Kamerstuk 34552-9

Nota's van wijziging op de wetsvoorstellen Belastingplan 2017, Overige fiscale maatregelen 2017 en de Fiscale vereenvoudigingswet 2017

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017)

Gepubliceerd: 6 oktober 2016
Indiener(s): Eric Wiebes (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34552-9.html
ID: 34552-9

Nr. 9 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 oktober 2016

Hierbij bied ik u drie nota’s van wijziging aan. Een op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 (Kamerstuk 34 553, nr. 5), een op het Belastingplan 2017 (Kamerstuk 34 552, nr. 10) en een op de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 (Kamerstuk 34 554, nr. 5).

In deze brief zal ik – per wetsvoorstel – ingaan op de maatregelen in de nota’s van wijziging.

Overige fiscale maatregelen 2017

In deze nota van wijziging worden enkele wijzigingen in de autogerelateerde belastingen voorgesteld. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk als gevolg van de Europese invoering van een nieuwe geharmoniseerde testmethode om de CO2-uitstoot van lichte voertuigen vast te stellen. Het betreft de Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedures (WLTP). Deze testmethode vervangt de huidige geharmoniseerde testmethode, de New European Driving Cycle (NEDC).

Tijdens het plenaire debat Autobrief II op 5 april 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 73, item 26) heb ik toegezegd uiterlijk eind 2016 uw Kamer te infomeren over de gevolgen van de WLTP voor de autogerelateerde belastingen. Tevens heb ik toegezegd eind 2016 een wetsvoorstel bij uw Kamer aanhangig te maken. Met deze brief en de bijgevoegde nota van wijziging kom ik beide toezeggingen na.

Gefaseerde invoering WLTP in Europa

De WLTP wordt gefaseerd ingevoerd. Op 14 juni 2016 heeft een technisch comité van de Europese Unie positief gestemd over een Europese conceptverordening waarin een gefaseerde invoering van de WLTP is opgenomen. Deze conceptverordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten. Met ingang van 1 september 2017 wordt de nieuwe testprocedure verplicht voor nieuwe voertuigmodellen en -uitvoeringen die vanaf die datum op de markt komen. Bestaande modellen met een op de NEDC-gebaseerde typegoedkeuring hoeven op dat moment nog niet opnieuw te worden getest. Een jaar later, op 1 september 2018, is de nieuwe testmethode verplicht voor alle nieuw verkochte modellen met uitzondering van uitlopende series waarvan het opvolgmodel in de startblokken staat. Met ingang van 1 september 2019 moeten alle nieuw verkochte voertuigen beschikken over een CO2-waarde vastgesteld conform de WLTP.

Vrijwillige fase toepassing WLTP

De Europese Commissie heeft aangekondigd de conceptverordening in het eerste kwartaal van 2017 formeel vast te stellen en in het Publicatieblad van de Europese Unie te publiceren. Twintig dagen na de publicatie treedt de verordening in werking en heeft vanaf dat moment directe werking in alle lidstaten van de EU. Vanaf dat moment vangt de zogenoemde vrijwillige fase aan. In deze fase kunnen autofabrikanten – vooruitlopend op de verplichtstelling per 1 september 2017 – vrijwillig kiezen om nieuwe modellen conform de WLTP te testen en op de markt te brengen. Vanaf het inwerkingtreden van genoemde verordening, begin 2017, is het dus mogelijk dat de eerste auto’s getest met de nieuwe WLTP-testprocedure op de Nederlandse wegen verschijnen.

Gevolgen invoering WLTP voor de belastingheffing in Nederland

De inwerkingtreding van de nieuwe verordening in de EU en de implementatie van deze nieuwe testmethode in de autogerelateerde belastingen in Nederland vereist op korte termijn een wetswijziging. De huidige wettelijke grondslag voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM), de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak in de loon- en inkomstenbelasting (bijtelling LB/IB) is mede gebaseerd op CO2-uitstoot zoals deze is gemeten conform de NEDC-testmethode. De grondslag moet aangevuld worden met de nieuwe WLTP-testmethode. Het is van belang dat deze aanpassing is geregeld voordat de eerste vrijwillig geteste auto’s op de Nederlandse wegen verschijnen: naar verwachting in het eerste kwartaal van 2017.

De implementatie van de nieuwe testmethode betreft een technische omzetting, waarbij uitsluitend de definitie van de vaststelling van de CO2-uitstoot van een voertuig wordt aangepast. Het is van belang dat de transitie goed uitvoerbaar is en budgettair neutraal verloopt. Auto’s worden immers niet onzuiniger, alleen de testmethode verandert. Het is niet de bedoeling dat automobilisten alleen als gevolg van een nieuwe testmethode meer gaan betalen. Een eventuele uitholling van de grondslag van de BPM als gevolg van mogelijke manipulatie van testresultaten tijdens de overgang dient hierbij te worden voorkomen. Over de vraag of daar bij de nieuwe testmethode sprake van zal zijn, heeft het kabinet TNO om advies gevraagd.

Concreet is TNO gevraagd om inzichtelijk te maken wat het effect van de vervanging van de testprocedure is. Tevens is gevraagd wat het effect is van het gebruik van de in Europees verband ontwikkelde correlatiemethode (CO2mpas) om WLTP-waarden om te rekenen naar een NEDC-waarde. Door de CO2mpas-methode te gebruiken is het voor Nederland mogelijk om in 2017 en 2018 de huidige BPM-tabellen te handhaven. TNO geeft in zijn rapport aan dat het daadwerkelijke verschil in CO2-emissies tussen een voertuig gemeten volgens de NEDC en de WLTP momenteel nog niet vast te stellen is. Er zijn nog geen voertuigen getest op basis van de WLTP in een situatie dat fabrikanten baat hebben bij een zo laag mogelijke emissiewaarde, ofwel voertuigen zijn nog niet geoptimaliseerd op de WLTP. Als gevolg hiervan is er nog weinig inzicht in wat de hoogte van de CO2-emissies op termijn zal zijn nadat de WLTP werkelijk is ingevoerd. Bijgaand bied ik u het rapport van TNO aan1.

Om te voorkomen dat Nederland belastinginkomsten misloopt, heeft het kabinet een aantal maatregelen achter de hand die indien nodig ingezet kunnen worden. Het gaat achtereenvolgens om de volgende drie beheersingsmechanismen: 1) een tussentijdse update van het CO2mpas-model, 2) versneld invoeren aparte WLTP-tabel en 3) meenemen in de reguliere jaarlijkse aanpassing van de schijfgrenzen van de huidige BPM-tabel. Bij het inzetten van de beheersmechanismen is sprake van een rangorde: indien blijkt dat het eerste mechanisme tekortschiet kan worden teruggevallen op het tweede mechanisme of in het uiterste geval het derde mechanisme. Voor een nadere uiteenzetting verwijs ik u naar de in de toelichting van de nota van wijziging uitgewerkte beheersingsmechanismen.

Overigens houden de BPM-tabellen voor de periode 2017–2020 reeds rekening met het jaarlijks zuiniger worden van het wagenpark. Het is echter onzeker of WLTP-geteste auto’s in dezelfde mate jaarlijks zuiniger zullen worden. Bij de overgang naar deze nieuwe grondslag ligt het daarom eveneens voor de hand om het jaarlijks zuiniger worden van nieuwe auto’s in de BPM-tabellen bij te stellen.

Vanaf 2019 zullen nagenoeg alle nieuwverkochte auto’s WLTP-getest zijn. Het ligt daarom voor de hand om met ingang van 1 januari 2019 de grondslag voor de BPM voor WLTP-geteste conventionele auto’s te baseren op de CO2-uitstoot volgens de WLTP-test. Voor de periode na 2018 zal dan ook aanvullende wetgeving noodzakelijk zijn.

Over de implementatie van de WLTP en de inhoud van deze nota van wijziging heeft overleg plaatsgevonden met RAI Vereniging, Bovag, Anwb, Natuur en Milieu en VNA.

Behandeling

Uw Kamer heeft in eerdere debatten terecht gewezen op het belang van een duidelijke visie op de implementatie van de WLTP-testprocedure. Met deze nota van wijziging kom ik aan de wens van de Kamer tegemoet en stel ik een aantal noodzakelijke wijzigingen voor. Zonder de voorgestelde aanpassingen in deze nota van wijziging zou belastingheffing voor WLTP-geteste auto’s op problemen stuiten. De huidige grondslag op basis van de NEDC-testmethode is voor deze auto’s niet toereikend. Het is daarom van uiterst belang dat de wijzigingen begin 2017 zijn doorgevoerd. Om die reden heb ik ervoor gekozen de benodigde wetswijzigingen niet zoals eerder aangekondigd als afzonderlijk wetsvoorstel in te dienen, maar als nota van wijziging op het wetsvoorstel OFM2017. Ik vraag de medewerking van uw Kamer voor deze handelwijze. Vanzelfsprekend kijk ik uit naar de gedachtewisseling met uw Kamer.

Belastingplan 2017

Deze nota van wijziging (Kamerstuk 34 552, nr. 10) bevat een tweetal technische aanpassingen van het overgangsrecht voor de innovatiebox. Geregeld wordt dat een immaterieel activum alleen kwalificeert voor het overgangsrecht als dat na 31 december 2006 is voortgebracht. Dit vloeit voort uit de Wet werken aan winst (Kamerstuk 30 572), waarbij de octrooibox is ingevoerd. Daarnaast wordt geregeld dat het octrooi of kwekersrecht in belangrijke mate moet gaan bijdragen aan de winst die met het immaterieel activum wordt behaald. Met de voorgestelde aanpassingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de thans geldende regels voor de innovatiebox.

Verder wordt de voor vrijgestelde lichamen geldende teruggaafregeling in de Wet op de dividendbelasting 1965 aangepast. Daarmee wordt zeker gesteld dat ook aangewezen internationale organisaties in aanmerking komen voor een teruggaaf.

Tevens is een wijziging opgenomen van de in de Wet uitwerking Autobrief II (WUA II) aangekondigde generieke verlaging van de tarieven in de motorrijtuigenbelasting (MRB) per 1 januari 2017. Voor deze MRB-verlaging was een bedrag van € 69 miljoen beschikbaar. In de WUA II is deze terugsluis vormgegeven als een verlaging van de MRB-tarieven voor personenauto’s met 2 procent. Met het bedrag van € 69 miljoen kunnen de MRB-tarieven echter niet met 2 procent worden verlaagd, maar met 2,7 procent. Deze omissie wordt met de onderhavige nota van wijziging rechtgezet.

Fiscale vereenvoudigingswet 2017

In deze nota van wijziging (Kamerstuk 34 554, nr. 5) is een aanvulling opgenomen op de in het wetsvoorstel opgenomen inhoudingsvrijstelling voor vrijgestelde lichamen in de Wet op de dividendbelasting 1965. Met deze aanpassing wordt zeker gesteld dat ook aangewezen internationale organisaties in aanmerking komen voor deze inhoudingsvrijstelling. Daarnaast corrigeert deze nota van wijziging de datum van inwerkingtreding van enkele in het voorstel van wet opgenomen wijzigingen van de Wet op de accijns.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes