Gepubliceerd: 15 mei 2018
Indiener(s): Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA)
Onderwerpen: financieel toezicht financiën openbare orde en veiligheid terrorisme
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34808-18.html
ID: 34808-18

Nr. 18 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 15 mei 2018

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 6 april 2018 inzake het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 (Kamerstuk 34 808, nr. 16).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 14 mei 2018. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

De griffier van de commissie, Weeber

Vraag 1

Welke nieuwe sectoren moeten nu een cliëntonderzoek doen? Welke sectoren worden door dit concept besluit het meest geraakt?

Antwoord op vraag 1

Het ontwerp Uitvoeringsbesluit voorziet onder meer in een nadere uitwerking van de begrippen «politiek prominent persoon» en «uiteindelijk belanghebbende». Die begrippen zijn van relevant voor de verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek. De verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek volgt evenwel niet uit het onderhavige ontwerpbesluit, maar uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De Wwft wordt, als gevolg van de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn, gewijzigd met het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, waarmee de Tweede Kamer op 6 maart 2018 heeft ingestemd.

De Wwft is van toepassing op banken, andere financiële ondernemingen en diverse aangewezen beroepsgroepen, zoals accountants en advocaten. Als gevolg van het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn wordt de reikwijdte van de Wwft uitgebreid met aanbieders van kansspelen1 en personen die handelen in goederen en daarvoor betalingen doen of ontvangen (voorheen: alleen ontvangen) van EUR 10.000,– of meer in contant geld (voorheen: EUR 15.000,– of meer).

De bepalingen in het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 zijn voor alle Wwft-instellingen relevant. Naast een nadere uitwerking van voornoemde begrippen, voorziet het ontwerpbesluit ook in indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties en in een indeling van overtredingen van de Wwft in boetecategorieën.

Vraag 2

Wanneer wordt iemand aangemerkt als «uiteindelijk belanghebbende» (UBO)? Verandert dit conceptbesluit daar iets aan?

Antwoord op vraag 2

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wwft, zoals dat komt te luiden na het in werking treden van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, wordt onder een «uiteindelijk belanghebbende» de natuurlijke persoon verstaan die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een cliënt, dan wel de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. Eenvoudig gezegd is de uiteindelijk belanghebbende de natuurlijke persoon die, al dan niet achter de schermen, bij de cliënt aan de touwtjes trekt. Een cliënt kan meer dan één uiteindelijk belanghebbende hebben. Het is relevant om te weten wie deze persoon of personen zijn, omdat zij een vennootschap of andere juridische entiteit dan wel een juridische constructie, kunnen misbruiken voor witwassen of financieren van terrorisme. Instellingen dienen op grond van de Wwft in het kader van het cliëntenonderzoek dan ook de uiteindelijk belanghebbende(n) van hun cliënten te identificeren.

Voornoemde begripsomschrijving van «uiteindelijk belanghebbende» in artikel 1, eerste lid, Wwft vormt de kern van dit begrip. Het omvat de twee criteria waaraan steeds moet worden getoetst om te beoordelen of een natuurlijk persoon als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert: het houden van uiteindelijk eigendom of het hebben van uiteindelijke zeggenschap. De vierde anti-witwasrichtlijn laat de kern van het begrip ongewijzigd, maar voorziet in een gewijzigde uitwerking van dit begrip ten opzichte van de derde anti-witwasrichtlijn. Die gewijzigde uitwerking wordt met het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 op het niveau van een algemene maatregel van bestuur geïmplementeerd. Het betreft een uitwerking van de natuurlijke personen die ten minste als uiteindelijk belanghebbende als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Wwft moeten worden aangemerkt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de uitwerking van het begrip voor vennootschappen en andere juridische entiteiten enerzijds en trusts en soortgelijke juridische constructies anderzijds. In het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 is deze onderverdeling toegespitst op de juridische entiteiten en juridische constructies die met name in Nederland voorkomen.

De belangrijkste wijzigingen in de uitwerking van het begrip uiteindelijk belanghebbende luiden als volgt. In de eerste plaats geldt voor vennootschappen en andere juridische entiteiten voortaan dat het houden van 25% van de aandelen, stemrechten of het eigendomsbelang nog slechts een indicatie is dat iemand moet worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende. Ook natuurlijke personen met een kleiner belang kunnen als uiteindelijk belanghebbende worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat zij op andere wijze de uiteindelijke zeggenschap over een cliënt hebben. In de tweede plaats hebben de wijzigingen tot gevolg dat het niet langer voor kan komen dat een vennootschap of juridische entiteit geen uiteindelijk belanghebbende heeft: indien het niet mogelijk blijkt een natuurlijke persoon te achterhalen die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over de cliënt, via het houden van aandelen, stemrechten, eigendomsbelang of andere middelen, dient het hoger leidinggevend personeel, oftewel het statutair bestuur, van een cliënt als uiteindelijk belanghebbende te worden aangemerkt. Het betreft nadrukkelijk een uiterste terugvaloptie die alleen kan worden gebruikt indien alle mogelijke maatregelen door een instelling zijn ingezet om op eerder genoemde gronden de uiteindelijk belanghebbenden van een cliënt te identificeren en indien er geen gronden bestaan voor verdenking van witwassen of financieren van terrorisme. Tot slot leiden de wijzigingen ertoe dat er voortaan meer personen als uiteindelijk belanghebbende van een trust moeten worden aangemerkt. Het betreft in ieder geval de trustees van een trust, maar ook de oprichter, eventuele protector en de begunstigden van een trust.

Vraag 3

Naar aanleiding van dit conceptbesluit zullen meer partijen meer gegevens verzamelen van meer mensen. Hoe wordt geborgd en gecontroleerd of de opslag van gegevens zorgvuldig gebeurd?

Antwoord op vraag 3

Banken, andere financiële ondernemingen en diverse aangewezen beroepsgroepen dienen op grond van de Wwft cliëntenonderzoek te verrichten. In het kader van dit cliëntenonderzoek wordt in ieder geval informatie verzameld over de identiteit van de cliënt, diens uiteindelijk belanghebbende en het doel en de aard van de beoogde zakelijke relatie of incidentele transactie. Het betreft daarmee gedeeltelijk persoonsgegevens. Als gevolg van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 zullen in de toekomst meer gegevens worden verzameld in het kader van het cliëntenonderzoek, doordat de uitwerking van de begrippen van uiteindelijk belanghebbende en van politiek prominent persoon wordt gewijzigd ten opzichte van huidig recht.

De vierde anti-witwasrichtlijn bevat bepalingen met betrekking tot de bescherming van deze gegevens, die met de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn worden geïmplementeerd. Het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme wordt aangewezen als een zwaarwegend algemeen belang. Bij totstandkoming van de vierde anti-witwasrichtlijn is uitdrukkelijk overwogen dat het verwerken van persoonsgegevens in het kader van het cliëntenonderzoek beperkt dient te blijven tot hetgeen noodzakelijk is met het oog op de naleving van de verplichtingen uit de richtlijn. Persoonsgegevens die zijn verzameld in het kader van het uitvoeren van het cliëntenonderzoek mogen dan ook niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met dit nalevingsdoel. Dit wordt geïmplementeerd in artikel 34a Wwft.

Het verwerken van persoonsgegevens op grond van de Wwft is daarnaast onderworpen aan richtlijn 95/46/EG, die op 25 mei 2018 zal worden vervangen door de Algemene verordening gegevensbescherming. In aanvulling op de verordening gelden de regels van de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming.2 Tot het in werking treden van deze verordening en uitvoeringswet, geldt voor instellingen in Nederland de Wet bescherming persoonsgegevens.

Vraag 4

Leidt dit conceptbesluit ertoe dat ook onder meer kunsthandelaren een onderzoek moeten door naar hun klanten?

Antwoord op vraag 4

In het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt niet geregeld welke instellingen verplicht zijn om cliëntenonderzoek te verrichten. Dat wordt bepaald in de Wwft. Op grond van de Wwft zijn banken, andere financiële ondernemingen en diverse aangewezen beroepsgroepen verplicht tot het verrichten van cliëntenonderzoek. Tot deze aangewezen beroepsgroepen behoren ook beroeps- of bedrijfsmatige verkopers van goederen, voor zover betaling van deze goederen plaatsvindt in contanten en voor een bedrag van EUR 15.000,– of meer. Tot goederen worden ook kunstvoorwerpen en antiquiteiten gerekend. Als gevolg van de vierde anti-witwasrichtlijn voorziet het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in een uitbreiding van deze groep instellingen. Na het inwerking treden van dit wetsvoorstel zal het gaan om personen die in goederen handelen en daarvoor betalingen in contant geld doen of ontvangen voor een bedrag van EUR 10.000,– of meer. Naast de verlaging van het drempelbedrag betreft het derhalve een uitbreiding van deze instelling met kopers van goederen, waaronder kunst.

Daarnaast vallen, reeds naar huidig recht, tussenpersonen die bemiddelen bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten inzake koop en verkoop van (onder meer) kunstvoorwerpen en antiquiteiten onder de verplichtingen van de Wwft (ongeacht de omvang van de transactie die met de koop of verkoop is gemoeid). Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om veilinghuizen. De reikwijdte van deze categorie Wwft-instellingen wijzigt niet na implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Vraag 5

Is bij de nadere uitwerking van het UBO-register rekening gehouden met de specifieke situatie van algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) als juridische entiteit zonder UBO? Zo ja, hoe?

Antwoord op vraag 5

Noch het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 noch het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, voorziet in de centrale registratie van uiteindelijk belanghebbenden («UBO-register»). De bepaling uit de vierde anti-witwasrichtlijn met betrekking tot de centrale registratie van informatie over uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (artikel 30) wordt in Nederland geïmplementeerd door middel van een afzonderlijk wetsvoorstel. Het betreft het conceptvoorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden, dat in het voorjaar van 2017 is geconsulteerd en dat nog bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.3 In (de toelichting bij) dit wetsvoorstel zal, onder meer naar aanleiding van de motie Schouten4, worden ingegaan op de positie van algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) in het licht van de verplichtingen tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden.

Op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn dienen Wwft-instellingen onderzoek te verrichten naar iedere cliënt, ongeacht hun rechtsvorm, en in dat kader onder meer de uiteindelijk belanghebbenden van hun cliënten te identificeren. Het onderhavige ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 voorziet in een uitwerking van het begrip uiteindelijk belanghebbende voor dit doeleinde. Voor de verplichtingen inzake het cliëntenonderzoek wordt (ook naar huidig recht) geen onderscheid gemaakt naar de rechtsvorm of het type cliënt: ook indien een Wwft-instelling voornemens is een zakelijke relatie aan te gaan met een cliënt met een ANBI-status, dient het cliëntenonderzoek te worden verricht en de uiteindelijk belanghebbenden van de cliënt te worden geïdentificeerd. De begripsomschrijving van uiteindelijk belanghebbende in artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn laat geen ruimte om rekening te houden met het al dan niet beogen van algemeen nut.

Vraag 6

Klopt het dat als uitkeringen in het geval van ANBI’s wel worden beschouwd als eigendomsbelang, begunstigden van ANBI’s als UBO’s zouden moeten worden aangemerkt?

Vraag 7

Kunt u uitleggen hoe er wordt omgegaan met een UBO bij goede doelen?

Vraag 8

Kunt u uitleggen hoe er wordt omgegaan met een UBO bij ANBI's?

Vraag 9

Komen UBO's van ANBI’s ook in het register?

Antwoord op de vragen 6 tot en met 9

In het kader van het cliëntenonderzoek dienen Wwft-instellingen de uiteindelijk belanghebbenden van hun cliënten te identificeren en redelijke maatregelen te nemen om de gevonden identiteit te verifiëren. De verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek geldt ongeacht het type cliënt, dus ook indien een cliënt een ANBI is of is opgericht ten behoeve van een «goed doel». De uiteindelijk belanghebbende is (kort gezegd) de natuurlijke persoon die het uiteindelijk eigendom of de uiteindelijke zeggenschap heeft in de cliënt. In het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt bepaald welke natuurlijke personen daartoe ten minste worden gerekend. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen (onder meer) besloten en naamloze vennootschappen, kerkgenootschappen, overige rechtspersonen5, personenvennootschappen en trusts.

Voor het bepalen van de uiteindelijk belanghebbende van een ANBI of een entiteit die zich inzet voor een goed doel is derhalve de rechtsvorm relevant. Om die reden kan niet in algemene zin worden bepaald wie in deze gevallen de uiteindelijk belanghebbende is.

In vraag 6 wordt verwezen naar een aandeel in het eigendomsbelang. In het geval van bijvoorbeeld een BV of NV, overige rechtspersoon of personenvennootschap geldt dat natuurlijke personen die direct of indirect meer dan 25 procent van het eigendomsbelang houden, ten minste als uiteindelijk belanghebbende moeten worden aangemerkt. Onder eigendomsbelang wordt het recht op uitkering van de winst of de reserves van een rechtspersoon of personenvennootschap, of op overschot na vereffening verstaan. Aan begunstigden van een stichting wordt vermogen van de stichting uitgekeerd ten behoeve van de verwezenlijking van het doel van de stichting met een ideële of sociale strekking. Deze begunstigden hebben een «eigendomsbelang» in de zin van de richtlijn. Hierop wordt in de beantwoording van vraag 34 nader ingegaan.

Zoals bij de beantwoording van vraag 5 is opgemerkt, zal het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden voorzien in een verplichting tot registratie van informatie over uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 heeft hierop geen betrekking. Het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden is nog in voorbereiding en wordt nog aan de Tweede Kamer toegezonden.

Vraag 10

Worden ANBI's en SBBI's (sociaal belang beogende instellingen) gebruikt voor witwassen? Hoe geschiedt dit?

Vraag 12

Via welke rechtspersonen wordt normaliter witgewassen?

Vraag 13

Kan de regering enkele voorbeelden geven van witwasconstructies?

Antwoord op vraag 10, 12 en 13

Voor de beantwoording van deze vragen zijn de eerste nationale risicoanalyses witwassen en terrorismefinanciering relevant, die bij brief van 19 december 2017 aan uw Kamer zijn toegezonden.6 Deze nationale risicoanalyses strekken tot het in kaart brengen van de risico’s voor Nederland op het terrein van witwassen en terrorismefinanciering, alsmede tot het in kaart brengen van de weerbaarheid van het beleidsinstrumentarium gericht op de preventie en repressie van deze risico’s.

In de nationale risicoanalyse witwassen wordt, ten behoeve van het in kaart brengen van de witwasrisico’s voor Nederland, ook ingegaan op een selectie van witwasconstructies. Zo noemt de nationale risicoanalyse bijvoorbeeld «trade-based money laundering». Het betreft gevallen waarin handelsrelaties worden gebruikt voor witwassen, bijvoorbeeld door transacties te laten plaatsvinden op basis van facturen die, anders dan gesuggereerd wordt, niet aan een goederenstroom zijn gerelateerd.

In de nationale risicoanalyse witwassen wordt ook het gebruik van complexe vennootschapsrechtelijke structuren genoemd, waarmee de herkomst van geld kan worden verhuld. Zo kunnen er bijvoorbeeld verschillende vennootschappen worden opgericht, waartussen betalingen worden verricht. De nationale risicoanalyse maakt hierbij geen onderscheid tussen verschillende rechtsvormen. Blijkens de nationale risicoanalyse is door de experts die in de onderzoeksfase geïnterviewd zijn wel gewezen op misbruik van stichtingen. Deze stichtingen zouden gebruikt kunnen worden om de identiteit van personen te verhullen. Het gebruik van stichtingen is volgens de experts echter niet één van de tien witwasrisico’s met de grootste potentiële impact. Op de witwasrisico’s van ANBI’s of SBBI’s wordt in de nationale risicoanalyse niet afzonderlijk ingegaan. Wel staat in de nationale risicoanalyse omschreven dat de controle die de Belastingdienst verricht op grond van fiscale wetgeving naar stichtingen met een ANBI-status «een bijdrage kan leveren aan de preventie en repressie van witwassen.»

Vraag 11

Hoeveel ANBI's of SBBI's hebben een bankvergunning?

Antwoord op vraag 11

In het register met Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) staan geen instellingen ingeschreven die blijkens het openbare register van De Nederlandsche Bank (DNB) over een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank als bedoeld in de artikelen 2:12, eerste lid, en 2:13, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht beschikken. Er staan wel een aantal stichtingen geregistreerd in het ANBI-register die gelieerd zijn aan een bank in Nederland. Daarbij gaat het om stichtingen waarmee de banken beogen bij te dragen aan maatschappelijke projecten. Sociaal Belang Beogende Instellingen (SBBI’s) worden niet centraal geregistreerd, zodat niet valt na te gaan in hoeverre er SBBI’s zijn met een bankvergunning van DNB.

Vraag 14

Wat zijn de verschillen tussen de EU-lidstaten inzake de implementatie van de Vierde anti-witwasrichtlijn?

Antwoord op vraag 14

De vierde anti-witwasrichtlijn beoogt het Europees regelgevend kader ter voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen of financieren van terrorisme verder in lijn te brengen met de internationale aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF). De richtlijn is een instrument van minimumharmonisatie. Dat wil zeggen dat lidstaten de bepalingen van de vierde anti-witwasrichtlijn in hun wet- en regelgeving moeten implementeren, maar dat zij – binnen de grenzen van het Unierecht – strengere bepalingen kunnen aannemen om witwassen of financieren van terrorisme te voorkomen. Deze mogelijkheid is geëxpliciteerd in artikel 5 van de vierde anti-witwasrichtlijn.

In Nederland geldt het uitgangspunt dat in beginsel terughoudend wordt omgegaan met de mogelijkheid om te voorzien in strengere bepalingen dan een Europese richtlijn vereist. Om die reden voorziet ook het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 niet in strengere bepalingen dan de vierde anti-witwasrichtlijn. Een volledig overzicht over de wijze waarop in andere lidstaten gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 5 van de vierde anti-witwasrichtlijn biedt, is niet voor handen. In het algemeen bestaat de indruk dat lidstaten terughoudend van deze mogelijkheid gebruik maken. Navraag bij andere lidstaten leert wel dat de anti-witwasregelgeving in Spanje op meer instellingen van toepassing is, dan de vierde anti-witwasrichtlijn vereist.7 Daarnaast is in het Verenigd Koninkrijk de richtlijnbepaling die lidstaten verplicht te voorkomen dat ter zake veroordeelde criminelen een managementfunctie kunnen uitoefenen bij bepaalde instellingen ook van toepassing op personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen.

Vraag 15

Waarom worden belangrijke begrippen, zoals het begrip uiteindelijk belanghebbende (UBO) en politiek prominente persoon (PEP) in lagere regelgeving geregeld?

Antwoord op vraag 15

De uitwerking van de begrippen «politiek prominent persoon», «familielid van een politiek prominent persoon» en «persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominent persoon» kenmerkt zich door een hoog detailniveau en technisch karakter, waardoor deze uitwerking zich beter leent voor een algemene maatregel van bestuur.

Datzelfde geldt voor het begrip «uiteindelijk belanghebbende». Ook hier ligt het hoge detailniveau van de uitwerking van de begripsomschrijving aan de keuze voor een algemene maatregel van bestuur ten grondslag. Daarbij dient echter te worden benadrukt dat het hier niet gaat om een uitwerking van de criteria op grond waarvan moet worden bepaald of een natuurlijk persoon als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert. Die criteria worden in artikel 1, eerste lid, Wwft reeds op wetsniveau geregeld. In artikel 3 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 worden de natuurlijke personen aangewezen die daaronder in elk geval moeten worden verstaan.

Vraag 16

Komen gevolmachtigden in het UBO-register?

Antwoord op vraag 16

Het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden zal voorzien in de verplichtingen tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden van rechtspersonen en ondernemingen. De uiteindelijk belanghebbende van een rechtspersoon of onderneming is, op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn, de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een onderneming of een rechtspersoon. Een gevolmachtigde voldoet in beginsel niet aan die definitie en zal derhalve niet als zodanig worden ingeschreven in het register. In (de toelichting bij) het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden zal hier nader op worden ingegaan.

Vraag 17

Wat houdt de risicogebaseerde benadering van het cliëntenonderzoek in?

Antwoord op vraag 17

Instellingen dienen in het kader van het cliëntenonderzoek maatregelen te nemen die onder andere strekken tot het vergaren van informatie over de identiteit van de cliënt, diens uiteindelijk belanghebbende(n) en over het doel en de aard van de beoogde zakelijke relatie of transactie. Op basis van de risicogevoeligheid van een cliënt, transactie, product of dienst dient een instelling te bepalen hoe verstrekkend die maatregelen zijn. Daarbij dient een instelling bepaalde risicofactoren in acht te nemen, die zijn opgenomen in de bijlagen bij de vierde anti-witwasrichtlijn. In geval van een lager risico op witwassen en financieren van terrorisme kan een instelling volstaan met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek, in het geval van een hoger risico dient een instelling verscherpte maatregelen te treffen. Bepaalde typen cliënten of producten kunnen een verhoogd risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengen. Voorbeelden van risicofactoren die kunnen duiden op een potentieel hoger risico, zoals opgenomen in de derde bijlage bij de vierde anti-witwasrichtlijn, zijn bijvoorbeeld cliënten die een bedrijf uitoefenen waar veel geldverkeer in contant geld plaatsvindt of die gevestigd zijn in een land buiten de Europese Unie dat door de Europese Commissie is aangewezen als een land met een hoog risico op witwassen of financieren van terrorisme. In dat geval kan een instelling bijvoorbeeld verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen nemen door een limiet te stellen aan de betalingen in contant geld, of informatie op te vragen over de maatregelen die een cliënt zelf neemt om te voorkomen dat zijn dienstverlening wordt gebruikt voor witwassen of financieren van terrorisme.

Vraag 18

Kan het UBO-register via een trust of fonds voor gemene rekening worden ontweken?

Antwoord op vraag 18

Het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden zal voorzien in verplichtingen tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden van rechtspersonen en ondernemingen. Hoewel deze wetgeving – en daaraan ten grondslag liggende wet- en regelgeving – nog in voorbereiding is, geldt dat voor het begrip «uiteindelijk belanghebbende» zal worden aangesloten bij de uitwerking van dit begrip in artikel 3 van het onderhavige ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.8 Met dit artikel wordt artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd. Uit de begripsomschrijving van uiteindelijk belanghebbende volgt dat niet alleen natuurlijke personen die rechtstreeks het uiteindelijke eigendom of de uiteindelijke zeggenschap hebben in een rechtspersoon of onderneming als uiteindelijk belanghebbende moeten worden aangemerkt. Ook indien het uiteindelijk eigendom of de uiteindelijke zeggenschap in een indirect wordt gehouden, bijvoorbeeld door tussenkomst van een andere rechtspersoon of juridische constructie, zoals een trust of fonds voor gemene rekening, dient een natuurlijke persoon als uiteindelijk belanghebbende te worden aangemerkt. Als een trust of fonds voor gemene rekening aan een structuur van rechtspersonen wordt toegevoegd, moet daar dus «doorheen worden gekeken».

De wijzigingen van de vierde anti-witwasrichtlijn, waarover in december 2017 een politiek akkoord is bereikt en die naar verwachting nog dit voorjaar in werking zullen treden, leiden er bovendien toe dat Nederland verplicht zal zijn een register van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies op te zetten.9 In het thans in voorbereiding zijnde voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden wordt niet voorzien in een verplichting tot registratie van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies. Deze verplichting zal bij separaat wetsvoorstel worden geïmplementeerd.

Vraag 19

Wat betekent het dat hoger leidinggevend personeel als UBO kan worden aangemerkt?

Antwoord op vraag 19

In alle gevallen dient er (ten minste) een natuurlijke persoon als uiteindelijk belanghebbende van een vennootschap of juridische entiteit te worden aangemerkt. Indien het niet mogelijk blijkt een natuurlijk persoon te achterhalen die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een juridische entiteit via het houden van aandelen, stemrechten, eigendomsbelang of andere middelen, dient het hoger leidinggevend personeel van de juridische entiteit als uiteindelijk belanghebbende te worden aangemerkt. Het hoger leidinggevend personeel wordt eveneens als uiteindelijk belanghebbende aangemerkt, indien er twijfel bestaat of een natuurlijk persoon daadwerkelijk het uiteindelijk eigendom of de uiteindelijke zeggenschap in een vennootschap heeft. Het betreft hier nadrukkelijk een terugvaloptie: het hoger leidinggevend personeel kan alleen als uiteindelijk belanghebbende worden aangemerkt, als alle mogelijke maatregelen door een instelling zijn ingezet om op eerder genoemde gronden de uiteindelijk belanghebbende van een cliënt vast te stellen en indien er geen gronden bestaan voor verdenking van witwassen of financieren van terrorisme. De mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen het hoger leidinggevend personeel van een cliënt als uiteindelijk belanghebbende aan te merken heeft tot gevolg dat er zich geen gevallen meer kunnen voordoen waarin een instelling in het kader van zijn cliëntenonderzoek tot de conclusie komt dat er geen uiteindelijk belanghebbenden kunnen worden geïdentificeerd.

Vraag 20

Wat is het verschil tussen «senior management» en «hoger leidinggevend personeel»?

Antwoord op vraag 20

De begripsomschrijving van «hoger leidinggevend personeel» volgt uit artikel 3, twaalfde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn en vindt zijn oorsprong in de aanbevelingen van de FATF. Deze begripsomschrijving is in de eerste plaats van betekenis voor de bepalingen in de Wwft met betrekking tot het risicomanagement van Wwft-instellingen en de beslissingsbevoegdheid binnen die instellingen voor het aangaan van een zakelijke relatie met een cliënt. Voor de toepassing van deze bepalingen geldt dat de betekenis van dit begrip neerkomt op het senior management van een rechtspersoon of vennootschap. Het betreft de dagelijks beleidsbepalers, alsmede de leidinggevenden direct onder het niveau van de dagelijks beleidsbepalers die beslissingen kunnen nemen over de blootstelling van een instelling aan bepaalde risico’s, waaronder de risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme.

In de tweede plaats vindt het begrip «hoger leidinggevend personeel» toepassing in het kader van het cliëntenonderzoek, zoals hiervoor, in reactie op vraag 19 omschreven. Naar aanleiding van ontvangen consultatiereacties is in artikel 3, zesde lid, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 verduidelijkt dat voor de toepassing van het begrip «hoger leidinggevend personeel» bij het identificeren van uiteindelijk belanghebbenden in het kader van het cliëntenonderzoek, hieronder het statutair bestuur van de cliënt moet worden verstaan.

Vraag 21

Wat zijn de gevolgen van het brengen van kopers van goederen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)?

Antwoord op vraag 21

Op dit moment is de Wwft van toepassing op beroeps- of bedrijfsmatige verkopers van goederen, voor zover betaling van deze goederen plaatsvindt in contanten voor een bedrag van EUR 15.000,– of meer. Als gevolg van de vierde anti-witwasrichtlijn voorziet het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in een uitbreiding van deze groep instellingen. Na het inwerking treden van dit wetsvoorstel zal het gaan om personen die in goederen handelen en daarvoor betalingen in contant geld doen of ontvangen voor een bedrag van EUR 10.000,– of meer.

Het voorgaande leidt ertoe dat ook inkopers van goederen cliëntenonderzoek moeten verrichten, indien zij voor de aankoop van goederen EUR 10.000,– of meer in contanten betalen. Daarnaast moeten zij in deze gevallen een melding maken bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland), indien sprake is van een ongebruikelijke transactie.

Om een beeld te krijgen bij deze verplichtingen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan gevallen waarin een verkopende partij nadrukkelijk aandringt bij een inkoper op betaling in contant geld. Met behulp van het cliëntenonderzoek dient een koper van goederen zich er in een dergelijk geval voor in te spannen dat zijn dienstverlening niet voor criminele doeleinden wordt gebruikt. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Wwft geldt de verplichting om een melding te maken bij de FIU-Nederland indien de koper van goederen niet aan de verplichtingen van cliëntenonderzoek kan voldoen en er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij witwassen, daaraan ten grondslag liggende basisdelicten, of financieren van terrorisme. In deze gevallen mag de voorgenomen transactie ook niet plaatsvinden.

Vraag 22

Kan de Wwft tot gevolg hebben (vanwege de «passende beheersmaatregelen» die nodig zijn) dat bepaalde ondernemingsactiviteiten worden gestaakt, met bijvoorbeeld verlies van dienstverlening voor consumenten als gevolg?

Antwoord op vraag 22

De verplichtingen uit de Wwft strekken er niet toe dat een instelling bepaalde diensten in het geheel niet meer kan verlenen. In gevallen waarin zich een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme voordoet, dient een Wwft-instelling verscherpte maatregelen te nemen in het kader van het cliëntenonderzoek. Dit betekent dat een instelling meer informatie over een cliënt moet vergaren, om te kunnen vaststellen of de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme voldoende kunnen worden ondervangen. Indien een instelling constateert dat er risico’s op witwassen of financieren van terrorisme bestaan die onvoldoende kunnen worden beheerst, wordt de instelling geacht van dienstverlening aan de cliënt af te zien of de dienstverlening te beëindigen. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de dienstverlening van instellingen kan worden gebruikt voor criminele doeleinden of voor het financieren van terrorisme.

Vraag 23

Waarom is er, tegen de achtergrond van een dreigende vermenging tussen onderwereld en bovenwereld, niet voor gekozen lokale bestuurders, in het bijzonder wethouders, uitdrukkelijk aan te merken als politiek prominent persoon?

Antwoord op vraag 23

Politiek prominente personen zijn natuurlijke personen die een «prominente publieke functie» bekleden of (recent) hebben bekleed. Deze prominente publieke functies worden in artikel 2, eerste lid, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 aangewezen. Hierbij wordt de begripsomschrijving van politiek prominent persoon uit artikel 3, negende lid, uit de vierde anti-witwasrichtlijn gevolgd. Lokale bestuurders, zoals wethouders, worden in de vierde anti-witwasrichtlijn niet als politiek prominent persoon aangemerkt. Omdat in Nederland bij implementatie in beginsel het uitgangspunt geldt dat niet voorzien wordt in andere regels dan voor de implementatie noodzakelijk zijn, is er ook in het onderhavige geval niet afgeweken van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Daarbij komt dat het, gelet op de proportionaliteit van de cliëntenonderzoeksverplichtingen, niet wenselijk wordt geacht de lijst met prominente publieke functies op deze wijze uit te breiden. Beoogd wordt om invloedrijke functies aan te wijzen, die een hoger risico op bijvoorbeeld corruptie met zich brengen, zodat een verscherpt cliëntenonderzoek in alle gevallen noodzakelijk is. Functies op lager niveau, of functies op gemeentelijk of provinciaal niveau, zijn niet in alle gevallen vergelijkbaar met de invloedrijke functies die in de vierde anti-witwasrichtlijn en in artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit zijn genoemd.

Tegelijkertijd kan het zo zijn dat ook aan lokale functies, bijvoorbeeld op gemeentelijk niveau, in een voorkomend geval een hoger risico moet worden toegekend. De risicogebaseerde benadering van de Wwft brengt met zich dat ook in die gevallen een verscherpt cliëntenonderzoek verplicht is. Dit leidt ertoe dat instellingen bij het verrichten van cliëntenonderzoek maatwerk leveren, hetgeen internationaal als het meest effectief wordt beschouwd om witwassen en financieren van terrorisme tegen te gaan.

Vraag 24

Geldt de meldplicht voor handel en betalingen in contant geld van 10.000 euro of meer voor elke transactie in elke sector? Zo ja, is dit proportioneel en subsidiair? Zo nee, voor welke sectoren en transacties geldt de meldplicht?

Vraag 25

Geldt de meldplicht van transacties vanaf 10.000 euro alleen voor contant geld of ook voor giraal geld? Vanaf welk bedrag geldt een meldplicht voor girale betalingen? En vanaf welke bedragen, contant of giraal, geldt een plicht om cliëntonderzoek te doen?

Antwoord op vraag 24 en 25

Alle instellingen waarop de Wwft van toepassing is, zijn verplicht om ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland. Het betreft banken, andere financiële ondernemingen en diverse aangewezen beroepsgroepen, zoals advocaten, trustkantoren en belastingadviseurs.

Een ongebruikelijke transactie is een transactie die op grond van de indicatoren bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wwft als ongebruikelijk is aan te merken. Deze indicatoren worden uitgewerkt in het (bestaande) Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en worden, als gevolg van de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn, opnieuw vastgesteld in de bijlage bij het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Van een ongebruikelijke transactie is onder meer sprake indien aanleiding bestaat te veronderstellen dat een transactie verband kan houden met witwassen of het financieren van terrorisme. Daarnaast gaat het om transacties van of ten behoeve van personen in landen met een hoger risico op witwassen en financieren van terrorisme, die door de Europese Commissie worden aangewezen. Ten slotte zijn voor verschillende type instellingen ook indicatoren vastgesteld die strekken tot het melden van bepaalde transacties bij de FIU-Nederland boven een vastgesteld meldbedrag.

Laatstgenoemde indicatoren, die uitgaan van een vastgesteld meldbedrag, verschillen per instelling en maken een onderscheid naar verschillende transacties. Daarmee wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de diverse instellingen waarop de Wwft van toepassing is en het type transacties waarmee zij te maken kunnen hebben. Voor diverse aangewezen beroepsgroepen10 geldt op dit moment een indicator die strekt tot het melden van een transactie voor een bedrag van EUR 15.000,– of meer, betaald aan of door tussenkomst van de instelling, in contanten, met cheques aan toonder, een vooraf bepaald betaalinstrument (prepaid card) of soortgelijke betaalmiddelen. Als gevolg van de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn wordt dit meldbedrag verlaagd naar EUR 10.000,–. De vierde anti-witwasrichtlijn gaat uit van een hoog risico op witwassen en financieren van terrorisme in het geval van betalingen in contanten van EUR 10.000,– of meer. In overweging 6 bij de richtlijn is daarbij overwogen dat het risico op witwassen en financieren van terrorisme in die gevallen als «zeer hoog» wordt aangemerkt. Vanwege dit verhoogde risico op witwassen en financieren van terrorisme in geval van betalingen in contanten is de verlaging van het meldbedrag dat betrekking heeft op contante betalingen naar EUR 10.000,–, in overeenstemming met de richtlijn en wordt deze verlaging passend bevonden. Overigens wordt deze verlaging met het ontwerpbesluit ook doorgevoerd in andere indicatoren, waaronder ook de indicatoren voor banken en andere financiële ondernemingen, waar deze indicatoren betrekking hebben op een transactie die verband houdt met contante geld.

De hiervoor omschreven indicator heeft niet alleen betrekking op betalingen in contant geld, maar ook op betalingen met cheques aan toonder, een vooraf bepaald betaalinstrument (prepaid card) of soortgelijke betaalmiddelen. Bij de totstandkoming van de indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties in 2014 is overwogen dat betalingen met vooraf betaalde betaalinstrumenten vergelijkbaar zijn aan betalingen met contant geld.11 Hetzelfde geldt voor transacties met cheques aan toonder. Om die reden voorziet het ontwerpbesluit ook voor betalingen met deze betaalinstrumenten in een verlaging van het meldbedrag van EUR 15.000,– naar EUR 10.000,–.

Het melden van ongebruikelijke transacties moet worden onderscheiden van de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten. Deze verplichting geldt in ieder geval wanneer een Wwft-instelling een zakelijke relatie aangaat met een cliënt. Is er geen sprake van een zakelijke relatie, maar strekt de voorgenomen dienstverlening van een instelling tot het verrichten van een incidentele transactie ten behoeve van de cliënt, dan geldt deze verplichting wanneer de transactie een waarde heeft van EUR 15.000,– of meer. Voor bepaalde instellingen wordt met het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn een lager bedrag vastgesteld. Zo zijn personen die in goederen handelen verplicht cliëntenonderzoek te verrichten wanneer zij betalingen in contant geld doen of ontvangen voor een bedrag van EUR 10.000,– of meer. Voor aanbieders van kansspelen is dit bedrag, conform de vierde anti-witwasrichtlijn, op EUR 2.000,– vastgesteld.

Vraag 26

Hoe wordt de continuïteit van bancaire dienstverlening aan PEP’s gegarandeerd, bijvoorbeeld waar het diplomatieke vertegenwoordigingen en internationale organisaties betreft? Welke ervaringen hebben Nederlandse diplomaten in het buitenland hiermee? Is het denkbaar dat bepaalde dienstverlening, zoals hypotheekverstrekking, alleen tegen hogere tarieven wordt geleverd?

Antwoord op vraag 26

De verplichting tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek staat de dienstverlening van (bijvoorbeeld) banken aan politiek prominente personen niet in de weg. De betreffende maatregelen zijn preventief van aard. Een zakelijke relatie afwijzen, uitsluitend omdat een cliënt (of diens uiteindelijk belanghebbende) een politiek prominent persoon is, druist in tegen de gedachte achter de Wwft en de FATF-aanbevelingen. Dit is ook uitdrukkelijk opgenomen in de toelichting bij het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn.

De verplichtingen ten aanzien van politiek prominente personen zijn niet nieuw, maar bestaan op dit moment al voor zover het gaat om politiek prominente personen met de buitenlandse nationaliteit of die in het buitenland woonachtig zijn. Er zijn op dit moment geen signalen bekend dat de continuïteit van dienstverlening aan deze personen in het geding is geweest, noch dat er hogere tarieven zijn geheven.

Vraag 27

Hoe worden mensen geïnformeerd dat zij zijn aangemerkt als PEP en hoe worden ze geïnformeerd als zij die status verliezen?

Antwoord op vraag 27

Indien een politiek prominente persoon voornemens is een zakelijke relatie aan te gaan met een Wwft-instelling, bijvoorbeeld door een bankrekening te openen, dient deze instelling verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten. Dit onderzoek bestaat er onder meer uit dat een instelling passende maatregelen neemt om de bron van het vermogen en de middelen die bij de zakelijke relatie betrokken zullen zijn, vast te stellen. Een Wwft-instelling zal hiertoe in de eerste plaats contact opnemen met de cliënt, zodat de cliënt ook op de hoogte wordt gesteld van diens status als politiek prominent persoon. De instelling zal de cliënt daarbij vragen om informatie over de herkomst van zijn vermogen. Daarbij gaat het erom dat een instelling uiteindelijk kan vaststellen dat de kennis die hij heeft over de herkomst van het vermogen van de politiek prominente persoon, overeenkomt met de kennis die hij heeft van zijn cliënt en het doel en de aard van de beoogde zakelijke relatie. Op die wijze kan een instelling zich ervan vergewissen dat zijn dienstverlening niet wordt gebruikt voor bijvoorbeeld witwassen.

Omdat een instelling op grond van de Wwft verplicht is de informatie die uit hoofde van het cliëntenonderzoek is verzameld actueel te houden, ligt het in de rede dat een instelling ook gedurende de zakelijke relatie contact opneemt met de cliënt. Dat kan zijn om te verifiëren of er relevante omstandigheden zijn die gewijzigd zijn, of omdat er sprake is van een concreet signaal dat aanleiding geeft tot het opvragen van aanvullende informatie. Indien een cliënt niet langer een prominente publieke functie bekleedt, is een instelling in ieder geval nog gedurende 12 maanden na het neerleggen van de functie verplicht om de eerder vastgestelde status van politiek prominent persoon in acht te nemen. Na het verstrijken van deze 12 maanden geldt dat er, zodra er geen sprake meer is van een hoger risico, niet langer een verplichting bestaat tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek. Bij het actualiseren van de informatie die uit hoofde van het cliëntenonderzoek is verzameld, zal een instelling in dat geval naar verwachting geen informatie meer opvragen met betrekking tot de herkomst van het vermogen. Ook de voorgeschreven verscherpte controle van de zakelijke relatie met de politiek prominente persoon kan vanaf dat moment worden teruggeschroefd. Omdat er in een dergelijk geval geen aanleiding bestaat voor het opvragen van informatie bij de cliënt en de cliënt niet betrokken is bij de overige maatregelen die in het kader van het verscherpt cliëntenonderzoek zijn genomen (de verscherpte controle van de zakelijke relatie en het vereiste van toestemming van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan van een zakelijke relatie met een politiek prominent persoon), wordt hierover naar verwachting geen contact gezocht met de cliënt.

Vraag 28

Hoe wordt voorkomen dat familieleden van PEP’s onnodig worden belast met informatieverzoeken?

Antwoord op vraag 28

Op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn geldt de verplichting tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek ook indien de cliënt van een instelling een familielid is van een politiek prominent persoon. In die gevallen zal een instelling dan ook aanvullende informatie opvragen bij zijn cliënt. Het betreft in ieder geval informatie over de bron van het vermogen en de middelen die bij de zakelijke relatie of incidentele transactie ten behoeve van de cliënt zijn betrokken. Het verwerken van deze gegevens in het kader van het cliëntenonderzoek dient beperkt te blijven tot hetgeen noodzakelijk is met het oog op de naleving van de verplichtingen uit de vierde anti-witwasrichtlijn. Dit beginsel van doelbinding, dat uit de vierde anti-witwasrichtlijn volgt, wordt met het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd in artikel 34a Wwft. Daarmee wordt voorkomen dat cliënten van instellingen, waaronder ook de cliënten die kwalificeren als een familielid van een politiek prominent persoon, onnodig met verzoeken om informatie worden belast.

Vraag 29

Wordt bij de screening van familieleden van PEP’s maatwerk geleverd, bijvoorbeeld als het familieleden voorbij de pensioengerechtigde leeftijd betreft?

Vraag 30

Is het verenigbaar met de voorliggende regeling dat familieleden van PEP’s eenmalig worden gescreend en daarna, als de screening geen bijzonderheden oplevert, met rust worden gelaten?

Antwoord op vraag 29 en 30

De risicogebaseerde benadering die op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn en de Wwft gehanteerd moet worden bij het verrichten van cliëntenonderzoek, vergt inderdaad maatwerk. Dat geldt ook voor de gevallen waarin sprake is van verscherpt cliëntenonderzoek naar een politiek prominent persoon. In deze gevallen is in de vierde anti-witwasrichtlijn (in navolging van de aanbevelingen van FATF) al bepaald dat sprake is van een hoger risico op witwassen en financieren van terrorisme en is vastgesteld welke maatregelen ten minste moeten worden genomen om dit risico te ondervangen. Het betreft onder meer de eerder genoemde verplichting om passende maatregelen te nemen om de bron van het vermogen van de cliënt vast te stellen. Qua intensiteit dienen deze maatregelen echter te worden afgestemd op de risico’s in een concreet geval.

Zo noemt DNB in haar leidraad bij de Wwft het voorbeeld van de ouders van een directielid van een buitenlandse centrale bank die in Nederland een eenvoudige betaalrekening aanhouden. In dat geval is sprake van een lager risico, dan in het geval van een echtgenote van een staatshoofd van een land met een verhoogd risico op corruptie, die een private banking rekening opent en daar grote contante bedragen op stort.12 Daarop moeten de maatregelen van het verscherpt cliëntenonderzoek worden afgestemd. Dat kan bijvoorbeeld door meerdere bronnen te raadplegen om de informatie die over het vermogen van een politiek prominent persoon is verkregen, te verifiëren. Wordt het risico juist lager geschat, dan kan het verifiëren van deze informatie in sommige gevallen gebeuren aan de hand van een openbare bron, bijvoorbeeld via het internet.

Het risico van een concreet geval zal ook bepalend zijn voor de frequentie waarmee door een instelling wordt nagegaan of de met het cliëntenonderzoek verkregen informatie nog actueel is. Het actueel houden van de gegevens gebeurt periodiek. Daarbij worden door instellingen ook signalen betrokken die aanleiding zouden kunnen vormen voor een wijziging in het risicoprofiel van de cliënt. Zijn deze signalen er niet en worden de risico’s door een instelling als lager ingeschat, dan kan het zijn dat er een geruime tijd zit tussen het moment waarop het initiële cliëntenonderzoek is verricht en het eerstvolgende moment waarop een instelling contact opneemt met de cliënt. Overigens geldt dat het niet steeds noodzakelijk is contact op te nemen met de cliënt om te beoordelen of eerder verkregen gegevens nog actueel zijn.

Vraag 31

Valt een wethouder uit Amsterdam onder de definitie van een PEP?

Vraag 32

Valt een wethouder uit Roermond onder de definitie van een PEP?

Vraag 33

Valt een burgemeester onder de definitie van een PEP?

Antwoord op de vragen 31 tot en met 33

De functie van wethouder of burgemeester wordt in artikel 3, negende lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn niet als politiek prominent persoon aangemerkt. In artikel 2, eerste lid, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 is – om de hiervoor, in de beantwoording van vraag 23, geschetste redenen – deze richtlijnbepaling gevolgd, zodat deze functies ook in Nederland niet als prominente publieke functies worden aangemerkt. Indien in een concreet geval moet worden vastgesteld dat met de uitoefening van de functie van wethouder of burgemeester een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme gepaard gaat, dan dient een instelling dit in acht te nemen. De Wwft verplicht in die gevallen eveneens tot het verrichten van een verscherpt cliëntenonderzoek.

Vraag 34

Waarom wordt in het geval van stichtingen gesproken over uitkering van winst? Is dat niet strijdig met het rechtspersonenrecht?

Antwoord op vraag 34

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bevat geen belemmering voor stichtingen om winst te genereren, wel om winst uit te keren. Op grond van artikel 285, derde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek mag het doel van een stichting niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen, noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. Dit «uitkeringsverbod» geldt niet voor begunstigden van de stichting, aan wie vermogen van de stichting wordt uitgekeerd ten behoeve van de verwezenlijking van het doel van de stichting met een ideële of sociale strekking. Deze begunstigden hebben een «eigendomsbelang» in de zin van de richtlijn. Om aan de situatie tegemoet te komen dat een stichting geen winst uitkeert, maar wel andere vermogensbestanddelen aan begunstigden, zal de begripsomschrijving van «eigendomsbelang» in artikel 1 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 worden verduidelijkt, zodat deze komt te luiden: «Eigendomsbelang: recht op uitkering uit het vermogen van een rechtspersoon of personenvennootschap, waaronder de winst of de reserves of op overschot na vereffening.»

Vraag 35

In hoeverre verschillen het begrip UBO en de regels daarover met die in de Wwft? Waarom is bijvoorbeeld de regeling voor een kerkgenootschap anders?

Antwoord op vraag 35

Artikel 3 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 voorziet in een nadere uitwerking van de begripsomschrijving van uiteindelijk belanghebbende uit artikel 1, eerste lid, van de Wwft. Er is nadrukkelijk geen sprake van twee verschillende begrippen.

In artikel 1, eerste lid, Wwft is, conform de aanhef van artikel 3, zesde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn, kort gezegd bepaald dat onder een uiteindelijk belanghebbende de natuurlijke persoon moet worden verstaan die het uiteindelijk eigendom heeft in of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een cliënt. In artikel 3 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit wordt bepaald wie hieronder, afhankelijk van de rechtsvorm van de cliënt, ten minste moet worden verstaan. Het betreft de nadere uitwerking die ook de vierde anti-witwasrichtlijn geeft aan dit begrip, in artikel 3, zesde lid, onderdelen a tot en met c, van de richtlijn.

In artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit is bepaald welke natuurlijke personen ten minste moeten worden aangemerkt als de uiteindelijk belanghebbende van een kerkgenootschap. Het betreft in de eerste plaats de personen die bij ontbinding van het kerkgenootschap als rechtsopvolger in het eigen statuut zijn benoemd. In deze gevallen is immers sprake van een potentieel eigendomsbelang, waarmee sprake is van uiteindelijk eigendom of uiteindelijke zeggenschap als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Wwft. Daarnaast geldt, bij wijze van terugvaloptie, dat onder omstandigheden de natuurlijke personen die als bestuurder staan vermeld in het statuut van het kerkgenootschap, of in de documenten van de kerkelijke organisatie, als UBO van het kerkgenootschap moeten worden aangemerkt. Deze categorie natuurlijke personen komt in feite overeen met het hoger leidinggevend personeel dat op grond van de vierde anti-witwasrichtlijn als uiteindelijk belanghebbende van een juridische entiteit moet worden aangemerkt.

Artikel 3 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft bevat geen limitatieve opsomming van de mogelijke uiteindelijk belanghebbenden van een cliënt. Steeds zal, op basis van de criteria in artikel 1 van de Wwft, moeten worden beoordeeld of er ook andere personen als UBO moeten worden aangemerkt.

Vraag 36

Waarom is gekozen voor het begrip «100% dochtermaatschappij» en waarom wordt niet aangesloten bij het begrip dochtermaatschappij in de zin van artikel 2:24a van het Burgerlijk Wetboek?

Antwoord op vraag 36

Op grond van artikel 3, zesde lid, onderdeel a, van de vierde anti-witwasrichtlijn gelden de criteria voor het aanwijzen van uiteindelijk belanghebbenden van een vennootschap of andere juridische entiteit niet, indien sprake is van een vennootschap die is onderworpen aan de openbaarmakingsvereisten van de richtlijn transparantie13, of aan vergelijkbare openbaarmakingsvereisten in staat buiten de Europese Unie. Omdat op deze beursgenoteerde vennootschappen reeds openbaarmakingsvereisten van toepassing zijn, wordt het in deze gevallen niet nodig geacht de relevante natuurlijke personen nogmaals als uiteindelijk belanghebbende aan te merken. In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 is verduidelijkt dat deze uitzondering ook geldt voor 100% dochtermaatschappijen van voornoemde beursgenoteerde vennootschappen. Daarbij is bewust gekozen voor het begrip 100% dochtermaatschappij, omdat – in tegenstelling tot gevallen waarin sprake is van een meerderheidsdochtermaatschappij als bedoeld in artikel 2:24a van het Burgerlijk Wetboek – in deze gevallen op voorhand vaststaat dat de uiteindelijk belanghebbenden van de beursgenoteerde vennootschap tevens de uiteindelijk belanghebbenden van de dochtermaatschappij zijn. In die gevallen is ook ten aanzien van de uiteindelijk belanghebbende(n) van de dochtermaatschappij gewaarborgd dat er reeds openbaarmakingsvereisten van toepassing zijn. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 2 van het huidige Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, dat met dit onderdeel van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt vervangen.

Vraag 37

Hoe kan het dat voor kerkgenootschappen toch een UBO moet worden ingevuld; eerder is toch afgesproken dat voor kerkgenootschappen er een uitzondering tot het benoemen van een UBO zou zijn?

Antwoord op vraag 37

Artikel 3 van het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 voorziet in een nadere uitwerking van het begrip uiteindelijk belanghebbende voor de toepassing van dit begrip in het kader van het cliëntenonderzoek. De vierde anti-witwasrichtlijn verplicht instellingen voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie met een cliënt dit onderzoek te verrichten. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende cliënten. Het cliëntenonderzoek dient derhalve plaats te vinden, ongeacht de rechtsvorm van de cliënt. In het kader van het cliëntenonderzoek dient een instelling onder andere de uiteindelijk belanghebbende(n) van de cliënt te identificeren en redelijke maatregelen te nemen om de gevonden identiteit te verifiëren. Dat geldt ook indien een cliënt een kerkgenootschap is.

De verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek, ook indien de cliënt een kerkgenootschap is, bestaat reeds naar huidig recht. Omdat er, ter implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn, in het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt voorzien in een nadere uitwerking van het begrip uiteindelijk belanghebbende, is van belang geacht een eigenstandige uitwerking van het begrip voor kerkgenootschappen op te nemen. Daarmee is beoogd recht te doen aan de bijzondere positie van kerkgenootschappen, op grond van artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Met vraag 37 wordt vermoedelijk verwezen naar het concept wetsvoorstel Implementatie registratie uiteindelijk belanghebbenden, dat in het voorjaar van 2017 is geconsulteerd.14 Met dit afzonderlijke wetsvoorstel, dat nog bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, zullen rechtspersonen en ondernemingen in Nederland verplicht worden de informatie over hun uiteindelijk belanghebbenden te registreren. Hiermee wordt artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd. In de nota van toelichting bij het ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 staat omschreven dat voor de totstandkoming van dit register bij de uitwerking van het begrip uiteindelijk belanghebbende in artikel 3 zal worden aangesloten. Daarbij geldt echter, zoals ook uitdrukkelijk in de nota van toelichting staat vermeld, dat van bepaalde, in het voorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden nader te benoemen, juridische entiteiten geen informatie over uiteindelijk belanghebbenden centraal hoeft te worden geregistreerd. Daarbij wordt verwezen naar de consultatieversie van laatstgenoemd wetsvoorstel, waarin voor kerkgenootschappen een dergelijke uitzondering op de registratieverplichting is opgenomen.15