Gepubliceerd: 5 oktober 2015
Indiener(s): Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA)
Onderwerpen: beroepsonderwijs economie onderwijs en wetenschap organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34272-6.html
ID: 34272-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 oktober 2015

Graag dankt de regering de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor hun snelle inbreng en voor de vragen die zij hebben gesteld. Op de gestelde vragen gaat zij hieronder in. Daarbij wordt de indeling van het verslag als uitgangspunt genomen.

Inhoudsopgave

I ALGEMEEN

2

1. Richtlijn 2005/36

11

1.1 Gereglementeerd beroep

11

1.2 Erkenningsstelsels

11

1.3 Bevoegde autoriteiten

12

2. Richtlijn 2013/55

13

2.1 Doelen richtlijn 2013/55

13

2.2 Inhoud richtlijn 2013/55

13

2.2.1 Modernisering van het sectoraal stelsel

13

2.2.2 Verlaging van de beroepservaringseis

14

2.2.3 Gedeeltelijke toegang

15

2.2.4 Talenkennis

17

2.2.5 Internemarktinformatiesysteem (IMI)

19

2.2.6 Gemeenschappelijke opleidingsbeginselen

20

2.2.7 Assistentiecentrum

21

2.2.8 Waarschuwingsmechanisme over beroepsbeoefenaars

21

3. Implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving

26

3.1 Inleiding

26

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

26

Hoofdstuk 6. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

26

Artikel 1. Wet op de beroepen in de gezondheidszorg

26

I ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie en de leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie, de leden van de D66-fractie en de leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties stellen een aantal vragen.

Alvorens tot beantwoording van de afzonderlijke vragen van de fracties over te gaan, merkt de regering het volgende op. De richtlijn 2013/55/EU, die met onderhavig wetsvoorstel wordt geïmplementeerd, wijzigt de reeds bestaande richtlijn 2005/36/EG. Het is de regering opgevallen dat enkele, van verschillende fracties afkomstige, vragen zien op doel en achtergrond van onderdelen van de richtlijn die reeds deel uitmaken van het huidig wettelijk systeem voor de erkenning van beroepskwalificaties. Uiteraard wordt bij de beantwoording van de bedoelde vragen een toelichting gegeven op die bestaande onderdelen. Daarnaast wordt, voor een goed begrip van de antwoorden in deze nota naar aanleiding van het verslag, kort ingegaan op het doel van richtlijn 2005/36 en twee onderdelen daaruit die zijn geïmplementeerd in de huidige Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties: het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties, en het sectoraal stelsel voor automatische erkenning van beroepskwalificaties.

Richtlijn 2005/36 heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot

gereglementeerde beroepen in EU-lidstaten te vergemakkelijken door te waarborgen dat EU-onderdanen die hun beroepskwalificaties in een lidstaat hebben behaald toegang hebben tot hetzelfde gereglementeerde beroep in een andere lidstaat en dit beroep kunnen uitoefenen met dezelfde rechten als de onderdanen van die lidstaat.1 Door het stellen van uniforme regels over de erkenning van beroepskwalificaties beoogt de richtlijn onnodige belemmeringen voor het verkrijgen van erkenning weg te nemen. Onderdeel van die uniforme regels is het instrument van de «compenserende maatregelen». Dit instrument is in de richtlijn vervat met het oog op snelle toetreding tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst, en maakt het mogelijk voor een beroepsbeoefenaar die nog niet over de vereiste kwalificaties beschikt om in de ontvangende lidstaat zijn eigen beroep uit te oefenen, om alsnog die noodzakelijke kwalificaties te kunnen behalen.

Het sectoraal stelsel is van toepassing op zeven «sectorale beroepen»; de beroepen van arts, verpleegkundige, tandarts, verloskundige, apotheker, dierenarts, en architect. De beroepskwalificaties van beroepsbeoefenaars in de sectorale beroepen worden door de bevoegde autoriteit van een ontvangende lidstaat automatisch erkend omdat de minimumopleidingseisen voor deze beroepen in de richtlijn zijn geharmoniseerd. Nadat erkenning van beroepskwalificaties is verleend kan nog aan aanvullende eisen voldaan moeten worden, zolang het aanvullende eisen betreft die door de lidstaat van ontvangst ook aan eigen onderdanen worden gesteld.2 Hierbij is het belangrijk onderscheid te maken tussen het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties, – waarop de al geïmplementeerde richtlijn ziet –, en het verkrijgen van toegang tot een beroep in de ontvangende lidstaat nadat erkenning is verkregen, waarvoor de lidstaten zelf op nationaal niveau de eisen stellen. Bij aanvullende eisen in het kader van het verkrijgen van toegang tot een beroep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan registratievereisten of taaleisen.

Beroepen die niet in het sectoraal stelsel vallen, behoren in het algemeen stelsel. Het algemeen stelsel kent geen harmonisatie van minimumopleidingseisen, maar is gebaseerd op de wederzijdse erkenning van diploma’s. Voor de beroepsbeoefenaar van een gereglementeerd beroep binnen het algemeen stelsel geldt dat wanneer hij toegang tot of uitoefening van een beroep wenst, de bevoegde autoriteit in de ontvangende lidstaat de beroepskwalificaties van de beroepsbeoefenaar vergelijkt met de in die lidstaat vereiste beroepskwalificaties voor toegang tot of uitoefening van het desbetreffende beroep. Komen de beroepskwalificaties van de beroepsbeoefenaar voldoende overeen met het vereiste niveau in de lidstaat van ontvangst dan erkent de bevoegde autoriteit de beroepskwalificaties. Indien sprake is van een zogenoemd «wezenlijk verschil» tussen beide, dan kan aan de beroepsbeoefenaar een compenserende maatregel worden opgelegd waarmee het verschil dient te worden overbrugd. Dit kan in de vorm van het afleggen van een zogeheten «proeve van bekwaamheid» of het doorlopen van een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar.

De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan het belang van een goed functionerende interne markt waarbij het vrije verkeer van personen ook van groot belang is. Het bevorderen hiervan is dus in het belang van de Nederlandse economie, zo geven deze leden aan. Deelt de regering deze opvatting, zo vragen zij.

De regering deelt deze opvatting en onderschrijft dat een goed functionerende interne markt voor Nederland als open economie van groot belang is. Het verder versterken van de interne markt is daarom ook één van de prioriteiten van het Nederlandse voorzitterschap. De richtlijn erkenning beroepskwalificaties vergemakkelijkt de mobiliteit van beroepsbeoefenaars en het verrichten van grensoverschrijdende diensten en draagt daarmee bij aan het vrij verkeer van personen binnen de EU.

De leden van de VVD-fractie menen dat het succes van de implementatie grotendeels afhangt van de doorvoering in de EU-lidstaten. Kan de regering een appreciatie geven van het draagvlak bij de lidstaten en in het bijzonder Frankrijk en Duitsland, zo vragen zij. De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe de politieke dialoog die de Duitse Bondsraad is aangegaan met de Europese Commissie zich verhoudt tot, naar de regering begrijpt, de afstemming met de buurlanden over de implementatie van de nieuwe richtlijn en of dit de gesprekken over wederzijdse erkenning heeft bemoeilijkt.

De lidstaten van de Europese Unie hebben tijdens het onderhandelingsproces hun input gegeven om de herziening van Richtlijn 2005/36 vorm te geven. Vervolgens hebben alle lidstaten in 2013 ingestemd met Richtlijn 2013/55 zoals die er nu ligt. Op het moment dat die richtlijn in 2013 door alle lidstaten werd aangenomen hebben de lidstaten zich gecommitteerd aan de inhoud van die richtlijn en alle implicaties daarvan.

De inzet van Nederland tijdens de onderhandelingen is voor een groot deel gehonoreerd. Met de introductie van de Europese beroepskaart-procedure en de verplichte elektronische beschikbaarheid van de erkenningsprocedures in algemene zin wordt de erkenning van beroepskwalificaties gestroomlijnd naar de wens van betrokken landen. Het waarschuwingsmechanisme, waarin is opgenomen dat tussen de lidstaten waarschuwingen worden verricht ten aanzien van beroepsverboden en het gebruik van valse beroepskwalificaties, sluit ook aan bij de wens van de lidstaten waaronder Nederland. Uiteraard hangt het succes van de richtlijn af van de implementatie in alle lidstaten. Nederland neemt daarom deel aan overleggen in EU-verband over de implementatie.

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering of zij het aannemelijk acht dat de richtlijn ertoe bijdraagt dat het protectionisme aangaande beroepskwalificaties verminderd zal worden met dit voorstel. Voorts vragen de leden of de regering zich blijvend gaat inspannen om beroepskwalificaties en diploma-erkenning op de agenda te houden en welke resultaten zij verwacht hierbij te boeken.

Voor Nederland als open economie is het van groot belang dat binnen de EU wordt gewerkt aan modernisering van eisen aan gereglementeerde beroepen en erkenning van de kwalificaties van beroepsbeoefenaars opdat de werking van de interne markt steeds verder verbetert. De verwachting is dat de uniformering van erkenningsprocedures voor beroepskwalificaties zal bijdragen aan het verder openstellen van de arbeidsmarkt binnen de EU, en de toegang tot gereglementeerde beroepen in andere EU-lidstaten zal verbeteren. Hierbij speelt ook de implementatie in andere landen een grote rol. De regering is een voorstander van het harmoniseren van beroepseisen en het tussen de lidstaten onderling erkennen van elkaars kwalificaties en zal hier blijvend aandacht aan besteden in Europees verband. De richtlijn bevat de verplichting voor lidstaten om de nationale regels voor de uitoefening van beroepen te evalueren en te beoordelen op proportionaliteit, en de uitkomsten van deze evaluatie onderling te delen. Nederland heeft hiervoor het nationaal actieplan gereglementeerde beroepen opgesteld. Dat actieplan is uw Kamer toegestuurd op 23 maart 2015.3

Daarnaast is Nederland aangesloten bij het Bolognaproces, dat al vanaf 1997 loopt. Er zijn belangrijke stappen gezet voor wat betreft diploma-erkenning in het hoger onderwijs, met bijvoorbeeld de invoering van de bachelor/master-structuur en het diplomasupplement. Tussen 2012 en 2014 hebben 10 Bolognalanden in de Pathfinder Group on Automatic Recognition onderzocht hoe obstakels voor het automatisch erkennen van vergelijkbare diploma’s hoger onderwijs kunnen worden weggenomen. De Benelux heeft daarin als regionaal voorbeeld voor de andere Bolognalanden gefungeerd. Het belang van snelle en soepele erkenning van diploma’s moet benadrukt blijven worden. Daarbij is een voortzetting van de rol die het Enic/Naric-netwerk hierin speelt cruciaal. Deze experts helpen elkaar bij het implementeren en naleven van de Lissabon erkenningsconventie en verkennen bijvoorbeeld de inzet van ICT-middelen om elementen van automatische erkenning te verwezenlijken. Momenteel is het Ministerie van OCW projectleider van het Erasmus+ project «Focus on Automatic Institutional Recognition» (FAIR). Het FAIR-project richt zich op snellere en transparantere erkenningsprocedures van buitenlandse studieresultaten, voortbouwend op de aanbevelingen van de Pathfinder Group. Dit resulteert in concrete aanbevelingen op maat voor de 23 universiteiten en hogescholen uit de zes landen die meedoen aan het project en – als sluitstuk – ook voor Europa als geheel.

De leden van de VVD-fractie vragen tevens aan de regering om nader in te gaan op de uitwerking van de motie van de leden Straus en Jadnanansing die verzocht bij de implementatie van de nieuwe richtlijn zoveel mogelijk af te stemmen met de buurlanden. Naar aanleiding van de motie van de leden Straus en Jadnanansing (motie 21 501-34, nr. 230) kan de regering het volgende melden. Naast de lopende gesprekken met de Europese Commissie en de EU-lidstaten hebben er in de grensregio’s gesprekken plaatsgevonden met de Euregio’s, met ROC’s, met de Duitse ambassade in Nederland en, agenderend, met de landsregeringen van Nedersaksen respectievelijk Noordrijn-Westfalen. Tussen de vakministeries van Noordrijn-Westfalen en Nederland heeft een tweede gesprek plaatsgevonden.

Uit deze gesprekken is geconcludeerd dat er vooral problemen zijn met de erkenning van mbo-diploma’s in de grensregio’s, maar ook daar zijn de problemen beperkt. In de sectoren Economie respectievelijk Techniek zijn eigenlijk geen problemen: Nederlanders krijgen met een relevant diploma probleemloos werk, op hun niveau, in Duitsland. In de sector Gezondheidszorg zijn twee problemen: Nederlanders met een niveau-3 opleiding vinden in Duitsland in de kinderopvang en in de ouderenverzorging geen werk op hun niveau. Dat komt omdat Duitsland hiervoor een niveau-4 opleiding eist. De ROC ’s in Nederland constateren dat hun niveau-3 opleidingen in de zorg bijna volledig overeenkomen met vergelijkbare niveau-4 opleidingen in Duitsland.

De deelstaat NordRhein-Westfalen heeft de intentie tot een oplossing rond de diploma-erkenning voor deze Nederlandse verzorgenden te komen, ook al omdat in Duitsland de vraag naar arbeidskrachten met deze opleiding groot is, en het aanbod in Nederland ook. Het gezamenlijke streven is nu afspraken hierover te maken tijdens een Nederlands-Duits symposium over diploma-erkenning in oktober in Maastricht.

In de motie wordt ook gevraagd om de informatievoorziening over de erkenning te stroomlijnen en de vindbaarheid van informatie te verbeteren. Op mijn verzoek hebben de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en EP-Nuffic twee «flowcharts» ontwikkeld, stroomschema’s waarin de procedures voor inkomende en uitgaande mobiliteit worden toegelicht. Deze stroomschema’s maken stapsgewijs inzichtelijk hoe de erkenningsprocedure verloopt voor zowel beroepsbeoefenaars die van Nederland in een andere lidstaten willen gaan werken, alsook voor beroepsbeoefenaars uit het buitenland die in Nederland willen komen werken. De stroomschema’s zullen op korte termijn in het Engels, Frans en Duits worden vertaald. Webversies van de stroomschema’s zullen op de websites van organisaties zoals SBB, EP-Nuffic, UWV, EURES, en Benelux geplaatst worden, met als doel het bereiken van een zo groot mogelijk publiek. Concept-versies van de flowcharts zijn in de afgelopen maanden al bij grote bijeenkomsten in de grensregio met Duitsland uitgedeeld om de reacties hierop te peilen en eventueel verbeteringen aan te brengen. Verder zijn er, om de transparantie van Nederlandse mbo-diploma’s te verbeteren, voor alle kwalificaties Europass Certificaatsupplementen beschikbaar op de website van SBB (cs.s-bb.nl), ook voor het schooljaar 2015–2016.

Tenslotte kan de regering melden dat de beschikking van het Benelux Comité van Ministers van 18 mei 2015 betreffende de automatische wederzijdse generieke niveauerkenning van diploma’s hoger onderwijs is bekendgemaakt in het Benelux Publicatieblad.4

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe het gaat met de onderhandelingen voor de erkenning van diploma’s tussen de Benelux-landen. Welke resultaten zijn hier tot op heden mee geboekt en welke verwachtingen heeft de regering van deze samenwerking, zo vragen zij.

De beschikking van het Benelux Comité van Ministers betreffende de automatische wederzijdse generieke niveauerkenning van diploma’s hoger onderwijs op 18 mei 2015 is vastgesteld tijdens een bijeenkomst van het Benelux Comité van Ministers in samenstelling van de ministers bevoegd voor Hoger Onderwijs van de betrokken regeringen. Momenteel wordt door de betrokken landen gekeken hoe aan deze beschikking uitvoering kan worden gegeven. De beschikking regelt dat de generieke niveauerkenning van een diploma hoger onderwijs, uitgereikt in een Benelux-lidstaat, automatisch en zonder verdere formaliteiten gebeurt in elke Benelux-lidstaat. De beschikking heeft geen betrekking op de erkenning van beroepskwalificaties.

De leden van de PvdA-fractie hechten eraan, zo merken zij op, dat het voor beroepsbeoefenaars in de Europese Unie beter mogelijk wordt om hun beroep uit te oefenen in andere lidstaten. Zij zien het wel als voorwaarde dat diploma’s in lidstaten van de Europese Unie in voldoende mate een vergelijkbaar niveau van kennis, inzicht en vaardigheden garanderen. De leden vragen of de regering deze visie deelt.

De regering deelt deze visie. De richtlijn voor beroepskwalificaties draagt bij aan het verbeteren van de toegankelijkheid en de veiligheid van de interne markt door onderlinge vergelijkbaarheid van nationale opleidingen en kwalificaties mogelijk te maken. Voor beroepsbeoefenaars die in de EU willen werken blijft een voorwaarde dat hun diploma’s in voldoende mate vergelijkbaar zijn met het in de lidstaat van ontvangst vereiste diploma qua niveau van kennis, vaardigheden en competenties. De bevoegde autoriteit die de erkenningsaanvraag beoordeelt kan vaststellen of er wezenlijke verschillen tussen beide soorten diploma bestaan. Als er een wezenlijk verschil bestaat kan de bevoegde autoriteit een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage verlangen.

Over de academische gelijkstelling van diploma’s is de afgelopen jaren intensief gesproken. Daarnaast zijn concrete stappen gezet in de academische gelijkstelling van diploma’s uit landen waar Nederland regelmatig mee samen werkt. Dit is eerst gebeurd in een verdrag met Vlaanderen, later zijn afspraken gemaakt voor de automatische erkenning van diploma’s in de hele Benelux. Op Europees vlak groeien de onderwijssystemen voor wat betreft het Europees hoger onderwijs naar elkaar toe. Dit geldt met name voor de EU-lidstaten die hierin actief zijn. De «Standards and Guidelines for quality assurance in the European Higher Education Area (ESG)» bieden bijvoorbeeld een eenduidig kader waaraan de verschillende accreditatie- en kwaliteitszorgsystemen voldoen. Daarnaast zijn de nationale kwalificatieraamwerken (NQF) van de verschillende lidstaten gekoppeld aan het Europese kwalificatieraamwerk (EQF) en is er een samenwerking van Europese accreditatieorganisaties in onder andere het European Consortium for Accreditation (ECA).

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts welke wijze van controle de regering voor ogen staat die moet waarborgen dat vergelijkbare diploma’s binnen de Europese Unie ook vergelijkbare beroepscompetenties garanderen.

De regering wijst volledigheidshalve op het onderscheid tussen diploma-erkenning en erkenning van beroepskwalificaties. Onderhavig wetsvoorstel heeft betrekking op laatstgenoemd onderwerp. De herziene richtlijn erkenning beroepskwalificaties, die met onderhavig wetsvoorstel wordt geimplementeerd, is gebaseerd op een wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten in elkaars onderwijssystemen. De richtlijn vormt dan ook geen regulering op nationale onderwijs- en opleidingssystemen, maar stelt regels over de erkenning van in andere lidstaten behaalde kwalificaties.

Wel voorziet de richtlijn op onderdelen in de harmonisering van opleidingseisen om zodoende opgedane kennis, vaardigheden en competenties van beroepsbeoefenaren zo goed mogelijk met elkaar vergelijkbaar te maken.

Zo zijn voor de zeven «sectorale beroepen» minimumopleidingseisen overeengekomen ten behoeve van automatische erkenning, en biedt de herziene richtlijn de mogelijkheid voor lidstaten om voor additionele beroepen onderling kwalificaties te harmoniseren middels gemeenschappelijke opleidingsbeginselen.5 Voor de beroepsbeoefenaar van een gereglementeerd beroep binnen het algemeen stelsel geldt dat wanneer hij toegang tot of uitoefening van een beroep wenst, de bevoegde autoriteit in de ontvangende lidstaat de beroepskwalificaties van de beroepsbeoefenaar vergelijkt met de in die lidstaat vereiste beroepskwalificaties voor toegang tot of uitoefening van het desbetreffende beroep. Komen de beroepskwalificaties van de beroepsbeoefenaar voldoende overeen met het vereiste niveau in de lidstaat van ontvangst dan erkent de bevoegde autoriteit de beroepskwalificaties. Indien sprake is van een zogenoemd «wezenlijk verschil» tussen beide, dan kan aan de beroepsbeoefenaar een compenserende maatregel worden opgelegd waarmee het verschil dient te worden overbrugd. Dit kan in de vorm van het afleggen van een zogeheten «proeve van bekwaamheid» of het doorlopen van een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering in kan gaan op enkele bezwaren van de Franse Senaat (en voor een deel van de Bondsraad), waarvan het eerste bezwaar is dat de medische beroepen rechtstreeks zouden worden beïnvloed door de bepalingen.

De regering begrijpt de vraag zo dat deze ziet op de minimumopleidingseisen die in de richtlijn zijn vastgesteld ten aanzien van vijf medische beroepen die vallen onder het zogeheten sectorale stelsel van erkenning: de basisarts, de tandarts, de verpleegkundige, apotheker, en de verloskundige. Door de tussen de lidstaten geharmoniseerde opleidingseisen is de arbeidsmarkt in Europa opener en toegankelijker geworden voor de betreffende beroepsbeoefenaars. Een lidstaat mag in nationale regelgeving wel hogere eisen stellen aan beroepsbeoefenaars, maar moet bij die beroepen waarvoor automatische erkenning geldt de beroepskwalificaties van beroepsbeoefenaars die voldoen aan de Europees geharmoniseerde minimumeisen wel erkennen. Daarvan gaat een zekere mate van indirecte beïnvloeding uit. Een lidstaat met hogere eisen zal zich hier rekenschap van moeten geven. Overigens betekent het voldoen aan de eisen voor automatische erkenning nog niet dat er dan zonder meer toegang tot het beroep volgt.

Nationale eisen aan herregistratie, taalvereisten of het overnemen van elders in Europa opgelegde beroepsbeperkende maatregelen kunnen aanleiding zijn iemand niet in te schrijven of alsnog te schrappen uit het BIG-register voor gezondheidszorgberoepen.

De leden van de SP-fractie vragen tevens of de regering in kan gaan op het bezwaar richting de Europese Commissie dat er onzekerheid bestaat over de European Professional Card. Deze is weliswaar facultatief maar de uitwerking is niet duidelijk, zo merken zij op.

Inmiddels is de uitwerking van de Europese beroepskaart uitgekristalliseerd in overleg tussen de lidstaten en de Europese Commissie. De procedures voor de aanvraag en de afgifte van de Europese beroepskaart zijn vastgesteld. De keuzes ten aanzien van de Europese beroepskaart zijn geëxpliciteerd in een uitvoeringsverordening die is vastgesteld op 24 juni 2015.6

De leden van de SP-fractie vragen verder of de regering in kan gaan op het bezwaar dat er onzekerheid bestaat over de gemeenschappelijke opleidingstests en dat als de reikwijdte onduidelijk is, de neiging bestaat om automatische erkenning van de opleidingen uit te breiden.

De regering begrijpt de vraag van de leden van de SP-fractie zo, dat deze leden vragen of een onduidelijke reikwijdte van de richtlijnbepaling over de gemeenschappelijke opleidingsproef tot gevolg zou kunnen hebben dat sneller wordt overgegaan tot het vaststellen van een gemeenschappelijke opleidingstoets dan wenselijk zou zijn. De regering stelt voorop dat zij de doelstelling van de gemeenschappelijke opleidingsproef onderschrijft. Harmonisatie van kwalificaties draagt bij aan stimulering van de arbeidsmobiliteit dankzij automatische erkenning, en draagt daarnaast bij aan het onderling vertrouwen tussen lidstaten ten aanzien van elkaars opleidingstitels en andere beroepskwalificaties.

De richtlijn vereist dat de Europese Commissie geen gemeenschappelijke opleidingsproef vaststelt dan nadat een transparante procedure hiertoe heeft plaatsgevonden, en stelt als voorwaarde voor vaststelling onder meer dat het beroep of de opleiding die tot het beroep toegang geeft in ten minste een derde van de lidstaten is gereglementeerd.

In overleggen tussen de Europese Commissie en de nationaal coördinatoren van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties uit de lidstaten worden ontwikkelingen rond de richtlijn besproken. Daarbij komen ook eventuele voorstellen uit de lidstaten over gemeenschappelijke opleidingsproeven aan de orde en kan Nederland een bijdrage leveren. Een actieve betrokkenheid van Nederland moet ertoe bijdragen dat gemeenschappelijke opleidingsproeven worden vastgesteld voor zover dit ook voor Nederland tot de gewenste effecten leidt.

De reikwijdte van een gemeenschappelijke opleidingsproef is in de richtlijn bepaald.7 Indien een gemeenschappelijke opleidingsproef is ingevoerd, dienen alle lidstaten deze opleidingsproef op nationaal niveau te organiseren. Lidstaten kunnen bij de Europese Commissie een beroep doen op een uitzondering van deze verplichting; nadat de Commissie op een dergelijk verzoek heeft gereageerd is duidelijk of die lidstaat gehouden is de opleidingsproef te organiseren.

Voorts vragen de leden van de SP-fractie vragen of de regering in kan gaan op het vanuit andere lidstaten geuite bezwaar dat de richtlijn invloed heeft op nationale gezondheidsstelsels, wat in strijd is met het subsidiariteitsprincipe, aldus deze leden.

Volgens het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie ligt het primaat wat het volksgezondheidsbeleid betreft bij de afzonderlijke lidstaten. De bevoegdheid van de EU is het ondersteunen van lidstaten op het terrein van de volksgezondheid.8

De gezondheidszorg kent veel gemeenschappelijke uitdagingen en er is een groeiende wederzijdse afhankelijkheid tussen lidstaten. Europese samenwerking kan noodzakelijk zijn of tot wederzijds nut strekken. De kern van een interne markt met vrij verkeer van goederen, werknemers, diensten en het recht op vestiging betreft ook de dienstverlening en de beroepen in de gezondheidzorg. Zo is het voor Nederlanders met een hier behaald diploma waarvoor automatische erkenning bestaat nuttig dat zij zich daar in heel Europa op kunnen laten voorstaan. Voor beroepen waarvoor erkenning op basis van het algemeen stelsel geldt, is het voordeel dat eenieder rechten heeft met betrekking tot de wijze van beoordeling en de procedure zodat betrokkene niet op grond van zijn nationaliteit gediscrimineerd mag worden. Dat principe is wederzijds.

Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat op Europees niveau alleen geregeld moet worden wat door de afzonderlijke lidstaten nationaal niet net zo effectief geregeld kan worden. Deze richtlijn verheldert op enkele fundamentele punten de implicaties van het subsidiariteitsbeginsel voor het nationale volksgezondheidbeleid. Zo is nu duidelijk dat lidstaten bij beroepen met gezondheidszorgimplicaties buitenlands gediplomeerden uit Europa om bewijs mogen vragen van taalbeheersing en betrokkene mogen toetsen alvorens ze in te schrijven in een nationaal register. Ook het voorstel met betrekking tot het waarschuwingsmechanisme voldoet aan de eis van subsidiariteit omdat een verplichtend wederzijds waarschuwingsmechanisme tussen lidstaten niet zonder bindende Europese regels tot stand gebracht kan worden. Het mechanisme van een beroepskaart waarbij het land van oorsprong de beoordeling van diploma’s en documenten doet kan alleen werken als op Europees niveau de voorwaarden ervoor worden geschapen en er bindende regels zijn.

De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of de regering in kan gaan op het bezwaar dat de richtlijn inbreuk maakt op nationale competenties op onderwijsgebied, bijvoorbeeld ten aanzien van betaalde stages.

De regering geeft aan te hechten aan de nationale bevoegdheid op het terrein van onderwijs. Vooropgesteld moet worden dat de uitoefening van en eisen aan een beroep een nationale bevoegdheid is en moet blijven. Deze richtlijn gaat niet over het voorschrijven van inhoudelijke competenties ten aanzien van beroepen of beroepsstages, maar over het verbeteren van de toegankelijkheid en de veiligheid van de interne markt. De richtlijn schrijft voor dat lidstaten bij de toelating van een beroepsbeoefenaar tot een gereglementeerd beroep, zich rekenschap moeten geven van stages die een beroepsbeoefenaar in een andere lidstaat of een derde land heeft gevolgd en die onder bepaalde voorwaarden dienen te erkennen. Het is aan de lidstaten om regels te stellen waaraan een beroepsstage moet voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen inclusief betaling.

Voorts vragen de leden van de SP-fractie hoe de regering beoordeelt dat ook het Roemeense parlement een reactie heeft gestuurd aan de Europese Commissie via de politieke dialoog, waarin wordt gesteld dat regulering van het notarisberoep aan het juridische systeem van de lidstaten is. Deelt de regering deze mening, zo vragen de leden.

Over de reikwijdte van richtlijn 2005/36/EG als het gaat om erkenning van beroepskwalificaties binnen het notarisberoep, bestond voor de herziening van de richtlijn onduidelijkheid. Deze reikwijdtevraag is aan de orde gekomen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarbij tevens de vraag heeft gespeeld of lidstaten nationale regels kunnen stellen ten aanzien van het notarisberoep die de vrijheid van vestiging van EU-burgers beperken.9 In mei 2011 bevestigde het Hof de vaste jurisprudentie door te oordelen dat nationale beperkingen op de vrijheid van vestiging in het notarisberoep gerechtvaardigd zijn voor zover bij de werkzaamheden sprake is van de uitoefening van openbaar gezag.10 Bij notariswerkzaamheden is van de uitoefening van openbaar gezag niet per definitie sprake11; daarbij bestaan er soms grote verschillen tussen de werkzaamheden in de verschillende lidstaten. In de uitspraak van mei 2011 oordeelde het Hof tevens dat de Europese wetgever in richtlijn 2005/36/EG geen duidelijke keuze had gemaakt over de toepasselijkheid van de richtlijn op het notarisberoep.12 De uitspraak van het Hof was derhalve aanleiding voor herziening van de richtlijn op dit punt.

Onder meer vanwege de verschillen tussen de lidstaten als het gaat om de uitoefening van het notarisberoep, zijn de lidstaten – in lijn met de jurisprudentie van het Hof – tijdens de onderhandelingen over de herziening overeengekomen dat het notarisberoep is uitgesloten van de richtlijn voor zover een notaris in de betreffende lidstaat bij officieel overheidsbesluit wordt benoemd. De regering meent dat de regulering op de erkenning van beroepskwalificaties voor het notarisberoep zoals deze in de herziene richtlijn is vervat, in lijn is met de uit het Europees recht voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Unie enerzijds en de afzonderlijke lidstaten anderzijds.

De leden van de SP-fractie zijn van mening, zo geven zij aan, dat gezondheidszorg altijd een nationale kwestie moet blijven. Kwaliteit en veiligheid van mensen moeten daarbij altijd voorop blijven staan, aldus deze leden. Blijven er mogelijkheden om aanvullende eisen te stellen, zo vragen zij. Voorts vragen de leden hoe dat in andere landen is geregeld.

Voor een volledige beantwoording benoemt de regering graag kort het onderscheid tussen het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties, en het verkrijgen van toegang tot een beroep. Zodra een inkomend beroepsbeoefenaar in Nederland erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen, kan hij het betreffende beroep uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als die voor de eigen onderdanen van Nederland gelden. Dit betekent dat alvorens de beroepsbeoefenaar daadwerkelijk wordt toegelaten tot het beroep, kan worden verlangd dat hij – separaat van het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties – eventuele niet-discriminerende voorwaarden voor de uitoefening van het beroep in acht neemt, voor zover deze gerechtvaardigd en evenredig zijn. Voorbeelden van aanvullende eisen zijn taaleisen of registratievereisten. Na het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties kunnen derhalve aanvullende eisen worden gesteld, mits die eisen ook aan eigen onderdanen worden gesteld. Bij aanvullende eisen in het kader van het verkrijgen van toegang tot een beroep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan registratievereisten of ethische beroepsregels. Bovenstaande geldt voor alle beroepen, waaronder alle beroepen in de gezondheidszorg.

In hoeverre als onderdeel van de erkenningsprocedure an sich eisen mogen worden gesteld bovenop de beroepskwalificaties die een (medisch) beroepsbeoefenaar reeds bezit bij binnenkomst, is afhankelijk van het desbetreffende specifieke beroep. Een vijftal beroepen in de gezondheidszorg zijn zogeheten sectorale beroepen (basisarts, tandarts, verpleegkundige, apotheker, en verloskundige). Voor deze beroepen geldt op basis van de oorspronkelijke richtlijn dat de lidstaten met elkaar minimumopleidingseisen overeen zijn gekomen. Indien een inkomend beroepsbeoefenaar voldoet aan die minimumopleidingseisen, verkrijgt hij automatisch erkenning van beroepskwalificaties en dienen geen aanvullende eisen te worden gesteld indien die onderdeel zouden uitmaken van de erkenningsprocedure. Uiteraard worden binnen de minimumopleidingseisen dusdanige kennis, vaardigheden en competenties vereist dat van een beroepsbeoefenaar die aan het minimumniveau voldoet kan worden verondersteld dat de kwaliteit van de werkzaamheden en de veiligheid van patiënten niet in het geding komt. Voor beroepen die niet in het zogeheten sectorale stelsel maar in het algemene stelsel vallen (voor wat betreft de medische beroepen zijn dat alle medische beroepen behalve de vijf bovengenoemde beroepen) geldt dat geen automatische erkenning wordt verleend maar dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de beroepskwalificaties die een beroepsbeoefenaar bezit, en de beroepskwalificaties die in Nederland van een beroepsbeoefenaar in het betreffende beroep worden verlangd. Indien sprake is van een wezenlijk verschil tussen beide, kan aan de beroepsbeoefenaar een compenserende maatregel worden opgelegd waarmee het verschil dient te worden overbrugd. Dit kan in de vorm van het afleggen van een zogeheten «proeve van bekwaamheid» of het doorlopen van een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar.

In antwoord op de vraag hoe andere landen omgaan met het stellen van aanvullende eisen kan de regering aangeven dat de bovenstaande systematiek ook geldt voor andere EU-lidstaten. In andere lidstaten is men evenzeer gehouden aan de in de richtlijn vastgelegde minimumopleidingseisen in het kader van beroepen onder het sectoraal stelsel met automatische erkenning. Over het stellen van aanvullende eisen in medische beroepen is bekend dat in Frankrijk doorgaans een interview met leden van de beroepsgroep plaats vindt over het beroep en de beroepshouding en dat de General Medical Council in het Verenigd Koninkrijk sinds de richtlijn al een taaldiploma vraagt indien men niet aan een Engelstalige faculteit is afgestudeerd. In Nederland moet men aantonen dat de beroepservaring op peil is gehouden en dat de laatste vijf jaar minimaal het wettelijk vereiste aantal uur relevante werkervaring is opgedaan. Geneeskundig specialisten moeten bovendien bewijs van bij- en nascholing en deskundigheidsbevorderende activiteiten zoals visitatie en intercollegiale toetsing overleggen voor het behoud van hun registratie.

1. Richtlijn 2005/36

1.1 Gereglementeerd beroep

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de regering ernaar streeft dat in de toekomst alle leraren zich inschrijven in een verplicht lerarenregister. Is de gedachte dat het lerarenberoep in de toekomst ook een gereglementeerd beroep wordt in de zin van richtlijn 2013/55. Welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag, zo vragen zij.

De regering geeft aan dat het lerarenberoep in Nederland reeds een gereglementeerd beroep is in de zin van de richtlijn 2005/36/EG. Een gereglementeerd beroep is een beroep waarvoor geldt dat de toegang daartoe of de uitoefening daarvan van overheidswege afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. De eisen voor toegang tot het lerarenberoep zijn voor de verschillende sectoren opgenomen in de sectorwetten voor het onderwijs: de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de expertisecentra. De kwaliteitseisen in de vorm van bekwaamheidseisen, en na invoering van het lerarenregister ook de herregistratiecriteria, worden middels een voorstel door de beroepsgroep ingericht. Welke eisen dit precies zullen zijn is voorbehouden aan de beroepsgroep, omdat zij als geen ander kunnen aangeven wat een leraar minimaal moet doen aan zijn eigen professionele ontwikkeling om het beroep goed te kunnen uitoefenen.

1.2 Erkenningsstelsels

De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke beroepen Nederland heeft vastgesteld in het kader van het algemeen stelsel.

In antwoord op deze vraag moge de regering u verwijzen naar het Nationaal actieplan gereglementeerde beroepen, vastgesteld op 23 maart 2015.13 Dit Nationaal actieplan bevat een lijst van gereglementeerde beroepen per ministerie. Die lijst bevat ook de zeven «sectorale beroepen» van arts, verpleegkundige, tandarts, dierenarts, verloskundige, apotheker en architect, alsmede een aantal bij de basisberoepen van arts en tandarts behorende specialismen. De overige beroepen in de lijst vallen onder het algemeen stelsel.

De leden van de VVD-fractie vragen van welke beroepen, die door andere lidstaten zijn opgenomen in hun algemeen stelsel, Nederlanders het meest gebruik maken. Tevens vragen deze leden of de Nederlandse overheid met deze lidstaten in gesprek is om een aansluiting te bevorderen.

Welke beroepen onder het algemeen stelsel vallen verschilt per lidstaat en is afhankelijk van de reglementering in de betreffende lidstaat. Onder de oorspronkelijke richtlijn meldt een Nederlander die in een andere EU-lidstaat wil werken, zich direct bij de bevoegde autoriteit in de ontvangende lidstaat. De regering heeft momenteel geen inzage in het aantal erkenningsaanvragen van Nederlanders in andere lidstaten, of in de beroepen waarop deze aanvragen het vaakst zien. Nederlanders die een erkenningsprocedure in een andere lidstaat willen starten, kunnen informatie en ondersteuning vragen bij het Nationaal contactpunt (NCP) voor de richtlijn erkenning beroepskwalificaties. Elke lidstaat heeft een NCP – in Nederland wordt de rol van NCP vervuld door EP-Nuffic; een expertise- en dienstencentrum voor de internationalisering van alle onderwijssectoren in Nederland. EP-Nuffic meldt dat er verhoudingsgewijs veel verzoeken tot ondersteuning binnenkomen van in Nederland gekwalificeerde medisch beeldvormend radiotherapeuten, fysiotherapeuten en leraren. Aan de gegevens van EP-Nuffic is geen informatie te ontlenen over het totaal aan uitgaande beroepsbeoefenaren vanuit Nederland.

De regering begrijpt de vraag of de Nederlandse overheid met «deze lidstaten» in gesprek is zo, dat deze ziet op de lidstaten waar Nederlanders het meest gebruik maken van erkenningsprocedures om te kunnen gaan werken in beroepen in het algemeen stelsel. De Nederlandse overheid spreekt in EU-verband met alle lidstaten over de werking van de richtlijn en de implementatie van de herziene richtlijn. Zoals eerder in deze Nota naar aanleiding van het verslag aangegeven op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de motie van de leden Straus en Jadnanansing, wordt momenteel vanuit Nederland in ieder geval ingezet op een goede samenwerking met de grensregio’s bij de erkenning van beroepskwalificaties.

1.3 Bevoegde autoriteiten

De leden van de D66-fractie vragen de regering een overzicht te geven van alle bevoegde autoriteiten.

In reactie op deze vraag verstrekt de regering bij deze nota naar aanleiding van het verslag een bijlage met daarin een overzicht van alle bevoegde autoriteiten, behorend bij de gereglementeerde beroepen in het Nationaal actieplan erkenning beroepskwalificaties dat de Minister van Economische Zaken eerder naar uw Kamer heeft verzonden.14 De lijst van beroepen en bevoegde autoriteiten zoals weergegeven in de bijlage kan in de loop der tijd uiteraard aan verandering onderhevig zijn15.

De leden van de D66-fractie vragen voorts of de regering heeft overwogen enkele van de bevoegde autoriteiten samen te voegen. Kan de regering nader ingaan op de voor- en nadelen van het samenvoegen van bevoegde autoriteiten, zo vragen zij tevens.

In Nederland zijn de ministers van de verschillende departementen verantwoordelijk voor het uitvoeren van de erkenningsprocedures voor de gereglementeerde beroepen binnen hun portefeuille. Zij kunnen ervoor kiezen de taken voortvloeiend uit de richtlijn zelf uit te voeren of hiertoe bevoegde autoriteiten aan te wijzen. Het is derhalve aan de Minister in kwestie om te bepalen of hij een bevoegde autoriteit aanwijst en, indien hij dat doet, of hij alle gereglementeerde beroepen in zijn portefeuille bij dezelfde bevoegde autoriteit onderbrengt of dat hij meerdere bevoegde autoriteiten aanwijst. Voor gezondheidszorgberoepen bestaat er bijvoorbeeld één bevoegde autoriteit voor alle beroepen in de gezondheidszorg (het CIBG); daarachter zit voor de erkenning en registratie van specialismen een aantal deskundigenorganisaties van beroepsverenigingen. In andere gevallen is vanwege de variëteit aan gereglementeerde beroepen vallend onder één ministerie de uitvoering van de erkenningsprocedures voor deze beroepen belegd bij verschillende bevoegde autoriteiten. In het overzicht in de bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag wordt aangegeven welke organisatie als bevoegde autoriteit optreedt voor de gereglementeerde beroepen zoals die zijn aangegeven in het Nationaal actieplan erkenning beroepskwalificaties.

2. Richtlijn 2013/55

2.1 Doelen richtlijn 2013/55

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten wat haar verwachtingen zijn na de invoering van de richtlijn. De leden vragen voorts in welke mate de regering verwacht dat de arbeidsmigratie zal toenemen, voor welke sectoren en waarop zij deze aannames baseert.

De regering wijst er op dat dit wetsvoorstel implementatie betreft van een wijziging van de bestaande richtlijn erkenning beroepskwalificaties 2005/36. De herziene richtlijn verbetert de reeds bestaande erkenningsprocedure op een aantal punten en kan de arbeidsmigratie daarmee een extra impuls geven. De regering wijst er voorts op dat de feitelijk plaatsvindende arbeidsmigratie niet alleen afhankelijk is van de werking van de richtlijn, maar ook van vele andere factoren zoals sociaaleconomische ontwikkelingen die sterk kunnen variëren afhankelijk van plaats en tijd.

2.2 Inhoud richtlijn 2013/55

2.2.1 Modernisering van het sectoraal stelsel

De leden van de VVD-fractie geven aan dat zij lezen dat de opleidingseisen voor een basisarts niet langer zes jaar, maar vijf jaar zijn. In Nederland zijn echter alle geneeskunde opleidingen zes jaar, merken zij op. Acht de regering dit wenselijk en realistisch, vragen de leden. Zou dit kunnen betekenen dat Nederlandse geneeskunde opleidingen ook een vijfjarige opleiding tot basisarts kunnen aanbieden, vragen zij tevens.

Voor de medische sectorale beroepen (arts, tandarts, verpleegkundige, apotheker, verloskundige) geldt dat naar aanleiding van de herziene richtlijn de opleidingseisen in Nederland niet worden verlaagd. Voor geneeskunde blijft het 5.500 uur oftewel 6 jaar. De beroepsorganisaties en opleidingsinstellingen van vervolgopleidingen tot geneeskundig specialist van deze basisberoepen, die meest ook onder het sectoraal stelsel vallen, zetten echter voor de specialistenopleidingen in op individualisering en flexibilisering van de studieduur en op meer competentiegericht leren. Door de studielast uit te drukken in creditpunten via het European Credit Transfer System (ECTS) en door het voor sommige excellente studenten mogelijk te maken hun specialisatie al in het laatste studiejaar van de opleiding tot basisarts aan te vangen, kunnen sommige studenten daardoor sneller als specialist afstuderen.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen, zo geven zij aan, dat de minimumopleidingseisen zijn verlaagd bij de sectorale beroepen. Wat voor gevolgen heeft dit voor de kwalitatieve inhoud van deze beroepen, vragen deze leden. Kan de regering nader toelichten hoe dit bij de nieuwe ontwikkelingen in deze opleidingen aansluit, zo vragen zij voorts.

Voor het beroep van architect zijn de minimumopleidingseisen in de richtlijn als volgt gewijzigd. Voorheen gold als minimumopleidingseis:

  • een opleiding van ten minste vier jaar op voltijdbasis aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling, of

  • een opleiding van zes jaar, waarvan ten minste drie jaar voltijds aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling.

Met de herziene richtlijn geldt:

  • Een opleiding van ten minste vijf jaar op voltijdbasis aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling, of

  • Niet minder dan vier jaar studie op voltijdbasis aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling en een tweejarige beroepsstage.

De wijziging lijkt op een aanscherping van de opleidingseisen, maar feitelijk wordt hiermee aangesloten bij de wijze waarop de opleidingen nu zijn ingericht. Met de herziene richtlijn is verder aan de bestaande opleidingseisen voor het beroep van architect toegevoegd dat de kennis van natuurkundige en technologische vraagstukken ook gericht dient te zijn op de duurzame ontwikkeling. Deze eis zal worden opgenomen in de Nadere regeling inrichting architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect.

Voor de medische sectorale beroepen (basisarts, tandarts, verpleegkundige, apotheker, verloskundige) geldt niet dat naar aanleiding van de herziene richtlijn de opleidingseisen in Nederland worden verlaagd. Met betrekking tot de medisch specialistische vervolgopleidingen, die meest ook onder het sectoraal stelsel vallen, zetten de beroepsorganisaties en opleidingsinstelling in op individualisering en flexibilisering van de studieduur en op meer competentiegericht leren en een studielast via het European Credit Transfer System in plaats van in studiejaren. Daardoor krijgen excellente studenten de kans om hun studie sneller af te ronden.

2.2.2 Verlaging van de beroepservaringseis

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de beroepservaringseis wordt verlaagd van twee naar één jaar. De leden vragen de regering nader in te gaan op mogelijke effecten die deze verlaging in zich heeft.

De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van de verlaging van de beroepservaringseis van twee naar één jaar een nadere toelichting op de overweging hiervoor. Er is ooit vanwege een bepaalde redenatie gekozen voor de termijn van twee jaar, merken zij op. Zijn deze overwegingen niet meer geldig, zo vragen zij.

De leden van de CDA-fractie vragen tevens of een termijn van één jaar niet heel erg kort is, zeker voor bepaalde beroepen met een bepaald risico en grote verantwoordelijkheid, voegen zij daaraan toe.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de beroepservaringseis omlaag gaat naar één jaar in plaats van twee jaar. Welke inhoudelijke reden ligt ten grondslag aan het verlagen van de beroepservaringseis, zo vragen zij.

In antwoord op bovengenoemde vragen geeft de regering het volgende aan. De (verlaagde) beroepservaringseis geldt ten aanzien van beroepsbeoefenaars die afkomstig zijn uit een lidstaat waar hun beroep niet is gereglementeerd. Omdat ten aanzien van deze beroepsbeoefenaars niet altijd een even goede vergelijking van beroepskwalificaties kan plaatsvinden als bij beroepsbeoefenaars uit lidstaten waar het beroep wel is gereglementeerd, moeten zij per definitie naast het tonen van een opleidingstitel ook aantonen dat zij beroepservaring hebben opgedaan. Uitgangspunt bij de behandeling van erkenningsaanvragen uit niet-reglementerende lidstaten is dat voor de bevoegde autoriteit in de ontvangende lidstaat duidelijk moet zijn dat de beroepsbeoefenaar voorbereid is op de uitoefening van het betrokken beroep in de ontvangende lidstaat. Dit uitgangspunt was reeds vervat in de richtlijn en blijft met de herziene richtlijn gelden.

Uit de evaluatie van de richtlijn bleek dat in de uitvoeringspraktijk een beroepservaringseis van twee jaar een te hoge drempel opwierp voor toegang tot een beroep in een andere lidstaat. In het bijzonder voor jonge arbeidskrachten is het moeilijk om te voldoen aan een eis van twee jaar beroepservaring, terwijl zij niet noodzakelijkerwijs minder geschikt zijn als beroepskracht. Het behoort tot een van de doelen van de herziene richtlijn om disproportionele reglementering van beroepen door lidstaten weg te nemen om zo de mobiliteit te bevorderen.16 Het past niet bij die gedachte om ten aanzien van beroepsbeoefenaars afkomstig uit niet-reglementerende lidstaten een eis te stellen die in de praktijk disproportioneel blijkt te zijn.

Met het oog op het bovenstaande wordt de beroepservaringseis verlaagd naar één jaar. De verlaging heeft als beoogde effecten te voorkomen dat bekwame beroepsbeoefenaars – jongeren in het bijzonder – buiten de boot vallen, en de arbeidsmigratie (verder) te stimuleren door overschotten aan (geschikte en competente) arbeidskrachten op een effectieve manier in te zetten op de plekken waar daaraan een tekort is.

De leden van de CDA-fractie vragen of de medische beroepen zijn inbegrepen in de aanpassing van de beroepservaringseis, of dat ze er buiten vallen.

De aanpassing van de beroepservaringseis is mede van toepassing op de medische beroepen.

2.2.3 Gedeeltelijke toegang

De leden van de VVD-fractie vragen of een gedeeltelijke toegang in de praktijk wel zo praktisch en handhaafbaar is, zoals wordt voorgesteld met het voorbeeld van de kleuterleidster.

De regering vestigt graag de aandacht op het feit dat de gedeeltelijke toegang al onderdeel van de praktijk van de lidstaten is. Zoals wordt beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel17, is de verplichting ontstaan uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Naar aanleiding van jurisprudentie van de Nederlandse bestuursrechter18 waarin die verplichting wordt bevestigd, verleent DUO aan kleuterleidsters met Belgische beroepskwalificaties die in Nederland hun beroep willen uitoefenen reeds gedeeltelijke toegang tot het beroep van leraar primair onderwijs, waarbij de beroepsactiviteiten die zij mogen uitoefenen zich beperken tot het lesgeven aan groep 1 en 2. Met de herziening van de richtlijn is de gedeeltelijke toegang derhalve slechts geëxpliciteerd.

De regering wenst te benadrukken dat de richtlijn erin voorziet dat gedeeltelijke toegang enkel hoeft te worden verleend als het betreffende specifieke geval zich daarvoor leent. De gedeeltelijke toegang moet bijvoorbeeld geen manier zijn voor een verpleegkundige om toegang te krijgen tot het beroep van chirurg, enkel omdat een deel van de werkzaamheden van de beide beroepen mogelijk overlappen. Om dergelijke scenario’s uit te sluiten en de gedeeltelijke toegang te beperken tot gevallen die zich lenen voor de praktijk, stelt de richtlijn specifieke voorwaarden op basis waarvan gedeeltelijke toegang moet worden verleend. Deze voorwaarden worden opgenomen in voorgesteld artikel 12 van het wetsvoorstel.19

Op de vraag of de gedeeltelijke toegang handhaafbaar is, wenst de regering nog het volgende op te merken. De betreffende ministers en de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten hebben de verantwoordelijkheid om binnen de context van de desbetreffende beroepsgroep te bezien wat er praktisch nodig is om goede uitvoering te geven aan de gedeeltelijke toegang. Een beroepsbeoefenaar met gedeeltelijke toegang moet bijvoorbeeld zijn beroepstitel uit de lidstaat van oorsprong voeren en mag niet de Nederlandse titel voeren die wordt gevoerd door beroepsbeoefenaars die gekwalificeerd zijn voor het volledige beroep. Dat wordt geregeld in het voorgestelde artikel 12, derde lid, van het wetsvoorstel20. Het voeren van de Nederlandse titel zou immers verwarrend zijn en naar consumenten en patiënten de indruk kunnen wekken dat iemand met gedeeltelijke toegang over dezelfde kwalificaties en bevoegdheden beschikt als iemand die volledig bevoegd is. Het is dan aan de Minister dan wel de bevoegde autoriteit in kwestie om erop toe te zien dat de juiste titel wordt gevoerd.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts, in het kader van de gedeeltelijke toegang, of er geen prikkel mogelijk is om binnen een bepaalde termijn alsnog de volledige bevoegdheid te halen?

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre het gemakkelijker wordt gemaakt voor de beroepsbeoefenaar met een gedeeltelijke toegang om zich dusdanig te kwalificeren dat hij volledige toegang krijgt, en of er speciale opleidingen nodig zijn die het maatwerk bieden dat nodig is.

In reactie op bovenstaande vragen merkt de regering het volgende op. Het doel van de richtlijn is om het voor beroepsbeoefenaars mogelijk te maken het beroep waartoe zij in eigen lidstaat zijn gekwalificeerd, te kunnen uitoefenen in een andere lidstaat. Het behoort niet tot de doelstellingen van de richtlijn om het kwalificatieniveau van beroepsbeoefenaars ten algemene te verhogen. Ten behoeve van de uitoefening van het eigen beroep in andere lidstaten stelt de richtlijn regels voor het erkennen van de beroepskwalificaties die een beroepsbeoefenaar reeds bezit. Enkel indien het voor de uitoefening in een andere lidstaat van het eigen beroep nodig is dat nog een extra kwalificatie wordt behaald, biedt de richtlijn – met het oog op snelle toetreding tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst – hiervoor de mogelijkheden tot het opleggen van zogeheten compenserende maatregelen in de vorm van een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar. Op deze manier wordt de beroepsbeoefenaar de mogelijkheid geboden alsnog de noodzakelijke kwalificaties te kunnen behalen. In sommige gevallen zal het te overbruggen verschil zo groot zijn, dat een compenserende maatregel geen geschikt middel zou zijn om relatief snelle toegang tot het eigen beroep te bewerkstelligen. Voor deze categorie van gevallen is de gedeeltelijke toegang bedoeld. Het is volgens de regering niet noodzakelijk of wenselijk om bovenop de beschreven systematiek op nationaal niveau nog een extra prikkel in te bouwen dan wel speciale opleidingen aan te bieden. Het is wel mogelijk om in Nederland gebruik te maken van de mogelijkheid om een diploma te laten waarderen door EP-Nuffic of de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. Vervolgens kan de beroepsbeoefenaar bezien wat een juist opleidingstraject zou kunnen zijn om toegang tot het beroep te krijgen.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of gedeeltelijke toegang alleen mogelijk is voor beroepen in het algemeen stelsel.

Uit de richtlijn volgt dat gedeeltelijke toegang inderdaad enkel kan worden verleend in geval van een erkenningsverzoek ten aanzien van een beroep dat in het algemeen stelsel valt. Immers, voor beroepen in het sectoraal stelsel geldt dat indien aan de minimumopleidingseisen is voldaan, automatische erkenning voor het hele beroep wordt verleend. Een gedeeltelijke toegang kan dan per definitie niet aan de orde zijn. Hetzelfde geldt voor de automatische erkenning van gemeenschappelijke opleidingsbeginselen (zie voorgesteld hoofdstuk 3b van het wetsvoorstel21).

Het kan overigens voorkomen dat een beoefenaar van een sectoraal beroep niet voldoet aan de minimumopleidingseisen. Zijn verzoek om erkenning van beroepskwalificaties kan dan in bepaalde door de richtlijn voorgeschreven omstandigheden alsnog behandeld worden, maar dan volgens de procedure van het algemeen stelsel. Er wordt dan geen automatische erkenning verleend, maar een vergelijking vindt plaats tussen de kwalificaties die de beroepsbeoefenaar bezit, en de in Nederland vereiste beroepskwalificaties. In een dergelijk geval kan gedeeltelijke toegang eventueel wel aan de orde zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of voor de beroepsbeoefenaar die geen toegang krijgt omdat zijn kwalificaties ontoereikend zijn, voldoende mogelijkheden zijn in de ontvangende lidstaat of de lidstaat van herkomst om binnen korte tijd gekwalificeerd te worden.

De regering wijst allereerst op het in de richtlijn opgenomen instrument van de zogeheten «compenserende maatregelen». Dit instrument is in de richtlijn vervat met het oog op snelle toetreding tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst, en maakt het mogelijk voor een beroepsbeoefenaar die nog niet over de vereiste kwalificaties beschikt om in de ontvangende lidstaat zijn eigen beroep uit te oefenen, om alsnog die noodzakelijke kwalificaties te kunnen behalen. Indien er een wezenlijk verschil bestaat tussen de vereiste kwalificaties en de kwalificaties die de beroepsbeoefenaar bezit, kan een beroepsbeoefenaar namelijk dat verschil compenseren met een proeve van bekwaamheid, of een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar.

De mogelijkheid bestaat dat een te groot wezenlijk verschil bestaat om dit met een compenserende maatregel te kunnen overbruggen. Als in het betreffende geval ook de gedeeltelijke toegang22 tot een beroep geen gepaste oplossing is, is het in Nederland mogelijk om gebruik te maken van de mogelijkheid het diploma te laten waarderen door EP-Nuffic of de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. Vervolgens kan de beroepsbeoefenaar bezien wat een juist opleidingstraject zou kunnen zijn om wel aan de benodigde eisen te voldoen.

2.2.4 Talenkennis

De leden van de VVD-fractie lezen, zo geven zij aan, dat niet per definitie de talenkennis getoetst wordt, maar dat daarvoor gronden moeten zijn zoals omschreven staan in artikel 31, zoals het mogelijk implicaties tot gevolg hebben voor de patiëntveiligheid. De leden vragen waarom voor deze specifieke formulering is gekozen.

De leden van de SP-fractie merken op dat buitenlandse beroepsbeoefenaren in Nederland het Nederlands zullen moeten beheersen. Waarom wordt dat niet in elke individuele situatie getoetst, zo vragen zij.

In reactie op de vraag van de leden van de VVD-fractie en de vraag van de leden van de SP-fractie geeft de regering aan dat de specifieke formulering van voorgesteld artikel 31 direct volgt uit de richtlijntekst zoals deze is overeengekomen tussen de lidstaten. De nadruk op patiëntveiligheid bij het onderwerp talenkennis is te verklaren door de evaluatie van de oorspronkelijke richtlijn. Uit die evaluatie van de uitvoeringspraktijk binnen de verschillende lidstaten bleek dat er behoefte bestond aan ruimere mogelijkheden om de talenkennis van medische beroepsbeoefenaars te toetsen. De talenkennis kan in principe in elk beroep worden getoetst, maar enkel voor beroepen met patiëntveiligheidsimplicaties geldt dat die controles ook systematisch en in gestandaardiseerde vorm mogen plaatsvinden. Bij overige gereglementeerde beroepen dient per geval te worden bekeken of het toetsen van taalkennis noodzakelijk is. Dit is te verklaren doordat reeds in de oorspronkelijke richtlijn veel belang werd gehecht aan de verantwoordelijkheid van werkgevers en klanten in de lidstaten voor het toezien op de talenkennis van beroepsbeoefenaars waarmee zij een overeenkomst aangaan. De regering is van mening dat het ook in de rede ligt werkgevers en klanten hierin een verantwoordelijkheid te geven omdat grote verschillen kunnen bestaan tussen het belang van talenkennis in verschillende beroepsgroepen en verschillende gevallen.

Is de veiligheid in algemene zin geen reden om de verplichte talenkennis af te nemen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De regering onderkent dat de veiligheid in algemene zin een reden kan zijn om te toetsen of een beroepsbeoefenaar beschikt over de talenkennis die vereist is voor de uitoefening van zijn beroep. De richtlijn en ook het wetsvoorstel bieden dan ook de mogelijkheid voor de verantwoordelijk Minister om de talenkennis te toetsen van een buitenlandse beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen in Nederland. Indien het een beoefenaar van een gereglementeerd beroep zonder patiëntveiligheidimplicaties betreft, geldt wel dat er ernstige en concrete twijfel over diens talenkennis moet bestaan en dat taalcontroles dus niet in structurele en gestandaardiseerde vorm worden opgelegd. Dit is te verklaren doordat reeds in de oorspronkelijke richtlijn veel belang werd gehecht aan de verantwoordelijkheid van werkgevers en klanten in de lidstaten voor het toezien op de voor de specifieke functie benodigde talenkennis van beroepsbeoefenaars waarmee zij een overeenkomst aangaan. Werkgevers hebben ten algemene een verantwoordelijkheid erop toe te zien dat bij hun werknemers – zeker in beroepen waarbij de openbare veiligheid in het geding zou kunnen zijn – geen sprake is van een gebrek aan talenkennis die risico’s zou kunnen opleveren voor de openbare veiligheid. De regering is van mening dat het in de rede ligt werkgevers en klanten hierin een verantwoordelijkheid te geven omdat grote verschillen kunnen bestaan tussen het belang van talenkennis in verschillende beroepsgroepen en verschillende gevallen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat zij een taaltoets een redelijke eis vinden voor mensen die in Nederland een beroep willen uitoefenen. Zij kunnen zich voorstellen dat er niet eenzelfde niveau van beheersing van de Nederlandse taal hoeft te worden verlangd van een architect als van een arts, zo geven zij aan. De leden menen dat bij beroepen in de gezondheidszorg een goede beheersing van het Nederlands echter overal wel van belang is. Hoe gaat de regering deze gedachte nader uitwerken, zo vragen zij.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het eens is met de opmerking dat het voor de bescherming van patiënten wenselijk is dat de beheersing van de Nederlandse taal door buitenlandse beroepsbeoefenaren in elke individuele situatie wordt getoetst.

In antwoord op deze vragen geeft de regering aan dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onderzoek laat verrichten naar het controleren op beheersing van het Nederlands bij registratie in het BIG-register van beroepsbeoefenaars met een diploma uit de EER. De uitkomst van dit onderzoek evenals een beleidsreactie wordt de Kamer binnenkort aangeboden door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Kamer in 2013 heeft gevraagd of de exameneis Nederlands zou kunnen vervallen voor Engelstalige opleidingen in het mbo. Hoe verhoudt het onderhavige wetsvoorstel zich tot dit verzoek vanuit de Kamer, zo vragen de leden.

Het onderhavige wetsvoorstel heeft betrekking op de erkenning van beroepskwalificaties met als doel in Nederland of in een andere EU-lidstaat een bepaald beroep te kunnen uitoefenen. Het verzoek vanuit de Kamer over de exameneis Nederlands ziet op studenten die nog bezig zijn een beroepskwalificatie te verwerven. Met betrekking tot de exameneis Nederlands in Engelstalige mbo-opleidingen merk ik op dat ik een wetswijziging heb toegezegd op dat onderwerp. Bedoelde wetswijziging heeft betrekking op de exameneis voor Nederlandse taal, waaraan buitenlandse studenten in Engelstalige mbo-4 opleidingen in ons land niet (zouden) kunnen voldoen. Het desbetreffende taalvereiste zal niet vervallen. Op voorstel van de Kamer zal een «omkeerregeling» worden opgenomen. Daarbij wordt het voor de genoemde studenten mogelijk om op een lager niveau examen te doen in de Nederlandse taal, als zij voor Engels op een hoger niveau afstuderen.

2.2.5 Internemarktinformatiesysteem (IMI)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen uitleg over de verplichting om voor sommige taken gebruik te maken van het IMI. Over welke bevoegdheden en taken gaat deze verplichting, vragen zij. Welke andere systemen voor informatie-uitwisseling zijn in gebruik, zo vragen de leden voorts.

De herziene richtlijn stelt het voor bevoegde autoriteiten verplicht om bij de uitvoering van een aantal van hun taken gebruik te maken van het internemarktinformatiesysteem (IMI). Het IMI is een bestaand elektronisch online systeem voor informatie-uitwisseling tussen de EU-lidstaten, dat door de Europese Commissie wordt beheerd. Het maakt de administratieve samenwerking tussen EU-lidstaten en bevoegde autoriteiten op het gebied van de interne markt mogelijk. Het IMI wordt momenteel bijvoorbeeld al gebruikt voor informatie-uitwisseling ten behoeve van uitvoering van de Dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123/EG).

Het IMI wordt door bevoegde autoriteiten in meerdere lidstaten al gebruikt bij de uitvoering van de oorspronkelijke richtlijn 2005/36. Deze bevoegde autoriteiten maken er – optioneel – gebruik van in geval van informatieverzoeken aan bevoegde autoriteiten van andere lidstaten in het kader van erkenningsprocedures. Er zijn geen andere systemen in gebruik voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten in het kader van de uitvoering van richtlijn 2005/36 dan het IMI.

Hoewel het IMI dus in de uitvoeringspraktijk al een rol speelt, was het gebruik ervan tot nog toe niet verplicht. De herziene richtlijn stelt het gebruik van het IMI in een aantal gevallen nu wel verplicht, namelijk bij de uitvoering van:

Op grond van de herziene richtlijn zijn de lidstaten verplicht om gebruik te maken van het IMI bij de uitvoering van:

  • (1) de Europese beroepskaartprocedures;

  • (2) het waarschuwingsmechanisme; en

  • (3) de reeds bestaande verplichting voor bevoegde autoriteiten van de lidstaten om onderling – op elkaars verzoek – informatie uit te wisselen op het gebied van onder meer strafrechtelijke sancties en tuchtrechtelijke maatregelen die zijn opgelegd aan beroepsbeoefenaars.

2.2.6 Gemeenschappelijke opleidingsbeginselen

De leden van de VVD-fractie merken op dat er door de richtlijn de mogelijkheid komt om een gemeenschappelijk opleidingskader te bewerkstelligen. Een voorwaarde is dat minimaal een derde van de lidstaten de opleidingsbeginselen harmoniseert, merken zij tevens op. Is de Nederlandse overheid van plan hier proactief voorstellen op te gaan doen bij andere lidstaten, vragen deze leden. Verder vragen de leden in hoeverre en op welke wijze beroepsstandaarden die Skills Europe hanteert hiervoor kunnen worden gebruikt.

Een gemeenschappelijk opleidingskader kan voor beroepen zeker de mobiliteit van de beroepsbeoefenaar verbeteren binnen de EU. De Minister die het aangaat zal steeds bezien of een gemeenschappelijk opleidingskader van meerwaarde is voor de beroepsgroep en daar proactief op inzetten als daar aanleiding voor is. Daarbij is de informatie van de beroepsgroep mede van belang. Bovendien kunnen beroepsgroepen zelf bij de Europese Commissie en bij de verantwoordelijk Minister wensen kenbaar maken omtrent het instellen van gemeenschappelijke opleidingsbeginselen.

Skills Europe stelt «technical descriptions» op met als doel aan te geven over welke vaardigheden een kandidaat moet beschikken om aan de door deze organisatie georganiseerde beroepenwedstijden te kunnen deelnemen. Bedoelde beschrijvingen treden niet in de plaats van nationale beroepsstandaarden en/of kwalificaties.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Nederlandse overheid op de hoogte is van harmonisatievoorstellen van andere lidstaten.

Momenteel is bij de regering weinig bekend over harmonisatievoorstellen van andere lidstaten. De contacten tussen de lidstaten spitsen zich op dit moment toe op de omzetting naar nationale wet- en regelgeving van de herziene richtlijn. Wel is de regering bekend dat er binnen de EU gesprekken gevoerd worden over het (in Nederland niet gereglementeerde) beroep van skileraar. Het betreft hier het mogelijk instellen van een gemeenschappelijke trainingstest. Nederland heeft aangegeven betrokken te willen zijn bij dit plan en volgt deze ontwikkeling met interesse.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie welke doorwerking een gemeenschappelijk opleidingskader zal hebben in lidstaten die niet bij de onderlinge harmonisatie waren betrokken.

Beroepsorganisaties die op EU-niveau zijn vertegenwoordigd, nationale beroepsorganisaties, en verantwoordelijk ministers dan wel bevoegde autoriteiten uit de lidstaten zullen de mogelijkheid hebben om bij de Europese Commissie voorstellen in te dienen voor de vaststelling van een gemeenschappelijke opleidingskader. Alle lidstaten zijn verplicht om een vastgesteld gemeenschappelijk opleidingskader te implementeren in hun nationale stelsel; ook de lidstaten die geen onderdeel uitmaakten Op die manier wordt tegemoet gekomen aan de doelstelling om op zo groot mogelijke schaal binnen de EU opleidingseisen te harmoniseren en grensoverschrijdende mobiliteit te stimuleren. Mede met het oog op die nationale verplichting heeft het naar de mening van de regering de voorkeur om als lidstaat goed op de hoogte te zijn en te blijven van initiatieven tot het voorstellen van gemeenschappelijke opleidingskaders. In overleggen tussen de Europese Commissie en de nationaal coördinatoren van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties uit de lidstaten worden ontwikkelingen rond de richtlijn besproken. Daarbij komen ook eventuele voorstellen uit de lidstaten over gemeenschappelijke opleidingskaders aan de orde en kan Nederland een bijdrage leveren. Een actieve betrokkenheid van Nederland moet ertoe bijdragen dat gemeenschappelijke opleidingskaders worden vastgesteld voor zover dit ook voor Nederland tot de gewenste effecten leidt.

Overigens merkt de regering nog op dat de richtlijn een aantal uitzonderingen kent op de verplichting van lidstaten om een gemeenschappelijk opleidingskader nationaal in te voeren. Een lidstaat hoeft een gemeenschappelijk opleidingskader niet in te voeren indien er op zijn grondgebied geen onderwijs- of opleidingsinstellingen zijn die de desbetreffende opleiding aanbieden, indien de invoering nadelige gevolgen zou hebben voor de organisatie van het nationale onderwijs- en opleidingsstelsel, of indien tussen de desbetreffende nationale opleiding en het gemeenschappelijk opleidingskader dermate grote verschillen bestaan dat de invoering van het gemeenschappelijk opleidingskader ernstige risico’s met zich zou meebrengen voor de volksgezondheid of de openbare orde of veiligheid.23 Deze uitzonderingsgronden kunnen bijdragen aan het voorkomen van een ongewenste doorwerking in lidstaten die niet of nauwelijks bij de invoering van het gemeenschappelijk opleidingskader zijn betrokken.

2.2.7 Assistentiecentrum

De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan aangeven of zij voornemens is om het huidige Nationaal Contactpunt aan te wijzen als assistentiecentrum.

De taken en bevoegdheden die nu belegd zijn bij het Nationaal Contactpunt komen grotendeels overeen met de taken die het aan te wijzen assistentiecentrum zal gaan vervullen. Het huidige Nationaal Contactpunt zal daarom aangewezen worden als assistentiecentrum.

Kan de regering ook aangeven of het juridisch mogelijk is om een bevoegde autoriteit tevens als assistentiecentrum aan te wijzen, zo vragen de genoemde leden.

De regering merkt op dat de richtlijn zich hier niet over uit laat. Het lijkt evenwel niet ondenkbaar dat taken inzake de erkenningsprocedures en de taken van het assistentiecentrum in een lidstaat bij dezelfde instantie worden belegd, nu de richtlijn wel de mogelijkheid expliciteert dat assistentiecentra optreden in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit als het gaat om de uitvoering van de Europese beroepskaartprocedures.24 De regering zal de taken van het assistentiecentrum in Nederland niet bij een bevoegde autoriteit beleggen, maar bij het huidige nationaal contactpunt. Dit ligt volgens de regering in de rede, omdat de taken van het huidige nationaal contactpunt grotendeels overeenkomen met de taken die worden voorgeschreven aan het met de herziene richtlijn ingevoerde assistentiecentrum.

2.2.8 Waarschuwingsmechanisme over beroepsbeoefenaars

De leden van de VVD-fractie hechten er waarde aan dat beroepsbeoefenaars die een verbod of beperking hebben opgelegd gekregen in de ene lidstaat niet zo maar aan de slag kunnen in een andere lidstaat, merken zij op. Is de regering van mening dat dit met deze richtlijn afdoende is gewaarborgd, vragen zij.

De regering vindt het een belangrijke stap vooruit dat er Europese bindende regels zijn gekomen over het onderling waarschuwen over opgelegde bevoegdheidsbeperkende maatregelen met betrekking tot zes sectorale beroepen (arts, verpleegkundige, tandarts, dierenarts, verloskundige en apotheker), beroepen met implicaties voor de patiëntveiligheid, beroepen waarin onderwijs wordt gegeven aan minderjarigen en beroepen in de kinderopvang. Of aan een waarschuwing die een lidstaat verricht in andere lidstaten gevolgen worden verbonden is aan de ontvangende lidstaat. Voor waarschuwingen die Nederland van andere lidstaten ontvangt biedt het voorgestelde artikel 31c van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties een grondslag om ze te verwerken (d.w.z. een grondslag voor verdere acties).25 De regering heeft er vertrouwen in dat met deze richtlijn de basis is gelegd voor uitwisseling. Het resultaat is mede afhankelijk van de uitvoering in elke EU-lidstaat. Afhankelijk van hoe de richtlijn in de praktijk gaat werken zal worden bezien of aanpassing van werkprocessen nodig is.

Dit laat onverlet dat er voor een deel van de gereglementeerde beroepen geen beroepsverboden of -beperkingen worden gemeld via het waarschuwingsmechanisme. Tevens kan het voorkomen dat lidstaten andere informatie willen uitwisselen dan de informatie die al via het waarschuwingsmechanisme proactief wordt uitgewisseld. In dit kader wenst de regering op te merken dat het nieuw ingevoerde waarschuwingsmechanisme niet de enige mogelijkheid in de richtlijn is om tussen lidstaten informatie te delen ten aanzien van een beroepsbeoefenaar en zijn beroepskwalificaties. Op basis van de oorspronkelijke richtlijn en de huidige Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties hebben lidstaten reeds de mogelijkheid om in het kader van een erkenningsprocedure en onder bepaalde voorwaarden navraag te doen bij een andere lidstaat over aan hen voorgelegde beroepskwalificaties, en om lidstaten te verzoeken om informatie over een aan de betreffende beroepsbeoefenaar opgelegde strafrechtelijke sanctie of tuchtrechtelijke maatregel.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat voortaan bevoegde autoriteiten door middel van een waarschuwingsmechanisme de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten moeten waarschuwen voor beroepsbeoefenaars met een beroepsverbod of beroepsbeoefenaars die met gebruik van een valse beroepskwalificatie hebben geprobeerd toegang te krijgen tot een gereglementeerd beroep. De Europese richtlijn laat het aan de betrokken lidstaat wat er moet gebeuren met de binnengekomen waarschuwing, merken ze tevens op. Wat staat de regering voor ogen wat er moet gebeuren als er zo’n waarschuwing binnenkomt over iemand die in Nederland een gereglementeerd beroep wil uitoefenen, zo vragen zij.

De leden van de D66-fractie vragen de regering nader in te gaan op de procedure rondom het verwerken van binnengekomen waarschuwingen. Klopt het dat de Minister nu ook kan beslissen om niks met de binnengekomen informatie te doen?

In reactie op deze vragen van de leden van de PvdA-fractie en van de leden van de D66-fractie laat de regering weten dat in bestaande wet- en regelgeving van een gereglementeerd beroep is benoemd welke eisen er gesteld worden aan het mogen uitoefenen van het beroep. Hieruit vloeit voort welke consequenties verbonden kunnen zijn aan het niet langer voldoen aan gestelde eisen. Deze eisen en consequenties kunnen verschillen per beroep. Het is belangrijk hierin maatwerk te kunnen leveren. Daarom is het aan de Minister die het aangaat om gevolg te geven aan een waarschuwing. Uitgangspunt is dat er indien nodig onderzoek kan plaatsvinden of de betreffende beroepsbeoefenaar een erkenningsprocedure doorloopt of heeft doorlopen in Nederland, en of een waarschuwing betrekking heeft op een beroepsbeoefenaar die werkzaam is in Nederland in een gereglementeerd beroep, en zo ja, waar hij dan werkt. Indien uit onderzoek blijkt dat een waarschuwing betrekking heeft op bovengenoemde situaties, kan de Minister die het aangaat navraag doen bij de lidstaat waarvan de waarschuwing afkomstig is naar meer informatie over de waarschuwing, bijvoorbeeld naar de reden dat betrokkene een beroepsverbod of -beperking opgelegd heeft gekregen. Afhankelijk van de inhoud van de waarschuwing zal de Minister die het aangaat beoordelen op welke wijze gevolg gegeven wordt aan de waarschuwing. Zo zou een derde over de waarschuwing geïnformeerd kunnen worden. Ook hierbij zal er sprake zijn van maatwerk per beroep en per geval. Op het terrein van de volksgezondheid geldt dat binnengekomen waarschuwingen over buitenlandse maatregelen tegen medische beroepsbeoefenaars die BIG-geregistreerd zijn worden overgenomen, behoudens een hardheidsclausule.

De leden van de SP-fractie vragen hoe andere landen worden gewaarschuwd voor mensen met een beroepsverbod. Gelden de waarschuwingen alleen bij een beroepsverbod of zijn er ook waarschuwingen in het geval van een berisping, zo vragen zij.

Een berisping valt niet onder de reikwijdte van het waarschuwingsmechanisme.

De leden van de SP-fractie vragen hoe we een nieuwe Jansen Steur voorkomen.

Het waarschuwingsmechanisme verplicht lidstaten om de andere lidstaten actief te informeren over tuchtrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen die een gehele of gedeeltelijke beperking inhouden van de bevoegdheid om het beroep uit te oefenen.

Zo kan voorkomen worden dat beroepsbeoefenaren die in Nederland een bevoegdheidsbeperking opgelegd hebben gekregen in een andere lidstaat hun beroep uitoefenen in strijd met de nationale wetten van die lidstaat. De nationale wetgeving van iedere lidstaat is bepalend voor de vraag of en zo ja, welke gevolgen worden verbonden aan een in een andere lidstaat opgelegde bevoegdheidsbeperking. Het waarschuwingsmechanisme geldt per 18 januari 2016 en heeft betrekking op maatregelen die van kracht zijn en die zijn opgelegd op of na 18 januari 2016.

De regering heeft er vertrouwen in dat met deze richtlijn de basis is gelegd voor uitwisseling. Het resultaat is mede afhankelijk van de uitvoering in elke EU-lidstaat. Afhankelijk van hoe de richtlijn in de praktijk gaat werken zal worden bezien of aanpassing van werkprocessen nodig is.

Als iemand gedurende het onderzoek in een andere lidstaat van de Europese Unie aan de slag gaat, wordt dat land dan al gewaarschuwd, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Een waarschuwing wordt in het IMI verricht als een beroepsbeoefenaar tijdelijk of permanent het recht verliest om zijn beroepsactiviteiten in een lidstaat uit te oefenen als gevolg van een verbod- of een beperking op de beroepsuitoefening die is opgelegd door een rechterlijke instantie of een andere instantie die daartoe bevoegd is.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de informatie in een binnengekomen waarschuwing uit het waarschuwingsmechanisme voor beroepsverboden wordt gezien als gevoelige informatie waarbij gekeken kan worden of en zo ja hoe dit wordt gedeeld met derden. Deze leden stellen zich, zo geven zij aan, op het standpunt dat het niet zonder reden is dat een beroepsbeoefenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Dit moet toch duidelijk zijn voor werkgevers die overwegen iemand in dienst te nemen, zo vragen zij. Gaat hier het algemene belang niet boven het individuele belang, voegen de leden hieraan toe.

In de richtlijn wordt voorgeschreven dat een waarschuwing die in het waarschuwingsmechanisme over beroepsverboden wordt gemeld, informatie bevat over de identiteit van de betreffende beroepsbeoefenaar, het betreffende beroep, de instantie die het verbod of de beperking heeft opgelegd, de reikwijdte van het verbod of de beperking, en de periode gedurende welke de beperking of het verbod van kracht is. De gegevens in een waarschuwing gaan over de straf- of tuchtrechtelijke achtergrond van een beroepsbeoefenaar en dienen daarmee op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens te worden aangemerkt als zogeheten «bijzondere persoonsgegevens». Op basis van Europese privacywetgeving, die onder meer in de Wet bescherming persoonsgegevens is geïmplementeerd, geldt dat de verwerking van persoonsgegevens – waaronder bijzondere persoonsgegevens – met bepaalde waarborgen dient te zijn omkleed. De verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens, waaronder mede het bewaren, doorzenden of verspreiden van die gegevens, dient altijd vooraf te zijn gegaan door een zorgvuldige afweging tussen het belang van de privacy van de persoon wiens gegevens het betreft, en het doel dat zou worden gediend met de verwerking van de gegevens. De verwerking moet noodzakelijk en proportioneel zijn met het oog op het nagestreefde doel.

De regering ziet het belang ervan in om informatie uit binnengekomen waarschuwingen te kunnen verwerken door bijvoorbeeld een werkgever op de hoogte te stellen van een waarschuwing. Per beroep en van geval tot geval kan de noodzaak tot en het belang van het informeren van een werkgever verschillen. Daarom is in voorgesteld artikel 31c van het wetsvoorstel26 voorzien in een grondslag voor de verantwoordelijk Minister om de gegevens uit een waarschuwing te kunnen verwerken. Het is aan de verantwoordelijk Minister om te zorgen dat indien hij de gegevens wil verwerken, daarbij de waarborgen die zijn vervat in de privacywetgeving in acht worden genomen. Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of het algemeen belang niet boven het individueel belang zou moeten gaan, is het antwoord van de regering dat de uitkomst van de verplichte belangenafweging inderdaad kan zijn dat in bepaalde gevallen de noodzaak tot het verwerken of delen van de gegevens zwaarder moet wegen dan de privacy van het betrokken individu. Deze belangenafweging kan echter niet bij voorbaat door de regering worden gemaakt voor alle mogelijke gevallen, maar dient in een concrete situatie te worden verricht door de verantwoordelijk Minister.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de privacyrichtlijn kan voorkomen dat belangwekkende informatie over de beroepskwalificaties van een beroepsbeoefenaar gedeeld kan worden met andere lidstaten. Wat is de begrenzing hiervan, vragen zij voorts.

De kaders van wat de lidstaten binnen het waarschuwingsmechanisme met elkaar aan informatie delen zijn vastgelegd in de richtlijn 2013/55. Daarin is voorgeschreven welke informatie lidstaten in een waarschuwing moeten opnemen en derhalve onderling moeten uitwisselen (dit is ook vastgelegd in het wetsvoorstel, artikel 31a, tweede lid).

De uitwisseling van deze gegevens betreft verplichte uitvoering van de richtlijn; uitwisseling van deze gegevens kan door de privacyrichtlijn niet worden voorkomen. Indien lidstaten onderling informatie willen uitwisselen inzake de erkenning van beroepskwalificaties anders dan binnen het waarschuwingsmechanisme geldt dat de privacyrichtlijn in acht moet worden genomen. Lidstaten hebben op basis van de oorspronkelijke richtlijn en de huidige Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties lidstaten reeds de mogelijkheid om in het kader van een erkenningsprocedure navraag te doen bij een andere lidstaat over aan hen voorgelegde beroepskwalificaties, en om lidstaten te verzoeken om informatie over een aan de betreffende beroepsbeoefenaar opgelegde strafrechtelijke sanctie of tuchtrechtelijke maatregel. De grenzen die de privacyrichtlijn stelt aan de verwerking van persoonsgegevens zijn in Nederland geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens. Op basis van de privacyrichtlijn en die wet geldt onder meer dat de verwerking van persoonsgegevens – waaronder in dit geval de uitwisseling van gegevens tussen lidstaten – noodzakelijk moet zijn met het oog op een gerechtvaardigd doel en dat aan de verwerking altijd een zorgvuldige belangenafweging vooraf moet gaan tussen het doel dat wordt nagestreefd en het belang van het beschermen van de privacy van de betrokkene.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering ook hoe het voor werkgevers gemakkelijker wordt gemaakt om te checken of iemand al dan niet een beroepsverbod heeft.

Waarschuwingen worden op grond van de richtlijn geregistreerd in het IMI. Het IMI is een door de Europese Commissie beheerd gesloten systeem waar alleen geautoriseerde bevoegde autoriteiten toegang tot hebben. Werkgevers worden op de hoogte gesteld van een waarschuwing indien de Minister die over een gereglementeerd beroep gaat besluit om – al dan niet via de desbetreffende Inspectie- opvolging te geven aan een waarschuwing en de werkgever op enig moment te informeren.

Hoe bekend zijn de werkgevers, met name in het midden- en kleinbedrijf, met de bepalingen van de Europese beroepskwalificaties, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De regering begrijpt de vraag van de CDA-fractie zo, dat deze ziet op de bekendheid van genoemde werkgevers met de nieuwe bepalingen in de richtlijn. De regering is voornemens om informatie over deze onderdelen te delen met werkgevers via de website www.ondernemersplein.nl. Dit is het «digitale plein» van de overheid met voor de ondernemer relevante informatie. Daarnaast zal de informatie verstrekt worden via betrokken instanties als het Nationaal contactpunt en de Nederlandse bevoegde autoriteiten.

De leden van de D66-fractie vragen of er procedure bestaat om specifieke lidstaten extra te waarschuwen in het geval er gegronde aanleiding is om aan te nemen dat een beroepsbeoefenaar, die een verbod of beperking opgelegd heeft gekregen, in een andere lidstaat zijn beroep alsnog wil uitvoeren.

Op basis van de oorspronkelijke richtlijn en de huidige Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties hebben lidstaten reeds de mogelijkheid om in het kader van een erkenningsprocedure en onder bepaalde voorwaarden navraag te doen bij een andere lidstaat over aan hen voorgelegde beroepskwalificaties, en om lidstaten te verzoeken om informatie over een aan de betreffende beroepsbeoefenaar opgelegde strafrechtelijke sanctie of tuchtrechtelijke maatregel. In de onderhandeling naar de herziene richtlijn kwam naar voren dat lidstaten behoefte hadden aan extra mogelijkheden om tussen lidstaten onderling informatie over beroepsbeperkende maatregelen uit te wisselen. Het resultaat van die onderhandelingen is het waarschuwingsmechanisme voor beroepsverboden, waardoor lidstaten niet alleen informatie over beroepsbeperkende maatregelen met elkaar kunnen uitwisselen op elkaars verzoek, maar waardoor lidstaten verplicht worden om proactief deze informatie te verstrekken aan alle lidstaten tegelijkertijd. Het waarschuwingsmechanisme waarin de bevoegde autoriteiten informatie uit gaan wisselen is dus in feite de procedure waarin lidstaten – alle lidstaten – tegelijkertijd gewaarschuwd worden. De regering acht het niet nodig om, nu met onderhavig wetsvoorstel het waarschuwingsmechanisme voor beroepsverboden net wordt ingevoerd, in aanvulling daarop extra procedures voor te stellen om specifieke lidstaten te gaan waarschuwen.

3. Implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving

3.1 Inleiding

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer de andere lidstaten van de Europese Unie deze richtlijn verwachten te implementeren. Wanneer zetten buurlanden deze richtlijn om in wetgeving, zo vragen zij.

De regering kan hierop aangeven dat op 18 januari 2016 de richtlijn in alle EU-lidstaten moet zijn geïmplementeerd. De regering heeft geen signalen ontvangen dat bepaalde lidstaten de richtlijn niet op 18 januari 2016 zullen hebben geïmplementeerd.

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 6. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel 1. Wet op de beroepen in de gezondheidszorg

De leden van de SP-fractie vragen wat het specialistenregister exact is.

De beroepsorganisaties KNMG, KNMT, KNMP V&VN, FGzPt zijn verantwoordelijk voor de specialistenregistratie in Nederland van wettelijke erkende specialismen op grond van artikel 14 van de Wet BIG. Zij voeren een publieke taak uit en hebben regulerende en uitvoerende bevoegdheden. Een specialisme is altijd gebaseerd op een basisberoep volgens artikel 3 van de Wet BIG. In het BIG-register wordt bij specialisten naast het basisberoep ook de registratie in een specialistenregister vermeld. Schrappen uit een basisregister betekent ook automatisch dat indien betrokkene ook in een specialistenregister staat, hij of zij daaruit geschrapt wordt.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of er zwarte lijsten zijn van medisch specialisten en/of andere medische beroepen.

Medisch specialisten tegen wie een maatregel is getroffen staan op het online overzicht van zorgverleners van de BIG-website. Iedere specialist uit de gezondheidszorg heeft een opleiding tot het basisberoep arts, tandarts of apotheker enz. Op het online overzicht van zorgverleners aan wie een maatregel of bevel is opgelegd op de BIG-website staat het basisberoep en het BIG-nummer. Onder het BIG-nummer staat een eventueel specialisme vermeld.

Als bijvoorbeeld een Nederlandse verpleegkundige in Duitsland een beroepsfout maakt, valt deze verpleegkundige dan ook onder het Nederlandse tuchtrecht, vragen de leden van de SP-fractie. Hoe is dat exact geregeld, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of in het voorbeeld van een Nederlandse verpleegkundige die in Duitsland een beroepsfout maakt het Nederlands tuchtrecht werkt en hoe dat is geregeld. De regering laat weten dat het Nederlandse tuchtrecht van toepassing is op BIG-geregistreerden bij werk in het buitenland, dus ook in het geval van de Nederlandse verpleegkundige uit het voorbeeld. Wel geldt dat men niet twee keer voor hetzelfde feit kan worden veroordeeld dus als in dit geval ook onder Duits recht een zaak wordt gestart gaat de Duitse zaak voor.

De leden vragen welke inperkingen er zijn voor BIG-geregistreerde beroepen. Tevens vragen de leden of die beperkingen ook voor niet-BIG-geregistreerde beroepen gelden.

De tuchtrechter kan aan BIG-geregistreerde zorgverleners de volgende bevoegdheidsbeperkende maatregelen opleggen: doorhaling van de inschrijving, schorsing (voor maximaal één jaar) en gedeeltelijke ontzegging van het recht het beroep uit te oefenen. Daarnaast kan de strafrechter BIG-geregistreerden ontzetten van het recht het beroep uit te oefenen; dat is een grond voor doorhaling van de inschrijving in het BIG-register. Ten slotte kan de Inspectie voor de Gezondheidszorg een bevoegdheidsbeperkend bevel opleggen. De strafrechter kan niet-BIG-geregistreerde zorgverleners ontzetten van het recht het beroep uit te oefenen. Daarnaast kan de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan niet-BIG-geregistreerden, die een paramedisch beroep uitoefenen (volgens de Wet BIG), een bevoegdheidsbeperkend bevel opleggen.

Beroepsbeoefenaars kunnen ook gedeeltelijke toegang krijgen tot werkzaamheden in het buitenland, merken de leden van de SP-fractie op. Wat houdt dat exact in, vragen zij. Hoe is dat geregeld, vragen zij voorts. Welke eisen werden gesteld en door wie, zo willen de leden weten.

De regering verwijst allereerst naar de beantwoording van de vragen onder paragraaf 2.2.3 waarin een toelichting wordt gegeven op enkele aspecten van de gedeeltelijke toegang, en voegt daar het volgende aan toe. Gedeeltelijke toegang houdt in dat een beroepsbeoefenaar gedeeltelijk toegang wordt verleend tot het betreffende gereglementeerd beroep. De beroepsbeoefenaar is dan niet bevoegd om alle beroepswerkzaamheden uit te oefenen. Gedeeltelijke toegang kan worden verleend indien de verschillen tussen enerzijds de in de betrokken staat van oorsprong verrichte beroepswerkzaamheden en anderzijds de beroepswerkzaamheden die het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat omvat dermate groot zijn dat het eisen van een zogenoemde compenserende maatregel om die verschillen te overbruggen (een aanpassingsstage dan wel proeve van bekwaamheid), zou neerkomen op het volgen van een volledig onderwijs- of opleidingsprogramma. Voorwaarden voor het verlenen van gedeeltelijke toegang zijn dat de beroepsbeoefenaar volledig is gekwalificeerd om in de betrokken staat van oorsprong de beroepswerkzaamheden uit te oefenen waarvoor gedeeltelijke toegang wordt verleend, en dat de beroepswerkzaamheden die de beroepsbeoefenaar wenst uit te oefenen objectief gescheiden kunnen worden van de andere beroepswerkzaamheden die het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat omvat. Het verlenen van gedeeltelijke toegang kan worden geweigerd indien deze weigering wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en noodzakelijk is om het desbetreffende belang te beschermen. Met name bij beroepen in de zorgsector, indien daaraan implicaties voor de volksgezondheid of de veiligheid van de patiënt zijn verbonden, kan sprake zijn van een dwingende reden van algemeen belang.

De betreffende bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan, en of er een reden is om gedeeltelijke toegang te weigeren.

Voor de beroepsbeoefenaar aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, geldt dat hij zijn beroepstitel uit de lidstaat van oorsprong voert en niet – als bijvoorbeeld Nederland de ontvangende lidstaat is – de Nederlandse titel mag voeren die wordt gevoerd door beroepsbeoefenaars die gekwalificeerd zijn voor het volledige beroep. Dat zou immers verwarrend zijn en naar consumenten en patiënten de indruk kunnen wekken dat iemand met gedeeltelijke toegang over dezelfde kwalificaties en bevoegdheden beschikt als iemand die volledig bevoegd is. Tevens dient de migrerende beroepsbeoefenaar aan de afnemers van de diensten duidelijk kenbaar te maken welke beroepswerkzaamheden hij gerechtigd is uit te oefenen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker