Kamerstuk 34725-XVI-21

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 29 juni 2017, over Slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016

Gepubliceerd: 14 juli 2017
Indiener(s): Helma Lodders (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34725-XVI-21.html
ID: 34725-XVI-21

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 14 juli 2017

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 29 juni 2017 overleg gevoerd met de heer Van Rijn, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Schippers, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over:

  • het wetsvoorstel Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016 (Kamerstuk 34 725 XVI);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 juni 2017 met het verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over de Slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016 (XVI) (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 6);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 mei 2017 met het Jaarverslag Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016 (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 1);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 juni 2017 met de beantwoording van vragen van de commissie over het Jaarverslag Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016 (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 7);

  • de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 17 mei 2017 ter aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2016 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 2);

  • de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 13 juni 2017 met de beantwoording van vragen van de commissie over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2016 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 5);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 juni 2017 met de beantwoording van vragen van de commissie over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2016 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 8);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 november 2016 met de reactie inzake het eindverslag van de Werkgroep verbetering begroting en jaarverslag VWS (Kamerstuk 31 865, nr. 87);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 29 mei 2017 ter aanbieding van de rapportage Behandeling Burgerbrieven over het jaar 2016 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) (Kamerstuk 29 362, nr. 263);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 juni 2017 met de antwoorden op vragen van de V100 bij het jaarverslag 2016 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 34 725 XVI, nr. 9).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van Toorenburg

Griffier: Clemens

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Agema, Arissen, Bergkamp, Ellemeet, Hermans, Keijzer, Kuik, Marijnissen, Arno Rutte en Van Toorenburg,

en de heer Van Rijn, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Schippers, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Aanvang 10.01 uur.

De voorzitter:

Wij hebben een bijzonder overleg vandaag. We bespreken het jaarverslag, waarbij rapporteurs namens de Kamer zullen spreken. Daarna schorsen we kort, waarna het kabinet kan antwoorden. Vervolgens krijgen de leden van de Kamer de ruimte om hun eigen vragen te stellen. Het debat is dus wat meer opgeknipt. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Hermans, die namens de Kamer haar inbreng levert.

Mevrouw Hermans (VVD):

Voorzitter. Je gezondheid is het belangrijkste wat er is. Mocht je onverhoopt ziek worden, dan wil je zo snel mogelijk weer beter worden. Als je om wat voor reden dan ook je hele leven zorg en ondersteuning nodig hebt, dan moeten die er zijn, nu en in de toekomst. Die zorg en ondersteuning moeten toegankelijk, van goede kwaliteit en betaalbaar zijn. Dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt elke dag aandacht en daar zijn wetten, regels en beleid voor nodig, en natuurlijk geld. In 2016 bedroegen de totale zorguitgaven, inclusief het Budgettair Kader Zorg (BKZ), circa 75 miljard euro. Dat is ruim een kwart van de totale uitgaven van de rijksoverheid. Het is dus overbodig om te zeggen dat het belangrijk is dat we vandaag stilstaan bij de verantwoording van de besteding van de middelen en de behaalde resultaten van het beleid.

In 2015 concludeerde de commissie voor VWS dat het inzicht in de effectiviteit van het beleid en de besteding van de middelen vergroot kon worden. Om dat te realiseren, formuleerden we gezamenlijk drie doelstellingen. Ten eerste: het werken met een vaste set indicatoren in de begroting en het jaarverslag. Ten tweede: scherpere beleidsconclusies in het jaarverslag. Ten derde: de aanscherping van de beleidsagenda en het beleidsverslag. Dit WGO (wetgevingsoverleg) gaat over een jaarverslag waarin die verbeterslag nog niet is terug te zien. Dat is logisch. De Minister gaf al in 2015 aan dat de door de commissie gewenste verbeteringen niet meer konden worden verwerkt in de begroting voor 2016. De commissie realiseert zich dat en heeft daarom in dit rapporteurschap bekeken waar we nu staan en wat we nog verder kunnen en willen verbeteren. Kort gezegd, is de commissie van mening dat we in de afgelopen twee jaar, in goede samenwerking met het ministerie, voor alle drie de doelstellingen de basis hebben gelegd. Nu is het zaak om de volgende stap te zetten.

Mevrouw Ellemeet en ik zullen kort ingaan op de drie doelstellingen, te beginnen met de vaste set indicatoren in de begroting en het jaarverslag. Een vaste set indicatoren is belangrijk als basis om het gesprek te kunnen voeren over de gezondheid en de gezondheidszorg in Nederland. Zoals de Minister eerder helder schreef: «Door het concreter en specifieker formuleren van maatregelen en het toevoegen van een gericht aantal indicatoren, moet het mogelijk worden de invulling van de meer recente beleidsprioriteiten af te zetten tegen de langetermijndoelstellingen en trendontwikkelingen.» Deze informatie is input voor het gesprek over de vraag hoe de gezondheid en de gezondheidszorg in Nederland ervoor staan. Of korter gezegd: zitten we op de juiste koers? De beantwoording van die vraag is vanzelfsprekend de uitkomst van een politieke weging van de informatie die de indicatoren, de doelstellingen en de verantwoording van de Minister samen bieden. In de ontwikkeling van de set van indicatoren zijn in de afgelopen periode flinke stappen gezet. Zo kennen we nu de Staat van Volksgezondheid en Zorg (Staat VenZ) en de VWS Monitor. In mei 2016 verscheen met het jaarverslag de Staat van Volksgezondheid en Zorg, een digitale set van kerncijfers op basis van bestaande bronnen. De Minister gaf toen aan dat de Staat nog in ontwikkeling was en dat het de ambitie is om de Staat in mei 2018 gevuld te hebben met data die alle terreinen van VWS afdekt. Mijn vraag namens de commissie is: loopt de verdere invulling van de Staat volgens plan en dekt de Staat, zoals gepland, in 2018 inderdaad alle VWS-terreinen?

In 2016 verscheen in de begroting voor 2017 ook de eerste VWS Monitor, oftewel: het zorgverhaal. De Staat bevat alleen kerncijfers, terwijl in de Monitor de koppeling plaatsvindt met doelstellingen en indicatoren, gepresenteerd naar publieke waarden en levensfasen. De Monitor stond in de begroting voor 2017 nog erg op zichzelf en was nog niet gevuld met cijfers. Kan de Minister aangeven hoe in de afgelopen maanden is gewerkt aan de verdere ontwikkeling van de Monitor? Zijn daarin de acht verbeteropmerkingen van de Tweede Kamer meegenomen? En wat kunnen we van de Monitor verwachten in de begroting voor 2018? Wordt daarin duidelijker de koppeling gemaakt tussen doelen en budgetten?

De volgende stap draait wat ons betreft in de kern om het integreren van de Staat en de Monitor in het proces van begroten en verantwoorden, niet door ze simpelweg mee te sturen of op te nemen in de documenten, maar door te zorgen voor een inhoudelijke verbinding. Laat ik een voorbeeld geven aan de hand van een van de vragen die door de V100 gesteld zijn. De V100 is een mooi initiatief dat de betrokkenheid toont van Nederlanders bij datgene wat hier in Den Haag gebeurt. Het spoort eens te meer aan om het inzicht in de besteding van belastinggeld en de effecten van beleid zo helder mogelijk uiteen te zetten. Een van de vragen die aan de Minister van VWS zijn gesteld, ging over sport en preventie, meer specifiek over sportparticipatie en gezondheidsbevordering onder bepaalde groepen. In de Beleidsagenda VWS 2016 staat daarover het volgende: «Meer bewegen speelt naast gezond eten en niet-roken een belangrijke rol bij preventie. Sport is daarbij cruciaal. Van recreatieve sportdeelname tot topsport.» Iets verderop in de toelichting op de begroting staat: «Om gemeenten, scholen, sportverenigingen en andere lokale partijen te stimuleren om een gezonde(re) omgeving te creëren en in te zetten op een stijging van het aantal kinderen en jongeren op een gezond gewicht, wordt de stichting Jongeren Op Gezond Gewicht gesubsidieerd.» In het jaarverslag valt over sport en bewegen te lezen dat ruim 4.800 buurtcoaches zo'n 1 tot 1,5 miljoen mensen hebben bereikt en dat ruim 500 scholen het certificaat Bewegen en sport hebben. Dat betekent dat ongeveer 250.000 leerlingen in beweging gebracht kunnen worden. In het speciaal onderwijs heeft het programma Special Heroes via 370 scholen zo'n 45.000 kinderen bereikt. Inmiddels zijn er 115 gemeenten aangesloten bij het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Daarmee kunnen in potentie 832.000 kinderen worden bereikt. Deze lijst van cijfers en gegevens lezen we ook terug in het antwoord van de Minister op de V100-vraag. In dat antwoord staat zelfs nog meer interessante informatie. Het aantal gezonde scholen is bijvoorbeeld afgezet tegen de doelstelling die er lag. Er wordt ook vermeld dat in veertien JOGG-gemeenten een daling in de BMI van jongeren is bereikt.

Als we vervolgens de Staat van Volksgezondheid en Zorg bekijken, dan valt op dat de beschikbare kerncijfers die daar nu in staan, niet worden gebruikt c.q. genoemd in het jaarverslag en in de beantwoording van de vraag. In de Monitor is het aantal JOGG-gemeenten de enige indicator en is de maatschappelijke doelstelling heel algemeen geformuleerd. De doelstelling in de beleidsagenda is nog vaag, maar als die scherper wordt, als de onderliggende maatregelen concreter worden, als de verbinding met de besteding van middelen helder wordt en als de informatie in de Monitor daaraan wordt gekoppeld, dan komen we ergens. Als de Kamer met het jaarverslag ook het jaarlijkse rapport van de Staat van Volksgezondheid en Zorg krijgt, zodat een en ander kan worden afgezet tegen de algemene trends en ontwikkelingen op VWS-terrein, dan zetten we wat ons betreft echt een stap. Ik ben benieuwd hoe de Minister dit ziet. Ik krijg daarop graag een reactie.

Ik rond hiermee mijn bijdrage af, voorzitter. Ik zou graag, via u, het woord willen geven aan mevrouw Ellemeet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Ellemeet. Zij spreekt ook als rapporteur namens de Kamer.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Voorzitter. Het jaarverslag is het bespreken waard, als dit document ons ook echt inzicht geeft in de vraag of de geformuleerde doelen in de begroting zijn bereikt. Voor dat inzicht zijn cijfers nodig en een verklaring voor het al dan niet halen van de doelen, oftewel: beleidsconclusies.

Dat brengt mij op de tweede doelstelling: scherpere beleidsconclusies. Zoals al eerder gezegd, is dat nog lastig te beoordelen in dit jaarverslag, omdat het gaat over een jaar waarin de doelen nog niet of nog onvoldoende smart waren geformuleerd. Het jaarverslag geeft ook dit jaar inzicht in de vraag wat er op de verschillende beleidsterreinen is ondernomen. Het geeft een overzicht van activiteiten en is dus op outputniveau redelijk toereikend, met uitzondering van een aantal beleidsartikelen, waaronder beleidsartikel 8. Is de Minister bereid om volgend jaar uitvoeriger verslag te doen van dit artikel?

Het is goed dat de Nederlandse zorg in het jaarverslag in een internationaal perspectief wordt geplaatst. Daarnaast is er meer aandacht voor de resultaten van de beleidsdoorlichtingen. Wat opvalt, is dat in het jaarverslag een andere indeling en terminologie van de beleidsprioriteiten worden gehanteerd. Dat maakt het, nog los van het ontbreken van smart-doelstellingen, heel lastig om het te vergelijken met de beleidsagenda. In de Beleidsagenda VWS 2016 omschrijven de bewindspersonen de kern van hun beleidsagenda in drie thema's, maar die thema's komen niet terug in het jaarverslag. Wij kijken bij het jaarverslag van volgend jaar uit naar scherpere beleidsconclusies ...

De voorzitter:

Laten we even een minuut wachten, want deze bel is hinderlijk lang en heftig.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Wij kijken bij het volgende jaarverslag uit naar scherpere beleidsconclusies en een indeling die in structuur en terminologie een vergelijking met de beleidsagenda mogelijk en logisch maakt.

Dat brengt mij op de derde doelstelling: aanscherping van de beleidsagenda en het jaarverslag. De stand van de zorg is nooit exclusief toe te schrijven aan beleid. Toch is het doel van beleid om maatschappelijke effecten teweeg te brengen. Uiteindelijk zijn we daar benieuwd naar. Welke veranderingen in de samenleving heeft het beleid tot stand gebracht? Of wat meer bescheiden geformuleerd: aan welke maatschappelijke ontwikkelingen heeft het beleid van de Minister bijgedragen? In de beleidsagenda schrijft de Minister dat zij wil dat mensen de verbeteringen in de zorg gaan merken. We kunnen uit het beleidsverslag niet opmaken of dat ook het geval is. Zijn mensen de verbeteringen in de zorg ook echt gaan merken? En hoe kan de Minister dat aantonen? Is de Minister het met de commissie eens dat het jaarverslag ook op outcomeniveau inzicht moet geven? En hoe wil de Minister daaraan uitvoering geven?

Beleidsvoornemens leiden nooit voor de volle honderd procent tot de gewenste resultaten. De praktijk is weerbarstig. Het zal altijd nodig blijven om beleid op sommige punten aan te passen en bij te sturen. Het goed monitoren van beleid maakt dat mogelijk. Is de Minister met de commissie van mening dat de leerfunctie van het jaarverslag nu nog nauwelijks wordt benut? Hoe wil zij lessen trekken uit de monitoring? Hoe wil zij dat verbeteren? En hoe wil zij het beleid verbeteren? Is zij met de commissie van mening dat het verder integreren van de zorgmonitor in de beleidsagenda en het jaarverslag, net als het meer smart formuleren van beleidsdoelen, kan helpen om de leerfunctie van het jaarverslag te vergroten? Is de Minister ook van mening dat bij het vermelden van beleidsdoorlichtingen aandacht moet zijn voor de kernvraag, namelijk: wat is ervan geleerd en wat is ermee gedaan? Ik wil daarop graag een reactie.

De Minister geeft aan dat zij een voortrekkersrol wil vervullen in de verbetering van beleidstoetsing. Kan de Minister daarop een toelichting geven? Wat verstaat zij daaronder? Wat heeft zij voor ogen bij de verbetering van beleidstoetsing? En hoe wordt de Kamer hierbij betrokken?

Ik licht de wens van de commissie om een directe koppeling te maken tussen het jaarverslag en de begroting graag toe aan de hand van een voorbeeld, namelijk de regievoering van het pgb (persoonsgebonden budget). Het trekkingsrecht pgb was door de commissie aangemerkt als focusonderwerp. Toch is in het jaarverslag niet meer dan gemiddeld aandacht besteed aan dit onderwerp, niet meer dan gemiddeld vergeleken met andere onderwerpen. De boxtekst over het trekkingsrecht is een betrekkelijk algemeen verhaal dat weinig extra inzicht geeft in het onderwerp. Dat brengt de commissie tot de volgende vraag aan de Minister: wat verstaat zij onder een focusonderwerp? Op welke wijze wil zij meer dan gemiddeld toelichting geven op een focusonderwerp?

De gegevens uit de Staat van Volksgezondheid en Zorg zijn niet opgenomen in het jaarverslag. Daarnaast ontbreekt in de Staat een overzichtstabel met de aantallen pgb's, ondanks het feit dat er vorig jaar ook is gevraagd om deze tabel. Het valt op dat de informatie uit de Staat en de Monitor nog niet is geïntegreerd in het jaarverslag. Vorig jaar werd bij de publicatie van de Staat aangekondigd dat er jaarlijks een rapport en themarapportages zouden komen. De commissie denkt dat themarapportages op focusonderwerpen een manier kunnen zijn om meer zicht te krijgen op die focusonderwerpen. Deelt de Minister die opvatting? De invoering van het trekkingsrecht pgb is op zijn zachtst gezegd niet vlekkeloos verlopen, niet voor de direct betrokkenen, niet voor de commissie en niet voor de Staatssecretaris. Juist omdat het beleidsdoel nog in ontwikkeling is – er wordt nu nog gewerkt aan de bouw en het beheer van het pgb-portaal – mist het jaarverslag een toelichting op de wijze waarop de verkregen inzichten in het proces tot nu toe worden gebruikt om het vervolg goed te laten verlopen. Deelt de Minister deze mening?

Tot slot. De commissie is blij met het werk dat in de afgelopen twee jaar is verricht en kijkt uit naar de begroting voor 2018, omdat daarin veel van onze gezamenlijke inspanningen zichtbaar moeten worden: de Monitor, de Staat en scherpe beleidsconclusies. Het zijn geen doelen op zichzelf, maar middelen om informatie bij elkaar te krijgen, bedoeld om hier in de Kamer het debat te kunnen voeren over de gezondheid en de gezondheidszorg in Nederland. Het oordeel daarover is altijd de uitkomst van een politieke weging van informatie. Die volgt ongetwijfeld zo meteen in de bijdrage van mijzelf en van mijn collega's. De commissie kijkt uit naar de reactie van de Minister op haar vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de Minister. Hoeveel tijd hebt u nodig voordat u kunt beginnen met uw beantwoording?

Minister Schippers:

Vijf minuten. We moeten even bekijken wie wat doet.

De voorzitter:

Prima. Ik maak er acht minuten van.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering eerder dan verwacht, aangezien de Minister aangaf dat zij klaar is met haar voorbereiding – zij was natuurlijk al goed voorbereid – en zij een enorme hoeveelheid tekst voor zich heeft liggen. De Minister gaat proberen u allen zo goed mogelijk recht te doen. Dat betekent wel dat dat in rap tempo gaat.

Minister Schippers:

Voorzitter. Ik ga inderdaad mijn best doen om een beetje tempo te maken. Het is vaak ook heel technisch. We hebben natuurlijk de begroting, die altijd met Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Verder hebben we het jaarverslag en de Staat van Volksgezondheid en Zorg. De Staat hebben we vorige keer aan de Kamer aangeboden. We gaan de Kamer de Staat niet jaarlijks aanbieden, aangezien daar gedurende het hele jaar steeds updates en actualiseringen in worden aangebracht op internet.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik wil graag een onduidelijkheid opheffen. Ik neem aan dat nu alleen de rapporteurs mogen interrumperen en extra vragen mogen stellen. Of mogen we allemaal een vraag stellen als we die zouden hebben?

De voorzitter:

Volgens mij mogen we allemaal een verduidelijkende vraag stellen. De echte positie van de Kamer wil ik de ronde erna doen.

Mevrouw Agema (PVV):

Oké.

Minister Schippers:

We hebben dus de begroting, het jaarverslag en de Staat. De Staat is digitaal en wordt gedurende het gehele jaar up-to-date gehouden. Er is dus niet één moment waarop wij die aanbieden. Verder hebben we de Monitor. Die bevat de indicatoren die in overleg met de Tweede Kamer zijn vastgesteld. Dat is eigenlijk een samenvatting uit de Staat, geordend op basis van de levensfase en de publieke belangen, zoals betaalbaarheid, toegankelijkheid, kwaliteit en participatie. Zoals u zelf al hebt aangegeven, is dit de eerste keer bij de begroting voor 2017 aangegeven en komt bij het jaarverslag voor 2017 de eerste koppeling. Voorts hebben we gedurende het hele jaar voortgangsrapportages. Daarin zie je een beetje een link met de focusonderwerpen. Daar wordt de Kamer natuurlijk niet op één moment in het jaar, maar gedurende het gehele jaar over bijgepraat of bijgeschreven. Ten slotte zijn er de evaluaties per artikel. Wij hebben daarvan gezegd dat die evaluaties eigenlijk een beetje een corvee zijn geworden en dat dat een beetje op de automatische piloot gebeurt.

Je kunt je afvragen wat de meerwaarde daarvan is. Daarom heeft VWS zich aangeboden voor een pilot. We hebben van Financiën en de Algemene Rekenkamer toestemming gekregen om het anders te gaan doen. We willen kijken of we die evaluaties over artikelen heen, en dus ook premiegefinancierd, kunnen doen. Daar komen we bij de begroting voor 2018 mee naar de Kamer. Dan kunnen we daar een interactie over hebben. Het is mijn aanbeveling om dat ook daadwerkelijk te doen, zodat de Kamer niet als de evaluatie er eenmaal is, zegt dat zij het eigenlijk net iets anders had gewild. Dit is dus een nieuw aspect.

Loopt de verdere invulling van de Staat volgens plan, dekt die, zoals gepland, in 2018 alle terreinen? We hebben gekozen voor het doorlopend up-to-date houden van de cijfers. Dat is ook gedurende het jaar heel handig. We hebben er ook voor gezorgd dat alle cijfers bij elkaar komen. Eerst had het RIVM cijfers en had het SCP cijfers, maar die waren altijd weer net even anders. Daar hebben we eenduidigheid in aangebracht. Aan het kennisconsortium Staat van Volksgezondheid en Zorg is gevraagd een notitie op te stellen met een tussenstand van de Staat van Volksgezondheid en Zorg op basis waarvan de besluitvorming over de doorontwikkeling kan plaatsvinden. Die notitie bevindt zich in de afrondende fase. De Kamer ontvangt die vlak na de zomervakantie.

Mevrouw Hermans vroeg of bij de verdere doorontwikkeling van de VWS Monitor de acht verbeteropmerkingen van de Tweede Kamer zijn meegenomen en wat de Kamer kan verwachten. Die VWS Monitor is heel nieuw en bevindt zich nog in een ontwikkelfase. Na de oplevering van de eerste versie, vorig jaar september, heeft de Kamer een aantal concrete verbeteringen voorgesteld. Ik heb daarop gereageerd en gezegd dat het belang van de genoemde verbeterpunten door mij wordt onderschreven en dat ik streef naar stapsgewijze verbeteringen. Ik heb toegezegd bij de begroting voor 2018 met een update te zullen komen. In het jaarverslag 2016 heb ik op een van de aanbevelingen al een voorschot genomen door het opnemen van een beknopte analyse van hoe Nederland internationaal scoort op een aantal terreinen van gezondheid en zorg.

De Monitor is, zoals gezegd, in ontwikkeling. Sommige onderdelen zijn technisch eenvoudig te realiseren, maar andere kosten meer tijd. Zo is de wens die mevrouw Ellemeet zojuist naar voren bracht, namelijk om de outcome van de zorg in kaart te brengen, lastig. Het is niet onmogelijk, maar wel lastig. Er is op dit moment nog geen set van geschikte outcome-indicatoren. Die zal ook nog niet helemaal uitontwikkeld zijn in de begroting voor 2018. Het is echter wel een belangrijk traject – dat deel ik met de Kamer – maar dat zal stapsgewijs moeten worden gevolgd.

Daarnaast heb ik het kennisconsortium van de Staat om advies gevraagd over de verbeter- en uitbreidingsmogelijkheden van de VWS Monitor. Omdat de VWS Monitor gerelateerd is aan de ontwikkeling van de Staat, heb ik via het RIVM gevraagd om te reflecteren en te adviseren op de volgende aspecten: verbetermogelijkheden van de formulering van de maatschappelijke doelstellingen; verbetermogelijkheden om de gehanteerde indicatoren beter te laten aansluiten op de doelstellingen en de beschikbare cijfers; mogelijke indicatoren voor zorg in de laatste levensfase; de koppeling met het sociaal domein en jeugdzorg door het betrekken van de cijfers uit onder andere de Jeugdmonitor en de Monitor Sociaal Domein; het gebruik van prestatie-indicatoren die het RIVM momenteel ontwikkelt in relatie tot de wens om ook streefwaarden in de VWS Monitor op te nemen.

Het is natuurlijk een jaarlijks terugkerend debat in hoeverre je streefwaarden kunt meenemen. Die kun je een beetje meten, maar die moeten natuurlijk wel ergens op slaan. Op 1 juli hoop ik het resultaat van het RIVM te mogen ontvangen. Ik zal ervoor zorgen dat de Kamer dit advies bij de begroting voor 2018 ontvangt. Dan kan zij zelf meekijken.

Dan de tekortkomingen en de verbetermogelijkheden. De Monitor bevat geen cijfers en is relatief ontoegankelijk; kent vooral kengetallen, input en output en weinig effectindicatoren, dus uitkomst; streefwaarden ontbreken; indicatoren dekken slechts een deel van de doelstellingen af of sluiten niet op elkaar aan; indicatoren ontbreken of zijn gedateerd of ze hebben weinig relatie met de budgetten in de begroting.

Ik wil met het eerste beginnen: de Monitor bevat geen cijfers en is relatief ontoegankelijk. De versie van de VWS Monitor die vorig jaar bij de begroting is gepresenteerd, bevatte al cijfers. Die stonden niet in de begroting zelf, maar op hetzorgverhaal.nl. Dat is de Monitor. Die cijfers zijn sindsdien niet geüpdatet.

De Monitor kent vooral kengetallen, input en output, maar weinig effectindicatoren en outcome. Daar heb ik al aan gerefereerd. De Monitor is nog in ontwikkeling. Sommige dingen zijn eenvoudig en kunnen snel, maar andere gaan langzamer en kosten meer tijd. Het is ook moeilijk om de outcome van de zorg in kaart te brengen. We hebben nog geen set van de geschikte outcome-indicatoren. Dit is een beetje een herhaling, zie ik. We hebben met de medisch specialistische zorg afspraken gemaakt over het meer gebruiken van uitkomstindicatoren. Dat zal nog niet helemaal uitontwikkeld zijn in de begroting voor 2018.

Streefwaarden ontbreken. Ik vind dat nu heel erg lastig, aangezien ik demissionair ben. Ik kan natuurlijk ongelofelijk strakke streefwaarden in de begroting voor 2018 opnemen, maar dan zadel ik mijn opvolger op met een probleem. Nou ja, met een probleem; met een enorm ambitieuze agenda die lastig waar te maken is. Het is daarom lastig voor mij om er nu streefwaarden op te plakken. Ik mag namelijk geen beleid inzetten. Dat gaat dus heel moeilijk worden. Wat ik wel kan doen in plaats van het opnemen van streefwaarden in de begroting voor 2018, is bij een aantal indicatoren referentiewaarden aangeven. Een voorbeeld daarvan is het OECD-gemiddelde van de levensverwachting. Ik hoop – daar ga ik ook van uit – dat we de input van het kennisconsortium, die ik dus in juli zal ontvangen, kunnen gebruiken om dat bij de begroting voor 2018 te doen.

Indicatoren dekken slechts een deel van de doelstellingen af.

De voorzitter:

Excuus. Mevrouw Agema heeft hier een vraag over.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik vraag mij af wat indicatoren voor de levensverwachting voor indicatoren moeten zijn. We lezen in het jaarverslag dat de levensverwachting afneemt. Gaat de Minister dan een set indicatoren opstellen waarmee de levensverwachting steeds hoger en beter moet worden? Gebeurt dan niet hetzelfde als toen Minister Klink een indicator opstelde dat het aantal medische missers moest halveren in zijn periode, en aan het eind bleek dat het aantal precies hetzelfde was gebleven? Als de Minister een set indicatoren voor de levensverwachting wil, hoe ziet zij dat dan voor zich? Hoe reëel is zo'n indicator?

Minister Schippers:

De indicatoren voor medische fouten die leiden tot grote implicaties voor de patiënt of zelfs tot sterfte, zijn opgenomen en daar zat een heel plan onder om dat ook daadwerkelijk te bereiken. Dat is ook gelukt, want die aantallen zijn inderdaad gehalveerd. Dat was een enorm zwaar traject. Ieder ziekenhuis heeft een VMS (Veiligheidsmanagementsysteem) moeten implementeren. Ieder zbc (zelfstandig behandelcentrum) heeft een VMS moeten implementeren. Dat was een indicator waar beleid op werd gevoerd. Dat is uiteindelijk ook gehaald. Dan heeft het zin. Ik kan echter ook vertellen dat toen ik Minister werd, er een indicator was dat ik streefwaarden moest hebben voor het aantal suïcides dat moest afnemen. Daar zat verder geen beleid achter en het aantal suïcides nam alleen maar toe. Dan kan ik wel heel stoer zeggen dat het aantal suïcides met 10% moet afnemen, maar dat heeft dan geen zin. In de jaren daarna is in samenspraak met de Kamer wel nieuw beleid gemaakt. Er is wetenschappelijk onderzoek geweest en er zijn maatregelen genomen die het aantal suïcides zouden moeten doen afnemen; zo is de subsidie van 113Online verhoogd. Er was verder een heel pakket aan maatregelen. Daarvoor heb ik wel een streefwaarde opgenomen. Aan de hand daarvan kan de Kamer dan zien of dat pakket aan maatregelen effect heeft gehad. Dan nog is het in de zorg moeilijk, want als er een financiële crisis komt, kun je ontzettend veel maatregelen nemen, maar dan zie je dat het aantal suïcides toch toeneemt. Er is dus geen een-op-eenrelatie, maar je kunt daarmee wel proberen om te laten zien of je beleid een beetje werkt of niet.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik vind het heel positief om te horen dat er onder Minister Schippers een grote reductie is geweest van het aantal medische missers. Ik noemde dat voorbeeld omdat het aantal onder Minister Klink precies hetzelfde was gebleven. Dit had ik dan echter ook wel in het jaarverslag willen lezen. Volgens mij heb ik er niet overheen gelezen. Juist dit was een indicator waarvan je je kon afvragen wat het beleid was en wat de gevolgen van dat beleid waren. Ik wil daar ook complimenten voor kunnen maken als onder deze Minister het aantal missers echt is gehalveerd. Dat vind ik dan echt een heel groot compliment waard. Het zal je maar gebeuren dat je verkeerde been wordt afgezet of erger! Mijn vraag was echter hoe zij dit voor zich ziet met de indicatoren voor de levensverwachting. Kan zij misschien voor haar opvolger een aantal van die indicatoren en streefwaarden benoemen en zeggen: als je die meeneemt in de volgende jaarverslagen, dan laat dat echt iets over het beleid zien? Zij heeft daar inmiddels inzicht in.

Minister Schippers:

Dat traject waarin wij de streefwaarden voor halvering van ernstig letsel en sterfte hebben gehaald, was twee jaar geleden. Dat hebben we in een brief aan de Kamer laten weten. Het lastige van zo'n jaarverslag is dat we op een gegeven moment met elkaar hebben besloten dat daar niet alles in kan worden opgenomen. We moeten dan ook selecteren. We hebben dit resultaat echter wel in een brief laten weten. Ik wil daar wel bij zeggen dat dit niet aan mij lag, maar dat het veld dat heeft gedaan, door allerlei dingen te implementeren die we met elkaar hebben afgesproken en gedefinieerd. Dat waren soms heel simpele dingen. We hebben daar ook wel debatten over gevoerd. Dat gaat om simpele maatregelen die voorkomen dat het verkeerde been wordt afgezet. Als iedereen die dingen standaard doet, dan gaat het goed.

Ik ben het met mevrouw Agema eens dat de levensverwachting nogal een indicator is. Je weet dat als het aantal rokers daalt, dat invloed heeft op de levensverwachting. Dat geldt ook voor overgewicht.

Mevrouw Agema (PVV):

Het aantal rokers neemt al drie jaar toe, staat in het jaarverslag.

Minister Schippers:

Ik ben het meteen met iedereen eens die zegt dat je politiek allerlei streefwaarden kunt opstellen, maar dat er heel veel factoren van invloed zijn. Er moet heel goed worden gekeken in hoeverre je streefwaarden kunt beïnvloeden, hoe je die wilt beïnvloeden en welke maatregelen je daarvoor neemt. Anders – dat ben ik met u eens – kunnen we overal wel streefwaarden opprikken.

De voorzitter:

Ik wil eigenlijk de Minister verder laten gaan met haar beantwoording.

Mevrouw Agema (PVV):

Maar ik heb nog gevraagd of de Minister, aangezien zij zo veel ervaring en inzicht heeft, voor haar opvolger misschien bijvoorbeeld vijf indicatoren kan formuleren, die in het jaarverslag zouden kunnen worden meegenomen, waarvan zij met haar inzicht kan zeggen: dit kun je goed volgen en daar kun je goed streefwaarden op zetten. Klink vond al het wiel uit en deze Minister vond het wiel uit en de volgende gaat het wiel weer uitvinden. Het zou zo mooi zijn als zij met al haar ervaring en haar succes met die medische missers, iets kan meegeven aan haar opvolger.

Minister Schippers:

Ik denk dat we nog een hele weg te gaan hebben met elkaar en dat op dit punt echt wel veel stappen te zetten zijn. Wij hebben geprobeerd om in de Monitor, die op internet staat en waar we de komende begroting op terugkomen, echt een paar dingen tegen elkaar af te zetten, bijvoorbeeld de doelstellingen van de volksgezondheid in relatie tot de levensfase waarin iemand zit en de publieke belangen. In de begroting voor 2017 staan bij de Monitor op pagina 29 de doelstellingen voor de zorg. U zou kunnen kijken hoe op die matrix teruggekoppeld wordt. Daar hebben we een aanzet mee willen geven.

De indicatoren dekken slechts een deel van de doelstellingen af, sluiten niet op elkaar aan, ontbreken of zijn gedateerd. Daar krijgen we die reflectie van het kennisconsortium in juli op. Er is amper tot geen relatie met de budgetten in de begroting. Dat is ook heel moeilijk. Wij denken daar nog even over na, ook over het toevoegen van geschikte outcome-indicatoren. Het is natuurlijk niet zo dat er ergens meer budget heengaat en het dan beter gaat. Soms ligt het aan heel andere dingen. Die koppeling is er dus niet altijd. Ze zijn niet voorzien van een duiding. Een eerste duiding van de Nederlandse gezondheidszorg in internationaal perspectief hebt u in het jaarverslag van 2016 kunnen lezen. Wat het geven van een duiding aan de kerncijfers betreft, kan ik melden dat volgend jaar, in juni 2018, gelijktijdig met het uitbrengen van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) een rapport verschijnt dat gebaseerd is op de cijfers uit de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Dat is een aanvulling en geeft de stand van de volksgezondheid en zorg op nationaal niveau weer.

Het integreren van de Staat en de Monitor in het proces van begroten en verantwoorden en op die manier echt gaan zorgen voor inhoudelijke verbinding; ik ben dat helemaal eens met mevrouw Hermans. Ze heeft het ook heel mooi geformuleerd in haar tekst van zojuist. Scherpere doelstellingen, concretere maatregelen, betere verbinding met de middelen, duidelijke informatie in de Monitor. Dat is echt wel een forse ambitie. We moeten dat ook niet onderschatten, denk ik. We hebben het ons niet zomaar gerealiseerd, maar wij zijn er nu volop mee bezig. Ik denk wel dat dat is wat wij willen. Dat is ook waarom wij de vraag via het RIVM aan het kennisconsortium hebben gesteld. Wij proberen dat ook met elkaar in verbinding te brengen. Het voorbeeld van sport en bewegen, en waarom de cijfers uit het jaarverslag niet zijn terug te vinden in de Staat van Volksgezondheid en Zorg, is een goed voorbeeld van de continue afweging welke cijfers als kerncijfers en indicatoren getypeerd moeten worden en welke cijfers op detailniveau daarvoor te specifiek zijn. Uiteindelijk ben ik het helemaal met u eens dat hoeveel er JOGG zijn interessant is, maar hoe het zit met de BMI interessanter is, als dat ook door ons als indicator gezien wordt waarop we afrekenen. We weten ook dat daar weer allemaal discussies over zijn.

In artikel 8 staan drie regelingen die als doel hebben een bijdrage te regelen in zorgkosten van huishoudens. Deze regelingen leiden niet tot betere zorg, niet tot meer personeel en niet tot een lagere ziektelast. Zij leiden alleen tot per saldo lagere zorglasten van huishoudens. De Wet op de zorgtoeslag zorgt ervoor dat huishoudens waarvoor de zorgpremie en het gemiddeld eigen risico een in de wet bepaald normatief bedrag te boven gaan, het meerdere terugkrijgen. De gedachte daarachter is dat elk huishouden een bepaald deel van zijn inkomen aan zorg moet kunnen betalen. Het effect van de wet is dan ook dat burgers niet meer dan dit bedrag hoeven te betalen.

Het effect van de zorgtoeslag is dat huishoudens met een inkomen op of rond het minimumloon in 2016 minder voor de Zorgverzekeringswet betalen dan in 2005 voor de Ziekenfondswet. Dit is een effect van de keuzes rond de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag in 2016, in de zomer van 2015, die vermeld zijn in de begroting. Omdat de zorgtoeslag de feitelijk vastgestelde premie volgt, wordt het doel dat in de begroting wordt beoogd altijd behaald omdat er automatisch verhoogd wordt als de premie hoger is. Een aspect van de regeling specifieke zorgkosten is dat personen die specifieke zorgkosten aftrekken bij de belastingen, ook als zij vrijwel geen belasting betalen toch gebruik kunnen maken van deze regeling. Als de Kamer concrete suggesties voor beleidsinformatie heeft, wil ik daar uiteraard naar kijken, al moet ik zeggen dat deze regelingen een vrij simpele rekensom zijn die altijd uitkomt omdat ze gewoon gekoppeld zijn.

Een van de drie kernpunten in de begroting 2016 en de beleidsagenda is dat wij willen dat mensen verbeteringen in de zorg echt gaan merken. Is dat gelukt? Dat is natuurlijk enigszins subjectief, dat begrijp ik heel goed. Je kunt feitelijk vaststellen dat we een groot basispakket aan zorg hebben en dat dat pakket eigenlijk alleen maar groter wordt doordat wij er automatisch innovaties instoppen. Een keer in het jaar hebben we een overleg over het oude pakket. Dat hebben we gisteren met u gehad. We hebben toen expliciet besloten wat er in het pakket gaat. Alles wat intramuraal gaat, behalve op een paar geneesmiddelen na, komt automatisch in het pakket. Dat betekent dat ons pakket altijd up-to-date is met de stand van de wetenschap, en dat het een omvangrijk pakket is, ook in internationaal opzicht. Innovaties komen gewoon automatisch ten goede aan de patiënt.

Er zijn ingrijpende aanpassingen in het zorgstelsel doorgevoerd. Dat was ook onze opgave voor deze regeerperiode, die we in het regeerakkoord hebben gekregen. Wij hebben daar zelf aan toegevoegd: werk maken van het organiseren van zorg vanuit mensen in plaats van vanuit systemen. Dat is een hoog ambitieniveau. Natuurlijk is bij die hervormingen niet meteen alles goed gegaan. De focus lag in het afgelopen jaar op het aanbrengen van praktische verbeteringen. Wat hebben wij gedaan? Sinds februari hebben wij het praktijkteam Zorg op de juiste plek. In plaats van op wetten en regels hebben we veel ambtenaren gezet op verbetering, uitvoering en praktijk waar mensen direct mee te maken hebben. We hebben dus inmiddels heel veel projectteams en hebben een omslag gemaakt op het ministerie.

Het Schakelteam personen met verward gedrag moet ervoor zorgen dat er overal in Nederland een goed werkende aanpak komt van mensen met verward gedrag. Merkbaar minder regeldruk; we hebben niet alleen met de huisartsen maar ook met de paramedische sector, met de farmacie en met de ggz dezelfde trajecten in gang gezet. Verbeteren van de kwaliteit van verpleeg- en gehandicaptenzorg, een van de speerpunten; hard en ketenbreed aan gewerkt. Ik loop er even met zevenmijlslaarzen doorheen – dat merkt u – want anders ben ik een uur bezig. Ik pik er een aantal uit. Ik zeg hier meteen bij: er zijn ook aandachtspunten. Als u aan mij vraagt «waar ligt nou uw grootste frustratie?», dan kan ik daarover eerlijk zijn: bij de wachtlijsten. Het is eigenlijk van de zotte dat wij wederom 280 miljoen overhouden, bij de ggz, en er wachtlijsten zijn. Het kan toch niet zijn dat dat samengaat? Dat is overigens ook de reden dat de NZa daar momenteel actief op zit, zowel bij de Staatssecretaris wat betreft de jeugd-ggz als bij mij wat betreft de volwassen-ggz. De NZa neemt daarop onorthodoxe maatregelen en zit momenteel als een pitbull op het veld, want er geldt gewoon een zorgplicht. Dat hebben wij geregeld in het systeem. Er is geld, dus het moet gewoon gebeuren. De NZa zit daarop en ik ben bezig met een hoofdlijnenakkoord wachtlijsten. Ik probeer dat voor het reces voor elkaar te krijgen. Als mij dat niet lukt, ben ik van plan om tamelijk onorthodoxe maatregelen te nemen. Als het niet mét kan, dan maar zonder. Het is toch niet te geloven dat alles er is, maar ondertussen patiënten thuis op de bank geen zorg krijgen? Om maar even iets wat niet in de tekst stond toch te zeggen. Er zijn dus dingen waarvan ik vind dat ze toch echt wel beter moeten.

De voorzitter:

Wij hoorden de cri du coeur. Mevrouw Bergkamp heeft een vraag hierover.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik ben het helemaal met de Minister eens dat dat niet kan. Ik ben ook blij dat de Minister aangeeft dat als het op deze manier niet lukt, zij gewoon gaat ingrijpen. Ik heb daar nog wel twee vragen over. Wat is de analyse van de Minister? Alles is er. Er is een sense of urgency, ook maatschappelijk en in de media. Dus hoe kan dit nou? Mijn tweede vraag aan de Minister is: wat zijn de onorthodoxe instrumenten waar de Minister terloops mee dreigt?

De voorzitter:

U hoort het ongeduld.

Minister Schippers:

Dat delen we, dus dat is makkelijk. Ik heb deze vragen ook gesteld. Ik heb er ook veel gesprekken over gevoerd. U kunt zelf ook zien dat ik op alle terreinen inmiddels een hoofdlijnenakkoord heb bereikt, behalve op het terrein van de ggz. Daarmee is nog geen hoofdlijnenakkoord. Ik zie dat er veel wantrouwen is, onderling. Er is ook heel veel onenigheid, zowel in het aanbod, waarover men het vaak oneens is – als er een oplossing is bereikt met het ene deel, is het andere deel het daar niet mee eens – als tussen aanbod en verzekeraars. Iedereen heeft vaak ook een andere analyse. Mijn analyse is dat het wantrouwen groot is. Het zit in de organisatiegraad. Men heeft geld en er zijn patiënten die zorg nodig hebben. Het zit met name in de complexe, zwaardere ggz. Het zit in de complexe zorg. Als ik nu weet dat er complexe zorg nodig is, dat er mensen thuis zitten met een plek op een wachtlijst en ik intussen hoor dat een instelling moet sluiten wegens een teveel aan vraag, dan denk ik: er gaat ergens iets mis. Dan denk ik: jongens, dat is een kwestie van om de tafel gaan zitten. Hoe kan dat? Het is een kwestie van elkaar opbellen. Hoe kan het dat enerzijds iets eventueel moet sluiten en anderzijds we mensen niet op de juiste plaats krijgen? Maar goed, ik wil mij daar absoluut niet bij neerleggen. Ik ben ook niet van plan om geld naar de algemene middelen te laten vloeien, want dat gebeurt er bij onderuitputting. Dat geld moet beschikbaar blijven. We moeten gewoon voor de zomer een oplossing daarvoor vinden.

Wat zijn die onorthodoxe maatregelen? Ik zet allereerst maximaal in op een hoofdlijnenakkoord. Dat is stelselconform. Als dat niet lukt, zal er iets niet-stelselconforms moeten gebeuren. Dat zou echt een nederlaag zijn voor de partijen die aan tafel zitten. Ik ga daar dus nog niet van uit.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Helder. Maakt de Minister daarbij nog onderscheid tussen de jeugd-ggz, omdat die onder de gemeente valt, en de volwassen-ggz? En ziet zij daartussen nog een verschil, ook in haar aanpak? Zeker als het gaat over een hoofdlijnenakkoord, hebben de gemeenten wat betreft de jeugd-ggz betrokkenheid. Eigenlijk zijn zij daar verantwoordelijk voor.

Minister Schippers:

Voor een deel overlapt het en voor een deel is het verschillend. Aan de ene kant zijn de gemeenten aan zet, aan de andere kant de verzekeraars. De gelden waar ik het over heb, zijn premiegelden die via een andere stroom gaan. De Staatssecretaris en ik hebben dezelfde ambitie. Wij proberen allebei voor de zomer, demissionair of niet, gewoon tegen muren te drukken zodat er hier of daar nog wel een gat in geslagen wordt.

De voorzitter:

Dan vraag ik even als voorzitter: wilt u de Kamer terstond berichten wat de uitkomst daarvan is en wat de maatregelen eventueel zijn?

Minister Schippers:

Graag.

De voorzitter:

Prima. Dan hebben we dat als toezegging genoteerd. Gaat u verder.

Minister Schippers:

Ik kom op de lessen en leerfunctie van het jaarverslag. Het jaarverslag is in eerste instantie een verantwoording van de uitgaven in het afgelopen jaar. Dat is primair het doel van een jaarverslag. Bij elk artikel is ruimte voor een aantal algemene conclusies over het gevoerde beleid. Ieder artikel bevat ook een veelheid aan regelingen, subsidies, opdrachten en financieringsvormen. Dat jaarverslag is niet het geschikte gremium om over al die instrumenten uitgebreid over alle geleerde lessen te rapporteren. We hebben daar ook evaluaties en doorlichtingen voor bedoeld. Wij leren het hele jaar door en wij spreken met elkaar in elk debat. Wij hebben voortgangsrapportages en uiteindelijk evaluaties. Ik denk dat we met de pilot beleidsevaluatie, die veel te veel een soort algemeen iets is, de verbetering van het lerend vermogen moeten zoeken.

Kan ik een toelichting geven op de voortrekkersrol die VWS wil spelen in de verbetering van de beleidstoetsing? We starten een pilot met als doel beter inzicht te krijgen in de kwaliteit van het gevoerde en voorgenomen beleid en daar lessen uit te trekken. Er komt een meerjarenprogramma waarin het beleidsthema centraal staat en niet alleen één begrotingsartikel. We beperken ons dus niet meer tot de uitgaven op de begroting. In deze pilot betrekken we ook de uitgaven van het Budgettair Kader Zorg. Dat is allemaal tamelijk revolutionair in technische zin. De pilot wordt vormgegeven in afstemming met Financiën. Ook de Algemene Rekenkamer is erbij betrokken. De plannen van aanpak voor de geplande evaluaties in 2018 worden op Prinsjesdag voorgelegd aan uw Kamer. Ik nodig de Kamer uit om op dat moment mee te kijken en uit te spreken wat zij daarvan vindt. Uiteindelijk krijgt de Kamer dát later terug. Dat is dus echt wel een moment waarop wij met elkaar in gesprek moeten gaan.

Denk ik dat themarapportages op focusonderwerpen een manier kunnen zijn om echt meer inzicht te krijgen in focusonderwerpen? Ja, ik deel die mening. Bij focusonderwerpen is er al veel verkeer met de Kamer, aan de hand van brieven, vragen en algemeen overleggen. Ik deel op dit punt in elk geval de mening van de Kamer.

Ik heb al aangegeven in de richting van mevrouw Ellemeet dat wij continu de VTV op internet up-to-date houden. Voorzitter, dit waren mijn antwoorden. De Staatssecretaris behandelt de andere vragen.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de Staatssecretaris van VWS.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Er is een specifieke vraag gesteld door de rapporteurs over pgb's en de informatievoorziening. Dat is natuurlijk een beetje een keus; pgb's zijn een focusonderwerp en ik kan alleen maar constateren dat er veel focus is geweest op de pgb's in het afgelopen jaar. Ik denk dat er iets van elf debatten zijn geweest en een aparte voortgangsrapportage. In dit jaarverslag is melding gemaakt van de stand van zaken. Het blijft een beetje een afweging. Ik heb ter voorbereiding van dit debat geteld hoeveel voortgangsrapportages we eigenlijk hebben. Dat zijn er een stuk of twaalf, waaronder inderdaad ook rapportages over de pgb's, naast allerlei rapportages van externen. Ik denk dat de informatievoorziening dus heel breed is.

In aparte monitors is ingegaan op de aantallen. Maar als de Kamer op één moment alle getallen wil hebben over het gebruik van pgb's, kan ik me voorstellen dat we dat in het Jaarverslag 2017 regelen. We gaan dus door met aparte rapportages, maar bij gelegenheid van het Jaarverslag 2017 gaan we het pgb-gebruik in alle domeinen eens op een rijtje zetten.

In hoeverre gaan we door met het opvolgen van de aanbevelingen van de Rekenkamer in de verdere aanpak? Daarover heeft de Kamer een aparte brief ontvangen. De aanbevelingen rondom de ketenregie zijn opgepakt. De aanbevelingen over adviezen van het BIT en de CIO zullen we ook opvolgen. Het verhaal dat de governance apart moet worden geregeld, is opgevolgd, welk punt ik schriftelijk heb toegelicht. We zijn overigens voornemens, daarvoor een aparte zbo op te richten. De grote aanbeveling van zorgvuldigheid boven snelheid zullen we verwerken in de verdere aanpak van het portal, waarin we waarschijnlijk gaan kiezen voor een fasegewijze invoering, zodat we tijdens de invoering kunnen leren wat er goed en niet goed gaat, en zo nodig tijdig kunnen bijsturen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Wij zouden het prettig vinden om even één minuut te overleggen.

De voorzitter:

Dan schors ik de vergadering voor één minuut.

De vergadering wordt van 10.54 uur tot 10.55 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de rapporteurs. Kunt u kort reageren? Ik geef eerst het woord aan mevrouw Hermans.

Mevrouw Hermans (VVD):

Voorzitter. Ik dank de Minister en de Staatssecretaris voor de antwoorden. Ik realiseer me daarbij dat het een vrij technische exercitie is. Ik begrijp heel goed het punt dat de Minister expliciet maakt en dat ik ook in de beantwoording van de Staatssecretaris hoorde doorklinken: je moet altijd afwegen wat je wel en niet opneemt aan informatie. Niet alles kan in een jaarverslag of begroting staan. Ik realiseer me ook dat er daarbuiten nog heel veel informatie is, niet zelden door ons als Kamer en commissie gevraagd. Kijkend naar de opgave voor de cyclus van begroten en verantwoorden, is de commissie op zoek naar een manier om de informatie goed te kunnen vergelijken. Dat traject hebben we drie jaar geleden met elkaar ingezet. Wat schrijf je over wat je van plan bent in je begroting? Hoe lezen we in het jaarverslag dat dit ook gerealiseerd is, of misschien niet door onvoorziene omstandigheden? Hoe heeft dat bijgedragen aan een aantal algemene, grotere doelen voor de volksgezondheid en gezondheidszorg in Nederland? Dat is onze zoektocht.

Het is goed dat de Minister verder werkt aan de Staat van Volksgezondheid en Zorg en de VWS Monitor. Daarover heb ik nog twee vragen. De eerste gaat over de notitie waarover de Minister het had, en die met de begroting van 2018 meekomt, over hoe de ontwikkeling van de Staat van Volksgezondheid en Zorg er verder uit gaat zien. Kan de Minister ook iets opnemen over hoe de verdere ontwikkeling van de monitor eruitziet? Ik snap dat er een stap gezet gaat worden in de begroting van 2018, maar begrijp dat dit nog niet het gewenste resultaat heeft dat we beiden voor ogen hebben. Is daarin ook specifieke aandacht voor outcome en streefwaarden in het complexe veld van VWS?

Ik wil ook nog iets zeggen over de Staat van Volksgezondheid en Zorg en het jaarlijkse rapport. Het is heel mooi dat die Staat het hele jaar up-to-date wordt gehouden, dus dat we het hele jaar door online de meest actuele cijfers kunnen terugvinden. Aan het jaarrapport van vorig jaar vond ik heel mooi dat je de cijfers even bevriest op het moment dat je verantwoordt wat er gebeurd is in het voorgaande jaar en dat je even op een aantal belangrijke cijfers ingaat. In dat rapport stond ook dat het de eerste proeve was van het rapport dat jaarlijks voor Verantwoordingsdag naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Ik realiseer me dat je een keuze moet maken in wat je presenteert, maar ik wil dus de oproep doen om met het jaarverslag een jaarlijks rapport van de Staat van Volksgezondheid en Zorg naar de Kamer te sturen. Zo kunnen we het jaarverslag leggen naast de algemene cijfers en ontwikkelingen waarin de Staat ons inzicht biedt.

De voorzitter:

Mevrouw Ellemeet, hebt u nog een toevoeging?

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb een korte aanvulling. De Minister zegt terecht dat de verantwoording in het jaarverslag in eerste instantie gaat over de uitgaven, maar de uitgaven zijn natuurlijk altijd gekoppeld aan beleidsdoelen. Het gaat dus niet alleen over geld, maar ook over wat je wilt bereiken. Gaandeweg het jaar zullen sommige beleidsvoornemens bijgesteld moeten worden omdat ze in de praktijk niet blijken te werken als gedacht. Dat bedoelen wij als commissie met de leerfunctie. Het zou mooi zijn als de Minister een toelichting kan geven in het jaarverslag op het bijstellen van de belangrijkste beleidsdoelen. Ook daarin moeten natuurlijk keuzes gemaakt worden.

Dan over de focusonderwerpen. Er is wat verwarring over de voortgangsrapportages waarmee het kabinet de Kamer informeert over deze onderwerpen gaandeweg het jaar. Misschien is het een idee dat de commissie eerst zelf bespreekt wat ze graag met die focusonderwerpen zou willen en dan met een voorstel komt. Zo kunnen we er wat helderheid over geven.

De voorzitter:

Dat laatste ligt bij de Kamer zelf, dus ik heb drie vragen genoteerd en kijk naar de Minister.

Minister Schippers:

Oh, ik had er vijf.

Bij de opgave voor de cyclus van begroten en verantwoorden, dus om de informatie goed te kunnen vergelijken en van een plan tot realisatie te komen, is de samenwerking tussen de Kamer en VWS essentieel. In de voorgaande jaren zijn we altijd met elkaar om tafel gaan zitten over wat de Kamer verwacht dat wij opleveren. Ik raad aan om dat te blijven doen. Als je die connectie verliest, gaat iedereen al heel snel zijn eigen ding doen.

Een tweede onderwerp is de notitie van het kennisconsortium bij de begroting. Kan ik daar de verdere ontwikkeling van de monitor in meenemen? Dat zullen we meenemen voor de begroting van 2018.

Er werd gevraagd of de Staat van Volksgezondheid en Zorg, die online staat, jaarlijks kan worden gestuurd. Ik denk dat het ongelooflijk belangrijk is dat wij up-to-datecijfers hebben. Natuurlijk kunnen wij op print drukken, er een nietje doorheen doen en dat naar de Kamer sturen, maar het is gewoon beschikbare en openbare informatie. Als de Kamer dat wil, gooien we er een nietje doorheen, maar iedereen kan dat zelf doen. Ik zie de toegevoegde waarde daar dus iets minder van.

De voorzitter:

Mevrouw Hermans voor een verduidelijkende vraag.

Mevrouw Hermans (VVD):

Ik heb eigenlijk een toevoeging. Ik ben het helemaal met de Minister eens dat het geen printje met een nietje erdoorheen moet worden. Dan scrollen we zelf wel door de site. Het moet echt een aanvulling zijn op wat het jaarverslag ons aan informatie biedt. Ik stel eigenlijk voor dat we dit element meenemen in aanvulling op wat mevrouw Ellemeet zei over dat wij kijken naar hoe we met de focusonderwerpen willen omgaan. Dan kunnen we de Minister heel precies aangeven wat voor informatie we bedoelen en horen we dan wel of zij daar ook mee uit de voeten kan.

Minister Schippers:

Betrek daarbij dan ook de monitor. Daarin staan cijfers uit de staat, waarin een specifieke koppeling wordt gelegd met de doelen.

Mevrouw Hermans (VVD):

Ja, absoluut.

Minister Schippers:

Dan het volgende. Er werd gezegd dat de koppeling van uitgaven en doelen gaandeweg het jaar worden bijgesteld en dat je daar een leerfunctie bij moet hebben. Ik denk dat wij in het overleg met elkaar dit, de focusonderwerpen en de Monitor gedrieën moeten oppakken. Ik denk niet dat we een tweede monitor moeten maken. Laten we dan de Monitor op punten uitbreiden. Toen ik dit debat voorbereidde, moest ik zelf ook even nagaan welke stukken we allemaal hebben. Laten we die stukkenstroom ook een beetje controleren. Ik denk dat het in het gesprek tussen VWS en de vaste Kamercommissie goed is om met elkaar af te spreken wat verwacht wordt, waaraan we kunnen voldoen en welke afspraken we daarover maken.

De voorzitter:

Ik heb geen vragen genoteerd aan de Staatssecretaris. Hij heeft ook geen behoefte om nog extra te reageren.

Ik ga naar de Kamer voor de inbreng namens de eigen fracties. U hebt drie minuten spreektijd per woordvoerder met elkaar afgesproken. Dat is dus kort maar hevig. Ik geef als eerste het woord aan de heer Rutte van de VVD-fractie.

De heer Arno Rutte (VVD):

Voorzitter. Ik wil eerst een woord van dank uitspreken voor de rapporteurs. Zij zijn zeer gedegen te werk gegaan. Dat zorgt ervoor dat er al heel veel antwoorden zijn gekomen op het meer technische deel van het jaarverslag. Dat helpt mij om mijn betoog wat meer naar de inhoud en iets meer hoog over vorm te geven.

Dit jaarverslag kun je zien als een soort eindrapport van de twee bewindslieden die de afgelopen jaren het Ministerie voor Volksgezondheid hebben bevolkt. Natuurlijk heeft nog een heel deel van hun werk dit jaar plaatsgevonden, maar toch. Ik wil bij dezen beide bewindslieden een enorm compliment geven voor het werk dat in de afgelopen jaren is verzet. De zorg in Nederland is nog steeds van enorm hoog niveau, op alle domeinen. De toegankelijkheid van de zorg is heel hoog. De betaalbaarheid is eindelijk op orde. Dat is van groot belang voor de mensen die nu zorg nodig hebben, maar vooral ook voor de volgende generaties. Nu de zorgkosten weer in lijn zijn gebracht met de economische groei mogen we erop vertrouwen dat ook zij van die goede Nederlandse zorg kunnen blijven genieten. Heel veel achterstallig onderhoud, zeker ook in de langdurige zorg, is aangepakt. Dat verdient een heel groot compliment.

Ik wil niet wegkijken van het feit dat, vooral in de langdurige zorg waar dat ook wel nodig was, al die grote veranderingen heel veel onrust hebben veroorzaakt. Er is heel veel veranderd. Mensen willen erop kunnen vertrouwen dat ze zorg krijgen, maar dingen zijn anders geworden. Men moet er meer naar op zoek. Het gevoel van mensen dat zij altijd toegang tot die goede zorg hebben maar niet altijd de weg vinden, is dus nog wel een punt van zorg. Daarbij heeft een dossier als de pgb's meegeholpen, waarover de Staatssecretaris het net heeft gehad. Dat is een heel ingewikkeld dossier geweest, waarin we met elkaar continu heel erg aan het bijsturen zijn geweest om het op orde te krijgen. Mensen die zorg moesten leveren, kregen hun geld niet. Mensen waren daardoor bang geen zorg meer te kunnen krijgen. Niet fraai. De Staatssecretaris heeft al aangegeven dat hij er nu bovenop zit en vertrouwen heeft dat het goed komt. Komt er een eindevaluatie, zodat we met elkaar kunnen leren hoe we verzeild zijn geraakt in deze situatie? Ik kijk dan niet alleen naar hoe de Staatssecretaris erin verzeild is geraakt. De Kamer heeft ook wensen gehad en dingen gevraagd met bepaalde consequenties. Zo komen we in de toekomst niet weer in dit soort situaties terecht.

Als je kijkt naar de veranderingen in de zorg, zie je dat zorg nu over heel veel verschillende domeinen wordt geregeld. Ik heb een jaar geleden een motie (29 689, nr. 735) ingediend met de vraag of we in kaart kunnen brengen of er niet te veel wordt afgeschoven, met name op gemeentelijk niveau. In die motie, van 7 juli vorig jaar, deed ik het verzoek om dat in kaart te brengen met behulp van Vektis. De hele Kamer, behalve de PVV, nam de motie aan, maar daar heb ik nooit meer een reactie op gehoord, althans naar mijn overtuiging. Dat is toch een beetje vreemd. Die reactie willen we nu toch wel heel graag voor de volgende begroting hebben. Het is een punt van grote zorg dat sommige gemeenten zorg afschuiven richting de Zorgverzekeringswet of de Wlz.

Tot slot, want ik ben eigenlijk al door mijn tijd heen. Ik vind oprecht dat de Kamer aan het eind van deze periode ook nadrukkelijk naar zichzelf moet kijken. Te vaak springen wij op incidenten. Neem bijvoorbeeld de wijkverpleging. Ik voorspel dat ook dit jaar in september weer berichten naar buiten zullen komen als: o, o, o, we krijgen geen contract, er is te weinig geld en het gaat allemaal mis. Ik wil erop wijzen dat uit de feiten blijkt dat vorig jaar mensen wijkverpleegkundige zorg hebben gekregen en dat er geen overschrijding maar een onderschrijding was van het budget. Waarvan akte.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Voorzitter. Met dit jaarverslag blikken we zeer waarschijnlijk voor het laatst met deze bewindspersonen terug op de resultaten van hun werk. Ook ik wil hen heel graag bedanken voor hun inzet. Er zijn mooie dingen in gang gezet, bijvoorbeeld de aanpak van de farmaceutische industrie onder het EU-voorzitterschap, waar we het gisteren tijdens het debat over de pakketten ook al even over hadden. Ook zijn de aandacht en activiteiten op het gebied van dementie toegenomen, om maar twee voorbeelden te noemen.

Wordt mijn betoog dan een loftuiting op het beleid van de afgelopen jaren? Helaas, dan moet ik u toch teleurstellen. Mijn fractie heeft een aantal grote zorgen en vragen. Voor GroenLinks is de betaalbaarheid van zorg voor specifieke groepen mensen, onder wie mensen met een chronische ziekte of handicap, nog altijd een groot punt van zorg. We hebben de eigen betalingen de afgelopen jaren fors zien stijgen. Sommige mensen moeten verschillende eigen bijdragen betalen vanuit verschillende zorgwetten. Deze stapeling kan hoog oplopen. Nu zag ik tot mijn verbazing in het jaarverslag dat de begrote tegemoetkoming in de zorgkosten voor deze mensen nauwelijks is uitgekeerd. Ik vraag de Minister: hoe is dit mogelijk? Worden deze mensen alsnog gecompenseerd voor hun kosten? Graag een reactie.

Er is de afgelopen tijd terecht veel aandacht geweest voor de schuldenproblematiek van mensen en de rol die de overheid daarin speelt. Door boetes en toeslagen maakt de overheid het voor mensen in lastige situaties steeds ingewikkelder, en soms zo goed als onmogelijk, om uit de problemen te komen. Ook in de zorg speelt dit. Volgens GroenLinks is het tijd om hier iets aan te doen. Ten eerste moet de zorgverzekeringsboete van tafel. De overheid legt mensen een boete van maar liefst 25% op achterstallige betaling van de premie op. Deze mensen krijgen vervolgens een bovengemiddeld dure premie in de maag gesplitst. Hier moeten we van af, want het lost de problemen niet op. Is de Minister daarnaast met GroenLinks van mening dat het zeer wenselijk is om inzicht te hebben in de stapeling van eigen betalingen onder specifieke groepen? Wat GroenLinks betreft biedt de CBS-rapportage van afgelopen februari over de eigen betalingen in de zorg een goede basis voor een nader onderzoek naar de stapeling van kosten. Graag een reactie.

De heer Arno Rutte (VVD):

Ik heb een vraag over de boete bij wanbetaling. Heel veel verzekeraars hebben al flankerend beleid en doen heel veel dingen om te zorgen dat er wel degelijk betaald wordt. Daar worden afspraken over gemaakt. Op welke manier denkt GroenLinks te voorkomen dat mensen hun rekening niet meer gaan betalen? Hoe wil het voorkomen dat het gaat lonen om je rekening voor de zorgpremie niet meer te betalen? Als je geen boete oplegt, krijg je naar mijn overtuiging dat slecht gedrag loont.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Twee dingen. De boete is exorbitant hoog. De percentages van bijvoorbeeld deurwaarders of incassobureaus zijn nooit zo hoog als 25%. Dat vind ik allereerst opmerkelijk. Daarnaast is er recent onderzoek geweest naar de stapeling van schulden en de problematiek van mensen in financiële problemen. Daaruit blijkt dat juist de complexiteit van toeslagen en boetes die door de overheid opgelegd worden, de problemen alleen maar verergeren. Niet alleen lossen we het probleem van deze mensen niet op, maar ook niet dat van de overheid en van de verzekeraars. We willen allemaal dat alles betaald wordt. Nu kom ik op de vraag van de heer Rutte wat je dan moet doen. In Rotterdam is er een polis voor mensen met lagere inkomens, waarbij het eigen risico maximaal € 50 is. Dat is een samenwerking van VGZ en de gemeente. We kunnen kijken naar alternatieve vormen van premieaanbod, waarbij mensen het makkelijker krijgen om de zorg die ze nodig hebben te betalen en daardoor minder snel in de schulden komen. Mijn antwoord is dus: los die schulden op en bied een voor deze groep mensen betaalbaar alternatief aan.

De heer Arno Rutte (VVD):

Die alternatieve polissen zijn er op heel veel plekken. Dat is ook heel goed. Dat kan al en gebeurt al, en dat moeten we ook vooral blijven doen. De gemeenten die het doen, verdienen een dikke pluim. Maar welk verhaal heeft mevrouw Ellemeet nou voor al die Nederlanders die elke maand opnieuw netjes hun premie betalen en die daar soms ook krom voor liggen en er hun best voor doen? Het is immers een heel bedrag. Zij doen hun best en betalen dat. Wat zegt mevrouw Ellemeet tegen hen, ten opzichte van degenen die al dan niet buiten hun schuld – het kan zelfs moedwillig zijn – hun premie niet betalen? Is dit niet de bijl aan de wortel van de solidariteit?

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Deze mensen zullen er meer mee geholpen zijn als minder mensen hun premie niet betalen. Dat moet het doel zijn. Het doel moet zijn dat zo weinig mogelijk mensen hun premie niet betalen. We moeten dus op zoek naar oplossingen waarbij we die groep verkleinen. Die oplossing is om mensen niet verder in de schulden te helpen, maar een alternatief te bieden. Dat alternatief is er en dat kunnen we breder uitrollen in het land. Daarmee verkleinen we die problematiek en helpen we deze mensen, en geven we ook antwoord op de vraag: hoe kan het dat ik mijn premie wel betaal? We moeten ernaartoe dat iedereen zijn premie kan betalen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog. U hebt nog 50 seconden.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

We moeten helaas constateren dat de positie van de patiënt nog altijd een ondergeschikte is. Ik geef een paar voorbeelden. Patiënten worden lang niet altijd goed meegenomen in de ontwikkeling van richtlijnen. Ze hebben weinig invloed op de ontwikkeling van bijvoorbeeld digitale toepassingen, met alle gevolgen van dien. Ook in de contractering ontbreekt te vaak de stem van de patiënt. Uit het jaarverslag blijkt dat ruim 2 miljoen die bestemd was voor patiëntenorganisaties niet bij de patiënten terecht is gekomen. Had dit budget in 2016 niet beter wel besteed kunnen worden aan het versterken van hun positie?

Ik heb nog een heel korte vraag over de langdurige zorg. Er wordt de afgelopen maanden aardig wat herstelwerk verricht door de Staatssecretaris, met de 2,1 miljard voor de verpleeghuizen als grootste verrassende konijn uit de hoge hoed. Was de Staatssecretaris op de hoogte van de financiële consequentie van het juridisch bindende karakter van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg? En is de Staatssecretaris niet van mening dat het besluit over deze forse investering een politiek besluit had moeten zijn?

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter. Goedemiddag, nee, goedemorgen; het is nog morgen. Als woordvoerder langdurige zorg krijg je dit soort dingen.

Ik wil allereerst mijn collega's, de rapporteurs, bedanken. Ik denk dat het een heel goede functie heeft en dat jullie heel veel voorwerk hebben gedaan waardoor we onze eigen bijdrage wat politieker kunnen laten zijn. Dank daarvoor. Ook mijn complimenten aan het veld. Vorig jaar is er ontzettend veel gebeurd en hebben er ontzettend veel veranderingen plaatsgevonden. Het veld heeft dat toch allemaal moeten verwerken en daarmee om moeten gaan. Helaas zijn de administratieve lasten en de regeldruk voor hen en ook voor alle mensen die zorg nodig hebben nog steeds aan de orde van de dag. Over dat punt ben ik echt ontevreden. Ik hoop ook dat het een focusonderwerp gaat worden, maar dat gaan we bespreken in de procedurevergadering. Ik zie hoe vaak oudere mensen bij verschillende specialisten moeten aangeven wat voor medicijnen ze gebruiken, en hoe vaak ze bij de gemeente moeten aangeven waarom ze zorg nodig hebben, elke keer weer opnieuw. Ik wil heel graag die overbodigheid uit het systeem krijgen.

Daarnaast is het toch een belangrijke conclusie dat het onduidelijk is of al die geleverde zorg de gewenste effecten heeft. Mijn collega's zeiden dat net ook al. Dat is natuurlijk belangrijk, want er gaat heel veel geld om in de zorg en we moeten natuurlijk weten of de doelen behaald zijn. De rapporteurs hebben een aantal goede suggesties gedaan, maar toch zou ik graag nog van beide bewindspersonen horen of er nog meer mogelijk is om te bekijken of we met al die verschillende wetten nou echt onze doelstellingen halen.

Samenwerken blijft een punt van aandacht. De Raad voor het openbaar bestuur heeft dat ook al eerder geconcludeerd. Dat geldt ook voor de verschillende wetten; mijn collega van de VVD gaf dat al aan. Er is kans op afwenteling, maar belangrijker nog, er is ook een kans dat mensen tussen wal en schip vallen. Het is belangrijk dat hier regie op plaatsvindt. Ik krijg daar graag een reactie op.

De Kamer krijgt natuurlijk ontzettend veel informatie en er zijn heel veel monitors, maar goede, integrale informatie ontbreekt. Ik zou heel graag aan de beide bewindspersonen willen vragen hoe de Kamer daar meer grip op kan krijgen. Wellicht moet de Kamer hierover zelf advies vragen aan de Raad voor het openbaar bestuur en de Algemene Rekenkamer. Uiteindelijk is het bijvoorbeeld ook niet gelukt om die integrale informatie te krijgen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het is heel gefragmenteerd.

Ik heb nog een concrete vraag over het systeem van trekkingsrechten. De governance ontbreekt nog steeds. Ik zou daarover toch heel graag een update willen krijgen. Hoe staat het daar nu mee?

In het verslag wordt ook niet gesproken over privacy. Hoe kan dat nu? De Kamer heeft toch verschillende sturingsmogelijkheden ingezet en in het verslag staat helemaal niks.

Ik heb nog een vraag aan de Minister over preventie. Daar gaat 0,8% heen. Dat is mooi, maar dat betekent wel dat 99,2% gaat naar genezing en verzorging. Is dat nu een goede balans?

Tot slot heb ik nog een vraag aan de Staatssecretaris. Als we al onze doelstellingen willen realiseren, zullen we ook werk moeten maken van al die vacatures in de ouderenzorg. Ik heb de afgelopen periode veel met jongeren gesproken over de afweging die ze maken als verpleegkundige: gaan ze werken in de ouderenzorg of in een ziekenhuis? Dan zeggen ze: in de ziekenhuizen hebben we veel meer doorstroommogelijkheden en zijn de startsalarissen hoger. Dan snap ik wel dat heel veel jongeren ervoor kiezen om naar de ziekenhuizen te gaan. Moeten we op dit punt niet meer doen?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. De beleidsagenda bij de begroting voor 2016 toonde slechts enkele, weinig concrete doelen. Daar hebben we het in het begin van dit overleg over gehad. Ik wil er één punt uit lichten. De bewindspersonen schreven dat zij wilden dat mensen in 2016 echt verbeteringen in de zorg zouden gaan merken. In het jaarverslag vind ik hierover niets terug. Kunnen beide bewindspersonen aangeven in hoeverre deze ambitie in 2016 is gerealiseerd?

De Rekenkamer heeft een aantal tekortkomingen geconstateerd, waaronder in de informatiebeveiliging, waarvan het belang tegenwoordig niet kan worden overschat. Volgens de Minister is er echter geen probleem en zijn er al verbetertrajecten ingezet. De Rekenkamer biedt aan om samen met VWS en BZK te bespreken hoe de borging van de centrale beheersing van de Baseline informatiebeveiliging rijksdiensten (BIR) verder vormgegeven kan worden. Is de Minister van plan dat aanbod aan te nemen?

In reactie op het oordeel van de Rekenkamer geeft de Staatssecretaris aan dat in het Samenvattend auditrapport 2016 van de Auditdienst Rijk (ADR) juist wordt geconstateerd dat de sturing op informatiebeveiliging groeit in volwassenheid. Ik heb even gezocht naar dat rapport. Van vrijwel alle departementen is het rapport netjes op het internet terug te vinden, maar van VWS niet. Waarom niet? En kan dit Samenvattend auditrapport 2016 van VWS openbaar gemaakt worden?

Ook beleidsmatig zijn er nog enkele onvolkomenheden. De opleidingen in de zorg zijn in dit kader opvallend. Van een aanzienlijk deel van de uitgaven op dit gebied is onbekend wat de resultaten en effecten zijn. De Minister heeft aangegeven het niet eens te zijn met de conclusie van de Rekenkamer. Een van de problemen is dat voor de evaluatie van de sectorplannen doorverwezen wordt naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat geeft echter aan dat het in zijn evaluatie geen sectoren specifiek zal uitlichten. Kan de Staatssecretaris of misschien de Minister aangeven welke afspraken hij of zij hierover heeft gemaakt met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? En is het geen idee om alle informatie hierover die bij de ziekenhuizen blijkbaar wel aanwezig is, te delen met de Kamer?

Ik heb nog een enkele korte vraag over het jaarverslag zelf. Het blijft lastig om in het jaarverslag een totaalbeeld van de apparaatsuitgaven van het ministerie te krijgen. Het CDA heeft dit de afgelopen jaren ook aan de orde gesteld. Klopt het dat de totale apparaatsuitgaven van het ministerie 21% hoger liggen dan in de begroting is geraamd? Kan de Minister toezeggen dat voortaan veel scherper in beeld zal worden gebracht wat het gevolg is van min of meer technische oorzaken en wat de resterende onverwachte mee- en tegenvallers zijn in de apparaatsbudgetten?

Volgens mij ben ik door mijn tijd heen, voorzitter.

De voorzitter:

U hebt nog 10 seconden.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dan wil ik alleen nog zeggen dat ik mij nog steeds grote zorgen maak over het persoonsgebonden budget (pgb). Ik zou vandaag graag een stand van zaken willen krijgen van de Staatssecretaris. Voor de rest kunnen we daar natuurlijk uren over doorpraten.

De voorzitter:

Dat was exact drie minuten.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Allereerst wil ik de rapporteurs bedanken voor hun bijdrage, niet alleen vanwege het vele werk dat ze eraan hebben gehad, maar ook omdat ze toch echt wel andersoortige vragen hebben gesteld dan de Kamer normaliter doet. Ik vind ook dat we dat in ere moeten houden. Ik dank de dames dus voor hun inzet.

Dit is eigenlijk een van de belangrijkste debatten van het jaar. We hebben het nu niet over plannenmakerij voor de toekomst, maar houden gewoon eens de vinger aan de pols om te bekijken wat er allemaal is gebeurd. Aangezien deze Minister en Staatssecretaris een demissionaire status hebben, kunnen we echt wel terugkijken op beleid.

Het jaarverslag vervult mij eigenlijk met verbijstering. Ik vind het wel heel erg een mooiweerbrief. Zo wordt op pagina 20 gesproken over extra middelen die beschikbaar zijn gesteld voor zinvolle dagbesteding, terwijl we allemaal weten dat er 1,1 miljard bezuinigd is. Ook staat er dat goede personeelsbezetting in alle verpleeghuizen een centraal thema is. We weten allemaal dat dit jaar 2,1 miljard euro nog niet aan de middelen is toegevoegd. Het is dus nog geen mooi weer. Verderop gaat het over de personeelsnorm. Er zijn de afgelopen periode echt 37.000 mensen ontslagen uit de verzorgingshuizen en verpleeghuizen.

Wat betreft de vermindering van de administratieve lasten wordt hier gewoon gezegd dat op basis van het Experiment Regelarme Instellingen (ERAI) de zorginkoop en het AZR-berichtenverkeer (AWBZ-brede Zorgregistratie) zijn aangepast. Dat is echt niet waar. Het is in de Wlz op wetstekstniveau tegengesteld vastgelegd aan het Experiment Regelarme Instellingen.

Zo kan ik eigenlijk wel een hele tijd doorgaan. Ik heb afgelopen jaar een motie ingediend over het Valysvervoer, waarin ik heb gevraagd om die hele administratie en verantwoording op te heffen. Dat zou ongeveer 1 miljoen euro kosten. Dat kon allemaal niet en de motie werd ontraden, maar nu zien we dat er gewoon 2,9 miljoen euro over is. Dat vind ik erg jammer.

Van de stukken van de Algemene Rekenkamer kun je ook behoorlijk schrikken. Daar staat in dat 40% van de betalingen onrechtmatig is. Het ministerie zegt in haar reactie op vragen eigenlijk dat dat niet betekent dat er is gefraudeerd. Nee, maar het is wel zo dat het ministerie onvrijwillig afgedragen belastinggeld en premiegeld simpelweg rechtmatig moet uitgeven. Ik vind dat een groot bezwaar. Laat ik mijn eigen bronnenboek erbij pakken. In 2012 was er op basis van de nota naar aanleiding van het nader verslag en onze vragen sprake van 77.000 verpleeghuisplekken of verzorgingshuisplekken. Nu gaat het in de beantwoording over 10.200 verzorgingshuisplekken. De spoedeisende hulpen liggen vol met ouderen met gebroken heupen, TIA's en noem maar op, die nergens terechtkunnen. We voeren daar vaak een debat over. Die konden vroeger dus terecht op die 68.000 verzorgingshuisplekken die er nu niet meer zijn. Daar mist gewoon een stuk evaluatie en ook een stuk eerlijkheid.

Dat geldt ook voor de kwaliteit. We kunnen in de stukken lezen dat 60% van de bewoners wordt gedrogeerd. Het gebruik van medicatie is zelfs met 5% gestegen. Dat lees ik allemaal niet in het jaarverslag. Een op de tien cliënten is in de laatste 30 dagen gevallen. Daar lees ik niks over. Het aantal cliënten met chronische wonden is toegenomen tot meer dan 5%. 7% van de bewoners heeft smetplekken. Een op de vijf bewoners van verpleeghuizen is ondervoed. Daar lees ik allemaal niks over. Wat betreft het personeel zou het allemaal hartstikke goed gaan. Nou, het is er niet. Zoals ik al zei, zijn er juist 37.000 medewerkers ontslagen. Volgens azwinfo.nl zijn het er in de hele ouderenzorg 56.341. Ik vind het heel raar dat er zo'n mooiweerjaarverslag wordt gemaakt, met name over de ouderenzorg, terwijl het met deze indicatoren – aantal plekken, kwaliteit en personeel – eigenlijk heel erg slecht gaat. Ik pak er nog maar een paar bij. Neem bijvoorbeeld de verdubbeling van het aantal rechtszaken, maar ook het eigen risico.

De voorzitter:

U bent door uw tijd heen, mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):

Ja, dat weet ik. Het spijt me, voorzitter.

De voorzitter:

Wilt u dus afronden?

Mevrouw Agema (PVV):

Ik noem nog even het onderzoek van NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) waaruit blijkt dat 3% van de mensen vanwege financiële redenen afziet van bezoek. Het zijn best heftige conclusies die uit andere bronnen blijken. En dat zijn allemaal geen nepbronnen. Het is niet zo dat iemand maar wat roept in de krant of zo. Het gaat om het Centraal Planbureau, het NIVEL, ActiZ, azwinfo.nl en noem maar op. Dat zijn allemaal formele, originele bronnen. Die laten eigenlijk een beeld zien dat tegengesteld is aan het beeld dat de Staatssecretaris en de Minister schetsen. Dat vind ik heel raar en zorgelijk. Misschien moet het jaarverslag voortaan niet meer door VWS gemaakt worden, maar door een onafhankelijke derde. Het kan natuurlijk niet; het is een beetje een naïef en dromerig idee, maar misschien moeten we het toch zo gaan doen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Voorzitter. Allereerst mijn dank en complimenten aan de dames rapporteurs voor hun goede werk, de hoeveelheid tijd en energie die zij erin hebben gestoken en de gelegenheid die zij ons geven om nu inderdaad een wat politieker verhaal te houden.

Aan de andere kant kan ik me ook aansluiten bij de vorige sprekers: het is op z'n zachtst gezegd toch wat ingewikkeld om in drie minuten even te beschouwen hoe het hele apparaat van VWS werkt en wat we daarvan vinden. Ik zat dus zelf even na te denken over de vraag hoe ik mijn drie minuten het meest efficiënt zou kunnen besteden. Mevrouw Agema heeft net een flink aantal bronnen en cijfers genoemd. Ik kan me volledig aansluiten bij de vragen die zij hierover had. Hoe kan dit? En vooral: hoe kijken de bewindspersonen ertegen aan?

Ik denk dat het geen verrassing is dat de SP altijd kritisch is geweest over de hele decentralisatie van de zorg. Je kunt ook nu nog zo'n beetje elke dag in de krant lezen dat dat toch te snel te veel was. Dit even los van de vraag wat je vindt van de op zich sympathieke gedachte dat het strevenswaardig is om zorg zo dicht mogelijk bij mensen te organiseren en maatwerk te leveren. Dat vinden wij ook. Volgens ons is het een gigantische misser dat de decentralisatie van de zorg samen is gegaan met een enorme vermindering van het budget oftewel een bezuiniging. Ik denk dat daardoor veel mensen tussen wal en schip zijn gevallen. We horen ook dat er problemen zijn bij verschillende gemeenten. We zijn erg benieuwd naar een reflectie van de bewindspersonen op die hele decentralisatie van de zorg, in combinatie met de bezuinigingsslag die is gemaakt. Wellicht was het beter geweest om eerst te decentraliseren en dan te bekijken of het effectiever en goedkoper kon. Dan zouden we blij zijn, maar niet op deze manier.

Een andere grote vraag betreft het nieuws van gisteren dat de nieuwe informateur Zalm heeft gezegd dat we er zeer waarschijnlijk rekening mee moeten houden dat dit demissionaire kabinet nog verantwoordelijk zal zijn voor de begroting voor het komend jaar. Ik ben erg benieuwd hoe de bewindspersonen daartegen aankijken. Er zitten een aantal dingen in de pijplijn. Gisteren hebben wij kennis kunnen nemen van het heuglijke bericht dat er € 170 miljoen minder bezuinigd wordt op de wijkverpleging. Dat is goed nieuws, maar wij zijn erg benieuwd hoe dat komend jaar gaat uitpakken. Dat geldt ook voor de bedragen van 100 miljoen en daarna 200 miljoen, dus in totaal 300 miljoen, die er extra zijn voor de verpleeghuizen, terwijl er 2 miljard nodig is en wellicht ook gaat komen. Mijn concrete vraag aan de bewindspersonen is hoe wij dit terugzien in de nieuwe begroting. Hoe gaan zij daarmee om?

Mevrouw Arissen (PvdD):

Voorzitter. Ook ik ga mijn drie minuten iets anders invullen dan gebruikelijk is. Ik ga iets citeren: «Het verhaal van Joep van der Linden is misschien wel het meest schrijnende uit het hele Q-koortsdossier. De jongen uit Heerlen raakte besmet toen hij 16 was, tijdens een bezoek met school aan een zorgboerderij. Joep overleed vier jaar later na een onvoorstelbare lijdensweg. Wat zijn moeder Jet helemaal woedend maakt: «De geitenboer wíst dat er Q-koorts heerste.»»

Dit is een klein citaat uit de bijlage van het Brabants Dagblad, geheel gewijd aan een aantal slachtoffers die zijn overleden aan Q-koorts. Het is een bijlage vol diepgevoeld leed van de slachtoffers, hun nabestaanden, de rouw en het gevoel van onmacht. Ik heb voor alle leden van de commissie een exemplaar meegenomen, zodat we allemaal kennis kunnen nemen van deze verschrikkelijke gebeurtenissen.

In de afgelopen tien jaar zijn de Q-koortsslachtoffers en -patiënten geconfronteerd met zeer weinig erkenning. Circa 300 van hen voeren een slepende rechtszaak tegen de Staat, vechtend om de erkenning dat de Staat zeer tekortgeschoten is bij het informeren van de bevolking over Q-koorts. In de reactie aan het Brabants Dagblad laat het kabinet weten de impact van Q-koorts zeer te betreuren.

Het kabinet verschuilt zich echter ook in deze reactie wederom achter onwetendheid van tien jaar geleden en stelt onder andere dat het daarom de Stichting Q-support 10 miljoen heeft gegeven om slachtoffers te ondersteunen en meer kennis over Q-koorts te vergaren. Juist nu deze stichting zo waardevol wordt geacht, door gemeenten, provincies, veiligheidsregio's en niet te vergeten door de mensen die besmet zijn geraakt met Q-koorts en hun naasten, komt het einde van de Stichting Q-support in zicht. Er is blijvend behoefte aan ondersteuning van slachtoffers. Verder is er meer bekendheid over de stichting en zijn er fors meer leden bijgekomen.

De Partij voor de Dieren pleit voor het voortzetten van de financiering van de Stichting Q-support. Tot nu toe is het kabinet niet verder gekomen dan sorry, op dringend verzoek van onder andere de Partij voor de Dieren in het parlement en nadat de Nationale ombudsman hier tot tweemaal toe op aangedrongen had. De Partij voor de Dieren wil een ruimhartige schadevergoeding. Het is een schande dat gedupeerden een gerechtelijke procedure moeten voeren tegen hun eigen overheid, die verzuimde adequate bescherming te bieden.

Demissionair Minister-President Rutte gaf tijdens het debat op 11 maart jongstleden, in verkiezingstijd, aan dat er grote fouten zijn gemaakt en dat onderzocht moet worden hoe er financiële compensatie kan worden gevonden. Gaat het kabinet deze belofte nakomen?

De Partij voor de Dieren wil dat de kans op Q-koorts en andere gezondheidsklachten voor omwonenden van geitenstallen tot het minimum beperkt wordt. Uit recent RIVM-onderzoek blijkt dat omwonenden van geitenstallen vaker longontsteking hebben dan gemiddeld. Er wordt nog nader onderzocht waardoor dat komt, maar laat het kabinet eens leren van fouten uit het verleden en uit voorzorg en in afwachting van de onderzoeksresultaten een moratorium op de nieuwbouw en de uitbreiding van de geitenstallen instellen. Laat het kabinet de volksgezondheid niet langer offeren op het altaar van de economie!

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie dat de bewindslieden vijf minuten nodig hebben om hun antwoord voor te bereiden.

De vergadering wordt van 11.33 uur tot 11.42 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de Minister van VWS het woord om de Kamer in eerste termijn te beantwoorden.

Minister Schippers:

Voorzitter. Een jaarverslag geeft altijd een beperkt beeld van wat je doet. Ik benadruk dat ik niet de illusie heb dat ik als Minister alles goed doe of dat onder mij alles goed gaat. Absoluut niet. Iedere dag zijn er problemen om op te lossen of gaan dingen helemaal niet zoals je wilt. Ik heb net ook een hartenkreet geuit, waarmee ik ook aangaf dat dingen niet gaan zoals ik wil. Ik denk dat een vorige Minister of een volgende Minister ook zou merken dat er dingen gebeuren die je liever niet wilt, of dat dingen waarop je hard hebt ingezet, geen succes worden. Toch proberen we dan in het jaarverslag, maar ook in de begroting, een cyclus te hebben om dingen beter te maken en daarover de resultaten te presenteren. Kan dat beter? Ja, dat kan beter. In het eerste deel hebben we gesproken over monitoring die specifieker en meer op outcome gericht is. Ik denk dat dit een opdracht aan ons allemaal is.

Dan kom ik op de concrete vragen. Er is gevraagd waarom er voor de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten in 2016 0,2 miljoen euro is uitgegeven in plaats van 7,7 miljoen euro. Er is op basis van betalingen in de jaren tot en met 2015 een inschatting gemaakt van de nabetalingen die in 2016 zouden kunnen plaatsvinden. Die inschatting was met de nodige behoedzaamheid gemaakt, omdat onduidelijk was van hoeveel rechthebbenden er nog een rekeningnummer ontvangen zou worden. Na afloop van 2016 moet geconstateerd worden dat er sprake was van een te grote behoedzaamheid. Slechts een klein deel heeft gereageerd op het verzoek van het CAK om een rekeningnummer door te geven. Daardoor bedroeg de meevaller 7,5 miljoen euro. Deze meevaller maakt deel uit van de totale meevaller op de uitgaven bij het Budgettair Kader Zorg (BZK).

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Ellemeet hierover een vraag wil stellen.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Ik kan mij voorstellen dat je het niet helemaal goed kunt inschatten, maar dit is een enorm verschil tussen wat je verwacht uit te moeten geven en wat er uitgegeven is. Er was 7,7 miljoen begroot en het verschil is dus 7,5 miljoen. In de tekst las ik dat dit het gevolg was van het ontbreken van juiste rekeningnummers. Is hier niet iets anders misgegaan?

Minister Schippers:

Nee, dit is gewoon de afhandeling van wat je achteraf al dan niet moet nastorten. Daar heb je rekeningnummers voor nodig. Het CAK doet een oproep aan de mensen die het betreft, maar een veel kleiner deel daarvan heeft een rekeningnummer opgegeven.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Er is een inschatting gemaakt van het aantal mensen dat hierop recht zou hebben. Dan blijkt vervolgens dat veel mensen niet hebben gereageerd op die oproep. Dat is lastig voor het ministerie, dat begrijp ik, maar dat neemt niet weg dat er een inschatting was van het aantal mensen dat recht heeft op een tegemoetkoming, op basis van informatie. Dan blijft er een enorme kloof tussen het aantal mensen dat zeer waarschijnlijk recht heeft op een tegemoetkoming en het aantal mensen dat uiteindelijk een tegemoetkoming ontvangt.

Minister Schippers:

We moeten er wel rekening mee houden dat dit ging over een regeling die 400 à 500 miljoen beliep. Dit is het staartje. U zegt dat het een groot bedrag is, maar als je kijkt naar die 400 à 500 miljoen, dan is het nog geen 1%. Het ging echt over de laatste afhandelingen. Daarbij doe je een inschatting. Dat kun je beter te ruim begroten dan te krap, vind ik.

Dan de wanbetalersrekening. Wij hebben recent de boete op het niet betalen van je premie verlaagd van 130 naar 125%, maar je kunt onder die 25% opslag uit komen. Zodra je in de schuldsanering zit, of zodra je meewerkt aan het oplossen van je schulden, betaal je die boete niet meer. Deze is alleen voor mensen die niet in die regelingen zitten. We hebben die wanbetalersregeling om de verzekeraars veel meer te prikkelen en te activeren om daadwerkelijk aan de slag te gaan. Er is een voorbeeld genoemd en zo zijn er vele voorbeelden waarin gemeenten echt zoeken hoe zij die problematiek kunnen oplossen. Er zijn ook verzekeraars die zeggen dat zij alleen naar het stukje van de premieschulden kunnen kijken, terwijl die mensen meestal ook huurschulden en ook andere schulden hebben. Moet men niet veel meer samenwerken? Je ziet dat er door veel verschillende gemeenten in het land veel meer algemeen wordt samengewerkt bij de schuldenproblematiek van mensen.

Ik denk dat wij dat ook veel beter kunnen en moeten doen, maar ik vind het wel belangrijk om die opslag erop te houden, want iemand die schulden heeft, moet een prikkel hebben om mee te werken aan zo'n traject. Zodra je in zo'n traject zit, gaat die 25% eraf. Die stap vind ik wel belangrijk. Er moet natuurlijk wel een prikkel zijn om mee te werken. Je ziet gelukkig dat er een enorme daling is van het aantal wanbetalers. Na jaren van stijging is dit nu echt aan het dalen. We zouden dat in de volle breedte veel beter moeten organiseren als het gaat om een hardnekkige situatie waarin mensen lastig uit de schulden komen. Dat wordt ook beoogd met de wet die net is aangepast. Deze rekent verzekeraars veel meer af op een proactieve houding, van meewerken en helpen, maar dan moeten we ook wel een prikkel houden zodat iemand die schulden heeft ook in dat traject wil.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Ik heb een opmerking naar aanleiding van het voorstel van mevrouw Ellemeet. De Kamer heeft op 15 april 2015 de motie van mijn collega Renske Leijten (nr. 33 683, nr. 48) aangenomen dat het stuwmeer van 100.000 mensen in het bestuursrechtelijke regime per 1 augustus 2017 leeggestroomd zou moeten zijn. Is dat nog steeds haalbaar? Hoe ziet de Minister dat?

Minister Schippers:

Nee, dat is een wat al te ambitieuze doelstelling. Je ziet wel dat we van 325.000 mensen nu gezakt zijn naar 286.000 mensen, maar dat zijn nog steeds veel mensen. Ik denk dat de wanbetalerswet ertoe leidt dat de verzekeraars een veel proactievere houding innemen. Ik denk dat deze problematiek veel breder is dan de zorg, want deze heeft ook te maken met huur en postorderbedrijven. We zouden nog meer moeten inzetten op integraal beleid. Daarvoor hebben we ook de prikkel nodig dat iemand eraan mee wil werken.

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Ellemeet het woord voor haar laatste interruptie.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Er zijn eigenlijk twee soorten boetes. Als je over de eerste zes maanden je premie niet hebt betaald, betaal je ook 25% boete over de achterstallige betalingen. Dat is heel hoog. Door incassobureaus en deurwaarders kan er maximaal 15% bovenop de achterstallige betalingen worden gelegd en dat wordt vervolgens nog lager. Mijn eerste vraag is of die boete niet sowieso naar beneden moet. Mijn tweede vraag gaat over de wanbetalersregeling. Die is verbeterd, zo begrijp ik. Als je in de schuldsanering zit, kun je er onderuit. Er zijn ook mensen die financieel in een ingewikkelde situatie zitten, maar die niet in de schuldsanering zitten. Wat wil de Minister voor die groep doen?

Minister Schippers:

Die boete is naar beneden gebracht, omdat ik vond dat die te hoog was. Deze is in overleg met de Kamer van 30% naar 25% gebracht. Het kan zijn dat de Kamer in de toekomst besluit om deze verder naar beneden te brengen. Als zij die boete naar beneden brengt, is de keerzijde daarvan dat de uitweg om je premie niet te betalen steeds makkelijker wordt. Als je die naar nul brengt, is iemand die zijn premie niet betaalt, niet slechter af dan iemand die zijn premie wel betaalt. Laten we eerlijk zijn, er zijn ook heel veel mensen met een minimuminkomen die netjes ieder jaar, iedere maand hun premie betalen. Ik vind dat het ook wel wat moet betekenen als je je premie niet betaalt. We zien dat iemand die de premie niet betaalt wel zorg kan krijgen, en dat vind ik terecht, omdat we mensen niet in een levensbedreigende situatie willen krijgen. Als je de huur niet betaalt, word je op een gegeven moment uit je huis gezet. Als je de energie niet betaalt, word je afgesloten. We zien al dat mensen allereerst vaak de premie niet gaan betalen, omdat dat geen consequenties heeft, of althans, het heeft wel consequenties, namelijk een hogere premie. Ik zou dat er toch wel in willen laten, maar ik vond het te hoog, vandaar dat het is verlaagd.

Ik zou het even moeten nagaan, maar volgens mij is dit niet alleen als je in de schuldsanering zit, maar het kan ook als je aan een programma meewerkt waarvan de verzekeraar stelt dat het ook zou kunnen, anders dan de schuldsanering. Ik zou hierop terug moeten komen, omdat ik dit zo uit mijn hoofd niet zeker weet. Daar ga ik niet op speculeren, maar ik zal voor het reces komen met feitelijke informatie hierover.

De voorzitter:

Een aanvullende vraag.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

We zien dat mensen die moeite hebben met het betalen van hun premie, vaak ook moeilijk kunnen omgaan met de zorgtoeslag, omdat er vaak meerdere financiële problemen zijn. Zij moeten het ene gat soms vullen met het andere. Zou het een oplossing zijn als de zorgtoeslag overgemaakt wordt aan de zorgverzekeraars en als zij dan ook de premie voor deze groep mensen naar beneden kunnen bijstellen? Dan zouden wij twee problemen oplossen, namelijk het probleem dat de zorgverzekeraars vaak veel moeten investeren in het alsnog binnenhalen van de gelden en het probleem dat deze groep heeft met het omgaan met de zorgtoeslag.

Minister Schippers:

Na twee maanden wordt dat automatisch gedaan. Dan gaat automatisch de zorgtoeslag naar de verzekeraar. De vraag is of je dat in het algemeen zou willen, zodat de zorgverzekeraars de zorgtoeslag krijgen als iemand die krijgt. We hebben hierover in de vorige periode uitgebreid van gedachten gewisseld. Het heeft enorme gevolgen voor je privacy, want het betekent dat een zorgverzekeraar inzicht krijgt in jouw loon en inkomen. Dat heeft hij nu niet, in tegenstelling tot de Belastingdienst, dus dat is wel een stap. Je moet je afvragen of de verzekeraar moet weten wat je verdient. Dat is een groot obstakel bij het direct overmaken, maar dat gebeurt wel. Als je twee maanden je premie niet hebt betaald, wordt het direct aan de verzekeraar overgemaakt.

Ik kom op de stapeling van kosten. Er wordt door het CBS een tabel gemaakt van de stapeling van het eigen risico en de eigen bijdrage voor de langdurige zorg en de Wmo. Zodra deze tabel beschikbaar is, zal ik die naar de Kamer sturen. Ik verwacht dat dit voor het zomerreces zal kunnen. Ja, zo snel gaat dat.

Waarom is er 2 miljoen euro onderuitputting bij de subsidies voor patiëntenorganisaties? Bij deze regeling hebben we in de raming rekening gehouden met 240 patiënten- en gehandicaptenorganisaties, maar uiteindelijk is aan 200 organisaties daadwerkelijk subsidie verstrekt. Zoals bekend hebben wij een bepaald stelsel voor de ondersteuning van patiëntenorganisaties. Door de vorige Kamer is al besloten dat wij dat misschien beter zouden kunnen doen. Dat zal echt met de nieuwe Minister moeten. Hoe kun je een beter stelsel voor ondersteuning van patiëntenorganisaties maken dan wij nu hebben?

Er is ook gevraagd of ik bereid ben om het gesprek met de Rekenkamer aan te gaan over het verder vormgeven aan de Baseline informatiebeveiliging rijksdiensten. Wij nemen de uitnodiging van de Rekenkamer om binnenkort te spreken over maatregelen die VWS dit jaar neemt voor de versterking van de informatiebeveiliging graag aan, omdat informatiebeveiliging ongelofelijk belangrijk is, ook voor ons ministerie, maar dat hoef ik gezien de recente ontwikkelingen niet te zeggen.

Er is ook gevraagd of ik het rapport van de Auditdienst Rijk dat de sturing groeit in volwassenheid op internet wil publiceren. Dit rapport bevat enkele passages die ingaan op beveiligingsmaatregelen en risico's. Ik zou niet nodeloos kwetsbaarheden willen oproepen. Daarom heb ik ervoor gekozen om niet te publiceren voordat wij deze hebben opgelost. Wij zullen later publicatie overwegen, in afstemming met de ADR. We gaan natuurlijk nu niet onze kwetsbaarheden op internet zetten.

Er is ook gevraagd of ik advies wil vragen aan de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) en de Algemene Rekenkamer over grip op de informatievoorziening. Dat zal de Kamer moeten bespreken. Ik vind het prima om advies te vragen. Dat is geen enkel probleem wat ons betreft.

De voorzitter:

Mevrouw Keijzer heeft hierover een vraag.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik begrijp dat het antwoord van de Minister op mijn vraag of het samenvattend auditrapport openbaar gemaakt mag worden, is: nee, dat doe ik niet, omdat daar informatie in zit die ...

Minister Schippers:

Nee, dat is een ander rapport. Dit ging over de vraag van mevrouw Bergkamp.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dan wacht ik nog even.

Minister Schippers:

Mevrouw Keijzer vroeg naar het auditrapport. Zij heeft gelijk. Dit is per abuis niet gebeurd, maar wij zullen dat zo snel mogelijk herstellen. Er was een wisseling van personeel en dan gaan er weleens dingen mis, maar dat is totaal oninteressant voor haar. Excuses daarvoor. Wij zullen die fout zo snel mogelijk herstellen.

Mevrouw Keijzer ging in op een van de kernpunten in de beleidsagenda, namelijk dat wij willen dat mensen verbetering in de zorg echt gaan merken. Zij vroeg of dat is gelukt. Ik was hierop al ingegaan in reactie op vragen van mevrouw Ellemeet en mevrouw Hermans. Ik eindigde met te zeggen dat ik vind dat dit bij de wachtlijsten niet is gelukt. Om die reden zal ik mijn uiterste best doen om de hoofdlijnenakkoorden met de ggz en het deelakkoord over de wachtlijsten niet voor het zomerreces, want dat zou volgende week zijn, maar de week daarna, dus voor de laatste ministerraad, te herstellen.

Kunnen we veel scherper in beeld brengen enerzijds het gevolg van min of meer technische oorzaken, zoals loonbijstelling, budgetoverhevelingen en herschikkingen, en anderzijds de dan nog resterende onverwachte mee- en tegenvallers op apparaatsbudgetten? Bij mijn antwoorden op vragen over de eerste suppletoire begroting 2017 heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd over de oorzaken van mutaties op de apparaatsbudgetten. Ik ben bereid om ook bij het jaarverslag uitgebreider toe te lichten welk deel van de mutaties een technische oorzaak heeft en welk deel meer uit mee- en tegenvallers op de apparaatsbudgetten bestaat. Naast enkele grote technische mutaties betreft dit vaak tientallen kleinere mee- of tegenvallers die bij elkaar opgeteld tot een aanpassing leiden. Grotere, structurele intensiveringen worden al toegelicht, maar zal ik in de toekomst explicieter onderscheiden van mutaties met een technische oorzaak.

De wijzigingen op de materiële uitgaven betreffen grotendeels mutaties met technische oorzaken. Deze worden met name veroorzaakt door uitgaven aan de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek terrein (PD ALT), namelijk 17,4 miljoen euro. De uitgaven voor de tijdelijke projectdirectie PD ALT zijn in de oorspronkelijke begroting niet begroot op de apparaatsuitgaven. Verder vallen de uitgaven voor de bijdrage aan de shared service organisaties (SSO's) met 12,2 miljoen hoger uit dan in de ontwerpbegroting geraamd. Hier tegenover staan ontvangsten van concernorganisaties die gebruikmaken van de dienstverlening van de shared service organisaties. Ook op het personele vlak zijn de uitgaven voor de tijdelijke projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek terrein in de oorspronkelijke begroting niet begroot op de apparaatsuitgaven. Bij de eerste suppletoire wet heeft hiervoor een ophoging plaatsgevonden van 12,2 miljoen. Ook zijn bij deze wet middelen beschikbaar gekomen die samenhangen met het in 2015 gesloten cao-akkoord voor de rijksdienst van 6,2 miljoen.

In het voorjaar 2016 zijn aan de begroting ook middelen toegevoegd voor een gerichte intensivering van 2 miljoen euro op het CIO-office en de informatiefunctie binnen VWS. Hierdoor kon er op het gebied van de informatiefunctie beter invulling worden gegeven aan de ondersteuning van beleidsontwikkeling. Daarnaast zijn de uitgaven voor Caribisch Nederland incidenteel 1,4 miljoen hoger door de lage wisselkoers van de euro. Er zijn extra middelen toegekend voor het verlengen van de inzet op fraudebestrijding en rechtmatige zorg. Ook is er voor een periode van een paar jaar een inzet van 6,8 miljoen op enkele ICT-projecten. Daarnaast hebben zich tientallen kleine mutaties voorgedaan op het instrument personele uitgaven, zowel mee- als tegenvallers. Zoals gezegd zal ik dat volgend jaar in het jaarverslag anders doen.

Mevrouw Marijnissen vroeg hoe ik kijk naar de begroting voor 2018. Een demissionair kabinet maakt over het algemeen een beleidsarme begroting, maar toch is het zo, dat je, hoe langer je zit, vindt dat je bepaalde dingen zou moeten doen. Ik heb de wachtlijsten genoemd. Dat is één. Een tweede is de hulp aan donorkinderen die op zoek zijn naar hun vader. Waar kun je die helpen en waar niet? Ik heb een overleg gehad met hen. Wat wij nu met elkaar hebben afgesproken, kunnen wij nog allemaal doen met wat we nog ter beschikking hebben. Maar als het langer duurt en je dichter bij de begroting komt, zijn er misschien ook wel besluiten die je toch gaat voorleggen aan de Kamer. Natuurlijk zijn we ons heel erg bewust van onze demissionaire status, maar soms kunnen problemen zich voordoen waar je toch over moet praten in de ministerraad. Het donording is niet geschikt voor de ministerraad, want dat zijn bedragen waar de ministerraad niet over spreekt. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat er bedragen zijn waar de ministerraad wel over spreekt. Mevrouw Marijnissen noemde zelf al het kwaliteitskader. Dat zijn bedragen waarover VWS natuurlijk niet in zijn eentje kan bestemmen. Daarover moet de ministerraad besluiten. De begroting voor 2018 zal altijd wel een beleidsarm idee krijgen, omdat het ook raar is om een begroting te maken en vervolgens te zeggen: hier is het departement en daar zitten allerlei beleidskeuzes aan vast. Het is dus een beetje zoals lopen over een evenwichtsbalk.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Ik denk dat ik die worsteling goed begrijp. Ik had wel een concrete vraag gesteld over het extra geld oftewel het minder bezuinigen. Gisteren is aangekondigd dat dat 170 miljoen voor de wijkverpleging zal zijn. Bovendien is er nog voor die 100 miljoen aangekondigd dat er 200 miljoen voor de verpleeghuizen zal zijn. VWS kondigt zulke zaken nu nog aan. Wat betekent dat voor de komende periode? Hoe wordt dat precies ingezet? Kan de Minister daar iets over zeggen?

Mijn tweede vraag ligt in het verlengde hiervan en gaat over die 100 miljoen en die 200 miljoen voor de verpleeghuizen. Mevrouw Bergkamp – ik geloof dat zij het was; het was in ieder geval een van mijn gewaardeerde collega's – heeft in dit verband ook een vraag gesteld over het kwaliteitskader. Hoe verhoudt het zich tot elkaar, want er is toch eigenlijk 2 miljard noodzakelijk? Wij denken dat dit los van het kwaliteitskader sowieso het geval is. Hoe denkt de Minister dat de zaken zich tot elkaar verhouden? Aan de ene kant heeft de Minister een demissionaire status en zegt zij terecht dat ze een bepaalde mate van terughoudendheid betracht. Aan de andere kant is ten eerste de urgentie enorm, ten tweede ligt er kennelijk een juridische basis en ten derde is het volgens mij ook gewoon heel erg wenselijk dat er volop meer geïnvesteerd wordt in het verbeteren van de verpleeghuiszorg.

Minister Schippers:

De Staatssecretaris zal straks inhoudelijk terugkomen op de inzet en de middelen voor de wijkverpleegkundigen. Als grote bedragen een plek vinden in een begroting gebeurt dit, voor zover nodig, soms in overleg met de formatiepartijen, zodat je elkaar niet voor verrassingen stelt. Bovendien kunnen er juridische verplichtingen zijn waarvan je zegt: wij zullen de eerste stap zetten, maar wij laten aan onze opvolgers over welke tweede en derde stap gezet worden. Ook daar is het dus over een evenwichtsbalk lopen. Sommige dingen vloeien voort uit het beleid dat je al ingezet hebt. Dan kun je de volgende stap ook nemen, omdat dat beleid al goedgekeurd is door de Kamer. Maar hoe hoger de bedragen worden, hoe ingewikkelder het wordt. Het is zo dat je in de begroting 2018 in ieder geval een stap zult moeten zetten als je ergens een juridische verplichting hebt, maar dan doe je niets nieuws of geks. En de voortgang daarvan zal door anderen besloten worden.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Even voor de helderheid. Aan de ene kant hoor ik de Minister zeggen dat er vanuit het kwaliteitskader een bepaalde juridische verplichting is om die 2 miljard ter beschikking te stellen. Aan de andere kant hoor ik haar ook zeggen dat ze nu niet zomaar heel grote bedragen op tafel gaat leggen, omdat dat raar zou zijn. Ik hoor haar zeggen dat ze een soort van eerste stap gaat zetten. Kan zij nader verklaren wat dan die eerste stap is en wat wij mogen verwachten?

Minister Schippers:

De Staatssecretaris zal daar zo verder op ingaan. De allereerste stap heeft de Staatssecretaris al gezet, ook in overleg met de Kamer. Dat is publiek. Bovendien zal bekeken worden wat dit kabinet doet voor 2018 in het kader van de juridische verplichtingen of besluiten daaromtrent en wat het overlaat aan een volgend kabinet. Dit is allemaal heel ingewikkeld. Het is zaak dat er snel een nieuw kabinet komt dat weer missionair beleid kan maken. Ik ben van mening dat dat belangrijk is.

Dan kom ik op de Q-koorts. Ik dank mevrouw Arissen hartelijk voor de bijlage. Die had ik zelf uiteraard al gezien en ik heb daar ook een reactie op gegeven die weergeeft dat wij betreuren dat dit heeft plaatsgevonden. Hoe groot de impact van de Q-koorts is geweest op patiënten en hun naasten, heb ik in de afgelopen zeven jaar gevolgd. De Q-koortscrisis en -uitbraak vonden in 2009 plaats. Toen was ik nog geen Minister, maar ik heb die gedurende mijn hele ministersperiode kunnen volgen. Ik ben ook de hele tijd in gesprek geweest met patiënten. Wij hebben vanuit onze zorg van harte de Stichting Q-support opgericht. Ik vind het heel belangrijk dat wij kennis en expertise kunnen leveren via Q-support en mensen kunnen begeleiden om hun leven weer op te pakken en vorm te geven. Het is zo dat er in de campagne inderdaad uitspraken zijn gedaan. Ik zal de Kamer in ieder geval voor het zomerreces een voortgang doen toekomen op Q-koortsterrein en – beleid. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen. Ik heb dat gisteren al in het algemeen overleg over pakketbeheer gezegd. Dit is ook een ministerraadsbesluit, maar dat komt in ieder geval voor het zomerreces naar de Kamer.

De voorzitter:

Dat waren de vragen die aan de Minister zijn gesteld. Is er iets blijven liggen? Ikzelf dacht dat wellicht de preventievraag van mevrouw Bergkamp is blijven liggen: 0,8 preventie, 92% genezing.

Minister Schippers:

Het is niet zo dat alles wat je aan preventie doet, collectief betaald wordt. Gelukkig, zo zou ik willen zeggen. Wat ontzettend belangrijk is om ziekte te voorkomen, is gezond eten. Maar eten is natuurlijk geen onderdeel van een zorgverzekeringspakket. Wij hebben wel beleid op voedsel, bijvoorbeeld om voedselproducenten producten met minder zout, minder verzadigde vetten en minder suikers te laten produceren. Bewegen is ontzettend belangrijk om gezond te blijven. Heel veel mensen zijn lid van een sportclub en betalen dat zelf. Dat zie je als je de cijfers vergelijkt en dat soort bedragen buiten beschouwing laat. In de sportbegroting zijn dit natuurlijk peanuts als je bekijkt wat gemeenten en provincies vaak betalen aan sportinfrastructuur. Heel veel wat preventie betreft kun je niet vergelijken met de vraag: als iemand een hartinfarct heeft, gaan we die dan oplappen of niet? Ik hoor dit heel vaak en vind die vergelijking niet terecht. Als je kijkt naar ons terrein, vind ik wel dat wij over tien jaar veel meer zitten op voorkomen, dus preventie, terwijl wij nu op genezen zitten. Ik denk dat wij die analyse wel delen. Door technologie kunnen wij veel meer op dat eerste stuk gaan zitten. Het belang daarvan zal ook groeien. Maar wij hebben niet voor niets het programma Alles is gezondheid dat van onderop gedragen wordt. Mensen pakken dat lokaal en regionaal op. Een ongelofelijke hoeveelheid mensen is actief op dat terrein. Dat kun je niet vertalen naar een vergelijking over hoe belangrijk je iets vindt.

De voorzitter:

Een korte vervolgvraag wellicht?

Mevrouw Bergkamp (D66):

Dit is mijn eerste interruptie. Ik kan mij dat heel goed voorstellen. Mijn vraag was niet inhoudelijk, maar meer financieel. Ik kijk naar de balans, dus naar wat wij investeren in preventie. Zouden wij daar wellicht wat meer effort in moeten stoppen? Dat was eigenlijk mijn vraag. Ik had bovendien gevraagd waarom privacy ontbreekt in het verantwoordingsonderzoek.

Minister Schippers:

Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om veel in te zetten op preventie. Je ziet daar minder van in het jaarverslag, omdat wij de Kamer tussentijds het preventieplan en voortgangsrapportages sturen. Daarin is te lezen dat de activiteit op preventiegebied alleen maar hoger aan het worden is. Er is een subsidieregeling ingesteld waarin gemeenten aan de ene kant en verzekeraars aan de andere kant verantwoordelijkheid dragen. Als ze iets niet doen, omdat dat een onrendabele kop heeft – dat zijn wij in het land vaak tegengekomen – kan VWS bekijken of die onrendabele koppen niet voor die rekening genomen kunnen worden. Wij hebben de JOGG-projecten, de Gezonde School, de buurtsportcoach en allerlei andere projecten. In de debatten over preventie krijgt de Kamer een verslag over hoe het daarmee staat. Ik ben het helemaal met u eens dat dit van belang is en ik denk dat de focus daar de komende tien jaar ook naar zal verschuiven.

Ik heb van mijn ambtenaren nu een aantal antwoorden gekregen op vragen die ik nog niet had beantwoord, maar die wel aan mij gesteld waren. Het antwoord op de vraag over de privacy zit er nog niet bij.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik zal de vraag heel kort stellen. Waarom ontbreekt in het verantwoordingsonderzoek het onderwerp «privacy»? Daar is heel veel effort in gestopt. Er zijn ook heel veel koerswijzigingen vanuit de Kamer geweest. Dit is een onderwerp dat maatschappelijk belangrijk is en toch vind ik het niet terug in het verantwoordingsonderzoek.

Minister Schippers:

Dat is een keuze. Wat zet je in het jaarverslag en wat niet? Ik denk dat privacy ten aanzien van medische gegevens enorm belangrijk is. Daar wordt niet alleen veel effort in gestopt, maar daar hebben wij ook veel nieuwe wetten over aangenomen. Wij willen de Autoriteit Persoonsgegevens versterken. Daar zit het hem precies. Ga je apart in debat met brieven of zet je dat in het jaarverslag? Als de Kamer de behoefte heeft om dat niet alleen in brieven te lezen, maar ook in het jaarverslag, moeten wij het daar met elkaar over hebben, zodat we dat op een andere manier doen.

Ik kom nog even op de vragen van mevrouw Ellemeet. Er is een convenant tussen Zorgverzekeraars Nederland en de NVVK, de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren. Dat is gericht op minnelijke schuldregelingen voor de verzekeringnemer. Gebruik van deze regeling leidt tot afmelding van de verzekeringnemer en beëindiging van de bestuursrechtelijke premie. Dat geldt dus voor iedere schuldregeling van het convenant. Hiermee heb ik antwoord gegeven op de vraag waarvan ik eerder zei dat ik er nog op terug zou komen. Het gaat dus niet alleen over een bepaald schuldhulpverleningstraject, maar over ieder traject. De verzekeraar heeft daar dus echt ruimte in.

Mevrouw Keijzer vroeg of er zicht is op de regionale sectorplannen en op het landelijk sectorplan zorg? Sociale zaken doet niets sectorspecifieks. VWS heeft geen separate evaluatie ingesteld, maar daar is wel publieke informatie over. Wij weten dat er met deze plannen een grote bijdrage is geleverd aan het verminderen van dreigende tekorten op de arbeidsmarkt. 68.000 scholingstrajecten zijn grotendeels afgerond: 3.200 mobiliteitstrajecten, 7.000 studieadviezen, 50.000 medewerkers doen mee aan een competentiescholing, 1.000 medewerkers zijn opgeschoold naar hbo-v, 3.000 medewerkers zijn opgeschoold naar mbo-v en 5.000 naar verzorgende.

Mevrouw Agema had een vraag over het subsidiebeheer. In 2015 was het oordeel van de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer dat het op orde was. In 2016 ziet de Auditdienst Rijk een verbetering. De Algemene Rekenkamer zet vraagtekens bij onder andere staatssteun, en heeft dus geoordeeld: onvolkomenheid. In onze bestuurlijke reactie op dat rapport hebben wij tegen de Algemene Rekenkamer gezegd dat wij het daar niet mee eens zijn, maar dat wij wel alle aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zullen overnemen. Is er afgelopen jaar nou vordering gemaakt? ADR en VWS zeggen ja op die vraag en de Algemene Rekenkamer zegt nee. Wij nemen alle aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer over. Het is belangrijk dat wij met de Algemene Rekenkamer goed van gedachten wisselen over de vraag waarom dat verschil er is. Wij hebben de Algemene Rekenkamer ook gevraagd om aan te geven waarom zij tot dat oordeel komt. Dat hebben wij niet gehoord. In augustus en september hebben wij nader ambtelijk overleg hierover, omdat het voor ons heel belangrijk is om te begrijpen waar dat oordeel op gesteund is, want dan weten wij waar wij op moeten sturen. Uiteindelijk gaat het over het beheer en niet over rechtmatigheid. De Algemene Rekenkamer heeft geen oordeel over de rechtmatigheid, maar over het beheer. Wij voeren overigens een strikt sanctiebeleid en hebben een departementaal M&O-register voor de registratie van ernstige onregelmatigheden. Belastinggeld moet immers rechtmatig worden uitgegeven. Daar zijn mevrouw Agema en ik het volledig over eens. Wij voeren overigens een strikt sanctiebeleid. Wij hebben een departementaal M&O-register (misbruik en oneigenlijk gebruik) voor de registratie van ernstige onregelmatigheden, omdat belastinggeld rechtmatig moet worden uitgegeven. Daar zijn mevrouw Agema en ik het volledig over eens.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de Staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn. Excuus, mevrouw Agema heeft nog een vraag aan de Minister.

Mevrouw Agema (PVV):

Niet over dat laatste punt, want de Algemene Rekenkamer had het dus over 40% niet-rechtmatige uitbetalingen bij het pgb. Daar was een vraag over gesteld in de vragenronde en het antwoord daarop was: ja, maar dat is geen fraude. Daar had ik de opmerking bij geplaatst: niet-rechtmatig is niet oké. Het ministerie kan daar natuurlijk nooit mee akkoord gaan als premiegeld en belastinggeld onvrijwillig worden afgedragen. Dat was mijn punt. Ik bedank de Minister voor het uitgebreide antwoord.

Bij mij was nog de vraag blijven liggen over de gedaalde levensverwachting, waar we het al eerder even over hebben gehad. Ik vond dat eigenlijk het opmerkelijkste punt dat ik in het jaarverslag heb gelezen. Net was er al een interruptiedebat met mevrouw Bergkamp over preventie, maar ik ben eigenlijk heel benieuwd hoe het nou komt en of de Minister en de Staatssecretaris voornemens zijn om op te helderen hoe het kan dat de levensverwachting van ons allemaal terugloopt, ook omdat dit op andere terreinen een van de mantra's is, bijvoorbeeld dat we met zijn allen langer moeten doorwerken als we langer leven. Ik vind dit dus zorgelijk. Ik wil ook weten hoe het komt. Ik had daar graag wat meer informatie over gekregen dan alleen maar de tabel, die ik toch eigenlijk het opmerkelijkste stuk in de stukken vond.

Minister Schippers:

Over het eerste deel: ik had het inderdaad over subsidie en mevrouw Agema over pgb. Dat was dus een staaltje van miscommunicatie.

Het antwoord op de vraag over de levensverwachting kan ik niet zo even uit mijn mouw schudden. Ik zal dus een brief schrijven waarin ik hier nader op inga, zodat wij de Kamer informatie kunnen geven in plaats van dat ik een beetje gis- en gokwerk ga doen. Dat zeg ik mevrouw Agema dus graag toe.

Mevrouw Agema (PVV):

Wanneer?

Minister Schippers:

Voor de start van de nieuwe Kamerperiode zal ik daarover een brief sturen. Overigens publiceert het RIVM volgende week de scenario's voor de toekomst. Daarin krijgen we te horen wat er bij ongewijzigd beleid zou gebeuren met de levensverwachting en allerlei andere dingen. Die scenario's gaan natuurlijk allemaal nooit gebeuren, omdat er altijd een Minister zal zijn die wel beleid voert. Het RIVM publiceert die volgende week en het is misschien interessant om daar de aandacht van de Kamer op te vestigen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Er zijn een aantal vragen aan mij gesteld. De heer Rutte zei: alle veranderingen zijn weliswaar noodzakelijk maar brengen ook onrust en onzekerheid met zich mee, met name bij het vinden van de goede weg. Ik onderschrijf dat zeer. Dat is ook precies de reden waarom we een aantal initiatieven hebben genomen en al onderweg zijn om ervoor te zorgen dat die weg beter gevonden kan worden. Ik heb de Kamer een brief gestuurd over hoe we de cliëntondersteuning verder kunnen versterken. We zijn met de VNG bezig om de informatievoorziening aan cliënten te verbeteren. Ik ben met de LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging) en de VNG bezig om te bekijken of we in elke gemeente voor goede afspraken kunnen zorgen tussen huisartsen en gemeente, bijvoorbeeld om te weten hoe de weg gewezen kan worden. Ik wijs ook op de toenemende rol van de wijkverpleegkundigen, die steeds meer als een spin in het web een heel goede rol kunnen spelen. Die inspanningen moeten we inderdaad voortzetten.

De heer Rutte vroeg of we de pgb's goed hebben geëvalueerd. Nou, me dunkt! We hebben twee rapporten van de Rekenkamer, die met name gericht zijn op de evaluatie, en een rapport van de Ombudsman. Daar hebben we lessen uit getrokken. Als de portal er straks is, is het van belang dat we die lessons learned expliciet benoemen en bekijken of we daar bij het invoeren van de portal voldoende rekening mee houden. Als we dat aan de Kamer doen toekomen, lijkt het me goed dat we nog eens even expliciet aandacht geven aan de lessons learned en bekijken of die voldoende worden gevolgd bij de verdere implementatie van de portal.

De heer Rutte stelde een vraag over zijn motie (29 689, nr. 735) over de financiële verhouding tussen de verschillende domeinen. Op 21 april heb ik daar in de voortgangsrapportage Wmo aandacht aan gegeven. Het CBS heeft aangegeven dat rond de zomer een eerste tabel verwacht wordt, waarin we kunnen aangeven wat er precies gebeurt in de verschillende domeinen. Die tabel zal gaan over de cijfers van 2015. Begin 2018 komen de cijfers van 2016 erbij en wordt het nog verder aangevuld. We proberen de motie-Rutte dus te vertalen in een eenduidige CBS-tabel, waarin we stelselmatig kunnen volgen wat er gebeurt met de financiële stromen in de verschillende domeinen, zodat we kunnen volgen of daar plussen en minnen in zitten en wat oneigenlijk en eigenlijk is; de heer Rutte gebruikte de term «onnodige afwenteling». Dat zal dus de opvolging zijn van de motie die de heer Rutte daarover heeft ingediend. Ik hecht daar zelfs overigens ook aan, niet alleen maar voor één jaartje maar om dat de komende periode structureel te gaan volgen.

De heer Arno Rutte (VVD):

Het is heel goed dat dat structureel een plek gaat krijgen en dat we gaan zien hoe de zorgdomeinen zich in het algemeen ontwikkelen en of er afgeschoven wordt of niet, maar mijn motie doelde op net iets anders. Vektis is de enige organisatie in Nederland die alle financiële kengetallen over de zorg heeft, ze ook op gemeenteniveau inzichtelijk kan maken en een trend over jaren kan laten zien. Ik heb daar ooit een presentatie van gehad bij Vektis. Toen viel gewoon op dat ze kan zien of er onverklaarbare verschillen – er zijn namelijk ook verklaarbare verschillen – zijn op gemeenteniveau. Als die er zijn, kan dat een aanwijzing zijn dat er op gemeenteniveau onrechtmatig wordt afgeschoven. Dat is dan een reden om op te treden. Ik vind het dus heel interessant als wij een soort overallrapportage krijgen met geaggregeerde kengetallen, maar de motie gaat erover dat we bijna op postcodegebied kunnen zien of er rare afschuivingseffecten zijn. Ik vraag de Staatssecretaris om dat alsnog te doen. Dat staat ook heel nadrukkelijk in de motie.

Staatssecretaris Van Rijn:

Even uit het hoofd: ik ga ervan uit dat met name de informatie per gemeente ook in de CBS-cijfers zichtbaar wordt. Het CBS zal gebruikmaken van de Vektiscijfers daar waar dat aan de orde is, maar ik zal dat op uw aandringen nog eens even verifiëren.

Ik was eerlijk gezegd een beetje verbaasd over de vraag van mevrouw Ellemeet. Zij vroeg: zijn de extra middelen voor de verpleeghuiszorg en de discussie over het kwaliteitskader nou eigenlijk wel een politiek besluit? Ik wijs erop dat er een Kamerbrede motie is ingediend waarin gevraagd wordt om met een kwaliteitskader te komen dat juridisch afdwingbaar en handhaafbaar is. Vervolgens constateer ik dat er een Kamerbrede motie is ingediend over het manifest van Carin Gaemers en Hugo Borst en dat daar in alle verkiezingsprogramma's aandacht is besteed, niet in de laatste plaats in het verkiezingsprogramma van GroenLinks. Vervolgens is ook Kamerbreed gevraagd om de financiële impact daarvan in kaart te laten brengen door de Nederlandse Zorgautoriteit. Dat is gebeurd. Zoals de Kamer weet, is het systeem van de zorg dat we, op het moment dat er een kwaliteitskader ligt, de NZa moeten vragen om dat in tarieven te vertalen. Dat is nu gaande, maar de Kamer heeft op verzoek een eerste impactanalyse van de NZa gekregen. Daarover heb ik een brief gestuurd waarin ik zeg: dit is de eerste impactanalyse; let op, dit wordt nu vertaald in tarieven en dat leidt tot juridische consequenties, zoals het systeem werkt.

Overigens is dat natuurlijk niet in beton gegoten, want er zijn nog allerlei keuzes mogelijk in het tempo en de tijd. Hoe snel kun je ervoor zorgen dat middelen beschikbaar komen? Hoe kun je ze zo doelmatig mogelijk aanwenden? Dat is tegelijkertijd een antwoord op de vraag die ook mevrouw Marijnissen heeft gesteld. Wij van onze kant zullen natuurlijk bekijken wat we wel en niet alvast kunnen doen in de begroting voor 2018. Dat is de balans die de Minister aangaf: enerzijds dingen doen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het pad in gang wordt gezet, anderzijds voldoende ruimte laten voor het nieuwe kabinet om op dat punt de keuzes te maken die nog gemaakt moeten worden.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik vind dit antwoord heel vaag. We kennen allemaal het bedrag van 2,1 miljard euro en de 40.000 extra handen aan het bed. In de Voorjaarsnota wordt 200 miljoen bijgeplust – dat lezen we ook in het jaarverslag – maar voor de rest is er nog geen enkel initiatief om tot die 2,1 miljard te komen en zo op de bezettingsnorm uit te komen. Ik vind het antwoord van de Staatssecretaris dus heel vaag. Hij zegt dat we nu moeten doorgaan met de implementatie van het kwaliteitskader. Daar staat dus 2,1 miljard euro voor. Dan is mijn vraag: wanneer wordt dat dan echt toegevoegd? Als het een juridische verplichting is, wordt het dan in de begroting voor volgend jaar echt toegevoegd?

Staatssecretaris Van Rijn:

Er is al wat toegevoegd. De eerste stap is gezet in 2017, incidenteel.

Mevrouw Agema (PVV):

Dat is 200 miljoen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Daar hebben we structureel 100 miljoen aan toegevoegd. We zullen bij de begroting voor 2018 weer bekijken of het mogelijk is om nog verdere stappen te zetten. Ik wijs erop dat de discussie over het uiteindelijke bedrag nog niet is afgerond, omdat de NZa nu met het kostenonderzoek bezig is. Maar de impactanalyse ligt er wel. Dat betekent dat wij alvast zullen bekijken wat er mogelijk is voor de begroting voor 2018 om verdere stappen te zetten op weg naar de implementatie van het kwaliteitskader.

De voorzitter:

Mevrouw Agema, een vervolgvraag?

Mevrouw Agema (PVV):

Nee, voorzitter, want dit was net zo'n vaag antwoord.

De voorzitter:

Mevrouw Marijnissen had een vraag, en daarna mevrouw Bergkamp.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Sorry?

De voorzitter:

Mevrouw Bergkamp heeft na u een vraag.

Mevrouw Marijnissen (SP):

O, ja. Ik wil daar nog even op doorgaan. Ik probeer de Staatssecretaris goed te begrijpen, maar aan de ene kant hoor ik hem zeggen dat er een juridische implicatie is, namelijk dat dat geld beschikbaar moet zijn, en aan de andere kant hoor ik hem, een beetje zoekende naar woorden, zeggen dat hij gaat bekijken wat er kan. Maar het is toch van tweeën een? De ene optie is dat het juridisch noodzakelijk is. Volgens mij is het ook politiek noodzakelijk; in zijn inleiding beschreef de Staatssecretaris dat meer dan terecht. Het was een enorm thema tijdens de verkiezingscampagne. We hebben Kamerbreed een manifest ondersteund. Volgens mij is iedereen het daarover eens. Nogmaals de vraag: wat betekent het concreet voor de begroting voor 2018? Dat vraag ik ook gezien de uitspraak van informateur Zalm gisteren, namelijk dat de begroting voor 2018 waarschijnlijk gewoon aan dit kabinet zal zijn.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat zou dan een band scheppen, want dat is precies wat ik heb gezegd. Als dat zo is, zullen wij ter gelegenheid van de begroting voor 2018 bekijken wat kan en wat niet kan. Ik wijs er overigens op dat de implementatie van het kwaliteitskader, die 2 miljard, natuurlijk ook een tijdpad vergt. Om maar wat te noemen: als er extra personeel nodig is, is het niet zo dat in het komend jaar al het benodigde personeel voor de invoering van het hele kwaliteitskader zomaar even beschikbaar is. Er moet dus een tijdpad gemaakt worden. Dat zal elk kabinet moeten doen. Aangezien dit kabinet misschien de begroting voor 2018 moet maken, zullen wij dus ook in de begroting voor 2018 moeten bekijken wat wij noodzakelijk vinden gelet op de juridische consequenties van het kwaliteitskader, maar ook wat mogelijk is gelet op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt en wat dies meer zij. Maar ook dit kabinet zal dus voor de vraag staan wat het in 2018 kan doen op dat gebied.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Dank. Het wordt mij niet helemaal helder, maar dat zal ongetwijfeld aan mij liggen. Misschien lukt het met een wat concretere vraag over wat de eerste stap is. Die heeft de Staatssecretaris inderdaad gezet. Er is voor de verpleeghuizen eerst 100 miljoen en daarna 200 miljoen beschikbaar gesteld en gisteren hoorden we het bericht dat er 170 miljoen extra naar de wijkverpleging gaat. Kan de Staatssecretaris daar dan iets concreter over uitweiden? Wat betekent dat nu precies? Is dat per direct? Heeft dat gevolgen voor de begroting voor 2018? Is dat eenzelfde soort piepsysteem, zo noem ik het maar even, als bij de verpleeghuizen en gaat het extra minder bezuinigde geld als eerste naar daar waar het niet goed gaat? Of betekent dit een structurele ophoging van tarieven? Kan de Staatssecretaris daar iets meer over vertellen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Bij de wijkverpleging ligt het weer anders. Zoals de Kamer weet, hebben wij op diverse terreinen geprobeerd tussenakkoorden te sluiten – met de medisch specialistische zorg, de huisartsen en de wijkverpleging – om ervoor te zorgen dat enerzijds het ingezette pad ten aanzien van de extra beschikbaar gekomen middelen, die al eerder door het kabinet ter beschikking zijn gesteld, dus ook in 2018 de verdere vertaling krijgt, en anderzijds om op dat punt ook een aantal inhoudelijke en kwalitatieve afspraken te maken, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van het vak en over goede contractering, waarbij de NZa erop let dat de contractering zodanig plaatsvindt dat de wijkverpleegkundige zorg op een goede manier kan worden ingevuld. Dat is dus zeg maar het tussenakkoord voor 2018, dat gericht is op het verder doorzetten van de impuls die het kabinet al eerder heeft gegeven en een aantal inhoudelijke afspraken bevat, waardoor de contracteerruimte van zorgverzekeraars in dit geval weer stijgt en zodat ze daarover afspraken kunnen maken met de zorgaanbieders.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik heb geen vraag over de inhoud van het kwaliteitskader, maar wel over het proces. Ik vergelijk het met het vraagstuk van de ggz naar de Wlz. Daarover kregen we een brief, waarin werd gezegd: dit heeft grote financiële consequenties en we hebben het in verschillende stapjes opgeknipt. Er werd zelfs geconcludeerd dat het niet aan het demissionaire kabinet is om hier een besluit over te nemen. Bij het kwaliteitskader hebben we het over een bedrag van 2,2 miljard euro, waarvan de Staatssecretaris zegt: u had kunnen weten dat het kwaliteitskader tot juridische verplichtingen leidt. Daarover heb ik toch een vraag aan de Staatssecretaris. Wij krijgen de antwoorden op deze vragen volgens mij begin volgende week. Hoe heeft dat proces nou plaatsgevonden? We hebben discussies in de Kamer over heel kleine bedragen. We hebben het hier over 2,2 miljard. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: in hoeverre heeft hij ons meegenomen in de financiële consequenties van het kwaliteitskader?

Staatssecretaris Van Rijn:

Eigenlijk zo nauwgezet mogelijk, want de Kamer heeft eerst gevraagd: breng een juridisch afdwingbaar en handhaafbaar kwaliteitskader tot stand. Dat is dus gebeurd. Vervolgens heeft de Kamer gevraagd: breng de financiële consequenties daarvan in beeld. Toen heb ik tegen de Kamer gezegd: let op, er zijn twee soorten financiële consequenties, waarvan één de vertaling in tarieven betreft, die eigenlijk regulier moet plaatsvinden; dat is overigens een proces dat al liep bij de NZa en nog enige tijd doorloopt. De Kamer heeft toen gezegd: dat is wel mooi, maar wij willen eigenlijk eerder weten wat de financiële consequenties zijn, al is het dan maar een impactanalyse. Die impactanalyse heb ik de Kamer geleverd en ik heb ook aangegeven wat de orde van grootte daarvan is. Eigenlijk zijn al die stappen dus precies op verzoek van de Kamer gezet, zowel het juridisch afdwingbare kwaliteitskader als de financiële consequenties daarvan. Ik kan me nog herinneren dat mevrouw Bergkamp zelf vroeg om dat tot stand te brengen, omdat zij die informatie ter gelegenheid van de besluitvorming over de Voorjaarsnota, en waarschijnlijk ook voor de verkiezingsprogramma's, op tafel wilde hebben. Dat is dus precies gebeurd.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik ga er geen jij-bak van maken. Volgens mij hebben we als Kamer heel veel vragen daarover gesteld. Ik kan me zo voorstellen dat alle vragen dezelfde richting op gaan, namelijk: in hoeverre heeft de Staatssecretaris ons meegenomen in de financiële consequenties van het kwaliteitskader? Volgens mij is de indruk – ik kijk ook even naar mijn collega's – dat daar niet echt een heel duidelijk debat aan vooraf is gegaan en dat het besloten ligt in een aantal termen zoals «juridisch verplichtend kwaliteitskader». We gaan goed kijken naar de antwoorden die wij volgens mij maandag van de Staatssecretaris krijgen. Ik denk dat we elkaar daar nog over zullen spreken, maar ik vraag de Staatssecretaris wel om een reflectie hierop. Heeft hij, kijkend naar de vragen die wij gesteld hebben, nog steeds het idee dat hij de Kamer goed heeft meegenomen in de financiële consequenties van het kwaliteitskader? Voor ons is de verpleeghuiszorg natuurlijk belangrijk, maar je kunt je ook afvragen of je niet in brede zin moet gaan kijken naar de kwaliteit van de ouderenzorg thuis, die veel minder aandacht heeft gekregen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat klopt. Ook dat is overigens gebeurd. Zoals de Kamer heeft kunnen zien, heb ik ten eerste geprobeerd om antwoord te geven op de vraag om zo snel mogelijk te komen met een kwaliteitskader dat juridisch handhaafbaar is. Dat is op verzoek van de Kamer gebeurd. Ten tweede heeft de Kamer gevraagd om haar daarbij ook de financiële impact te geven: zou ik dat alvast kunnen vragen aan de Zorgautoriteit, zodat de Kamer weet wat de tariefconsequenties zijn? Dat is ook gebeurd. Ten derde heeft de Kamer in mijn brief kunnen lezen dat dit de eerste financiële impactanalyse is waarvoor de Zorgautoriteit nog echt de tariefconsequenties moet vaststellen. Laten we dus vooral niet alleen maar kijken naar de verpleeghuiszorg maar naar de verpleegzorg. Zo kunnen we ook een relatie aanbrengen, misschien niet op korte termijn maar in ieder geval wel op middellange, tussen wat nodig is in de instellingszorg en wat nodig is in bijvoorbeeld de wijkverpleging. Dat moet in samenhang worden bekeken. Ik ben er een zeer sterk voorstander van dat we niet alleen maar kijken, bijna in de klassieke zin, naar wat de extra kosten van het kwaliteitskader zouden zijn voor de instellingen, maar dat we vooral kijken naar de verpleegzorg. Daarbij kun je ook andere keuzes maken in wat moet plaatsvinden in de instelling en wat ook kan plaatsvinden in de thuissituatie. In mijn brief heb ik aangegeven dat je dat inderdaad in samenhang moet bekijken. Het klopt dat hier veel vragen over zijn gesteld. De antwoorden zullen zeer snel naar de Kamer komen.

De voorzitter:

Ik wil de Kamer voorleggen dat indien zij daarmee akkoord gaat, wij dit debat een halfuur langer zullen voeren. We halen het anders niet. Dan zouden we nu moeten stoppen en dat is, denk ik, niet goed want er zijn leden die nog moties willen indienen. De Minister heeft ook alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat zij tot 13.00 uur hier bij ons kan zijn.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik heb een punt van orde. Ik moet weg, want ik heb een volgende afspraak. Gezien het feit dat mijn bijdrage maar drie minuten bedroeg, heb ik daarin geen dank gezegd aan mijn collega's en de rapporteurs, noch aan de bewindspersonen, voor wie het waarschijnlijk de laatste keer hier is. Ik dank hen dus bij dezen. Dat is wel op zijn plaats.

De voorzitter:

Dank u wel. De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Van Rijn:

Mevrouw Bergkamp vroeg om extra aandacht te besteden aan de administratieve lasten. Zij voorspelde dat dit een focusonderwerp zou kunnen worden. Ik ben het zeer met haar eens; dit is een van de grootste uitdagingen die we krijgen. Ik heb er al diverse brieven aan de Kamer over geschreven. Dit onderwerp is een veelkoppig monster en zal dat blijven. We zullen er zeer veel aandacht aan moeten besteden de komende periode.

Ik kom op de stand van zaken ten aanzien van de governance van de pgb's. In mijn brief van 1 juni heb ik geschreven dat we voornemens zijn om daar een zbo voor op te richten. Dat wordt nu uitgewerkt. Ik verwacht dat na de zomer, ergens in oktober, daarover nadere informatie naar de Kamer zal kunnen gaan. Aan de hand daarvan kunnen we bekijken of het voldoende tegemoetkomt aan de lessons learned. De heer Rutte vroeg daarnaar.

Mevrouw Bergkamp maakte nog een opmerking over vacatures en arbeidsmarkt in de zorg. Ik denk dat dat ook zeer terecht is. We zijn nu met alle sectoren bezig om de toekomstverwachtingen en de personeelsbehoeften in beeld te brengen. Laten we een beetje opletten dat niet alle sectoren tegenover elkaar gaan staan in de komende concurrentie op de arbeidsmarkt. We doen daarom een aantal dingen. Ten eerste betekent het dat we met alle sectoren praten over de vraag of er niet een meer sectorgewijs arbeidsmarktbeleid gevoerd zou moeten worden, zodat er meer een samenwerkingsmodel is dan een concurrentiemodel als het gaat om de vraag op de arbeidsmarkt. Dit wordt overigens steeds meer onderschreven. Ten tweede willen we de verbindingen tussen de zorgaanbieders en de opleidingsinstituten veel hechter maken. Die vinden nu soms nog iets te veel naast elkaar plaats. Nu worden studenten pas later geconfronteerd met de werkelijkheid en denken dan soms: goh, dit is aardiger dan ik dacht. We willen bekijken of we dat proces kunnen vervroegen. Mevrouw Bergkamp gaf in dit kader zelf het voorbeeld dat je in opleiding bent, denkt dat je in het ziekenhuis wilt gaan werken, maar pas als je stage loopt, ontdekt wat je echt wilt. Door het vervroegen van dit proces kunnen we mensen eerder een reëel perspectief bieden en laten zien wat het werk inhoudt. Zo kan er een reële keuze gemaakt worden. Kortom, veel meer aandacht voor arbeidsmarkt- en personeelsbeleid. Met name geldt dit ook voor het zittende personeel, zeg ik erbij, want gelet op de werkdruk en het ziekteverzuim kan daar nog een slag gemaakt worden. Het zal onze grote aandacht vergen.

Op de vragen van mevrouw Keijzer over de pgb-voortgangsrapportage heb ik al geantwoord in de beantwoording van de vragen van mevrouw Bergkamp.

Mevrouw Agema noemde nog even allerlei signalen over de kwaliteit van de verpleeghuiszorg. Ik denk dat we met het kwaliteitskader dat we nu hebben, een ankerpunt hebben dat we in tientallen jaren niet hebben gehad. Dat heeft consequenties voor wat je mag verwachten in een verpleeghuis, maar ook voor hoe het toezicht verder verscherpt zou moeten worden en meer moet worden ingericht door de ogen van de bewoners. Ook heeft het consequenties voor de opleidingen. Ik denk dus dat we met het kwaliteitskader een steviger idee hebben van wat je wel of niet mag verwachten, niet alleen van de zorgaanbieders maar ook van het toezicht en van wat dat betekent voor de toekomst van het vak. Ik wijs erop dat het nog lang niet klaar is. We zien dat er steeds complexere zorgvragen in verpleeghuizen komen omdat mensen daar op latere leeftijd terechtkomen en dan ook meer en complexere zorgvragen hebben. We zullen dus antwoord moeten geven op de vraag hoe we aan die toegenomen en veranderde zorgvraag tegemoet moeten komen. Aan de andere kant gaat het niet alleen om de zorg, maar ook om welzijn en wonen. Ook daar zullen we meer aandacht aan moeten geven.

De voorzitter:

U hebt nog één deel, mevrouw Agema. Dat andere was een herinnering van een vraag. U kunt uw vraag dus nog stellen.

Mevrouw Agema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. De Staatssecretaris zegt in antwoord op alle feiten die mevrouw Agema aandraagt over de kwaliteit van de verpleeghuiszorg: ik heb nu mijn kwaliteitskader verpleeghuiszorg. Maar daar hadden we het eerder in een interruptiedebat al over. Er hangt een prijskaartje aan dat kader. Om de kwaliteit in de verpleeghuizen omhoog te krijgen, om ondervoeding terug te brengen en om doorligwonden, valpartijen, noem maar op, te voorkomen, heb je die 40.000 extra mensen nodig. De Staatssecretaris kan wel zeggen «ik heb een kwaliteitskader», maar hij heeft niet het budget voor de 40.000 mensen die extra nodig zijn. Er zijn er de afgelopen jaren juist 37.000 ontslagen. Deelt de Staatssecretaris dus mijn zorg dat het nog weleens helemaal mis zou kunnen gaan met de formatie als dat geld niet komt en hij in wezen dus met lege handen staat?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik heb in dit stadium geen oordeel of het wel of niet goed gaat met de formatie. Dat is echt aan de formerende partijen. Ik heb wel het idee dat alle informatie wat dit dossier betreft goed op tafel ligt, dat er een kwaliteitskader ligt, dat er een financiële-impactanalyse ligt en dat er duidelijke keuzes gemaakt kunnen worden. Wat dat betekent voor het tempo en de mogelijkheden is echt aan de formerende partijen en voor een deel misschien aan de begroting 2018, die wij nog moeten opstellen. Wij zullen doen wat mogelijk is en wat kan in de begroting 2018. De formerende partijen moeten kijken wat zij voor keuzes gaan maken. Als daar plannen voor zijn, zal mevrouw Agema ongetwijfeld met een oordeel daarover komen.

Mevrouw Marijnissen stelde een specifieke vraag over de decentralisatie en het budget. Het is evident dat als je decentraliseert en ook een financiële taakstelling hebt, het er niet gemakkelijker op wordt. Daar ben ik vanaf het begin zonneklaar over geweest. Aan de andere kant hadden we geen andere keuze kunnen maken, terugkijkend op de financieel-economische situatie van vier jaar geleden. We zaten financieel-economisch in nogal zwaar weer, en dat is zeer mild uitgedrukt. We moesten zowel de betaalbaarheid van de zorg voor de toekomst borgen als de zorg dichter bij de mensen brengen via decentralisatie. Ik wijs er overigens op dat die decentralisatie ook mogelijk maakt dat we de dingen daadwerkelijk anders organiseren. Niet iedereen een aparte vervoersregeling, maar lokaal bekijken wat er in de buurt georganiseerd kan worden. Kunnen we meer preventief werken in plaats van afwachten of de problemen groter worden? Hoe kunnen we wijkteams veel eerder inschakelen? Hoe kunnen we de overhead verder terugdringen? Ik denk dat zowel de decentralisatie als ook de financiële betaalbaarheid in de toekomst inderdaad ongelofelijk lastig en zwaar te verenigen waren. We hebben de afgelopen periode geprobeerd om daar zo goed mogelijk aan te werken.

De vraag over de begroting voor het komende jaar heb ik naar ik meen voldoende beantwoord, hoewel misschien niet voldoende naar de zin van sommigen.

De voorzitter:

Ik kijk naar de leden. Er is behoefte aan een tweede termijn. Ik geef de heer Rutte één minuut voor zijn inbreng. Ga uw gang.

De heer Arno Rutte (VVD):

Voorzitter. Dat kan ruim binnen die ene minuut. Veel dank aan beide bewindslieden voor het beantwoorden van de vragen. Ik ben zeer erkentelijk voor de toezeggingen van de Staatssecretaris om nu invulling te geven aan die motie. Wel krijg ik heel graag de zekerheid dat inderdaad het afschuiven ook echt op postcodeniveau ....ik bedoel op gemeentelijk niveau in zicht komt. Als dat helemaal gezekerd is, ben ik daar heel tevreden mee en laat ik het voor deze keer daarbij.

De voorzitter:

Dank u wel. Deze bijdrage kwam van de VVD-fractie, dat was ik eerder vergeten te zeggen. Het woord is nu aan mevrouw Ellemeet van GroenLinks.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Voorzitter. Ik wil het nog even kort hebben over de verpleeghuiszorg. Volgens mij is GroenLinks een van de weinige partijen geweest die echt het budget hebben gereserveerd om te investeren in de verpleeghuiszorg. Daar ging mijn vraag dus niet over. Mijn vraag ging over het proces. We hebben het hier ook over de leerfunctie gehad. Als we het even op de Kamer betrekken, zou je misschien kunnen zeggen dat wij in het debat heel erg gericht zijn geweest op de instellingen en dat we akkoord zijn gegaan met het juridisch bindende karakter van het kwaliteitskader. Dat neemt alsnog niet weg dat dit zo'n groot bedrag is, dat je je kunt afvragen of dit proces gegaan is zoals het had moeten gaan. Dat wilde ik daarover zeggen.

Dan kort de betaalbaarheid, vooral voor mensen met een complexe zorgvraag. De RVS heeft daar recent een rapport over uitgegeven. Deze stelt dat het stelsel van toeslagen te ingewikkeld is en te veel vraagt van de financiële discipline van de mensen om wie het gaat. De RVS adviseert daarom om de zorgtoeslag wel direct over te maken naar de zorgverzekeraars. Vandaar dat ik een motie daarover wil indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel mensen door het complexe toeslagensysteem van het Rijk het overzicht kwijtraken en daardoor geconfronteerd kunnen worden met onverwacht hoge boetes;

verzoekt de regering, de voor- en nadelen te onderzoeken van het direct overmaken van de zorgtoeslag aan de zorgverzekeraar waardoor de premie eventueel direct verlaagd kan worden, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

e voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellemeet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (34 725-XVI).

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Daarnaast hoorde ik de Minister in haar beantwoording ...

De voorzitter:

Geen inleiding als u nog meer moties hebt.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):

Ik heb nog meer moties. Dan ga ik meteen daartoe over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel mensen een stapeling van zorgkosten ervaren die leidt tot financieel onwenselijke situaties;

overwegende dat inzicht in de stapeling van diverse zorgkosten, zoals het eigen risico, de eigen betalingen en de zorgpremie, nodig is om een duidelijk beeld te krijgen van deze problematiek;

verzoekt de regering om onderzoek te doen, op basis van de recente rapportage van het CBS afgelopen februari jl. over eigen betalingen, naar de accumulatie van eigen betalingen onder mensen met een complexe zorgvraag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellemeet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (34 725-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de boete voor het niet betalen van een zorgverzekering 25% van de maandelijkse zorgpremie behelst;

overwegende dat deze boete, naast het terugbetalen van de zorgverzekering zelf, het stapelen van schulden bevordert;

van mening dat de hoogte van de bestuursrechtelijke premie een extra financiële last creëert;

van mening dat dit een disproportionele maatregel is die mensen alleen maar verder de schulden in duwt;

verzoekt de regering, de boete op het niet betalen van een zorgverzekeringspremie te schrappen, en de bestuursrechtelijke premie te verlagen naar 100% van de gemiddelde nominale premie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellemeet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (34 725-XVI).

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Bergkamp namens D66.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter. Ik heb een heel korte vraag aan de Staatssecretaris, namelijk of hij in zijn verhaal over personeelsbeleid ook de startsalarissen van verpleegkundigen in het verpleeghuis wil meenemen evenals de doorgroeimogelijkheden. Dat zijn volgens mij twee belangrijke onderwerpen, waardoor jonge mensen vaak kiezen voor het ziekenhuis.

Ik heb één motie. De vraag op dat punt is niet beantwoord, dus ik heb hem vertaald in een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de stand van zaken van de voortgang van de decentralisaties in het sociaal domein via diverse monitoren, voortgangsrapportages en rapporten aan de Kamer gerapporteerd wordt;

van mening dat het belangrijk is dat de Kamer op goede, integrale, gecoördineerde wijze informatie krijgt over de stand van zaken en de resultaten van de decentralisaties;

verzoekt de regering, advies in te winnen bij de Raad voor het openbaar bestuur en de Algemene Rekenkamer over de wijze waarop de informatie en de monitors op overzichtelijke wijze bij de Kamer terechtkomen, zodat een heldere beoordeling over de voortgang en de resultaten van de decentralisaties in het sociaal domein plaats kan vinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bergkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (34 725-XVI).

Mevrouw Bergkamp (D66):

De Staatssecretaris kijkt heel vrolijk, dus ik verwacht een positieve reactie!

De voorzitter:

Goed dat u dat duidt, want anders kunnen we dat niet teruglezen.

Het woord is aan mevrouw Agema van de PVV.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik heb vooral de discrepantie in het beleid naar voren gebracht, de 78.000 verzorgingshuisplekken die er in 2012 nog waren, zoals blijkt uit antwoorden in het nader verslag Wmo. Nu blijkt uit het jaarverslag dat er nog 10.200 verzorgingshuisplekken zijn. Dat worden er steeds minder, vanwege die sterfhuisconstructie. Vorig jaar waren er nog 17.500 plekken.

Ook heb ik gewezen op de problemen die we zien met de spoedeisendehulpposten en de ouderenzorg. We weten niet waar we naartoe moeten met ouderen die moeten herstellen voordat ze naar huis kunnen gaan. Ik denk dat het heel erg belangrijk is om te stoppen met het stoppen van de financiering van de verzorgingshuisplekken. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, te stoppen met het extramuraliseren van zzp 1–3 en dus te stoppen met het stoppen van de financiering van de verzorgingshuizen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (34 725-XVI).

Mevrouw Agema (PVV):

Ik zou een motie die ik eerder indiende, over Valys, opnieuw willen indienen. De dekking was 1 miljoen en toen ontraadde de Staatssecretaris de motie. Nu zien we dat er een meevaller is van 2,9 miljoen, dus ik zie mijn kans schoon om deze motie aangenomen te krijgen. Maar het is een lange motie, dus ik stel voor om alleen het dictum voor te lezen, voorzitter.

De voorzitter:

Nee, de hele motie.

Mevrouw Agema (PVV):

Oké.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een kilometergrens van maximaal 600 kilometer geldt voor het standaard Valysvervoer, het zogeheten persoonlijk kilometerbudget (pkb);

constaterende dat de Valysgebruiker ongeveer € 0,20 per kilometer betaalt als hij of zij bovenregionaal reist (en daarmee hetzelfde betaalt als iemand zonder een beperking zou betalen voor een treinreis) en dat dit ineens € 1,22 per kilometer (!) wordt als de kilometergrens wordt overschreden;

van mening dat gelijkwaardigheid betekent dat mensen met of zonder beperking hetzelfde bedrag betalen voor het openbaar vervoer;

constaterende dat de rolstoeltoegankelijkheid van onze stations nog zeer te wensen overlaat, daar op slechts 107 van de 400 stations assistentie geboden wordt bij in en uit de trein gaan en dat dus veel betrokkenen voorlopig nog afhankelijk blijven van bovenregionaal vervoer;

van mening dat het individueel registreren van de gebruikte kilometers onnodig tot administratieve lasten leidt en bovendien ongewenst is in het kader van de privacy van de gebruiker, temeer omdat een treinreiziger ook niet op last van de overheid hoeft te administreren waar hij of zij naartoe gaat;

constaterende dat het macrobudget voor Valys zo'n 60 miljoen euro bedraagt en dat elk jaar ongeveer 1 miljoen euro gebruikt wordt voor de beoordeling of mensen een hoger pkb krijgen;

constaterende dat slechts 1,5% van de Valysgebruikers meer kilometers wenst te gebruiken en dat 1,5% van 60 miljoen euro minder dan 1 miljoen euro betreft en het pkb in principe budgetneutraal afgeschaft zou moeten kunnen worden;

constaterende dat er een meevaller van 2,9 miljoen euro in het jaarverslag 2016 wordt gemeld;

verzoekt de regering, de kilometergrens en de administratieve lasten en registratie van kilometers voor het Valysvervoer met persoonlijk kilometerbudget op te heffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (34 725-XVI).

Mevrouw Agema (PVV):

Dan is iedereen ook weer inhoudelijk bijgepraat op dit dossier ...

De voorzitter:

Er was geen woord Spaans bij! Iedereen snapt waar deze motie over gaat, meer dan wanneer u alleen het dictum had voorgelezen.

Ik geef het woord aan mevrouw Marijnissen van de SP, maar zie nu dat die daar geen behoefte aan heeft. Dan is het woord aan mevrouw Arissen van de PvdD.

Mevrouw Arissen (PvdD):

Voorzitter. Ik wil de Minister bedanken voor haar beantwoording en haar toezegging dat zij nog voor het zomerreces een update stuurt over het Q-koortsdossier. Vooruitlopend daarop dien ik drie moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kennis- en adviescentrum Stichting Q-support zal ophouden te bestaan door een einde aan de financiering door het Ministerie van VWS;

constaterende dat Stichting Q-support advies en begeleiding biedt aan Q-koortspatiënten en hun naasten;

constaterende dat de provincie Noord-Brabant, gemeenten en veiligheidsregio's vrezen dat onmisbare kennis verloren zal gaan;

overwegende dat Q-koortspatiënten blijvend behoefte hebben aan advies en begeleiding;

verzoekt de regering, de financiering aan Stichting Q-support voort te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Arissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (34 725-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit recent RIVM-onderzoek blijkt dat omwonenden van geitenstallen meer longontsteking hebben;

constaterende dat het RIVM stelt dat er meer onderzoek nodig is om vast te stellen hoe dit komt;

constaterende dat er ten minste 75 Q-koortsdoden zijn gevallen;

overwegende dat omwonenden van geitenstallen niet langer blootgesteld mogen worden aan verhoogde gezondheidsrisico's;

verzoekt de regering, in afwachting van de uitkomsten van aanvullend onderzoek, een moratorium in te stellen op de bouw en de uitbreiding van geitenstallen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Arissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (34 725-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat demissionair premier Rutte in het Debat van het Zuiden op 11 maart 2017 heeft toegezegd om te onderzoeken of er een financiële compensatie voor Q-koortspatiënten mogelijk is;

verzoekt de regering, de Kamer voor Prinsjesdag 2017 te informeren over de resultaten van het onderzoek naar een financiële compensatie voor Q-koortspatiënten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Arissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (34 725-XVI).

Daarmee zijn we aan het eind gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de Minister.

Minister Schippers:

Voorzitter. In haar eerste motie op stuk nr. 10 verzoekt mevrouw Ellemeet de regering om de voor- en nadelen te onderzoeken van het direct overmaken van de zorgtoeslag aan de zorgverzekeraar. Ik ken GroenLinks als een partij die zich erg druk maakt over privacy. Dat is hierbij altijd het obstakel geweest. Er zijn al verschillende onderzoeken gedaan hiernaar, maar ik laat het oordeel aan de Kamer. De Kamer kan besluiten dat zij nog een keer onderzoek wil laten doen, maar ik denk niet dat daar heel veel anders uitkomt dan er al uitkwam.

In haar tweede motie op stuk nr. 11 verzoekt mevrouw Ellemeet de regering om, op basis van de recente rapportage van het CBS van afgelopen februari over eigen betalingen, onderzoek te doen naar de accumulatie van eigen betalingen onder mensen met een complexe zorgvraag. In de afgelopen jaren hebben we een ongelooflijke vracht aan onderzoek gedaan naar het eigen risico in verschillende fases en stapeling. We hebben, naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen van afgelopen jaar, een inventarisatie gedaan naar de compensatie die verschillende gemeenten hebben. Ik heb er in principe niets op tegen als hiernaar onderzoek wordt gedaan, maar we zitten vlak voor een nieuw regeerakkoord en ik weet niet wat daarin wordt afgesproken. Ik vraag mij daarom af of de timing van deze motie goed is. Ik weet niet wat er zal gebeuren in de besluitvorming rondom eigen betalingen of het eigen risico. Dit onderzoek zou parallel lopen aan de formatie. Ik heb niets tegen dit onderzoek, dus ik laat het oordeel aan de Kamer. Maar misschien is het beter om dit na ontvangst van het regeerakkoord te doen, want het zal in ieder geval niet klaar zijn voor een nieuw kabinet.

In de motie-Ellemeet op stuk nr. 12 wordt de regering verzocht om de boete op het niet betalen van de zorgverzekeringspremie te schrappen. Ik ben daar geen voorstander van en ik heb al aangegeven waarom. Bij iedereen die meewerkt aan wat voor schuldsaneringstraject dan ook, wordt de boete kwijtgescholden. Maar er moet wel een prikkel blijven, want waarom zou je anders je premie betalen? We weten dat er in een aantal wijken op wijkniveau al behoorlijk weinig premie wordt betaald. Ik denk dat dit een heel slecht signaal zou zijn, dus ik ontraad de motie.

De Staatssecretaris zal ingaan op de motie-Bergkamp op stuk nr. 13, de motie-Agema op stuk nr. 14 en de motie-Agema op stuk nr. 15.

De motie-Arissen op stuk nr. 16 gaat over Stichting Q-support. Ik adviseer mevrouw Arissen om de motie aan te houden. We komen komende week, voor het zomerreces, met een brief. Daarin kan zij lezen of wij hieraan voldoende tegemoetkomen. Het zou jammer zijn als de Kamer er dan net over heeft gestemd. Ik zou mij daarom kunnen voorstellen dat mevrouw Arissen de motie in ieder geval aanhoudt tot een latere stemming.

De voorzitter:

Mevrouw Arissen ziet aanleiding om te reageren.

Mevrouw Arissen (PvdD):

Ik houd bij dezen de motie aan.

De voorzitter:

Alle drie of alleen de eerste?

Mevrouw Arissen (PvdD):

Ik houd voor nu alleen de eerste motie aan.

De voorzitter:

Oké. Minister, gaat u verder.

Minister Schippers:

De motie-Arissen op stuk nr. 17 gaat over het feit dat er meer onderzoek wordt gedaan naar longontsteking. De regering wordt verzocht om een moratorium in te stellen op de bouw van stallen. Ik ga daar niet over. Daarover gaat de Staatssecretaris van Economische Zaken. Ik vind het lastig om op zijn terrein een oordeel te hebben over de motie. Ik zal de motie doorgeleiden naar de Staatssecretaris van Economische Zaken opdat hij een oordeel kan geven.

De voorzitter:

Oké. Wij vragen u om hem te berichten dat wij graag voor de stemmingen een oordeel van hem willen hebben. Het is aan hem of hij dat doet, maar dan hebt u daar in ieder geval namens ons om gevraagd.

Minister Schippers:

Dat zullen we doen.

In de motie-Arissen op stuk nr. 18 wordt de regering verzocht om de Kamer voor Prinsjesdag 2017 te informeren over een financiële compensatie voor Q-koortspatiënten. Ook over dit vraagstuk zal meer staan in de brief die wij voor het zomerreces sturen. Ik verzoek mevrouw Arissen daarom om ook deze motie aan te houden.

Mevrouw Arissen (PvdD):

Ook mijn derde motie wil ik aanhouden. De tweede motie die ik heb ingediend, houd ik niet aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Arissen stel ik voor, haar moties (34 725-XVI, nrs. 16 en 18) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. In de motie-Bergkamp op stuk nr. 13 staat het verzoek om advies te vragen aan de Rob (Raad voor het openbaar bestuur) en de Algemene Rekenkamer. Ik heb daartegen geen bezwaar. In de motie staat «over de wijze waarop informatie en monitors tot stand komen». Mag ik dat zo interpreteren dat we daarbij ook de met de Kamer afgesproken voortgangsrapportages per domein betrekken? Ik denk dat het verstandig is om het geheel te bekijken. We hebben een aantal monitors en veel informatie, maar we hebben ook heel veel voortgangsrapportages. Ik denk dat het mevrouw Bergkamp gaat om het geheel. Als we dat eronder mogen verstaan ...

De voorzitter:

Oordeel Kamer derhalve?

Staatssecretaris Van Rijn:

... dan laat ik het oordeel aan de Kamer, met de kanttekening dat ik het uiteraard ook even met mijn collega van Binnenlandse Zaken moet afstemmen wat betreft de Raad voor het openbaar bestuur.

In de motie-Agema op stuk nr. 14 wordt de regering verzocht te stoppen met het stoppen van de financiering van verzorgingshuizen. Zo staat het er. Daarover hebben we al eerder gesproken. Ik wijs erop dat de daling van het aantal verzorgingsplaatsen voor een deel te maken heeft met beleid, maar ook voor een belangrijk deel met de keuze die mensen sinds de jaren tachtig zelf maken. Het aantal plekken is gehalveerd sinds de jaren tachtig, maar het aantal 80-plussers is verdubbeld. Ik ontraad de motie.

Ik krijg de precieze tekst van de motie-Agema op stuk nr. 15 nu aangereikt. Ook daarover hebben we al eerder gesproken. De beheersbaarheid van het Valysvervoer wordt voor een deel bepaald doordat er in de regeling bepaalde grenzen staan. Als je die loslaat, wil dat niet zeggen dat dat zomaar dit voordeeltje kan opleveren. Ik denk dat het belangrijk is om de beheersbaarheid van de regeling overeind te houden. Daarbij speelt de bovengrens een rol. Ik weet niet zeker of dit de plek is om dit te bespreken, maar ik hecht aan het handhaven van de bovengrens, juist om de beheersbaarheid voor de lange termijn in stand te houden. Ik ontraad de motie.

Mevrouw Agema (PVV):

Wat ik aangaf in de zoveelste constatering, is dat slechts 1,5% van de gebruikers aangeeft meer te willen gebruiken. De Staatssecretaris zegt dat als we het loslaten, de hele regeling ontploft, maar dat kan dus nooit zo zijn. Het zou om 1 miljoen euro gaan. Je lost alle administratie op. Er blijkt nu zelfs een meevaller van 2,9 miljoen euro te zijn.

De voorzitter:

U vraagt dus om een heroverweging van zijn oordeel?

Mevrouw Agema (PVV):

De vrees van de Staatssecretaris is ongegrond. Die vrees is echt niet nodig.

Staatssecretaris Van Rijn:

Het feit is dat 1,5% van de mensen meer nodig zegt te hebben. Een situatie waarin er een grens is, is natuurlijk niet te vergelijken met een situatie waarin er helemaal geen grens zou zijn. Je moet nog maar zeer betwijfelen of er dan slechts een tekort van 1,5 miljoen zal zijn. Dat is de reden waarom ik niet alleen hecht aan de regeling zoals die nu luidt, maar ook aan de bovengrens.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het eind gekomen van dit wetgevingsoverleg. De stemmingen over de moties zullen aanstaande dinsdag plaatsvinden. Ik dank eenieder voor zijn betrokkenheid, inbreng en belangstelling.

Sluiting 12.56 uur.