Gepubliceerd: 18 mei 2018
Indiener(s): Michel Rog (CDA)
Onderwerpen: arbeidsvoorwaarden werk
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34934-5.html
ID: 34934-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 18 mei 2018

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

Blz.

       

1.

Algemeen en inleiding

2

2.

Algemene opmerkingen over de artikelen van de richtlijn

4

 

2.1.

Reikwijdte van de richtlijn (artikelen 2 t/m 5)

4

 

2.2.

Grensoverschrijdende activiteiten en grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht (artikelen 11 en 12)

4

 

2.3.

Bedrijfsuitoefening en governance (artikelen 20 t/m 32)

7

 

2.4.

Bewaarder (artikelen 33 t/m 35)

9

 

2.5.

Communicatie (artikelen 36 t/m 44)

9

3.

Financiële gevolgen en regeldruk

10

4.

Toets DNB en AFM

11

5.

Overige

11

6.

Artikelsgewijs

11

1. Algemeen en inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354). Zij hebben de volgende vragen.

De leden van de VVD-fractie waarderen het dat de regering bij de totstandkoming van de richtlijn sterk heeft ingezet op het versterken van de positie van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht waardoor in de richtlijn is opgenomen dat goedkeuring door hun vertegenwoordigers nu noodzakelijk is voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. Klopt de veronderstelling dus dat er in de herziening meer waarborgen worden geïntroduceerd voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht en het daardoor moeilijker wordt om een pensioenregeling naar het buitenland te verhuizen dan op basis van de huidige wetgeving? Kan de regering nogmaals bevestigen dat er geen sprake is van een (verdere) harmonisering van de kapitaaleisen voor pensioenfondsen, dat er geen gedelegeerde bevoegdheden zijn opgenomen in de richtlijn en dat er geen ruimte is voor de Europese Commissie of Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) om nadere voorwaarden of eisen aan pensioenfondsen te stellen? Heeft De Nederlandsche Bank (DNB) dezelfde bevoegdheden bij een waardeoverdracht naar een lidstaat als bij een waardeoverdracht naar een land dat geen lid is van de Europese Unie (EU)? Maakt de grensoverschrijdende overdracht het Pan-Europees Persoonlijke Pensioenproduct (PEPP) overbodig? Dat was toch de oorspronkelijke gedachte achter de PEPP?

Verder vragen de leden van de VVD-fractie wat de voornemens in het regeerakkoord zijn omtrent de vernieuwing van het pensioenstelsel betekenen voor dit wetsvoorstel. Wordt er nu iets opgetuigd, ook met het Uniform Pensioenoverzicht (UPO), dat straks niet meer nodig is?

De leden van de PVV-fractie zijn tegen de implementatie van de Europese Richtlijn voor pensioenfondsen. Implementatie zal een grote invloed hebben op Nederlandse pensioenfondsen. Deze leden wil helemaal geen EU-bemoeienis en EU-regelgeving op het gebied van pensioenen. Nederland zou soeverein moeten zijn en is prima zelf in staat over zijn eigen wetten en regels te gaan. Dit zou naar de mening van de PVV-fractie ook een principieel uitgangspunt van deze regering moeten zijn. Wij verzoeken de regering dan ook het wetsvoorstel in te trekken en niet tot implementatie over te gaan.

De leden van de CDA-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de voorliggende implementatiewet van de IORP-II-Richtlijn. Deze richtlijn zet een forse stap naar het Europees maken van pensioenstelsels. Dat vinden de leden van de CDA-fractie ronduit onwenselijk en daarom hebben zij voorafgaand aan de Europese stemming over de richtlijn in de Kamer een motie ingediend die de regering verzocht niet in te stemmen met de voorgestelde IORP-II-richtlijn over pensioenfondsen en er zorg voor te dragen dat er geen voorstellen voor een nieuwe richtlijn op dit gebied gedaan worden, motie Kamerstuk 33 931, nr. 15.

De kern van het bezwaar ligt op drie punten.

  • 1. Deze richtlijn zorg voor een stroomlijning van de procedure waarmee een pensioenfonds een waardeoverdracht kan doen naar het een andere Europees land. DNB kan zo’n waardeoverdracht niet tegenhouden vanwege onvoldoende toezicht in het ontvangende land. Er ontstaat dus een enorme prikkel om toezichtsarbitrage te plegen en de pensioenfondsen over te hevelen naar landen met een hogere rekenrente en laks toezicht. Dit gebeurt allemaal in het kader van keuzevrijheid. Maar dat is alleen de keuzevrijheid van de werkgever om pensioenen elders op te gaan bouwen en niet de keuzevrijheid van de werknemer voor eerlijk toezicht op de opbouw van zijn pensioen.

  • 2. De Europese Unie gaat zeer gedetailleerd vastleggen wat er in het Uniform Pensioenoverzicht moet komen te staan. Dat vereist een forse wetswijziging in Nederland en dat is al vreemd, want eerder werd de indruk gewekt dat de wijzigingen redelijk marginaal zouden zijn. Maar er is echt geen enkele reden te bedenken waarom in het kader van subsidiariteit de inhoud van pensioenoverzichten in het unierecht geregeld zou moeten worden.

  • 3. Stapsgewijs krijgt de Europees toezichthouder EIOPA via deze wetgeving (en via de voorgestelde PEPP-wetgeving) meer bevoegdheden en komt de Nederlandse pensioenpot steeds meer onder Europees toezicht te staan. Nu is pensioen onderdeel van sociale zekerheid en dat is in principe een nationale bevoegdheid.

Ook vanuit geopolitiek oogpunt is dit een forse aderlating voor Nederland. Na de Brexit bezit Nederland meer dan 60% van het pensioenvermogen in de Europese Unie. Een deel van dat geld wordt steeds meer onder EU-regelgeving gebracht. De leden van de CDA-fractie wijzen hierbij op artikel 2 van de richtlijn. Daarin wordt bepaald op welke pensioenfondsen deze richtlijn van toepassing is. Er volgt een lijst van uitzonderingen waaronder: «instellingen die op basis van een omslagstelsel werken; instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen wettelijke rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen; ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers pensioenuitkeringen te betalen.»

Kan de regering per land in de Europese Unie aangeven hoeveel van het nationale pensioenstelsel onder deze richtlijn valt? Zo lijken grote delen van het Duitse stelsel met een pennenstreek onder deze regelgeving vandaan gehaald te zijn en lijkt het een richtlijn te zijn geworden die vooral op Nederland betrekking heeft. Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie een nauwkeurig antwoord op deze vraag.

Dit wringt des te meer omdat de uitgezonderde pensioenstelsels zonder uitzondering een slechtere bescherming bieden voor de deelnemers dan zeg het Nederlandse of Deense stelsel. Als de doelstelling van de richtlijn was om betere bescherming te bieden, dan lijkt ze daarin niet geslaagd.

De richtlijn is in een recordtijd door het parlement gejaagd twee jaar geleden. Tussen publicatie van de richtlijn zaten destijds minder dan 24 uur en dat voor een lange gecompliceerde richtlijn. Een richtlijn is dwingend recht en moet dus nu in een nationale wet worden omgezet. Het feit dat het voorstel van wet 29 pagina’s wetstekst bevat en de memorie van toelichting 77 pagina’s telt (inclusief de lange transponeringstabel) geeft aan dat het hier gaat om een omvangrijke wetswijziging. De oorspronkelijke pensioen- en spaarfondsenwet uit 1952 paste op 4½ kantjes (Kamerstuk 1730, nummer 14). En daar is toch iets zorgvuldiger over nagedacht en gedebatteerd, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Is de regering bereid om met enige introspectie terug te blikken op het proces van totstandkoming van de richtlijn en de wijze waarop de Kamer hierbij betrokken is? Kan de regering aangeven of de eerdere uitspraken over de richtlijn, onder andere in het debat en alle uitspraken die inhoudelijk gedaan zijn in het debat over deze richtlijn op 29 juni 2016 met de kennis van nu nog steeds kloppen?

Tot slot willen de leden van de CDA-fractie in deze inleiding opmerken dat de regering uitgebreid de tijd genomen heeft om de wetgeving te schrijven, maar dat de lagere regelgeving waarin veel geregeld wordt, in zijn geheel ontbreekt. Op zich is het natuurlijk al opmerkelijk dat een richtlijn voor een fors deel uitgewerkt wordt in AMVB’s en ministeriële regelingen. In dit geval kunnen de leden van de CDA-fractie daar in grote lijnen wel begrip voor opbrengen, omdat het inderdaad om details gaat. Die details zijn echter wel van wezenlijk belang voor de uitvoering. Het lijkt erop dat de pensioenoverzichten van 2018, die in 2019 verspreid moeten worden, gebaseerd moeten zijn op deze richtlijn. Dat vergt gewoon voorbereiding en daarom verzoeken de leden van de CDA fractie om alle concept-AMVB’s en concept-ministeriële regelingen zo spoedig mogelijk aan de Kamer en het veld te sturen, het liefst nog ruim voor de eerste schriftelijke beantwoording van de vragen in dit verslag. Deze leden sluiten namelijk niet uit dat een tweede schriftelijke ronde noodzakelijk is, terwijl de lagere regelgeving voor de uitvoering zo snel mogelijk beschikbaar moet zijn.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog een aantal vragen over de implementatie van de richtlijn. Genoemde leden lezen dat de positie van DNB is versterkt bij grensoverschrijdende activiteiten van pensioenfondsen. Op welke gronden kan DNB een grensoverschrijdende waardeoverdracht tegenhouden? Betreft het hier een objectieve toets op basis van vaste criteria, of heeft DNB bij grensoverschrijdende waardeoverdrachten een mate van beleidsvrijheid?

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.

2. Algemene opmerkingen over de artikelen van de richtlijn

2.1. Reikwijdte van de richtlijn (artikelen 2 t/m 5)

De leden van de SP-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om de richtlijn niet toe te passen op verzekeraars. Welke verschillen zullen er na de implementatie van de richtlijn nog meer zijn op met name het gebied van toezicht op pensioenfondsen en pensioenverzekeraars en de governance?

2.2. Grensoverschrijdende activiteiten en grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht (artikelen 11 en 12)

De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn beoogt de procedure rond een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht te verduidelijken en aan te scherpen en dat de regels voor een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland met dit wetsvoorstel ongewijzigd blijven. Kan de regering een uitgebreide toelichting geven op de verschillende procedures en voorwaarden waaraan voldaan moeten worden bij een collectieve waardeoverdracht binnen de landsgrenzen en een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht? In hoeverre verwacht de regering dat dit onderscheid kan worden aangemerkt als een onderscheid op basis van nationaliteit onder EU-recht? Hoe rechtvaardigt zij dit onderscheid? Kan de regering uitgebreid toelichten wat de gevolgen voor Nederlandse pensioenuitvoerders zouden zijn als de bepalingen omtrent nationale en grensoverschrijdende waardeoverdrachten gelijk zouden moeten worden getrokken om een mogelijke schending van het EU-recht te voorkomen?

Deze leden begrijpen dat niet alleen de respectievelijke toezichthouders, maar ook de bevoegde autoriteiten de collectieve waardeoverdracht moeten toetsen. Aldus ook het voorgestelde artikel 90a. Wordt hieronder het landsbestuur verstaan? Waar komt die bevoegdheid in Nederland precies te liggen? Wat voegt de toets van de bevoegde autoriteiten toe aan de toets van de toezichthouder? Aan welke criteria toetsen zij? Dienen de bevoegde autoriteiten per se de belangen van de deelnemers in kwestie, of zijn er ook andere nationale belangen in het spel? Hoe verhoudt deze bevoegdheid zich tot de vrijheid van kapitaalverkeer, vastgesteld in artikel 63 Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (VWEU)?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de criteria waar DNB op toetst bij een collectieve waardeoverdracht naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat wettelijk verankerd worden.

In hoeverre worden de bevoegdheden van DNB om een collectieve waardeoverdracht tegen te gaan hierdoor ingeperkt? Toetsen alle toezichthouders op dezelfde criteria of is het aan de lidstaten zelf om de toetsingscriteria te bepalen? Waren de bevoegdheden van DNB onder de huidige regelgeving flexibeler of leidt de wettelijke verankering enkel tot een versterkte positie van DNB? Blijft het individueel bezwaarrecht bij een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht ongewijzigd?

Naast de toestemming van de toezichthouders van de betrokken lidstaten zijn ook de goedkeuring van de betrokken werkgever en een meerderheid van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden of een meerderheid van hun vertegenwoordigers vereist. Worden de verschillen in belangen en stemgedrag van huidige deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden meegewogen? Wat gebeurt er bijvoorbeeld in een situatie waarin een grote meerderheid van de huidige deelnemers haar goedkeuring verleent aan een collectieve waardeoverdracht, maar een significante meerderheid van de gepensioneerden en gewezen deelnemers tegen een collectieve waardeoverdracht stemt?

De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen om dit onderdeel van de richtlijn. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde en geen financieel product. Als er in het kader van marktwerking toch keuzevrijheid zou moeten zijn, dan begrijpen deze leden dat sommige partijen mensen de mogelijkheid willen geven om het pensioenfonds te kiezen. Toch zien de leden van de CDA-fractie daar niets in omdat je dan de solidariteitskring doorbreekt en allerlei selectie-effecten krijgt.

De mogelijkheid voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht verwerpen deze leden uit volle overtuiging. Zij snappen best dat het soms zeer zinnig kan zijn voor ondernemingen die in meerdere landen actief zijn, maar tegelijkertijd maakt dit een vorm van toezichtsarbitrage mogelijk. Een pensioenfonds kan daardoor kiezen of het in Nederland onder toezicht wil staan, in België of in Cyprus. Want dat land bepaalt de rekenrente en de toezichthouder. En met een hogere rekenrente en milder toezicht kun je doen alsof het pensioen er veel beter voor staat. Dat is het natuurlijk niet.

De eerste reden om een ander land te kiezen is de hogere rekenrente. Als je een hogere rekenrente hanteert, dan hoef je voor een pensioenbelofte minder geld opzij te leggen en verdwijnen kortingen als sneeuw voor de zon. Een aantal landen, die overigens zelf nauwelijks of geen pensioenstelsel kennen, hanteren een hogere rekenrente dan Nederland. Een fonds dat niet of nauwelijks kan indexeren zou in de verleiding kunnen komen om te verhuizen en dan kan het zo een aantal jaren indexeren omdat er minder geld aangehouden hoeft te worden.

Als de Nederlandse regering echt van mening zou zijn dat dat een goed idee is, dan zou het de Nederlandse rekenrente verhoogd hebben. Nu dreigt dat via een achterdeur toch te gebeuren en wel onder het mom van keuzevrijheid.

De tweede reden om een ander land te kiezen is wellicht een minder kieskeurige toezichthouder. Indien dit het geval is, dan is het toezicht in Nederland te bureaucratisch of is er elders te weinig toezicht. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie of de regering andere zaken dan toezichtarbitrage als hoofdreden ziet om een pensioenfonds te verplaatsen.

Deze leden zouden graag van de regering vernemen of zij van mening is dat een individuele deelnemer gewaarschuwd moet worden als zijn/haar pensioenfonds het voornemen heeft om naar het buitenland te verhuizen om daar de pensioentoezegging tegen een hogere rekenrente te kunnen doen. Indien een waarschuwing niet noodzakelijk is, waarom kiest de regering er dan niet voor om de rekenrente ook in Nederland te verhogen? Is een deelnemer verplicht te blijven bij een fonds dat een hogere rekenrente hanteert dan de Nederlandse rekenrente? Indien een waarschuwing wel noodzakelijk is, is de regering dan bereid om bij een voorgenomen collectieve waardeoverdracht elke deelnemer te wijzen om het individuele bezwaarrecht van die deelnemer, zodat een deelnemer er zelf bewust voor kan kiezen dat zijn of haar pensioen in Nederland blijft?

De Nederlandse Bank heeft een aantal gronden waarop zij een uitgaande waardeoverdracht kan tegenhouden. Echter, onvoldoende toezicht of onvoldoende waarborgen zijn geen gronden voor het kunnen tegenhouden van een waardeoverdracht. De leden van de CDA-fractie vragen of het mogelijk is, aangezien dit een minimumrichtlijn is, deze grond toe te voegen als weigeringsgrond voor het verplaatsen van pensioen naar het buitenland. Zo ja, is de regering hiertoe bereid?

Zo nee, hoe wordt een deelnemer dan wel beschermd?

Er staat in de toelichting dat het recht op waardeoverdracht gehandhaafd blijft. De leden van de CDA-fractie ontvangen graag een toelichting hoe de overdrachtswaarde berekend wordt. Als voor een bepaalde toezegging in land C 80 euro gereserveerd moet worden (vanwege een hogere rekenrente) en in Nederland 100 euro, hoeveel geld wordt er dan overgedragen indien de werknemer kiest voor waardeoverdracht van zijn pensioenfonds in land C naar zijn nieuwe pensioenfonds in Nederland? Hoeveel geld wordt er overgedragen bij eenzelfde waardeoverdracht van Nederland naar land C?

De leden van de CDA-fractie zouden ook graag vernemen of een pensioenfonds weer verder kan verhuizen of weer terug kan verhuizen. Kan een fonds van een Nederlandse werkgever eerst naar België verhuizen en dan naar Cyprus? En is er ergens een regeling om weer terug te verhuizen en hoe werkt die dan?

Indien een Nederlands fonds naar Cyprus verhuist, dan is het toezicht van Cyprus van toepassing. Maar er is nog een risico en dat is het land zelf. Cyprus zat in 2013 zo in de problemen dat het een crisisheffing invoerde op spaartegoeden om het faillissement van de staat te voorkomen. Indien zo’n land er in de toekomst in slaagt grote pensioenfondsen aan te trekken en weer in de problemen komt, dan kan daar de neiging zijn om nogmaals een eenmalige heffing in te voeren en die dan op zowel spaartegoeden als pensioentegoeden van toepassing is. Is er enige wet of richtlijn die een dergelijke heffing of belasting op pensioengelden zou verhinderen, zo vragen de leden van de CDA-fractie aan de regering. Of is dit gewoon een mogelijkheid, die meegewogen dient te worden bij het besluit om te verhuizen? Eén die natuurlijk vergaande implicaties heeft, want een Nederlander die pensioen opbouwt in Nederland kan als burger en kiezer zijn politici aanspreken. Een Nederlander die in Cyprus pensioen opbouwt kan zeer waarschijnlijk helemaal nergens terecht. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de D66-fractie lezen dat het voor bedrijfstakpensioenfondsen niet mogelijk is om gebruik te maken van een grensoverschrijdende waardeoverdracht, omdat dan de verplichtstelling in gevaar komt. Klopt het dat, voor zover gebruik gemaakt wordt van grensoverschrijdende waardeoverdrachten, vooral ondernemingspensioenfondsen hiervan gebruik maken? Wat voor redenen hebben deze pensioenfondsen om hiervan gebruik te maken? In hoeverre worden er in Nederland regelingen uitgevoerd van pensioenfondsen die oorspronkelijk in een andere EU-lidstaat werden uitgevoerd?

Genoemde leden lezen dat het voor Nederlandse pensioenfondsen mogelijk is om een pensioenregeling uit te voeren waaraan wordt bijgedragen door een onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland. Is dit ook mogelijk voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen? Zo ja, welke bedrijfstakpensioenfondsen maken gebruik van deze mogelijkheid?

Voorts merken deze leden op dat door deze wetswijziging de goedkeuring van verantwoordingsorganen noodzakelijk is bij grensoverschrijdende waardeoverdrachten. Zij merken tevens op dat hiermee de positie van de (gewezen of gepensioneerde) deelnemer ten opzichte van de huidige situatie wordt versterkt. Klopt het dat hiermee een nieuwe bevoegdheid (goedkeuring) wordt toegekend aan het verantwoordingsorgaan?

2.3. Bedrijfsuitoefening en governance (artikelen 20 t/m 32)

De leden van de VVD-fractie lezen dat pensioenfondsen zelf verantwoordelijk zijn voor het naar behoren inrichten van de sleutelfuncties. Vanuit het voorliggende wetsvoorstel wordt er geen vaste wijze voorgeschreven om aan de wettelijke voorwaarde te voldoen aan de eisen betreffende de sleutelfuncties. Kan de regering bevestigen dat dit betekent dat pensioenfondsen vrij zijn om de sleutelfuncties zowel intern te vervullen als uit te besteden? Kan de regering toelichten waarom pensioenfondsen op dit punt alle vrijheid krijgen, terwijl in het nu in behandeling zijnde wetsvoorstel trustkantoren zelfs het uitbesteden van de compliancefunctie wordt verboden?

In hoeverre breidt de omschrijving van de sleutelfuncties in de richtlijn de werkzaamheden uit van de voor Nederlandse pensioeninstellingen bekende functies die nu al bestaan? Als de reikwijdte van de functieomschrijving in de richtlijn verdergaat dan in de huidige functies, vragen de leden van de VVD-fractie de regering een inschatting te maken van de bijkomende regeldruk. Wordt de lagere regelgeving waarin het beloningsbeleid wordt vastgesteld ter goedkeuring voorgelegd aan de Tweede Kamer?

De leden van de CDA-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van deze tekst uit de toelichting bij onderhavig wetsvoorstel: «De richtlijn vereist dat pensioenfondsen een deugdelijk beloningsbeleid moeten vaststellen en toepassen dat in verhouding staat tot hun omvang en werkzaamheden. In dit kader moet onder andere worden vastgelegd dat het beloningsbeleid van een pensioenfonds ook van toepassing is op dienstverleners waaraan het pensioenfonds bepaalde taken uitbesteedt. Dit uitgangspunt wordt – conform de huidige systematiek – vastgelegd in lagere regelgeving. In de praktijk zal dit voorschrift naar verwachting niet tot noemenswaardige aanpassingen leiden.»

Pensioenfondsen zijn in Nederland vrij klein en besteden de administratie en het vermogensbeheer uit. De leden van de CDA-fractie merken op dat juist bij het vermogensbeheer behoorlijk hoge beloningen worden betaald. Daarom vragen zij of een pensioenfonds een beloningsbeleid mag dan wel moet vaststellen voor de vermogensbeheerder. Artikel 23, 3,e van de richtlijn stelt dat het beloningsbeleid ook geldt voor in artikel 31, lid 1, bedoelde dienstverleners, tenzij die dienstverleners vallen onder artikel 2, lid 2, onder b. Dat laatste artikel bevat nu juist de instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), alternatieve beleggingsinstellingen, kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Mogen de pensioenfondsen dus niets meer zeggen over het beloningsbeleid en de perverse prikkels in beloningsbeleid bij die instellingen? Dat zou een bijzondere inperking zijn en de leden van de CDA-fractie zouden graag vernemen waarom daarvoor is gekozen.

De richtlijn en dit wetsvoorstel introduceren de figuren van sleutelfuncties. Het gaat om de risicobeheerfunctie, de interne auditfunctie en de actuariële functie. De risicobeheerfunctie beoordeelt, monitort en rapporteert over het risicobeheersysteem. Ook heeft de risicobeheerfunctie een initiërende en adviserende rol bij het vormgeven van het risicobeheer. De interne auditfunctie is belast met het uitvoeren van (interne) audits binnen de bedrijfsvoering van een pensioenfonds. De actuariële functie dient onder meer toe te zien op de berekeningen van de technische voorzieningen en premiestelling van een pensioenfonds. Dit is een zeer gebruikelijke figuur in de financiële wereld maar wel nieuw als zodanig bij pensioenfondsen en PPI’s. De leden van de CDA-fractie constateren dat deze bepaling enigszins halfslachtig wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Er vindt geen toets plaats op de sleutelfiguren, terwijl zij wel een enorme verantwoordelijkheid hebben.

Ook is het niet duidelijk wat er gebeurt wanneer zij materiele misstanden niet melden en welke bescherming zij hebben wanneer zij die misstanden wel melden. Artikel 24 van de richtlijn bepaalt ook expliciet dat personen die de problemen en misstanden verplicht melden aan het fondsbestuur en aan de toezichthouder, rechtsbescherming genieten en dat is in de ogen van de leden van de CDA-fractie geen overbodige bepaling. Daarom vragen deze leden de regering expliciet aan te geven welke straf deze sleutelfiguren kunnen krijgen wanneer zij melding achterwege laten en welke bescherming zij genieten wanneer zij een melding doen.

De sleutelfuncties kunnen onder waarborgen ook worden uitbesteed. Nu besteden Nederlandse pensioenfondsen na de ontzaffing relatief veel uit. Maar uitbesteding vergt ook dat de sleutelhouders van in ieder geval de risicobeheerfunctie en van de interne auditfunctie een goed totaalinzicht hebben in de handelingen die uitbesteed zijn. Dit kan behoorlijk botsen met fiduciair beheer. Want indien een pensioenfonds een overeenkomst voor fiduciair beheer heeft zijn er twee opties voor de sleutelfunctionarissen:

  • 1. De sleutelfunctionaris is ook een werknemer van de fiduciair beheerder. In dit geval zijn wel zeer grote waarborgen nodig dat alles gemeld wordt aan het bestuur. Deelt de regering dat dit totaal ongewenst is en dit eigenlijk ook wettelijk verboden moet zijn?

  • 2. De sleutelfunctionaris is werkzaam bij het pensioenfonds of wordt extern ingehuurd. Dit vereist dat de functionaris volledig inzicht dient te hebben in alle handelingen onder fiduciair beheer. Kan de regering een overzicht geven van de zaken die de sleutelfunctionaris minimaal moet kunnen inzien om zijn functie te kunnen uitoefenen. Dient hij inzage te hebben in alle trades, in alle rechtszaken, in alle afgegeven adviezen?

De leden van de SP-fractie vragen wat volgens de richtlijn een deugdelijk beloningsbeleid is. Wanneer staat het beloningsbeleid in verhouding tot de omvang en werkzaamheden? Waarom wordt niet aangesloten bij de Wet Normering Topinkomens (WNT)? Hoeveel mensen in de pensioenwereld krijgen meer dan 187.000 euro? Welke mogelijkheden ziet de regering om de WNT van toepassing te verklaren op de pensioenfondsen en haar uitvoeringsorganisaties?

Wat is de reden dat Nederland gebruik maakt van de optie om sleutelfuncties te kunnen uitbesteden? Kunnen er voorbeelden worden gegeven van sleutelfuncties die kunnen worden uitbesteed en sleutelfuncties die niet kunnen worden uitbesteed? Welke werkzaamheden worden bedoeld bij de overige personen betrokken bij het vervullen van sleutelfuncties? Ondersteunende werkzaamheden vallen toch niet onder sleutelfuncties? Waarom wordt het woord «ondersteunende» gebruikt in de memorie van toelichting? Kan er een heel helder onderscheid worden gemaakt tussen sleutelfuncties die niet kunnen worden uitbesteed en sleutelfuncties die wel kunnen worden uitbesteed?

2.4. Bewaarder (artikelen 33 t/m 35)

De leden van de D66-fractie zijn geïnteresseerd in de in Nederland nog niet bestaande functie van «bewaarder». Wat zijn de voor- en nadelen van deze functie bij een pensioenfonds? In welke lidstaten wordt hiervan gebruik gemaakt en waarom? Wat zijn de verdere verschillen in governance bij pensioenfondsen die wel gebruik maken van de functie van «bewaarder»?

2.5. Communicatie (artikelen 36 t/m 44)

De leden van de VVD-fractie lezen dat lidstaten de ruimte houden om de wijze van informatieverstrekking af te stemmen op de kenmerken van het eigen pensioenstelsel. In hoeverre biedt dit de ruimte om af te wijken van het jaarlijks verstrekken van een UPO aan gewezen deelnemers? In hoeverre kan gesteld worden dat Nederland al aan dit onderdeel voldoet doordat gewezen deelnemers te allen tijde kunnen inloggen op mijnpensioenoverzicht.nl waarin mutaties zoals indexatie binnen vier maanden worden verwerkt? Heeft de regering de volledige ruimte die de IORP-richtlijn biedt op het gebied van het afstemmen van de informatieverstrekking op de kenmerken van het eigen pensioenstelsel benut?

De leden van de CDA-fractie zouden graag middels een voorbeeld zien wat er precies gaat veranderen door de introductie van de UPO-voorschriften. Is de Nederlandse regering in staat om een UPO te produceren zoals het er nu moet uitzien en zoals het er na deze wet uitziet? De eerste relevante vraag is welke rechten een deelnemer kan ontlenen aan een Uniform Pensioenoverzicht. Dit is geen triviale vraag, omdat dit jaar bij bijvoorbeeld het ABP zeer relevante informatie over de pensioenregeling op de overzichten ontbrak. Kan de regering aangeven welke rechtszekerheid ontleend kan worden aan een UPO?

In het UPO komen kennelijk drie scenario’s te staan. Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie de grondslagen voor die berekeningen. Daarnaast ontvangen zij ook graag de grondslagen voor de berekeningen indien het pensioenfonds in het buitenland gevestigd is. Om concreet te zijn: stel dat een fonds in het buitenland 80 euro gereserveerd heeft voor een toezegging, terwijl het Nederlandse fonds in Nederland daarvoor (lagere rekenrente) 100 euro gereserveerd heeft, wat gebeurt er dan met de centrale variant in de voorspelling? Kan die dan hetzelfde zijn? Als dat zo is, hebben ze dan een magische geldmachine in het buitenland?

Voorziet de Nederlandse regelgeving in een waarschuwing dat het pensioen onder toezicht staat van een buitenlandse toezichthouder en niet van een Nederlandse toezichthouder? Dat lijkt de leden van de CDA-fractie namelijk zeer relevante informatie voor op een pensioenoverzicht.

Het pensioenoverzicht zal ook een kostentoerekening bevatten. Krijgen de deelnemers nu eindelijk inzicht in de kosten die namens en voor hun gemaakt zijn of ontbreekt dat? Graag zien de leden van de CDA-fractie een voorbeeld van wat er zal staan.

Verder verbaast het deze leden nogal dat middelloonregelingen hiervan uitgezonderd worden. Die zouden geen risico’s lopen. Nou daar denken veel deelnemers volstrekt anders over na jarenlang niet-indexeren en enige kortingen op pensioenen. Is de regering bereid de wet zo aan te passen dat ook mensen met een middelloonpensioen inzage krijgen in de kosten die er gemaakt worden?

Op grond van onderhavige wet moet de informatie op het UPO fors worden uitgebreid. Kan de regering aangeven waarom zij van mening is dat uit de richtlijn volgt dat al deze informatie op het UPO moet staan en niet in een digitale pensioenomgeving of het pensioenregister? Deze wijziging ter implementatie van de richtlijn gaat in tegen de recente Nederlandse regelgeving met betrekking tot pensioencommunicatie. Kan de regering aangeven of zij deze wijziging als gevolg van de implementatie als een vooruitgang ziet?

Tot slot, de UPO’s worden nu zo ongeveer jaarlijks aangepast in de wet. Dat spoort niet echt met de U van uniform. Wat heb je als deelnemer dan nog aan een serie pensioenoverzichten in de tijd als je die niet naast elkaar kunt leggen en kunt vergelijken?

De leden van de D66-fractie lezen dat de vereisten voor communicatie aan gewezen deelnemer door deze richtlijn worden aangevuld met de verplichting jaarlijks een UPO ter beschikking te stellen, in plaats van vijfjaarlijks. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1, onderdeel e, en artikel 2, onderdeel f, menen genoemde leden te lezen dat dit een gevolg is van het feit dat «deelnemer» in de Nederlandse wetgeving zo gedefinieerd is dat de gewezen deelnemer daar ook onder valt. In hoeverre is het mogelijk om, door de definitie van deelnemer te verengen, te voorkomen dat gewezen deelnemers jaarlijks de beschikking moeten krijgen over een UPO? Indien dit mogelijk is, in hoeverre is het dan wenselijk? De leden van de D66-fractie begrijpen dat het administreren van de pensioenen van gewezen deelnemers relatief duur is. De verplichting om jaarlijks een UPO ter beschikking te stellen aan gewezen deelnemers zal die administratiekosten, zij het beperkt, laten stijgen. In hoeverre kan van dit extra informatiemoment gebruik gemaakt worden om op de mogelijkheden tot waardeoverdracht te wijzen? Op die manier kunnen immers meerdere kleinere pensioenaanspraken worden samengevoegd tot een of meerdere grotere, waardoor de relatieve administratiekosten dalen.

De leden van de SP-fractie vragen of heel scherp kan worden uiteengezet wat het plan is omtrent het uniform pensioenoverzicht (UPO). Welke informatie zal worden toegevoegd aan de UPO? Welke informatie daarvan is volgens de regering noodzakelijk om op het UPO te zetten zonder daarbij de begrijpelijkheid en het inzicht van deelnemers te beperken? Waarom wordt er niet voor gekozen om een deel van de minder noodzakelijke informatie via andere kanalen te communiceren aan de deelnemer?

De leden van de SP-fractie vragen waarom wordt gekozen voor een termijn van tenminste drie maanden waarbij de pensioengerechtigde wordt geïnformeerd voordat een korting wordt doorgevoerd. Waarom niet langer? Wat is haalbaar met de beschikbare gegevens van de pensioenfondsen en pensioenverzekeraars om de pensioengerechtigden te informeren over een mogelijke korting? Wat wordt er gedaan als de korting doorvoeren toch niet nodig was, maar al wel is aangekondigd? Waarom wordt de termijn voor (gewezen) deelnemers ook niet verlengd naar tenminste drie maanden zoals het AFM voorstelt?

3. Financiële gevolgen en regeldruk

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de richtlijn DNB de mogelijkheid geeft om pensioenfondsen te verplichten mee te werken aan het uitvoeren van een stresstest. Omdat DNB niet voornemens is om gebruik te maken van deze bevoegdheid, gaat de regering ervan uit dat deze bepaling niet zal leiden tot extra regeldruk voor pensioenfondsen. Kan de regering aangeven welke gevolgen het voor de regeldruk van pensioenfondsen zou hebben als DNB wel gebruik zou maken van deze bevoegdheid? Kan DNB te allen tijde besluiten pensioenfondsen toch wel te verplichten om mee te werken aan het uitvoeren van een stresstest?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de implementatietermijn van 1 januari 2019 haalbaar is voor pensioenfondsen. Hoeveel tijd is er volgens de regering benodigd voor het invullen van de sleutelfuncties? Is er voldoende ruimte om in 2019 al het gewijzigde UPO te sturen aan de deelnemers? De leden van de CDA-fractie vragen wat de extra uitvoeringskosten zijn van de jaarlijkse digitale UPO voor gewezen deelnemers.

De leden van de SP-fractie vragen of het de intentie is van de regering om alles omtrent pensioenen digitaal te versturen. Wat wordt er dan gedaan met gewetensbezwaarden? Blijft er een mogelijkheid om alles op papier te ontvangen? Worden de uitvoeringskosten betaald door de pensioenfondsen en pensioenverzekeraars of wordt het toch doorberekend aan de (gewezen) deelnemer en pensioengerechtigde?

4. Toets DNB en AFM

De leden van de D66-fractie lezen dat de AFM aangeeft dat het uitbreiden van het UPO risico’s geeft voor de begrijpelijkheid voor deelnemers. Genoemde leden vragen in die context naar de samenhang tussen de wijzigingen als gevolg van de implementatie van deze richtlijn en de door de regering voorgestelde wijzigingen in het UPO, die zijn toegelicht in de brief over pensioencommunicatie van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.1 Kan dit worden toegelicht?

5. Overige

De leden van de CDA-fractie vragen de regering op welke wijze de eigen-risicobeoordeling van artikel 28 van de richtlijn geïmplementeerd gaat worden. Is dit alleen in lagere regelgeving. Zou het niet logischer zijn om deze bepaling ook in de wet te implementeren, aangezien dit een belangrijk uitgangspunt is van de richtlijn en een hele ander benadering geeft van de financiële inrichting van het fonds?

6. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel B (artikel 2 van de pensioenwet en artikel 2 van de Wvb)

De leden van de VVD-fractie vragen wat het in de praktijk zal betekenen dat herverzekeraars voortaan ook dekking mogen verschaffen aan ppi’s en pensioenfondsen op grond van Artikel 63, eerste lid, van de richtlijn.

Artikel I, onderdeel C (artikel 21 van de pensioenwet)

De leden van de VVD-fractie lezen dat artikel 41, derde lid, onderdeel c, van de richtlijn voorschrijft dat de deelnemers informatie moeten ontvangen over de vraag of en zo ja, hoe in het kader van de beleggingsbenadering rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. Kan de regering bevestigen dat pensioenuitvoerders geen (extra) belemmeringen worden opgelegd wat betreft hun beleggingsbeleid?

Artikel 90a

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom in artikel 90a, lid 2, sub b, onder 1° de zinsnede «zonder de eventuele vertegenwoordiging van de werkgever» is toegevoegd. Hoe verhoudt dit zich tot de algemene regels ten aanzien van het verantwoordingsorgaan?

Deze leden achten het ook onduidelijk wat in hetzelfde lid, sub c, onder 1° wordt bedoeld met «of de premiepensioeninstelling pensioengerechtigden heeft». Op welke wijze kan een premiepensioeninstelling pensioengerechtigden hebben? Dan zou er immers een biometrisch risico gelopen worden. Kan de regering dit nader toelichten?

Artikel 92a

De leden van de CDA-fractie constateren dat de artikelen 90a en 92a niet symmetrisch zijn. De voorschriften voor een binnenkomende collectieve waardeoverdracht zijn strenger dan de voorschriften voor een uitgaande waardeoverdracht. Kan de regering toelichten waarom dit zo is? De leden van de CDA-fractie merken hierbij op dat, als je al kiest voor een asymmetrische benadering, zij het logischer hadden gevonden dat de voorschriften voor een uitgaande waardeoverdracht strenger zouden zijn.

Kan de regering tevens aangeven waarom in artikel 90a en 92a niet meteen de overdracht vanuit of naar een verzekeraar is geregeld? Waarom acht de regering het wenselijk dat er hierdoor voor verschillende typen uitvoerders verschillende regels gelden?

Artikel 115a

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 115a het begrip «goedkeuring» wordt geïntroduceerd. Tot nu toe heeft het verantwoordingsorgaan een adviesrecht en de Raad van Toezicht een instemmingsrecht. Waarom heeft de regering niet gekozen voor de bestaande terminologie «instemmen»? Is «goedkeuring» wetstechnisch iets anders dan «instemming»? De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten wat wordt bedoeld met «de goedkeuring wordt niet onthouden dan na heroverweging». Is de gang naar de Ondernemerskamer mogelijk voor het verantwoordingsorgaan? Klopt het dat door de koppeling naar artikel 217 er geen toetsing door de rechter mogelijk is met betrekking tot de goedkeuring door het verantwoordingsorgaan? Kan de regering toelichten waarom dit niet nodig is?

Artikel 143a

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wie er uiteindelijk verantwoordelijk is voor de rapportages bij het afleggen van een verantwoordelijkheid. In dit kader vragen deze leden ook of aan de meldplicht is voldaan, in het geval van een calamiteit op grond van het derde lid, wanneer de sleutelfunctionaris tevens bestuurslid is.

Het is deze leden ook niet duidelijk waarom de sleutelfuncties geregeld worden bij het financieel toetsingskader en niet bij de algemene bepalingen omtrent de inrichting van het pensioenfonds, aangezien dit meer betrekking heeft op governance dan op de financiën. Kan de regering dit toelichten?

Artikel 143b

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of met «stresstest» een Nederlandse stresstest of een stresstest van EIOPA wordt bedoeld. Verder vragen zij of er een beroepsmogelijkheid bestaat en of het klopt dat er geen boetebepaling is opgenomen.

Artikel 153

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat er begrepen moet worden onder «noodsituaties». Zijn dat situaties in de pensioensector, in Nederland, in Europa of in de wereld? Klopt het dat er geen toets hoeft plaats te vinden als de stabiliteit van Nederland ooit in het gedrang zou komen, gezien de formulering «van alle andere betrokken lidstaten»? Hoe moet het woord «betrokken» in deze zinsnede worden geïnterpreteerd?

De voorzitter van de commissie, Rog

De adjunct-griffier van de commissie, Sjerp