse maatstaven.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom zij concurrentienadeel als argument gebruikt in haar overwegingen tegen belastingontwijking. Deze leden menen dat het doel van deze wet verheven is boven concurrentienadeel. Voorgenoemde leden vragen de regering hoe zij concurrentienadeel wil kwantificeren.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering ook van mening is dat de «aanvullende CFC regel gebaseerd op model A» een ontsnappingsroute bevat, namelijk dat de CFC de winst net voor het einde van het jaar als dividend uitkeert aan een tussenliggende holding in een derde land. Is de regering ook van mening dat in dat geval er geen niet-uitgekeerde winst in de CFC is maar ook geen bijbehorend dividend ontvangen door de Nederlandse indirecte moeder (dat kan worden belast vanwege de uitzondering op de deelnemingsvrijstelling)? Is de regering van mening dat hiermee een ontsnappingsroute wordt gecreëerd?

De leden van de SP-fractie willen van de regering weten waarom, ten aanzien van CFC-wetgeving binnen ATAD 1, gekozen is voor een statutair tarief als drempelcriterium voor laagbelaste CFC’s. Wordt hierbij rekening gehouden met de verschillende statutaire tarieven die kunnen gelden binnen een land?

De leden van de SP zien een tegenstelling tussen de brief van de Staatssecretaris van 23 februari 20186 waarin wordt aangekondigd dat als «belastingheffing in het land waar de CFC is gevestigd bedraagt minder dan de helft van de belasting die in Nederland zou zijn geheven als het lichaam in Nederland zou zijn gevestigd», tot de keuze voor een drempeltarief van 7% ten aanzien van laagbelastende landen waar het kabinet voor kiest?

Vindt de regering ook dat, aangezien het kabinet met Prinsjesdag haar wetsvoorstellen heeft bekend gemaakt en er tegelijkertijd, op basis van de inhoud hiervan een consultatie over het drempeltarief van 7% ten aanzien van laagbelastende jurisdicties loopt, de Kamer hiermee op een zijspoor wordt gezet? Kan de regering hier op ingaan?

De leden van de SP-fractie irriteren zich al een poos aan de weigerachtige houding van de regering om echte substance-eisen te formuleren waarmee belastingontwijking niet wordt uitgelokt. Zij zijn van mening dat de 24 maanden, het huren van een pand en de € 100.000 euro loonsom echt zo gemakkelijk in te vullen zijn als je honderden miljoenen of miljarden euro’s door een entiteit wilt laten stromen, dat er met deze substance-eisen helemaal geen drempel wordt opgeworpen. Waarom is, ten aanzien van CFC-wetgeving binnen ATAD 1, gekozen om dezelfde uitzondering voor CFC’s met een wezenlijke economische activiteit te hanteren voor CFC’s binnen de EU of de Europese Economische Ruimte (EER) en daarbuiten, terwijl de ATAD 1-richtlijn ruimte laat voor effectievere eisen ten aanzien van CFC’s buiten de EU/EER.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de in het wetsvoorstel voorgestelde eisen ten aanzien van wezenlijke economische activiteit van een CFC om bijheffing over de CFC-winst bij de Nederlandse moeder te voorkomen zich verhouden met door de Europese Gedragscodegroep gestelde eisen ten aanzien van wezenlijke economische activiteit aan derde landen die geen winstbelasting heffen, in het kader van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden?

De leden van de SP-fractie vragen of de situatie mogelijk is dat, wanneer een land op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staat, omdat het geen winstbelasting heft (of tegen een nultarief of zeer laag tarief) en volgens de criteria van de Europese Gedragscodegroep onvoldoende eisen stelt aan wezenlijke economische activiteit van in het betreffende land gevestigde bedrijven, dat de winst van een CFC gevestigd in dit land niet bij de Nederlandse moeder wordt belast, omdat de CFC volgens de Nederlandse CFC-regel een wezenlijke economische activiteit uitoefent, terwijl deze CFC niet voldoet aan de minimale eisen voor wezenlijke economische activiteit die dat land zelf zou moeten stellen volgens de Europese Gedragscodegroep? Wat betekent dit voor de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de voorgestelde Nederlandse CFC-regel? Wat betekent dit voor de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de EU-aanpak ten aanzien van niet-coöperatieve rechtsgebieden? Is de regering van mening dat een dergelijke situatie onwenselijk zou zijn? Hoe kan een dergelijke situatie worden voorkomen?

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier uitvoering is gegeven aan de motie Groot7. Deze motie verzocht de regering een variant van model A uit de richtlijn te implementeren. Welke onderdelen van de implementatiewet zijn conform A, en welke conform B? Waarom is voor deze verschillende methoden van implementatie gekozen?

Waarom is bij de beoordeling of model A van toepassing is gekozen voor een statutair tarief van 7%? Waarom is niet aangesloten bij het meer gangbare tarief van 10% ter bepaling van of een land laagbelast is?

Waarom is gekozen voor een loonsomcriterium? Waarop is het criterium gebaseerd? Werkt dit niet louter kostprijsverhogend voor een structuur, in plaats van dat ontwijkingsstructuren fundamenteel worden aangepakt?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen over de nieuwe wetgeving inzake CFC’s. Zij vragen de regering of de substance-eisen wel voldoende zijn voor grotere multinationals. Het doel van de substance-eisen is immers het maken van onderscheid tussen CFC’s die reële economische activiteit ontplooien en kunstmatige CFC’s. Is in dat licht € 100.000, daaraan gelieerd gekwalificeerd kantoorpersoneel en de huur van een kantoorpand voor ten minste 24 maanden dan wel passend voor grote multinationals? Is het mogelijk om onderscheid te maken tussen kleine en grote multinationals? Welke mogelijkheden ziet de regering? Verder vragen deze leden welke eisen gaan gelden voor CFC’s met een hoog risico. Is de door de OESO ontwikkelde leidraad bruikbaar voor de Belastingdienst?

De leden van de DENK-fractie vragen wat de criteria zijn om vast te stellen of er sprake is van een CFC. Als niet aan deze criteria voldaan wordt, geldt de renteaftrekbeperking dan niet?

2.2 Earningsstrippingmaatregel

De leden van de VVD-fractie vragen hoe voorkomen wordt dat een algemene earningsstrippingmaatregel een te «ongericht» middel is, in tegenstelling tot de huidige gerichte renteaftrekbeperkingen binnen het Nederlands fiscaal recht.

De leden van de VVD-fractie vragen welke landen eveneens kiezen voor een vorm die verder gaat dan de mininumvariant. Welke landen kiezen voor de minimumvariant?

Waarop is het percentage van 30% gebaseerd? Welke sectoren maken relatief veel gebruik van de aftrek van rente, welke sectoren relatief weinig? Welke compenserende maatregelen worden daarvoor genomen? Hoe wordt voorkomen dat een sector disproportioneel geraakt wordt?

Welke landen kiezen wel voor de groepsuitzondering? Waarom? Welke landen niet? Welke landen kiezen wel voor de in ATAD 1 opgenomen uitzondering voor op zichzelf staande entiteiten? Welke landen niet?

De leden van de VVD-fractie vragen welke drempel door andere lidstaten wordt gekozen. Hoe wordt het gebruik van «opknippen» gemonitord en waar mogelijk voorkomen?

Kan de regering uitgebreider ingaan op waarom er geen uitzondering voor financiële instellingen is opgenomen? Welke lidstaten doen dat wel?

De leden van de VVD-fractie vragen of een lijst gegeven kan worden welke infrastructurele projecten onder de uitzondering zullen vallen. Wanneer verwacht men dat de nota van wijziging naar de Kamer komt?

De leden van de VVD-fractie vragen welke lidstaten wel gebruik maken van de mogelijkheid tot een verlate toepassingsdatum of een regeling voor bestaande gevallen. Waarom hebben deze landen daarvoor gekozen? Welke lidstaten niet maken daar geen gebruik van?

De leden van de CDA-fractie achten het positief dat de regering heeft gekozen voor een robuustere variant van de earningsstrippingmaatregel dan de minimumstandaard om met de opbrengst de tarieven van de vennootschapsbelasting te verlagen. Deze leden achten het ongewenst dat bedrijven met veel vreemd vermogen zijn gefinancierd en deze maatregel, in combinatie met een lager vpb-tarief, draagt bij een minder fiscale stimulans tot financieren met te veel vreemd vermogen. Dit is een goede stap in de richting van het meer gelijk behandelen van eigen en vreemd vermogen.

De leden van de CDA-fractie zijn blij dat de regering de wet spoedreparatie fiscale eenheid niet toepast op de earningsstrippingmaatregel. Deze leden achten het een zakelijke overweging als een van de vennootschappen van een groep de financieringsactiviteiten uitvoert. Een dergelijke verdeling van activiteiten zou niet moeten leiden tot beperking van de aftrek van rente op grond van de earningsstrippingmaatregel.

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij overmatig met vreemd vermogen financieren vooral gedacht wordt aan tax planning, maar dat het toch ook vooral (semi-)publieke instellingen zijn die hun activiteiten met veel vreemd vermogen financieren. Deze leden wijzen dan op wooncorporaties en publiek-private samenwerking bij infrastructurele projecten. Kan de regering een uitsplitsing geven van de budgettaire opbrengst naar private bedrijven en (semi-)publieke instellingen?

De leden van de CDA-fractie zijn blij met de gemaakte uitzondering voor bestaande PPS-projecten. Hoe zal de regering de nieuwe earningsstrippingmaatregel meenemen bij afwegingen rondom nieuwe infrastructurele (PPS-)projecten? Heeft de earningsstrippingmaatregel tot gevolg dat de komende jaren minder nieuwe infrastructurele projecten kunnen worden gerealiseerd?

Ook voor woningcorporaties heeft de regering voorzien in een tegemoetkoming, maar dan via een lagere verhuurderheffing. Betekent dit dat de regering woningcorporaties wel wil stimuleren om projecten met meer eigen vermogen te financieren, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de CDA-fractie zien nog een categorie publieke instellingen die mogelijk problemen ondervindt van de earningsstrippingmaatregel. Kan de regering aangeven wat de gevolgen zijn van de earningsstrippingmaatregel voor de waarborgfondsen van zorg en die van sport?

De regering geeft aan dat rente die vanwege de maatregel niet in aftrek gebracht mag worden onbeperkt voorwaarts verrekenbaar is. Dit komt overigens rechtstreeks uit de richtlijn. De leden van de CDA-fractie vragen of belastingplichtigen de drempel van 1 miljoen euro kunnen inzetten om deze rente mee te verrekenen en of belastingplichtigen hiertoe verplicht zijn. Kwalificeert de voortgewentelde rente als rentelast en is deze verrekenbaar met rentebaten uit een later jaar of is de voortgewentelde rente alleen verrekenbaar met 30% van de earnings before interest, tax, depreciation and amortisation (EBITDA) uit een later jaar?

De leden van de D66-fractie vragen de regering om een toelichting te geven op het bestaan van het grote aantal keuzemogelijkheden bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel. Deze leden vragen of de regering bij de onderhandelingen over ATAD 1 heeft ingezet op het beperken van de keuzemogelijkheden om zo ook een ambitieuze implementatie van andere lidstaten te verzekeren. Deze leden vragen op welke wijze de regering zich het komende jaar zal inzetten om andere landen ook te bewegen tot meer ambitieuze keuzes.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de regering stelt dat internationale bedrijven kunnen vertrekken of eventueel via het verleggen van fiscale EBITDA of rente het effect van de maatregel kunnen ontwijken of beperken. Is dit toegestaan? Kan de regering hier iets tegen doen?

De leden van de GroenLinks-fractie wijzen erop dat de regering bij benadering, aanneemt dat er bij de meest flexibele groep bedrijven geen opbrengst zal zijn. Deze groep is gedefinieerd door te kijken naar de bedrijven die naar verwachting een ruling hebben, wat benaderd is door te kijken naar bedrijven die onder het Advance Pricing Agreement (APA) – Advance Tax Ruling (ATR)- team van de Belastingdienst vallen. Betekent dit dat de regering door middel van rulings meewerkt aan het ontwijken van deze maatregel?

De leden van de GroenLinks-fractie noemen dat volgens de regering een ruling slechts zekerheid vooraf geeft op basis van de huidige wetgeving. Is het theoretisch mogelijk om een ruling af te sluiten met de Belastingdienst waardoor deze earningsstrippingmaatregel volledig of grotendeels ontweken kan worden? Zijn er bedrijven die dat al gedaan hebben?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of kan worden geconcludeerd dat de opbrengst van de earningsstrippingmaatregel niet of nauwelijks van multinationals komt, omdat zij deze belasting toch kunnen ontwijken. Kan de regering expliciet aangeven in hoeverre de opbrengsten van deze maatregel komen van het mkb en in hoeverre van grote bedrijven?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan beschrijven wat er concreet zou veranderen als er niet gekozen was voor 1 miljoen euro maar 3 miljoen euro als drempel. Klopt het dat dit alleen een effect zou kunnen hebben op bedrijven met een EBITDA kleiner dan 10 miljoen euro, omdat bedrijven met een EBITDA hoger dan 10 miljoen euro toch meer dan 3 miljoen euro (30%) mogen verrekenen. Voor hoeveel bedrijven had dit een verschil gemaakt? Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn geweest?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat er zou gebeuren als we de bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen niet afschaffen.

De leden van de GroenLinks-fractie brengen onder de aandacht dat de regering schrijft dat een belastingplichtige zich mogelijk kan «opknippen» in verschillende vennootschappen om zo voor iedere vennootschap afzonderlijk gebruik te maken van de drempel. Wat gaat de regering hier aan doen? Hoe vaak komt dit voor? Hoe lossen andere landen dit probleem op?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke lidstaten hebben gekozen voor een strengere implementatie van ATAD 1 dan Nederland.

In hoeverre verwacht de regering dat belastingplichtigen rente voort blijven wentelen?

De leden van de SP-fractie zien niet in waarom vergoeding over vreemd vermogen in de belasting in beginsel aftrekbaar is van de winst. Deze leden vragen de regering of een dergelijke regeling niet een uitnodiging tot belastingontwijking is. De leden willen weten of deze generieke maatregel actief toegepast gaat worden door de Belastingdienst.

De leden van de SP-fractie willen graag een overzicht van de aftrek mogelijkheden in andere lidstaten en de positie van Nederland hierin. Klopt het dat Nederland deze maatregel erg ruim aanbiedt ten opzichte van andere lidstaten?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering een verdeling kan geven van de extra belastinginkomensten als gevolg van ATAD 1? Welk gedeelte komt van commercieel opererende multinationals, welke door anderen die bijvoorbeeld geen winstoogmerk hebben en of een algemeen belang dienen?

De leden van de SP-fractie vragen de regering op grond van ATAD 1 wat zij verstaat onder een robuuste invoering. Deze leden vragen de regering niet of deze invoering robuust is, maar uitputtend, in de zin dat ontwijking onmogelijk wordt gemaakt.

De leden van de PvdA-fractie steunen de verregaande implementatie van de earningsstrippingmaatregel. De maatregel gaat tariefsarbitrage door het verschuiven van leningen tegen. Daarnaast verkleint de maatregel het verschil tussen eigen en vreemd vermogen. Welk effect verwacht de regering op het meer aantrekken van eigen vermogen door bedrijven?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of een nadere toelichting kan worden gegeven op de acht keuzes die gemaakt worden bij het voorstel inzake earningsstripping.

Wat zijn de budgettaire gevolgen als de drempel wordt verhoogd van 1 miljoen euro tot 3 miljoen euro?

Wat zijn de budgettaire gevolgen als de grens van 1 miljoen euro zou gelden per vennootschap in plaats van per fiscale eenheid?

Wat zijn de budgettaire gevolgen als de grens van 3 miljoen euro geldt per vennootschap, precies zoals in Duitsland?

Wat zijn de budgettaire gevolgen als wel eerbiedigende werking wordt toegepast voor bestaande leningen?

De leden van de DENK-fractie vragen of de EBITDA-grens van 30% een Nederlandse keuze is of dat deze vastligt in de richtlijn.

De leden van de DENK-fractie vragen waarom is gekozen voor een drempel van 1 miljoen euro, terwijl 3 miljoen euro op grond van de richtlijn ook had gekund. Wat zegt dit over de mkb-vriendelijkheid van de regering?

2.3 GAAR

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichting valt te lezen dat, omdat Nederland het leerstuk fraus legis kent, er geen codificatie nodig is van de General Anti-Abuse Rule (GAAR). Kan de regering bevestigen dat het Nederlandse leerstuk fraus legis niet door het Hof van Justitie van de Europese Unie zal worden uitgelegd, maar dat de Hoge Raad der Nederlanden de hoogste rechter blijft voor wat betreft dit leerstuk?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat Nederland met het leerstuk van fraus legis reeds een algemene antimisbruikbepaling kent. Hoe heeft dit de afgelopen jaren uitgepakt? Heeft dit goed gewerkt? Wat heeft het leerstuk van fraus legis ons de afgelopen jaren opgeleverd? Hoeveel belasting hadden wij als land misgelopen als we dat niet hadden gehad?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering de antimisbruikmaatregel uit de richtlijn niet gewoon opneemt in de wet. Wat gaat er mis als deze wel wordt opgenomen, naast onze huidige wetgeving?

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de Nederlandse juirisprudentie geen kunstmatigheidsvereiste kent. De leden van de SP-fractie vragen de regering goed te onderbouwen waarom ze niet kiest voor de GAAR. Deze leden vragen de regering of zij de fraus legis praktijk waterdicht vinden. Voorgenoemde leden vragen de regering of het negeren van de GAAR niet kan leiden tot het negatief uitleggen van de Nederlandse belastingontwijking situatie.

De leden van de DENK-fractie vragen waarom met het leerstuk van fraus legis het met de GAAR uit ATAD 1 beoogde doel wordt bereikt.

2.4 Exitheffingen

De leden van de VVD-fractie vragen waarom ATAD1 geen mogelijkheid tot uitstel kent. Is dit dus een verslechtering van de bestaande situatie voor het bedrijfsleven?

De leden van de VVD-fractie constateren dat voor de implementatie van de exitheffing zoals die is opgenomen in ATAD 1, Nederland de invorderingstermijn bij emigratie zal verkorten voor de vennootschapsbelasting. Kan de regering aangeven waarom dit op grond van ATAD 1 noodzakelijk is? Nederland kent toch al heffingen bij emigratie (artikel 15c Wet Vpb 1969) of anderszins (artikel 15d Wet Vpb 1969)?

De leden van de D66-fractie vragen of de invorderingsbevoegdheid van de Belastingdienst om belastingschulden in te vorderen wordt beperkt door de exitheffing. Deze leden vragen hoe deze beweging zich verhoudt tot de invorderingsmaatregelen die onderdeel zijn van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de huidige regeling wordt gesplitst in een regeling voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Welke van de twee is het strengst?

De leden van de SP-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom ze komt met een uitzondering op de implementatiedatum.

3. Internetconsultatie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe verder recht wordt gedaan aan de zorg dat – ook de huidige keuzes – leiden tot meer administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of er veel kritiek is op het fraus legis leerstuk. De leden vragen om een genuanceerde onderbouwing.

4. Budgettaire aspecten

De leden van de D66-fractie zijn erg benieuwd naar op welke wijze de regering zal monitoren of de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking succesvol is. Deze leden vragen om de opzet van het onderzoek en de nulmeting voor het wetgevingsoverleg Pakket Belastingplan 2019 naar de Tweede Kamer te sturen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt dat de regering in staat is om aan de hand van aangiften vennootschapsbelasting door te rekenen wat de verwachte ontwikkeling van de vpb-opbrengst is op bedrijfsniveau.

Kan de regering per bedrijf bekijken in hoeverre het saldo van de betaalde rente minus de ontvangen rente meer dan 30% van de fiscale EBITDA is?

Voor hoeveel bedrijven gaat (naar verwachting) 30% van de EBITDA de maximumgrens zijn en voor hoeveel 1 miljoen euro? Met andere woorden, hoeveel bedrijven (in %) hebben een fiscale EBITDA die hoger ligt dan 3,33 miljoen euro?

De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat ATAD 1 diverse uitzonderingen biedt, waar Nederland geen gebruik van maakt:

  • 1. drempel van 3 miljoen euro in plaats van 1 miljoen euro;

  • 2. geen eerbiedige werking voor bestaande leningen;

  • 3. geen groepsuitzondering;

  • 4. geen vrijstelling voor leningen met externe (commerciële) crediteuren.

Kan de regering aangeven wat de budgettaire gevolgen zouden zijn als van alle uitzonderingen ten volle gebruik zou worden gemaakt?

4.2 Woningcorporaties

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van flinke investeringen in duurzaamheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale huurwoningen. Voor deze kabinetsperiode gaat de lastendruk van corporaties omlaag. Kan de regering voor de jaren 2019, 2020 en 2021 de gevolgen van deze lastenverlichting voor de (macro) investeringsruimte (uitgesplitst naar duurzaamheid, nieuwbouw en betaalbaarheid) van de corporaties schetsen? Wat is bijvoorbeeld de totale investeringsruimte mét en zonder deze lastenverlichting voor de komende drie jaren? En hoe is deze investeringsruimte verspreid over de verschillende woningmarktregio’s? Deze leden vragen welke ruimte corporaties hebben om hun financieringsmix aan te passen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering expliciet in te gaan op de nadelen van deze maatregel voor woningcorporaties. Deze leden vinden het onbegrijpelijk dat woningcorporaties geen vrijstelling krijgen van de nieuwe ATAD-belasting. De leden vinden dat de gevolgen van de invoering van ATAD 1 veel groter zijn dan de regering berekent in haar wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering expliciet of deze maatregel niet ten koste gaat van de huurders.

De leden van de PvdA-fractie maken zich ernstige zorgen over de effecten van deze maatregel op woningcorporaties. Kan de regering uitleggen waarom het wel mogelijk was een uitzondering te maken op publieke private samenwerking op het gebied van infrastructuur, maar niet voor woningcorporaties? Waarom is er gekozen voor de uitzondering voor infrastructuur? Welke organisaties hebben hierom gevraagd?

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er niet gekozen is voor een uitzondering voor woningcorporaties, al is het maar voor de diensten van algemeen economisch belang (DAEB)? Kan de regering ingaan op de ruimte die de Europese Commissie schept in de oorspronkelijke ATAD richtlijn (blz. 7/8 van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad, 12 juli 2016) om uitzonderingen te maken en daarbij onderbouwen waarom een uitzondering desondanks niet mogelijk zou zijn en hierbij puntsgewijs ingaan op de achterliggende richtlijn? Kan de regering bevestigen dat woningcorporaties per definitie niet aan belastingontwijking doen, omdat zij zuiver binnenlands actief zijn? Kan de regering bevestigen dat de corporaties inherent zwaar met vreemd vermogen zijn gefinancierd? Waarom geeft de regering woningcorporaties een financiële prikkel om minder te investeren terwijl de regering anderzijds corporaties opdraagt om juist meer te investeren?

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor de investeringscapaciteit van woningcorporaties van deze maatregel. Waar is deze inschatting op gebaseerd? Is de regering bereid om berekeningen of scenario's die ten grondslag liggen aan de 100 miljoen euro lastenverlichting die het kabinet aan woningcorporaties geeft te delen met de Kamer? Kan de regering daarbij ook aangeven hoe de verhouding tussen opgave en financiële capaciteit van corporaties is en hoe deze zich ontwikkelt, ook na deze kabinetsperiode. Indien blijkt dat woningcorporaties, zoals de sector aangeeft, fors meer kwijt zijn aan de renteaftrekbeperking van ATAD 1 dan geraamd wordt, gaat de regering deze lastenverzwaring dan compenseren om te voorkomen dat te weinig geïnvesteerd wordt in nieuwbouw?

Klopt het dat corporaties die weinig winst maken relatief meer geraakt worden door de renteaftrekbeperking vanuit ATAD? Is dat wenselijk?

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is alsnog een uitzondering voor woningcorporaties op te nemen.

5. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de CDA-fractie menen dat implementatiewetgeving vaak een uitdaging is voor de uitvoering. Ook bij deze wetgeving constateren deze leden dat de Belastingdienst bij de CFC-maatregel twee rode vlaggen heeft uitgedeeld in de uitvoeringstoets en dat de Belastingdienst alleen het oordeel «uitvoerbaar, mits...» geeft. Kan de regering aangeven op welke wijze gezorgd gaat worden voor een goede uitvoering? Dezelfde vraag hebben deze leden voor de earningsstrippingmaatregel, die ook een rode vlag in de uitvoeringstoets kent en hetzelfde eindoordeel. De leden van de CDA-fractie zien bij de earningsstrippingmaatregel nog een probleem dat in de uitvoeringstoets niet genoemd wordt, namelijk de onbeperkte vooruitwenteling van rente die niet in aftrek komt in enig jaar. Dit lijkt deze leden een forse administratieve uitdaging. Is de onbeperkte vooruitwenteling voor de Belastingdienst goed uitvoerbaar? Zijn er in de huidige vennootschapsbelasting nog meer posten die zo lang geadministreerd moeten worden door belastingplichtige en Belastingdienst?

6. Administratieve lasten voor bedrijfsleven en burger

7. Overleg koepel- en belangenorganisaties

8. Transponeringstabel

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

BIJLAGE Uitvoeringstoetsen ATAD1

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering schrijft dat belastingplichtigen voorafgaand aan de inwerkingtreding zeer waarschijnlijk gaan herstructureren. In hoeverre kan de regering hier een stokje voor steken als het gaat om belastingontwijking?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de regering verwacht dat belastingplichtigen de Belastingdienst zullen benaderen voor vooroverleg om zekerheid te krijgen. In hoeverre gaat de Belastingdienst deze belastingplichtigen helpen om belasting via nieuwe constructies te ontwijken?

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering stelt dat er minimaal twee jaar nodig is voor het ontwerpen, bouwen en testen van de gevraagde functionaliteit. Kan nader onderbouwd waar deze tijd voor nodig is? Wat maakt deze maatregel zo ingewikkeld?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de regering vermeldt dat volledig geautomatiseerde ondersteuning van de uitvoering niet mogelijk is voor de aangifte en aanslagregeling 2019. Is er de afgelopen tijd al iets aan gedaan om dit voor te bereiden? Deze leden verwijzen daarbij bijvoorbeeld naar het moment dat er in Europa overeenstemming was bereikt.

De leden van de DENK-fractie vragen wat de risico’s zijn, die de Belastingdienst aangeeft, van de earningsstrippingsmaatregel en de CFC-maatregel van ATAD1. Betekent dit, net als bij de schenk- en erfbelasting en de diesel-Motorrijtuigenbelasting (MRB), dat er geen tijdige invordering kan plaatsvinden?

BIJLAGE Ramingstoelichtingen ATAD1

OVERIG

De leden van de VVD-fractie vragen wat de stand van zaken is rond ATAD II. Kan preciezer aangegeven worden wanneer in 2018 men verwacht het wetsvoorstel in consultatie te brengen?

Kunnen de vragen van de inbreng van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) (te weten vraag 81 tot en met 144) stuk voor stuk beantwoord worden?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op de vragen van het Register Belastingadviseurs en de NOB in hun commentaar op onderhavig wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering op de hoogte is van de ontsnappingsroute die ATAD1 nu biedt, maar waarbij Nederland de CFC regel ook strenger mag invullen. Dit is wanneer de CFC de winst net voor het einde van het jaar als dividend uitkeert aan een tussenliggende holding in een derde land waarop de Nederlandse CFC-regel niet van toepassing is. Er is dan geen onuitgekeerde winst in de laagbelaste CFC, maar ook geen bijbehorend dividend ontvangen door de Nederlandse indirecte moeder. Hoe gaat de regering hier iets aan doen?

De leden van de GroenLinks-fractie brengen onder de aandacht dat meerdere partijen hebben aangegeven bij de regering dat er kwantitatieve doelstellingen ontbreken op het gebied van belastingontwijking. De regering inventariseert daarom de mogelijkheden om de effectiviteit van de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking in beeld te brengen. Wanneer wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt dat verdragslanden eerst drie jaar moeten voldoen aan de eisen van een «laagbelastende jurisdictie» voordat de strengere maatregelen gaan gelden. Hoe werkt de overgangsperiode precies?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of een tabel kan worden gegeven waarin is opgenomen welke landen ATAD 1 invoeren in 2019, en met welke afwijkingen.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom Nederland geen gebruikmaakt Nederland van de geboden uitzonderingen binnen ATAD 1, terwijl andere omliggende landen dit wel doen. Het is toch onvermijdelijk dat de concurrentiepositie van Nederland hierdoor zal verslechteren?

De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat Duitsland van oudsher al de maximalisatie van de fiscale renteaftrek kent. Echter, Duitsland heeft de drempel juist verhoogd naar 3 miljoen euro. Dit betekent dat Duitse vastgoedinvesteerders die tevens in het buitenland zijn gefinancierd, een duidelijk voordeel krijgen ten opzichte van Nederlandse investeerders. Kan de regering deze stelling weerleggen?

De leden van de 50PLUS -fractie merken op dat Duitsland in tegenstelling tot Nederland wel gebruikmaakt van de groepsuitzondering. Hierdoor kan iedere vastgoedentiteit gebruik maken van de vrijstelling met de drempel van 3 miljoen euro. In Nederland zijn veel vastgoedportefeuilles gestructureerd via een holding met daaronder doorgaans vele vastgoedentiteiten, die tezamen met de holding een fiscale eenheid vormen. In deze gevallen kan slechts één keer gebruik worden gemaakt van de vrijstelling met de drempel van 1 miljoen euro.

Erkent de regering dat hierdoor een groot concurrentienadeel ontstaat voor de Nederlandse vastgoedsector?

Erkent de regering dat er op dit punt geen sprake is van convergentie en/of harmonisering maar juist van het tegenovergestelde?

Heeft de Nederlandse regering een risicoanalyse gemaakt van de gedragseffecten die zich kunnen voordoen bij vastgoedondernemers, als gevolg van de strenge Nederlandse keuzes en implementatie? Behoort een «vlucht naar het buitenland» tot de mogelijkheden? Zo nee, waarom niet?