Nr. 8 VERSLAG

Vastgesteld 31 maart 2016

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit initiatiefwetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het initiatiefwetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

I

ALGEMEEN

1

     

1.

Doelstelling

2

2.

Wetsgeschiedenis

3

3.

Plaats in de kerndoelen en in de identiteit van de openbare school

4

4.

In het Nederlands onderwijsbestel

5

5.

Financiële consequenties

7

     

II

ARTIKELSGEWIJS

8

     
 

Artikel I

8

 

Artikel I, onderdeel B

8

I ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel, zij waarderen de inspanning van de initiatiefnemers om tot dit wetsvoorstel te komen, maar hebben twijfels over de wenselijkheid van het wetsvoorstel. De leden zien daarom aanleiding om een aantal vragen te stellen aan de initiatiefnemers.

De leden van de PvdA-fractie hebben met waardering kennisgenomen van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel. Het lijkt hen van belang voor de kwaliteit van het levensbeschouwelijk onderwijs en het godsdienstonderwijs dat de bekostiging hiervan een wettelijke grondslag krijgt, omdat (aspirant-)docenten daarmee de zekerheid wordt geboden die het aantrekkelijk maakt om zich in dit vak (nader) te bekwamen. Zij hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel van de leden Ypma, Voordewind en Rog waarbij een grondslag wordt gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur regels dan wel voorwaarden te geven over de bekostiging van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs of godsdienstonderwijs op openbare scholen.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van wet van de leden Ypma, Voordewind en Rog houdende wijziging van de Wet primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra ten einde levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen structureel te bekostigen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het initiatiefwetvoorstel van de leden Ypma, Voordewind en Rog om levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen te bekostigen. Zij danken de indieners voor de tijd, moeite en het werk die zij in voorliggend voorstel hebben gestoken. Deze leden staan positief tegenover het voorstel om de bekostiging van levensbeschouwelijk- en godsdienstonderwijs in de wet vast te leggen, en hebben hierover nog een enkele vraag.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet van de leden Ypma, Voordewind en Rog. Zij steunen het voorstel om levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen structureel te bekostigen. Zij stellen nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het begrijpelijk dat structurele bekostiging op basis van de sectorwetten wordt overwogen als gevolg van vergaande verplichtingen die door het Rijk inzake de bevoegdheid en bekwaamheid van leraren zijn opgelegd. Zij vinden het bijzonder dat daarmee na bijna een eeuw de laatste consequenties van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs lijken te worden getrokken. Deze leden vragen wel waarom de mogelijkheden voor het godsdienstonderwijs op openbare scholen worden beperkt.

1. Doelstelling

Op de eerste plaats vragen leden van de VVD-fractie of de onzekerheid die uit een subsidieregeling zou voortvloeien voldoende argumentatie is om tot een wettelijke grond te komen. De motie van het lid Voordewind c.s.1 repte daar namelijk niet over en kan dus niet zo maar dienen als onderbouwing van de noodzaak van een wetsartikel. Deze leden zijn daar op dit moment niet van overtuigd en zij vragen de initiatiefnemers dit nader toe te lichten.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Kamer op 18 december 2008 het amendement2 heeft aangenomen, dat mede was ondertekend door het toenmalige lid Kraneveldt. Daarmee werd de bekostiging van het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (hierna HVO) en godsdienstonderwijs (hierna GVO) een feit. Inmiddels vormen GVO en HVO al zeven jaar een volwaardige sector. Kunnen de initiatiefnemers op basis van de opgedane ervaringen toelichten wat de meerwaarde van GVO en HVO is voor alle leerlingen, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen wat de indieners voorstellen als de kwaliteit van leraren of de kwaliteit van de inhoud van GVO- en HVO- onderwijs onvoldoende is. Zijn bekostigingssancties eventueel mogelijk? Welke organisatie krijgt die sanctie dan? Tevens vragen zij op basis van welke wet die mogelijke sanctie zal plaatsvinden en zo nee, op welke manier de indieners een eventuele verbetering willen afdwingen. Tot slot vragen de eerder genoemde leden welk wettelijk instrumentarium zij daarvoor willen gebruiken.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat met het stellen van pedagogische en didactische bekwaamheidseisen aan docenten wordt voldaan aan het waarborgen van de deugdelijkheid van het humanistisch vormingsonderwijs en het godsdienstonderwijs. Zij vragen nadere toelichting op de opmerkingen van de Raad van State, die vermeldt dat aan het door de overheid bekostigd onderwijs deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden mogen worden verbonden. De voornoemde leden vragen of de indieners nadere regels vanuit de overheid onwenselijk achten voor HVO en GVO.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de door de initiatiefnemers aangehaalde motie van het lid Voordewind c.s. wordt vastgesteld dat godsdienstige en humanistische vorming tot de kerndoelen van het openbaar onderwijs behoort. Deze leden denken bij de constatering in deze motie aan de kerndoelen en de specifieke uitwerking van de opdracht van het openbaar onderwijs in de sectorwetten. De initiatiefnemers kiezen echter voor de verderstrekkende karakterisering dat het vormingsonderwijs zelfs tot de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs behoort. Zij vragen of de initiatiefnemers deze karakterisering vanuit historisch perspectief willen onderbouwen. In hoeverre kan niet alleen de verplichting om rekening te houden met alle godsdiensten en levensbeschouwingen een wezenskenmerk van het openbaar onderwijs genoemd worden, maar ook de mogelijkheid voor kerken en organisaties om godsdienstig of levensbeschouwelijk onderwijs te geven, zo vragen zij.

2. Wetsgeschiedenis

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het derde lid van artikel 23 van de Grondwet het voorschrift is vastgelegd dat het openbaar onderwijs met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging moet worden gegeven. De leden wijzen erop dat dit nadrukkelijk niet betekent dat er geen les wordt gegeven over godsdienst of levensovertuigingen. Op alle openbare scholen wordt op basis van de kerndoelen algemeen vormend levensbeschouwelijk onderwijs gegeven. De leden van deze fractie zijn juist van mening dat een breed perspectief op verschillende levensbeschouwingen een pluriforme samenleving goed zal doen, het burgerschap zal versterken en segregatie kan voorkomen. Delen de initiatiefnemers deze opvatting? Tevens vragen zij of de initiatiefnemers de mening van de voornoemde leden delen dat HVO of GVO hier niet direct aan bijdraagt. Graag ontvangen zij hier een toelichting op. In hoeverre vinden de initiatiefnemers dat het vervangen van regulier breed vormend onderwijs door één perspectief vanuit HVO of GVO strijdig is met de doelstellingen en uitgangspunten van het openbaar onderwijs? Graag ontvangen zij hier ook een toelichting op.

De voornoemde leden constateren dat de wens van ouders om binnen het openbaar onderwijs specifiek levensbeschouwelijk onderwijs te krijgen kan veranderen door de tijd heen. In hoeverre zien de initiatiefnemers trends dat er (nog steeds) behoefte is aan dat ene perspectief in plaats van een breed perspectief? Zij vragen of deze trends geen reden zijn om juist de flexibiliteit na te streven in plaats van een wettelijke bepaling voor te stellen die niet makkelijk met de tijd meegaat. De voornoemde leden zijn juist van mening dat het belang van een brede visie op levensbeschouwingen en burgerschap is toegenomen en kan werken om integratie te bevorderen en segregatie te voorkomen. Zij vragen of de initiatiefnemers deze zienswijze delen en zij ontvangen graag een toelichting op dit punt.

De leden van de CDA-fractie hebben al sinds jaar en dag aandacht gevraagd voor dit belangwekkende punt, het is belangrijk dat ouders die dat wensen de mogelijkheid hebben om hun kinderen op een openbare school levensbeschouwelijk vormingsonderwijs of godsdienstonderwijs te laten volgen. Dit draagt bij aan een pluriform openbaar onderwijs en bevordert burgerschap. Deze leden vinden levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs van groot belang voor de ontwikkeling van een kind. School is immers meer dan alleen cognitieve vaardigheden ontwikkelen. Juist ook in deze tijd, bieden levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs goede handvaten om waarden gedreven onderwijs te ondersteunen en kinderen zich te laten ontwikkelen vanuit hun eigen identiteit met respect voor mensen die anders in het leven staan.

Door wegvallende gemeentelijke subsidies en de toegenomen kwaliteitseisen in de Wet beroepen in het onderwijs kwam deze vorm van onderwijs op openbare scholen onder grote druk te staan. Om de continuïteit én kwaliteit van deze vorm van onderwijs te waarborgen is bij de begrotingsbehandeling voor het jaar 2009 naar aanleiding van een amendement van het toenmalige lid Jan Jacob van Dijk 3 een subsidiebedrag van 10 miljoen euro vrijgesmaakt voor de bekostiging van het levensbeschouwelijk of humanistisch vormingsonderwijs.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de initiatiefnemers het gezien de geschiedenis van het vormingsonderwijs op openbare scholen voor de hand vinden liggen dat de wetgever de eisen van bevoegdheid en bekwaamheid ook op het vormingsonderwijs toepast. In hoeverre zijn deze eisen gelet op het bijzondere karakter van dit onderwijs noodzakelijk, zo vragen zij.

3. Plaats in de kerndoelen en in de identiteit van de openbare school

De leden van de SP-fractie merken op dat de indieners stellen dat de openbare school een actief pluriforme opdracht heeft en verwijzen daarbij naar artikel 46 van de WPO4. Daarin staat: «Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.» In hoeverre is volgens de indieners het aanbieden van GVO en HVO een ondersteuning van die «opdracht»? De leden vragen of met het aanbieden van GVO en HVO die opdracht slechts wordt gerespecteerd. Delen de indieners de mening dat het dan ook mogelijk moet zijn dat er GVO én HVO plaats moet kunnen vinden op het bijzonder onderwijs en zo ja, waarom beperkt het wetsvoorstel zich tot het openbaar onderwijs? Tevens vragen zij of de indieners van mening zijn dat er een vergelijkbare wettelijke bepaling moet komen voor het bijzonder onderwijs, nu of later en waarom wel of niet en zo nee, of dat gebaseerd is op de opvatting dat leerlingen op een openbare school moreel, karakterologisch en/of in opvoedkundige bagage wezenlijk verschillen van leerlingen op het bijzonder onderwijs. Op welke wijze kunnen deze leerlingen op het bijzonder onderwijs ook kiezen voor aanvullende religieuze vorming tijdens schooltijd bij een andere religieuze kerkelijke genootschap dan de identiteit van de school?

GVO beperkt zich of – beter gezegd – kan zich beperken tot vormingsonderwijs van slechts één kerkelijk genootschap, ondanks het respecteren van de actief pluriforme opdracht aan het openbaar onderwijs. De voornoemde leden vragen of de indieners dat ten principale wenselijk vinden. Is daarmee voldoende gegarandeerd dat er actieve pluriformiteit op de openbare school wordt nagestreefd? Met het wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt dat de levensbeschouwelijke of godsdienstige vorming extra wordt verdiept. Doet dat voldoende recht aan het leerstuk van de scheiding tussen kerk en staat, zo vragen deze leden.

Tot slot vragen zij de indieners hoe segregatie in de klas wordt voorkomen. GVO/HVO is immers exclusief bedoeld voor die leerlingen die ervoor kiezen. De andere leerlingen «blijven achter» in het klaslokaal. Hoe voorkomen de indieners dat er «kliekjes» ontstaan? Zou het niet beter zijn om godsdienst en levensbeschouwing aan alle leerlingen te geven of desnoods aan geen van allen, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre openbare scholen, volgens de initiatiefnemers, voldoende aandacht besteden aan levensbeschouwing. Deze leden lezen dat de initiatiefnemers het vormingsonderwijs als verdieping beschouwen bij het onderwijs in levensbeschouwing. Zij vragen hoe die verdieping moet worden opgevat wanneer veel openbare scholen slechts zeer beperkt aandacht besteden aan levensbeschouwing. In hoeverre zijn maatregelen nodig om levensbeschouwing, zeker wanneer dat als basis voor verdere verdieping in het vormingsonderwijs wordt gezien, op alle openbare scholen meer uit de verf te laten komen?

De voornoemde leden vragen eveneens of de initiatiefnemers de indruk hebben dat openbare scholen de positie van het vormingsonderwijs gebruiken om zelf minder aandacht aan levensbeschouwing te hoeven besteden. Zouden de initiatiefnemers een dergelijke afweging wenselijk vinden, zo vragen zij.

De leden van deze fractie vinden dat de mogelijkheden voor het aanbieden van godsdienstig of levensbeschouwelijk onderwijs niet gelijkelijk voor alle groepen beschikbaar zouden moeten zijn. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op onderwijs vanuit salafistische gemeenschappen. Zij vragen of de initiatiefnemers onderkennen dat beperkingen nodig zijn en op welke wijze wordt geregeld dat onwenselijke praktijken kunnen worden vermeden.

4. In het Nederlands onderwijsbestel

De leden van de VVD-fractie merken op dat de initiatiefnemers aangeven dat de minimum groepsgrootte voor bekostiging nog nader moet worden bepaald. Deze leden vragen waar de huidige groepsgrootte van minimaal zeven ouders op is gebaseerd. Is dit in lijn met de gedachte van de initiatiefnemers? Zo nee, wat zijn de criteria rondom groepsgrootte waar de initiatiefnemers aan denken? Zo ja, vinden initiatiefnemers zeven niet een bijzonder laag aantal? Graag ontvangen zij een toelichting op dit punt.

Ouders hebben in Nederland keuzevrijheid voor het onderwijs van hun kinderen en kunnen kiezen uit een breed palet van scholen met diverse (levensbeschouwelijke) richtingen. De voornoemde leden vragen in hoeverre ouders die gesteld zijn op een bepaalde levensbeschouwelijke richting niet door het aanbod van bijzonder onderwijs voldoende keuze hebben. Delen de initiatiefnemers de observatie van de eerder genoemde leden dat wanneer dit wetsvoorstel aangenomen wordt, dit juist het bestaansrecht van bijzondere scholen schade toebrengt of op z’n minst beperkt wordt? Is dat wat de initiatiefnemers beogen met het voorliggende wetsvoorstel? Zij ontvangen graag een toelichting hierop.

De leden van de PvdA-fractie menen dat het niet wenselijk is dat de bekostiging voor het HVO en het GVO aan de scholen voor openbaar onderwijs wordt verstrekt binnen de lumpsumbekostiging, omdat het geld dan ook voor heel andere doelen kan worden aangewend en dit onvoldoende zekerheid biedt voor het HVO en GVO. Daarom achten de leden het wenselijk dat het Dienstencentrum GVO en HVO bekostiging krijgt om dit onderwijsaanbod als wettelijke taak uit te voeren. Is dat ook de bedoeling van de initiatiefnemers?

De voornoemde leden onderkennen dat de Nederlandse samenleving in de loop van de afgelopen decennia steeds meer een geseculariseerde samenleving is geworden. Kunnen de initiatiefnemers verhelderen op welke wijze godsdienstige en levensbeschouwelijke vorming nog altijd relevant is voor het onderwijs binnen een geseculariseerde samenleving?

Het wetsvoorstel richt zich op bekostiging van levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen. De leden vragen in hoeverre het Dienstencentrum GVO en HVO wil en kan bijdragen aan de groeiende behoefte aan vorming van alle basisscholen.

De voornoemde leden hechten eraan dat onderwijs wordt gegeven door docenten die bevoegd zijn voor en bekwaam zijn in het vak waarvoor zij worden ingezet. Kunnen de initiatiefnemers toelichten welke waarborgen er gelden voor de bevoegdheid en bekwaamheid van de GVO- en HVO-docenten?

Scholen bieden GVO en HVO aan op grond van een jaarlijkse inventarisatie van de behoefte bij ouders aan GVO en HVO. Dat geeft extra werkdruk bij directies van scholen. Zij vragen of de initiatiefnemers mogelijkheden zien om deze inventarisatie te vereenvoudigen.

Binnen het Nederlandse onderwijsbestel bestaan tegenwoordig naast openbare en bijzondere scholen ook samenwerkingsscholen. Vaak betreft het formele samenwerkingsscholen die helemaal aan de wettelijke regeling voldoen, maar soms ook informele samenwerkingsscholen, die daar niet helemaal aan voldoen. Kunnen de initiatiefnemers toelichten in hoeverre de sector GVO en HVO een oplossing kunnen bieden voor identiteitsvragen bij het ontstaan van (informele) samenwerkingsscholen?

Het initiatiefwetsvoorstel verwijst naar een algemene maatregel van bestuur waarin regels worden gegeven en voorwaarden gesteld voor de bekostiging van het GVO en HVO. Zij vragen in hoeverre de initiatiefnemers mogelijkheden zien om in deze algemene maatregel van bestuur bepalingen op te nemen die erop zijn gericht de sector GVO en HVO goed te laten functioneren.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in een toenemend aantal dorpen de keus tussen openbaar en bijzonder onderwijs gaat ontbreken vanwege krimp. Zij vragen een bevestiging dat het wetsvoorstel geen alternatief voor bijzonder onderwijs met een levensbeschouwelijke of religieuze traditie kan zijn, ook niet in krimpregio’s.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre de initiatiefnemers de wens koesteren dat de behoefte aan bijzondere scholen vermindert doordat de positie van het vormingsonderwijs op openbare scholen wordt versterkt.

Deze leden constateren dat het wetsvoorstel de regeling inzake het vormingsonderwijs op openbare scholen voor voortgezet onderwijs ongemoeid laat. Deze leden vragen waarom het niet in de rede ligt om een eenduidige regeling voor het funderend onderwijs te treffen. Waarom kan voor het voortgezet onderwijs volstaan worden met de mogelijkheid van subsidie, terwijl de initiatiefnemers voor het basisonderwijs een verplicht nodig achten, zo vragen zij.

5. Financiële consequenties

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij nader kunnen toelichten wat de knelpunten zijn waar in de huidige situatie tegen aan wordt gelopen en waarom het ophogen van het subsidiebedrag de knelpunten op dit terrein niet voldoende kunnen oplossen en een wettelijke regeling nodig is.

Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemers veronderstellen dat er nog een verborgen vraag is naar levensbeschouwelijk vormingsonderwijs of godsdienstonderwijs. Kunnen de initiatiefnemers aangeven op basis waarvan zij dit veronderstellen en waarom zij van mening zijn dat deze verborgen vraag beter aan het licht kan komen door een betere organisatiegraad? Deze leden vragen tevens of de initiatiefnemers ook van mening zijn dat er betere communicatie vanuit de rijksoverheid moet komen richting scholen en ouders over de mogelijkheid van het volgen van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen.

De voornoemde leden vragen de initiatiefnemers om ook het kwaliteitsaspect nader toe te lichten. Zijn de scholen, leerlingen en ouders tevreden over het onderwijs op dit vlak en sluit het voldoende aan bij de vraag en wat is de rol van het Dienstencentrum hierbij?

Tot slot vragen de voornoemde leden of de initiatiefnemers nader kunnen toelichten wat de reden is dat in het wetsvoorstel het aantal uren naar beneden wordt gebracht van 120 uren, naar 40 uren per jaar. Kunnen de initiatiefnemers aangegeven of zij van mening zijn dat hiermee kwalitatief goed onderwijs op dit vlak kan worden geboden en de leerstof voldoende kan worden behandeld en impact heeft? Deze leden kunnen zich vinden in de kritiek van de Raad van State op het wetsvoorstel op dit punt en vragen de initiatiefnemers wat de reden is om het aantal uren dat wettelijk mag meetellen voor deze vorm van onderwijs in te perken. Waarom niet de ruimte aan scholen laten om zelf de keuze te maken hoeveel van deze maximaal 120 uren zij willen besteden aan levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de D66-fractie vragen of de indieners een beeld hebben van de grootte van de «verborgen vraag» van scholen die nu geen GVO en HVO aanbieden, maar na deze wetswijziging mogelijk wel. Kunnen de indieners een inschatting geven? Ten slotte vragen deze leden of zij voorts kunnen aangeven waarop hun inschatting is gebaseerd dat voor de salariëring van docenten in 2025 maximaal € 15 miljoen nodig zal zijn.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het wetsvoorstel het aantal uren van maximaal 120 uur terugbrengt naar 40 uur per jaar. Dat betekent dat het maximale aantal uren per week van drie uur naar één uur wordt verlaagd. Wat is op dit moment ongeveer het aantal uren dat leerlingen humanistisch vormingsonderwijs of godsdienstonderwijs ontvangen? Leidt de verlaging van het maximaal aantal uren niet tot verschraling van het onderwijs?

Deze leden constateren dat humanistisch vormingsonderwijs en godsdienstonderwijs op veel openbare scholen nog niet wordt aangeboden. Zo worden HVO en GVO in Amsterdam op vier procent van de scholen aangeboden en in Utrecht op negen procent van de scholen. Betekent dit wetsvoorstel dat de vraag naar HVO en GVO zal toenemen? Zij vragen tot slot of de indieners het wenselijk vinden dat het aanbod van HVO en GVO toeneemt, zelfs tot een dekkend aanbod en zo ja, welke financiële consequenties deze ontwikkeling zou hebben.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het beperken van het aantal uren vormingsonderwijs dat als onderwijstijd meegerekend mag worden vanwege financiële overwegingen beperkt wordt. Deze leden vragen waarom gelet op de financiële overwegingen niet juist gekozen is voor het opnemen van een plafond voor het aantal uren vormingsonderwijs in de bekostiging van het vormingsonderwijs. Zij vragen eveneens waarom het gelet op het belang van lokaal maatwerk bij voorbaat uitgesloten wordt dat in aanvulling op de bekostigde uren vormingsonderwijs een aantal op vrijwillige basis gegeven uren vormingsonderwijs kunnen worden meegerekend. Waarom is deze vergaande beperking nodig terwijl doeltreffende alternatieven beschikbaar zijn, zo vragen zij.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

De leden van de SGP-fractie vragen of de initiatiefnemers kunnen toelichten hoe het in artikel 51 Wet primair onderwijs gekozen onderscheid tussen kerkelijke gemeenten en plaatselijke kerken geduid moet worden en in hoeverre deze terminologie overeenkomt met de gangbare terminologie in andere wetgeving om kerkgenootschappen aan te duiden.

Artikel I, onderdeel B

De leden van de VVD-fractie merken op dat de personen die HVO of GVO geven worden aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken of rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties die zich het geven van dit soort onderwijs ten doel stellen. Deze leden constateren dat het bevoegd gezag geen invloed heeft op de inhoud van HVO en GVO en daarmee ook geen invloed kan hebben op de kwaliteit, maar het wel moet faciliteren. Achten de initiatiefnemers dit wenselijk? De leden vragen of zij dit nader kunnen toelichten. Wat bedoelen de initiatiefnemers met het de zin «de medewerking van de schooldirecteuren moet worden geregeld»? Hoe zien de initiatiefnemers de uitwerking van deze zin in de praktijk, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de toelichting af lijkt te wijken van het voorstel van wet als het gaat om de mogelijkheid om nadere regels te stellen, dan wel hierover onduidelijkheid oproept. Ten eerste constateren zij dat het voorstel zich beperkt tot het stellen van regels inzake de bekostiging, terwijl in de toelichting ook onderwijsinhoudelijke voorwaarden aan bod komen. Bovendien vragen zij waarin het onderscheid tussen regels en voorwaarden bestaat, aangezien slechts naar één onderwerp wordt verwezen. Tot slot vragen zij in hoeverre beoogd is de nadere regeling geheel bij algemene maatregel van bestuur te regelen, gelet op het technische karakter ervan.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

De adjunct-griffier van de commissie, Arends