Gepubliceerd: 17 juli 2017
Indiener(s): Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Hein Donner (CDA)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34761-4.html
ID: 34761-4

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 4 mei 2017 en het nader rapport d.d. 14 juli 2017, aangeboden aan de Koning door de Minister van Veiligheid en Justitie. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 9 maart 2017, no. 2017000399, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet griffierechten burgerlijke zaken in verband met het mogelijk maken van Engelstalige rechtspraak bij de internationale handelskamers van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, met memorie van toelichting.

Het voorstel strekt ertoe om in internationale handelsgeschillen procederen in de Engelse taal mogelijk te maken als partijen dat onderling uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Het voorstel regelt daartoe dat een nieuwe internationale handelskamer van de rechtbank Amsterdam (Netherlands Commercial Court («NCC»)) en van het gerechtshof Amsterdam (Netherlands Commercial Court of Appeal («NCCA»)) in dit soort geschillen in het Engels uitspraak kan doen. Om de voorziening op het totale budget voor de rechtspraak kostenneutraal te kunnen aanbieden, geldt voor deze Engelstalige procedure bij de NCC en de NCCA een verhoogd griffierecht.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar maakt opmerkingen over de motivering van de betekenis van het voorstel in vergelijkbare situaties waarin uitsluitend in de Nederlandse taal uitspraak wordt gedaan en over het ontbreken van de mogelijkheid om ook (incidentele) cassatiemiddelen of verweerschriften in de Engelse taal in te dienen bij de Hoge Raad.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 maart 2017 nr. 2017000399, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 4 mei 2017 nr. W03.17.0066/II, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen ten aanzien van de volgende punten: de noodzaak van het doen van een uitspraak in de Engelse taal, de mogelijkheid om in de Engelse taal opgestelde (incidentele) cassatiemiddelen en verweerschriften in te dienen bij de Hoge Raad en de verwerking van de ontvangen adviezen. De Afdeling adviseert in de toelichting op deze punten in te gaan, en met betrekking tot het eerste punt, zo nodig het wetsvoorstel aan te vullen. Ik ga hieronder nader op de genoemde punten in.

1. Uitspraak in de Engelse taal

Het voorstel strekt ertoe om in internationale handelsgeschillen procederen in de Engelse taal mogelijk te maken als partijen dat onderling uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Voorgesteld wordt dat de rechter in die gevallen de uitspraak uitsluitend in de Engelse taal zal doen. Door het voeren van een procedure in het Engels kunnen partijen de rechterlijke procedure inzake hun internationale geschil beter laten aansluiten bij hun gangbare zakelijke praktijk en daarmee veel tijd en aanzienlijke vertaalkosten besparen, aldus de toelichting.2

Thans is het in bepaalde gevallen reeds mogelijk bijvoorbeeld producties in de Engelse, Franse of Duitse taal over te leggen3 en om in de Nederlandse gerechten in een andere dan de Nederlandse taal het woord te voeren. Zo bepaalt de Wet gebruik Friese taal dat in strafzaken, civiele zaken en bestuursrechtelijke zaken die aanhangig zijn bij de rechtbank Noord-Nederland of het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de processtukken, met uitzondering van dagvaardingen in strafzaken, in de Friese taal mogen worden gesteld. Ook is het mogelijk in deze gerechten in de Friese taal het woord te voeren. De uitspraak vindt echter steeds uitsluitend plaats in de Nederlandse taal.

Daarnaast loopt er momenteel een pilot bij de rechtbank Rotterdam met het gebruik van de Engelse taal. In bodemprocedures in dagvaardingszaken op het gebied van het zee- en vervoerrecht of de internationale handelskoop, die tussen (uitsluitend) professionele partijen worden gevoerd en worden aangebracht bij de rechtbank Rotterdam (bij de zogenaamde «natte kamer») kan het Engels als voertaal worden gebruikt. Daartoe zijn aparte «Procesafspraken bij keuze voor Engelstalig procederen» gemaakt.4 Ook de natte kamer doet in deze zaken uitsluitend uitspraak in de Nederlandse taal.5

Voorts is het mogelijk om in het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en in de Gerechten in eerste aanleg in de lokaal officieel erkende voertalen het Engels, Nederlands en Papiaments het woord te voeren en om producties in vreemde talen over te leggen.6 De Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie bepaalt expliciet dat het Hof en de gerechten in eerste aanleg uitsluitend uitspraak doen in de Nederlandse taal.7 Dit terwijl in de Caribische delen van het Koninkrijk meer Engels en Papiaments gesproken wordt dan Nederlands.8 De memorie van toelichting bij de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof zegt hierover:

«Reden voor het voorschrift dat uitspraken in het Nederlands zijn is in de eerste plaats dat de regelgeving waarop de uitspraken zijn gebaseerd in het Nederlands is gesteld en in de tweede plaats het optreden van de Hoge Raad der Nederlanden als cassatierechter. Dit laat onverlet dat elk van de landen de mogelijkheid kan bieden dat een vertaling van de uitspraak beschikbaar wordt gesteld.

De kosten daarvan worden dan uiteraard door dat land gedragen.»9

Uit het voorgaande blijkt dat het nu al mogelijk is om de gerechten in een andere dan de Nederlandse taal toe te spreken of producties in een andere taal over te leggen. Daarin brengt het voorstel geen wijziging. Kern van voorstel is dan ook het voorschrift dat de Nederlandse rechter in internationale handelsgeschillen slechts in de Engelse taal uitspraak zal doen.

De Afdeling merkt op dat de redenen die bij de totstandkoming van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof zijn aangevoerd om in de overzeese gebiedsdelen in de Nederlandse taal uitspraak te doen, grotendeels van toepassing zijn op de situatie waarop het onderhavige voorstel ziet. Het NCC(A) zal immers Nederlands procesrecht toepassen en de Hoge Raad zal als cassatierechter optreden. Verschil met het Gemeenschappelijk Hof is dat het materiële recht ook in het Nederlands is gesteld, terwijl bij het NCC(A) vaak Engelstalig recht als toepasselijk recht zal zijn gekozen. De vraag rijst in dit verband waarom de nog niet zo lang geleden aangevoerde argumenten thans anders worden gewogen en of de voorgestelde wijziging ook niet in andere gevallen kan worden doorgevoerd, zoals die van de «natte kamer» in Rotterdam.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het vorenstaande in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan te vullen.

1. Uitspraak in de Engelse taal

De afdeling merkt op dat de redenen die bij de totstandkoming van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn aangevoerd om in de overzeese gebiedsdelen in de Nederlandse taal uitspraak te doen, grotendeels van toepassing zijn op de situatie waarop het onderhavige voorstel ziet.

In het geval van de Netherlands Commercial Court (of Appeal), hierna NCC(A) is er voldoende grond om het hanteren van een uitspraak in de Engelse taal te rechtvaardigen. Allereerst geldt dat – anders dan in het geval van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba – de NCC(A) zich richt op de beslechting van internationale geschillen waarbij veelal een of beide partijen van buiten Nederland afkomstig zal zijn. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie richt zich primair op de beslechting van nationale geschillen, dat wil zeggen geschillen tussen burgers en/of bedrijven die in het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) of de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, onderdelen van het Koninkrijk der Nederlanden, woonachtig cq gevestigd zijn.

Daarnaast zal de NCC(A) regelmatig buitenlands materieel recht toe moeten passen als toepasselijk recht op het onderliggende geschil. Ook daarin schuilt dus een belangrijk verschil met het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Indien buitenlands materieel recht van toepassing is, zal dit veelal enkel in het Engels – al dan niet in vertaling – beschikbaar zijn. Ook eventuele opinies over het buitenlands recht zullen over het algemeen in de Engelse taal opgesteld zijn. Ook hierin verschilt de NCC(A) van het Gemeenschappelijk Hof.

Hier komt bij dat de NCC(A) beoogt een volwaardig alternatief te vormen voor arbitrage en een procedure bij bepaalde buitenlandse commercial courts waar van begin tot eind in het Engels geprocedeerd kan worden. In de internationaal georiënteerde juridische handelspraktijk is het Engels de voertaal. Voor de beslechting van dergelijke geschillen, bestaat bij de betrokken partijen eveneens een voorkeur voor het kunnen procederen in de Engelse taal. Dit geldt dan uiteraard ook – of zelfs juist in het bijzonder – voor de rechterlijke beslissing van het geschil nu dat is waarvoor partijen zich tot de rechter wenden. De memorie van toelichting is op dit punt in bovenstaande zin aangevuld.

2. Hoge Raad

De Hoge Raad zal in cassatie met het oog op rechtseenheid en rechtsontwikkeling zowel de procedure als de uitspraak doen in de Nederlandse taal. De rechtspraak van de Hoge Raad moet immers voor iedereen in Nederland toegankelijk en begrijpelijk zijn, aldus de toelichting. Wel zal de Hoge Raad kennis nemen van de Engelstalige processtukken uit de feitelijke instanties, zij het dat aan partijen kan worden gevraagd om een Nederlandse vertaling van de processtukken. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad dienen door de NCC en de NCCA (ook) in de Nederlandse taal te worden gesteld.

De Afdeling merkt het volgende op. Nu de Hoge Raad kennis neemt van de Engelstalige processtukken uit de feitelijke instanties, doet zich de vraag voor waarom het niet mogelijk wordt om ook (incidentele) cassatiemiddelen of verweerschriften in de Engelse taal in te dienen. Daarmee treedt evenzeer een besparing in de vertaalkosten op terwijl het uitgangspunt overeind blijft, dat de uitspraak van de Hoge Raad in de Nederlandse taal wordt gesteld. De toelichting gaat hierop niet in.

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

2. Hoge Raad

De Afdeling vraagt waarom het niet mogelijk wordt om ook de (incidentele) cassatiemiddelen of verweerschriften in de Engelse taal bij de Hoge Raad in te dienen.

Uitspraken die de Hoge Raad in cassatieprocedures doet, zijn niet alleen van belang voor de partijen die rechtstreeks betrokken zijn bij de procedure die aanleiding geeft tot de uitspraak. Omdat de Nederlandse rechtspraktijk voor een groot deel bestaat uit niet-internationale geschillen en uitspraken van de Hoge Raad in NCC(A)-geschillen ook daarvoor van belang kunnen zijn, is het met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling van belang dat de Hoge Raad uitspraak blijft doen in de Nederlandse taal. Het wordt ter beoordeling van de Hoge Raad gelaten of het, in een voorkomend geval, geëigend is om op eenparig verzoek van partijen toe te staan dat de (incidentele) cassatiemiddelen of verweerschriften in de Engelse taal worden ingediend. De toelichting is op dit punt aangevuld.

3. Verwerking adviezen en consultatiereacties

In de memorie van toelichting is vermeld dat de gevraagde adviezen en binnengekomen consultatiereacties over een voorontwerp van het wetsvoorstel in overwegende mate positief van toon waren. Op de in de reacties opgenomen vragen en kanttekeningen is zoveel mogelijk bij de desbetreffende onderdelen ingegaan, aldus de toelichting.10

De toelichting bevat echter geen inhoudelijke reacties op de ontvangen adviezen. De kleinere punten noch de opmerkingen die de betreffende instanties van principiële aard achten, zijn besproken. De Afdeling wijst bijvoorbeeld op de opmerkingen over de kostendekkende griffierechten en het gelijkheidsbeginsel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten.

De Afdeling adviseert in de toelichting alsnog op de ontvangen reacties in te gaan.

3. Verwerking van adviezen en consultatiereacties

De afdeling adviseert om in de toelichting op de gevraagde adviezen en binnengekomen consultatiereacties in te gaan.

Naar aanleiding van het advies om nader in te gaan op de reacties uit de internetconsultatie zijn zowel het wetsvoorstel als de memorie van toelichting gewijzigd. In de memorie van toelichting is met name de paragraaf Advies en consultatie uitgebreid. Ten aanzien van de opmerkingen van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht geldt dat de Adviescommissie zich heeft gebogen over een ambtelijk voorontwerp dat niet is gepubliceerd. De Adviescommissie had geen fundamentele bezwaren tegen de inrichting van de NCC(A) en had voornamelijk redactionele opmerkingen. De Adviescommissie zag in het ambtelijk voorontwerp geen aanleiding tot het geven van een advies.

Tot besluit merk ik op dat de Afdeling geen redactionele opmerkingen bij het wetsvoorstel heeft.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om – mede naar aanleiding van de uitwerking van de reacties op de internetconsultatie – nog enkele redactionele wijzigingen door te voeren in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok