Kamerstuk 34200-XIII-1

Jaarverslag Ministerie van Economische Zaken 2014

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2014

Gepubliceerd: 20 mei 2015
Indiener(s): Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34200-XIII-1.html
ID: 34200-XIII-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (XIII)

Aangeboden 20 mei 2015

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale verplichtingenrealisatie over 2014 bedraagt € 6,6 mld.

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale 				  verplichtingenrealisatie over 2014 bedraagt € 6,6 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2014 bedraagt € 4,9 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale 				  uitgavenrealisatie over 2014 bedraagt € 4,9 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2014 bedraagt € 11,5 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de 				  beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale 				  ontvangstenrealisatie over 2014 bedraagt € 11,5 mld.

INHOUDSOPGAVE

A.

ALGEMEEN

6

 

1.1

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

6

 

1.2.

Leeswijzer

8

B.

HET BELEIDSVERSLAG

10

 

1.3.1

De beleidsprioriteiten

10

   

Realisatie beleidsdoorlichtingen periode 2008 – 2014

18

   

Overzicht van risicoregelingen

19

 

1.3.2

De beleidsartikelen

23

   

11

Goed functionerende economie en markten

23

   

12

Een sterk innovatievermogen

33

   

13

Een excellent ondernemingsklimaat

47

   

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

61

   

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

73

   

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

91

   

18

Natuur en regio

98

 

1.3.3

De niet-beleidsartikelen

109

   

40

Apparaat

109

   

41

Nominaal en Onvoorzien

112

 

1.3.4

De Bedrijfsvoeringsparagraaf

113

C.

JAARREKENING

117

 

1.4.1

Departementale verantwoordingsstaat

117

 

1.4.2

Samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

118

 

1.4.3

Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

119

   

Aansluiting realisatie agentschappen met financiering door moederdepartement

119

   

Agentschap Telecom (AT)

121

   

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

129

   

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

136

   

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

143

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

153

 

1.4.4

Saldibalans EZ per 31 december 2014

161

 

1.4.5

Topinkomens

172

D.

BIJLAGEN

178

 

1.

Bijlage Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's)

178

 

2.

Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2014

192

 

3.

Europese geldstromen

199

 

4.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (bijlage externe inhuur)

207

 

5.

Lijst van afkortingen

209

A. ALGEMEEN

1.1 AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2014 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2014 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2014, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2014 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrens toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf.

1. Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2014 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het Ministerie van Economische Zaken (EZ).

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2014. In de opzet van het verslag over de beleidsprioriteiten 2014 zijn de vier actielijnen losgelaten en is gekozen voor een thematische opbouw om de samenhang in het EZ-beleid te accentueren. Ook wordt hierdoor duidelijk dat de verschillende beleidsinitiatieven van EZ invulling geven aan een aantal overstijgende doelstellingen, waaronder het bevorderen van verduurzaming en vernieuwing.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2014. Dit betekent dat de beleidsartikelen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften van «Verantwoord Begroten» zijn opgesteld. Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar.

De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van EZ en van het Diergezondheidsfonds (DGF). In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt ook ingegaan op het rijksbrede focusonderwerp fraude.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen en de saldibalans.

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2014, Europese geldstromen, externe inhuur en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrens toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2014 wordt een ondergrens van € 3 mln gehanteerd. In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrens.

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2015 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Ter borging van de betrouwbaarheid van de informatie inzake de prestatiegegevens in de begroting en het jaarverslag, heeft de Auditdienst Rijk (ADR) net als in voorgaande jaren een audit uitgevoerd.

Van een aantal indicatoren zijn de realisatiegegevens over 2014 nog niet bekend. In die gevallen is de meest recente realisatie opgenomen.

4. Groeiparagraaf

Dit jaarverslag is, net als het jaarverslag 2013, opgesteld volgens de voorschriften van «Verantwoord Begroten». Er zijn geen noemenswaardige veranderingen doorgevoerd.

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 De beleidsprioriteiten

Inleiding

Na een aantal moeilijke economische jaren groeide de Nederlandse economie in 2014 met 0,9 procent. In 2014 heeft het Ministerie van Economische Zaken zich ingezet om het herstel optimaal te ondersteunen en het verdienvermogen van onze economie duurzaam te versterken. Er is ruimte geboden aan ondernemerschap en innovatie en tegelijkertijd gewerkt aan het bevorderen van de duurzame welvaart met oog voor mens en natuur, duurzame productie en een toekomstbestendige energievoorziening. Geregeld is daarbij gekozen voor een vernieuwende aanpak waarin actief de dialoog is gezocht met burgers, bedrijven en organisaties.

1. Voorzichtig economisch herstel in 2014

De economische groei kwam in 2014 uit op 0,9 procent 1. Het is bemoedigend om te zien dat het herstel doorzet, ondanks een aantal tegenvallende ontwikkelingen op internationaal gebied. Het herstel wordt bovendien steeds breder gedragen. Zo bedroeg de stijging van de export 4,0 procent, stegen de bedrijfsinvesteringen en namen de consumentenbestedingen weer toe. De afgelopen jaren zijn flinke stappen gezet om de oorzaken van de financiële crisis aan te pakken. De Europese Centrale Bank concludeerde in haar stresstest dat de Nederlandse banken er goed voor staan en naar verwachting neemt de kredietverlening in 2015 weer toe. Ook op de woningmarkt zijn duidelijke tekenen van herstel te zien met lichte prijsstijgingen en toenemende transacties. De positieve ontwikkelingen bieden burgers en ondernemers het komende jaar perspectief. Voor 2015 wordt een groei van 1,7 procent verwacht 2. Geopolitieke spanningen, lage inflatie en tegenvallende groei in het eurogebied blijven evenwel ook het komend jaar risico’s vormen. Daar staat tegenover dat een verdere daling van de olieprijs en de eurokoers dan thans voorzien het economisch herstel ook kan versnellen.

Figuur 1: bbp-groei 2009–2016 (2015–2016 raming CPB)2

Figuur 1: bbp-groei 2009–2016 (2015–2016 raming 					 CPB)

Ondernemers hebben de kiem gelegd voor herstel

Het kabinet heeft het herstel mogelijk gemaakt door de overheidsfinanciën op orde te brengen en fundamentele hervormingen door te voeren in de zorg, het onderwijs en op de arbeids- en woningmarkt. Het is echter te danken aan de inzet en veerkracht van het bedrijfsleven dat de Nederlandse economie het afgelopen jaar uit een diep dal kon klimmen. Het Ministerie van Economische Zaken heeft door bevordering van de toegang tot financiering, versterking van het Nederlandse vestigingsklimaat, stimulering van innovaties en vermindering van de regeldruk ondernemers meer ruimte gegeven. Naast de garantie-instrumenten BMKB, GO en de Groeifaciliteit, waarmee in de periode 2009–2014 voor ruim € 9 mld aan financiering voor het bedrijfsleven mogelijk is gemaakt3, zijn instrumenten ingezet en maatregelen genomen om de afhankelijkheid van het MKB van bankfinanciering te verminderen. Zo kwam het afgelopen jaar via het Dutch Venture Initiative meer risicokapitaal beschikbaar, zette Qredits kleine kredieten uit en creëerde de NPEX beurs een markt voor MKB-obligaties en aandelen. Daarnaast hebben pensioenfondsen en verzekeraars de Nederlandse investeringsinstelling (NLII) opgericht om meer te kunnen investeren in de Nederlandse economie.

Tabel 1: verleende garanties en instrumenten om de toegang tot (risico)kapitaal te vergroten

Instrument

Verstrekking

(x € 1 mln € 2009–2014)

BMKB

3.409

GO

1.020

Groeifaciliteit

101

Qredits

103

Toekomstfonds1

506

X Noot
1

Kamerstuk 2014/15 34 000 XIII 11. In het Toekomstfonds zijn de bestaande instrumenten uit het Innovatiefonds MKB+ ondergebracht (SEED Capital, Innovatiekrediet, Dutch Venture Initiative en de Vroege Fase Financiering).

Het bedrijfsleven profiteert van economische internationale samenwerking. Het belang van de export voor de Nederlandse economie is de afgelopen jaren toegenomen 4. Economische diplomatie en ondersteuning van Nederlandse ondernemers die in het buitenland actief zijn of willen worden, zijn daarom prioriteiten voor het kabinet. Dat het bedrijfsleven profiteert van internationale samenwerking blijkt onder andere uit de toenemende orderportefeuille die volgt uit de Nederlandse deelname aan de verdere ontwikkeling van de F-35. In 2014 is de orderportefeuille met een waarde van ongeveer $ 100 mln uitgebreid, waarmee de totale portefeuille ruim $ 1 mld bedraagt. Ook de participatie binnen de ESA (European Space Agency) draagt bij aan het innovatief vermogen van het Nederlandse en Europese bedrijfsleven, zoals werd geïllustreerd door de lancering van de eerste satellieten voor het aardobservatieprogramma Copernicus en het navigatieprogramma Galileo. Sinds het jaar 2000 hebben 552 Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen door de ontwikkeling van kennisintensieve instrumenten, componenten en/of diensten actief geparticipeerd in ESA-programma's. Dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats voor buitenlandse bedrijven is, blijkt uit het groot aantal ondernemingen dat zich hier, vaak met assistentie van de NFIA heeft gevestigd. Over 2014 zijn 187 projecten bevestigd, met een investeringsbedrag van € 3,2 mld, waarmee naar verwachting ruim 6.300 banen zijn gemoeid. Grote projecten waren de investering van Google in een datacentrum in Groningen (circa € 600 mln) en de investering door het Canadese bedrijf Northland Power in het offshore windproject Gemini (circa € 1,6 mld).

Een sterke Nederlandse agrosector in moeilijke tijden

De Nederlandse agro-foodsector is een wereldspeler op landbouwgebied. Nederland is na de Verenigde Staten de grootste agro-exporteur in de wereld. Het heeft met Wageningen University & Research Centre een landbouwkennis- en innovatiesysteem van wereldklasse. Toch is 2014 voor de agrarische sector geen makkelijk jaar geweest. Lagere prijzen, het importverbod door Rusland en de uitbraak van de vogelgriep hebben bij veel landbouwbedrijven tot problemen geleid. Hoewel risico’s horen bij het ondernemerschap, ook in de agrosector, neemt de overheid haar verantwoordelijkheid om in buitengewone omstandigheden de negatieve gevolgen te beperken. In reactie op het importverbod van Rusland heeft het kabinet onder andere de werktijdverkortingsregeling en de garantstelling landbouwondernemingen werkkapitaal opengesteld en zich actief ingezet om samen met het bedrijfsleven alternatieve afzetmarkten te vinden. Daarnaast heeft de Europese Commissie maatregelen genomen voor de zuivel, groenten- en fruitsector. In reactie op de uitbraak van de vogelgriep heeft het Ministerie van Economische Zaken maatregelen genomen om verdere verspreiding te voorkomen. De lessen uit het verleden betalen zich nu uit. Door snel en effectief in te grijpen konden beperkingen relatief snel weer worden opgeheven. Alertheid blijft echter geboden en een aantal preventieve maatregelen zal in 2015 van kracht blijven. Ondanks het turbulente jaar is de Nederlandse agrarische export licht toegenomen ten opzichte van 2013 en wordt deze voor 2014 geraamd op ruim € 80 mld.

2. Ruimte voor vernieuwing en verduurzaming

Als gevolg van demografische ontwikkelingen en het afnemende potentieel voor een nog hogere arbeidsparticipatie, zal de economische groei de komende jaren in toenemende mate moeten komen door een toename van de arbeidsproductiviteit. Dit wordt vooral gedreven door vernieuwing: oude technologieën, kennis en verdienmodellen maken plaats voor nieuwe. Het tempo van vernieuwing komt daarbij steeds hoger te liggen. Het is essentieel dat het bedrijfsleven en de overheid snel inspelen op deze ontwikkelingen. Dat betekent regelgeving moderniseren, digitale innovaties benutten en inspelen op maatschappelijke uitdagingen, zoals verduurzaming van de energiehuishouding, het terugwinnen van schaarse grondstoffen en het betrekken van natuurlijk kapitaal in afwegingen van bedrijven en overheden. Voor een effectief innovatiesysteem en concurrerende kenniseconomie is een tripartiete samenwerking tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheid belangrijk. Het bedrijfslevenbeleid en het Techniekpact, die hier actief invulling aan geven, werpen steeds meer vruchten af. De R&D-uitgaven laten al enige jaren een stijgende trend zien, het aantal uit Nederland aangevraagde patenten bij het Europees Octrooibureau is met ruim 9 procent gestegen tot 8.1045 in 2014 en de publiek-private samenwerking tussen het onderwijs en bedrijfsleven neemt toe. Concreet voorbeeld is de samenwerking van ASML, Universiteit van Amsterdam en de stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie in het Centrum van Nanolithografie. Het Techniekpact beoogt onder meer het aantal studenten dat afstudeert aan een technische opleiding te vergroten. De verhoogde toename van het aantal inschrijvingen van eerstejaarsstudenten voor een technische bacheloropleiding aan de universiteit en hogeschool met respectievelijk 12 en 7 procent is dan ook een positieve ontwikkeling.

Het MKB en startende, innovatieve ondernemingen zijn belangrijk voor een sterk en innovatief bedrijfsleven. Veel Nederlandse ondernemers werken aan vernieuwende technologieën. Dit bleek temeer bij de benoeming van de Nationale Iconen, een competitie die draait om baanbrekende innovaties van internationale betekenis. Uit de 165 inzendingen zijn, na advies van een onafhankelijke jury, vier Iconen benoemd: gekweekte stamcellen van het Hubrecht Instituut, de quantumcomputers van de Technische Universiteit Delft, de hybride aardappels uit zaad van het bedrijf Solynta en de biologisch afbreekbare naald van Bioneedle. Deze Iconen krijgen ondersteuning op maat om hun ambities waar te maken.

Mede naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamer6 en de agenda StartupNL zijn in 2014 nieuwe initiatieven in gang gezet om het ondernemersklimaat voor nieuwe, ambitieuze ondernemers te verbeteren. De nieuw aangestelde Special Envoy voor startups zal Nederland als dé vestigingsplaats voor innovatief MKB uit het buitenland op de kaart zetten en met het startersvisum kunnen buitenlandse startups zich gemakkelijker in Nederland vestigen. MKB‘ers worden gestimuleerd om te innoveren in samenwerking met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Het Ministerie van Economische Zaken bevordert daarnaast vernieuwing in het bedrijfsleven door ICT en internet hoog op de agenda te zetten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de brede toepassing van doorbraaktechnologieën als 3D-printing, robotisering en big data. Per 1 oktober is het Boegbeeld ICT aangesteld om hier invulling aan te geven. Naast het economisch potentieel is er ook aandacht voor bescherming van onder andere privacy en gelijke toegang en behandeling. Eind 2014 zijn in de voortgangsrapportage van de «Visie op telecommunicatie, media en internet» 7 de eerste contouren geschetst van de modernisering van beleid en regelgeving om een eerlijk speelveld voor traditionele en nieuwe (internet)spelers te behouden.

Op verzoek van het kabinet is de Actieagenda Smart Industry opgesteld waarin 14 actiepunten zijn uitgewerkt om de industrie en daaraan gekoppelde dienstensector te laten profiteren van ICT-technologieën. Centraal in het actieplan staat de ontwikkeling van 10 Fieldlabs van hoge kwaliteit en met een stevig privaat commitment. Bij de ontwikkeling van de agenda zijn ruim duizend bedrijven betrokken. Ook zijn concrete resultaten geboekt met de 9 ICT-doorbraakprojecten in onder andere de zorg, het onderwijs en het MKB. De overheid levert zijn bijdrage met het doorvoeren van verbeteringen op het terrein van digitale dienstverlening. Ondernemers kunnen sinds een jaar op het Ondernemersplein.nl terecht voor betrouwbare informatie en met dank aan het Ondernemingsdossier voeren ondernemers éénmalig hun (verplichte) gegevens in die door verschillende overheden kunnen worden hergebruikt met als doel de vermindering van regeldruk. In 2014 zijn 11 regelhulpen ontwikkeld, die in het Ondernemingsdossier aangeven welke regels gelden en wat de te nemen maatregelen voor naleving zijn.

In het publieke domein beoogt het kabinet vernieuwing samen laten te gaan met een effectieve borging van publieke belangen. Met de opheffing van de publieksrechtelijke bedrijfsorganisaties (PBO’s) is, in overleg met de sectoren, invulling gegeven aan de herijking van publieke en private verantwoordelijkheden. Bij het waarborgen van de voedselveiligheid zet het kabinet naar aanleiding van de bevindingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid8 in op het versterken van de ordening, governance en het toezicht. De keuringstaken voor de sectoren vlees, zuivel en plant zijn weer binnen het publieke domein gebracht. Tot slot heeft het kabinet het afgelopen jaar besloten tot de oprichting van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) om de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming beter te kunnen borgen. Hiermee wordt versnippering voorkomen en schaars beschikbare kennis en expertise zoveel mogelijk gebundeld.

Naast de noodzaak ruimte te bieden aan vernieuwende technologieën en innovaties om onze welvaart in brede zin te vergroten, is er de noodzaak te komen tot verdere verduurzaming. De druk op de natuur, het leefmilieu en het klimaat wordt steeds groter. Om welvaart en welzijn in de toekomst zeker te stellen dienen deze thema’s onlosmakelijke onderdelen te worden van duurzame economische en maatschappelijke ontwikkeling. Het versterken van het duurzame karakter van productie en consumptie vindt op vele terreinen plaats. Het betekent zuiniger omgaan met schaarser wordende grondstoffen, inzetten op kwalitatief hoogwaardige landbouw en het vinden van de juiste balans tussen natuurbelangen en economische ontwikkeling. In 2014 is actief ingezet op de bevordering van duurzame inclusieve groei en de realisatie van ecologisch houdbare voedselsystemen. Zo is tijdens de Klimaattop in New York door de oprichting van een Alliance Climate Smart Agriculture, dit thema wereldwijd op de politieke agenda geplaatst. De kabinetsplannen om de voedselproductie fors te verhogen en tegelijk het verbruik van grondstoffen te verminderen, zijn door 75 landen omarmd. Uit de Monitor Duurzame Agrogrondstoffen van het CBS blijkt dat de verduurzaming van agrogrondstofketens op koers ligt. Dichter bij huis is samen met de topsectoren en de Alliantie Verduurzaming Voedsel gewerkt aan de verdere verduurzaming van de voedselproductie en het verminderen van voedselverspilling (2014 was het jaar tegen de «voedselverspilling»). Het initiatief voor de transitie wordt steeds meer genomen door de sector zelf zoals wordt geïllustreerd door de uitgebrachte visie op de duurzame varkenshouderij «recept voor duurzaam varkensvlees».

Om de transitie naar een duurzame economie te versnellen, werd de Green-Deals-aanpak in 2014 voortgezet, wat sinds de start in 2011 heeft geresulteerd in 176 projecten. Zo zijn er afspraken gemaakt ter bevordering van circulair inkopen, groene gewasbescherming, natuur, de chemieketen en duurzaam toerisme. Ook is in 2014 de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) opgesteld om het overschot aan stikstof in Natura 2000-gebieden aan te pakken. De PAS borgt het evenwicht tussen een veerkrachtige natuur enerzijds en ruimte voor gezonde economische ontwikkeling anderzijds. Vooruitlopend op het vervallen van de Europese melkquota, is in 2014 gewerkt aan een raamwerk om te borgen dat economische groei van de melkveehouderij plaatsvindt binnen de milieurandvoorwaarden van de Nitraatrichtlijn. Op 1 januari 2015 is de wet «Verantwoorde groei melkveehouderij» van kracht geworden. In aanvulling hierop volgen nadere regels ter versterking van de grondgebonden groei in de melkveehouderij en worden afspraken gemaakt om de weidegang te bevorderen. Met verschillende regelingen 9 zijn in 2014 investeringen in duurzame veehouderij bevorderd. In 2014 was er bij 27 procent van de totale investeringen in de sector sprake van investeringen in duurzame productiemiddelen.

3. Verbindingen leggen en de dialoog aangaan

De omgeving waarin beleid wordt gemaakt, verandert. Burgers en bedrijven wachten vaak niet meer op de overheid, maar organiseren zelf samenwerkingsverbanden om tot oplossingen te komen. Beleid kan niet zonder meer centraal worden bepaald en uitgevoerd. Om tot resultaten te komen, is vaak een andere aanpak gewenst. Door het stellen van randvoorwaarden blijft de regie bij de overheid, maar daar waar het kan, wordt ruimte gelaten aan burgers en bedrijven, waarbij de overheid ook een rol heeft als netwerkpartner. In 2014 is op diverse terreinen voor deze vernieuwende aanpak gekozen. Zo zijn bij de ontwikkeling van de Natuurvisie «Natuurlijk verder», burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties intensief betrokken. Dit heeft geresulteerd in een visie waarin een omslag van denken is verwoord. Het gaat niet meer om het beschermen van natuur tegen de samenleving, maar om het versterken van natuur samen met de samenleving. Daarnaast worden in de Natuurvisie de natuurlijke en economische belangen nauwer met elkaar verweven. Het Rijk en de provincies hebben afgesproken samen op te trekken in de realisatie van de uitvoeringsagenda van de Natuurvisie. Ook bij de totstandkoming en uitvoering van het Energieakkoord is gewerkt vanuit het principe dat partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. Meer dan 40 partijen hebben in 2013 het akkoord ondertekend en in 2014 gewerkt aan gemeenschappelijke doelen: duurzame energieopwekking, meer energiebesparing en extra werkgelegenheid. De bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken bestond onder andere uit de uitwerking van de aanpak voor de uitrol van wind op zee, de openstelling van € 3,5 mld om nieuwe hernieuwbare energieprojecten met de SDE+-regeling te ondersteunen, de ontwikkeling van een energiebesparingsaanpak samen met de industrie en de invoering van het verlaagde tarief ter ondersteuning van lokale energieopwekking.

De overheid wordt steeds vaker ingezet als een belangrijke schakel in regionale samenwerkingsverbanden. Via de samenwerkingsagenda Rijk en regio zijn afspraken gemaakt over het inzetten van middelen en instrumenten ter ondersteuning van het Nederlandse innovatieve MKB en het kunnen doorgroeien van kansrijke bedrijven en innovaties uit de regio naar een nationaal of internationaal niveau. De MKB-innovatiestimuleringsregeling (MIT-regeling) versterkt de regionale verbindingen. In 2014 was er, mede dankzij financiële bijdragen van de provincies Limburg en Noord-Brabant, een budget van € 32 mln beschikbaar. Eind 2014 zijn ook met andere provincies afspraken gemaakt, zodat de MIT-regeling kan worden geïntensiveerd. Daarnaast is, gelet op de economische uitdagingen die in de provincie Groningen spelen, op initiatief van het Ministerie van Economische Zaken en de provincie een werkgroep gestart, die in nauw overleg met betrokkenen een actieplan ter versterking van het chemiecluster in de Eemsdelta heeft opgesteld.

De behoefte van burgers en bedrijven om in toenemende mate mee te praten en te beslissen, komt nadrukkelijk naar voren in trajecten waarin beoogd wordt om een transitie tot stand te brengen. Deze transities gaan immers gepaard met ingrijpende veranderingen en raken vaak direct hun belangen. Zo zijn windmolens bijvoorbeeld noodzakelijk voor het realiseren van een duurzame energievoorziening, maar zien omwonenden ze liever niet in hun nabijheid geplaatst worden. Ook is het belangrijk om de kwaliteit en veiligheid van medicijnen, stoffen en voedsel te testen, maar bestaat er weerstand tegen dierproeven. De uitdaging voor het kabinet is om een goede balans te vinden tussen het laten slagen van transities en het vinden van draagvlak. Daarom worden wind-op-land-projecten ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies en worden betrokkenen en belanghebbenden gevraagd mee te denken en te participeren. Open en heldere communicatie, evenals het betrekken van belanghebbenden, voorkomt misverstanden en kan ervoor zorgen dat negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt. Daar waar mogelijk wordt gezocht naar alternatieven. Zo is in geval van dierproeven gekozen voor een aanpak waarmee wordt toegewerkt naar zo min mogelijk proeven met dieren en waar deze onvermijdelijk zijn naar optimale verfijning, vervanging en vermindering.

De gevolgen van de aardbevingen die worden veroorzaakt door de gaswinning hebben grote impact op Noordoost-Groningen. Het kabinet hecht bij de aanpak van de problemen aan zorgvuldige besluitvorming en veelvuldig overleg met betrokken partijen. Op 17 januari 2014 is een bestuursakkoord gesloten waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over Investeringen in de leefbaarheid en investeringen in de economie. De «Economic Board» heeft ter versterking van het economisch perspectief van de regio eind 2014 een programma met drie programmalijnen vastgesteld, waarin wordt ingezet op decentrale energieopwekking, digitale bereikbaarheid en een sterker financieringsklimaat. Daarnaast is de Dialoogtafel Groningen ingesteld om met bewoners, bedrijven en lokale bestuurders in het aardbevingsgebied te komen tot een maatregelenpakket om de gevolgen van de aardbevingen adequaat het hoofd te bieden en inwoners te compenseren.

In 2014 is gebleken dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van de inwoners in de regio te kunnen waarborgen en om de uitvoering van de afgesproken maatregelen met zo min mogelijk overlast voor de inwoners uit te kunnen voeren. Daarom heeft het kabinet in december 2014 besloten om de gaswinning verder terug te brengen tot 39,4 miljard Nm3. Halfjaarlijks komen nieuwe onderzoeksresultaten en adviezen beschikbaar. Op basis hiervan kan de gaswinning verder worden aangepast of kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen. Vooruitlopend op het definitieve besluit per 1 juli over de gaswinning in 2015 wordt de gaswinning voor het eerste halfjaar beperkt tot 16,5 miljard Nm3. Dit maakt voor het hele jaar 2015 zowel een plafond van 39,4 als 35 miljard Nm3 mogelijk. Frequent overleg met lokale en provinciale bestuurders, onder meer tijdens werkbezoeken, heeft daarnaast geleid tot aanvullende afspraken op het bestuursakkoord. Die afspraken zien mede op de intensivering van publieke regie door middel van een Nationaal Coördinator Groningen, op de preventieve versterkingsopgave en de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR10) en op de vergoeding van schade. Met de maatregelen in het bestuursakkoord en de aanvullende afspraken die daarover zijn gemaakt, worden de komende jaren grote bedragen in de regio geïnvesteerd. Deze moeten zoveel mogelijk rendement opleveren voor de bewoners.

Realisatie beleidsdoorlichtingen periode 2008 – 2014

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Naam artikel

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Geheel artikel?

(Nummer artikel)

(Naam artikel en eventueel artikelonderdeel)

             

Ja

11

Goed functionerende economie en markten

x

   

x

     

Ja

12

Een sterk innovatievermogen

   

x1

     

Ja

13

Een excellent ondernemingsklimaat

x

           

Ja

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

x2

 

x3

     

x

Ja

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

 

x

       

x4

Ja

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

         

x

x

Ja

18

Natuur en regio

   

x5

     

x6

Ja

X Noot
1

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Innovatie en toegepast onderzoek

X Noot
2

Gecombineerd met het Energierapport 2008

X Noot
3

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Energie en klimaat

X Noot
4

Gecombineerd met het IBO Agro-, visserij- en voedselketens

X Noot
5

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Leefomgeving en Natuur

X Noot
6

Gecombineerd met de OECD Territorial Review of the Netherlands

De huidige artikelindeling (beleidsartikel 11 tot en met 18) is van toepassing vanaf de begroting 2012. Voor de jaren 2008 tot en met 2011 was er nog sprake van twee ministeries (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Economische Zaken) met een andere artikelindeling. Voor het meerjarenoverzicht is uitgegaan van de huidige artikelindeling.

Voor een toelichting op de afgeronde beleidsdoorlichtingen in 2014 (en de beschikbare hyperlinks) wordt verwezen naar bijlage 2 «afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

De meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is opgenomen in de EZ-begroting 2015 (TK, 34 000 XIII, nr. 2). Deze is terug te vinden op de website www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties.

Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2013

Verleende garanties 2014

Vervallen garanties 2014

Uitstaande garanties 2014

Garantieplafond 2014

Totaal plafond

Totaal stand begrotings-reserve

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

2.165.544

372.353

626.468

1.911.429

706.250

 

66.555

Garantie Ondernemersfinanciering

679.762

108.782

144.210

644.334

400.000

 

55.009

Groeifinancieringsfaciliteit

71.445

35.474

11.892

95.027

84.365

 

5.000

Microkredieten

13.000

   

13.000

 

13.000

Nvt

Garantie Scheepsnieuwbouw

44.081

 

33.201

10.880

999.679

 

10.044

                 

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

65.765

526

16.999

49.292

43.865

 

20.037

Provincie Groningen inzake Aldel

4.000

 

4.000

0

 

4.000

Nvt

                 

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garantstelling Landbouw (GL en GL+)

394.523

28.537

79.279

343.781

130.000

 

41.229

Garantstelling Landbouwondernemingen Werkkapitaal (GLOW)

0

0

0

0

 

75.000

Nvt

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

660

 

660

0

 

60.750

Nvt

                 

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

433.168

 

18.022

415.146

 

449.070

Nvt

Totaal

3.871.948

545.672

934.731

3.482.889

2.364.159

601.820

197.874

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2013

Ontvangsten 2013

Saldo 2013

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Mutatie volume begrotings-reserve 2013

Mutatie volume begrotings-reserve 2014

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

102.422

21.544

– 80.878

97.779

30.389

– 67.390

0

36.555

Garantie Ondernemersfinanciering

8.176

10.160

1.984

17.875

9.380

– 8.495

1.098

– 9.612

Groeifinancieringsfaciliteit

2.360

2.047

– 313

2.168

2.436

268

Nvt

5.000

Microkredieten

0

0

0

0

0

0

Nvt

nvt

Garantie Scheepsnieuwbouw

0

44

44

0

46

46

44

– 15.000

                   

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

526

526

0

0

2.184

2.184

– 526

9.206

Provincie Groningen inzake Aldel

0

0

0

3.500

0

– 3.500

Nvt

nvt

                   

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garantstelling Landbouw (GL en GL+)

24.118

1.165

– 22.953

23.691

2.004

– 21.687

4.540

– 16.835

Garantstelling Landbouwondernemingen Werkkapitaal (GLOW)

0

0

0

0

0

0

Nvt

Nvt

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

0

0

0

444

0

– 444

nvt

nvt

                   

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

0

0

0

0

0

0

Nvt

nvt

Totaal

137.602

35.486

– 102.116

145.457

46.439

– 99.018

5.156

9.314

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

BMKB

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Op grond van de Regeling nationale EZ-subsidies kunnen financiers kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers onder de werking van de regeling brengen. Hierdoor stelt de Staat zich voor 90% borg ten behoeve van de financier voor de terugbetaling van deze kredieten (de zogenaamde bedrijfsborgstellingskredieten). Eén van de voorwaarden die de regeling hieraan stelt, is dat de financier gelijktijdig met het verstrekken van een bedrijfsborgstellingskrediet, aan de MKB-ondernemer een ander krediet verstrekt, waarvoor deze borgstelling van de Staat niet geldt. Als hoofdregel geldt dat het bedrijfsborgstellingskrediet ten minste even groot moet zijn als het daarmee gelijktijdig afgesloten andere krediet. Het laatstgenoemde krediet bedraagt daarmee ten minste 100% van het bedrijfsborgstellingskrediet (verhouding 1:1). Voor starters en het innovatieve MKB gelden andere verhoudingen. Om de kredietverlening te stimuleren is per 1 november 2013 het maximum van het borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en geldt voor bestaande bedrijven met een borgstellingskrediet tot maximaal € 200.000 de ruimere startersfaciliteit.

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven.

Groeifinancieringsfaciliteit

Met de Groeifinancieringsfaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% Staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken (ten hoogste € 5 mln) en op aandelen van participatiemaatschappijen (ten hoogste € 25 mln). De Groeifinancieringsfaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Microkredieten

Dit betreft een eenmalige garantie van 80% die is verstrekt aan de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) op een lening van € 15 mln ten behoeve van de funding van de Stichting Qredits voor het verstrekken van microkredieten.

Garantie Scheepsnieuwbouw

Met de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de nieuwbouwfinanciering van een schip. Hierdoor wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bouwfinanciering of voorfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de kans voor Nederlandse scheepswerven om financiering aan te trekken. De sector kan door deze regeling beter concurreren met buitenlandse werven die van soortgelijke garantieregelingen gebruik kunnen maken.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Geothermie

De garantieregeling voor het boren naar aardwarmte steunt ondernemers die geologische risico’s van het boren naar aardwarmte willen afdekken.

Provincie Groningen inzake Aldel

Dit betreft een éénmalige garantie verstrekt aan de provincie Groningen inzake Aldel.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garantstelling Landbouw (plus)

Op basis van de garantstellingsregeling voor investeringen in landbouwondernemingen worden garantstellingen verleend aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd.

Regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen

De regeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen bestaat uit verzekering tegen schade aan gewassen in de fruitteeltsector als gevolg van extreme vorst en schade aan gewassen in de agrarische sector als gevolg van zware regenval. Verzekeraars die verzekeringen aanbieden voor dergelijke schades kunnen een beroep doen op de regeling.

Garantstelling Landbouwondernemingen Werkkapitaal (GLOW)

De GLOW is één van de maatregelen die het Kabinet getroffen heeft naar aanleiding van de Russische boycot. De GLOW is gericht op tijdelijke ondersteuning van de bedrijfsfinanciering voor bedrijven die door deze boycot getroffen worden.

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn thans opgaan in het Natuur Netwerk Nederland.

1.3.2 De beleidsartikelen

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuze- vrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie.

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het uitwerken van de in het najaar van 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie en Internet met als doel beleid en regelgeving te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidsconclusies

Op 1 augustus 2014 is de Stroomlijningswet Autoriteit Consument en Markt (ACM) (Staatsblad 2014, 247) in werking getreden. De bijhorende gestroomlijnde doorberekening van kosten aan marktpartijen treedt op 1 januari 2015 in werking. Daarmee is de oprichting van de ACM voltooid. De Stroomlijningswet ACM stroomlijnt en vereenvoudigt de bevoegdheden, handhavingsinstrumenten en procedures, die bij de oprichting van de ACM in 2013 ongewijzigd waren gebleven ten opzichte van die van haar voorgangers (NMa, OPTA en Consumentenautoriteit). De stroomlijning zorgt er zodoende voor dat de ACM haar wettelijke taken effectiever en efficiënter kan uitvoeren en dat een aanvullende besparing van € 2 mln op het jaarlijkse ACM-budget wordt gerealiseerd.

Op 1 januari 2014 is een wijziging van de Postwet 2009 in werking getreden. Met dit wetsvoorstel is het aantal verplichte bezorg- en ophaaldagen binnen de universele postdienst (UPD) verminderd van zes naar vijf, met uitzondering van rouwpost en medische post, waarvoor de zesdaagse bezorg- en ophaalplicht is blijven gelden. Ook heeft de ACM met dit wetsvoorstel een aanvullende bevoegdheid gekregen om aan een postvervoerbedrijf met aanmerkelijke marktmacht specifieke verplichtingen op te leggen, zodat potentiële mededingingsproblemen zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Daarnaast is in 2014 een wetsvoorstel tot modernisering van de UPD bij de Tweede Kamer ingediend. Met dit wetsvoorstel worden maatregelen voorgesteld om een rendabele uitvoering van de UPD te kunnen waarborgen. Zij is gericht op het continueren van een kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke basispostvoorziening, die is ingericht op de huidige wensen van burgers en klein zakelijke gebruikers.

Eind 2014 is een voortgangsrapportage van de «Visie op telecommunicatie, media en internet» aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin staan de eerste contouren van de modernisering van beleid en regelgeving. Nieuwe en recent gedane voorstellen zijn hierin verzameld zoals: het grondig herzien van de Europese marktregulering voor de telecommarkt, een onderzoek naar zgn. gatekeepers (grote marktpartijen die belemmeringen kunnen opwerpen bij de toegang tot bijvoorbeeld netwerken en informatiebronnen), de evaluatie en eventuele modernisering van de mediaregelgeving, en de aankondiging van een high level expertgroep op het terrein van privacy en big data.

Daarnaast is in november 2014 de kabinetsvisie over big data, profilering en privacy aan de Tweede Kamer gestuurd. Deze visie gaat uit van de wens van het kabinet om innovatief gebruik van data te combineren met bescherming van onder andere privacy en gelijke behandeling. De brief schetst zowel het economisch potentieel als het beschermend wetgevend kader en oplossingen om op (voor burgers) zinvolle en (voor bedrijven) praktische wijze het vertrouwen in datagebruik te vergroten. De eerder genoemde expertgroep moet deze oplossingsrichtingen verder brengen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

 

VERPLICHTINGEN

233.079

231.522

228.384

214.441

195.559

196.702

– 1.143

UITGAVEN

231.311

232.766

233.701

216.199

197.270

197.794

– 524

               

Subsidies

     

797

356

1.700

– 1.344

Digitalisering regionale radio

     

797

356

1.700

– 1.344

               

Opdrachten

5.485

9.005

14.884

8.071

6.593

12.446

– 5.853

Onderzoek en Opdrachten

2.913

2.948

2.603

2.883

2.833

2.339

494

PIANOo/TenderNed

2.572

6.057

7.022

1.572

689

6.218

– 5.529

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

   

5.259

3.616

3.071

3.889

– 818

               

Bijdragen aan agentschappen

11.971

11.262

10.984

14.510

16.075

11.165

4.910

Agentschap Telecom

11.732

11.000

10.984

10.921

10.735

10.386

349

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

239

262

 

365

351

 

351

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

     

3.224

4.989

779

4.210

               

Bijdrage aan ZBO’S/RWT’s

210.630

209.926

205.019

190.090

170.667

168.594

2.073

Metrologie

14.112

14.923

15.171

14.969

14.319

14.092

227

Raad voor Accreditatie

1.485

432

93

162

262

296

– 34

ACM

2.764

2.895

2.901

1.333

695

421

274

CBS

192.269

191.676

186.854

173.626

155.391

153.785

1.606

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.225

2.573

2.814

2.731

3.579

3.889

– 310

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

868

565

898

790

1.480

1.153

327

Internationale organisaties

2.293

1.982

1.916

1.941

2.043

2.676

– 633

Raad van deskundige voor de nationale meetstandaarden

64

26

   

56

60

– 4

               

ONTVANGSTEN

60.795

78.464

82.680

3.846.784

58.853

52.265

6.588

Ontvangsten ACM

10.069

3.345

 

1.074

963

 

963

High Trust

22.369

21.443

32.060

16.655

34.441

31.300

3.141

Diverse ontvangsten

28.357

53.676

50.620

3.829.055

23.449

20.965

2.484

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen. In 2014 zijn de voorbereidingen voor de bouw van een netwerk voor regionale digitale etherradio (DAB+) voortgezet. Voor alle vijf deelgebieden zijn inkoopprocedures gestart. De verwachting is dat de regionale omroepen begin 2015 in Zeeland zullen gaan starten met digitale radio via DAB+. Later in 2015 zullen ook de andere regio’s volgen. De landelijke publieke en commerciële radiostations zijn reeds sinds 2013 te beluisteren via DAB+.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Als in 2016 (een jaar voordat de verlengde vergunningen voor commerciële etherradio aflopen) bij de dan geplande evaluatie blijkt dat digitale radio (via de TDAB technologie) zoveel succes heeft dat het op relatief korte termijn de distributie via de analoge FM kan vervangen, wordt een afschakelmoment van de analoge FM vastgesteld (TK, 24 095, nr 241). Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een TDAB-ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot TDAB. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Indicator

Referentie waarde 2012

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens

3,9%

2012

>5%

3%

15%

Nog niet bekend1

CBS

X Noot
1

In juli 2015 zal deze waarde door het CBS worden gepubliceerd

De realisatie van het percentage digitale radio-ontvangers in huishoudens in 2013 (3%) is lager dan de raming voor 2013 (>5%). Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de voorlichtingscampagne voor digitale radio van de gezamenlijke omroepen (publiek en commercieel) in 2014 van start is gegaan en niet, zoals eerder voorzien, in 2013.

Opdrachten

De lagere uitgaven hangen met name samen met:

  • Het feit dat de voor ICT-werkzaamheden PIANOo/TenderNed (regulier beheer, spoedeisend en releasematig onderhoud, nieuwbouw en doorontwikkeling) gedane uitgaven zijn verantwoord onder het voor de uitvoering verantwoordelijke agentschap DICTU (€ 3,9 mln).

  • Personele en materiële uitgaven ten behoeve van PIANOo/Tenderned (€ 1,6 mln) die op dit artikel zijn geraamd, zijn verantwoord bij de apparaatskosten op artikel 40.

Aanbestedings- en mededingingsbeleid

De in 2013 in werking getreden Aanbestedingswet beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen. Op Europees niveau zijn nieuwe richtlijnen tot stand gekomen die de Europese aanbestedingsregels vereenvoudigen en moderniseren. De richtlijnen zijn met medewerking van Nederland tot stand gekomen en dienen uiterlijk op 18 april 2016 in de Nederlandse wet te zijn geïmplementeerd.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn voor ondernemers. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop en leidt daarnaast tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers.

De Commissie van Aanbestedingsexperts bemiddelt of geeft niet-bindend advies aan ondernemers en aanbestedende diensten bij aanbestedingsklachten. In 2014 is het aantal aanbestedingsklachten dat voor advies aan de Commissie van Aanbestedingsexperts werd voorgelegd verder toegenomen. Vanwege het toegenomen aantal klachten wordt de capaciteit van de Commissie in 2015 uitgebreid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Schouten/Gesthuizen uit 2014 (TK II 2014/15, 34 000 XIII, nr. 37).

In 2014 is gestart met extern onderzoek naar de effecten van de Aanbestedingswet 2012. In de onderzoeken wordt gekeken naar de toegang van het MKB tot overheidsopdrachten, naar de lasten van het aanbesteden voor overheden en ondernemers, de naleving van de aanbestedingsplicht, de ontwikkelingen in de rechtspraak en naar het gebruik van de mogelijkheden van de Aanbestedingswet 2012 (uniformiteit, toepassing duurzaamheid, sociale voorwaarden etc.). De evaluatie zal in 2015, met een beleidsbrief, aan de Kamer worden gezonden.

In 2014 is de «verruimde bagatelvrijstelling» geëvalueerd. De bagatelvrijstelling is één van de uitzonderingen op het kartelverbod en staat kleine ondernemingen met een beperkt marktaandeel toe onderling afspraken te maken. Bekeken is welke effecten de verruiming van de bagatelvrijstelling (in 2011) heeft gehad op het gebruik van de bagatelvrijstelling door het bedrijfsleven, het tegenwicht bieden aan inkoopmacht, de rechtszekerheid voor ondernemingen en consumenten. Eind 2014 is de evaluatie afgerond en is het rapport, samen met beleidsconclusies, naar beide Kamers gestuurd (TK II 2014/2015, 34 121, nr. 1, TK I 2014/15, 31 531, nr. T). Hoewel de effecten van de verruiming beperkt waren, geeft de evaluatie geen reden de huidige verruimde bagatelvrijstelling aan te passen of te laten vervallen. Begin 2015 zal de uitleg over de bagatelvrijstelling op overheidswebsites worden verbeterd.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

  • De huidige vergunningen in de 2.1 GHz-band (UMTS) lopen op 1 januari 2017 af. In 2014 is besloten de vergunningen voor deze band te verlengen en is daartoe een Verlengbaarheidsbesluit geconsulteerd en in definitieve vorm gepubliceerd. Ook is een begin gemaakt met de regelgeving voor de verlengingsprijzen voor de betreffende vergunningen.

  • Begin 2017 lopen ook de vergunningen van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep voor digitale ethertelevisie af. In 2014 heeft een marktpeiling plaatsgevonden naar de toekomst van ethertelevisie in Nederland. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de (her)bestemming van de voor digitale ethertelevisie bestemde frequentieruimte (de «700 MHz band») voor mobiele communicatie en over de (her)verdeling van de vergunningen voor digitale ethertelevisie. De verdere beleidsinvulling daarvan is gestart. Ook zijn in 2014, onder andere door gesprekken met de verschillende marktpartijen, de voorbereidingen voor het medio 2015 te nemen besluit over het toekomstige gebruik van de frequentieruimte voor commerciële radio gestart.

  • In 2014 is de nationale voorbereidingscommissie (NVC) voor de World Radiocommunications Conference 2015 (WRC-15), bestaande uit overheid en bedrijfsleven, periodiek bijeen geweest om de standpunten op de diverse agendapunten af te stemmen. Deze zijn verwoord in het zogenaamde ««dynamisch document» dat uiteindelijk in oktober 2015 uitmondt in de NL instructie voor WRC-15. Verder is actief deelgenomen aan ITU en Europese voorbereidingsvergaderingen van de WRC. Een WRC vindt eens in de vier jaar plaats en bepaalt de internationale kaders voor het nationale frequentiebeleid. Bijvoorbeeld de allocatie van additionele frequentieruimte voor mobiel breedband vindt hier plaats.

  • In december 2014 hebben de drie operators KPN, T-Mobile en Vodafone regional roaming gelanceerd. Dankzij regional roaming kunnen klanten in het geval van een langdurige storing bij hun netwerkoperator tijdelijk bellen en sms’en via het netwerk van een van de twee andere operators. Dat is mogelijk in het gebied waar een storing optreedt die langer duurt dan drie dagen en meer dan 500.000 klanten treft. Nederland is het eerste land ter wereld waar een dergelijke noodvoorziening op deze manier beschikbaar is. EZ heeft een kleine financiële bijdrage geleverd aan de totstandkoming van deze voorziening.

  • Het programma Digiveilig is er op gericht om eindgebruikers (in het bijzonder individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over en tools te bieden voor veilig internetten en veilig online zakendoen. In 2014 is de campagne Alert Online (mede)georganiseerd als onderdeel van de Nationale Cybersecurity Strategie. Daarnaast is in nauwe samenwerking met het Platform Internetveiligheid de website Veiliginternetten.nl gelanceerd en zijn met marktpartijen afspraken gemaakt om in de eerste helft van 2015 te komen tot een eenduidig protocol voor cookiemeldingen en een instrument dat transparante privacy voorwaarden genereert.

  • EZ verzorgt de Interdepartementale Coördinatie van de onderzoeksprogrammering Nationale Cybersecurity Research Agenda. EZ draagt hier voor € 200.000 aan bij. In 2014 is de 2e tender in het kader van de SBIR afgerond en is voor € 1,2 mln aan onderzoeksvoorstellen gehonoreerd.

  • Als vervolg op de op 24 mei 2013 gepubliceerde brief aan de Tweede Kamer over e-privacy is in 2014 een aantal acties in gang gezet voor de bewustwording van de eindgebruiker en de bedrijven van het belang van privacybescherming. Zo is het actieplan, een tweejarig programma, met het doel privacy-vriendelijke innovatie te stimuleren en de innovatiekracht en de competitiviteit van de dienstensector te versterken, eind 2014 afgerond en is de kabinetsvisie op big data en profilering eind 2014 naar de Kamer gestuurd. Daarnaast is er in 2014 een Privacy monitor ontwikkeld (in 2015 zal de eerste versie worden opgeleverd) en is de ontwikkeling van een tool voor gebruikersvriendelijke privacy voorwaarden gestart.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.874

3.802

3.721

3.7401

3.700

geen publicatie

dalend

Bron: TNO

X Noot
1

de waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting opgenomen waarde omdat deze betrekking had op het derde kwartaal van 2012

Toelichting

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI-waarde kunnen dalen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De gerealiseerde bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste taken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. Ten aanzien van juridische procedures heeft AT in 2014 procedures in het kader van de multibandveiling uitgevoerd.

DICTU

De hogere uitgaven zijn het gevolg van werkzaamheden die in opdracht van TenderNed door het agentschap DICTU zijn uitgevoerd maar waren geraamd bij de opdrachten PIANOo/TenderNed.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming. In het voorjaar van 2014 zijn twee nieuwe Europese metrologische richtlijnen gepubliceerd die nationaal geïmplementeerd moeten zijn per 20 april 2016. Een voorstel ter wijziging van de Metrologiewet is daartoe aangenomen in de ministerraad. Indiening bij de Tweede Kamer volgt in 2015.

Autoriteit Consument en Markt

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM is belast met het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post, vervoer. In 2014 zijn de voorbereidingen voor de externe evaluatie van de ACM gestart. Deze evaluatie zal in april 2015 van start gaan en eind 2015 worden afgerond.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

ConsuWijzer is het informatieloket van de ACM en biedt op laagdrempelige wijze informatie over de rechten en plichten van consumenten. ConsuWijzer geeft advies op maat over de stappen die de consument kan nemen om zijn recht te halen. Dit kan variëren van een bezoek aan de winkelier, het schrijven van een brief aan de leverancier tot het aanhangig maken van een geschil bij de Geschillencommissie of de rechter. Daarnaast heeft ConsuWijzer als doel om de ACM te voorzien van toezichtsinformatie (signaalfunctie). Voor meting van de effectiviteit van ConsuWijzer.nl wordt onderzocht wat het percentage consumenten is dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan de website. Tevens wordt de klanttevredenheid gemeten.

Kengetal

Referentiewaarde

Peildatum

Raming

2014

Realisatie 2014

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

47%

45%

ACM

Klanttevredenheid Consuwijzer

7,4

2011

7,2

7,5

ACM

Het percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek aan ConsuWijzer is iets lager, maar niet significant afwijkend van 2013 (46%). Dit percentage geeft het aandeel consumenten weer dat na bezoek aan de website ConsuWijzer.nl in actie komt. Als de consumenten worden meegeteld die na telefonisch contact of contact per e-mail met ConsuWijzer stappen ondernemen dan blijkt dat 60% in actie komt en dat is 4% meer dan vorig jaar (56%). De klanttevredenheid is iets gestegen ten opzichte van 2013 (7,3) en komt daarmee hoger uit dan de referentiewaarde uit 2011.

Centraal Bureau voor de Statistiek

Het outputprogramma van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zoals opgenomen in het Jaarplan voor 2014 van het CBS is gerealiseerd binnen het budgettaire kader. Het voorgenomen beleid van het CBS is daarmee gerealiseerd.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012. Deze betreffen Europese normalisatie en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaan. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen. De in 2014 gestarte evaluatie naar de bijdrage aan het NEN wordt in 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Internationale organisaties

  • De International Telecommunications Union (ITU) richt zich op de werkzaamheden van de Radiocommunicatiesector, nl. de wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en de toewijzing van ruimteposities aan satellietsystemen. In 2014 is actief deelgenomen aan de voorbereidingen van de ITU-Plenipotentiare Conferentie die eind 2014 plaats vond. Tijdens deze conferentie zijn het Strategisch, het Financieel en het Operationeel plan voor de periode 2016 – 2019 goedgekeurd en is een sterkere samenwerking tussen de drie ITU sectoren in aangepaste Resoluties vastgelegd (wens van Europa en andere «westerse» landen). Verder zijn stappen gezet naar een grotere toegankelijkheid tot documenten en vergaderingen van de ITU. Al met al kan gesproken worden over een voor Nederland en Europa succesvolle Conferentie.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU en UPU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen). Samen met het Agentschap Telecom is in 2014 actief deelgenomen aan de werkzaamheden van CEPT. Dit betreft zowel de regionale voorbereiding van ITU Conferenties als het uitwerken en goedkeuren van regionale afspraken over nummers en frequentiegebruik. Ook is actief bijgedragen aan (technische) rapporten in antwoord op mandaten van de Europese Commissie.

  • The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC) coördineert wereldwijd het domeinnamensysteem (de basis van het internet). Nederland (EZ) heeft samen met Brazilië en Noorwegen toegezegd het secretariaat van ICANN/GAC tot en met 2015 te financieren. Deze bijdrage wordt de komende jaren afgebouwd. De voorgenomen financiële bijdrage voor 2014 is niet nodig geweest door extra donaties van andere landen. Internet Governance Forum (IGF): Het Internet Governance Forum is het discussieforum waar ontwikkelingen op het gebied van internet met alle betrokken partijen (overheid, markt, non-profit organisaties) worden besproken. EZ doneert vooralsnog tot 2015 jaarlijks een bedrag aan het IGF, met name ter ondersteuning van het IGF-secretariaat. Verder subsidieert EZ (via DG B&I) ECP onder meer voor de jaarlijkse voorbereiding van het NL IGF platform (multistakeholders-platform). Het NL IGF is in juni 2014 bijeengekomen ter voorbereiding op het mondiale Internet Governance Forum dat in september 2014 in Istanbul werd gehouden. Beide bijeenkomsten waren geslaagd. Bij de bijeenkomst van het NL IGF waren meer dan 100 deelnemers aanwezig vanuit verschillende sectoren (overheid, bedrijfsleven, NGO’s, politiek, etc.).

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

De hoger dan begrote ontvangsten zijn voornamelijk veroorzaakt door een telecomboete aan KPN van € 2,7 mln en betalingsregelingen waarvan de inkomsten niet voor 2014 waren voorzien.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat Nederland in 2020 mondiaal tot de top 5 van de kenniseconomieën behoort. Nederland neemt in 2014 de achtste plaats in op de ranglijst van het World Economic Forum.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is – vanuit zijn Rijksbrede verantwoordelijkheid voor innovatiebeleid -verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven, middels het Innovatiefonds MKB+.

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D en innovatie.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en -benutting.

  • Samen met de bewindslieden van OCW coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2014

Realisatie 2013

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP 1

1,90%

2011

1,90%

1,98%

CBS

• waarvan private sector

1,08%

2011

1,08%

1,14%

CBS

• waarvan publieke sector

0,83%

2011

0,83%

0,84%

CBS

Bron: CBS (R&D-statistiek)

X Noot
1

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron. De gegevens voor het peiljaar 2011 wijken af van de waarden die in de begroting voor 2014 waren opgenomen, te weten 2,02% voor de totale R&D-uitgaven als percentage van het BBP, 1,13% voor de R&D-uitgaven in de private sector als percentage van het BBP en 0,88% voor de R&D-uitgaven in de publieke sector als percentage van het BBP. Sinds het opstellen van de begroting heeft een lichte opwaartse bijstelling plaatsgevonden van de absolute omvang van de R&D-uitgaven van bedrijven in 2011 (+ 1,4%) bij het definitief maken van de eerder nog voorlopige cijfers. In verhouding tot het BBP zijn de R&D-uitgaven echter sterk lager geworden dan in de eerdere meting door een opwaartse herziening van het BBP in het kader van de revisie van de Nationale Rekeningen bij het CBS. Het BBP-niveau is hierdoor ongeveer 7% hoger geworden ten opzichte van de eerdere metingen. In de tabel zijn de waarden in de kolommen «Referentiewaarde» en «Raming 2014» aangepast aan de wijzigingen die hebben plaatsgevonden in de statistiek van het CBS.

Kengetal

20091

2010

2011

2012

2013

2014

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in EU

8e

8e

7e

5e

6e

n.n.b.

Aantal bij PCT2 aangevraagde octrooien,

           

• per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €) 3

7,03 (2006)

6,59 (2007)

6,46 (2008)

6,32 (2009)

5,45

(2010)

n.n.b.

• positie Nederland in EU

5e

5e

5e

5e

5e

n.n.b.

Aantal bij OHIM4 aangevraagde handelsmerken,

           

• per mld euro BBP (in PPP €)5

5,90 (2008)

6,76 (2009)

7,38 (2010)

7,12 (2011)

7,19 (2012)

n.n.b.

• positie Nederland in EU

9e

6e

6e

9e

9e

n.n.b.

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2014)

X Noot
1

In de begroting 2014 was per abuis de 9e positie vermeld in 2009.

X Noot
2

Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat onder andere internationaal aangevraagde octrooien registreert.

X Noot
3

Betreft het aantal octrooiaanvragen (onder PCT, internationale fase met EPO-bestemming) naar land van uitvinder, gedeeld door het BBP in mld euro’s gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen. Tussen haken is het jaar opgenomen waarop de data betrekking hebben. Dit betekent dat de positie van Nederland in 2013 op de Innovation Union Scoreboard dus mede is bepaald op basis van octrooidata uit 2010.

X Noot
4

Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU-agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU geldig zijn.

X Noot
5

Tussen haken zijn de jaren aangegeven waarop de data betrekking hebben.

Kengetal

2006

2008

20101

2012

Realisatie 2014

Aandeel innoverende bedrijven:

         

• Industrie (EU-gemiddelde)

42%

42% (44%)

53% (44%)

50% (41%)

n.n.b.

• Diensten (EU-gemiddelde)

32%

31% (35%)

44% (35%)

42% (32%)

n.n.b.

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

         

• Researchinstellingen (EU-gemiddelde)

8%

10% (6%)

6% (6%)

8% (9%)

n.n.b.

• Universiteiten (EU-gemiddelde)

11%

14% (10%)

8% (11%)

11% (13%)

n.n.b.

Bron: Eurostat (uitkomsten van Community Innovation Survey, die tweejaarlijks wordt gehouden)

X Noot
1

Enquêtemethode gewijzigd in Nederland

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. De cijfers tonen dat Nederland op dit punt aanzienlijk beter presteert dan het EU-gemiddelde. De daling in de Nederlandse score van 2012 ten opzichte van 2010 lijkt beïnvloed te zijn door de algehele economische ontwikkeling in de EU, want het EU-gemiddelde is in nagenoeg dezelfde mate afgenomen.

Het aandeel innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met universiteiten of publieke researchinstellingen biedt inzicht in de mate waarin innoverende bedrijven kennisinstellingen betrekken bij onderzoek en innovatie. Dit aandeel ligt in Nederland iets lager dan het EU-gemiddelde, maar is wel substantieel gegroeid ten opzichte van de waarde in 2010.

Een vergelijking over de gehele periode 2006–2012 wordt bemoeilijkt door een breuk in de tijdreeks als gevolg van de introductie van de digitale enquêtemethode door het CBS bij de meting over 2010.

Beleidsconclusies

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox) en het Innovatiefonds MKB+. Dit betreft verreweg het grootste deel van het totale innovatiebudget. Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. Hierna zullen eerst de conclusies met betrekking tot het generieke spoor worden toegelicht (A), en vervolgens met betrekking tot het specifieke spoor (B). Tot slot kan er nog een blok Randvoorwaarden worden onderscheiden.

A. Generiek instrumentarium

A1. Fiscale innovatie-instrumenten

Fiscale instrumenten vormden in 2014 de generieke basis van het beleidsinstrumentarium voor innovatie. Naast de WBSO, die ondernemers kunnen inzetten om de loonkosten van R&D te verlagen, was er de RDA (Research & Development Aftrek), die betrekking heeft op overige R&D-kosten en -investeringen11. De RDA kende in 2014 een percentage van 60% extra aftrek (resulterend in een nettovoordeel van 15% bij een Vpb-tarief van 25%).

De eerste schijf van de WBSO is in 2014 verlengd van € 200.000 naar € 250.000. Daarmee geeft de WBSO een extra stimulans aan doorgroei van het innovatief MKB. Tegelijkertijd is met het oog op effectiviteit op basis van de WBSO-evaluatie het percentage van de eerste schijf in 2014 verlaagd van 38% naar 35%.

A2. Innovatiefonds MKB+

Innovatiekrediet

Het Innovatiekrediet is een risicodragende geldleningsfaciliteit om ontwikkelingstrajecten van ondernemers mee te financieren. Door de aanhoudende krapte op de financieringsmarkt, waaronder ook de risicokapitaalmarkt, was het voor innovatieve ondernemingen ook in 2014 lastig om de private bijdrage in de financiering van veelbelovende en risicovolle innovatieprojecten te realiseren. Dit heeft invloed op de benutting van het Innovatiekrediet. Desondanks is het Innovatiekrediet met € 50 mln aangegane verplichtingen op nagenoeg hetzelfde niveau door het innovatieve MKB benut als in 2012 en 2013. Om dit knelpunt gericht aan te pakken is het Innovatiekrediet per 1 januari 2014 aangepast, zodat de omvang van de financiering vanuit het Innovatiekrediet voor kleine ondernemingen is verhoogd van 35% naar 45%. Bovendien is in december 2014 aangekondigd dat per 1 januari 2015 de maximale financiering per onderneming wordt verhoogd van € 5 mln naar € 10 mln.

Als gevolg van de genoemde uitputting is het beroep op de hiervoor geraamde kasmiddelen in 2014 ook lager. Aangezien sprake is van een fondsconstructie zullen deze middelen beschikbaar blijven voor het Innovatiefonds MKB+, dat met ingang van de begroting 2015 met de nota van wijziging onderdeel is van het Toekomstfonds.

SEED Capital

De SEED Capitalregeling maakt het mogelijk dat investeerders technostarters en creatieve starters kunnen helpen hun technologische en creatieve kennis om te zetten in toepasbare producten of diensten. De regeling verbetert de risico-rendementsverhouding voor investeerders en vergroot de financieringsmogelijkheden voor technostarters en creatieve starters. De twee tenders in 2014 zijn succesvol verlopen en hebben geleid tot het volledig benutten van het verplichtingenbudget van 2014. Voor de risicokapitaalmarkt betekent dit dat er € 44 mln aan risicokapitaal beschikbaar is gekomen. Hiervan is de helft afkomstig van private investeerders. De regeling is medio 2014 aangepast op de betere randvoorwaarden die door het nieuwe staatssteunkader zijn ontstaan. Dit heeft geleid tot een toename van aanvragen voor de regeling.

Dutch Venture Initiative (DVI)

De investeringen van het Dutch Venture Initiative (DVI), die samen met het

Europees Investeringsfonds (EIF) worden gefinancierd, verliepen, net zoals in 2013, in 2014 ook voorspoedig. In 2014 is nu in totaal € 113 mln van de € 150 mln van het eerste DVI-fonds toegekend aan risicokapitaalfondsen voor de doorgroei van innovatieve bedrijven. Daarvan hebben de investeringen in de bedrijven Sapiens en ProQR al geleid tot succesvolle vervolgfinancieringen en een positieve impact op het rendement van DVI.

In december heeft de provincie Noord-Brabant via de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) € 5 mln toegevoegd aan het eerste DVI-fonds, en het EIF nog eens € 2,5 mln. De BOM heeft daarnaast € 35 mln beschikbaar om deel te nemen in de risicokapitaalfondsen waarin DVI investeert en die actief zijn in Noord-Brabant.

Ten slotte is in 2014 € 30 mln van het Rijk (en € 15 van het EIF) toegevoegd aan het DVI voor het opzetten van een co-investeringsfaciliteit met business angels. De verplichtingenruimte is eind 2014 volledig benut.

In 2014 is binnen het kader van het Aanvullend Actieplan gewerkt aan een tweede DVI-fonds. Hiervoor is € 100 mln beschikbaar uit het startkapitaal van het Toekomstfonds. Ook is het EIF gevraagd opnieuw deel te nemen in dit tweede DVI-fonds. De verwachting is dat daar begin 2015 overeenstemming over kan worden gemeld.

Vroege Fase Financiering (VFF)

In 2013 is een nieuwe faciliteit voor startende innovatieve bedrijven en bestaande innovatieve Midden- en Klein Bedrijven (vroege fase financiering) aangekondigd. Deze regeling is op 30 juni 2014 gepubliceerd en geopend. Met de vroege fase financiering kunnen ambitieuze, innovatieve ondernemers en MKB'ers met een vernieuwingsproces een risicodragende geldlening ontvangen om te onderzoeken of hun idee een kans van slagen heeft op de markt. STW voert het deel uit gericht op academische starters en RVO voert de regeling voor innovatieve starters (niet-academisch) en MKB uit. In totaal heeft RVO in 2014 5 aanvragen gehonoreerd ter hoogte van circa € 1,2 mln.

A3. Eurostars

Eurostars is een internationaal programma dat 34 deelnemende landen en de EU cofinancieren. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Eurostars-2 is in 2014 opgestart om vervolg te geven aan het Eurostars-programma van de periode 2007–2013.

In 2014 is er één call for proposals afgerond. Het aantal projectaanvragen met Nederlandse deelname was lager dan verwacht. Dit hangt mogelijk samen met onder andere de transitie van Eurostars-1 naar Eurostars-2 en de vroege start van het programma ten opzichte van Horizon 2020. De vooruitzichten voor de tweede call for proposals van Eurostars-2 zijn positief.

B. Specifiek instrumentarium

B1. Internationaal innoveren

Het Joint Technology Initiative ECSEL en de EUREKA-clusters CATRENE en ITEA3 bevorderen de internationale kennis- en technologiesamenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen met als doel verhoging van productiviteit en concurrentiekracht. ECSEL is in 2014 gestart als vervolg op de eerdere JTI’s ENIAC en ARTEMIS. Het programma heeft een tripartiete opzet waarbij projecten zowel door de EU als door individuele lidstaten worden ondersteund, naast de in kind bijdragen van de deelnemers. De eerste twee calls for proposals zijn in 2014 afgewikkeld. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen hebben daarbij uitstekend gescoord.

In 2014 spraken de meest betrokken landen bij het EUREKA-cluster CATRENE intensief over de randvoorwaarden voor een mogelijk nieuw EUREKA-clusterprogramma voor nano-elektronica, dat in de loop van 2015 moet starten. Internationale besluitvorming hierover wordt voor maart 2015 voorzien.

In 2014 is de Evaluatie Eureka en Eurostars afgerond. Op basis daarvan blijft de inzet op de Eureka-clusters ITEA en CATRENE, JTI ECSEL en Eurostars gehandhaafd.

B2. TKI Toeslag

In het tweede jaar van de TKI-toeslag werd voor ruim € 100 mln aan verplichtingen aangegaan aan alle TKI’s tezamen. Dit is een forse stijging ten opzichte van 2013. De hoogte van de toeslag is gebaseerd op de private bijdragen aan privaatpubliek onderzoek en bedraagt 25% van deze private bijdragen. De totale omvang van de private bijdragen komt in 2014 naar verwachting uit op circa € 340 mln. Dit ligt ruim boven de doelstelling om in 2015 circa € 500 mln aan privaatpubliek onderzoek binnen de TKI’s te bundelen, waarvan 40% privaat gefinancierd. Ook de daadwerkelijke inzet van de toeslag vertoont een stijgende lijn. In 2014 is € 54 mln aan toeslag betaald en geïnvesteerd in PPS-projecten ten opzichte van € 25 mln in 2013. Een groot deel hiervan is bestemd voor meerjarige programma’s en projecten die in termijnen worden betaald.

Op basis van de ervaringen en consultatie met de stakeholders is de regeling voor 2015 verder aangepast, zodat bij aanvraag nog meer zekerheid en duidelijkheid bestaat over de definitieve hoogte van de te verkrijgen toeslag. Ook is de mogelijkheid verruimd om toeslag te verdienen op private bijdragen van Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s). Met name in de sector Life Sciences & Health heeft dit tot meer toeslag geleid.

B3. MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

Het budget voor MIT in 2014 was € 30 mln. Er zijn in 2014 twee pilots uitgevoerd met de provincies Limburg en Noord-Brabant, waardoor bovenop de € 30 mln nog eens € 2 mln beschikbaar was.

Verdere uitrol van de samenwerking met de regio’s werd in 2014 voorbereid ten behoeve van uitvoering in 2015, mede naar aanleiding van moties Slob/Samson (TK, 27 406, nr. 214) en Mulder (TK, 33 930 XIII nr. 16). In een brief van de Minister van 11 december 2014 aan de Kamer is over de uitvoering van de moties gerapporteerd.

In 2014 is de vormgeving van het instrument aangepast. De R&D Samenwerkingsprojecten werden in 2014 toegedeeld door middel van «ranking» in plaats van op basis van «first come, first served».

Ook is de verdeling van het budget over de sectoren aangepast. Naast specifieke budgetten voor de afzonderlijke topsectoren is er in 2014 een bedrag van € 8 mln beschikbaar gesteld voor een gezamenlijke tender R&D Samenwerkingsprojecten.

B4. TTI-transitie

In 2010 heeft het vorige kabinet aangekondigd dat het de subsidies aan de Technologische Top Instituten (TTI’s) na 2012 niet langer zou voortzetten. Het kabinet, bedrijven en kennisinstellingen willen echter dat de succesfactoren van de TTI’s, zoals meerjarige onderzoeksprogramma’s over de gehele kennisketen, kenniscirculatie, grote betrokkenheid van de industrie, en een sterke netwerkfunctie, behouden blijven. Daarom is in de topsectoren waar TTI’s actief waren, een zorgvuldig transitieproces opgezet dat het onderzoek van de TTI’s borgt binnen de reguliere kennisinfrastructuur en het organiserend vermogen borgt in de TKI’s van de topsectoren.

Hiermee is niet alleen een borging van het onderzoek en organiserend vermogen gerealiseerd, maar is tegelijk ingespeeld op de grote maatschappelijke uitdagingen en innovatiekansen, veelal op het snijvlak van sectoren. Verder is ingezet op versteviging van de Europese samenwerking. De inbedding van het organiserend vermogen in de TKI’s draagt ten slotte bij aan grotere synergie doordat de programmering van de PPS-en uit de voormalige TTI’s nu in de bredere programmering van de TKI’s meeloopt.

Naast EZ zetten de Ministeries van I&M en VWS eveneens middelen in om het onderzoek van de topsector Logistiek te versterken en, onder meer, de Europese netwerkvorming te versterken voor de topsector Life Sciences & Health.

C. Randvoorwaarden

C1. Ruimtevaart (ESA)

Het jaar 2014 was uiterst succesvol voor de Europese ruimtevaart. ESA (European Space Agency) slaagde er als eerste in op een komeet te landen (Rosetta-missie). Met de ATV-5 werden nieuwe voorraden naar het ISS gebracht. In 2014 zijn de eerste satellieten van het Copernicus (aardobservatie)- en het Galileo (navigatie)-programma in een baan om de aarde gebracht. Geleidelijk aan zullen beide programma’s operationeel worden en veel nieuwe economische mogelijkheden bieden. Het Nederlandse bedrijfsleven is actief betrokken bij deze en andere ESA-missies via de levering van onderdelen, instrumenten en diensten. In 2014 is ook het satellietinstrument TROPOMI opgeleverd. Na een uitvoerige testperiode zal deze in 2016 gelanceerd worden.

Op 2 december 2014 vond een succesvolle ESA-Ministersconferentie plaats te Luxemburg. De Europese Ministers hebben een besluit genomen over de opvolging van de Ariane-5 draagraket, over de financiering van het Europese deel van de ISS en over twee Europese missies naar Mars (in 2016 en 2018).

Op 11 september 2014 werd de nota Ruimtevaartbeleid 2014–2020 aan de Tweede Kamer aangeboden.

C2. Innovatie Attaché Netwerk

Het Innovatie Attaché netwerk heeft in 2014 congressen en matchmaking georganiseerd voor de internationalisering van de topsectoren Water en Life Sciences & Health. Nederland was in 2014 partnerland van Turkije voor de eerste Turkse Innovatieweek. Nederland heeft zich aan het Turkse bedrijfsleven en de Turkse kenniswereld gepresenteerd als innovatieland dat nadrukkelijk de samenwerking met Turkije zoekt. Met name de topsectoren Creatieve industrie, Life Sciences & Health en High Tech Systemen en Materialen waren hierbij vertegenwoordigd.

Van 27 oktober tot en met 5 november heeft in het kader van het Staatsbezoek aan Japan en Zuid-Korea een economische missie plaatsgevonden. Voor 4 van de 6 delegaties in Japan en 3 van de 4 in Zuid-Korea ging het om innovatiemissies, waarbij RVO/Internationale research & innovatie samenwerking (IRIS) en de Innovatie Attachés in Japan en Zuid-Korea het leeuwendeel van de organisatie hebben verzorgd. Het bezoek is zeer succesvol verlopen, met concrete leads voor follow up in beide landen. Zo heeft de Koreaanse overheid Nederland gevraagd om kennis en expertise te gaan leveren bij de ontwikkeling van toekomstige offshore windparken. De coördinatie van deze samenwerking gaat via de TKI Wind op Zee en het programma Partners for International Business Offshore Wind.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

755.923

976.140

655.501

768.402

656.850

589.198

67.652

UITGAVEN

723.869

883.706

745.806

775.292

695.721

814.790

– 119.069

               

Leningen

33.183

46.293

39.646

99.538

72.107

95.814

– 23.707

Innovatiefonds (IF): Innovatiekrediet

19.102

35.786

27.296

48.965

43.282

67.459

– 24.177

Innovatiefonds: Seed

14.081

10.507

12.350

16.500

13.430

15.555

– 2.125

Innovatiefonds: Fund to fund

     

17.073

12.000

12.800

– 800

Innovatiefonds:Vroege fase/informal investors/ROM’s

     

17.000

3.395

 

3.395

               

Subsidies

165.616

155.641

124.365

73.576

49.598

64.577

– 14.979

Innovatie Prestatie Contracten

32.067

30.207

44.019

16.622

1.127

1.084

43

Eurostars

2.243

4.165

5.680

6.949

7.299

7.916

– 617

Lucht en Ruimtevaart

30.380

22.061

22.434

7.812

7.317

20.281

– 12.964

Overig

100.926

99.208

52.232

42.193

33.855

35.296

– 1.441

               

Opdrachten

3.362

3.326

2.366

1.436

1.151

2.633

– 1.482

Onderzoek en opdrachten

3.362

3.326

2.366

1.436

1.151

2.633

– 1.482

               

Bijdragen aan agentschappen

76.107

77.006

75.197

68.895

65.706

64.882

824

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

76.107

77.006

75.130

68.602

65.462

64.741

721

Agentschap Telecom

   

67

293

244

141

103

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

29.190

147.180

150.833

154.840

138.851

133.761

5.090

TNO

29.190

147.180

150.833

154.840

138.851

133.761

5.090

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

416.411

454.260

353.399

377.007

368.312

453.123

– 84.811

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

     

25.434

58.011

101.561

– 43.550

Internationaal Innoveren

       

4.539

4.000

539

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

14.259

46.670

49.047

54.802

43.028

40.973

2.055

Topsectoren overig

307.727

263.289

223.355

183.625

171.756

215.097

– 43.341

Syntens

33.038

32.506

31.453

19.797

0

0

0

Ruimtevaart (ESA)

58.348

111.011

48.805

92.895

90.154

90.259

– 105

Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

3.039

784

739

454

824

1.233

– 409

               

ONTVANGSTEN

180.311

44.462

70.496

96.098

61.491

49.968

11.523

Luchtvaartkredietregeling

278

1.861

1.519

2.515

2.523

2.102

421

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

7.575

5.412

3.939

2.128

860

4.000

– 3.140

Rijksoctrooiwet

31.287

31.596

36.787

35.287

35.182

31.212

3.970

Innovatiekredieten

5.980

16.733

8.685

9.816

– 1.131

Seed

65

143

585

2.188

3.209

 

3.209

Fund to fund

       

103

 

103

Ontvangsten ROM’s

     

16.995

2.999

 

2.999

Eurostars

443

1.060

1.143

104

248

1.250

– 1.002

Diverse ontvangsten

140.663

4.390

20.543

20.150

7.660

1.588

6.072

Toelichting op de verplichtingen

De realisatie van de verplichtingen op artikel 12 is € 67,7 mln hoger dan oorspronkelijk geraamd. Er is namelijk voor € 30 mln toegevoegd aan het Dutch Venture Initiative voor het oprichten van een co-investeringsfaciliteit met Business Angels (onderdeel van het stimuleringspakket uit 2013). Daarnaast is voor € 31 mln een schuif van verplichtingen doorgevoerd van 2015 en 2016 naar 2014 voor de TO2 instituten Marin en Deltares en voor het verstrekken van de beschikkingen voor de transitie van de Technologische Topinstituten (brief aan de Kamer van 4 april 2014 (TK, 28 753/32 637, nr. 33). Tot slot zijn er voor de MIT voor ruim € 6 mln meer verplichtingen aangegaan dan aanvankelijk geraamd, hiervoor is in de suppletoire begrotingen verplichtingenruimte beschikbaar gesteld.

Toelichting op de uitgaven

Er zijn € 119,1 mln lagere uitgaven gerealiseerd op artikel 12. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

Leningen

Innovatiekrediet (– € 24,2 mln). Door de aanhoudende krapte op de financieringsmarkt, waaronder ook de risicokapitaalmarkt, was het voor innovatieve ondernemingen ook in 2014 lastig om de private bijdrage in de financiering van veelbelovende en risicovolle innovatieprojecten te realiseren. Dit heeft invloed op de benutting van het Innovatiekrediet. Als gevolg van de lagere realisatie van de verplichtingen in de afgelopen jaren is het beroep op de hiervoor geraamde kasmiddelen in 2014 lager dan geraamd. Aangezien sprake is van een fondsconstructie zullen deze middelen beschikbaar blijven voor het Innovatiefonds MKB+, dat met ingang van de begroting 2015 (nota van wijziging) onderdeel is van het Toekomstfonds.

Kapitaal ROM’s (€ 3 mln). In 2013 is EZ een deelneming van € 10 mln aangegaan in Innovation Quarter. EZ neemt hiermee in dezelfde omvang deel als de Provincie Zuid-Holland. Van het kapitaal is € 7 mln in 2013 gestort, het restant (€ 3 mln) in 2014.

Subsidies

Lucht en Ruimtevaart: Luchtvaartkredietregeling (– € 12,7 mln). Rekkof heeft in 2014 nog niet kunnen voldoen aan de voorwaarde van de financiering van haar eigen aandeel in de ontwikkelingskosten. Daarom zijn de beschikbare middelen van € 12,7 mln in 2014 niet uitgegeven.

Overig: Regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (– € 4,8 mln). Op de regeling MKB Innovatiestimulering topsectoren is € 4,8 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk werd geraamd. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat de betalingen op de tweede call in 2014 lager uitvielen dan aanvankelijk werd gedacht, omdat de bevoorschotting van deze projecten voor een groot deel vanaf 2015 zal plaatsvinden.

Overig: Smartmix (€ 4,8 mln). Voor de uitfinanciering van de aangegane verplichtingen op deze regeling was geen budget geraamd. Op basis van de ontvangen eindafrekeningen moest nog € 4,8 mln worden uitgefinancierd.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO (€ 5,1 mln). De uitgaven van TNO zijn in de suppletoire begrotingen verhoogd voor onder andere het ontwikkelen van de kwantumcomputer (Qutech) en de transitie «Technologische Topinstituten», overeenkomstig de brief aan de Kamer van 4 april 2014 (TK, 28 753/32 637, nr. 33).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag) – € 43,6. Doordat de uitfinanciering van de aangegane verplichtingen plaatsvindt op basis van liquiditeitsbehoefte verspreid over de duur van de onderzoekstrajecten, was er in 2014 minder kas benodigd, hoewel het verplichtingenbudget van de TKI-toeslag in 2014 wel volledig is benut. Deze vrijvallende kasruimte is via voorstellen in de suppletoire begrotingen met name ingezet voor de tegenvallende schades bij de Borgstelling MKB (€ 28 mln), het amendement voor de Subsidieregeling Innovatieve Scheepsbouw (€ 2,3 mln) en voor de uitfinanciering van het project NanonextNL onder de Topsector High Tech Systemen en Materialen (HTSM). Van de realisatie van € 58 mln heeft € 4,1 mln betrekking op de inbedding van het organiserend vermogen en de netwerkvorming van de voormalige TTI’s bij de TKI’s (TK, 28 753, 32 637 nr. 33). De Monitor Bedrijvenbeleid, die oktober 2014 aan de Kamer is aangeboden, bevat een overzicht van de inzet van de TKI toeslag (TK II, 2014–2015, 32 637, nr. 151, p.89).

Topsectoren overig (– € 43,4 mln). De verlaging van het budget op «Topsectoren overig» betrof met name een bijdrage van € 25 mln via het Ministerie van OCW voor privaat-publieke samenwerking op het terrein van fundamenteel onderzoek via NWO (TK, 27 406, nr. 198). Daarnaast is € 14 mln overgeheveld naar beleidsartikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat voor de uitfinanciering van oude verplichtingen van het Valorisatieprogramma, ICT-projecten PRIMA, Logius en de tegenvallende schades op de BMKB. Tevens is € 4,8 mln overgeheveld ten behoeve van de uitfinanciering van oude verplichtingen Smart Mix (zie ook toelichting onder subsidies). Deze middelen zijn ten laste gebracht van een aantal oude Innovatieprogramma’s en diverse projecten zoals Be-Basic en CTMM, waarvan de kasuitfinanciering vertraagd verloopt.

Toelichting op de ontvangsten

Er zijn € 11,5 mln hogere ontvangsten gerealiseerd op artikel 12 dan geraamd.

De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

TOP ontvangsten (– € 3,1). De ontvangsten Technische Ontwikkelingsprojecten zijn € 3,1 mln lager dan begroot. Deze ontvangsten zijn afhankelijk van het commerciële succes van in het verleden gegeven bijdragen aan Technische Ontwikkelings Projecten en daardoor moeilijk in te schatten.

Octrooiontvangsten (€ 4 mln). Zowel de jaartaksen voor de Nederlandse verleende octrooien als de jaartaksen voor de Europese verleende octrooien die rechtsgeldig zijn in Nederland, zijn gestegen met respectievelijk 9% en 18%. Dit hangt samen met in mei 2010 gewijzigde jaartaksen. Daarnaast is door wijziging van het Europees Octrooiverdrag het aantal voor Nederland geldig wordende Europese octrooien met ruim 19% toegenomen. Als gevolg hiervan zijn de octrooiontvangsten in 2014 € 4 mln hoger dan geraamd.

Terugontvangsten Seed-regeling (€ 3,2 mln). Door succesvolle vervolginvesteringen in ondernemingen uit de portfolio van de Seedcapital-regeling zijn terugontvangsten gerealiseerd die oorspronkelijk niet geraamd waren.

Ontvangsten ROM’s (€ 3 mln). Er is een ontvangst van € 3 mln gerealiseerd door terugontvangen dividendbelasting, die eerder was afgedragen over het in 2013 uitgekeerde dividend van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM)

Diverse ontvangsten (€ 6,1 mln). Bij het afwikkelen van diverse subsidiebeschikkingen zijn in totaal € 6,1 mln terugontvangsten gerealiseerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

36

2012

34

42

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

159

2012

174

123

RVO

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds 1

29

2010

>30

32

RVO/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Fund of Funds (x € 1 mln)

43

2010

>40

257

RVO/EIF

X Noot
1

In 2010 was alleen de SEED-capitalregeling actief.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT 1

1.500

2013

600

662

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

30

 

45

61

RVO

X Noot
1

De referentiewaarde vermeld in de begroting was 1.500 bedrijven. Dit getal omvatte ook netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars. Ter beperking van de administratieve lasten voor de TKI’s worden die activiteiten niet meer meegenomen in de berekening van het aantal bedrijven.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

44

2012

66

20

RVO

• waarvan bedrijven

37

 

50

13

 

• waarvan high-tech MKB (%)

89%

 

85%

100%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

11,1

2012

15,5

7

RVO

De realisatiecijfers van 2014 vallen lager uit omdat in verband met de transitie van Eurostars-1 naar Eurostars-2 in 2014 slechts 1 call heeft plaatsgevonden in plaats van de gebruikelijke 2 calls per jaar.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

622

2013

550

circa 900

RVO

• waarvan private middelen % (bedrag)

35%

(218)

 

40%

36% (340)

 
X Noot
1

In de begroting 2014 waren nog geen referentiewaarden opgenomen. In 2014 kwamen de realisatiewaarden over 2013 beschikbaar. Deze zijn nu als referentiewaarde opgenomen.

In 2014 is voor ruim € 100 mln aan TKI-toeslag toegekend. Dit is gebaseerd op een verwacht totaal privaat commitment van circa € 400 mln. In de praktijk zal de uiteindelijke hoogte van dit commitment lager uitkomen. Daarom gaan we vooralsnog uit van een totaal privaat commitment van € 340 mln. Ervan uitgaande dat het privaat commitment correspondeert met circa 36% van de totale omvang van PPS-middelen, kan deze totale omvang worden geïndiceerd op circa € 900 mln. Dit is een forse stijging ten opzichte van de omvang van gerealiseerde PPS-projecten in 2013. Het is op dit moment wel al duidelijk dat de hoogte van het privaat commitment in 2014 sterk is toegenomen ten opzichte van 2013. Daarmee is de streefwaarde voor 2015 reeds in 2014 overschreden. Medio 2015 kan pas de exacte hoogte van het privaat commitment in 2014 worden vastgesteld, omdat dan alle definitieve gegevens beschikbaar zijn.

De realisatiewaarde 2014 is geschat op basis van de door de TKI’s opgegeven private bijdragen (natura en cash) aan grondslagprojecten door de TKI’s, vóór controle door RVO. Deze schatting wordt ten behoeve van de begroting 2016 bijgesteld op basis van informatie die later in het voorjaar beschikbaar komt.

De waarde van deze indicator is een schatting. Om de administratieve lasten voor de TKI’s te beperken is er voor gekozen om bepaalde, voor de uitvoering van de regeling niet noodzakelijke informatie niet (of later in het jaar) op te vragen bij de TKI’s. De TKI’s geven bijvoorbeeld alleen de private bijdrage aan de grondslagprojecten op, omdat op basis daarvan de omvang van de TKI-toeslag vastgesteld wordt. De publieke bijdrage aan de grondslagprojecten wordt door het Ministerie van Economische Zaken geschat aan de hand van PPS projecten waarvoor de verhouding publieke-private financiering bekend is.

De referentiewaarde met betrekking tot 2013 wijkt om twee redenen af van de waarde vermeld in de begroting 2015 (€ 571 mln).

  • 1) Uit controle door RVO is gebleken dat de door de TKI’s opgegeven private bijdragen aan grondslagprojecten in 2013 hoger waren dan de daadwerkelijk gerealiseerde private bijdragen.

  • 2) Daarnaast is in de bijgestelde referentiewaarde nu ook een schatting opgenomen van de private bijdragen in natura aan PPS grondslagprojecten.

Indicator1

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 20142

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7 / H2020

1.200

t/m 2012

300

449

RVO/EC

• waarvan bedrijven

850

 

200

298

 

Omvang KP7 / H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 2.600

sinds 2007

t/m 2012

€ 600

538

RVO/EC

• waarvan bedrijven (%)

20%

 

25%

31%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,1%

t/m 2012

7,0%

8,1%

RVO/EC

X Noot
1

In tegenstelling tot de prestatie-indicatoren die tijdens het KP7 programma werden gebruikt, is voor dit jaar gekozen om uit te gaan van het aantal toegekende projecten in plaats van afgesloten contracten. Voor deze wijziging is gekozen omdat naar verwachting 99% van de toekenningen leiden tot een contract. Daarnaast geeft het overzicht van toegekende projecten het meest actuele en volledige beeld van de toewijzing van Horizon 2020-middelen, aangezien de afhandeling van contracten meer tijdsintensief is, dat pas in de loop van 2015 wordt afgerond.

X Noot
2

Betreft uitsluitend het eerste jaar van Horizon 2020; dd februari 2015 zijn niet alle calls uit 2014 in de cijfers opgenomen. De cijfers in deze tabel zijn dus voorlopige cijfers. De referentiewaarde betreffen cumulatieve waarden KP7 2007–2013.

Zoals in de begroting 2015 is aangekondigd, wordt de meetmethode van de klanttevredenheid van de TO2 instituten herzien en geüniformeerd. De meetmethode is inmiddels herzien met de TO2 instituten en deze transitie wordt nu doorgevoerd in de metingen. Daarom kunnen in het Jaarverslag 2014 nog geen onderling vergelijkbare realisatiewaarden van de indicator klanttevredenheid van de TO2-instituten worden opgenomen. De publicatie van nieuwe, onderling vergelijkbare cijfers vindt plaats in het jaarverslag 2015.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma's ESA

488

2011

170

552

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1,05

1,14

ESA

Sinds het jaar 2000 hebben 552 Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen actief geparticipeerd in ESA-programma's door de ontwikkeling van kennisintensieve instrumenten, componenten en/of diensten. Het betreft het realisatiecijfer van medio 2014. Het cijfer over heel 2014 was niet tijdig bekend voor verwerking in het jaarverslag. De referentiewaarde is veranderd ten opzichte van de begroting (het was 155). In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA sinds 2000. In 2015 start ESA met een nieuwe database waardoor de waarde dan lager zal uitvallen.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO 1

13.450

16.620

19.450

20.530

22.220

22.640

22.974

Aantal S&O-arbeidsjaren

62.390

67.600

73.660

75.330

79.560

81.660

83.468

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

2.552

3.011

3.377

3.571

3.854

3.917

3.997

Bron: RVO

X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandig ondernemers met een S&O-verklaring.

Kengetal

2012

2013

2014

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA 1

13.860

16.160

16.622

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven (x € 1 mln)

2.035

2.530

2.587

Bron: RVO

X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen en zelfstandig ondernemers met een RDA-beschikking.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid schept de juiste randvoorwaarden, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast maakt EZ gebruik van niet financiële instrumenten, zoals de terugdringing van administratieve lasten en regeldruk. Onder deze doelstelling valt ook het stimuleren van de juiste voorwaarden voor een goede benutting van ICT, zoals dat gestalte krijgt met acties uit de Digitale Implementatie Agenda en door het uitvoeren van de Roadmap ICT.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren, zoals het Ondernemingsdossier en het digitaal Ondernemersplein.

  • Realiseren van tien publiek-private ICT-doorbraakprojecten, onder meer gericht op het vergroten van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als logistiek, agro, onderwijs en de zorg. Dit wordt met name gerealiseerd door het gericht oplossen van belemmeringen op het terrein van standaardisatie, wet- en regelgeving en het gebruik van ICT.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het stimuleren van een ambitieuze een duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

  • Het bevorderen van innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

  • Het nemen van maatregelen die het startups en groeiende ondernemers makkelijker maken om succesvol te ondernemen en snel door te groeien. En het faciliteren van de samenwerking in de verschillende startup hubs in StartupDelta.

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

Kengetallen; Ondernemingsklimaat van Nederland

1 – Global Competitiveness Index

2010

2011

2012

2013

2014

Positie van Nederland

8e

7e

5e

8e

8e

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

         
           

2 – Ondernemersquote

2010

2011

2012

2013

2014

Nederland

11,9%

12,2%

12,6%

13,2%

n.b.

EU15-gemiddelde

11,9%

11,9%

11,9%

11,8%

n.b.

Bron: EIM

         
           

3 – Investeringsquote van bedrijven

2010

2011

2012

2013

2014

Nederland

12,5%

13,7%

13,2%

12,6%

13,3%

Bron: CPB (CEP, 2014)

         
           

4 – Aandeel snelle groeiers

   

2007/2010

2008/2011

2009/2012

Nederland

   

3,3%

3,2%

2,0%

Bron: CBS

         
           

5 – Ranglijst van digitale economieën

2010

2011

2012

2013

2014

Positie van Nederland

9

11

6

4

4

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum)

         
  • 1. Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2013 en 2014 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Het rapport benadrukt sterktes van Nederland zoals de excellente infrastructuur, innovatieve bedrijvigheid en het onderwijssysteem. Het onderschrijft tegelijkertijd ook de noodzaak van goede financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van regeldruk en stimulering van innovatie.

  • 2 In 2015 zal worden overgestapt naar een andere indicator om de ontwikkeling van ondernemerschap in Nederland in internationaal perspectief te plaatsen. De Total Entrepreneurship Activity (TEA) indicator uit de Global Entrepeneurship Monitor (GEM) meet het aandeel personen in de volwassen populatie van een land dat bezig is een bedrijf op te starten of een jong/nieuw eigen bedrijf heeft. Voordeel van deze meting is dat het ook vergelijking mogelijk maakt met landen buiten de EU (OECD).

  • 3. De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote bereikte in 2010 een dieptepunt en leefde daarna weer iets op. Bedrijfsinvesteringen nemen sinds 2014 weer toe. De cijfers wijken af van de cijfers opgenomen in de begroting 2014 vanwege de actualiseerde cijfers in het Centraal Economisch Plan 2014.

  • 4. Ten behoeve van de internationale vergelijkbaarheid rapporteert EZ, in afwijking van de cijfers in de begroting 2014, de cijfers over snelle groeiers op basis van het Eurostat-OECD handboek. Het CBS is gevraagd deze cijfers conform dit handboek te maken. Een bedrijf is een snelle groeier wanneer het in 3 jaar tijd een werkgelegenheidsgroei heeft gerealiseerd van meer dan 72,8%. Daarbij wordt alleen gekeken naar bedrijven met meer dan 10 werknemers. De aanhoudende laagconjunctuur kan worden gezien als een belangrijke verklaring voor de dalende trend in het aandeel snelle groeiers.

  • 5. Nederland doet het goed op ICT-gebied. Dat blijkt uit verschillende indicatoren. Zo scoort Nederland in internationaal perspectief hoog ten aanzien van «networked readiness». Het World Economic Forum (WEF) maakt jaarlijks een analyse van landen, waarin de toegankelijkheid van de markt voor nieuwe ICT ontwikkelingen, de alertheid van bedrijven, burgers en overheden om op nieuwe ICT ontwikkelingen in te spelen wordt gevolgd. In 2013 steeg Nederland in deze ranking van 144 landen naar de top 5. Deze stijgende trend is al een aantal jaren zichtbaar.

Beleidsconclusies

Bedrijfsfinanciering

De financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, blijft onder druk staan. Uit de Financieringsmonitor van december 2014 blijkt dat bedrijven, in vergelijking met de monitor van juli 2014, de gezochte financiering weer iets vaker hebben aan kunnen trekken. Voor het kleinbedrijf blijft echter het aandeel afwijzingen hoog. Dat geldt voor zowel vreemd vermogen als voor eigen vermogen. De meest genoemde reden van afwijzing blijft het risico voor de beoogde financier. Zowel banken als eigen vermogen-verstrekkers (bijvoorbeeld participatie-maatschappijen) zijn voorzichtiger geworden. De garantieregelingen ondersteunen echter ook in deze tijden daar waar noodzakelijk en mogelijk de toegang tot financiering. Het risico van de financier wordt verminderd, wat in deze tijden dus van groot belang is om het bedrijfsleven aan de benodigde financiering te helpen.

De aangekondigde maatregelen in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147) zijn in de begroting 2015 verwerkt. In de brief «Voortgang Ondernemingsfinanciering» van 31 december 2014 (TK, 32 637, nr. 162) is gemeld dat aan de verschillende maatregelen die voortkomen uit deze beleidswijziging sinds de aankondiging ervan vanuit de overheid in samenwerking met marktpartijen hard is gewerkt, en het Aanvullend Actieplan MKB-financiering daardoor goed op schema ligt. De brief meldt de huidige resultaten bij de verschillende maatregelen.

BMKB

Met het borgstellingskrediet (BMKB) kunnen banken een gedeeltelijke borgstelling krijgen op het zekerhedentekort voor kredieten tot circa € 3 mln. Het gebruik van de BMKB is in 2014 (€ 372 mln) gestegen ten opzichte van het gebruik in 2013 (€ 344 mln). De groei van circa 10% is toe te schrijven aan een stijging in de tweede helft van 2014. De verruimingen van 2013, waarmee onder andere een grotere borgstelling mogelijk is voor kleine kredieten, hebben bijgedragen aan deze groei. In totaal zijn in 2014 de verruimingen van 2013 voor een totaalbedrag van € 93 mln gebruikt, waarvan € 39,9 mln in het eerste half jaar en € 53,1 mln in het tweede halfjaar. Zoals in de brief «Aanvullend Actieplan MKB-financiering» gemeld, is de tijdelijke verruiming van de BMKB per begin november 2013 verlengd tot en met 31 december 2015. Hierdoor is het maximale borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln, en kan voor borgstellingskredieten tot € 0,2 mln aan bestaande bedrijven (de «kleine kredieten») het hogere borgstellingspercentage van per saldo 67,5% worden gebruikt, wat standaard voor starters geldt. In de brief «Voortgang Ondernemingsfinanciering» heb ik u gemeld dat de pilot met openstelling van de BMKB voor niet-banken is verlengd tot 1 juli 2017, gelijk aan de horizontermijn van de gehele BMKB.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling biedt middelgrote en grote bedrijven de mogelijkheid een garantie van 50% van de overheid te verkrijgen, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. De GO-regeling is kostendekkend, met als opzet dat banken er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. De GO-regeling is in 2014 geëvalueerd (TK, 32 637, nr. 162). Uit deze evaluatie blijkt dat de GO-regeling in de huidige vorm een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het vergroten van de beschikbaarheid van bedrijfskrediet aan (middel)grote bedrijven.

Groeifinancieringsfaciliteit

Met de Groeifinancieringsfaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken en op aandelen van participatiemaatschappijen. De Groeifinancieringsfaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal. De Groeifinancieringsfaciliteit kent over 2014 een verviervoudiging van het gebruik ten opzichte van 2013. Deze opvallende toename is te wijten aan toenemende interesse vanuit banken om weer achtergestelde leningen te verstrekken en participatiemaatschappijen om risicokapitaal te verstrekken.

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

In 2014 zijn geen aanvragen ingediend in het kader van de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF). Gezien het beperkte gebruik van de GSF tot dusver is het garantieplafond van de regeling per 2015 verlaagd van € 1 mld naar € 400 mln. EZ is in gesprek met de maritieme sector en de banken over de oorzaken van het beperkte gebruik van de GSF en mogelijke aanpassingen in de regeling die tot een effectiever gebruik kunnen leiden. De Minister van EZ zal de Kamer in het voorjaar van 2015 informeren over de uitkomsten van dit overleg en de voorgenomen vervolgacties.

Techniekpact

De urgentie voor het Techniekpact is onverminderd hoog. Niet alleen voor het aanpakken van de (arbeidsmarkt)vraagstukken van vandaag, maar ook voor de vaardigheden van de toekomst.

Één jaar na de ondertekening van het Techniekpact is het beeld dat de uitvoering van het Techniekpact op koers is en dat de trots voor techniek en maakindustrie toeneemt. Van de 22 afgesproken acties zijn er maar liefst 17 al deels of volledig ingevoerd. En van de maatregelen die een langere tijdshorizon hebben, zijn de tussenresultaten bemoedigend: zo hebben de topsectoren al meer dan 500 van de beoogde 1.000 topsectorbeurzen beschikbaar gesteld. In 2014 is ambassadeur André Kuipers gestart met een succesvolle Collegetours «Techniek is overal» om basisschoolleerlingen te enthousiasmeren voor Wetenschap en Techniek, die ook in 2015 wordt gecontinueerd. In 2014 heeft Doekle Terpstra de rol van aanjager Techniekpact met verve opgepakt. Met zijn Techniekpact-On-Tour wordt met de regionale partners de uitvoering van de regionale Techniekpacten centraal gesteld. Ruim 30 MBO-instellingen, meer dan 300 bedrijven en regionale overheden, investeren gezamenlijk in innovatief beroepsonderwijs; in 2014 is een totale investering van ruim € 42 mln beschikbaar gesteld voor het opstarten van deze duurzame publiek-private samenwerkingsverbanden. Ook door technische branches en regio’s zijn sectorplannen opgesteld en in uitvoering, om de knelpunten op de sectorale of regionale arbeidsmarkt op te lossen, hierin wordt meer dan € 145 mln door sociale partners geïnvesteerd.

Ambitieus Ondernemerschap

In maart is het actieprogramma Ambitieus Ondernemerschap naar de Kamer gegaan waarin ruim dertig acties aangekondigd werden. Deze acties zijn inmiddels grotendeels afgerond of opgepakt. Zo is er sinds 1 januari 2015 een startup visum beschikbaar en is de special envoy startups benoemd in de persoon van mw. Kroes en is zij met het StartupDelta initiatief van start gegaan per 1 januari 2015. Er is een vroege fase regeling gestart in juli 2014 en er is in oktober 2014 in New York een mentorennetwerk gelanceerd voor Nederlandse startups die willen internationaliseren. Tot slot zal eind januari 2015 de website StartupDelta.org buitenlandse startups informeren over Nederland.

Kamer van Koophandel/Ondernemerspleinen

In 2014 is de nieuwe Kamer van Koophandel van start gegaan, voortgekomen uit de fusie van de regionale Kamers van Koophandel en Syntens. De Kamer van Koophandel heeft het afgelopen jaar duidelijke stappen gezet om haar nieuwe inhoudelijke rol in te vullen. Het digitaal ondernemersplein is op 20 januari 2014 officieel gelanceerd. De bedrijfsstrategie is aangescherpt, waarbij gekozen is voor verdere digitalisering van de dienstverlening. In de loop van het jaar zijn de leden van de Centrale Raad en de regionale adviesraden benoemd. Hiermee is de organisatie volledig operationeel in het belang van het Nederlands bedrijfsleven.

Op ondernemersplein.nl vinden ondernemers alle voor hen relevante informatie van publieke partners en ze kunnen daar ook direct zaken doen. In 2014 is het bezoekersaantal gestegen tot meer dan 500.000 per maand. In 2014 is onder meer gewerkt aan het aansluiten op generieke e-overheidsvoorzieningen (zoals de berichtenbox) voor ondernemers. De website van Antwoordvoorbedrijven is vorig jaar met ondernemersplein.nl geïntegreerd. Daarnaast is de algemene ondernemersinformatie van de Kamer van Koophandel over bijvoorbeeld het starten van een bedrijf, alleen toegankelijk op ondernemersplein.nl.

Biobased Economy

In 2014 is het thema circulaire economie stevig in het EZ-beleid verankerd. EZ heeft in samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) gewerkt aan de duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid van het Nederlandse bedrijfsleven. Zo is in samenwerking met I&M begonnen met de uitwerking van netwerkplatform «circulaire economie versneller», met onder andere een self-assessment tool voor MKB-ers waarin ze hun eigen kwetsbaarheden en kansen rond grondstoffen kunnen analyseren, is de meststoffenwetgeving aangepast om nu ook gerecyclede fosfaat in de landbouw in te zetten als eerste in de wereld en lopen er inmiddels 56 Green Deals die gerelateerd zijn aan grondstoffen en circulaire economie.

In 2014 zijn de kansen die het opheffen van het quotum op suiker biedt voor nieuwe investeringen in Biobased industrie in beeld gebracht en is een nieuwe impuls gegeven aan R&D op het gebied van Biobased Economy door de TKI BBE te verzoeken een 8–12 jarig onderzoeksprogramma op te stellen. In EU verband is een groot Biobased industries programma gestart van € 3,7 mld om de kansen die er zijn voor Europese biobased bedrijven feitelijk te realiseren.

Op het gebied marktontwikkeling is onder andere ingezet op biobased inkopen. Er is een bijdrage geleverd aan het onderzoek inkopen Rijk, er zijn drie pilots opgestart en er is een inkooptool ontwikkeld. Daarnaast is er een verpakkingencatalogus opgesteld en is er voor gezorgd dat aan de ketenaanpak verpakkingen een biobased tafel is toegevoegd.

Met het afsluiten van 17 nieuwe Green Deals is het portfolio gegroeid tot 176 deals. Hiermee zijn nieuwe netwerken en ketens gerealiseerd die potentieel bij kunnen dragen aan groene groei. Inmiddels zijn 40 deals afgerond. Enkele deals krijgen navolging of schalen op, bijvoorbeeld de Green Deal KLM die vervolg krijgt in een breder consortium. Verschillende green deals hebben geleid tot aanpassing van wet- en regelgeving, bijvoorbeeld het opnemen van een categorie secundaire fosfaten in de Meststoffenwet. De Green Deal Infrastructuur Elektrisch Vervoer, winnaar van de eerste Green Deal award, realiseerde bijna 15.000 laadpunten.

Digitale dienstverlening (eOverheid)

Een aantal digitale voorzieningen vormt een samenhangende «digitale overheid voor bedrijven»: een informatieportaal (ondernemersplein.nl), een inlogvoorziening (eHerkenning/eID), een Berichtenbox en standaarden voor informatie-uitwisseling (zoals Standard Business Reporting en e-factureren).

In 2014 is de Digicommissaris ingesteld, die voor de hele overheid stuurt op onderlinge samenhang en een breed gebruik van de digitale infrastructuur en met een arrangement komt om de financiering van de generieke digitale infrastructuur duurzaam te borgen.

Wet e-overheid

Omdat het meer tijd kost dan voorzien om de wensen van alle betrokkenen in het wetsvoorstel te incorporeren, is vertraging ontstaan. Voor de inwerkingtreding van de eerste onderdelen van de Wet e-overheid blijft de streefdatum echter 1 januari 2017.

Ondernemingsdossier

Inmiddels zijn bijna 7.000 ondernemers aan de slag met het Ondernemingsdossier. Momenteel werken 46 gemeenten, 3 provincies en 2 rijksinspecties met het Ondernemingsdossier, waaronder meer dan de helft van de G32 gemeenten. Daarnaast werken zeven omgevingsdiensten samen met het Ondernemingsdossier. In 2014 zijn 6 nieuwe branches aangesloten: Bouwend Nederland, sportbonden, glas- en tuinbouw, bakkers, verf & lijmindustrie en betonfabrikanten. Voor deze branches is de besluitvormingsfase afgerond en wordt nu gewerkt aan de implementatie. Daarnaast is verkend welke nieuwe branches in 2015 kunnen starten.

Regelhulpen

Het Beraad Ondernemingsdossier heeft de Impuls Regelhulpen vastgesteld. In overleg met VNO-NCW/MKB-Nederland en betrokken branches is afgesproken dat men zich gezamenlijk zal inspannen om 17 prioritaire regelhulpen aan te sluiten op het Ondernemingsdossier, waarvan tien in 2014. De impuls blijkt te werken, eind 2014 zijn er elf gerealiseerd.

eHerkenning

Het aantal aangesloten overheidsdienstverleners is gestegen naar 117. Als het gaat om aansluiten van gemeenten op eHerkenning ligt de stand nu op circa 25%. Wat de rijksoverheidsorganisaties betreft zijn nu bijna alle uitvoeringsorganisaties van EZ aangesloten. Zo is op 1 juli 2014 RVO overgegaan op eHerkenning. Vanaf dat moment loggen agrarische ondernemers met eHerkenning in op www.mijn.rvo.nl. Het aantal eH-inlogmiddelen bij bedrijven is inmiddels gestegen tot circa 125.000 stuks.

ICT en economie

In lijn met het regeerakkoord zet het Kabinet in op tien publiek-private doorbraakprojecten, onder meer gericht op het vergroten van het gebruik en de kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als onderwijs en zorg. ICT als motor voor kennis en innovatie is een van de bouwstenen van het topsectorenbeleid.

Team ICT

Om in dat kader de bijdrage van de benutting van ICT aan de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven te versterken heeft EZ per 1 oktober 2014 het Team ICT ingesteld. In de werkagenda van het team voor de komende periode staan de volgende onderwerpen centraal: Holland branding voor ICT, innovatiekansen van Big data, ICT human capital op orde en synergie met topsectoren door publieke private samenwerking (ICT als Dwarsverband).

Onderzoeksinfrastructuur

Voor de periode 2014–2016 is een subsidie verstrekt aan SURF om de Nederlandse ICT-onderzoeksinfrastructuur concurrerend te houden en om het bedrijfsleven te informeren over de mogelijkheden van innovatieve ICT-oplossingen. In 2014 zijn er mede dankzij deze subsidie upgrades aan de supercomputer Cartesius gerealiseerd, wat er mede toe heeft geleid dat Cartesius nu tot de top 50 van de wereldwijd krachtigste computers behoort. Daarmee blijven Nederlandse onderzoekers toegang houden tot een internationaal concurrerende infrastructuur en heeft vooral het MKB onder begeleiding geproefd aan de nieuwe mogelijkheden.

ICT doorbraakprojecten

De ICT doorbraakprojecten richten zich op het vergroten van het gebruik en de kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als zorg en onderwijs. Negen projecten zijn in uitvoering. Open (Geo) Data, Ambitieuze MKB’er innoveert met ICT, Massaal Digitaal, Informatieplatformen in topsectoren, Ondernemingsdossier, ICT en Onderwijs, De zorg ontzorgd door ICT, Energie en Big Data. Het afgelopen jaar zijn in het Open Data project goed bezochte Open Data Estafettes georganiseerd op de thema’s «Water», «Duurzame Energie» en «Smart Cities». Een aantal veelbelovende initiatieven zijn beloond met een aanmoedigingsprijs van € 4.000. Het doorbraakproject gericht op het MKB heeft in 2014 bij circa 20.000 MKB ondernemers bereikt en bewust gemaakt van de kansen en mogelijkheden van productinnovatie met ICT en hoe deze kan bijdragen aan de versterking van hun concurrentiekracht. In het doorbraak project rond de zorg zijn in het kader van een «challenge» vier voorstellen gehonoreerd. Deze voorstellen zijn gericht op Leefstijlmonitoring, optimalisatie van de samenwerking tussen cliënt, mantelzorger en professional, voorkoming van onvoldoende vochtinname bij patiënten, en het bieden van een platform voor de online zorg- en welzijnsdiensten van zorgaanbieders.

Smart Industry

Benutting van ICT en andere vernieuwende productietechnologieën is van belang om de concurrentiekracht van de industrie te vergroten. Het actieplan Smart Industry is op 10 november aangeboden aan de Minister van Economische Zaken, en bevat 14 acties. Deze acties zijn gericht op het verzilveren van bestaande kennis, het verdiepen in fieldlabs, het versterken van de basis door kennis, benodigde skills en ICT randvoorwaarden te realiseren.

e-Commerce

Ondanks de economische crisis van de afgelopen jaren groeit de e-commercesector snel in Nederland. Dit heeft positieve gevolgen voor de werkgelegenheid en ICT innovatie in Nederland. Voor de detailhandel is e-commerce een bedreiging, maar ook een kans. In 2014 is een retailagenda geformuleerd. Hierin zijn de vraagstukken in de retailsector benoemd langs drie lijnen: de fysieke omgeving, online kansen en innovatief ondernemerschap. Bijvoorbeeld, via een breed scala van tools, cursussen en modules op scholen en instellingen (eAcademy) kunnen bedrijven hun vaardigheden om online te verkopen vergroten en worden retailers ondersteund bij grens-overschrijdende onlineverkoop. De verschillende activiteiten starten in 2015.

Vermindering regeldruk voor bedrijven

Er is nu voor € 2,35 mld aan maatregelen in kaart gebracht om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals te verminderen. Het kabinet ligt daarmee op koers om de regeerakkoorddoelstelling van € 2,5 mld regeldrukvermindering binnen deze kabinetsperiode te behalen. In totaal is sinds november 2012 € 1.153 mln aan regeldrukvermindering gerealiseerd (€ 761 mln voor bedrijven en € 392 mln voor burgers en professionals). Gerealiseerd betekent dat de maatregelen, vaak wet- en regelgeving, in werking zijn getreden.

In aanvulling op de kwantitatieve reductie van regeldruk werkt het kabinet aan de merkbaarheid van de vermindering van de regeldruk. Daarbij gaat het vaak niet om de wet- en regelgeving zelf, maar de wijze waarop de uitvoering en het toezicht is georganiseerd. In een aantal sectoren wordt in publiek-private samenwerkingsverbanden gezocht naar maatregelen die knelpunten en belemmeringen die bedrijven ervaren kunnen wegnemen. Sectoren waar deze aanpak loopt zijn onder andere de topsectoren Logistiek, Agro&food, Chemie en Lifesciences &Health en sectoren als gastvrijheid en kinderopvang. Tevens is in de sectoren logistiek en chemie een publiek-private verkenning gestart om het toezicht slimmer en efficiënter te organiseren.

Bijdrage aan Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). In het najaar is in het kader van het bevorderen van de financiering van het MKB een stakeholdersonderzoek uitgevoerd, door onder andere een workshop en een ondernemerstafel te organiseren. De belangrijkste conclusie is dat zowel ondernemers, financiers als overige stakeholders positief staan tegenover het ontsluiten van deze informatie, bijvoorbeeld via Standard Business Reporting of een andere digitale omgeving.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

1.683.410

1.370.342

977.386

725.485

757.490

2.377.631

– 1.620.141

Waarvan garantieverplichtingen

1.459.543

1.192.913

709.448

463.183

516.609

2.190.294

– 1.673.685

UITGAVEN

260.947

271.467

312.203

436.722

404.941

319.466

85.475

               

Garanties

73.284

87.913

144.946

114.100

153.377

97.011

56.366

BMKB

64.534

73.605

126.302

102.422

97.779

65.000

32.779

Begrotingsreserve BMKB

       

26.555

 

26.555

Groeifinancieringsfacilitieit

514

2.447

2.270

2.360

2.168

9.343

– 7.175

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

8.236

11.861

16.374

9.274

17.875

13.000

4.875

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

     

44

 

9.668

– 9.668

Begrotingsreserve MKB-financiering

       

9.000

 

9.000

               

Subsidies

77.261

68.792

71.136

77.685

30.567

19.945

10.622

Bevorderen ondernemerschap

10.810

6.636

7.928

7.383

8.254

5.430

2.824

Biobased Economy

2.839

5.598

12.521

7.829

3.509

2.744

765

Microkrediet

5.088

851

750

30.989

506

 

506

Uitfinanciering subsidies

58.524

55.707

49.937

31.484

18.298

11.771

6.527

               

Opdrachten

62.473

67.163

34.353

24.660

24.104

25.669

– 1.565

Onderzoek & ontwikkeling

5.743

8.901

3.942

4.706

2.640

1.043

1.597

ICT-beleid

42.625

35.516

28.974

18.118

20.001

19.980

21

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

13.481

17.870

283

831

459

2.316

– 1.857

Regiegroep Regeldruk/ACTAL

624

4.876

1.154

1.005

1.004

2.330

– 1.326

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

23.850

24.588

22.195

21.701

17.034

19.337

– 2.303

NBTC

17.279

18.421

15.213

13.536

10.152

10.152

0

UNWTO

218

 

252

271

291

233

58

Bijdragen aan instituten

6.353

6.167

6.730

7.894

6.591

8.952

– 2.361

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

   

18.496

153.144

150.288

137.042

13.246

Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

   

18.496

153.144

150.288

137.042

13.246

               

Bijdragen aan agentschappen

24.079

23.011

21.077

45.430

29.573

20.462

9.111

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

12.930

12.279

8.368

28.582

25.906

18.258

7.648

Logius

11.149

10.732

12.709

8.699

3.645

2.204

1.441

Dienst ICT Uitvoering

     

8.149

22

 

22

               

ONTVANGSTEN

108.406

77.797

41.763

37.435

55.967

72.087

– 16.120

BMKB

26.519

32.674

23.645

21.544

30.389

38.406

– 8.017

Groeifinancieringsfaciliteit

1.426

1.930

2.154

2.047

2.436

8.000

– 5.564

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

8.236

13.226

13.391

10.160

9.380

13.000

– 3.620

Begrotingsreserve GO

       

9.612

 

9.612

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

46

10.000

– 9.954

Joint Strike Fighter

484

617

879

1.418

988

1.303

– 315

Diverse ontvangsten

71.741

29.350

1.694

2.223

3.116

1.378

1.738

Toelichting op de verplichtingen

Op artikel 13 is voor ruim € 1,6 mld minder aan verplichtingen aangegaan. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat voor het verstrekken van garanties minder verplichtingenruimte nodig was dan in de oorspronkelijke begroting werd geraamd. De niet benutte ruimte op de BMKB (€ 334 mln), de Garantie Ondernemingsfinanciering (€ 291 mln) en de Groeifinancieringsfaciliteit (€ 49 mln) wordt ingezet voor de aangekondigde garanties in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Dit betreft garanties voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering (€ 400 mln), achtergestelde leningenfondsen (€ 500 mln) en de funding van Qredits (€ 100 mln). De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) met een plafond van € 1 mld is in 2014 niet benut. EZ is in gesprek met de maritieme sector en de banken over de oorzaken van het beperkte gebruik van de GSF. Naast de verlagingen is er ook sprake van enkele verhogingen. Het gaat hier om het afstorten in de interne begrotingsreserves BMKB (€ 26,6 mln) en MKB-Financiering (€ 9 mln), bijdrage aan de Kamer van Koophandel (€ 10 mln) en budgetfinanciering Nieuw Handelsregister (€ 5 mln). Deze vier mutaties staan verder toegelicht onder de uitgaven.

Toelichting op de uitgaven

Garanties

De schadebetalingen op de BMKB waren circa € 33 mln hoger dan aanvankelijk was geraamd. Ten opzichte van vorig jaar is wel sprake van een daling van de schadebetalingen. Daarnaast is € 26,6 mln gestort in de BMKB begrotingsreserve voor het opvangen van tegenvallende schades in de komende jaren. Het verschil tussen de realisatie en de oorspronkelijke begroting is daarmee € 59,3 mln.

De afgelopen jaren lag de benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit lager dan de raming in de begroting, daarom liggen de schadebetalingen ook op een lager niveau. Er werd in 2014 € 7,2 mln minder uitgegeven dan aanvankelijk werd geraamd.

Voor de Garantieondernemingsfinanciering werd in totaal € 17,9 mln aan schades uitbetaald. Dit was € 4,9 mln meer dan werd geraamd. Om het verschil tussen de schades, uitvoeringskosten en de ontvangsten te dekken is € 9,6 mln onttrokken aan de begrotingsreserve van de GO.

De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is vorig jaar beperkt gebruik. Er werden daarom in 2014 geen schades gedeclareerd.

Er is in 2014 een reserve ingesteld voor de garanties die in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering zullen worden verstrekt. Initieel is een bedrag van € 9 mln als buffer in de reserve gestort.

Subsidies

Voor de uitfinanciering van aangegane verplichtingen in het kader van de Valorisatieregeling was € 6,4 mln meer benodigd dan aanvankelijk geraamd.

Het aanvullend budget van € 3,2 mln voor de NFIA was aanvankelijk geraamd in deze categorie, maar is uiteindelijk verantwoord in de categorie Bijdragen aan agentschappen.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RVO is € 7,6 mln hoger dan oorspronkelijk geraamd. De oorzaak hiervan is deels (€ 4,4 mln) dat er in de suppletoire begrotingen aanvullend budget beschikbaar is gesteld voor de uitvoeringskosten van de garantieregeling Garantieondernemingsfinanciering, de Berichtenbox, Digital Gateway en de kosten samenhangend met het feit dat Nederland gastland was van de Hannover Messe.

Daarnaast is € 3,2 mln beschikbaar gesteld voor de uitvoeringskosten van de NFIA. Het budget hiervoor was aanvankelijk geraamd in de categorie Subsidies. Aangezien het echter uitvoeringskosten betreft, zijn de kosten in de categorie Bijdragen aan agentschappen verantwoord.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Op de bijdrage aan de Kamer van Koophandel is € 8,2 mln meer uitgegeven dan in de ontwerpbegroting 2014 was geraamd. De oorzaak ligt enerzijds in de aanpassing van het kasritme van bevoorschotting (– € 2 mln) en anderzijds in een eenmalige ophoging van de bijdrage aan de Kamer van Koophandel met € 10 mln. Deze bijdrage is ter gedeeltelijk compensatie van de additionele transitievoorziening die de Kamer van Koophandel dient te treffen voor het feit dat Syntens met een negatief eigen vermogen (– € 18 mln) is ingevaren in de nieuwe Kamer van Koophandel. Eén en ander is verwerkt en toegelicht in de 2e suppletoire begroting 2014.

Voor de budgetfinanciering Nieuwe Handelsregister is circa € 5 mln meer uitgegeven dan in de ontwerpbegroting 2014 was geraamd. Dit is te verklaren uit de bijdragen van andere departementen en vanuit Gemeentefonds aan de budgetfinanciering van het Handelsregister en de eenmalige verrekening van de daadwerkelijke kosten van het gebruik van het Nieuwe Handelsregister (pilot inputfinanciering) over 2012 en 2013.

Toelichting op de ontvangsten

De geplande onttrekking aan de begrotingsreserve BMKB van € 9,4 mln bleek niet nodig omdat de hogere schades binnen de EZ-begroting konden worden opgevangen. Daarnaast is in 2014 € 1,4 mln meer aan ontvangsten gerealiseerd dan begroot. Hierdoor zijn er per saldo € 8 mln lagere ontvangsten gerealiseerd.

Vanwege de lager dan geraamde benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit in de afgelopen jaren, liggen ook de premieontvangsten op een lager niveau. In 2014 werd er € 5,6 mln minder ontvangen dan begroot.

Voor de GO werd er € 3,6 mln minder aan provisies ontvangen, vanwege de lager dan geraamde benutting in de afgelopen jaren. Tegenover deze lagere provisieontvangsten stond een onttrekking aan de begrotingsreserve van de GO van € 9,6 mln om het verschil tussen schades, uitvoeringskosten en provisie te overbruggen.

De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is de afgelopen jaren beperkt benut, waardoor de premieontvangsten gering zijn.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

556

742

909

486

344

372

Totaal aantal verstrekte garanties

2.442

3.701

4.325

2.640

1.983

1.949

Bron: RVO

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties Groeifinancieringsfaciliteit, x € 1 mln

10

25

12

13

8

32

Totaal aantal verstrekte garanties

22

32

17

21

16

20

Bron: RVO

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

103

103

82

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

53

51

39

Bron: RVO

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Aantal verstrekte micro en MKB-kredieten

610

2009

1.350

1.187

Qredits

Qredits heeft in 2014 totaal 1.187 kredieten verstrekt, te weten 1.067 microkredieten en 120 MKB-kredieten. Er zijn meer microkredieten verstrekt dan in 2013, maar wel minder dan verwacht. De reden is het tegenvallende aantal aanvragen. In 2014 is het aantal aanvragen met 13% gedaald ten opzichte van 2013, ondanks de forse massa mediale en online marketing inspanningen van Qredits in 2014.

De kwaliteit van de aanvragen was in 2014 wel beter. Ondanks er in 2014 minder aanvragen waren dan in 2013, zijn er in 2014 meer kredieten verstrekt. Het honoreringspercentage ligt in 2014 3,4% punten hoger dan in 2013. De bekendheid en het gebruik van de geïntroduceerde coachingsproducten (e-learning en coaching programma’s) nemen toe en lijken positief bij te dragen aan de kwaliteit van de aanvragen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Netto verlaging regeldruk (x € 1 mln, cumulatief).

2012

€ 1.153 mln van de € 2,5 mld

EZ

Het kabinet Rutte II heeft in het Regeerakkoord een nieuwe doelstelling op het vlak van reductie van administratieve lasten afgesproken voor bedrijven, burgers en professionals. Van de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld regeldrukvermindering is eind 2014 een reductie van € 1.153 mln gerealiseerd. Het betreft hier de cumulatief over de jaren 2012–2014 gerealiseerde regeldrukvermindering voor bedrijven, burgers en professionals.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting

(gemiddelde 2010–2014)

€ 481 mln

2012

€ 350 mln

€ 383 mln

EZ

De indicator, die de realisatie van compensatie- en industriële participatie verplichtingen aangeeft, is voor 2014 zoals verwacht verder gedaald, maar wel ruim boven de streefwaarde van € 350 mln geëindigd (5-jaarsgemiddelde van de realisatie in de jaren 2010–2014). Zoals in de begroting aangegeven, is deze verwachte daling onder andere veroorzaakt door de introductie van de wet Aanbestedingen Defensie en Veiligheid en de introductie van het nieuwe IP-beleid. De in 2014 gerealiseerde compensatie/ IP-invulling betrof € 368 mln.

Interne begrotingsreserves

Interne begrotingsreserve BMKB

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

30.000

+ Storting

+36.555

Stand per 31/12/2014

66.555

Interne begrotingsreserve Groeifinancieringsfaciliteit

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

 

+ Storting

+5.000

Stand per 31/12/2014

5.000

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

64.621

– Onttrekking

– 9.612

Stand per 31/12/2014

55.009

Interne begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

25.044

– Onttrekking

– 15.000

Stand per 31/12/2014

10.044

Interne begrotingsreserve Garantie MKB-financiering

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

 

+ Storting

+9.000

Stand per 31/12/2014

9.000

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties maar ook niet financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van de energie- en Gaswet om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Daarnaast is de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen duurzame energie, energiebesparing en het gebruik van innovatieve energietechnologieën.

(Doen) uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel duurzame energie.

  • Het reguleren van de nucleaire veiligheid en de beveiliging bij: alle nucleaire installaties, de toepassing en het vervoer van radio-actief materiaal en het reguleren van een veilig en toekomstbestendig beheer van radio-actief afval in Nederland.

  • Het reguleren van een adequate bescherming van de samenleving tegen stralingsrisico's bij de toepassing en het vervoer van radio-actieve stoffen.

  • Het voorbereid zijn op een nucleair of (stralings)incident en bij crises bijdragen aan de uitvoering van de nationale crisisbesluitvorming.

  • Het doen van metingen, monitoring en onderzoek naar straling ter onderbouwing van besluiten van het bevoegd gezag.

  • Het doen van berekeningen en het doen van metingen en onderzoek naar straling in crisissituaties.

  • Het uitoefenen van toezicht op de nucleaire installaties en op alle andere bedrijven waar radio-actieve stoffen en ioniserende straling worden toegepast.

  • Het uitoefenen van toezicht op het vervoer van splijtstoffen en radio-actieve materialen.

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie – infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 – uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Beleidsconclusies

In 2014 is de uitvoering van het Energieakkoord, dat in het najaar van 2013 is afgesloten, voortvarend opgepakt. In het Energieakkoord hebben partijen zich gecommitteerd aan de volgende doelen:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

  • 100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking van 4,5% naar 14% in 2020;

  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;

  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

Er zijn belangrijke stappen gezet in de implementatie van het akkoord, vooral door het creëren van de juiste randvoorwaarden. Voor wind op zee is het wetgevend kader en de uitrolstrategie vormgegeven. Voor wind op land zijn de gebieden voor windenenergie planologisch vastgelegd en is de gedragscode wind op land vastgesteld. De duurzaamheidscriteria voor biomassa kunnen in de eerste maanden van 2015 worden vastgesteld. Uit de Nationale Energieverkenning 2014 blijkt dat de doelen uit het Energieakkoord behaald kunnen worden, maar dat hiervoor de komende jaren een stevige inzet van alle betrokken partijen noodzakelijk is.

In 2014 is de beleidsdoorlichting van artikel 14 over de jaren 2007 – 2012 afgerond (http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2014Z23842&did=2014D48069). De algemene conclusie van de beleidsdoorlichting is dat de inzet en inspanningen van EZ in redelijke mate hebben bijgedragen aan de operationele doelstellingen die in de begroting staan.

Uit het onderzoek blijkt dat het bevorderen van intensieve samenwerking tussen beleid en uitvoering, bijdraagt aan een beter ontwerp van instrumenten. Niet alleen bij het maken van beleid maar ook bij de vormgeving van beleidsinstrumenten is het beter om instrumenten die hetzelfde einddoel hebben, maar een andere prikkel of stimulering geven, meer integraal uit te voeren. De beleidsdoorlichting bevestigt inzichten over betere vormgeving van beleid, het concreet benoemen van meetbare doelstellingen en het belang van monitoring en regelmatige tussenevaluatie van instrumenten. Bij de meest bepalende beleidsinstrumenten voor de drie operationele doelen zijn verbeteringen doorgevoerd of zijn deze in voorbereiding.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 20141

Ambitie 2014

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.263

2.465

2.338

2.276

2.230

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

81%

85%

83%

81%2

81%

Daling/lager

Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.158

2.344

2.258

2.204

2.171

Stabiliseren tussen

1.800–2.500

– C3

79%

83%

81%

79%2

79%

Daling/lager

Bron: ACM

X Noot
1

betreft het 1e halfjaar 2014

X Noot
2

de waarden wijken af van de in het jaarverslag van 2013 opgenomen waarden omdat deze waren gebaseerd op het eerste halfjaar van 2013

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

34 min

23 min

27 min

23 min

20 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

VERPLICHTINGEN

8.177.479

3.155.526

2.289.462

3.397.213

2.646.202

3.899.850

– 1.253.648

Waarvan garantieverplichtingen

324.000

 

147.225

47.342

526

 

526

UITGAVEN

1.065.905

1.027.671

1.085.460

1.251.807

1.441.886

1.538.633

– 96.747

               

Subsidies

858.527

834.077

857.264

1.030.692

1.181.789

1.331.133

– 149.344

Stadsverwarming (14.1)

8.812

4.487

         

Topsectoren Energie (14.3)

47.553

34.867

29.792

30.282

34.925

45.787

– 10.862

Energie-innovatie (IA) (14.3)

20.868

22.317

56.868

36.766

27.383

19.749

7.634

Green Deal (14.3)

   

225

1.889

918

28.692

– 27.774

Energie akkoord

       

666

35.000

– 34.334

MEP (14.3)

668.063

658.895

619.608

505.321

432.032

470.000

– 37.968

SDE/SDE+ (14.3)

29.529

57.472

100.954

169.133

235.116

588.556

– 353.440

Interne begrotingsreserve duurzame energie

     

225.007

369.356

 

369.356

CCS (14.3)

21.047

12.352

5.531

5.015

4.905

39.047

– 34.142

Hoge Flux Reactor (14.3)

8.223

8.223

7.250

7.250

7.250

7.250

0

Aanschafsubsidie zonnepanelen (14.3)

   

21.339

29.632

     

Elektrisch rijden (14.3)

 

3.993

2.154

2.535

2.184

2.210

– 26

Caribisch Nederland

   

1.304

3.161

6.807

11.500

– 4.693

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

       

56.955

78.000

– 21.045

Overige subsidies (14.3)

54.432

31.471

12.239

14.701

3.292

5.342

– 2.050

               

Garanties

5.268

6.094

 

526

9.206

 

9.206

Geothermie

5.268

6.094

 

526

     

Interne begrotingsreserve Geothermie

       

9.206

 

9.206

               

Opdrachten

18.821

23.545

24.654

33.861

28.108

27.268

840

O&O bodembeheer (14.2)

2.354

3.997

2.897

2.497

3.843

666

3.177

Joint implementation (14.3)

12.399

13.079

14.787

12.148

768

2.308

– 1.540

Straling (14.3)

 

3.196

5.006

9.726

9.257

11.456

– 2.199

Pallas (14.3)

   

154

1.001

10.004

9.100

904

Onderzoek en opdrachten (14.3)

4.068

3.273

1.810

8.489

4.236

3.738

498

               

Bijdragen aan agentschappen

38.246

37.057

43.095

45.589

47.281

34.998

12.283

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

38.246

36.668

42.342

38.680

41.949

31.012

10.937

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

 

389

753

698

692

693

– 1

Kern Fysische Dienst

     

6.211

3.690

3.293

397

Koninklijk Nederlands Meteorologsich Instituut

       

950

 

950

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

88.646

89.292

86.418

103.039

110.603

113.106

– 2.503

Doorsluis COVA heffing (14.2)

88.646

89.292

86.418

100.947

107.594

111.000

– 3.406

TNO bodembeheer (14.2)

     

2.092

3.009

2.106

903

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

56.397

37.606

74.029

38.100

64.899

32.128

32.771

ECN/NRG (14.3)

55.956

37.232

73.557

37.757

57.903

31.347

26.556

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

       

6.600

 

6.600

Diverse instituten (14.2)

441

374

472

343

396

781

– 385

               

ONTVANGSTEN

7.866.462

11.299.393

11.960.294

13.547.739

10.801.567

12.165.411

– 1.363.844

COVA

88.646

89.292

86.436

100.947

107.594

111.000

– 3.406

SDE+

     

97.363

173.619

200.000

– 26.381

Aardgasbaten

7.657.541

11.165.588

11.839.743

13.342.665

10.505.291

11.850.000

– 1.344.709

Ontvangsten zoutwinning

2.443

2.379

2.350

2.373

2.474

1.761

713

Diverse ontvangsten

117.832

42.135

31.765

4.391

10.405

2.650

7.755

Ontvangsten Geothermie

       

2.184

 

2.184

Toelichting op de verplichtingen

De lagere verplichtingenrealisatie houdt met name verband met de sluiting van de laatste fase van de openstelling SDE+ regeling in december 2014. Hierdoor zal een deel van de toezeggingen pas in 2015 plaatsvinden.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

De (per saldo) lagere uitgaven hebben met name betrekking op:

  • Een deel van de toezeggingen Topsectoren Energie vindt in 2015 plaats waarmee een deel van de betalingen ook verschuift naar 2015.

  • Hogere uitgaven als gevolg van een groot aantal vertraagde energie innovatieprojecten uit het verleden in het kader van de Innovatie Agenda Energie (IA) die dit jaar tot uitbetaling zijn gekomen.

  • De lagere uitgaven (€ 27,8 mln) zijn te verklaren door overhevelingen van in totaal € 5,0 mln naar het Gemeente- en Provinciefonds en daarnaast zijn er in 2014 minder Green Deals afgesloten dan beoogd (€ 22,8 mln).

  • Lagere uitgaven op het onderdeel Energieakkoord zijn met name het gevolg van subsidietoezeggingen in het kader van de regeling Demonstratie energie-innovatie (DEI) die pas laat in het jaar hebben plaatsgevonden en niet meer hebben geleid tot kasuitgaven in 2014.

  • De lagere uitgaven op het onderdeel Carbon Capture and Storage (CSS) betreffen met name het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD), omdat de finale investeringsbeslissing nog niet genomen is en het voor 2014 geraamde budget voor bevoorschotting daarom niet benut is.

  • Lagere uitgaven voor Caribisch Nederland omdat de investeringen in duurzame energie in tegenstelling tot eerdere verwachting niet zijn gedaan in 2014.

Topsector Energie

In de Topsector Energie is het onderzoek- en innovatieportfolio van de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) in 2014 verder aangescherpt en is het aantal deelnemende partijen toegenomen. Hiervan komt bijna de helft uit het MKB. Uit een studie van CE Delft en Triple E blijkt dat de Topsector Energie de juiste dingen doet. Het rapport beveelt onder meer aan om de visie en doelstellingen van de Topsector Energie te verduidelijken (bron: http://topsectorenergie.nl/programmering-2015-topsector-energie).

In 2014 zijn de eerste stappen gezet voor een TKI-overstijgend thema systeemintegratie. Het thema systeemintegratie is gericht op onderzoek en innovaties naar toekomstige uitdagingen waarmee het energiesysteem wordt geconfronteerd door de energietransitie. Hiervoor zijn in 2014 de eerste onderzoeken gestart. De deelname van de Nederlandse energiesector aan het Europese onderzoeksprogramma Horizon 2020 is goed.

Innovatieprogramma voor demonstratieprojecten

Op 1 juli 2014 is de nieuwe demonstratieregeling voor energie-innovatieprojecten (DEI) voor het eerst opengesteld tot 1 november 2014 naar aanleiding van de afspraak in het Energieakkoord voor duurzame groei. Dit is later dan gepland, waardoor het afgeven van de beschikkingen zal plaatsvinden in 2015.

De regeling is ruim overtekend voor 3,5 keer het beschikbare budget van € 24 mln. Een kwart van de ingediende projecten is positief beoordeeld door de externe beoordelingscommissie. Er zal voor ongeveer € 22 mln aan projecten ondersteund worden. Het betreft projecten op het gebied van groen gas, biobased economy, wind, geothermie, zon, smart grids, gebouwde omgeving, energiebesparing en energie uit water. Reden dat er relatief veel aanvragen niet positief beoordeeld zijn is dat indieners nog niet altijd goed genoeg op de hoogte zijn dat het project ook een bredere economische impact moet hebben buiten het eigen project. In 2015 krijgt dit extra aandacht in de communicatie. De verwachting voor 2015 en verder is positief, gezien de resultaten die de komende tijd gaan komen uit het topsectorenbeleid.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Ambitie 2014

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet) 1

Bron: CBS

2.4%

n.v.t.

geen publicatie

n.v.t

geen publicatie

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI 2

Bron: RVO

n.v.t.

n.v.t.

3013

486

612

10% groei t.o.v. 2013

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie 4

6,8%

7,4%

7,0%

6,8%

6,6%

6,9%

Bron: RVO

           
X Noot
1

Onderzoek naar private R&D investeringen vond elke twee jaar plaats. Voor 2009, 2011 en 2013 zijn daardoor geen gegevens beschikbaar. Het CBS publiceert dit kengetal niet meer. Met ingang van de begroting 2016 zal dit kengetal derhalve vervallen.

X Noot
2

In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor zijn er geen gegevens beschikbaar voor de jaren 2010 en 2011.

X Noot
3

De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

X Noot
4

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007.

Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie

De overheid en het bedrijfsleven hebben meerjarenafspraken energie-efficiëntie afgesloten (MJA-convenant). De convenanten stimuleren energie-efficiëntie in de industrie. In 2014 is onder meer naar aanleiding van de evaluatie van de Meerjarenafspraken Energie Efficiëntie ETS ondernemingen het convenant verstevigd. Het betreft onder meer het aanscherpen van de naleving en handhaving en het uitbreiden van de eisen aan de energie efficiëntieplannen die bedrijven opstellen.

Compensatieregeling Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Op 1 januari 2014 is in het kader van het Energieakkoord de subsidieregeling compensatie indirecte emissiekosten ETS in werking getreden. Het beschikbare budget voor de regeling en uitvoering bedroeg € 78 mln. Er is in 2014 uiteindelijk een beroep gedaan op de regeling voor € 57 mln. Het lagere beslag is ontstaan doordat minder bedrijven in aanmerking kwamen of een aanvraag indienden voor de compensatie dan van tevoren was ingeschat. De subsidieregeling is op verzoek van de Tweede Kamer op 20 november 2014 gewijzigd. De wijziging houdt in dat ondernemingen die in 2015 voor subsidie in aanmerking willen komen, hun energie-efficiëntie dienen te verbeteren door een energie efficiency plan (EEP) op te stellen, uit te voeren en daarover te rapporteren. Dit is een verplichting die is overeengekomen in de Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie ETS (MEE) en Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie 2001–2020 (MJA3).

Green Deal

In 2014 is er een Green Deal voor diepe geothermie afgesloten en een Green Deal over de verduurzaming van schoolgebouwen. Andere Green Deals op het terrein van energie zijn in voorbereiding. In totaal zijn er 105 Green Deals waarbij energie één van de thema’s is. Bij 51 van deze deals is energie het hoofdthema. 2014 heeft in het teken gestaan van de uitvoering van de bestaande Green Deals. 6 Green Deals waarbij energie het hoofdthema is, zijn inmiddels afgerond.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)/ Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

De kasuitgaven Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) zijn in 2014 bijna € 38 mln lager uitgevallen dan het begrote bedrag (€ 470 mln). De lagere uitgaven zijn het gevolg van lagere subsidiabele producties dan waarmee in de begroting is gerekend. Een deel van dit bedrag kan in de jaren na 2014 alsnog tot uitbetaling komen. Op het Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) instrument lagen de uitgaven over 2014 in totaal ruim € 233 mln lager dan begroot (€ 417 mln). Dit is vooral veroorzaakt door het niet tot betaling komen van subsidieprojecten, omdat deze vertraging in de oplevering hebben opgelopen. Die subsidie zal aan het einde van de subsidieperiode van deze projecten alsnog tot uitbetaling komen.

Duurzame energieproductie/SDE+

In april is de SDE+ regeling 2014 in zes fasen opengesteld met een verplichtingenbudget van € 3,5 mld. De kasuitgaven in het kader van de SDE+ zijn in 2014 € 134 mln lager uitgevallen dan het in de begroting beschikbare bedrag (€ 200 mln), als gevolg van het trager op gang komen van projecten dan eerder geraamd. De onbesteed gebleven middelen blijven beschikbaar voor uitgaven in de jaren na 2014.

Interne begrotingsreserve Duurzame energie

Sinds 2013 is er een interne begrotingsreserve voor duurzame energie. De reserve is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2014 is € 369 mln in de reserve gestort. Daarvan was € 16 mln afkomstig van de MEP, € 220 mln afkomstig van de SDE (in totaal dus € 236 mln uit de algemene middelen) en € 134 mln van de SDE+ (afkomstig uit de opslag duurzame energie).

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

225.007

+ Storting

+369.356

Stand per 31/12/2014

594.363

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Bron

Duurzame energieproductie

4,2%

2011

4,5%

nog niet bekend

CBS

Bron: ECN, PBL, CBS, RVO

De over 2014 gerealiseerde waarde zal het CBS in februari 2016 publiceren.

De doelstelling voor duurzame energieproductie moet worden bereikt op de meest kostenefficiënte wijze. De SDE+ is daarvoor het belangrijkste instrument. In het Energieakkoord is de doelstelling van 14% in 2020 en 16% in 2023 vastgesteld. Naar verwachting zullen wind op zee, wind op land en biomassa de belangrijkste bijdrage leveren. Het aandeel duurzame energie in 2013 was 4,5%.

Carbon Capture and Storage (CCS)

In 2014 is gewerkt aan een visie voor de afvang en opslag van CO2 (CCS). In het Energieakkoord is afgesproken dat de overheid een langetermijnvisie zou ontwikkelen op de positie van CCS in de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening. Belangrijk daarbij is dat er een beeld is bij het beleid dat nodig is voor CCS en voor Carbon Capture and Use (CCU) in de periode tot 2050, met de nadruk op de periode tot 2030. Dit zal in breder perspectief meegenomen worden in het Energierapport 2015 en de Structuurvisie Ondergrond. Er is door E.ON en GDF-SUEZ nog geen definitief investeringsbesluit voor het Rotterdamse CCS- project ROAD genomen. In samenspraak met de EU en andere Lidstaten wordt nu naar een oplossing gezocht. De verwachting is dat er in de eerste helft van 2015 duidelijkheid is over de toekomst van ROAD.

Elektrisch rijden

In 2014 zijn de werkgelegenheid, omzet en export van de elektrische vervoersector, van deze in absolute termen nog kleine sector, flink gegroeid. Zo heeft Tesla in 2014 besloten om een extra assemblagehal in Tilburg in gebruik te nemen. De groeiverwachtingen binnen de EV-sector blijven positief. In de periode tot 2020 kan de sector verder groeien van de huidige 1.600 fte tot zo’n 10.000 voltijdsbanen (bron: CE Delft, 2014). Het aantal elektrische voertuigen groeide minder hard dan in 2013; het totale aantal voertuigen nam toe van 30.200 tot 46.100. Plug-in hybrides, die zowel elektrisch kunnen laden als benzine of diesel kunnen tanken, vormen daarvan nog steeds de grote meerderheid. Het aantal publiek toegankelijke laadpunten nam toe van 3.521 tot 5.421, het aantal semi-publieke van 2.249 tot 6.439, het aantal snellaadpunten van 106 tot 254 en het aantal private laadpunten van naar schatting 18.000 tot naar schatting 28.000. Het tekort aan laadpunten in de openbare ruimte is in 2014 opgelopen. Een belangrijke reden is dat het niet is gelukt om voor eind 2014 de aangekondigde privaat-publieke afspraak over de financiering van deze laadinfrastructuur tot stand te brengen.

Garanties

Geothermie

Op de garantieregeling geothermie is in 2014 zoals voorzien niets uitgekeerd. De huidige openstelling loopt t/m 13 maart 2015. In deze openstelling zijn tot nu toe drie aanvragen ingediend. Zeven beschikkingen uit eerdere openstellingen zijn nog van kracht.

Interne begrotingsreserve Geothermie

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

10.831

+ Storting

+9.206

Stand per 31/12/2014

20.037

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Als dekking voor eventuele toekomstige uitgaven heeft in 2014 een storting van € 9,2 mln in een interne begrotingsreserve plaatsgevonden.

Opdrachten

De hogere uitgaven op het onderdeel O&O bodembeheer zijn met name toe te schrijven aan aanvullende- en vervolgonderzoeken inzake de aardgaswinning in Groningen.

Joint Implementation

In 2014 zijn de aankoopcontracten met de EBRD, de Wereldbank en ERUPT afgerond en zijn de resterende gelden terug geboekt naar EZ. In 2014 zijn er uit het Prototype Carbon Fund van de Wereldbank nog 174.493 CER’s (Certified Emmission Reductions) op de EZ-rekening bijgeschreven. Deze rechten kunnen nog ingezet worden in het kader van de 2e Kyoto periode die tot 2020 loopt.

Stralingsbescherming en Nucleaire Veiligheid

Op grond van Europese richtlijnen moet elke EU-lidstaat ten minste om de tien jaar een zelfevaluatie uitvoeren van de nationale nucleaire wet- en regelgeving en van de bevoegde regelgevende autoriteit. Deze zelfevaluatie is in november 2014 door het Internationaal Atoomenergieagentschap beoordeeld in een Integrated Regulatory Review Service (IRRS). De Kernenergiewet en de daarop gebaseerde regelgeving, de samenwerking tussen de diverse departementen die zich met nucleaire veiligheid en stralingsbescherming bezig houden en de wijze van handhaving en toezicht zijn beoordeeld. Het IRRS-team, dat bestond uit deskundigen uit andere landen, beoordeelde Nederland positief en gaf een aantal aanbevelingen ter verhoging van de nucleaire veiligheid in Nederland.

Voor het verhogen van de internationale nucleaire beveiliging zijn bijdragen geleverd aan de Nuclear Security Summit 2014 en de Nuclear Industry Summit. Beide internationale conferenties werden eind maart 2014 georganiseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Autoriteit Nucleaire Veiligheid (ANVS)

De afgelopen jaren waren diverse overheidstaken en de kennis over nucleaire veiligheid en stralingsbescherming verspreid over verschillende instanties. In januari 2014 heeft de ministerraad besloten dat er een onafhankelijke autoriteit gevormd moest worden. Met 1 januari 2015 als startdatum voor deze nieuwe autoriteit is het afgelopen jaar een Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) opgebouwd waarin kennis en kunde is gebundeld. De ANVS voldoet aan internationale richtlijnen (zoals die van het internationale atoomenergieagentschap IAEA) en werkt nauw samen met nationale en internationale organisaties.

Bijdragen aan agentschappen

Voor de uitvoering van diverse regelingen (onder andere Nationaal Energie Akkoord, Green Deal) zijn extra uitgaven gedaan ten behoeve van het agentschap RVO.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De afdracht aan de COVA is lager dan geraamd, omdat het volume aardolieproducten waarover de voorraadheffing is geheven in 2014 lager is uitgekomen dan de raming.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/ Nuclear Research Group (NRG)

ECN heeft in 2014 deelgenomen aan 5 van de 7 thema’s van de Topsector Energie en voert daarin door middel van PPS-constructies samen met het bedrijfsleven onderzoeks- en demonstratieprojecten uit. In 2014 is een lening verstrekt aan ECN van maximaal € 82 mln tegen een marktconforme rente. Hiertoe werd besloten nadat gebleken was dat ECN niet in staat was tijdig een lening van marktpartijen te betrekken en vanwege het publieke belang van ECN/NRG voor de volksgezondheid (beschikbaarheid medische radio-isotopen) en de kennisinfrastructuur (energieonderzoek). De lening wordt in tranches uitbetaald – in 2014 is een eerste tranche van € 25 mln uitbetaald. De lening is verstrekt onder voorwaarden van een veilige bedrijfsvoering van de Hoge Flux Reactor en een vooruitzicht van een gezonde, commerciële en verantwoorde bedrijfsvoering door ECN en NRG.

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

 

+ Storting

+6.600

Stand per 31/12/2014

6.600

Diverse instituten

De doelstelling om samenwerking in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkten te verstevigen is bereikt. Binnen het Pentalaterale Forum is verder gewerkt aan de integratie van regionale markten en een gezamenlijke aanpak van leveringszekerheidvraagstukken. Een belangrijke stap in 2014 betrof het opstellen van een regionale analyse over de leveringszekerheid in de Noordwest-Europese regio door de gezamenlijke landelijke netbeheerders (TSO’s). Daarnaast is ook de samenwerking met buurlanden geïntensiveerd, in het bijzonder met Duitsland en België. Met Duitsland is een bilateraal akkoord voor een brede energie-samenwerking opgesteld en met België is een soortgelijk initiatief voorzien in 2015. Belangrijke onderwerpen voor bilateraal overleg zijn: leveringszekerheid, de integratie van hernieuwbare energie, (grensoverschrijdende) infrastructuur en innovatie.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

De lagere ontvangsten zijn het gevolg van een lager volume aardolieproducten, waarover de voorraadheffing is geheven, dan was geraamd.

SDE+

Het Ministerie van Financiën heeft in 2014 aan heffingen minder gerealiseerd dan geraamd. De ontvangsten zijn achtergebleven bij de raming vanwege de relatief warmere winter in 2014.

Aardgasbaten

De baten vallen lager uit dan geraamd vanwege een aantal oorzaken. De belangrijkste zijn de verkoopprijs en het productievolume. De verkoopprijs van het aardgas was lager dan geraamd. Als indicator hierbij geldt onder andere de beursprijs van gas dat op de marktplaats TTF verhandeld wordt. In de raming werd uitgegaan dat deze beursprijs 26 cent per m3 zou bedragen in 2014. De gerealiseerde beursprijs kwam uit op 21 cent per m3. Hiernaast is een lager gasvolume geproduceerd dan geraamd, namelijk 70 mld m3 in plaats van 71 mld m3. Naast de verkoopprijs en het productievolume wordt de tegenvaller veroorzaakt door onder andere de hogere kosten als gevolg van de aardbevingsrisico’s en een kleine overschatting welk gedeelte van de voorlopige afdracht op basis van de Mijnbouwwet al in 2014 plaats zou hebben.

Verwachting 2013–2014

2013

2014

Productie aardgas totaal (mld m3)

Bron: TNO

72

71

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,25

1,32

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

95

103

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

23,9

26

Kengetallen

2010

2011

2012

2013

Realisatie

2014

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

32 mld m3

29 mld m3

28 mld m3

27 mld m3

25 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

12

18

161

9

21

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

35

39

192

18

32

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

86 mld m3

79 mld m3

78 mld m3

85 mld m3

70

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,33

1,39

1,283

1,33

1,33

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

79,5

111,3

111,7

108,7

101,4

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

15,8

22,94

24,04

26,0

21,3

X Noot
1

De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO-rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 1 is doorgevoerd in verband met een indeling in de verkeerde categorie.

X Noot
2

De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 10 is doorgevoerd in verband met een rekenfout.

X Noot
3

De waarde van de euro/dollarkoers wijkt af van de in de Rijksbegroting opgenomen waarde.

Deze waarde was gebaseerd op een raming van het CBS/CPB.

X Noot
4

De waarden van 2011 en 2012 wijken af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarden.

Dit is veroorzaakt door het in het verleden toepassen van een onjuiste correctiefactor.

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Diverse ontvangsten

De hogere ontvangsten zijn met name toe te schrijven aan verrekeningen met het agentschap RVO. Daarnaast heeft een afrekening plaatsgevonden uit hoofde van het project Joint Implementation.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw (artikelonderdeel 16.1).

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid op Europees en mondiaal niveau alsmede het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid (artikelonderdelen 16.1 en 16.5).

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit (artikelonderdeel 16.2). Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, met name Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is. De Minister van EZ is voorts verantwoordelijk voor de controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.

  • Het zeker stellen van goede gewasbescherming, alsmede het borgen van diergezondheid en dierenwelzijn (artikelonderdeel 16.3)

(Doen) uitvoeren

  • Het doen uitvoeren van adequaat fytosanitair beleid (artikelonderdeel 16.3).

  • Het doen uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein (artikelonderdeel 16.4).

Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Minister de rol om te zorgen dat de Nederlandse inbreng met betrekking tot versterking concurrentiekracht, vergroening en verduurzaming goed tot hun recht komen. In de Beleidsagenda en bijlage 3 Europese geldstromen wordt hierop nader ingegaan.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Realisatie

2014

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron: TNS/NIPO

7,7

Geen meting

Geen meting

7,5

7,6

Geen meting

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron: NVWA monitor

3,4

3,4

3,4

Geen meting

3,2

Geen meting

3. Plant Breeders Index

Bron: Community Plant Variety Office CPVO

32%

32%

33%

31%

37%

Publicatie in 2015

4. Aantal octrooiaanvragen in de agrarische sector en verwerkende industrie

Bron: NLOctrooicentrum

6,8%

7,4%

5,9%

7,5%

Publicatie in 2016

Publicatie in 2017

5. % Handelssaldo agrarisch ten opzichte van totaal handelssaldo Nederland

Bron: LEI

59%

57%

87%

58%

57%

61%

Ad 1. Indicator betreft de maatschappelijke waardering onder de Nederlandse bevolking van de landbouw en visserij vastgelegd in een rapportcijfer. Meting vindt vanaf 2013 om de 2 jaar plaats. Volgende meting gaat over 2015.

Ad 2. De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Meting vindt om de 2 jaar plaats. Volgende meting gaat over 2015.

Ad.3. Betreft het percentage Nederlandse aanvragen Kwekersrecht van het totaal aantal aanvragen voor de EU

Ad 4. Betreft het percentage Nederlandse octrooiaanvragen van het totaal aantal internationale aanvragen ingediend bij de World Intellectual Property Organization en het Europees Octrooibureau voor de agrarische sector en verwerkende industrie.

Ad. 5. In 2014 was het Nederlandse handelsoverschot € 46,7 mld en het agrarische handelsoverschot gestegen tot € 28,3 mld; 60,6% van het totaal. 2014 betreft een voorlopige realisatie.

Beleidsconclusies

16.1 Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij

Agrarisch ondernemerschap

In 2014 is de brede weersverzekering met 27% gegroeid naar 795 deelnemers. In het kader van extremer wordende weersomstandigheden is het van belang dat landbouwers de mogelijkheid hebben om hun gewassen tegen ongunstige weersomstandigheden te verzekeren. In 2014 viel de brede weersverzekering voor het laatst onder de directe inkomenssteun van het GLB. Vanaf 2015 wordt de brede weersverzekering voortgezet onder het kader van het Plattelands Ontwikkelings Programma (POP3).

Duurzame veehouderij

In de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) staan de uitdagingen voor verduurzaming van de veehouderij beschreven. Dit is door het samenwerkingsverband vertaald in 15 lange termijn ambities. Eind 2014 is vijfde voortgangsrapportage van de UDV verschenen. In deze rapportage wordt de voortgang gemonitord en wordt de balans opgemaakt: welke stappen worden er gezet in sectoren en ketens, wat heeft de UDV daaraan bijgedragen en aan welke onderwerpen moet extra aandacht besteed worden om nieuwe stappen te kunnen zetten? De UDV constateert dat de verschillende ketens daarbij steeds meer zelf de regie nemen. De ketens werken actief aan het verhogen van het duurzaamheidsniveau in de markt en het vertalen hiervan in criteria voor het primaire bedrijf. Voorbeelden hiervan zijn de Duurzame Zuivelketen en het Recept Duurzaam Varkensvlees. De UDV ondersteunt deze beweging onder meer door het bevorderen van de samenwerking tussen de diverse keteninitiatieven. Om de verduurzaming te stimuleren is een aantal specifieke regelingen open gesteld. Voor het eerst is een subsidieregeling Verduurzaming Veehouderij (UDV) opengesteld. Daarnaast is de investeringsregeling fijnstofmaatregelen en de investeringsregeling duurzame stallen (PAS-variant) in 2014 opnieuw opengesteld. Tot slot is de investeringsregeling duurzame stallen (GLB-variant) in 2014 opengesteld. Vanuit de sector was het beroep op de bovenstaande subsidieregelingen groot.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

36%

2010

36%

36%

20%

Publicatie in 2016

LEI

De realisatie in 2013 komt overeen met de raming. Dit is het resultaat van een licht gestegen duurzaam investeringsniveau en een daling van het totale investeringsniveau in 2013 (ten opzichte van 2012). De raming in 2014 is met name lager dan de referentiewaarde omdat het duurzame investeringsniveau als gevolg van de economische crisis is teruggelopen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

8%

10,3%

10%

11,3%

WUR

De waarde is een indicatie van het percentage integraal duurzame stallen in Nederland ten opzichte van het totaal aantal in gebruik zijnde stallen.

Mestbeleid

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

1. Realisatie normen fosfaat

78 mln kg

2002

20 mln kg

23 mln kg

10 mln kg

Publicatie in 2015

CBS

2. Realisatie normen stikstof

420 mln kg

2002

345 mln kg

310 mln kg

331 mln kg

Publicatie in 2015

CBS

De indicatoren «realisatie normen fosfaat» en «realisatie normen stikstof» geven de bodemoverschotten voor beide stoffen op Nederlandse landbouwgronden weer. Zij zijn een maat voor het berekende verlies aan mineralen naar landbouwgrond, na aftrek van de opname door landbouwgewassen en vervluchtiging van stikstof. De meest recente realisatiecijfers hebben betrekking op 2013. De raming 2013 voor fosfaat (20 mln kg) is niet gehaald. De realisatie is sterk afhankelijk van (vooral) natuurlijke omstandigheden in het groeiseizoen, met name het weer. Door minder groeizaam weer kan de opname van fosfaat door het gewas achterblijven waardoor er meer verliezen naar het milieu optreden (hier uitgedrukt in een bodemoverschot voor fosfaat). De raming voor stikstof uit de begroting 2013 (345 mln kg) is, op basis van de voorlopige cijfers voor 2013, ruim gehaald.

Plantaardige productie

In 2014 is via diverse initiatieven verdere invulling gegeven aan de rol die Nederlands uitgangsmateriaal kan spelen op het gebied van voedselzekerheid en concurrentiekracht. Zo is er in de topsectorenagenda meer nadruk gelegd op programma’s op het gebied van resistentieveredeling. Sprekend is ook dat een bedrijf uit deze sector is uitgeroepen tot Nationaal Icoon vanwege de innovatieve en veelbelovende techniek om de veredeling van aardappel te versnellen.

In 2014 zijn met de glastuinbouw nieuwe Meerjarenafspraken gemaakt voor de periode 2014–2017 over energie waarin energiebesparing en hernieuwbare energie opwekking centraal staan.

Het Convenant Schone en Zuinige agrosectoren uit 2008 heeft 2014 benut voor een herijking, waarbij bezien wordt wat de komende jaren, tot en met 2020 te doen staat om de bestaande doelen te realiseren.

Ook de Meerjarenafspraken energiebesparing in de (agro)energie hebben met de uitwerking van de afspraken uit het Nationaal Energieakkoord een nieuwe impuls gekregen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw

7,5 Mton1

2013

7,5 Mton

6,8 Mton

7,3 Mton

Publicatie in 2015

LEI

               

Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

100%

2005

88%

86,4%

86%

Publicatie in 2015

RVO

X Noot
1

is CO2-emissieruimte conform CO2convenant, zijnde het gemiddelde van de CO2-emissies van 2010 tot en met 2012.

De raming 2013 betreft de maximale CO2-emissieruimte van de glastuinbouw. De realisatie ligt daaronder. De resultaten liggen goed op koers. De daling van de CO2-emissie komt voort uit een lager gebruik van fossiele brandstoffen per m2 en een beperkte daling (– 1,5%) van het areaal.

De voedings- en genotmiddelenindustrie ligt qua energie-efficiency in 2013 1,6 procentpunt voor op de raming. Dit wijst op het belang dat deze sectoren hechten aan energie efficiency maatregelen

Agrarische innovatie en overig

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

15%

14,2%

10%

Publicatie in 2015

LEI

Visserij

In 2014 zijn, vanwege de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, onder het Europees Visserijfonds (EVF) verschillende subsidieregelingen opengesteld. Met het oog op de invoering van de aanlandplicht in de zeevisserij, is onder de regeling Collectieve actie in de visketen € 4,5 mln subsidiegelden beschikbaar gesteld om de sector zich te laten voorbereiden op de aanlandplicht. In totaal zijn 14 projecten, waarin ondernemers en onderzoekers samenwerken, gehonoreerd.

Andere EVF-steun is onder andere verleend voor investeringen in aalbedwelmingsapparatuur en in de garnalenvisserij (€ 1,2 mln), «Visserij kenniskringen» en de uitzet van glasaal in het kader van het aalbeheerplan. Eind 2013 is € 3,5 mln subsidie verstrekt aan een holdingfonds. In 2014 is met dit bedrag een revolverend fonds opgericht voor investeringen in de visserij.

De voorbereidingen voor het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (2014–2020 EFMZV), de opvolger van het EVF, zijn in 2014 doorgezet en eind 2014 is het Operationeel Programma van het EFMZV bij de Europese Commissie voor goedkeuring ingediend. Dit Operationele Programma is gericht op verduurzaming van de visserij- en aquacultuursector, rendementsverbetering en invoering van de aanlandplicht.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

1. Voorzorgsniveau schol

230.000 ton

2005

587.000

553.600

735.330 ton

670.400 ton

ACOM

2. Voorzorgsniveau tong

35.000 ton

2005

45.600

48.871

48.151 ton

46.765 ton

ACOM

De referentiewaarde hier is overeenkomstig de minimale streefwaarde: het betreft de minimale omvang van een visbestand om de soort duurzaam in stand te houden. De realisatie van de voorzorgsniveaus voor tong en schol vertonen nog steeds een gunstige ontwikkeling. De realisatiecijfers voor 2014 betreffen voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen medio 2015 beschikbaar en worden gepubliceerd in het jaarverslag 2015.

Cofinanciering GLB/GVB 2014–2020

De tweede pijler van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid heeft betrekking op plattelandsontwikkeling. Hierbij is sprake van nationale cofinanciering. Dat houdt in dat naast de financiering vanuit de Europese Unie minstens eenzelfde bedrag nationaal gefinancierd moet worden (in sommige gevallen 25%). In 2014 is in totaal € 102,7 mln nationaal gefinancierd, waarvan € 14,5 mln door het Rijk en het overige door andere overheidsorganen.

16.2 Borgen Voedselveiligheid en -kwaliteit

Risicomanagement voedselproductie

De Taskforce Voedselvertrouwen, die in 2013 door de Staatssecretaris van EZ en de Minister van VWS in het leven is geroepen om de voedselveiligheid te borgen en de fraude in de voedselproductie aan te pakken, heeft in 2014 verder invulling gegeven aan haar actieplan (Kamerbrief 13-06-2013). In maart 2015 is er een afsluitende rapportage naar de Tweede Kamer gestuurd.

De Staatssecretaris heeft de Onderzoeksraad voor de Veiligheid gevraagd onderzoek te doen naar de risico’s in de vleesketen. Dit onderzoek is begin 2014 opgeleverd. Op basis van de conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek zijn door het kabinet ingrijpende maatregelen aangekondigd en verder uitgewerkt. Het gaat hierbij om het vergroten van de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het op orde brengen van de organisatie bovenop de reeds ingezette inspanningen in het verbeterplan NVWA. In het bijzonder de opzet van een integrale en multidisciplinaire aanpak vleesfraude, het terugbrengen van keuringstaken in het publieke domein, het verscherpen van controles bij import, en inzet op modernisering van EU wetgeving.

Ten aanzien van anticiperen op en monitoren van mogelijke risico’s op het gebied van voedselveiligheid en diergezondheid, is er in 2014 gewerkt aan verbetering EU regelgeving. Dat wil zeggen een verdergaande versoepeling van de Europese preventie en bestrijdingsmaatregelen op het gebied van TSE/BSE. In 2014 zijn de nieuwe Europese regels voor de vleeskeuring van varkens succesvol geïmplementeerd. Tevens is er gewerkt aan de overheveling van de productschapsregels salmonella-pluimvee in nationale regelgeving.

Indicator

Referentiewaarde

Peil datum

Realisatie 2012

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibiotica-gebruik

2009

49% reductie

(t.o.v. 2009)

50% reductie (t.o.v. 2009)

57,7%

Niet apart benoemd, maar reductie van 70% in 2015

Beschikbaar in 2015

SDa/LEI

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

(Lange termijn streefwaarde (2018) is 90%)

80%

2009

81%

83%

88,6%

88%

Beschikbaar in 2015

NVWA

Antibiotica

De raming voor 2013 is behaald. De verkoop van antibiotica die voor de humane gezondheid van kritisch belang zijn, fluoroquinolonen en 3e en 4e generatie cefalosporinen is in 2013 met respectievelijk 78,3% en 98,5% afgenomen ten opzichte van 2011. Daarmee is het gebruik van deze antibiotica in de meeste gemonitorde veehouderijsectoren tot vrijwel nul gedaald. De gegevens over het antibioticagebruik in de veehouderij over 2014 komen in juni 2015 beschikbaar. De Kamer wordt hierover geïnformeerd, en de cijfers worden in het Jaarverslag 2015 gepubliceerd.

HACCP

In 2013 hebben de vleesproductiebedrijven waarvoor Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP) verplicht is, voldaan aan 88,6% van de HACCP regels op de inspectielijst van de NVWA. Bij gemiddeld 7,8% van de regels op de inspectielijst van de NVWA was er sprake van een geringe overtreding en bij 3,6% sprake van een overtreding of ernstige overtreding. De realisatie van 2014 zal uitwijzen of het goede resultaat geconsolideerd kan worden. Op basis van het resultaat uit 2013 is tevens de oorspronkelijke prognose voor 2014 en 2015 voorzichtig naar boven bijgesteld (van 83% naar 88%).

Voedselkwaliteit en transparantie in de keten

In 2014 is uitvoering gegeven aan de implementatie van de nieuwe koers ten aanzien van duurzaam voedsel, zoals opgenomen in de beleidsbrief «duurzame voedselproductie» (Kamerbrief 11-07-2013, TK nr. 31 532, nr. 118). De consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel zijn wederom gestegen (Monitor Duurzaam Voedsel). In het kader van de verduurzaming van de voedselketen en de vermindering van de voedselverspilling is in samenwerking met de topsector Agro&Food, onder de uitvoeringslijn duurzaamheid, in 2014 een SBIR (Small Business Innovation Research program) duurzame voedselproductie uitgeschreven. Samen met de Alliantie Verduurzaming Voedsel (de Alliantie) is invulling gegeven aan «Het jaar tegen de voedselverspilling». De samenwerking tussen voedselbanken en de Alliantie heeft verder vorm gekregen, er is een helpdesk voedselverspilling ingericht, het Voedingscentrum heeft de campagne «Hoezo 50 kilo?» gevoerd, en het onderwerp houdbaarheidsdata op voedsel is geagendeerd in Brussel. Verder is geïnvesteerd in de ontwikkeling van de monitoringsystematiek rondom voedselverspilling. Ook is ondersteuning gegeven aan de uitvoering van de Green Deal rondom nieuwe eiwitten.

16.3 Plant- en diergezondheid

Borgen plantgezondheid

In 2014 is voortgang geboekt met de onderhandelingen over de voorstellen van de Europese Commissie voor de herziening van de EU Fytorichtlijn. Een belangrijk punt van discussie blijft de handhaving van een open importsysteem voor plantaardige producten. Nederland heeft zich hiervoor ingezet. De Europese Commissie heeft in 2014 besloten om de voorstellen voor herziening van de Verkeersrichtlijnen voor plantaardig materiaal in te trekken. De boycot van Rusland voor de export van plantaardige producten heeft de druk vergroot om te zoeken naar alternatieve afzetmogelijkheden. In 2014 is de Intentieverklaring afspraken fytosanitaire preventie tussen EZ en plantaardige sectororganisaties getekend. Het doel is betere preventieve maatregelen tegen plantenziekten door de sector zelf en een voorziening om overblijvende risico’s af te dekken. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de product- en bedrijfschappen worden opgeheven en dat de publieke taken van deze bedrijfslichamen worden overgenomen door EZ. Eén van de overgenomen publieke taken betreft de zogenaamde «plantaardige productschapsverordeningen» van het Productschap Akkerbouw en het Productschap Tuinbouw. In 2014 zijn deze verordeningen overgenomen in de «Regeling bestrijding schadelijke organismen» onder de «Plantenziektenwet». Het toezicht op deze verordeningen is belegd bij de NVWA.

Verminderen milieulast gewasbeschermingsmiddelen

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een integraal onderdeel van de huidige bedrijfsvoering in de land- en tuinbouw. Het beleid heeft tot doel het verduurzamen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, onder meer via het bevorderen van het gebruik van middelen met minder risico, zoals biologische, natuurvriendelijke en alternatieve middelen en het terugdringen van risicovollere gewasbescherming. Qua uitvoering en beoogde resultaten hebben zich in 2014 geen bijzonderheden voorgedaan; er is voortgang gemaakt conform het Actieplan van de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst.

Dierenwelzijn van productie en gezelschapsdieren

In juli 2014 is het besluit Diergeneeskundigen en het besluit Houders van dieren in werking getreden, inclusief regels voor het bedrijfsmatig houden van gezelschapsdieren en algemene huisvestings- en verzorgingsnormen voor alle gehouden dieren. De positieflijst zoogdieren is daarvan uitgezonderd en is 1 februari 2015 van kracht geworden. Dit is later dan beoogd omdat naar aanleiding van een advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden de systematiek waarmee de dieren worden beoordeeld opnieuw bezien is. Vanaf 1 juli kan een bestuurlijke boete worden opgelegd bij overtreding van welzijnsregels.

In 2014 hebben 5 nieuwe organisaties het afsprakenkader vroegtijdige signalering dierverwaarlozing getekend, heeft de Raad voor Beheer op Kynologisch gebied met betrokken partijen uit de gezelschapsdierensector een intentieverklaring en projectplan «Fairfok» over het fokken van gezonde en sociale honden uitgebracht, zijn er afspraken gemaakt met internetaanbieders over tegengaan van impulsaankopen, heeft de vleesveesector het «Plan van aanpak bevorderen natuurlijke geboorten» uitgebracht, en is de pilot Welfarequality vleeskuikens succesvol afgerond. De kwaliteitssystemen over transport zijn in 2014 niet afgrond omdat er vooralsnog onvoldoende vertrouwen is dat de huidige kwaliteitssystemen van de sector voldoende garanties bieden voor een verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid. In 2015 wordt dat onderzocht aan de hand van een aantal pilots. Tot slot zijn de eerste keurmerken van het «Keurmerk Diervervoer» van de Stichting Dierkeur uitgereikt aan dierenambulances.

Dierproeven

In 2014 is een plan van aanpak «dierproeven en alternatieven» naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 28-02-2014). De voortgangsrapportage van het plan van aanpak is samen met «Zo Doende 2013» (het jaarverslag van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de verrichte dierproeven in Nederland en het uitgevoerde toezicht op de Wet op de dierproeven naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerbrief 19-11-2014).

In december 2014 is de herziene Wet op de dierproeven in werking getreden. Ook zijn de Centrale Commissie Dierproeven en het Nationaal Comité advies voor dierproevenbeleid opgericht.

Preventieve diergezondheid, monitoring, early warning en bewaking fytosanitaire en veterinaire veiligheid

Een uitbraak van een bestrijdingsplichtige dierziekte heeft grote maatschappelijke en economische gevolgen. EZ heeft geïnvesteerd in het voorkomen ervan (preventie) en in het tijdig opsporen ervan via gerichte monitoringsonderzoeken. Deze inspanningen bewezen onder andere hun waarde bij de snelle detectie en bestrijding van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza (AI, vogelgriep) in 2014. Voor de ziekte klassieke varkenspest is een aanvraag voor de vrijstatus bij de OIE ingediend.

In 2014 is verder geïnvesteerd in de overname van taken van PBO’s op het gebied van monitoring, preventie en bestrijding van bepaalde dierziekten. Daarnaast is in 2014 onderzoek gedaan naar de verdere uitwerking van de Intentieverklaring fytosanitaire preventie.

Crisisorganisatie en -management

Naast de hierboven genoemde inspanningen op het gebied van preventieve diergezondheid, monitoring, early warning en bewaking fytosanitaire en veterinaire veiligheid is in 2014 geïnvesteerd in de voorbereiding op een omvangrijke dierziekte oefening. De oefening heeft door het uitbreken van Vogelgriep niet plaats kunnen vinden en is om die reden verschoven naar 2015. Tevens is geïnvesteerd in het opstellen/updaten van beleidsdraaiboeken dierziektes en voedselveiligheid.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

EU en OIE

Deze indicator geeft het aantal ziekten weer, waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE dierziektevrije status heeft.

16.4 Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein

Er is toepassingsgericht onderzoek uitgevoerd voor de agenda’s van de topsectoren AgriFood en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en voor ondersteuning van beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming. Accenten in 2014 waren onder andere de internationale markt en handelstoegang in relatie tot veterinaire en fytosanitaire problematiek, onderbouwing van het vijfde Actieprogramma van de Europese Nitraatrichtlijn, de relatie volksgezondheid en intensieve veehouderij, waarborgen voedselveiligheid en diergezondheid, biodiversiteit, platteland en omgeving, het Deltaprogramma en voedselzekerheid.

De Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) heeft binnen het Meerjarenkader 2011–2014 funderend onderzoek uitgevoerd. De middelen worden deels ingezet voor cofinanciering van EU-onderzoeksmiddelen. De wettelijke taken, die voortvloeien uit nationale dan wel EU-verplichtingen, zoals het paraat hebben van een adequate infrastructuur, kennis en equipement ter bestrijding van besmettelijke dierziekten, verplichtingen op het terrein van visserij, natuur, economie, genenbanken en voedselveiligheid zijn door DLO uitgevoerd. Een nieuw onderzoeksprogramma «Meer kennis minder dieren» uitgevoerd door ZonMW is opgestart.

Indicator

Referentie-waarde

Peil

datum

Raming 2013

Realisatie 2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

1 Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

85%

2011

>75%

80%

>85%

Publicatie in 2015

PROSU

2 Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

80%

2011

>85%

88%

>85%

Publicatie in 2015

PROSU

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Bron

Aantal innovatienetwerken en bedrijfsprojecten groene sector gestart met bijdrage uit publieke middelen

115

 

155

131

0

RVO

In 2014 zijn er geen openstellingen geweest vanwege de overgang van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) per 1-1-2014 naar de provincies. De POP2-periode liep van 2007 tot en met 2013. Om die reden was en is er geen rijksbudget meer beschikbaar voor de Praktijknetwerken en Samenwerking bij Innovatie. Mogelijk dat de provincies deze regelingen wel gaan oppakken in POP3 (daarvoor moeten nog regelingen worden opgesteld, formele goedkeuring POP3 is in 2015).

16.5 Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

De beleidsagenda voor 2014 is volgens planning uitgevoerd. Met onze expertise en publiek-private samenwerking levert Nederland internationaal een belangrijke bijdrage aan een duurzame wereldvoedselvoorziening. Voorbeelden van initiatieven zijn onder meer het postharvest network of excellence en het aardappelplatform Kenia.

Er is veel energie gestoken in het bijeenbrengen van het internationale speelveld rondom voedselzekerheid gericht op klimaatslimme landbouw en voedselzekerheid & oceanen. Van 9 tot 11 juli 2014 is er een partnermeeting van de Global Alliance for Climate smart Agriculture gehouden in Den Haag. Het heeft geresulteerd in de formulering van de doelstelling en de grondbeginselen van lidmaatschap. In september heeft de Minister President de alliantie gelanceerd in New York tijdens de VN Klimaattop.

Daarnaast is Nederland in juni 2014 voorzitter geworden van de Global Research Alliance on agricultural greenhouse gases. Het voorzitterschap ondersteunt onze mondiale beleidsagenda en versterkt onze (inzet van) expertise in het mondiaal terugdringen van broeikasgassen vanuit de landbouw.

In het voorjaar is de Global Oceans Action Summit gehouden in Den Haag. Deze summit heeft de basis gelegd voor gerichte mondiale samenwerking op het gebied van oceanen, voedselzekerheid en biodiversiteit en zijn er concrete partnerschappen tot stand gekomen

Ook is er geïnvesteerd in de bilaterale betrekkingen in de diverse regio's. In het voorjaar van 2014 is er een strategisch partnerschap «Duurzame landbouw en voedselzekerheid» ondertekend met Vietnam waaronder aandacht voor klimaatslimme landbouw. Tevens is er gestart met een verkenning naar bilaterale samenwerking met Myamar gericht op tuinbouw, de aardappelsector, melk- en pluimveehouderij en aquacultuur

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

VERPLICHTINGEN

804.727

885.441

696.112

676.537

729.130

659.135

69.995

Waarvan garantieverplichtingen

58.700

43.374

37.707

28.537

122.200

– 93.663

UITGAVEN

690.478

867.196

613.752

666.001

660.124

565.726

94.398

               

Subsidies

81.721

300.756

99.065

71.753

78.379

48.576

29.803

Agrarisch ondernemerschap (16.1)

27.353

9.220

9.953

9.785

8.824

5.688

3.136

Duurzame veehouderij (16.1)

6.719

26.767

26.203

16.241

6.256

4.775

1.481

Mestbeleid (16.1)

150

364

1.596

1.931

 

2.550

– 2.550

Plantaardige productie (16.1)

7.752

14.768

19.327

15.396

12.724

14.386

– 1.662

Agrarische innovatie en overig (16.1)

4.521

17.537

10.373

4.340

2.091

3.140

– 1.049

Visserij (16.1)

6.299

6.365

8.549

8.774

5.416

5.416

Cofinanciering GLB/GVB (16.1)

         

8.760

– 8.760

Interne begrotingsreserve landbouw (16.1)

       

2.511

 

2.511

Dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren (16.3)

1.902

3.702

2.518

3.017

4.820

2.008

2.812

Apurement (16.5)

27.025

52.033

20.546

12.269

35.247

7.269

27.978

Interne begrotingsreserve apurement (16.5)

 

170.000

   

490

 

490

               

Garanties

8.426

12.862

10.500

27.119

27.191

17.800

9.391

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit (16.1)

2.000

1.450

2.000

3.000

3.056

3.000

56

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (16.1)

6.426

11.412

8.500

24.119

24.135

14.800

9.335

               

Opdrachten

184.651

186.690

151.569

145.478

156.959

134.701

22.258

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

26.197

36.733

25.723

26.348

25.706

11.606

14.100

Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

16.765

15.371

12.799

7.137

5.909

5.943

– 34

Plant- en diergezondheid (16.3)

17.547

18.363

14.930

12.511

10.680

14.237

– 3.557

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

121.564

114.736

92.364

95.739

110.282

101.047

9.235

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

2.578

1.487

5.753

3.743

4.382

1.868

2.514

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

128.066

118.087

117.704

120.616

105.610

123.393

– 17.783

Medebewind productschappen (16.5)

24.188

23.749

20.354

23.750

25.477

50.519

– 25.042

Dienst Landbouwkundig Onderzoek (16.4)

103.878

94.338

95.027

94.819

77.341

72.118

5.223

ZonMW/dierproeven

         

300

– 300

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (16.3)

   

2.323

2.047

2.792

456

2.336

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

52.971

3.500

4.200

5.577

3.145

3.650

– 505

Diergezondheidsfonds

52.971

3.500

4.200

5.577

3.145

3.650

– 505

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

     

12.615

10.647

7.915

2.732

UNEP, FAO en overige contributies

     

12.615

10.647

7.915

2.732

               

Bijdragen aan agentschappen

234.643

245.301

230.714

282.843

278.193

229.691

48.502

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

118.180

136.926

125.039

144.817

130.740

95.485

35.255

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

104.516

96.595

98.992

129.197

138.948

125.959

12.989

Dienst Landelijk Gebied

3.188

365

255

221

222

222

0

Rijksrederij

8.759

11.415

6.428

8.608

8.283

8.025

258

               

ONTVANGSTEN

317.842

306.938

302.615

329.393

357.416

292.779

64.637

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

48.404

29.145

28.891

27.573

74.439

20.781

53.658

Provisies agrarische schadeverzekering (16.1)

       

2.004

1.800

204

Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

364

788

253

288

94

430

– 336

Plant- en diergezondheid (16.3)

4.771

2.258

2.812

3.452

3.932

500

3.432

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

10.353

13.274

14.760

15.902

20.177

10.584

9.593

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

252.644

261.473

255.414

281.695

256.755

258.684

– 1.929

Ontvangsten agentschappen (16.9)

1.306

 

485

483

15

 

15

Toelichting financiële instrumenten

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingen van € 70 mln houden onder meer verband met het volgende:

  • Verplichtingenverhogingen die samenhangen met uitgavenmutaties (€ 94 mln);

  • Verplichtingenverhoging voortvloeiend uit opdracht voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid en Duurzaamheidsinvesteringen voor uitgaven in latere jaren (€ 37 mln);

  • Verplichtingenverhoging voor de regeling «Duurzame stallen» in het kader van de PAS voor uitgaven in latere jaren (€ 23 mln);

  • Verplichtingenverhoging van € 4,5 mln voor een correctie door de EU met betrekking tot een ingediende declaratie bij het Europese Visserijfonds. De betaling vindt in 2015 plaats;

  • Lagere verplichtingen omdat binnen het garantieplafond in het kader van de garantiefaciliteit landbouw van € 122 mln er een feitelijk beroep is gedaan van € 29 mln (verschil – € 93 mln).

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Agrarisch ondernemerschap (16.1)

De hogere realisatie (€ 3,1 mln) hangt samen met hogere uitgaven voor de demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid als onderdeel van het tweede Plattelands Ontwikkelingsplan, (POP2). Deze uitgaven zijn gedekt uit de reserve landbouw.

Mestbeleid (16.1)

Op dit onderdeel werden tot nu toe de uitgaven geraamd voor de subsidieregeling Duurzaamheidsinvesteringen (Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen, IMM). Gezien de aard van deze regeling zijn de hiervoor beschikbare middelen in zijn geheel overgeheveld naar het onderdeel Plantaardige productie.

Visserij (16.1)

De hogere uitgaven (€ 5,4 mln) houden verband met de uitfinanciering van projecten in het kader van het Europees Visserijfonds (EVF). Dekking heeft plaatsgevonden uit de begrotingsreserve visserij.

Cofinanciering GLB/GVB (16.1)

Op dit onderdeel zijn geen uitgaven gerealiseerd. Een bedrag van € 6,3 mln is overgeheveld naar de bijdrage van de NVWA in het kader van het Plan van Aanpak NVWA. De resterende € 2,5 mln die was gereserveerd voor de storting in de reserve Borgstellingsfaciliteit ter dekking van verliesdeclaraties op basis van de nieuwe Garantieregeling Markt Innovaties (GMI) is niet uitgegeven, omdat deze regeling in 2014 niet kon worden opengesteld en daamee ook de storting in de reserve is komen te vervallen.

Interne begrotingsreserve landbouw (16.1)

De storting in de interne begrotingsreserve landbouw houdt verband met vertragingen op de betalingen voor de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) en de Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM). Deze betalingen zullen in 2015 plaatsvinden.

Apurement (16.5)

De hogere uitgaven (€ 28,0 mln) houden voornamelijk verband met twee correcties die de Europese Commissie heeft toegepast op de door Nederland ingediende declaraties bij de Europese landbouwfondsen. Deze correcies hebben betrekking op het perceelsregister voor de periode 2008–2010 en op het debiteurenbeheer van betaalorganen in de periode 1988–2006. Deze hogere uitgaven zijn gedekt uit de reserve apurement.

Interne begrotingsreserve Landbouw

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

57.257

+ bijschrijving rente

61

+ Storting voor uitfinanciering investeringsregeling milieuvriendelijke maatregelen (IMM)

+1.151

+ Storting voor uitfinanciering regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI)

+1.360

– Onttrekking voor diverse regelingen gefinancierd met PAS-middelen

– 14.058

– Onttrekking voor betaling diverse regelingen

– 11.937

– Onttrekking voor Ctgb

– 585

Stand per 31/12/2014

33.249

Toelichting op de stortingen

Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen/ Regeling Marktintroductie Energie Innovaties

De uitfinanciering van de openstellingen van deze regelingen loopt door naar 2016. Om kasbudget beschikbaar te houden voor de betalingen op deze openstellingen in 2015 en 2016 is in 2013 het niet gebruikte kasbudget van deze regelingen in de reserve landbouw gestort.

Toelichting op de onttrekkingen

Regelingen gefinancierd met PAS-middelen

In 2013 is een omvangrijk budget (€ 14,1 mln) aan PAS-middelen (Programmatische Aanpak Stikstof) in de reserve gestort ter financiering van respectievelijk vier regelingen, twee SBIR’s en kennis- en innovatieprojecten. In 2014 is dit budget weer aan de reserve onttrokken: via een kasschuif zijn de middelen vervolgens verdeeld over de jaren waarin de betalingen op deze instrumenten naar verwachting plaats zullen vinden.

Diverse regelingen

In het verleden zijn bedragen in de reserve gestort om de uitfinanciering op diverse regelingen te kunnen financieren. In 2014 zijn daarvoor bedragen aan de reserve onttrokken. Het gaat daarbij om onder andere de Investeringsregeling Jonge Agrariërs en de regeling Fijnstofmaatregelen.

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

Op het budget voor de bijdrage aan het Ctgb is een jaarlijks tekort (na aftrek van de bijdragen van de Ministeries van I&M, VWS en SZW) van circa € 0,6 mln. De onttrekking uit de reserve had tot doel dit tekort voor 2014 te dekken. Voor 2015 tot en met 2018 wordt eveneens een jaarlijkse onttrekking voorzien van € 0,6 mln.

Interne begrotingsreserve Visserij

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

20.459

+ bijschrijving rente

22

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 1

– 976

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 2

– 793

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 3

– 5.287

Stand per 31/12/2014

13.425

Er is € 7,1 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve Visserij om de nationale cofinanciering van het Europees Visserijfonds (EVF) aan te vullen. Hiervoor is de reserve ook bedoeld.

Interne begrotingsreserve apurement

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

177.792

– Storting

+490

– Onttrekking

– 27.978

Stand per 31/12/2014

150.304

De reserve is bestemd voor door de Europese Commissie opgelegde correctievoorstellen op ingediende declaraties. In 2014 is door de Europese Commissie voor een bedrag van € 35,2 mln aan correctievoorstellen opgelegd. Ter dekking van dit bedrag is € 28 mln aan de interne begrotingsreserve onttrokken. Er is ook een bedrag van € 0,5 mln ontvangen aan van de EU uitbetaalde rente en aan uitstaande vorderingen. Dit bedrag is in de reserve gestort.

Garanties

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (16.1)

De hogere uitgaven hangen samen met de in 2014 voortdurende economische crisis waardoor banken een omvangrijk beroep hebben gedaan op de garantieregeling landbouw en landbouw plus. Dekking van deze hogere uitgaven heeft plaatsgevonden uit de reserve Borgstellingsfaciliteit.

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

58.064

+ bijschrijving rente

62

+ storting voor flankerend beleid pelsdierhouderij

+2.000

+ storting voor dekking verliesdeclaraties

+3.056

– Onttrekking

– 21.891

Stand per 31/12/2014

41.290

Deze reserve is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen voor afgegeven garantiestellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. Hiervoor is een reguliere storting gedaan van € 3,1 mln. Daarnaast is de jaarlijkse storting van € 2 mln gedaan die benodigd is voor het flankerend beleid bij het verbod op de pelsdierhouderij (amendement van Gerven/Dijsselbloem, TK, 2010–2011, 32 609 XIII, nr 4).

Opdrachten

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

De hogere uitgaven (€ 14,1 mln) op dit onderdeel houden verband met een bijstelling van het budget (€ 9,2 mln) voor de monitoring van het mestbeleid in het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Dekking heeft voor een groot deel plaatsgevonden door bijdragen van agrariërs aan de monitoringskosten (€ 5,6 mln) en door boete-inkomsten (€ 1,1 mln) in het kader van de handhaving van het mestbeleid (zie toelichting op de ontvangsten). Daarnaast is er sprake van hogere uitgaven (€ 2,7 mln) voor de energietransitie van de glastuinbouw, omdat het Ministerie van EZ in 2014 het aandeel van het Productschap Tuinbouw (PT) in het Stallingsbedrijf Glastuinbouw Nederland (SGN) heeft overgenomen. Dit is gedekt door de betaling door het PT van de bijdrage aan verschillende energieregelingen in de glastuinbouw tot en met 2009 (zie ontvangsten). Tenslotte zijn € 1,8 mln extra uitgaven gedaan voor de SBIR’s «Emissiearm veevoer», de Meerjarenafspraken Energie en het Agroconvenant waaraven het grootste deel hiervan is gedekt uit de reserve landbouw.

Plant- en diergezondheid (16.3)

De lagere uitgaven van € 3,6 mln houden verband met minder uitgaven voor dierenwelzijn, crisisorganisatie en management, plantgezondheid en gewasbescherming (– € 1,8 mln), een overheveling naar de bijdrage aan DLO voor onderzoeksprojecten (– € 0,8 mln) en een bijdrage aan het Ministerie van VWS voor de bijdrage aan de stichting Q-support in het kader van de gevolgen van de Q-koorts (– € 0,8 mln).

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

De € 9,2 mln hogere uitgavenrealisatie op Kennisontwikkeling en Innovatie (16.4) betreft additionele projectbudgetten ten behoeve van de DLO-onderzoeksprogrammering. Hiervan betreft € 7,6 mln. Voedselzekerheidsprojecten via Buitenlandse zaken/Ontwikkelingsamenwerking waarvan € 6,6 mln. voor een project in Afghanistan. Een ander omvangrijk programma was Programmatische aanpak Stikstof (€ 1,5 mln).

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

De hogere uitgaven van € 2,5 mln op dit onderdeel houden voor € 1,6 mln verband met de organisatie door EZ van de internationale conferentie rond de Global Partnership on Oceans (GPO). Ook zijn meeruitgaven gedaan van € 0,7 mln voor het project «access to seeds». Hiervoor heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage geleverd.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Medebewind productschappen (16.5)

De lagere uitgaven van € 25 mln houden onder andere verband met het volgende:

  • De kosten van de uitvoering van publieke taken zijn € 9,5 mln lager uitgevallen.

  • Voor de overname van taken van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO’s) door het Ministerie van VWS is € 1,1 mln overgeheveld.

  • De uitvoeringskosten door de productschappen in het kader van het markt- en prijsbeleid van de EU zijn lager uitgevallen (€ 4,5 mln).

  • Vanaf 1 oktober 2014 zijn medewerkers van de PBO’s overgeheveld naar de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland. Hierdoor zijn de uitgaven op dit onderdeel € 9,6 mln lager en verantwoord onder de uitgaven RVO.

Dienst Landbouwkundig Onderzoek (16.4)

De € 5,2 mln hogere uitgaven Dienst Landbouwkundig Onderzoek (16.4) betreffen additionele projectbudgetten voor Wettelijke taken Besmettelijke dierzieken (in verband met het in stand houden van de High Containment Unit te Lelystad) en Natuur en milieu. Hiervan is € 3 mln binnen het artikel gevonden en € 2 mln overgeboekt uit artikel 18. Het budget voor ZonMW/dierproeven (16.4) is budgettair overgeboekt naar VWS om mee te nemen in de programmering ZonMW en derhalve wel besteed.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

UNEP, FAO en overige contributies

De meeruitgaven op Bijdrage (inter)nationale organisaties betreffen met name bijdragen aan «Grenada Spice Institute» en «Integrated Seed Sector Development project».

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De hogere bijdrage van € 35,3 mln hangt samen met het volgende:

  • Om het toezicht van de NVWA op de voedselketen te verbeteren is in december 2013 een plan van aanpak aan de Kamer aangeboden (TK, 33 835, nr. 1). De aangekondigde maatregelen hebben betrekking op het versterken van het toezicht op vijf domeinen (vee- en vleessector, plantaardige sector, veterinaire exportcertificering, toezicht zuivelsector, consument en veiligheid) en het versterken van de organisatie ter ondersteuning van het primaire proces. Voor dit plan van aanpak is de bijdrage van EZ verhoogd met € 33 mln.

  • De bijdrage is verhoogd met € 1,1 mln aangezien vanaf 1 oktober 2014 medewerkers van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO’s) zijn overgekomen naar de NVWA voor de uitvoering van medebewinds- en autonome taken en transitiekosten ter voorbereiding van de overname van PBO-taken. Ook vindt een verhoging plaats met € 0,7 mln voor onder meer schadeclaims.

  • De uitvoeringskosten die verband houden met interventiemaatregelen in verband met de Ruslandboycot zijn € 0,5 mln hoger uitgevallen.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De hogere bijdrage van € 13,0 mln houdt verband met het volgende:

  • Uit de eindejaarsmarge 2013 HGIS is € 2,4 mln toegevoegd.

  • Een verhoging met € 2,4 mln voor uitvoeringskosten met betrekking tot de PAS.

  • Een verhoging met € 9,6 mln in verband met de reeds bij de NVWA genoemde overkomst van PBO-medewerkers, alsmede voor projectkosten in verband met de transitie van PBO-taken.

  • Een verhoging met € 0,6 mln ten behoeve van de overgang van de uitvoering van visserij-regelingen naar de RVO.

  • Een verhoging met € 4,9 mln voor hogere uitvoeringskosten van de uitvoering van subsidieregelingen op het agro-terrein.

  • Een verhoging met € 0,8 mln voor uitvoeringskosten die verband houden met interventiemaatregelen in verband met de Ruslandboycot.

  • Een verlaging met € 1,2 mln omdat de bijdrage aan de vertegenwoordiging in het buitenland die ressorteert onder de RVO lager is uitgevallen omdat nog niet alle in het buitenland gedane uitgaven zijn doorberekend.

  • Een verlaging met € 1,8 mln ten gunste van de bijdrage op artikel 12 en 14 als gevolg van het harmoniseren van het kostprijsmodel vanwege de vorming van RVO.

  • Een verlaging met € 1,9 mln in verband met lagere ICT-kosten inzake het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

  • Een verlaging met € 2,8 mln als compensatie voor de categorie «Bijdragen aan (inter)nationale organisaties». Het betreft hier uitgaven die onder het programmabudget vallen.

Toelichting op de ontvangsten

Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

De hogere ontvangsten van € 53,7 mln zijn veroorzaakt door:

  • Hogere ontvangsten in verband met de onttrekking uit de interne begrotingsreserve landbouw ten behoeve van de uitfinanciering van diverse regelingen op het agro-terrein (€ 25,4 mln).

  • Hogere ontvangsten in verband met een aanpassing van de raming van de te onttrekken middelen uit de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit (€ 8,9 mln) ten behoeve van het uitbetalen van verliesdeclaraties op grond van de garantieregelingen landbouw en landbouw plus.

  • Hogere ontvangsten in verband met de onttrekking uit de interne begrotingsreserve visserij ten behoeve van de uitfinanciering van de visserijregelingen onder het Europees Visserijfonds (€ 7,0 mln).

  • Hogere boete-inkomsten gerelateerd aan de handhaving van het mestbeleid (€ 1,3 mln).

  • Hogere ontvangsten omdat in het kader van het 5e actieprogramma nitraat is afgesproken dat de agrariërs die profiteren van de nieuwe derogatieregeling opnieuw een bijdrage leveren aan de kosten van de derogatiemonitoring in het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (€ 3,3 mln).

  • Hogere ontvangsten in verband met een afrekening van de bijdrage van het Productschap Tuinbouw aan energieregelingen tot en met 2009 (€ 3,2 mln).

  • Hogere ontvangsten (o.a. huur mosselpercelen, visserijvergunningen) op het gebied van het visserijbeleid (€ 3,8 mln).

  • Hogere ontvangsten in verband met terugbetalingen van te veel betaalde subsidievoorschotten (€ 0,8 mln).

Plant- en diergezondheid (16.3)

De hogere ontvangsten door extra doorberekeningen van opvangkosten van in beslag genomen landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren en opgelegde boetes in het kader van de Regeling bestuurlijke boetes Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

De hogere ontvangsten van € 9,6 mln door een hoger dan oorspronkelijk geraamd bedrag aan rente en aflossing Dienst Landbouwkundig Onderzoek (€ 1,5 mln) en een van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen bedrag van € 8 mln, waarvan € 6,6 mln voor een project om landbouwontwikkeling in Afghanistan te bevorderen en € 1 mln voor de uitvoering van het «Food Security Embassy Support Program». Dit programma is erop gericht om Nederlandse ambassades hulp te bieden voor de implementatie van projecten op het gebied van voedselzekerheid.

Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

De lagere ontvangsten van € 1,9 mln doordat:

  • Uit de interne begrotingsreserve apurement is € 27,9 mln onttrokken is voor betalingen van correcties die door de Europese Commissie zijn opgelegd (zie subsidies/apurement).

  • De ontvangsten landbouwheffingen € 31,0 mln lager uit vallen door minder invoer van landbouwproducten uit derde landen dan voorzien.

  • Eind 2012 een subsidie is verstrekt aan de Wereldbank ten behoeve van de organisatie van de internationale conferentie rond de Global Partnership on Oceans. Omdat in de loop van 2013 is besloten om de conferentie in Den Haag plaats te laten vinden, heeft het Ministerie van EZ de organisatie op zich genomen. Het teveel betaalde voorschot aan de Wereldbank is teruggevorderd in 2014 (€ 1,8 mln).

  • Er is sprake van lagere ontvangsten op diverse posten zoals «vervallen waarborgen» van in totaal € 0,5 mln.

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken (EZ) naar:

  • Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

  • Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Rol en verantwoordelijkheid

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte

Stimuleren

  • Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, leven lang leren door om- her- en bijscholing, aanspreken van nieuwe groepen, in het bijzonder in de (rand)stedelijke omgeving.

  • Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap waardoor leerlingen na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Regisseren

  • Mede met instellingen en het bedrijfsleven zorgdragen voor het versterken van kwalificerende functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving van het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs.

Financieren

  • Financieren van op actuele beroepssituaties gerichte voorzieningen voor onderwijs aan (toekomstige) beroepsbeoefenaren in de groene sector (stelselverantwoordelijkheid). De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt.

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte, onder meer door actieve inzet van het groen onderwijs

Stimuleren

  • Stimuleren van kennisuitwisseling tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties, overheden, onderzoek en onderwijs (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector).

  • Stimuleren van kennisverspreiding en -benutting ter ondersteuning van de topsectoren Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, Agri & Food en vanwege de maatschappelijke opgaven op horizontale doorsnijdende thema’s zoals duurzaamheid en biodiversiteit.

Regisseren

  • Coördineren en in overleg met het educatieveld (doen) uitvoeren van het Kennisprogramma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO) onder de kop «Duurzaam Door, sociale innovatie voor een groene economie». Dit programma is het vervolg op het NME-programma vanaf 2013.

Kengetal

2009

2011

2013

Ambitie

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt

48%

1%

52%

50%

Bron: : The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Adequaat aanbod wordt gemeten door middel van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Resultaten worden tweejaarlijks gepubliceerd. De eerstvolgende publicatie verschijnt in het najaar van 2015.

Beleidsconclusies

Beleidsdoorlichting Groen onderwijs

In 2014 is de beleidsdoorlichting van artikel 17 «Groen onderwijs van hoge kwaliteit», met een beleidsreactie aangeboden aan de Kamer (TK, 30 991, nr. 11). De doorlichting betrof de groene onderwijsvernieuwingssubsidies die conform afspraak vanuit het Regeerakkoord vanaf 2016 vervallen.

De voornaamste beleidsconclusie is dat het Groen onderwijsbeleid het mogelijk heeft gemaakt dat er relevante extra prestaties zijn geleverd op het terrein van actueel, vooruitstrevend, internationaal en aantrekkelijk onderwijs en dat het onderwijs heeft bijgedragen aan de kennisdoorstroming richting bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Daarnaast heeft de Groene collectieve ondersteuningsstructuur (kleinschaligheid grootschalig organiseren) vooral via de Groene Kennis Corporatie (GKC) haar nut bewezen. Deze resultaten zijn van belang voor het economisch en duurzaam versterken van het innovatie- en concurrentievermogen van de topsectoren Agrofood, Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en het domein van Natuurlijke Leefomgeving.

Uitrol MeerjarenInvesteringsProgramma’s 2013–2015 (MIP)

In 2014 zijn de Groene onderwijsinstellingen aan de slag gegaan met de uitrol van de opgestelde MIP’s. Er is vanuit een nieuwe governancestructuur gewerkt aan de vereenvoudiging van de uitvoering van het Groen onderwijsbeleid. Hiermee wordt ook gehoor gegeven aan bevindingen uit de beleidsdoorlichting. Meer focus aanbrengen op de doelen, meer programmatisch gaan werken, meer aandacht voor het borgen van de effecten en het verbeteren van de samenwerkingsrelatie binnen de gouden driehoek.

Basisinfrastructuur voor onderwijsopdracht en de kennis- en innovatieopdracht

De Groene Tafel – het samenwerkingsverband van alle groene onderwijsinstellingen – heeft in 2014 een landelijke vraaggestuurde agenda voor de collectieve ontwikkelopgaven opgeleverd. Deze zal in 2015 en verder worden uitgevoerd. Hiermee bereiden de onderwijsinstellingen zich voor op het neerzetten van een basisinfrastructuur om ook na 2015 de kennis- en innovatieopdracht te kunnen invullen binnen de regio.

Groen onderwijspact

EZ heeft het Groen onderwijs, het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties uitgenodigd om samen met de overheid te komen tot een pact.

De betrokken partijen hebben met elkaar de doelen en ambities voor de komende jaren geformuleerd. Dit bouwt voort op de weg die met de uitvoering van de Human Capital Agenda (HCA) voor de topsectoren Agrofood en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en de HCA voor de sector Natuur en Leefomgeving is ingeslagen. Het opstellen van een volwaardig actieprogramma is de volgende stap.

Centervorming (platform voor samenwerking onderwijs en bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

De Centres of Expertise (CeO) in het groene HBO: Greenports, Food en Agrodier hebben een critical friend gesprek gevoerd met de Reviewcommissie. Het Centre of Expertise Open Teelten van Christerlijke Agrarische Hogeschool Vilentum is dit jaar van start gegaan.

De Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV) in het groene MBO gerelateerd aan respectievelijk de topsectoren Agrofood en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen hebben dit jaar een audit doorlopen.

Groene plus-lectoraten

In 2014 zijn de volgende zeven aanvragen voor groene-plus lectoraten goedgekeurd op de thema’s:

1. Biomimicry, 2. bijenmakelaar/-gezondheid, 3. nieuwe businessmodellen, 4. gezonde & duurzame voeding & welvaartsziekten, 5. sociale innovatie, 6. vitale agribusiness via cyclisch proces- en productiesystemen en 7. responsief onderwijs.

Internationalisering groen onderwijs

  • In opdracht van het bestuurlijk overleg Borderless Network (Groen onderwijs, EZ en HCA T&U en A&F) vond in 2014 de eerste (jaarlijkse) Werkconferentie Internationalisering plaats.

  • Daarnaast is op bestuurlijk niveau afgesproken om begin 2015 te komen tot een tripartiet gedragen agenda voor Internationalisering met focus op thema’s en of land. Dit moet leiden tot het benoemen van trekkers binnen het groen onderwijs waar bedrijfsleven bij terecht kan met hun vraag naar onderwijs internationaal.

Stelselontwikkelingen

  • Een onderzoek naar de basisbekostiging en meerjarige begrotingsperspectief Groen onderwijs is opgestart. Dit onderzoek wordt tezamen met OCW en Financiën uitgevoerd.

  • VMBO: Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) heeft in opdracht van EZ samen met docenten groen, Cito, College voor Toetsen en Examens, Aequor en bedrijfsleven een nieuw concept examenprogramma ontwikkeld met profiel groen en dertien keuzedelen voor het voorbereidend beroepsonderwijs. Tien pilotscholen zijn op 1 augustus 2014 van start gegaan met het concept examenprogramma.

  • MBO: In 2014 is de ontwikkeling van een nieuwe kwalificatiestructuur voor het MBO afgerond. KBB Aequor heeft, in nauwe samenwerking met de AOC en het bedrijfsleven, voor het groen MBO een vergaand herziene kwalificatiestructuur ontwikkeld.

  • Aequor: In 2014 zijn belangrijke stappen gezet bij de uitvoering van een Regeerakkoord maatregel uit Rutte II: de transitie van de Kenniscentra voor Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (KBB) naar de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB). Het wetsvoorstel is aangenomen in de Kamer en er wordt volop gewerkt aan de overgang van Aequor per 1 augustus 2015 voor wat betreft de wettelijke taken: het ontwikkelen van kwalificaties, het borgen van voldoende kwaliteit van leerbedrijven (certificering) en zorgen voor een voldoende aanbod van leerbedrijven. De Sectorkamer voor het Groen onderwijs is bekend (Sectorkamer Voedsel, Groen en Gastvrijheid).

  • Invoering T-onderwijs: Het wetsvoorstel tot invoering van het T-rijbewijs is eind 2014 door de Staten Generaal goedgekeurd. Het is de bedoeling dat de AOC mede de opleiding voor het T-rijbewijs zullen verzorgen, in verband met de opleiding voor beroepshandelingen met tractoren en machines in een aantal groene kwalificaties en de eisen die enige branches stellen aan het bezit van het T-rijbewijs.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

798.681

792.820

805.094

840.206

862.305

847.506

14.799

UITGAVEN

774.120

775.377

788.384

817.433

807.497

795.701

11.796

               

Bekostiging

684.453

685.539

704.293

733.507

739.107

718.296

20.811

Wageningen Universiteit

157.396

162.177

165.535

168.174

169.299

167.020

2.279

HBO-groen

64.654

67.472

78.137

79.472

84.478

79.496

4.982

MBO-groen

144.677

146.364

152.130

158.744

153.186

148.885

4.301

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA)

9.275

11.364

11.813

13.933

12.733

11.600

1.133

Wachtgelden

12.514

12.333

13.152

13.545

13.966

13.009

957

VMBO-groen

287.927

278.649

276.313

291.009

297.706

290.681

7.025

Aequor

8.010

7.180

7.213

8.630

7.739

7.605

134

               

Subsidies

84.424

83.889

79.481

82.205

66.194

74.793

– 8.599

Groene Kennis Coöperatie

4.950

5.545

5.074

5.404

3.325

4.030

– 705

School als Kenniscentrum

31.435

30.522

26.755

27.872

23.851

33.828

– 9.977

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

3.762

5.567

5.665

1.991

2.044

1.547

497

Aanvullende onderwijssubsidies

36.089

34.634

32.809

41.150

33.272

31.482

1.790

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

2.688

2.671

1.655

2.857

2.435

2.394

41

Educatie

5.500

4.950

7.523

2.931

1.267

1.512

– 245

               

Opdrachten

5.242

5.949

4.610

1.638

646

1.112

– 466

Kennisverspreidingsprojecten

5.242

5.949

4.610

1.638

646

1.112

– 466

               

Bijdragen aan agentschappen

       

1.550

1.500

50

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

       

1.550

1.500

50

               

Leningen

     

83

     

Schatkistbankieren

     

83

     
               

ONTVANGSTEN

317

368

5.154

3.910

231

75

156

Toelichting op de verplichtingen

Van de beschikbare € 50 mln voor schatkistbankieren van groene onderwijsinstellingen is € 7 mln gerealiseerd. Er werden in 2014 € 60 mln hogere verplichtingen ten behoeve van de bekostiging vastgelegd. Het betrof deels verplichtingen die in 2013 (ten behoeve van 2014) nog niet vastgelegd konden worden en verplichtingen ten behoeve van de bekostiging 2015. De bekostiging viel hoger uit als gevolg van stijging bij zowel het aantal bekostigde onderwijsdeelnemers als de vergoedingen per deelnemer. Er werden € 3 mln minder subsidies verplicht door beëindiging van de groene plus subsidies. Verplichtingen voor subsidies met uitgaven 2014 waren al grotendeels meerjarig in voorgaande jaren aangegaan. Vanwege het wegvallen van de groene plus subsidies ingaande 2016 werden er in beperktere mate nieuwe verplichtingen aangegaan.

Toelichting op de uitgaven

Bekostiging

De € 5,0 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging HBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 4,2 mln is een gevolg van aanpassing van de OCW-conforme vergoedingen per deelnemer. Hiervan kon € 0,2 mln gedekt worden uit de toegevoegde reguliere loonbijstelling. Voor het overige is gedekt uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

  • € 0,8 mln vanwege stijgende deelnemersaantallen die nog niet meerjarig in de budgetten waren verwerkt. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

De € 4,3 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging van MBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 2,1 mln is een gevolg van OCW-conforme loonbijstelling en compensatie voor de niet toegekende prijsbiistelling 2013. Voor € 0,3 mln kon dit gedekt worden uit reguliere loonbijstelling. Voor het overige is het gedekt uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

  • € 0,4 mln vanwege de OCW-volgende maatregel centrale en uniforme toetsing waarvoor via OCW middelen Regeerakkoord zijn ontvangen.

  • € 1,8 mln vanwege nog niet in de budgetten verwerkte eerder ontstane tekorten. Die middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

De € 7 mln hogere uitgavenrealisatie op de bekostiging van VMBO-groen heeft de volgende oorzaken:

  • € 3,6 mln is een gevolg van hogere te bekostigen aantallen. De middelen zijn toegevoegd uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

  • € 3,4 mln is veroorzaakt door hogere vergoedingen per deelnemer, voor € 0,5 mln kon dit gedekt worden uit reguliere loonbijstelling. Voor het overige komt de dekking uit andere begrotingsonderdelen van EZ.

Instrument

Type studenten/ getuigschriften/ promoties

Aantallen

Prijs

Bedrag

* € 1.000

Realisatie 2014

* € 1.000

Bekostiging Wageningen Universiteit (WU)

Inschrijvingen

4.847

5.330

25.835

 

Graden Bachelor

873

8.261

7.212

 
 

Graden Master

973

11.192

10.890

 
 

Promoties

229

95.561

21.883

 
 

Vaste componenten

   

103. 479

169.299

Bekostiging HBO-groen

Inschrijvingen hoog

7.442

6.541

48.678

 
 

Graden hoog

1.292

6.541

8.451

 
 

Vaste componenten

   

27.349

84.478

Bekostiging MBO-groen

Studenten beroeps-opleidende leerweg

18.637

6.219

115.904

 
 

studenten beroeps-begeleidende leerweg

10.316

3.614

37.282

153.186

Bekostiging VOA

Leerlingen niveau 1

Leerlingen niveau 2

3.314

5.657

2.283

913

7.567

5.166

12.733

Wachtgelden

Vaste component

     

13.966

Bekostiging VMBO-groen

Leerlingen VMBO/VBO

Leerlingen VMBO/LWOO

20.000

13.900

7.257

10.975

145.147

152.559

297.706

Aequor

Vaste component

     

7.739

Totaal

       

739.107

Subsidies

De € 10 mln lagere uitgavenrealisatie op School als Kenniscentrum is een gevolg van een langer dan geraamde tijd nodig voor definitie en opstart van de projecten. De uitgaven verschuiven hierdoor naar latere jaren.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

% afgestudeerden dat minimaal werkt op niveau van opleiding

76%

71%

72%

70%

nog niet bekend

85%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Gegevens over 2014 komen in augustus 2015 beschikbaar. De waarde is een gemiddelde van het cijfer voor niveau 4 van de Beroepsopleidende leerweg (BOL 4) en HBO in het groen onderwijs.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Ambitie

Kwaliteitsniveau groen onderwijs

88%

82%

83%

88%

89%

90%

Bron: Inspectie voor het onderwijs

De inspectie voor het onderwijs bepaalt periodiek op basis van meerdere gestandaardiseerde criteria welk percentage groene scholen voldoende kwaliteit heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer groene scholen voor Middelbaar Beroepsonderwijs en Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) gemiddeld genomen een voldoende scoren op kwaliteit. De opgenomen waarden zijn het gemiddelde van VMBO en MBO, in 2014 respectievelijk 86,4% en 91,6%.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Ambitie

Voortijdig schoolverlaten

4,4%

4,6%

4,3%

3,0%

2,8%

4,0%

Bron: DUO

Het betreft het percentage leerlingen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) leerjaar 3 en 4 plus MBO leerlingen dat zonder startkwalificatie (minimaal MBO-2 niveau) het onderwijs verlaat. Dit gemeten als percentage van het totaalaantal VMBO 3–4 plus MBO leerlingen.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Realisatie 2014

Ambitie

Doorstroom MBO-BOL-4 naar hoger onderwijs

46%

45%

38%

40%

nog niet bekend

50%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Het cijfer heeft betrekking op doorstroom in 2013. Gegevens over doorstroom 2014 komen in augustus 2015 beschikbaar.

Interne begrotingsreserve schatkistbankieren

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2014

83

+ Storting

 

Stand per 31/12/2014

83

18 Natuur en regio

Algemene doelstelling

Een concurrerende ruimtelijk-economische structuur, een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie.

De rijksoverheid werkt aan een versterking van de ruimtelijk-economische condities voor bedrijven. Het Rijk wil samen met bedrijfsleven, medeoverheden, kennisinstellingen en andere stakeholders sterke punten van Nederland uitbouwen gericht op een goede concurrentiepositie. Daarbij richt het beleid zich in het bijzonder op mainports, brainports en greenports en valleys. Het gaat daarbij om het gericht versterken van zowel fysieke als niet fysieke aspecten, zoals (grensoverschrijdende) samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, alsmede campussen en onderzoeksinfrastructuur. Verder wordt de regionale kant van ruimtelijke clusters verbonden aan Topsectoren en gewerkt aan wederzijdse versterking van beide.

Natuur, de biodiversiteit in het bijzonder, is essentieel voor een gezonde leefomgeving en heeft een grote economische waarde; zij levert grondstoffen, zuivert lucht en water, biedt ruimte voor recreatie/toerisme en wateropvang en is een van de aspecten van het vestigingsklimaat voor (internationale) bedrijven. Voor het behoud van de biodiversiteit zijn hiertoe door het Rijk gemaakte Europese (onder andere Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) en internationale afspraken leidend. Een duurzame verbinding tussen economie en ecologie is essentieel om het niveau van welvaart en welzijn ook in de toekomst veilig te stellen. Ook bij bedrijven groeit het besef dat een echt duurzame ontwikkeling de enige weg vooruit is. Het Kabinet heeft in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om de Nederlandse natuur verder te versterken door middel van een grotere robuuste EHS ten opzichte van de eerdere herijkte EHS, natuur meer te integreren met andere maatschappelijke belangen en meer ruimte en ondersteuning te bieden aan ondernemerschap en initiatieven van burgers en andere private partijen. Deze ambities worden uitgewerkt in een natuurvisie.

Rol en verantwoordelijkheid

Een concurrerende ruimtelijk-economische structuur

Stimuleren en financieren

  • De Minister is systeemverantwoordelijk voor een gezonde ruimtelijke economische structuur en stimuleert en financiert daarbinnen de versterking van «ports», «valleys» en clusters gerelateerd aan topsectoren. Hierbij is het van belang om agenda’s van verschillende overheden te verbinden ten einde schaalvoordelen te benutten, overheidsinspanningen te versterken en versnippering tegen te gaan.

Regisseren en financieren

  • De Minister is lidstaatverantwoordelijk en heeft een regisserende rol voor het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO). Binnen EFRO bestaan, behalve de nationale programma’s, ook vier grensoverschrijdende programma’s (INTERREG A – ETS) Dit zijn: Euregio Maas-Rijn, Duitsland-Nederland, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. De Minister stelt budget beschikbaar in het kader van de nationale cofinanciering voor de landsdelige en de grensoverschrijdende programma’s.

Een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie

Stimuleren

  • Om de wederzijdse versterking van ecologie en economie te bevorderen, stimuleert het Rijk acties en initiatieven van bedrijven en natuurorganisaties. Met behulp van een subsidieregeling worden innovaties op het gebied van groene groei gestimuleerd.

Regisseren

  • De Minister van EZ is systeemverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de nationale biodiversiteit (= inclusief Caribisch Nederland)- mede als natuurlijke hulpbron – en voor de zekerstelling van de aanwezigheid van natuur op lange termijn.

  • De Minister van EZ is tevens medeverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de internationale biodiversiteit. Op grond daarvan is de Minister verantwoordelijk voor het stellen van kaders voor de omvang en kwaliteit van natuurgebieden, voor soortenbescherming zowel op het land, in de zee, als ook overzees in Caribisch Nederland en voor Europese en internationale afspraken over de handel in en het gebruik van planten, dieren en natuurlijke grondstoffen zoals bijvoorbeeld tropisch hardhout.

(Doen) Uitvoeren

  • Onderdeel van de decentralisatieafspraken Natuur is dat provincies binnen de gestelde rijkskaders verantwoordelijk zijn voor het realiseren en beheren van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en de daarin gelegen N2000 gebieden, soortenbeleid en agrarisch natuur- en landschapsbeheer.

Prestatiemeting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2013

Realisatie

2013

Raming 2014

Realisatie 2014

Bron

Stand van duurzame condities van alle in 1982 voorkomende soorten

106

2002

105

1041

104

Nog niet bekend

Basisrapporten rode lijsten (EZ, CBS)

X Noot
1

De meest recente realisatie heeft betrekking op 2013. De realisatie voor 2014 komt in de loop van 2015 beschikbaar.

De indicator geeft via een indexcijfer het verloop aan van het aantal bedreigde soorten in ons land. Hoe hoger het getal, hoe meer soorten zijn bedreigd. De streefwaarde van 100 in 2020 betekent een verbetering ten opzichte van de periode 1994–2002 (referentiejaar 2002). De huidige indicator is nog gebaseerd op rodelijst gegevens van drie soortgroepen: broedvogels, zoogdieren en dagvlinders. Vanaf 2016 zal de lijst gebaseerd zijn op gegevens van zeven verschillende soortgroepen.

Kengetal

2009/2010

2012/2013

2013/2014

2014/2015

Ambitie 2015

Niveau Clusterontwikkeling

4,7

4,9

5,2

5,3

5

NL positie

19

15

9

7

15

Bron: The World Competitiveness report, World Economic Forum

Beleidsconclusies

1. Structuurfondsen

Samen met de landsdelige managementautoriteiten is in 2014 verder gewerkt aan de voorbereiding van de nieuwe periode voor de Europese Structuurfondsen 2014–2020. Dit betekent dat er aan vier landsdelige EFRO-programma’s en vier grensoverschrijdende INTERREG programma’s is gewerkt. De inzet van EZ hierbij is geweest om de fondsen optimaal te benutten voor de ontwikkeling van de topsectoren. Alle landsdelige programma’s zijn in 2014 door de Europese Commissie goedgekeurd. Ook de grensoverschrijdende programma’s Duitsland-Nederland en Vlaanderen-Nederland zijn goedgekeurd. Het Euregio MaasRijn programma en het Twee-Zeeën-programma zijn voorbereid maar nog niet goedgekeurd. Het Rijk stelt in totaal € 91 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de landsdelige en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s. Voor de optimale inzet van deze middelen is in 2014 gewerkt aan een lijst met EZ-prioriteiten. Tot slot is in 2014 ook de overkoepelende «Partnerschapsovereenkomst voor de inzet van de Europese Structuur -en Investeringsfondsen» goedgekeurd, waarin Nederland haar integrale visie geeft op de uitdagingen, kansen en beleidsinzet van de ESI-fondsen ten behoeve van realisatie van Europa 2020 doelen. Het gaat in Nederland om de volgende ESI-fondsen: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Europees Sociaal Fonds (ESF), Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV).

2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR)

EZ is binnen het PMR opdrachtgever voor het deelproject 750 ha Natuur, de Provincie Zuid-Holland is opdrachtnemer. Het grootste deel van de opgave (600 ha) moet gerealiseerd worden in de polder Buijtenland van Rhoon. Naar aanleiding van de motie Heerema (TK, 33 450, nr.12) heeft oud-Minister Veerman in 2014 een advies uitgebracht voor de aanpassing van de inrichtingsplannen zodat er een betere aansluiting is bij de wensen en voorstellen van de bewoners van het gebied. Tegelijkertijd is er door bewoners van het gebied een burgerinitiatief ingediend bij de Tweede Kamer dat oproept om de PKB-PMR van tafel te halen en af te zien van de plannen voor de polder. De Kamer zal zich hierover in 2015 uitspreken.

3. Natuurvisie

Rijksnatuurvisie

In april 2014 heeft het kabinet de Rijksnatuurvisie aangeboden aan de Tweede Kamer en in november aan de Eerste Kamer. De visie was onderwerp van een publieke consultatie en was onderwerp van een Algemeen Overleg in de Tweede Kamer.

Kern van de Rijksnatuurvisie is een omslag in denken en doen. Het kabinet wil een effectieve invulling geven aan de natuurdoelen die Nederland internationaal heeft afgesproken en tegelijk de maatschappelijke betekenis van natuur vergroten. Natuur en economie kunnen meer van elkaar profiteren en publieke belangen rond natuur worden beter gediend als we daar meer oog voor hebben. Dit betekent ook het mogelijk maken en bevorderen dat andere overheden, burgers en ondernemers met hun inzet voor een gezonde leefomgeving en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen de maatschappelijke waarde van natuur vergroten.

De Staatssecretaris van EZ heeft – conform de natuurvisie – toegezegd dat een maatschappelijke uitvoeringsagenda wordt opgesteld. Ook verschillende provincies hebben nieuwe natuurvisies vastgesteld. Omdat beide partijen ook in de nieuwe situatie het natuurbeleid als een gezamenlijke verantwoordelijkheid zien, hebben rijk en provincies afgesproken samen op te trekken bij de opstelling van deze maatschappelijke agenda.

Groene tafels en Green deals

Mede op initiatief van diverse stakeholders, organiseert en faciliteert EZ de zogenoemde groene tafels en green deals. Het doel is de synergie tussen natuur en andere maatschappelijke doelen zoals gezondheid, waterveiligheid en economie te duiden en te versterken en hierin gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen. Resultaten tot nu toe lopen uiteen van een eerste verkenning, het vormen van nieuwe coalities, het starten van pilotprojecten, tot het ondertekenen van een intentieverklaring. In 2014 zijn ruim tien groene tafels georganiseerd. Met diverse sectoren waaronder de gastvrijheidseconomie, de drinkwatersector, de bouw, landbouw, gezondheid en de financiële sector zijn inmiddels afspraken gemaakt. Tevens zijn er in 2014 vier nieuwe Green deals afgesloten op het gebied van biodiversiteit. Twee Green Deals liggen op het gebied van Groen ondernemerschap, namelijk «Samenwerken aan van natuurlijk en sociaal kapitaal» en «Duurzaam Toerisme». De andere twee Green Deals liggen op het gebied van groen wonen en werken, namelijk «Beter in het groen.nl» en «Groene Daken». De Rijksinzet is vooral gericht op faciliteren, stimuleren en beleidsagendering. Diverse departementen zijn betrokken.

Programma natuurlijk ondernemen

In opdracht van EZ werkt PBL aan vervolg en verdiepingsonderzoeken op eerdere TEEB-studies. De resultaten van deze onderzoeken komen in 2015 beschikbaar. De TEEB-studies zijn tevens onderdeel van de uitvoering van het advies van de Taskforce Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen. Ook door het Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie (PBEE) wordt hieraan uitvoering gegeven. Daartoe heeft PBEE een uitvoeringsagenda opgesteld, die vrijwel de gehele breedte van de onderwerpen uit de aanbevelingen van de Taskforce behelst. Inmiddels wordt door 41 bedrijven uitvoering gegeven aan de projecten die in het kader van de subsidieregeling Biodiversiteit en bedrijfsleven zijn gehonoreerd.

4. N2000/PAS

N2000 aanwijzing

In 2014 zijn 6 gebieden definitief aangewezen. Hiermee komt het totaal op 151 van de 160 aan te wijzen gebieden. Daarnaast zijn drie (mariene) in ontwerp aangewezen. In 2015 zullen deze en de resterende zes definitief aangewezen worden. In 2014 zijn geen van de 40 (EZ) beheerplannen vastgesteld of in ontwerp voorgelegd.

Programmatische Aanpak Stikstof

Eind 2014 is bestuurlijk overeenstemming bereikt tussen Rijk en provincies over de uitwerking van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het ontwerpprogramma met de onderliggende gebiedsanalyse, passende beoordeling en Plan-Mer is op 10 januari 2015 ter inzage gelegd. Ook is het ontwerpprogramma aan de Eerste- en Tweede Kamer voorgelegd. Na terinzagelegging, voorlegging en afronding van procedures volgt vaststelling en inwerkingtreding van de PAS.

5. Specifieke regio/gebiedsprojecten

Rijksinpassingsplan Hedwige

Het Natuurpakket Westerschelde omvat een pakket aan maatregelen voor natuurherstel in het Schelde-estuarium. Het rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder, waarin de bestemmingswijziging van landbouw naar natuur is vastgelegd, is onherroepelijk geworden. Tevens zijn alle uitvoeringsbesluiten onherroepelijk en is het koninklijk besluit tot onteigening van de gronden in de Hedwigepolder gepubliceerd. Daarmee is er duidelijkheid over de toekomst van dit gebied en kan het proces naar uiteindelijke realisatie van estuariene natuur in de Hedwigepolder doorgaan. Daarnaast is het rijksinpassingsplan voor de uitbreiding van het Zwin vastgesteld door de Staatssecretaris van EZ, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu. Dit plan is nog niet onherroepelijk; de zitting bij de Raad van State is in maart 2015. De realisatie van estuariene natuur in de Hedwigepolder en de uitbreiding van het Zwin leveren een bijdrage aan het bereiken van de instandhoudingsdoelen in de Natura 2000-gebieden Westerschelde & Saeftinghe en Zwin & Kievittepolder.

Trilaterale verklaring Wadden

Op 5 februari 2014 heeft de 12de Trilaterale Regeringsconferentie over de bescherming van de Waddenzee plaatsgevonden in Tønder te Denemarken. De Tweede Kamer is hierover op 4 april 2014 geïnformeerd. De komende vier jaar staat de trilaterale samenwerking onder Nederlands voorzitterschap. Er zijn afspraken gemaakt over de gezamenlijke te voeren Strategie voor Duurzaam Toerisme met 20 partijen waaronder overheden, toeristische- en natuurorganisaties; hiermee is een goed en breed fundament gelegd voor de uitwerking. Tevens werd de internationale Flyway-visie breed ondersteund. Deze visie is gericht op de goede bescherming van trekvogels (Waddenzee en West-Afrika).Verder zijn uitgangspunten vastgelegd rondom specifieke onderwerpen als duurzame visserij, de energie-ontwikkelingen en de mogelijke impact op het waddensysteem, de LNG introductie voor de kleine scheepvaart en de samenwerking op het terrein van de uitvoering van de EU-richtlijnen.

Resultaten beleidsprogramma Caribisch Nederland

In 2014 zijn 10 projecten toegekend in het kader van de bijzondere uitvoeringsregeling Caribisch Nederland. Deze regeling is bedoeld om achterstanden op het gebied van natuurbehoud- en herstel uit te voeren. Daarnaast is het voor 2014 geplande deel van het Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland 2013–2017 uitgevoerd. Er is onder meer bijgedragen aan het versterken in capaciteitsverbetering van de natuurbeheersorganisaties, verbeteren van biodiversiteitsmonitoring, het vergroten van het duurzaam gebruik van natuur als economische bron, het verbeteren van landbouw- en visserijbeleid en het voldoen aan internationale en regionale verplichtingen op het gebied van biodiversiteit.

6. Uitvoering

Convenant Staatsbosbeheer

In 2014 zijn, ter uitvoering van de afspraak uit het regeerakkoord om de positie van Staatsbosbeheer opnieuw te bezien, de uitgangspunten voor de toekomstige positie van Staatsbosbeheer naar de Kamer gezonden (TK, 29 659, nr. 122). Staatsbosbeheer blijft als zelfstandig onderdeel aan de rijksoverheid verbonden. Daarbinnen krijgt Staatsbosbeheer meer ruimte voor het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid en het generen van inkomsten uit de markt. De nieuwe positie van Staatsbosbeheer is uitgewerkt en verankerd in een convenant tussen het Ministerie van Economische Zaken en Staatsbosbeheer (TK, 29 659, nr. 123). Na het afronden van de bespreking in de Tweede Kamer over de toekomstige positie van Staatsbosbeheer, is het convenant in december 2014 door de Staatssecretaris van EZ en de directeur van Staatsbosbeheer ondertekend.

Internationale biodiversiteitsrapportages

De Nederlandse 5e biodiversiteitrapportage voor de Convention on Biological Diversity (CBD) (2014) heeft als input gediend voor de mondiale stand van zaken van biodiversiteit (Global Biodiversity Outlook 4). Deze midterm review was geagendeerd tijdens de 12e bijeenkomst van Partijen van het VN Biodiversiteitverdrag (CBD) in oktober 2014. Deze nationale rapportage, alsmede de in 2013 ingediende rapportages over de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR en HR), dienen tevens als input voor de Midterm review van de EU Biodiversiteitstrategie in 2015.

Nieuw stelsel ANLB

In 2014 is verder gewerkt aan een nieuw stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer met als doel een effectiever agrarisch natuurbeheer tegen lagere uitvoeringskosten. Dit nieuwe stelsel wordt per 1 januari 2016 ingevoerd. In 2014 hebben zich collectieven gevormd, provincies hebben in hun natuurbeheerplannen de doelen en kerngebieden benoemd en de Europese Commissie is intensief betrokken bij de inrichting van het nieuwe stelsel. De Commissie en andere EU-lidstaten kijken met grote interesse naar de weg die Nederland met het agrarisch natuur- en landschapsbeheer inslaat.

Dienst Landelijk gebied

In oktober 2013 heeft de Staatssecretaris van EZ besloten tot opsplitsing van de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Deze opsplitsing vloeit voort uit het op 20 september 2011 overeengekomen Onderhandelingsakkoord Decentralisatie Natuur. In 2014 is besloten het EZ-opdrachtenpakket 2015 voor DLG bij het agentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onder te brengen. Het opdrachtenpakket van de provincies uitgevoerd door DLG, zoals de verwerving en inrichting van het Natuurnetwerk Nederland, zal worden ondergebracht bij de verschillende provincies. Hierover zijn in het convenant over transitie van DLG tussen het Ministerie van Economische Zaken en de twaalf provincies van 11 september 2014 afspraken gemaakt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Oorspronkelijk Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

704.769

372.197

397.322

342.143

392.375

402.156

– 9.781

Waarvan garantieverplichtingen

         

50.509

– 50.509

UITGAVEN

1.028.623

1.222.652

480.042

440.797

337.416

432.349

– 94.933

               

Subsidies

153.006

144.503

97.991

108.999

75.285

75.334

– 49

Zuiderzeelijn (18.1)

1.424

8.642

6.862

7.281

5.490

5.490

 

Cofinanciering EFRO, inclusief ETS (18.1)

33.328

59.437

40.884

46.461

44.461

47.627

– 3.166

Bijdrage aan ROM’s (18.1)

7.751

8.034

5.460

3.985

5.205

5.306

– 101

Pieken in de Delta (18.1)

68.905

44.858

31.294

22.377

13.391

11.174

2.217

Regelingen Natuur w.o. regeling VNBL en Groen en Doen (18.2)

10.679

7.574

1.910

1.850

     

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals (18.2)

     

1.064

1.591

2.000

– 409

Burgereducatie (18.3)

1.948

1.872

1.876

1.782

1.160

1.150

10

Grensmaas (18.2)

     

17.200

     

Regelingen Natuur w.o. EGM/OBN, RDN, SBL en beheer Kroondomeinen (18.3)

28.971

14.086

9.705

6.999

3.987

2.587

1.400

               

Leningen

29.316

31.904

31.163

31.369

30.489

31.500

– 1.011

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB) (18.3)

29.316

31.904

31.163

31.369

30.489

31.500

– 1.011

               

Opdrachten

44.822

49.704

34.744

32.598

33.519

43.200

– 9.681

Onderzoeksmiddelen (18.1)

0

0

54

80

30

710

– 680

NURG/Maaswerken (18.2)

5.184

6.880

3.655

4.218

9.354

7.033

2.321

Mainport Rotterdam (18.2)

6.561

6.693

6.826

6.963

7.102

7.099

3

Programma Rijke Waddenzee (18.2)

 

1.124

1.287

1.215

1.627

1.000

627

Deltaprogramma (18.2)

 

661

867

349

1.424

845

579

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals (18.2)

   

1.028

2.446

3.647

6.257

– 2.610

Regiekosten regionale functie (18.2)

 

1.500

617

1.257

968

1.267

– 299

Natuurvisie (18.2)

       

450

 

450

Overig (18.2)

15.921

8.842

 

133

     

Invasieve soorten (18.3)

   

1

   

800

– 800

Kaderrichtlijn Marine Strategie/Noordzee (18.3)

 

477

346

1.081

315

987

– 672

Natura 2000 (18.3)

6.700

7.123

2.026

919

441

2.943

– 2.502

Monitoring (18.3)

 

2.269

3.571

4.189

2.469

4.334

– 1.865

Internationale biodiversiteit (18.3)

215

2.163

1.154

687

41

359

– 318

Caribisch Nederland (18.3)

 

444

495

1.113

980

349

631

Overig (18.3)

10.241

11.528

12.817

7.948

4.671

9.217

– 4.546

               

Bijdragen aan mede-overheden

597.885

793.634

123.552

74.404

33.599

153.652

– 120.053

Bedrijventerreinen (18.1)

24.331

2.784

3.709

       

Sterke regio’s (18.1)

10.000

21.810

12.719

6.200

     

Nota Ruimte (18.1)

21.625

43.887

         

Uitfinanciering Sterke Regio’s en Nota Ruimte (18.1)

       

27.849

20.005

7.844

Andere gebiedsgerichte bijdragen (18.1)

1.642

           

MER (18.2)

   

24

 

0

2.258

– 2.258

Programmatische Aanpak Stikstof (18.2)

 

1.799

5.359

8.204

5.171

29.889

– 24.718

Westerschelde (18.2)

     

60.000

     

Caribisch Nederland (18.3)

       

579

1.500

– 921

Decentralisatiemiddelen natuur (18.3)

         

100.000

– 100.000

Decentralisatie uitkering ILG (18.4)

399.080

563.124

101.741

       

Decentralisatie uitkering overig (18.4)

69.826

79.781

         

Voormalig FES-projecten ILG (18.4)

71.381

80.449

         
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

36.785

37.035

37.575

40.659

26.604

26.350

254

SBB, opdrachten beheer buiten EHS (18.3)

12.149

12.338

12.201

12.139

     

SBB, publieksvoorlichting en organisatiekosten (18.3)

24.636

24.697

25.374

28.520

     

SBB, organisatiekosten en beheer rijksmonumenten

       

26.604

26.350

254

               

Bijdragen aan (inter)nationale

organisaties

     

468

785

888

– 103

Diverse contributies (18.3)

     

468

785

888

– 103

               

Bijdragen aan agentschappen

166.809

165.872

155.017

152.300

137.135

101.425

35.710

Dienst Landelijk Gebied

106.583

105.740

91.568

93.126

75.291

56.590

18.701

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

53.941

52.199

55.804

50.736

52.719

36.980

15.739

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

6.285

7.933

7.645

8.438

9.125

7.855

1.270

               

ONTVANGSTEN

139.971

104.435

53.712

87.438

118.525

86.282

32.243

Landinrichtingsrente

40.259

40.364

40.645

38.580

51.357

42.161

9.196

Bijdragen van derden

50.328

28.307

3.149

23.355

     

EU-bijdragen

461

4

486

 

1

2.096

– 2.095

Jachtakten

1.403

893

1.420

1.322

913

1.031

– 118

Synergiegelden

16.780

17.765

         

Verkoop gronden

16.935

15.000

 

16.820

58.177

40.000

18.177

Overige

13.805

2.102

8.012

7.361

8.077

994

7.083

Toelichting op de verplichtingen

De lagere verplichtingen houden voor € 50,5 mln verband met het feit dat geen garantieverplichtingen zijn aangegaan omdat de regeling subsidies Particuliere terreinbeherende Natuurbeschermingsorganisaties (PNB-regeling) per 1 januari is ingetrokken.

Hiertegenover staan hogere verplichtingen van € 141,6 mln omdat verplichtingen aan de vier landsdelige (EFRO) en grensoverschrijdende (INTERREG) programma’s en de financiering van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen in 2014 voor de gehele periode (2014/2020) als verplichting zijn vastgelegd. Dit is contractueel vastgelegd met de betrokken partijen. Het resterende verschil hangt grotendeels samen met de lagere uitgaven van € 95 mln.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Cofinanciering EFRO, inclusief ETS (18.1)

De lagere uitgaven van € 3,2 mln houden onder meer verband met een budgetoverheveling van € 2,5 mln naar de begroting van het Ministerie van Financiën voor de opdrachtverlening aan de Audit Autoriteit EFRO in het kader van de controleactiviteiten voor de EFRO-programma’s 2007–2013. Ook heeft er voor € 0,7 mln vertraging plaatsgevonden in de uitfinanciering van subsidies over de EFRO-periode 2007–2013.

Opdrachten

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals (18.2)

De lagere uitgaven van € 2,6 mln houden onder meer verband met het beschikbaar stellen van € 1,2 mln aan het Planbureau voor de Leefomgeving voor uitwerking van de studie naar «Economie van Ecosystemen en Biodiversiteit» (TEEB). Tevens is in totaal € 1,4 mln overgeheveld naar de bijdrage aan de Dienst Landelijk Gebied en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor uitvoeringkosten van de programma’s Natuurlijk ondernemen en Natuurvisie, evaluatie van de Natuurschoonwet en implementatie van het subsidiestelsel «Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB)».

Natura 2000 (18.3)

De lagere uitgaven van € 2,5 mln houden voornamelijk verband met het feit dat € 1,1 mln van het budget was bestemd voor uitvoeringskosten door de Dienst Landelijk Gebied voor de afronding van beheersplannen en is € 1 mln overgeheveld naar de bijdrage aan de RVO voor de implementatie van het subsidiestelsel «Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB)». Daarnaast is € 0,4 mln beschikbaar gesteld voor diverse opdrachten onder meer aan de RVO voor ondersteuning ICT.

Overig (18.3)

De lagere uitgaven van € 4,5 mln hangen onder meer samen met een overheveling naar de bijdrage aan de RVO voor de implementatie van het subsidiestelsel ANLB van € 8 mln. Daarnaast is € 0,6 mln beschikbaar gesteld aan Rijkswaterstaat om verkeersknelpunten voor de otter in Friesland op te lossen. Hiertegenover staan hogere uitgaven voor de afwikkeling van klassieke landinrichtingsprojecten van € 1,9 mln en hogere opvangkosten voor In Beslag genomen Goederen (IBG) van € 0,4 mln. Tevens zijn de uitgaven onder meer voor soortenbeleid € 1,5 mln hoger uitgevallen.

Bijdrage aan mede-overheden

Uitfinanciering Sterke Regio’s en Nota Ruimte (18.1)

De hogere uitgaven van € 7,8 mln houden voor € 2,6 mln verband met de financiering 2014 en 2015 van de 2e tranche aan The Hague Institute for Global Justice als vervolg op de in 200 reeds toegezegde startsubsidie. Verder heeft er versnelling plaatsgevonden in de uitfinanciering van een aantal Sterke Regio-projecten.

MER (18.2)

Van de beschikbare middelen is € 1,4 mln overgeheveld naar de begroting van I&M. De rest is overgeheveld naar de bijdrage RVO voor de implementatie van het subsidiestelsel ANLB.

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (18.2)

De lagere uitgaven van € 24,7 mln houden verband met het volgende:

  • € 14,5 mln is verantwoord op artikel 16 voor projecten gerelateerd aan het agro-terrein zoals de investeringsregeling duurzame stallen.

  • € 6,2 mln is overgeheveld naar de begroting van het Provinciefonds in het kader van de decentralisatie.

  • € 0,65 mln is beschikbaar gesteld voor onderzoek en voor kosten van de Landsadvocaat.

  • € 0,75 mln is toegevoegd aan de bijdrage van de RVO en DLG voor uitvoeringskosten.

  • € 2,7 mln houdt verband met vertraging in de uitvoering van projecten. Deze komen in 2015 tot betaling.

Hiertegenover staan hogere uitgaven van € 0,16 mln die is ontvangen van I&M als bijdrage voor het beheer van Aerius door RIVM. Dit is het rekeninstrument van de PAS dat onder meer de vergunningverlening en ruimtelijke planvorming rond Natura 2000-gebieden ondersteunt.

Decentralisatiemiddelen natuur (18.3)

De middelen van het Natuurpact ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland (TK, 33 576, nr. 6) zijn overgeheveld naar het Provinciefonds.

Bijdragen aan agentschappen

Dienst Landelijk Gebied

De hogere bijdrage van € 18,7 mln houdt voornamelijk verband met transitiekosten in 2014 als gevolg van het besluit tot opsplitsing van de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Hiervoor is € 18,2 mln beschikbaar gesteld uit extra grondverkopen (zie ontvangsten). De resterende verhoging houdt verband met extra uitvoeringkosten op het natuurterrein, onder meer voor de Noord-Hollandse Waterlinie.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De hogere bijdrage van € 15,7 mln houdt onder meer verband met een extra bijdrage van € 10,8 mln.

Deze bijdrage is bedoeld voor zowel de uitvoeringskosten als de investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de implementatie van het nieuwe collectieve stelsel van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) per 1 januari 2016. In het kader van het Natuurpact en de implementatie van het nieuwe GLB hebben Rijk en provincies afspraken gemaakt voor dit transitietraject naar een efficiënter en effectiever stelsel voor ANLb. Verder is de bijdrage verhoogd met € 1,2 mln in verband met het feit dat de provincies een bijdrage leveren ten behoeve van de werkzaamheden die de RVO verricht met betrekking tot het Plattelands Ontwikkelingsprogramma. De resterende verhoging houdt onder meer verband met diverse uitvoeringskosten op het gebied van natuur en het in lijn brengen van de bijdrage in relatie met het opdrachtenpakket.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De hogere bijdrage houdt voornamelijk verband met werkzaamheden op het gebied van invasieve exoten. De werkzaamheden richten zich onder andere op vroegtijdige signalering, monitoring, risicocommunicatie en coördinatie van bestrijdingsacties van invasieve exoten.

Toelichting op de ontvangsten

Landinrichtingsrente

De hogere landinrichtingsrente houdt voor circa € 2 mln verband met het feit dat er in 2014 meer nieuw afgesloten ruilverkavelingsprojecten waren. Daarnaast is circa € 7 mln meer ontvangen omdat begunstigden van ruilverkavelingsprojecten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om landinrichtingsrente vervroegd af te kopen.

Verkoop gronden

In 2014 zijn meerontvangsten gerealiseerd uit de taakstelling verkoop natuurgronden. Het in 2013 niet ontvangen deel van de taakstelling (€ 18,2 mln) is in 2014 alsnog door de provincies betaald.

Overige

De hogere ontvangsten van € 7,1 mln houden onder meer verband met het volgende:

  • Afrekeningen van projecten in het kader van ruimtelijk economisch beleid. Het betreft hier extra ontvangsten vanuit het «Interregionaal programma Limburg» en de afrekening Toppers/bedrijventerreinen (€ 3,9 mln).

  • Verkoopopbrengsten in het kader van verrekeningen voortvloeiende uit de in 2001 tussen partijen aangegane Deelafspraak Grondverwerving De Maaswerken (project Zandmaas 1) (€ 1,5 mln).

  • Ontvangsten van de provincies ten behoeve van de werkzaamheden die de RVO verricht met betrekking tot het Plattelands Ontwikkelingsprogramma (€ 1,2 mln).

  • De afwikkeling van klassieke landinrichtingsprojecten (€ 0,3 mln).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2014

Bron

% stikstofgevoelige N2000 gebieden waar PAS ontwikkelingsruimte creëert

0

2012

0

Aerius (PBL)

In 2014 zijn vanwege de directe afhankelijkheid met de ontwikkeling van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) geen beheerplannen vastgesteld. De PAS treedt naar verwachting in de loop van 2015 in werking waardoor de meeste beheerplannen kunnen worden vastgesteld.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie t/m 2014

Bron

Aantal definitief aangewezen Natura 2000 gebieden

34

2010

154

151

EZ

Aantal definitief vastgestelde EZ- beheerplannen

0

2010

40

2

EZ

De indicator «aantal definitief vastgestelde EZ-beheerplannen» valt lager uit in vergelijking tot vorig jaar (realisatie: 6) vanwege het feit dat bij de berekening van deze indicator in het jaarverslag 2013 ook de provinciale plannen zijn meegenomen. Wanneer de provinciale plannen meegenomen zouden worden, komt de indicator uit op 12 in plaats van 2.

1.3.3 De niet-beleidsartikelen

40 Apparaat

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken.

Budgettaire gevolgen: verplichtingen, uitgaven en ontvangsten

Bedragen x € 1.000

40 Apparaat

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde Begroting 2014

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

484.442

443.891

485.269

406.130

390.795

368.972

21.823

UITGAVEN

484.442

450.891

485.050

410.616

390.795

367.581

23.214

               

Personele uitgaven kerndepartement

244.876

231.030

267.280

213.356

192.843

202.782

– 9.939

Waarvan eigen personeel

217.902

207.200

226.785

185.738

166.932

158.022

8.910

Waarvan externe inhuur

23.803

16.152

6.663

4.434

4.906

5.800

– 894

Waarvan overige personele uitgaven

3.171

7.678

33.832

23.184

21.005

38.960

– 17.955

               

Materiële uitgaven kerndepartement

157.385

145.283

147.459

121.495

108.070

102.055

6.015

Waarvan ICT

26.252

30.123

7.685

14.404

4.874

6.580

– 1.706

Waarvan bijdrage aan SSO’s (exclusief DICTU)

49.574

57.240

41.957

34.927

47.147

31.654

15.493

Waarvan SSO DICTU

32.877

47.151

29.612

43.812

42.046

22.052

19.994

Waarvan overige materiele uitgaven

48.682

10.769

68.205

28.352

14.003

41.769

– 27.766

               

Personele uitgaven buitendiensten

57.566

51.454

51.295

57.513

60.585

41.889

18.696

Waarvan eigen personeel

52.831

49.028

48.583

52.414

58.465

39.199

19.266

Waarvan externe inhuur

2.426

2.426

2.712

2.112

2.098

2.690

– 592

Waarvan overige personele uitgaven

2.309

0

0

2.987

22

0

22

               

Materiële uitgaven buitendiensten

24.615

23.124

19.016

18.252

29.297

20.855

8.442

Waarvan ICT

3.400

3.400

3.434

3.979

4.804

3.315

1.489

Waarvan bijdrage aan SSO’s

3.900

3.900

3.891

2.019

4.936

4.147

789

Waarvan overige materiële uitgaven

17.315

15.824

11.691

12.254

19.557

13.393

6.164

               

ONTVANGSTEN

27.724

16.862

22.016

25.776

31.607

14.943

16.664

Toelichting op de verplichtingen en uitgaven

Personeel kerndepartement

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie wordt met name veroorzaakt door de vertraagde uitvoering van de maatregelen in het kader van de sociaal flankerend beleid (– € 9 mln) en versnelde afname van oude wachtgeldverplichtingen (– € 1 mln).

Materieel kerndepartement

Op dit onderdeel zijn zowel de materiële uitgaven voor het kerndepartement als de bijdrage van artikel 40 aan het uitvoerende agentschap DICTU opgenomen. Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie wordt met name veroorzaakt door de bijdrage voor de omschakeling naar Windows 7 en Office 2010 (totaal € 5,3 mln).

Op dit onderdeel is eveneens de egalisatieschuld huren van € 16 mln overgeheveld aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Deze betaling vloeit voort uit de overgang naar het nieuwe huisvestingsstelsel per 1-1-2016. Alle openstaande vorderingen van het oude stelsel dienen voor de ingang van het nieuwe stelsel geëgaliseerd te zijn. Budgettaire dekking voor de egalisatieschuld is bij Najaarsnota 2014 geregeld. Daarnaast heeft bij Voorjaarsnota 2014 een interne schuif van € 9 mln plaatsgevonden van ICT uitvoeringsbudget van overige materiële uitgaven naar het SSO DICTU.

Personeel buitendiensten

De uitgaven en verplichtingen zijn € 12 mln hoger uitgevallen als gevolg van een bij Voorjaarsnota 2014 doorgevoerde desaldering voor de uitgaven van de voormalige «ZBO OPTA» in het budget van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Dit onderdeel wordt grotendeels vanuit de markt gefinancierd.

Materieel buitendiensten

De uitgaven en verplichtingen zijn € 3 mln hoger uitgevallen als gevolg van een bij Voorjaarsnota 2014 doorgevoerde desaldering voor de uitgaven van de voormalige «ZBO OPTA» in het budget van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Dit onderdeel wordt grotendeels vanuit de markt gefinancierd. Daarnaast is op dit onderdeel een schikking van € 5,3 mln met Liander uitbetaald. Deze schikking is het gevolg van een uitspraak van de rechter over aanpassing van lantarenpalen als gevolg van een geval van elektrocutie.

Toelichting op de ontvangsten

De hogere ontvangsten (€ 16 mln) houden verband met de overgang van het ZBO OPTA naar Autoriteit Consument en Markt (ACM). Dit onderdeel wordt grotendeels vanuit de markt gefinancierd.

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten van EZ-organisatie

Bedragen x € 1.000
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Oorspronkelijk vastgestelde Begroting 2014

Verschil

Totaal apparaat EZ

             
               

1. Departement

             

Kerndepartement (beleid + staf)

402.261

372.279

412.217

332.696

301.725

304.246

– 2.521

Buitendiensten:

             

Centraal Planbureau (CPB)

14.931

13.963

13.751

13.559

14.852

12.799

2.053

Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)

49.725

48.605

44.365

       

Consumentenautoriteit (CA)

6.708

6.025

5.101

       

Autoriteit Consument en Markten (ACM)

     

55.295

67.879

44.467

23.412

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

6.082

5.985

7.094

6.911

7.074

5.478

1.596

PIANOo (exclusief Programma)

4.735

4.034

2.522

2.155

2.329

591

1.738

               

2. Agentschappen

             

Agentschap Telecom

28.377

28.439

28.480

30.223

30.465

31.140

– 675

Dienst Landelijk Gebied

127.239

116.428

102.206

95.821

83.226

81.040

2.186

Dienst ICT Uitvoering

113.790

110.104

121.289

147.173

188.891

147.684

41.207

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

279.643

270.500

253.696

265.192

303.408

221.545

81.863

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

435.496

406.094

382.519

375.314

395.615

359.330

36.285

               

3. ZBO’s en RWT’s

             

Centraal Bureau voor de Statistiek

194.743

185.578

184.653

183.930

175.202

174.458

744

Stichting COVA

1.518

2.136

1.256

1.203

1.2031

1.333

– 130

VSL inclusief Verispect

12.122

13.710

13.713

13.395

13.3951

 

Raad voor Accreditatie

9.923

10.080

11.196

11.779

12.233

11.883

350

Raad van Bestuur ACM

594

970

505

669

695

444

251

TNO

546.699

567.466

580.096

566.240

566.2401

463.1532

103.087

Staatsbosbeheer

67.350

66.733

63.766

60.733

59.551

59.821

– 270

Raad voor Plantenrassen

900

1.056

918

894

679

942

– 263

Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

9.004

8.708

9.749

12.920

12.508

12.496

12

Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek

242.342

245.878

236.600

235.700

238.0791

234.100

3.979

Kamer van Koophandel

     

207.131

207.1311

210.543

– 3.412

X Noot
1

Aangezien er op het moment van vaststellen van dit jaarverslag nog geen definitieve cijfers beschikbaar zijn is onder realisatie 2014 het gerealiseerde bedrag van 2013 opgenomen.

X Noot
2

In de uitgaven TNO worden, in tegenstelling tot vorige jaren, de commerciële activiteiten niet meegenomen.

41 Nominaal en Onvoorzien

Dit niet-beleidsartikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Budgettaire gevolgen

Bedragen x € 1.000

41 Nominaal en Onvoorzien

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde Begroting 2014

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

 

2014

VERPLICHTINGEN

0

0

0

0

0

250

– 250

UITGAVEN

0

0

0

0

0

250

– 250

               

41.10 Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

41.20 Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

41.30 Onvoorzien

0

0

0

0

0

250

– 250

41.40 In te vullen posten

0

0

0

0

0

0

0

Op dit artikel is geen sprake van realisatie. Bij 1e suppletoire begroting 2014 is een technische loonbijstelling voor de wijziging in de sociale lasten toegekend. Deze technische loonbijstelling is bij nota van wijziging toegedeeld naar de relevante onderdelen.

1.3.4 De Bedrijfsvoeringsparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf (BVP) wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en van het Diergezondheidsfonds (DGF). De BVP heeft conform de Comptabiliteitswet 2001 het karakter van een uitzonderingsrapportage. De informatie opgenomen in de BVP is tot stand gekomen vanuit het departementale management controlsysteem en informatie uit audits van de Auditdienst Rijk (ADR). De bedrijfsvoeringsparagraaf bestaat uit vier verplichte onderdelen: rechtmatigheid, totstandkoming beleidsinformatie, financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

I Rechtmatigheid

Vanuit de mij bekende informatie zijn fouten en onzekerheden met betrekking tot de comptabele rechtmatigheid of getrouwheid geconstateerd die de tolerantiegrenzen op het niveau van het begrotingsartikel 18 (Natuur en Regio) en van het totaal van de agentschappen overschrijden.

Overschrijding artikeltolerantie

Op artikel 18 (Natuur en Regio) bestaat er een onzekerheid in de uitgaven van € 121,6 mln. Een groot deel daarvan (€ 113 mln) heeft te maken met de eindafrekening ILG die in 2014 heeft plaatsgevonden over de jaren 2007–2010. Los van de afrekening ILG (periode 2007–2010) zou er geen sprake zijn van overschrijding van de tolerantiegrens. Daarnaast is voor de eindafrekening van één subsidie van € 5 mln onvoldoende zekerheid dat de subsidieaanvrager aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. Dit is een incidenteel geval.

Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)

In 2014 heeft EZ de voorschotten afgerekend die in de periode 2007 tot en met 2010 aan de provincies zijn verstrekt in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). De uiteindelijke uitkering aan de provincies bedraagt € 1,789 mld, het in het Bestuursakkoord Natuur 12overeengekomen bedrag. De juridische basis voor deze uitkering vormt de Wet van 25 november 2013, houdende wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied (decentralisatie investeringsbudget) (Stb. 2013, 513). Voor de afrekening heeft EZ conform de bij de aanvang van ILG in 2007 gemaakte afspraken, de rechtmatigheid van de bestedingen, de door de provincies gerapporteerde ILG prestaties en het marktconform handelen van de provincies beoordeeld (TK, 30 825, nr. 188). De daarop gebaseerde conclusie is dat de door de provincies gerapporteerde bestedingen rechtmatig zijn aangewend voor de realisatie van de doelen van het ILG. Met de brief van 16 december 2014

(TK, 30 825, nr 213) is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Een indertijd tussen het Rijk en de provincies gemaakte afspraak was dat de reguliere accountantscontrole van de provinciale jaarrekening ook voor het ILG toereikend was. De Algemene Rekenkamer heeft in haar rapportages bij de jaarverslagen van EZ aangegeven dat deze afspraak beperkingen kent voor wat betreft de zekerheid dat de provincies de rijksbijdrage inderdaad hebben besteed aan de ILG doelen, met name omdat geen review van de werkzaamheden van de provinciale accountants is afgesproken. EZ heeft daarom aanvullend onderzoek gedaan. De ADR heeft op verzoek van EZ een controle uitgevoerd naar de ILG uitgaven en ontvangsten die in opdracht van de provincies door voormalig Dienst Regelingen en Dienst Landelijk Gebied zijn verricht (totaalbedrag € 1,676 mld). Hiervan heeft de ADR vastgesteld dat deze zijn gedaan voor ILG doelen. Verder heeft EZ uit rapportages van het Comité van Toezicht ILG en de provinciale jaarverslagen afgeleid dat het aannemelijk is dat een bedrag van € 93 mln aan ILG doelen is besteed. Voor een bedrag van € 20 mln, ten slotte, kan dit niet aannemelijk worden gemaakt (uit efficiencyoverwegingen is dit niet nader onderzocht).

Geconcludeerd kan worden dat de eindafrekening op goede gronden heeft plaatsgevonden.

Overschrijding toleranties agentschappen

Op het totaal van uitgaven van de agentschappen bestaat een fout in de uitgaven van €18,8 mln. Dit is een overschrijding van 25,3% van de toegestane tolerantie (€ 15 mln). Daarnaast is er een onzekerheid van € 42,9 mln. Dit is een overschrijding van 37,5% van de toegestane tolerantie (€ 31,2 mln). Deze fouten en onzekerheden hebben vooral betrekking op inkopen bij met name RVO en NVWA, die deze hebben toegelicht in hun bedrijfsvoeringsparagraaf.

II Totstandkoming van beleidsinformatie

Vanuit de mij bekende informatie zijn er geen belangrijke tekortkomingen in de totstandkoming van beleidsinformatie.

III Financieel en materieel beheer

Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer (AR)

In 2014 is voortvarend gewerkt aan de in het AR-rapport bij de verantwoording 2013 gerapporteerde onvolkomenheden en aandachtspunten en zijn adequate maatregelen doorgevoerd. Het betreft de volgende 5 onvolkomenheden:

  • het beheer van vertrouwensfuncties,

  • het inkoopbeheer bij het kerndepartement,

  • het inkoopbeheer bij RVO,

  • het toezicht op de naleving subsidievoorwaarden duurzame energie bij covergisters en

  • de tijdige, juiste en volledige oplevering van de jaarrekening door DICTU.

De AR zal hierover in haar rapport bij de verantwoording van EZ over 2014 rapporteren.

RVO

De ADR heeft een controleverklaring met beperking bij de jaarrekening RVO 2014 afgegeven. Er zijn fouten en onzekerheden vastgesteld in de omzet, inkopen en de onderbouwing van balansposten. 2014 was voor RVO het eerste fusiejaar waarin onder andere nieuwe systemen en werkwijzen geïmplementeerd zijn.

Nationale verklaring (NV)

Met de NV verklaart de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer en de Europese Commissie of het financieel beheer van Europese geldstromen binnen Nederland op orde is. Op 24 februari 2015 heeft de Staatssecretaris van EZ de deelverklaringen voor de gezamenlijke Europese Landbouwfondsen, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Visserijfonds (EVF) over voorgaande jaren afgegeven. Voor de deelverklaring GLB en EFRO is de toegestane foutfractie (2%) niet overschreden. In de deelverklaring EVF is opgenomen dat de controles op subsidiedeclaraties onvoldoende hebben gefunctioneerd, dat de toegestane foutfractie (2%) is overschreden (fout 10,40%) en er sprake is van een onzekerheid (€ 5,7 mln). Deze fouten hebben betrekking op 2013. Er zijn al verbeteringen in gang gezet voor de uitvoering in 2014, zoals doorlichting van alle projectdossiers en intensivering van audits door de interne Auditdienst. Deze acties moeten ervoor zorgen dat de fout in de financiële eindverantwoording in 2016 over de gehele periode 2007–2013 kleiner zal zijn dan 2%.

Beheersing frauderisico’s

Uit de in 2014 geactualiseerde risicoanalyses is gebleken dat voor alle subsidieregelingen opgenomen in de Regeling nationale EZ subsidies het (rest)risico van misbruik- of oneigenlijk gebruik door begunstigden als laag/aanvaardbaar kan worden gekwalificeerd.

RVO is de uitvoerder van subsidieregelingen voor bedrijven. In 2014 heeft RVO een plan van aanpak met betrekking tot de anti-fraudestrategie voor subsidies opgesteld en is met de implementatie hiervan gestart. Dit plan heeft betrekking op uniformering van beleid en governance, frauderegister, juridisch kader en centralisatie van taken en kennis. Dit plan geeft invulling aan de toezegging van EZ in het kader van de Ministeriële Commissie Fraudebestrijding om extra aandacht te besteden aan het voorkomen van subsidiefraude.

Het integriteitsbeleid van EZ voorziet voor eigen personeel in gedragscode integriteit en handreikingen voor het omgaan met financiële belangen en het melden van vermoedens van fraude bij het OM.

Informatiebeveiliging

EZ heeft, conform de richtlijnen van BZK, een «in control» verklaring afgegeven over informatiebeveiliging in 2014. De tien meest kritische informatiesystemen zijn beoordeeld op vijf aspecten (toegangsbeheer, logging, beveiliging koppelvlakken, patchmanagement en de Plan, Do, Check, Act-cyclus). EZ heeft acht afwijkingen (hoofdzakelijk met betrekking tot toegangsbeheer en logging) van de Baseline Informatiebeveiliging Rijk geconstateerd en geaccepteerd, inclusief de verbeterplannen die hiervoor zijn opgesteld.

IV Overige aspecten in de bedrijfsvoering

Audit Committee

Het Audit Committee (AC) is voor het departementaal management een belangrijk instrument voor advisering over de bedrijfsvoering waaronder het auditbeleid. Het AC bestaat uit de voorzitter (de SG), de Hoofd Directeur Interne Organisatie en Uitvoering, twee DG’s, de directeur FEZ, de directeur ADR en twee externe leden. In 2014 is onder andere gesproken over het auditplan van de ADR, de aandachtspunten in het financieel en materieel beheer en de voortgang in het beheer van risico’s in de EU-conformiteit van beleid en uitvoering (waaronder de Nationale Verklaring).

Grote ICT projecten

Sinds enkele jaren informeert het Ministerie van BZK de Tweede Kamer over departementale grote ICT-projecten. Dit zijn ICT-projecten waarvan de kosten tenminste € 5 mln bedragen en die als risicovol beoordeeld worden. In 2014 is binnen EZ gewerkt aan twee grote ICT-projecten. Het betreft de projecten AERIUS-II (Programmatische Aanpak Stikstof) en het programma «Blik op NVWA 2017» (onderdeel van het verbeterplan NVWA).

C. JAARREKENING

1.4.1 Departementale verantwoordingsstaat

Departementale verantwoordingsstaat 2014 van het Ministerie van Economische Zaken (XIII)

Bedragen x € 1.000
   

(1)

(2)

(3) = (2) – (1)

   

Oorspronkelijke vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

   

Verplich-tingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplich-tingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplich-tingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

Totaal

 

5.032.290

12.733.810

 

4.935.650

11.485.657

 

– 96.640

– 1.248.153

                     
 

Beleidsartikelen

 

4.664.459

12.718.867

 

4.544.855

11.454.050

 

– 119.604

– 1.264.817

11

Goed functionerende economie en markten

196.702

197.794

52.265

195.559

197.270

58.853

– 1.143

– 524

6.588

12

Een sterk innovatievermogen

589.198

814.790

49.968

656.850

695.721

61.491

67.652

– 119.069

11.523

13

Een excellent ondernemingsklimaat

2.377.631

319.466

72.087

757.490

404.941

55.967

– 1.620.141

85.475

– 16.120

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

3.899.850

1.538.633

12.165.411

2.646.202

1.441.886

10.801.567

– 1.253.648

– 96.747

– 1.363.844

16

Concurrerende, duurzame, veilige

agro-, visserij- en voedselketens

659.135

565.726

292.779

729.130

660.124

357.416

69.995

94.398

64.637

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

847.506

795.701

75

862.305

807.497

231

14.799

11.796

156

18

Natuur en Regio

402.156

432.349

86.282

392.375

337.416

118.525

– 9.781

– 94.933

32.243

                     
 

Niet-beleidsartikelen

 

367.831

14.943

 

390.795

31.607

 

22.964

16.664

40

Apparaat

368.972

367.581

14.943

390.795

390.795

31.607

21.823

23.214

16.664

41

Nominaal en Onvoorzien

250

250

       

– 250

– 250

0

1.4.2 Samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

Bijdragen x € 1.000

Omschrijving

(1) Oorspronkelijk vastgestelde begroting

(2)

Realisatie

(3)=(2)-(1)

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2013

Agentschap Telecom

       

Totale baten

31.303

32.526

1.223

33.101

Totale lasten

32.944

31.445

– 1.499

32.298

Saldo van baten en lasten

– 1.641

1.081

2.722

803

       

Totale kapitaalontvangsten

2.125

0

– 2.125

 

Totale kapitaaluitgaven

3.896

2.312

– 1.584

1.492

         

Dienst ICT Uitvoering

       

Totale baten

162.644

199.454

36.810

164.561

Totale lasten

162.644

200.446

37.802

164.001

Saldo van baten en lasten

0

– 992

– 992

560

         

Totale kapitaalontvangsten

10.387

9.000

– 1.387

 

Totale kapitaaluitgaven

20.774

25.562

4.788

17.951

         

Dienst Landelijk Gebied

       

Totale baten

82.414

91.597

9.183

103.287

Totale lasten

82.414

96.258

13.844

102.811

Saldo van baten en lasten

0

– 4.661

– 4.661

476

         

Totale kapitaalontvangsten

2.100

18.577

16.477

15.234

Totale kapitaaluitgaven

3.003

2.547

– 456

2.803

         

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

       

Totale baten

233.690

306.756

73.066

278.092

Totale lasten

233.690

314.338

80.648

277.427

Saldo van baten en lasten

0

– 7.582

– 7.582

665

         

Totale kapitaalontvangsten

16.054

12.316

– 3.738

32.465

Totale kapitaaluitgaven

26.794

21.071

– 5.723

20.946

         

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

       

Totale baten

375.985

411.191

35.206

 

Totale lasten

375.985

407.149

31.164

 

Saldo van baten en lasten

0

4.042

4.042

 
         

Totale kapitaalontvangsten

0

382

382

 

Totale kapitaaluitgaven

17.366

21.866

4.500

 

1.4.3 Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

Aansluiting realisatie agentschappen met financiering door moederdepartement

Door een vergelijking van de «bijdrage moederdepartement (EZ)» uit tabel A met de bijdragen die vermeld zijn in de tabel B is de aansluiting te maken tussen de realisaties in de agentschapsparagraaf en de bijdragen die op de beleidsartikelen zijn gerealiseerd.

A – Realisatie agentschappen 2014

Bedragen x € 1.000

Bijdrage moeder-

departement (EZ)

Bijdrage overige

departe-menten

Bijdrage

derden

Overige

baten

Totale

baten

Agentschap Telecom

11.217

8

20.800

501

32.526

Dienst ICT Uitvoering

180.997

16.569

1.854

34

199.454

Dienst Landelijk Gebied

55.762

6.421

12.753

16.661

91.597

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

119.113

77.481

93.863

16.299

306.756

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

303.448

83.206

15.639

8.898

411.191

Totaal

670.537

183.685

144.909

42.393

1.041.524

B – Bijdragen aan agentschappen per beleidsartikel (realisatie 2014)

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Agentschap Telecom

10.979

art. 11 Goed functionerende economie en markten

10.735

art. 12 Een sterk innovatievermogen

244

Dienst ICT Uitvoering

180.997

art. 11 Goed functionerende economie en markten

4.989

art. 13 Een excellent ondernemingsklimaat

22

art. 40 Apparaat

42.046

Bijdrage agentschappen en diensten

133.940

Dienst Landelijk Gebied

75.513

art. 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

222

art. 18 Natuur en Regio

75.291

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

136.723

art. 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

692

art. 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

130.740

art. 18 Natuur en Regio

9.125

BTW-compensatie

– 3.834

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

328.535

art. 11 Goed functionerende economie en markten

351

art. 12 Een sterk innovatievermogen

65.462

art. 13 Een excellent ondernemingsklimaat

25.906

art. 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

41.949

art. 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

138.948

art. 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

1.550

art. 18 Natuur en Regio

52.719

Art. 40 Apparaat

1.650

Subtotaal

732.747

Af: doorbelasting door agentschappen aan DICTU

– 133.940

Totale bijdrage EZ-begroting

598.807

Opmerkingen bij verschillen tussen realisatiestanden in tabel A en tabel B

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

De hogere bijdrage moederdepartement in tabel B van € 19,5 mln ten opzichte van tabel A houdt grotendeels verband met een bijdrage voor onder meer transitiekosten ter verbetering van de financiële positie van DLG. Deze bijdrage is door DLG in de agentschapsparagraaf op de balans geplaatst.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De hogere bijdrage moederdepartement in tabel B van € 17,6 mln houdt onder meer verband met het feit dat € 12 mln op de balans is verantwoord als bijzondere baten. Verder is in tabel B een bedrag van € 6,4 mln opgenomen in het kader van het Plan van Aanpak dat is doorgeschoven naar 2015.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

De hogere bijdrage moederdepartement in tabel B van € 25 mln ten opzichte van tabel A wordt grotendeels veroorzaakt door een aantal verschuivingen van 2014 naar 2015 op het Agro-domein (circa € 12 mln voor met name het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouw Beleid en het nieuwe Mestbeleid) en op het Natuur-domein (circa € 4,2 mln). Daar betreft het vooral de BGT (Beheer Grootschalige Topografie), meerjarige financiering SNL, Natura 2000 en Maritiem BES.

Agentschap Telecom (AT)

Staat van baten en lasten

Bedragen x € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2013

Baten

       

Omzet moederdepartement

11.727

11.217

– 510

11.622

Omzet overige departementen

14

8

– 6

42

Omzet derden

19.446

20.800

1.354

20.971

Rentebaten

16

33

17

56

Vrijval voorzieningen

0

0

0

 

Bijzondere baten

100

468

368

410

Totaal baten

31.303

32.526

1.223

33.101

         

Lasten

       

Apparaatskosten

31.140

30.465

– 675

 

– Personele kosten

17.768

20.129

2.361

19.392

Waarvan eigen personeel

16.815

19.561

2.746

18.445

Waarvan externe inhuur

953

568

– 385

947

Waarvan overige personele kosten

       

– Materiële kosten

13.372

10.336

– 3.036

10.831

Waarvan apparaat ICT

       

Waarvan bijdrage aan SSO’s

5.171

4.972

– 199

4.970

Waarvan overige materiële kosten

 

5.364

   

Afschrijvingskosten

1.679

1.612

– 67

 

– Immaterieel

150

149

– 1

150

– Materieel

1.529

1.463

– 66

1.589

Overige lasten

125

300

175

 

– Dotaties voorzieningen

75

268

193

291

– Rentelasten

50

32

– 18

45

– Bijzondere lasten

0

0

0

 

Correctie kosten Gamma

0

– 932

– 932

0

Totaal lasten

32.944

31.445

– 1.499

32.298

         

Saldo van baten en lasten

– 1.641

1.081

2.722

803

Toelichting op de baten

Omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000
 

Oorspronkelijk vastgestelde begroting 2014

Realisatie 2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Offerte structureel SG

5.376

5.473

97

5.895

Offerte structureel DGETM

5.010

4.947

– 63

4.956

Offerte structureel DGB&I

141

139

– 2

125

Projecten opdrachtgevers

1.200

658

– 542

647

Totaal

11.727

11.217

– 510

11.622

De omzet moederdepartement bestaat uit de vergoedingen die worden ontvangen van EZ voor de uitvoering van opdrachten. De lagere omzet wordt veroorzaakt doordat de projecten van opdrachtgevers in omvang afnemen. De realisatie is, conform afspraak om binnen een bandbreedte van 5% niet te verrekenen, gelijkgesteld aan de hoogte van de goedgekeurde offerte. De werkelijke kosten liggen op 104% (€ 5.669k).

Omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000
 

Oorspronkelijke vastgestelde begroting

2014

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Ministerie van I&M – kennisplatform EMV&G

14

8

– 6

10

I&M: Onderzoek upgrade GSM-Railway

0

   

4

RIVM: Exposure metingen/E-monument

0

   

15

Ministerie van V&J – onderzoek NCV

0

   

12

         

Totaal omzet overige departementen

14

8

– 6

42

Omzet derden

Bedragen x € 1.000
 

Oorspronkelijke vastgestelde begroting

2014

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Vergunninghouders en overige:

     

16.823

– Vaste verbindingen

3.340

4.571

1.231

3.020

– Mobiele communicatie

4.718

4.497

– 221

4.548

– Mobiele openbare netwerken

1.929

1.906

– 23

2.132

– Radiodeterminatie

60

61

1

57

– Radiozendamateurs

5

7

2

8

– Omroep

5.189

5.369

180

5.228

– Overige/verlengingen

37

0

– 37

34

– Examens

134

133

– 1

137

– Verklaringen, keuringen en erkenningen

4

4

0

4

– Randapparatuur

1.489

1.510

21

1.655

Satellietoperators

496

196

– 300

979

BZK (C2000)

46

46

0

46

Defensie

1.284

1.284

0

1.284

Korps Landelijke Politiediensten

139

139

0

139

Caribisch Nederland

576

1.077

501

1.666

         

Verenigd Koninkrijk / OFCOM

0

0

0

34

Totaal

19.446

20.800

1.354

20.971

De gerealiseerde omzet derden komt ten opzichte van de vastgestelde begroting hoger uit. Dit wordt vooral veroorzaakt door de point-point straalverbindingen in de categorie vaste verbindingen. Als gevolg van de 4G veiling heeft de markt in 2014 sterk geïnvesteerd in het upgraden van netwerken. Voor Agentschap Telecom heeft dit geleidt tot een toename van de omzet, maar ook tot druk op de realisatie van de doorlooptijden op de vergunningen (89% binnen 8 weken).

Voor de categorie satellietoperators geldt dat vanaf 2014 de baten en de lasten van de ITU filings geen onderdeel meer zijn van de resultatenrekening van Agentschap Telecom. Hiertoe is besloten omdat de kosten van de ITU filings één op één doorberekend worden aan de satellietoperators. In de begroting 2014 was hier nog geen rekening mee gehouden. De resterende realisatie satellietoperators betreft de ureninzet van medewerkers van het agentschap voor deze categorie.

Bijzondere baten

De realisatie in 2014 bestaat uit opbrengsten voor de verkoop van dienstauto’s en uit opbrengsten van detachering van 2 medewerkers.

Toelichting op de lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele kosten zijn in totaal € 2,4 mln hoger ten opzichte van de vastgestelde begroting. Dat verschil wordt ten eerste verklaard doordat de reis- en verblijfkosten (€ 1,4 mln) in het kader van de werkkostenregeling zijn verplaatst van materiële naar personele kosten.

Verder is Agentschap Telecom erin geslaagd om de trend van onderbezetting op personeel te doorbreken. Dit in tegenstelling tot de prognoses zoals opgenomen in de vastgestelde begroting, waarbij nog werd uitgegaan van een substantiële vacatureruimte. Ten opzichte van de vastgestelde formatie van het agentschap is de realisatie 104%, waarbij geldt dat de overbezetting vooral wordt veroorzaakt door inhuur voor de uitvoering van het project GAMMA.

Minder positief is de onder-uitputting op het beschikbare opleidingsbudget (73%).

Materiële kosten

De materiële kosten zijn in totaal € 3,0 mln lager ten opzichte van de vastgestelde begroting. Dat verschil wordt ten eerste verklaard doordat de reis- en verblijfkosten (€ 1,4 mln) in het kader van de werkkostenregeling zijn verplaatst van materiële naar personele kosten. Verder is de vertraging van het project GAMMA en de herziene werkwijze op de financiering van aanschaf van het zaaksysteem van directe invloed op de realisatie (€ 1,7 mln)

In de begroting voor bijdrage SSO’s was nog rekening gehouden met een bijdrage voor de huisvesting Amersfoort ad € 1,2 mln. Die (her)huisvesting is niet doorgegaan. De begroting exclusief huisvesting was circa € 4,0 mln. De realisatie is € 1,0 mln hoger. Dit wordt vooral veroorzaakt door de overschrijding van het budget voor ICT dienstverlening.

Overige lasten

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting hoger. Dit wordt veroorzaakt door een dotatie op dubieuze debiteuren van € 185k als gevolg van noodzakelijke afboeking van enkele oninbare vorderingen en een dotatie op de voorziening ambtsjubilea ad € 75k als gevolg van aanscherping van de berekeningsmethodiek en bijstelling van de percentages voor de werkgeverslasten en voor de berekening van de contante waarde.

Correctie kosten GAMMA

Volgens afspraak zijn de in 2014 gemaakte ontwikkelkosten GAMMA ad € 0,9 mln in mindering gebracht op de kosten en rechtstreeks ten laste gebracht van de post Te verrekenen met vergunninghouders. Hierdoor wordt het resultaat € 0,9 mln hoger.

Saldo van baten en lasten

Het saldo baten en lasten is ten opzichte van de vastgestelde begroting hoger. Dit is in voorgaande teksten toegelicht.

Balans per 31 december 2014

Bedragen x € 1.000
 

Balans 2014

Balans 2013

Activa

   

Immateriële vaste activa

186

299

Materiële vaste activa

   

– grond en gebouwen

   

– installaties en inventarissen

559

886

– overige materiële vaste activa

4.947

4.078

Voorraden

   

Debiteuren

1.489

2.776

Nog te ontvangen

1.021

355

Liquide middelen

8.886

10.378

Totaal activa:

17.088

18.772

     

Passiva

   

Eigen Vermogen

   

– exploitatiereserve

1.620

1.620

– onverdeeld resultaat

1.081

803

Voorzieningen

513

510

Leningen bij het MvF

506

704

Crediteuren

559

381

Te verrekenen met vergunninghouders c.a.

6.746

7.162

Te verrekenen met Caribisch Nederland

1.491

1.669

Nog te betalen

4.572

5.923

Totaal passiva

17.088

18.772

Eigen vermogen (inclusief onverdeeld resultaat)

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

Omzet, excl. rente- en bijzondere baten

32.839

32.636

32.203

Gemiddelde omzet over 3 jaar

32.900

32.407

32.559

       

Toegestane exploitatiereserve

1.625

1.620

1.620

Resultaat

2.554

803

1.081

Eigen vermogen

4.179

2.423

2.701

Inclusief het resultaat over 2014 bedraagt het saldo van de exploitatiereserve € 2,7 mln en ligt daarmee boven het toegestane maximum. Bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet zal worden aangegeven hoe dit wordt hersteld.

Voorzieningen

Bedragen x € 1.000
 

Boekwaarde

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde

 

1/1/2014

     

31/12/2014

Wachtgeld en FLO

77

7

43

0

41

Ambtsjubilea

433

75

36

0

472

 

510

82

79

0

513

Te verrekenen met vergunninghouders c.a.

De post «te verrekenen met vergunninghouders» geeft de schuld aan de vergunninghouders c.a. van Agentschap Telecom weer. Deze post zal de komende jaren substantieel worden afgebouwd door de middelen aan te wenden voor de ontwikkeling van een nieuw vergunningverleningssysteem (GAMMA).

Te verrekenen met Caribisch Nederland

Deze post is vergelijkbaar met de post «te verrekenen met vergunninghouders c.a.», maar dan specifiek voor de vergunninghouders in CN. Door een nieuwe wijze van vaststelling van de werkelijke verplichting aan CN neemt de hoogte af. Waar voorheen alle in voorgaande jaren ingestelde vorderingen in de verplichting werden meegenomen wordt nu uitgegaan van de werkelijk ontvangen bedragen. Hierdoor loopt de post minder snel op, maar zal uiteindelijk, als alle gevorderde bedragen ontvangen worden, dezelfde hoogte bereiken. De wijziging heeft tevens tot gevolg dat het resultaat over 2013 herverdeeld wordt.

Aandeel moederdepartement en overige departementen en agentschappen in vorderingen en schulden

Bedragen x € 1.000

moederdepartement

overige departementen en agentschappen

Debiteuren

210

59

Nog te ontvangen

147

31

Liquide middelen

0

8.886

Totaal vorderingen

357

8.976

Crediteuren

25

227

Nog te betalen

857

678

Totaal schulden

882

905

Agentschap Telecom heeft per saldo een schuld aan het moederdepartement van € 0,5 mln. Deze bestaat met name uit vooruit ontvangen opbrengsten en uit een nog af te dragen deel van het resultaat 2013 naar aanleiding van de hiervoor vermelde herverdeling van het resultaat 2013. Op overige departementen en agentschappen heeft het agentschap per saldo een vordering van € 8,1 mln. Deze bestaat met name uit een vordering op het Ministerie van Financiën betreffende het saldo rekening-courant enerzijds en nog te betalen kosten aan SSO’s anderzijds.

Kasstroomoverzicht over 2014

Bedragen x € 1.000
   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014 + stand depositorekeningen

9.280

10.378

1.098

2.

Totaal operationele kasstroom

25

820

795

 

Totaal investeringen (–/–)

– 3.625

– 2.041

1.584

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 3.625

– 2.041

1.584

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 271

– 271

0

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

2.125

0

– 2.125

4.

Totaal financieringskasstroom

1.854

– 271

– 2.125

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

7.534

8.886

1.352

De operationele kasstroom is vooral hoger doordat het resultaat hoger is dan begroot.

De investeringen zijn € 1,6 mln lager dan begroot. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste is het project Gamma vertraagd, waardoor er in 2014 minder in geïnvesteerd is. Verder zijn de geplande investeringen in huisvesting en meubilair uitgesteld in afwachting van de geplande verhuizing.

Het verschil op de financieringskasstroom is ontstaan doordat bij nader inzien geen gebruik is gemaakt van de leenfaciliteit. Hiermee wordt getracht de rentelasten zo laag mogelijk te houden.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2014

   

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Begroting 2014

Inputindicatoren

           

Kernindicatoren

           

Verhouding direct/indirect (in fte)

 

175,5 / 94,5

186,6 / 70,0

174,9 / 74,9

177,4 / 82,8

174,4 / 67,8

Verklarende/ achtterliggende variabelen

           

Personeelskosten per fte

 

€ 71.111

€ 69.853

€ 70.395

€ 70.931

€ 70.881

Totaal aantal fte's (excl externe inhuur)

 

246,0

256,6

237,3

248,4

230,1

Kosten inhuur externen (PAO-definitie; x € 1.000)

 

€ 1.570

€ 1.113

€ 947

€ 568

€ 953

Outputindicatoren

           

Uurtarief (wijziging in reële termen)

 

0,00%

– 0,45%

– 1,47%

– 0,66%

0%

Aantal declarabele uren (per fte en totaal)

 

1.453/1.667

1.453 / 1.667

1.450/ 1.660

1.450/ 1.660

1.453 / 1.667

Aantal werkbare /beschikbare uren:

           

– werkbare uren

 

1.836

1.836

1.829

1.829

1.836

– bruto beschikbare uren

 

1.667

1.667

1.660

1.660

1.667

– netto beschikbare uren

 

1.588

1.588

1.585

1.585

1.588

Verklarende/ achterliggende variabelen

           

Bedrijfsresultaat (x € 1.000)

 

1.255

2.554

803

1.081

– 1.641

Omzet

 

32.294

33.455

33.101

32.526

31.303

Kwaliteitsindicatoren

           

Kernindicatoren

           

Klanttevredenheid:

     

3,9

   

• doelgroep hoog belang

 

niet in 2011

niet in 2012

 

niet in 2014

>7

• doelgroep midden belang

 

niet in 2011

niet in 2012

 

niet in 2014

>7

• doelgroep laag belang

 

niet in 2011

niet in 2012

 

niet in 2014

>7

Doorlooptijd primaire processen:

           

Vergunningaanvragen 95% binnen

8 weken

96%

98%

99%

89%

95%

 

6 weken

86%

85%

 

4 weken

79%

60%

 

2 weken

70%

35%

             

Reactietijd storingsklachten

norm

         

Klachten van levensbelang ≤ 4 uur

100%

98%

100%

100%

100%

100%

Klachten van maatschappelijk belang ≤ 12 uur

98%

95%

91%

97%

75%

98%

Klachten van individueel belang ≤ 3 werkdagen

80%

99%

80%

95%

85%

90%

             

Gegrond verklaarde bezwaarschriften aantal

norm

21

19

9

11

 

≤ 5%

11,3%

9,0%

2,4%

5,6%

<5%

Aantal klachten

 

7

2

3

3

<7

Medewerkertevredenheid

 

niet in 2011

niet in 2012

7,0

niet in 2014

>7

Verklarende/ achterliggende variabelen

           

Ziekteverzuim

≤ 4,3%

4,6%

5,4%

4,2%

3,0%

< 4,1%

Externe inhuur

De totale kosten van externe inhuur bedragen 60% van de hiervoor vastgestelde begroting. Zoals uit de toelichting op de personele kosten blijkt is de realisatie op de vastgestelde formatie van het agentschap 104%. Dit houdt in dat de onder uitputting op het budget externe inhuur niet wordt verklaard door openstaande vacatures.

Uurtarief

Mede als gevolg van de taakstelling Rutte heeft Agentschap Telecom het kostenbewustzijn verder doorontwikkeld. Het resultaat is dat voor 2014 het agentschap voor de tarieven conform aanschrijving geen gebruik maakt van de toegestane loon- en prijsbijstelling. Daardoor dalen de tarieven nominaal en reëel met 0,66%. Het gewogen gemiddelde uurtarief Agentschap Telecom bedraagt € 107,28.

Vergunningen

Het gerealiseerde percentage binnen 8 weken bedraagt 89%. Dit wordt vooral veroorzaakt door de point-point straalverbindingen in de categorie vaste verbindingen. Als gevolg van de 4G veiling heeft de markt in 2014 sterk geïnvesteerd in het upgraden van netwerken. Voor Agentschap Telecom heeft dit geleid tot een toename van de omzet, maar ook tot druk op de realisatie van de doorlooptijden op de vergunningen.

Storingsklachten

AT is in gesprek met de veroorzakers van de toename in meldingen. Dit zodat de dienstverlening kan worden verbeterd, maar ook de wederzijdse verwachtingen ten aanzien van de melding en de behandeling. In 2014 zijn verder stappen ondernomen om de kennis op dit werkveld breder te beleggen binnen de organisatie.

Ziekteverzuim

Het ziekteverzuim bij AT zit gemiddeld genomen op of net onder de Verbaannorm. Ook in 2015 is bij AT het sturen op verzuim een blijvend punt van aandacht.

Bezetting in fte

De gemiddelde bezetting in fte’s (exclusief externe inhuur) bedraagt in 2014 248,4 fte. Het aantal fte werkzaam bij het agentschap ultimo 2014 (exclusief externe inhuur) bedraagt 247,2 fte.

Omzet

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten bedraagt 3,3% in 2014 ten opzichte van 2,4% in 2013.

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

Staat van baten en lasten

Bedragen x € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2013

Baten

       

Omzet moederdepartement

158.244

180.997

22.753

156.097

Omzet overige departementen

4.400

16.569

12.169

4.240

Omzet derden

0

1.854

1.854

1.518

Rentebaten

0

0

0

 

Vrijval voorzieningen

0

0

0

 

Bijzondere baten

0

34

34

2.706

Totaal baten

162.644

199.454

36.810

164.561

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– Personele kosten

70.784

107.239

36.455

83.004

Waarvan eigen personeel

34.481

35.438

957

28.935

Waarvan externe inhuur

1.800

10.292

8.492

6.505

Waarvan overige personele kosten

 

61.509

   

– Materiële kosten

76.900

81.652

4.752

64.169

Waarvan apparaat ICT

35.600

34.523

– 1.077

31.441

Waarvan bijdrage aan SSO’s

3.650

8.373

4.723

3.837

Waarvan overige materiële kosten

 

38.756

   

Afschrijvingskosten

       

– Immaterieel

5.442

5.726

284

4.983

– Materieel

8.518

4.653

– 3.865

4.328

Overige lasten

       

– Dotaties voorzieningen

0

801

801

689

– Rentelasten

1.000

189

– 811

526

– Bijzondere lasten

0

186

186

6.302

Totaal lasten

162.644

200.446

37.802

164.001

         

Saldo van baten en lasten

0

– 992

– 992

560

Toelichting op de baten

Bij 2e suppletoire begroting is een omzetstijging moederdepartement gemeld van € 158,2 mln naar € 175,3 mln. De omzetstijging kwam met name door een structurele overheveling bij 1e suppletoire begroting 2014 (€ 9,0 mln) van materieel kerndepartement naar het reguliere bijdrage onderdeel kerndepartement, uitvoering van ICT-taken voor Tenderned (€ 4,2 mln), uitvoering van het ondernemingsdossier (€ 3,2 mln) en vernieuwing van de kantoorautomatisering voor heel EZ (€ 5,3 mln). De laatste post was bij 2e suppletoire begroting 2014 geraamd op € 7,8 mln onder de post bijzondere baten. In overleg met de Auditdienst Rijk is deze post in de jaarrekening verantwoord onder reguliere omzet.

Omzet moederdepartement

De verdeling per productgroep wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Bedragen x € 1.000
 

oorspronkelijke vastgestelde begroting

2014

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Werkplekservices

25.200

33.279

8.079

35.887

Infrabeheer

35.100

41.046

5.946

25.462

Applicatieservices

60.000

65.888

5.888

59.838

Overige omzet

37.944

40.784

2.840

34.910

Totaal

158.244

180.997

22.753

156.097

In de omzet van het product applicatieservices zijn ontwikkelkosten opgenomen voor een bedrag van € 46,2 mln.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen is in 2014 als volgt:

€ 9,145 mln Ministerie van BZK;

€ 3,042 mln Ministerie van SZW;

€ 2,988 mln Ministerie van I&M;

€ 1,110 mln Ministerie van VWS;

€ 0,252 mln Ministerie van V&J;

€ 0,032 mln Overige Ministeries.

Omzet derden

De omzet derden is in 2014 als volgt:

€ 0,640 mln Staatsbosbeheer;

€ 0,615 mln Alterra;

€ 0,552 mln College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

€ 0,047 mln Overige opdrachtgevers.

Bijzondere baten

De bijzondere baten (€ 0,034 mln) hebben betrekking op de boekwinst die is behaald bij de verkoop van vaste activa.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De stijging van de personele kosten wordt veroorzaakt door een hogere omzet en daardoor een hogere inzet van personeel. De meeste werkzaamheden voor onderhoud en beheer vallen onder de definitie van uitbesteden en zijn als zodanig verantwoord onder de post overige personele kosten. Deze presentatiewijze is gelijk aan de verantwoording in het jaarverslag over 2013.

Saldo van baten en lasten

DICTU heeft het boekjaar 2014 afgesloten met een resultaat van € 1,0 mln negatief.

Het Eigen Vermogen per 31-12-2014 inclusief het onverdeelde resultaat komt uit op € 0,9 mln negatief. Conform de Regeling agentschappen zal het Eigen Vermogen door het moederdepartement worden aangezuiverd tot nihil bij 1e suppletoire begroting 2015. DICTU stelt een plan van aanpak op om toekomstige verliezen te voorkomen en om de geleverde suppletie binnen 3 jaar terug te kunnen betalen aan het moederdepartement.

Balans per 31 december 2014

Bedragen x € 1.000
 

Balans 2014

Balans 2013

Activa

   

Immateriële vaste activa

17.981

17.716

Materiële vaste activa

17.631

11.963

– grond en gebouwen

   

– installaties en inventarissen

13.094

9.011

– overige materiële vaste activa

4.537

2.952

Voorraden

   

Debiteuren

21.972

32.638

Nog te ontvangen

9.090

8.422

Liquide middelen

2.091

478

Totaal activa:

68.765

71.217

     

Passiva

   

Eigen Vermogen

   

– exploitatiereserve

82

– 479

– onverdeeld resultaat

– 992

560

Voorzieningen

97

217

Leningen bij het MvF

16.465

16.777

Crediteuren

15.989

10.400

Nog te betalen

37.124

43.741

Liquide middelen

   

Totaal passiva

68.765

71.217

Voorzieningen

Bedragen x € 1.000
 

Boekwaarde

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde

 

1/1/2014

     

31/12/2014

Reorganisatievoorziening

217

41

94

67

97

In 2014 heeft een onttrekking uit de reorganisatievoorziening plaatsgevonden voor in totaal vier medewerkers.

Per 1 januari 2015 heeft DICTU (nog) 1 medewerker die ten laste komt van de reorganisatievoorziening. Hiervoor heeft een dotatie plaatsgevonden van € 41.000. De totale voorziening wordt gevormd door een meerjarig toegezegde loonsuppletie.

Tabel vermogensontwikkeling 2014

Bedragen x € 1.000

2012

2013

2014

1 Eigen Vermogen per 1 Januari

1.378

– 479

82

2 Saldo Baten en Lasten

– 1.857

562

– 992

3 Directe mutaties in het Eigen Vermogen

0

0

0

3a. Uitkering aan moederdepartement

     

3b. Bijdrage door moederdepartement ter versterking Eigen Vermogen

     

3c. Overige Mutaties

     

Stand 31 december

– 479

82

– 910

Omzet

137.684

164.561

199.454

Vermogensplafond (5%)

   

8.362

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximum van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt voor DICTU € 8,4 mln. Het eigen vermogen van DICTU is per 31-12-2014 € 0,9 mln negatief.

Uitsplitsing van de debiteuren

Bedragen x € 1.000

 

2013

2014

Dienst Regelingen

 

7.155

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

   

10.511

Dienst Landelijk Gebied

 

244

1.574

Agentschap NL

 

18.469

 

Agentschap Telecom

 

312

781

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

 

3.572

4.757

Staatstoezicht op de Mijnen

   

72

De Autoriteit Consument en Markt

   

69

Totaal agentschappen

 

29.752

17.764

Moederdepartement

 

1.389

1.216

Totaal debiteuren intern EZ

 

31.141

18.980

Uitsplitsing van de crediteuren

Bedragen x € 1.000

 

2013

2014

Dienst Regelingen

 

62

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

   

1.654

Agentschap NL

 

273

 

Ministerie van EZ, directie Bedrijfsvoering

 

123

 

Agentschap Telecom

 

762

44

Dienst Landelijk Gebied

 

0,2

48

Onafhankelijke Post en Telecom Autoriteit

 

4

 

Totaal crediteuren intern EZ

 

1.224

1.746

Voor beide tabellen geldt dat Dienst Regelingen en Agentschap NL zijn opgegaan in de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Van de debiteurenstand per 31-12-2014 heeft € 19,0 mln betrekking op debiteuren binnen het Ministerie van EZ, € 2,8 mln heeft betrekking op andere departementen en € 1,1 mln betreft een vordering op debiteuren buiten het Rijk. Daarnaast heeft DICTU een debiteurenvoorziening getroffen voor een bedrag van € 1,0 mln.

Kasstroomoverzicht over 2014

Bedragen x € 1.000
   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014 + stand depositorekeningen

0

478

478

2.

Totaal operationele kasstroom

10.387

18.175

7.788

 

Totaal investeringen (–/–)

– 10.387

– 16.312

– 5.925

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

   

3.

Totaal investeringskasstroom

– 10.387

– 16.312

– 5.925

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

     
 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

     
 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 10.387

– 9.250

1.137

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

10.387

9.000

– 1.387

4.

Totaal financieringskasstroom

0

– 250

– 250

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

0

2.091

2.091

DICTU heeft in 2014 meer geïnvesteerd (dit houdt één-op-één verband met de stijging van de omzet). Daarnaast heeft DICTU een lagere debiteurenstand. Per saldo leidt dit tot een rekening-courant positie van € 2,1 mln op 31 december 2014.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2014

Omschrijving

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Begroting 2014

1. Kostprijzen per

product (groep)

         

a. Basistarief werkplek (gemiddeld per stuk x €)

2.420

2.423

2.410

2.540

2.415

b. Aantal Werkplekken

8.900

13.000

12.241

12.332

10.100

c. Infrastructuur

(x € 1.000)

21.214

13.993

21.541

35.717

35.100

d. Productieve uren (norm 85% 2013 e.v.)

640.000 (82%)

879.000 (89%)

1.156.000 (87%)

1.468.476

(89%)

998.033

2. Tarieven/uur

         

a. Senior medew. (ontwikkeling)

133

90

87

86

87

b. Medior medew. (bouw)

108

80

78

77

78

c. Junior medew. (test en beheer)

98

80

78

77

78

3. Omzet per prod.groep (pxq)

         

A. Werkplekservices

23.286

31.710

35.887

33.279

25.200

B. Infrastructuur

22.313

26.000

25.462

41.046

35.100

C. Applicatieservices incl. outsourcing

18.352

18.216

19.200

19.022

23.000

D. Ontwikkeling incl. detachering

30.548

30.684

40.638

46.866

37.000

E. Overige omzet

17.332

21.297

34.910

40.784

37.944

Totaal

111.831

127.907

156.097

180.997

158.244

4. gem. bezetting FTE-totaal (excl. externe inhuur)

275

323

371

429

445

5. Saldo baten en lasten

0,3%

– 1,3%

0,4%

– 0,5%

0,0%

6. Kwaliteitsindicatoren

         

A. Beschikbaarheid

       

98%

B. Afhandelsnelheid

       

85%

Ad 1a: DICTU hanteert meerdere werkplekconcepten. Het weergegeven tarief betreft het meest voorkomende werkplekconcept.

Ad 1d: Het productiviteitspercentage van DICTU wordt omhooggetrokken vanwege de inzet van specialisten die gemiddeld een hogere productiviteit hebben.

Ad 2: In de tarievennota 2014 heeft DICTU, voor wat betreft de uurtarieven, over de gehele linie een kleine tariefdaling doorgevoerd.

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

Staat van baten en lasten

Bedragen x € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

 
 

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2014

Realisatie 2013

Baten

       

Omzet moederdepartement

56.812

55.762

– 1.050

78.926

Omzet overige departementen

13.453

6.421

– 7.032

8.487

Omzet derden

12.099

12.753

654

15.372

Rentebaten

50

70

20

57

Vrijval voorzieningen

0

16.591

16.591

370

Bijzondere baten

0

0

0

75

Totaal Baten

82.414

91.597

9.183

103.287

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– Personele kosten

55.717

   

64.927

Waarvan eigen personeel

55.760

56.983

1.223

63.165

Waarvan externe inhuur

500

3.004

2.504

1.762

Waarvan overige personele kosten

 

72

72

 

– Materiële kosten

25.323

 

30.894

Waarvan apparaat ICT

70

4

– 66

59

Waarvan bijdrage aan SSO's

13.976

7.095

– 6.881

9.524

Waarvan overige materiële kosten

11.277

16.068

4.791

 

Afschrijvingskosten

       

– Immaterieel

250

254

4

419

– Materieel

1.000

1.788

788

908

Overige lasten

       

– Dotaties voorzieningen

 

10.900

10.900

5.499

– Rentelasten

124

44

– 80

164

– Bijzondere lasten

 

46

46

Totaal lasten

82.414

96.258

13.844

102.811

Saldo van baten lasten

0

– 4.661

– 4.661

476

Toelichting op de baten

Algemeen

Per kamerbrief van 11 oktober 2013 heeft de Staatssecretaris van EZ aangekondigd dat na onderhandelingen met het Interprovinciaal overlegorgaan (IPO) is besloten dat op 1 januari 2015, 400 FTE overgaan van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) naar de provincies. Het gevolg hiervan is dat DLG op 1 maart 2015 de bedrijfsactiviteiten zal beëindigen. Hierdoor zijn de grondslagen voor de jaarrekening aangepast. Vanaf 1 maart zal het agentschap nog enige tijd doorgaan als administratief agentschap ten behoeve van de afhandeling van een aantal verplichtingen.

Omzet moederdepartement

In 2014 heeft DLG 100% van de uren van de Bestuursovereenkomst gerealiseerd.

Van de opdrachten voor EZ heeft DLG 85% van de opdrachturen gerealiseerd. Volgens de Nota «Vijfde voorschot» van 16 december 2014 van EZ is de afrekening van de omzet van het moederdepartement niet meer gecorrigeerd voor afwijkingen groter dan 5%.

Omzet overige departementen

De omzet voor overige departementen is € 7,0 mln lager dan begroot en € 2,0 mln lager dan de realisatie van 2013. De begroting 2014 is opgesteld voordat het besluit tot opsplitsing van DLG was genomen. In deze begroting was voor de omzet bij de overige departementen een verdere groei voorzien tot € 13,4 mln. De realisatie in 2014 is vanwege de komende opsplitsing en het daardoor wegvallen van acquisitie blijven steken op € 6,4 mln.

Omzet derden

DLG heeft in 2014 € 0,6 mln meer omzet voor derden gerealiseerd dan begroot. Ten opzichte van de realisatie van 2013 is de omzet voor derden met € 2,6 mln afgenomen.

Vrijval voorzieningen

Door de vaststelling van het nieuwe organisatiebesluit op 1 augustus 2014 is de voorziening die was gevormd op basis van het vorige organisatiebesluit uit 2012 vrijgevallen voor een bedrag van € 16,3 mln.

Door de afloop van huurcontracten is in de voorziening verlieslatende huurcontracten een bedrag van € 0,2 mln vrijgevallen. De voorziening dubieuze debiteuren bedroeg minder dan € 0,1 mln en is vrijgevallen.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De personele kosten 2014 zijn ten opzichte van 2013 met € 4,9 mln afgenomen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt, doordat het personeelsbestand in 2014 is afgenomen met 200 fte. Daarnaast heeft DLG gedurende 2014 een aantal medewerkers gedetacheerd. De detachering heeft € 2,8 mln opgeleverd. De personele kosten zijn tevens verlaagd met € 2,3 mln door de onttrekkingen aan de voorzieningen aansprakelijkheid en reorganisatie 2014.

De realisatie van de post Inhuur over 2014 is € 1,2 mln hoger dan in 2013. De verklaring hiervoor is dat er personeel is ingehuurd om de werkzaamheden van de medewerkers die in 2014 uitstroomden op te vangen.

Door de uitstroom van het personeel zijn de Pensioenlasten ten opzichte van 2013 met € 1,8 mln afgenomen.

Materiële kosten

De materiële kosten waren in 2014 € 7,7 mln lager dan in 2013. Door de terugloop van het personeelsbestand zijn ook de daaraan gerelateerde kosten terug gelopen.

Afschrijvingskosten materiële activa

De afschrijving materiële activa is in 2014 € 0,8 mln hoger dan begroot. De verklaring hiervoor is dat door de komende opsplitsing van DLG de materiële activa, voor zover hier geen waarde meer aan toe te kennen valt, per 1 maart 2015 versneld zijn afgeschreven. De boekwaarde van de versneld afgeschreven activa op 31-12-2014 is gelijk is aan de afschrijvingstermijn van twee maanden tot 1 maart 2015.

De geactiveerde verbouwingskosten van het pand aan de Jacobsstraat 200 te Utrecht zijn niet versneld afgeschreven, omdat DLG bij de oplevering van dit pand een vergoeding is toegezegd ter hoogte van de op dat moment resterende boekwaarde.

Dotaties voorzieningen

Bij de dotaties aan de voorzieningen is uitgegaan van het hele jaar 2015. Voor de periode daarna zijn derhalve geen voorzieningen op de balans opgenomen. De getroffen voorzieningen dekken derhalve de kosten voor het jaar 2015. DLG heeft hiervoor een dotatie gedaan van in totaal € 10,9 mln, waarvan € 9,3 mln voor de voorziening reorganisatie personeel.

Bijzondere lasten

Het boekverlies op de auto’s van minder dan € 0,1 mln is als Bijzondere last opgenomen.

Balans per 31 december 2014

Bedragen x € 1.000
 

31-12-2014

31-12-2013

Activa

   

Immateriële vaste activa

25

279

Materiële vaste activa

   

– grond en gebouwen

1.326

2.483

– installaties en inventarissen

193

724

– overige materiële vaste activa

1

478

Voorraden

0

0

Debiteuren

8.825

6.536

Nog te ontvangen

4.476

6.782

Liquide middelen

47.537

41.139

Totaal activa

62.383

58.421

     

Passiva

   

Eigen vermogen

   

– exploitatiereserve

22.735

4.059

– bestemmingsreserve

15.000

15.000

– onverdeeld resultaat

– 4.660

476

Voorzieningen

10.097

18.771

Leningen bij het Ministerie van Financiën

0

1.985

Crediteuren

695

691

Nog te betalen

18.516

17.439

Totaal passiva

62.383

58.421

Toelichting

Debiteuren

In de post Debiteuren is een vordering op EZ van € 0,3 mln opgenomen. De vordering op andere ministeries in deze post bedraagt € 2 mln. Door het op het laatste moment in 2014 afsluiten van de omvangrijke opdracht Nieuwe Hollandse Waterlinie van € 2,7 mln is aan het eind van het jaar nog een relatief grote debiteurenpositie ontstaan.

Nog te ontvangen

In de post Nog te ontvangen zijn geen bedragen opgenomen die betrekking hebben op het Ministerie van EZ of op andere ministeries.

Liquide middelen

Het betreft hier uitsluitend het saldo van de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen op 31-12-2014 vóór resultaatsbestemming bedraagt € 37,7 mln en na de voorgestelde resultaatsbestemming € 33,1 mln. De Regeling agentschappen stelt een maximum aan het toegestane eigen vermogen van agentschappen. Dit maximum wordt berekend als 5% over de gemiddelde omzet van de laatste drie kalenderjaren (2014, 2013 en 2012). De maximaal toegestane omvang van het eigen vermogen bedraagt hierdoor € 4,8 mln. Dit betekent dat de overschrijding van het eigen vermogen op balansdatum € 28,3 mln bedraagt. Op basis van artikel 25 van de Regeling agentschappen dient bij de eerste suppletoire begrotingswet te worden aangegeven hoe dit is hersteld. Aandachtspunt hierbij is dat EZ toestemming heeft gekregen van het Ministerie van Financiën voor de storting van € 18,2 mln ter dekking van de lange termijnverplichtingen die uit de opsplitsing van het agentschap voortkomen. Het deel waar in 2015 geen verplichtingen/kosten van DLG tegenover staan, vloeit terug naar de begroting van EZ.

Tabel Meerjarige vermogensontwikkeling vóór winstbestemming
 

(Bedragen x € 1.000)

2011

2012

2013

2014

1

Eigen vermogen voor winstbestemming

per 1 januari

6.140

3.045

3.503

19.059

2

Onverdeeld resultaat

(3.095)

458

556

476

3

Directe mutaties in het Eigen vermogen:

       
 

3a. uitkering aan moederdepartement

       
 

3b. bijdrage door moederdepartement ter versterking EV

   

15.000

8.200

 

3c. overige mutaties

       
 

Eigen vermogen voor winstbestemming

per 31 december

3.045

3.503

19.059

37.735

Voorzieningen

Bedragen x € 1.000
 

Boekwaarde

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde

 

1/1/2014

     

31/12/2014

Aansprakelijkheid

123

0

10

0

113

Huurcontracten

807

1.596

681

244

1.478

Reorganisatie 2011

17.841

0

1.541

16.300

0

Reorganisatie 2014

0

9.304

799

0

8.505

Dubieuze debiteuren

47

0

0

47

0

Voorziening aansprakelijkheid

In 2009 heeft DLG een voorziening getroffen voor de wettelijke en juridische verplichtingen ten aanzien van één medewerker voor de toenmalige periode van 17 jaar. De in 2014 gerealiseerde kosten zijn ten laste van de voorziening gebracht. De huidige voorziening op 31-12-2014 is voldoende om aan de toekomstige verplichtingen te voldoen. Een dotatie in 2014 is derhalve niet noodzakelijk.

Er zijn gesprekken gaande om de juridische verplichting af te kopen, maar het is onzeker wat hier de uitkomst van zal zijn. Op balansdatum bestaat onzekerheid hoe de juridische verplichting bij de opheffing van het agentschap zal worden afgewikkeld.

Voorziening huurcontracten

De voorziening is gevormd voor de lasten uit hoofde van doorlopende huurcontracten en de servicekosten betreffende panden die (geheel of gedeeltelijk) niet meer worden gebruikt door DLG.

Voor het jaar 2015 zal DLG nog verplichtingen hebben met betrekking tot de huisvesting van enkele kantoorpanden. Het merendeel van de panden kan echter op 1 maart 2015 worden gesloten en afgestoten. In 2014 is er € 0,7 mln ten laste gebracht van deze voorziening.

Voorziening reorganisatiekosten 2011

De voorziening reorganisatiekosten 2011 was bestemd voor de salariskosten en fte-gerelateerde materiële kosten van de herplaatsingskandidaten met betrekking tot de eerdere reorganisatie van 2011. Volgens het organisatiebesluit van augustus 2014 en de daaropvolgende besluiten vallen per 1 maart 2015 alle herplaatsingskandidaten (ook van de reorganisatie van 2012) onder de projectorganisatie Van Werk Naar Werk. Hiermee komt de voorziening reorganisatiekosten 2011 te vervallen. In 2014 is er € 1,5 mln ten laste gebracht van deze voorziening. Het restant van € 16,3 mln valt vrij.

Voorziening Reorganisatie 2015

Voor de salariskosten en fte-gerelateerde materiële kosten van de herplaatsingskandidaten vanuit het nieuwe organisatiebesluit (augustus 2014) is een nieuwe reorganisatievoorziening voor personeel gevormd voor het jaar 2015. Hiervoor is in 2014 een bedrag gedoteerd van € 9,3 mln.

Crediteuren

In de Crediteuren zijn een schuld aan DICTU en een schuld aan RVO opgenomen van totaal minder dan € 0,1 mln.

Nog te betalen

In de post Nog te betalen zijn een schuld aan DICTU ad € 4,2 mln, aan RWS ad € 0,9 mln, aan BBL ad € 5,0 mln en aan EZ ad € 3,4 mln opgenomen. In deze laatste post is € 1,3 mln opgenomen als vooruit ontvangen opbrengsten voor de opdrachten die DLG gaat uitvoeren voor EZ in de eerste twee maanden van 2015.

Kasstroomoverzicht over 2014

Bedragen x € 1.000
   

– 1

– 2

(3)=(2)-(1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014

24.788

41.139

16.351

2.

Totaal operationele kasstroom

– 750

9.632

8.882

 

Totaal investeringen (–/–)

– 2.100

0

2.100

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

377

377

3.

Totaal investeringskasstroom

– 2.100

377

2.477

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

18.200

18.200

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 903

– 2.547

– 1.644

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

2.100

0

– 2.100

4.

Totaal financieringskasstroom

1.197

15.653

14.456

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 (=1+2+3+4)

23.135

47.537

24.402

Operationele kasstroom

De gerealiseerde operationele kasstroom bedraagt € 8,9 mln minder dan begroot. De voornaamste oorzaak hiervan is de verlaging van de post Voorzieningen met € 8,7 mln.

Investeringen en desinvesteringen

In 2014 zijn er geen investeringen gedaan. Door de afstoot van auto’s is voor € 0,4 mln aan desinvesteringen gerealiseerd.

Aflossingen op leningen

De aflossing op leningen is € 1,6 mln hoger dan begroot. DLG zat in 2014 al in een liquidatiefase en heeft daarom al haar leningen afgelost.

Eenmalige storting door moederdepartement

De eenmalige storting is € 18,2 mln hoger dan begroot. Door EZ is een bijdrage gestort van € 18,2 mln ter dekking van verplichtingen in het kader van de opsplitsing van DLG.

Beroep op leenfaciliteit

In 2014 zijn er, net als in 2013, geen nieuwe leningen afgeroepen bij het Ministerie van Financiën. Er zijn geen investeringen gedaan.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2014

 

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Begroting 2014

Tarieven

         

Tarieven/uur

€ 103,39

€ 109,40

€ 110,31

€ 110,30

€ 108,50

Index in reële termen t.o.v. 2013 (2013= 100)

95

101

100

100

99

Omzet per productgroep (€ x mln) exclusief additionele opbrengsten

         

Verwerving en vervreemding grond

15,9

12,9

13,0

10,4

10,9

Exploitatie grond

1,1

1,3

1,9

2,0

0,8

Planvorming

17,9

14,9

10,6

8,4

12,2

Planuitvoering

40,9

36,1

33,9

29,7

27,9

Adviezen aanvragen

3,3

0,9

4,4

1,6

2,3

Uitvoeren subsidie regelingen

12,0

13,3

10,9

2,3

5,6

Adviezen algemeen en beleid

29,7

25,1

22,2

20,4

22,1

Informatieverstrekking

0,8

0,4

1,6

0,1

0,5

Totaal

121,8

104,8

98,6

74,9

82,3

           

Fte-totaal (exclusief Externe inhuur)

1.117

1.042

963

763

820

Personeelskosten per fte

66.000

 

68.600

71.628

68.000

Verhoudingen direct/indirect (excl. Externe inhuur)

69,5/30,5

   

1

76/24

Saldo van baten en lasten

         

Saldo van baten en lasten (% van totale baten)

0,3%

0,5%

0,5%

– 5,1%

0,0%

Kwaliteit

         

Klanttevredenheid

PM

7,0

2

7,1

X Noot
1

De verhoudingen direct/indirect zijn niet bepaald, omdat de indirecte uren in 2014 niet meer zijn bijgehouden.

X Noot
2

In 2014 is er geen klanttevredenheidonderzoek meer gehouden.

Opmerkingen bij het doelmatigheidsoverzicht

Voor 2014 zijn opnieuw doelmatigheidsindicatoren berekend zoals in voorgaande jaren. Daarbij was het niet meer mogelijk om een indicator te geven voor de verhouding direct/indirect personeel en voor de klanttevredenheid. Voor deze indicatoren zijn in het licht van de op handen zijnde opsplitsing van de dienst geen gegevens meer verzameld in 2014.

Verder valt op dat ondanks de uitstroom van personeel van 200 fte (60 meer dan begroot) en de daarmee gepaard gaande omzetdaling, toch nog een normaal te noemen productiejaar is gedraaid. Wel is een verschuiving in activiteiten te zien van de planvoorbereiding en beleidsadviezen enerzijds naar de planuitvoering anderzijds. De indicatoren voor 2014 wijken door de goede inzet van het DLG-personeel in het laatste jaar van het normale bestaan van de dienst minder af van de begroting en van de realisatie in 2013 dan zou kunnen worden verwacht gezien de aanstaande opsplitsing van DLG op 1 maart 2015.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Staat van baten en lasten

Bedragen x € 1.000
 

1

2

3=2–1

t-1

 

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2014

Verschil

Realisatie 2013

Baten

       

Omzet moederdepartement

97.199

119.113

21.914

129.522

Omzet overige departementen

67.884

77.481

9.597

73.614

Omzet derden

68.500

93.863

25.363

57.905

Omzet DGF

   

0

410

Bijzondere bijdrage moederdepartement

 

0

0

 

Rentebaten

107

65

– 42

37

Vrijval voorzieningen

 

4.226

4.226

10.420

Bijzondere baten

 

12.008

12.008

 

Overige baten

   

0

6.184

Totaal baten

233.690

306.756

73.066

278.092

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– Personele kosten

169.545

192.060

22.515

180.631

Waarvan eigen personeel

163.045

177.556

14.511

163.923

Waarvan externe inhuur

6.500

14.504

8.004

16.708

– Materiële kosten

52.000

111.348

59.348

84.561

Waarvan apparaat ICT

       

Waarvan bijdrage aan SSO's

28.500

40.967

12.467

35.015

Rentelasten

486

482

– 3

486

Afschrijvingskosten

       

– Materieel

4.982

5.052

70

4.949

Waarvan apparaat ICT

0

     

– Immaterieel

6.178

4.989

– 1.189

4.796

Overige kosten

       

– Dotatie voorzieningen

500

407

– 93

2.004

– Bijzondere lasten

0

0

0

 

Totaal lasten

233.690

314.338

80.648

277.427

Saldo van baten en lasten

0

– 7.582

– 7.582

665

Baten

Omzet moederdepartement

In 2014 is de omzet moederdepartement € 21,9 mln hoger dan begroot. Met het Plan van Aanpak (PvA, TK, 33 835, nr 1) is bij 1e suppletoire begroting 2014 het budget met € 32,1 mln verhoogd. Hiervan is (naast de realisatie PvA bijzondere baten ad € 9,5 mln) € 16,1 mln gerealiseerd als omzet moederdepartement. Door een geleidelijke instroom van nieuwe medewerkers heeft de uitvoering van het PvA enige vertraging opgelopen. De onderuitputting van het beschikbare budget PvA is in overleg met de opdrachtgever gereserveerd voor de verdere uitbouw van het PvA in 2015. De realisatie PvA ad € 16,1 mln heeft betrekking op terugkerende werkzaamheden, de versterking van het toezicht en van de organisatie.

Daarnaast is het budget met € 5,8 mln verhoogd als gevolg van de volgende posten:

  • € 3,3 mln in verband met niet-kostendekkende tarieven bij kleine slagers en certificaten en de vertraagde invoering van het nieuwe retributiestelsel;

  • een overheveling van € 0,6 mln vanuit het Ministerie van Veiligheid & Justitie in het kader van het project «afpakken»;

  • aanvullende opdrachten op het gebied van natuur € 0,5 mln;

  • € 1,3 mln is beschikbaar gesteld voor de transitiekosten van de opgeheven PBO’s en de uitvoering van de overgenomen taken.

  • € 0,1 mln overig.

Omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000
 

oorspronkelijke vastgestelde begroting 2014

Realisatie 2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Advies & vertegenwoordiging

6.400

6.480

80

5.920

Communicatie

850

1.157

307

827

Incident- & crisismanagement

3.750

3.570

– 180

3.757

Inlichtingen & opsporing

11.650

11.036

– 614

11.135

Kennis & Expertise

3.450

3.572

122

3.211

Klantinteractie & dienstverlening

6.350

7.160

810

7.355

Laboratoriumonderzoek

2.890

3.571

681

3.133

Toezicht

58.509

69.430

10.921

61.977

Overig

3.350

13.137

9.787

16.607

Totaal

97.199

119.113

21.914

113.922

  • * de extern geoormerkte budgetten (EGB’s) zijn verantwoord onder overig. De stijging in 2014 ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2014 wordt voornamelijk veroorzaakt door het PvA.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen (€ 77,5 mln) is € 9,6 mln hoger dan begroot en heeft betrekking op VWS (€ 76,2 mln) en het Diergezondheidsfonds (DGF, € 1,3 mln).

De omzet VWS is € 8,8 mln hoger dan begroot als gevolg van:

  • gerealiseerde bijdrage van € 7 mln voor de uitvoering van het PvA. VWS heeft voor het PvA € 8,1 mln beschikbaar gesteld. Door een geleidelijke instroom van nieuwe medewerkers heeft de uitvoering van het PvA enige vertraging opgelopen. Van de onderuitputting PvA ad € 1,1 wordt € 0,65 mln verrekend.

  • realisatie van extra bijdragen van € 0,7 mln in verband met loonbijstelling, het project Classification, Labelling and Packaging (CLP) en aanvullende opdrachten voor het RIVM vanuit de NVWA.

  • de transitiekosten van de opgeheven PBO’s en de uitvoering van de overgenomen taken ad € 1,1 mln.

Uit deelwaarnemingen is gebleken dat de uren ten gunste van de omzet departementen niet altijd op de juiste code zijn verantwoord. Deze geconstateerde fouten zullen zo spoedig mogelijk nader worden onderzocht. Als uit dit onderzoek het beeld wordt bevestigd, zal hier nader overleg met VWS over worden gevoerd. Mogelijk ontstaat hierdoor een terugbetalingsverplichting aan VWS.

Als gevolg van de noodzakelijke dierziektebestrijding (vogelgriep) is de omzet DGF € 0,8 mln hoger dan begroot (€ 0,5 mln).

Omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000
 

oorspronkelijke vastgestelde begroting 2014

Realisatie 2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Realisatie 2013

Advies & vertegenwoordiging

1.800

1.750

– 50

1.441

Communicatie

450

484

34

436

Incident- & crisismanagement

750

2.689

1.939

1.480

Inlichtingen & opsporing

650

1.205

555

646

Kennis & Expertise

4.900

4.767

– 133

4.613

Klantinteractie & dienstverlening

6.500

6.340

– 160

6.652

Laboratoriumonderzoek

10.330

11.525

1.195

7.945

Toezicht

33.704

37.834

4.130

40.743

Overig

8.800

10.887

2.087

10.068

Totaal

67.884

77.481

9.597

74.024

  • * de extern geoormerkte budgetten (EGB’s) zijn verantwoord onder overig. De stijging in 2014 ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2014 wordt voornamelijk veroorzaakt door het PvA.

Omzet derden

In 2014 zijn de verslaggevingregels (RJ 270) voor de verantwoording van de omzet aangepast. Als gevolg van deze aanpassing dient de door de inspectieorganisatie Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) gerealiseerde retributieomzet (€ 17,5 mln) meegenomen te worden in de omzet derden van de NVWA. Hiertegenover staat € 17,5 mln aan hogere materiële kosten dan begroot, waardoor er geen resultaateffect is. KDS stelt officiële assistenten aan de NVWA beschikbaar voor het verrichten van post mortem keuringswerkzaamheden in alle Nederlandse roodvleesslachthuizen.

De opbrengst derden (€ 93,9 mln) zijn € 25,4 mln hoger dan begroot.

Naast de stelselwijziging voor de retributieomzet KDS ad € 17,5 mln is de omzet retributies NVWA (€ 72,1 mln) € 8,5 mln hoger dan begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat het programma Vereenvoudiging Regeldruk Vleesketen (VRV) niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Andere oorzaken zijn vernieuwingen en veranderingen van het toezicht (bijvoorbeeld klepkeuring) en het verwerken van € 1,5 mln omzet uit het voorgaand boekjaar. De effecten van de herziening van het retributiestelsel zijn conform begroting.

De omzet derden bestaat daarnaast uit overige baten (€ 4,2 mln), die € 0,6 mln lager uitvallen dan begroot als gevolg van lagere opbrengsten inspectieacademie.

Vrijval voorziening

De vrijval voorzieningen is € 4,2 mln hoger dan begroot. De vrijval doet zich voor bij de volgende voorzieningen:

  • personele kosten regulier € 0,048 mln;

  • uit hoofde van claims, geschillen en rechtsgedingen € 0,420 mln;

  • reorganisatie € 0,470 mln;

  • voorziening leegstand gebouwen € 3,288 mln.

Van de vrijval leegstand/afkoop gebouwen is, in overleg met de eigenaar € 1,7 mln vrijgevallen ten gunste van het resultaat en wordt € 1,6 mln verrekend.

Bijzondere baten

De bijzondere baten zijn € 12 mln hoger dan begroot. Het betreft bijdragen van extern geoormerkte budgetten (EGB’s) die geen relatie hebben met de productie. De bijdragen (waarvan € 9,5 mln PvA) zijn met name ter compensatie van het vertraagd beschikbaar komen van de beoogde besparing na de fusie.

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele kosten zijn € 22,5 mln hoger dan begroot.

Om uitvoering te kunnen geven aan het PvA en de toename van het opdrachtenpakket is het budget voor eigen personeel € 6,6 mln hoger dan begroot. Daarnaast bedragen de kosten 2014 voor de remplaçantenregeling na saldering met de baten € 7,9 mln. In 2015 zullen waarschijnlijk aanvullende remplaçantenkosten en hiermee samenhangende baten worden gerealiseerd door nadere matches met van werk naar werk kandidaten en herplaatsingskandidaten.

De personele lasten zijn voorts € 8 mln hoger door externe inhuur, noodzakelijk voor doorontwikkeling van het PvA en tijdelijke specialistische ondersteuning bij verbetering van de bedrijfsvoering. Daarnaast is extra inzet nodig in het kader van bestuurlijke boetes wet dieren (opleiding en uitvoering) van eigen dierenartsen en practitioners. Voor de post practitioners (€ 5 mln begroot onder externe inhuur) heeft een stelselwijziging plaats gevonden waarbij deze kosten nu worden verantwoord onder de materiële kosten. Deze stelselwijziging heeft geen gevolgen voor het resultaat en het eigen vermogen.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn € 59,3 mln hoger dan begroot. Naast de hogere bijdrage aan de Shared Service Organisaties (SSO’s), zoals hieronder is aangegeven met € 12,5 mln, is als gevolg van het PvA een ophoging van het budget voor materiële kosten met € 20,8 mln noodzakelijk gebleken. In 2014 zijn verder de verslaggevingregels (RJ 270) voor de verantwoording van de omzet aangepast. Als gevolg van deze aanpassing dient de door de inspectieorganisatie Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) gerealiseerde retributieomzet (€ 17,5 mln) meegenomen te worden in de omzet derden van de NVWA. Hiertegenover staat € 17,5 mln aan hogere materiële kosten (uitbesteed werk) dan begroot.

Onder de post specifieke kosten is door de stelselwijziging voor de verantwoording uitbesteed werk practitioners een bedrag van € 8,5 mln opgenomen. Het benodigde budget voor inzet practitioners is € 3,9 mln hoger dan begroot (bij personele kosten). Hier staan echter ook hogere opbrengsten derden tegenover.

Bijdragen SSO’s

De bijdragen aan SSO’s zijn € 12,5 mln hoger dan begroot. Door het vertraagd beschikbaar komen van de beoogde ICT-besparing na de fusie is de bijdrage aan DICTU € 8,7 mln hoger. Daarnaast is door vertraging in de afstoot van panden het benodigde budget voor het Rijksvastgoedbedrijf € 4,1 mln hoger dan begroot. De kosten van het Inkoopuitvoeringscentrum zijn € 0,3 mln hoger dan begroot, terwijl de bijdrage aan P-Direkt € 0,1 mln en aan het Expertisecentrum € 0,5 mln lager uitvalt.

Afschrijvingskosten immaterieel

Door met name vertraging in de ontwikkeling van nieuwe systemen (Blik op 2017) zijn de afschrijvingskosten € 1,2 mln lager dan begroot.

Dotatie voorziening

De dotatie aan de voorziening claims, geschillen en rechtsgedingen is door minder claims € 0,1 mln lager dan begroot.

Balans per 31 december 2014

Bedragen x € 1.000
 

Balans 2014

Balans 2013

ACTIVA

   
     

Immateriële vaste activa

9.518

10.122

Materiële vaste activa

   

– grond en gebouwen

4.255

4.107

– installaties en Inventarissen

7.493

6.698

– overige materiële vaste activa

17.106

17.671

Voorraden

806

756

Debiteuren

13.076

9.473

Nog te ontvangen

8.240

9.262

Liquide middelen

60.029

58.414

Totaal activa

120.523

116.503

     

PASSIVA

   

Eigen vermogen

   

– exploitatiereserve 1

10.248

9.583

– onverdeeld resultaat

– 7.582

665

Voorzieningen

22.218

29.949

Leningen bij Ministerie van FIN

27.271

26.634

Crediteuren

10.967

5.383

Nog te betalen

57.401

44.289

Totaal passiva

120.523

116.503

X Noot
1

voor resultaatbestemming

Debiteuren

Onder de debiteuren (niet gesaldeerd met voorziening dubieuze debiteuren ad € 2,635 mln) zijn de volgende bedragen begrepen voor vorderingen op het Ministerie van EZ en derden:

Bedragen x € 1.000
 

2014

2013

Kerndepartement

48

116

Dienst Landelijk Gebied

33

18

Agentschap NL

0

61

Ministerie van BZK

193

0

Ministerie van FIN

164

0

Ministerie van I&M

118

0

Ministerie van OCW

2

0

Ministerie van V&J

3

0

Ministerie van VWS

2

0

Derden

15.148

11.040

Totaal

15.711

11.235

Onder nog te ontvangen bedragen zijn de volgende bedragen begrepen voor vorderingen op het Ministerie van EZ en derden:

Bedragen x € 1.000
 

2014

2013

Kerndepartement

1.371

229

RVO (voorheen DR)

1.106

706

Ministerie van VWS

34

0

Derden

5.729

8.327

Totaal

8.240

9.262

Eigen vermogen

Tabel Vermogensontwikkeling 2014

Bedragen x € 1.000

2010

2011

2012

2013

2014

1

Eigen vermogen per 01/01 1

10.889

3.661

3.920

3.859

10.248

2

Saldo van baten en lasten

– 5.587

259

– 61

665

– 7.582

3

Directe mutaties in het EV:

– 1.641

0

0

 

0

3a

Uitkering aan moederdepartement

– 1.641

0

0

 

0

3b

Bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen

0

0

0

 

0

3c

Overige mutaties

0

0

0

5.724

 

Eigen vermogen per 31/12 1

3.661

3.920

3.859

10.248

2.666

 

Omzet

 

304.205

290.643

295.481

306.756

 

Vermogensplafond (5% v gemiddeld 3 jr)

     

14.839

14.881

X Noot
1

inclusief onverdeeld resultaat

Voorzieningen

Bedragen x € 1.000
 

Boekwaarde

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde

 

1-1-2014

     

31-12-2014

Claims, geschillen en rechtsgedingen

1.283

407

– 276

– 420

994

Leegstand / afkoop gebouwen

22.208

0

0

– 3.288

18.920

Reorganisatiekosten

5.405

0

– 2.757

– 470

2.178

Personele kosten (regulier)

1.053

0

– 879

– 48

126

 

29.949

407

– 3.912

– 4.226

22.218

Claims, geschillen en rechtsgedingen

In het afgelopen jaar is de voorziening claims en geschillen € 0,4 mln gedoteerd. De vrijval en onttrekkingen bedroeg € 0,7 mln. Het saldo van deze voorzieningen van circa € 1 mln is op dit moment voldoende om aan de eventuele betaalverplichting van de lopende claims te voldoen.

Leegstand/afkoop gebouwen

Eind december is duidelijkheid ontstaan over het pand in Zwijndrecht. De laboratoriaruimten worden geschikt gemaakt voor kantoorruimten en deels verhuurd aan twee inspectiediensten. De kosten voor deze verbouwing worden deels gefinancierd uit de betreffende voorziening.

Dit heeft tot gevolg dat aan de voorziening Zwijndrecht een andere bestemming dient te worden gegeven. In overleg met de eigenaar en afstemming met SG heeft dit geresulteerd in een herbestemming van de voorziening van € 9 mln en een vrijval van € 3,3 mln. Van deze vrijval zal € 1,6 mln verrekend worden.

Reorganisatie

De NVWA heeft ultimo 2011 een voorziening van € 22,5 mln getroffen om de kosten volgend uit de reorganisatie per 01-01-2012 te financieren. Dit betreft de salaris-/WW- en materiële kosten van herplaatsingskandidaten. In 2014 is € 2,8 mln onttrokken. De benodigde voorziening voor toekomstige verplichtingen bedraagt ultimo 2014 € 2,2 mln. Hierdoor heeft een vrijval van € 0,5 mln plaatsgevonden.

Personele kosten regulier

De voorziening personele kosten regulier betreft de aanvulling op de WAO-uitkering en mogelijke aanspraak op wachtgeld bij inkomstenderving van een oud-medewerker. Daarnaast was een bedrag opgenomen voor de aftopuren van de medewerkers. Medio oktober is de definitieve verplichting van de aftopuren bepaald en € 0,9 mln onttrokken aan de voorziening en als schuld opgenomen op de balans.

Crediteuren

Onder de crediteuren zijn de volgende bedragen begrepen voor schulden aan het Ministerie van EZ en derden:

Bedragen x € 1.000
 

2014

2013

Dienst Landelijk Gebied

50

0

Agentschap NL

0

4

Dictu

4.585

1.385

Ministerie van BZK

319

0

Ministerie van FIN

33

0

Ministerie van I&M

134

0

Derden

5.846

3.994

Totaal

10.967

5.383

Onder nog te betalen bedragen / ontvangen facturen zijn de volgende bedragen begrepen voor schulden aan het Ministerie van EZ en derden:

Bedragen x € 1.000
 

2014

2013

Kerndepartement

11.380

4.485

Ministerie van VWS

2.112

5.822

Ministerie van FIN

10.500

10.157

Ministerie van SZW

172

289

Ministerie van I&M

86

145

Ministerie BZK

56

0

Ministerie BuZa

13

0

Derden

33.082

23.391

Totaal

57.401

44.289

Kasstroomoverzicht over 2014

Bedragen x € 1.000
   

– 1

– 2

(3)=(2)-(1)

   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014 + stand depositorekeningen

31.351

58.414

27.063

2.

Totaal operationele kasstroom

– 1.418

10.370

11.788

 

Totaal investeringen (–/–)

– 16.054

– 11.131

4.923

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

1.316

1.316

3.

Totaal investeringskasstroom

– 16.054

– 9.815

6.239

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 10.740

– 9.940

800

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

16.054

11.000

– 5.054

4.

Totaal financieringskasstroom

5.314

1.060

– 4.254

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

19.193

60.029

40.836

Algemene grondslagen

Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht bestaan uit de rekening-courant met het Ministerie van Financiën (Rijkshoofdboekhouding) en het kasgeld van de NVWA. Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten.

Rekening-courant RHB

Het saldo op de rekening-courant RHB per 1 januari is € 27,1 mln hoger dan begroot onder andere als gevolg van gewijzigde inzichten omtrent de afkoop van het laboratorium te Groningen. Het huurcontract van het laboratorium in Groningen wordt uitgediend. Daarnaast is er vertraging in de afkoop van de laboratoria te Zwijndrecht en Eindhoven.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is € 11,8 mln hoger als gevolg van:

  • negatief saldo van baten en lasten ten opzichte van ontwerpbegroting – € 7,6 mln;

  • uitgestelde verbouwing/afkoop laboratorium Zwijndrecht/Eindhoven ad € 18,9 mln;

  • overige balansmutaties € 0,5 mln.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is € 6,2 mln lager dan begroot door lagere investeringen in voornamelijk dienstauto’s en systeemontwikkeling ad € 4,9 mln en door desinvesteringen ad € 1,3 mln in verband met de vervanging van dienstauto’s.

In totaal is voor een bedrag van € 4,55 mln geïnvesteerd binnen de categorie systeemontwikkeling. In de categorie Grond en Gebouwen is voor € 0,7 mln geïnvesteerd. In de categorie Installaties en Inventaris is € 1,8 mln geïnvesteerd in laboratoriumapparatuur en € 0,5 mln in de aanschaf van inventaris voor de herinrichting van diverse NVWA-locaties. Daarnaast is € 3,6 mln geïnvesteerd in de categorie Overige materiële vaste activa, voornamelijk in de vervanging van dienstauto’s.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom van – € 4,3 mln wordt enerzijds veroorzaakt door minder aflossingen dan begroot (€ 0,8 mln) en anderzijds veroorzaakt doordat er in 2014 minder leningen zijn afgeroepen (– € 5,1 mln).

De liquiditeitspositie van de NVWA kan met een saldo van € 60 mln als goed worden geclassificeerd.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2014
 

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Begroting 2014

Gemiddelde Kostprijs (€/uur)

   

94,13

95,60

95

Tarieven

         

(2012 = 100)

 

100

100,06

101,62

100

Omzet per productgroep (x € mln)

         

Advies en Vertegenwoordiging

8

8,4

7,6

8,5

8,8

Communicatie

2

1,5

1,3

1,6

1,3

Incident en crisismanagement

4

6,7

5,2

6,3

4,5

Inlichtingen en opsporing

11,9

12,2

11,8

12,2

12,3

Kennis en expertise

11,3

10,6

9,2

9,1

10,2

Klantinteractie en dienstverlening

19,4

23,5

20,9

22,0

19,9

Laboratoriumonderzoek

20,4

19

16,5

20,7

21,5

Toezicht

159

151,4

149,4

168,4

142,4

FTE

         

Aantal FTE (excl. externe inhuur)

2.347

2.168

2.163

2.229

2.181

Verhouding FTE direct/indirect (excl externe inhuur)

1.802/545

1.741/427

1.733/430

1.842/387

1.760/421

Personeelskosten per fte

64.869

71.400

70.143

74.217

70.000

Saldo van baten en lasten

         

Saldo van baten en lasten als % van de totale baten

0,08%

0%

0,24%

– 2,47%

0%

Kwaliteit

         

Afhandelsnelheid informatieverzoeken, klachten en meldingen

96,80%

80%

64%

71%

95%

Naamsbekendheid

         

– spontaan

17%

20%

41,80%

42,00%

20%

– totaal (inclusief geholpen)

75%

80%

90,40%

89,00%

80%

Gemiddelde kostprijs

De kostprijs is 1,6% hoger dan in 2012. De stijging van € 1,53 wordt onder andere veroorzaakt door hogere pensioenlasten en loon- en prijsontwikkelingen (2012: € 94,07 = 100).

Afhandelsnelheid informatieverzoeken, klachten en meldingen

Burgerbrieven zijn op hoofdlijnen te splitsten in klachten eigen werk, meldingen en vragen om informatie. Elk van deze stromen kent een eigen procedure en eigen afhandelingtermijnen. Het afhandelen van de meldingen binnen 6 weken vraagt daarbij de aandacht. In 2014 is het afhandelingpercentage 71% van de meldingen binnen 6 weken. Indien een melding meer tijd vraagt dan 6 weken, ontvangt de melder een tussenmelding (uitstel van de 6 weken termijn), maar verbetering van de afhandeling is gewenst. Het afhandelingpercentage is ten opzichte van 2013 verbeterd (IMR-12 2013: 64% zonder tussenmelding en 89% met tussenmelding).

Naamsbekendheid

Sinds 2013 wordt het naamsbekendheidonderzoek NVWA uitgevoerd met een internetpanel. Hiervóór werden respondenten telefonisch benaderd. Het was bekend dat de nieuwe meetmethode een trendbreuk zou opleveren. De meting van 2013 moet daarom worden gezien als een «0-meting». Ten opzichte van 2013 laat de naamsbekendheidmeting van 2014 een geringe daling zien van 1,4 procentpunt.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is op 1 januari 2014 opgericht als fusie van de voormalige agentschappen Dienst Regelingen en Agentschap NL. In dit jaarverslag is de eerste verantwoording van dit nieuwe agentschap opgenomen.

Staat van baten en lasten

Bedragen x € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Baten

     

Omzet moederdepartement

279.813

303.448

23.635

Omzet overige departementen

70.486

83.206

12.720

Omzet derden

25.676

15.639

– 10.037

Rentebaten

10

184

174

Vrijval voorzieningen

0

8.714

8.714

Bijzondere baten

0

0

0

Totaal baten

375.985

411.191

35.206

       

Lasten

     

Apparaatskosten

     

– Personele kosten

208.177

259.455

51.278

Waarvan eigen personeel

170.062

177.726

7.664

Waarvan externe inhuur

33.805

65.938

32.133

– Materiële kosten

151.154

136.160

– 14.994

Waarvan apparaat ICT

0

0

0

Waarvan bijdrage aan SSO’s

70.695

82.192

11.497

Afschrijvingskosten

     

– Immaterieel

13.731

9.217

– 4.514

– Materieel

2.756

1.843

– 913

Overige lasten

     

– Dotaties voorzieningen

0

281

281

– Rentelasten

167

193

26

– Bijzondere lasten

0

0

0

Totaal lasten

375.985

407.149

31.164

       

Saldo van baten en lasten

0

4.042

4.042

Toelichting op de baten

Omzet moederdepartement

De omzet van het kerndepartement is ten opzichte van de begroting met 8,4% (€ 23,6 mln) gestegen. De stijging van de omzet wordt voornamelijk veroorzaakt door een her-rubricering vanuit de omzet derden vanwege de voorfinanciering door het moederdepartement van de provinciale bijdrage voor de Subsidieregeling Natuur en Landbouw. Bij de vastgestelde begroting was dit als omzet derden opgenomen.

Daarnaast is sprake van een toename van de omzet welke enerzijds wordt veroorzaakt door de uitvoering van nieuwe taken en anderzijds wijzigingen in bestaande opdrachten. Het gaat daarbij om de uitvoering van het Energie-akkoord, Green Deal, Duurzame Energie, Energie-Innovatie, Straling, Emissions Trading Scheme, de Digital Gateway, extra openstelling art. 68, Interventieregeling Rusland en de organisatie van de Hannover Messe. Verder zijn uitvoeringstaken in het kader van de subsidieafhandeling POP-2 overgekomen van Dienst Landelijk Gebied. Recent zijn de medebewindstaken vanuit de Productschappen en de Visserijregelingen aan het opdrachtenpakket toegevoegd. De financiële omvang hiervan is respectievelijk € 3,2 en € 0,5 mln.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen betreft de uitvoering van opdrachten voor diverse ministeries, waarbij de Ministeries van Buitenlandse zaken en Binnenlandse zaken in 2014 de grootste zijn.

De omzet overige departementen is ten opzichte van de begroting toegenomen met 18,0% (€ 12,7 mln). De stijging van de omzet wordt voornamelijk veroorzaakt door onder meer de uitbreiding van de opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met het Dutch Good Growth Fund, de organisatie van de Hannover Messe en de uitbreiding van een aantal bestaande opdrachten. Voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is de opdracht Subsidieregeling Praktijkleren aan het pakket toegevoegd.

Bedragen x € 1.000
 

oorspronkelijke vastgestelde begroting 2014

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting

Ministerie van Buza

50.769

55.696

4.927

Ministerie van BZK

10.000

12.858

2.858

Ministerie van I&M

7.514

10.120

2.606

Ministerie van OCW

738

2.643

1.905

Ministerie van SZW

400

385

– 15

Ministerie van V&J

930

481

– 449

Ministerie van VWS

135

302

167

Overige

0

721

721

Totaal

70.486

83.206

12.720

Omzet derden

Omzet derden betreft heffingen, leges, registratievergoedingen. Daarnaast heeft deze omzet ook betrekking op de opdrachten voor de Europese Unie en diverse overige opdrachtgevers.

De daling van de omzet wordt voornamelijk veroorzaakt door een her-rubricering naar de omzet moederdepartement, vanwege de voorfinanciering door het moederdepartement van de provinciale bijdrage voor de Subsidieregeling Natuur en Landbouw. Bij de vastgestelde begroting was dit als omzet derden opgenomen.

In de omzet derden zijn bijdragen van derden opgenomen in de uitvoeringskosten van opdrachten van het moederdepartement. Deze bijdragen zijn op de omzet moederdepartement in mindering gebracht. De I&R Schapen en Geiten is per 1-1-2014 beëindigd.

Bedragen x € 1.000
 

Realisatie 2014

Begroting 2014

Bijdrage moederdepartement in de uitvoeringskosten

   

Overig (natuurbeheer SNL)

1.265

Mest

1.413

1.600

I&R Schapen en Geiten

I&R Hond

63

Grondkamers

2.060

1.900

CITES, Flora- en Faunawet

687

423

 

5.488

3.923

     

Overige opdrachten bijdrage derden

   

Overig

5.499

16.753

I&R Runderen en Varkens

4.298

5.000

Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen

354

 

10.151

21.753

     

Totaal

15.639

25.676

Toelichting op de lasten

De lasten zijn ten opzichte van de begroting met 8,3% gestegen. Hieronder worden ze toegelicht.

Personele kosten

De totale personeelskosten zijn 24,6% hoger dan de begroting 2014 weergaf. Dit hangt samen met het gegroeide opdrachtenpakket. De loonkosten, bestaande uit lonen en salarissen, pensioenlasten, overige sociale lasten en inhuur, stijgen met 4,5%. Dit wordt veroorzaakt door verschuiving van kosten door de verambtelijking van externe medewerkers.

De personele kosten vallen in totaal circa € 51,2 mln hoger dan begroot uit. Dit verschil heeft een aantal verklaringen:

  • De kosten voor eigen personeel vallen onder meer hoger uit (circa € 7,7 mln) door de invaringen van de medebewindsorganisatie en de afdeling visserijregelingen vanuit het kerndepartement (circa € 3,0 mln). In de begroting was uitgegaan van 2.217 fte ambtelijke formatie voor 2014. Per 31-12-2014 waren 2.611 fte in ambtelijke dienst. De gemiddelde loonkosten per fte bedragen in 2014 € 70.721. Daarnaast is sprake van de verambtelijking van externe medewerkers in het derde kwartaal van 2014 welke nog niet in de begroting was opgenomen.

  • De kosten voor externe inhuur zijn circa € 32,1 mln hoger dan begroot. Enerzijds betreft dit de externe inzet in verband met een groter dan het bij de begroting bekende werkpakket. Anderzijds heeft inhuur plaatsgevonden in verband met de fusie en de daarmee samenhangende samenvoeging van de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld voor financiën, ICT en inkoopprocessen.

  • Het verschil in de andere personele kosten € 11,3 mln wordt veroorzaakt door een herschikking van materiële kosten naar personele kosten. Deze herschikking is het gevolg van uniformering van de financiële administratie bij de start van RVO.

Materiële kosten

Van de lager dan begrote realisatie op het totaal van de materiële kosten ad € 15 mln wordt voor € 11,3 mln veroorzaakt door de eerdergenoemde her-rubricering van materiële kosten naar personele kosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten voor zowel immateriële als materiële vaste activa zijn lager dan begroot. Voor de materiele vaste activa is € 0,9 mln minder afgeschreven. Dit houdt verband met een fors lager investeringsniveau in materiele vaste activa dan begroot. De afschrijvingskosten voor de immateriële vaste activa vallen circa € 4,5 mln lager uit dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door een lager investeringsniveau in ICT in 2014. Daarnaast heeft activering later in het jaar plaatsgevonden, waardoor er van minder afschrijvingstermijnen dan begroot sprake is.

Saldo van baten en lasten

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland sluit het jaar met een positief resultaat van € 4,0 mln. In dit resultaat is een éénmalige post verwerkt in verband met vrijval van voorzieningen (– € 8,4 mln). Het operationele resultaat bedraagt derhalve € 4,4 mln negatief als gevolg van hogere bedrijfsvoeringskosten en de invaringen in de loop van het jaar 2014 van de Productschappen en de Visserijregelingen.

Balans per 31 december 2014

Bedragen x € 1.000
 

Balans 31-12-2014

Balans 01-01-2014

Activa

   

Immateriële vaste activa

30.071

21.331

Materiële vaste activa

   

– verbouwingen

9.050

10.024

– installaties en inventarissen

2.784

2.737

Debiteuren

4.848

3.981

Nog te ontvangen

15.967

20.500

Liquide middelen

96.537

111.264

Totaal activa:

159.257

169.837

     

Passiva

   

Eigen Vermogen

   

– exploitatiereserve

20.115

20.429

– surplus exploitatiereserve

314

4.615

– onverdeeld resultaat

4.042

0

Leningen bij het MvF

2.163

5.057

Voorzieningen

0

8.960

Crediteuren

9.438

22.995

Nog te betalen

123.185

107.781

Totaal passiva

159.257

169.837

Toelichting op de balans

Voorzieningen

Bedragen x € 1.000
 

Boekwaarde

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde

 

1/1/2014

     

31/12/2014

Voorziening Reorganisatie

8.960

 

– 570

– 8.390

0

De onttrekking uit de voorziening reorganisatie betreffen ontslagvergoedingen en vrijstellingen uren in verband met sollicitatieverlof van medewerkers van CapitalP en de verambtelijking van deze medewerkers.

Eigen Vermogen

Het eigen vermogen bestaat uit een exploitatiereserve en het onverdeeld resultaat. Het eigen vermogen ultimo jaar bedraagt € 24,5 mln. Dat is meer dan 5% van de jaaromzet van 2014. De maximale toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt € 20,1 mln, zijnde 5% van € 402 mln omzet. Inclusief het resultaat over 2014 bedraagt het saldo van de exploitatiereserve € 24,5 mln. Bij de eerstvolgende suppletoire wet zal het surplus worden afgedragen aan het moederdepartement.

Bedragen x € 1.000
 

2014

1 Eigen vermogen per 1/1 1

25.044

   

2 Saldo van baten en lasten

4.042

   

3 Directie mutaties in het eigen vermogen:

 

– 3a uitkering aan moederdepartement

– 4.615

– 3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV

0

– 3c overige mutaties

0

4 Eigen vermogen per 31/121

24.471

X Noot
1

incl. onverdeeld resultaat

Crediteuren

Onder de crediteuren en de nog te betalen bedragen zijn de volgende bedragen begrepen voor schulden aan het Ministerie van EZ en overige departementen (exclusief te verrekenen omzet):

Bedragen x € 1.000
 

31-12-2014

1-1-2014

Kerndepartement

2.319

22.713

Agentschap DLG

0

363

Agentschap DICTU

8.375

24.343

Ministerie van Buitenlandse Zaken

26.641

2.948

Ministerie van Financiën

41

0

Ministerie van Volksgezondheid

129

0

Ministerie van Binnenlandse Zaken

2.487

0

Ministerie van Algemene Zaken

20

0

Ministerie van OCenW

310

0

Totaal

40.322

50.367

Debiteuren

Onder de debiteuren en de nog te ontvangen bedragen zijn de volgende bedragen begrepen voor vorderingen op het Ministerie van EZ en overige departementen (exclusief te verrekenen omzet):

Bedragen x € 1.000
 

31-12-2014

1-1-2014

Kerndepartement

0

1.863

Agentschap DICTU

0

1.515

Agentschap NVWA

94

3

Agentschap DLG

26

0

Rijksgebouwendienst

86

0

Ministerie van Binnenlandse Zaken

6

10

Ministerie van Buitenlandse Zaken

150

8.054

Ministerie van Defensie

70

0

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

260

0

Ministerie van Sociale Zaken

16

0

Ministerie van Veiligheid en Justitie

372

0

Ministerie van Volksgezondheid

13

0

Ministerie van Financiën

19

0

Totaal

1.112

11.445

Kasstroomoverzicht over 2014

Bedragen x € 1.000
   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

   

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

2014

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014 + stand depositorekeningen

81.787

111.264

29.477

2.

Totaal operationele kasstroom

13.582

7.494

– 6.088

 

Totaal investeringen (–/–)

– 11.950

– 18.900

– 6.950

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

– 382

– 382

 

Totaal waardeverminderingen

0

27

27

3.

Totaal investeringskasstroom

– 11.950

– 19.255

– 7.305

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 5.416

– 2.966

2.450

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 5.416

– 2.966

2.450

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

78.003

96.537

18.534

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van de baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal. De gerealiseerde operationele kasstroom is € 6 mln lager dan begroot door afname van de hoogte van de voorzieningen en lagere afschrijvingskosten. De gerealiseerde investeringsstroom is € 7,3 mln hoger. Dit wordt veroorzaakt door hogere investeringen in de activa in aanbouw.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2014

Omschrijving

Realisatie 2014

Begroting 2014

Inputindicatoren

   

Kernindicatoren

   

Verhouding direct/indirect personeel

81,2%

84,0%

     

Outputindicatoren

   

Kernindicatoren

   

Tariefindex in reële termen

101,1

100,0

Totaal aantal ambtelijk fte werkzaam excl. externe inhuur

2.611

2.217

Saldo baten en lasten als percentage van totale baten

0,70%

0%

     

Kwaliteitsindicatoren

   

Kernindicatoren

   

Klanttevredenheid

7,3

7,3

Gehonoreerde bezwaarschriften

30%

25%

Toelichting

Inputindicatoren

De verhouding direct/indirect is gedaald door werkzaamheden voortvloeiend uit de fusie en reorganisatie.

Outputindicatoren

De tariefindex is in 2014 gecorrigeerd met 1,1%. Het aantal ambtelijk fte is toegenomen door de verambtelijking van CapitalP-medewerkers medio 2014.

Kwaliteitsindicatoren

De klanttevredenheid is met 7,3% gelijk aan voorgaande jaren van de voormalige gefuseerde agentschappen.

In 2014 heeft RVO 5.295 bezwaren afgehandeld. Daarvan zijn 1.567 bezwaren (deels) gegrond verklaard.

1.4.4 Saldibalans EZ per 31 december 2014

Saldibalans per 31 december 2014 van het Ministerie van Economische Zaken (Hoofdstuk XIII) (bedragen x € 1.000)
 

Activa

31-12-2014

31-12-2013

 

Passiva

31-12-2014

31-12-2013

1)

Uitgaven ten laste van de begroting

4.935.648

5.014.864

2)

Ontvangsten ten gunste van de begroting

11.485.654

17.974.573

3)

Liquide middelen

74.978

96.711

       

4)

Rekening-courant RHB

6.043.068

12.348.889

       

5)

Rekening-courant RHB

Begrotingsreserves

1.004.957

669.155

5a)

Begrotingsreserves

1.004.957

669.155

6)

Uitgaven buiten begrotingsverband (=intra-comptabele vorderingen)

639.932

810.574

7)

Ontvangsten buiten begrotingsverband (=intra-comptabele schulden)

207.971

296.465

 

Subtotaal

12.698.583

18.940.193

 

Subtotaal

12.698.583

18.940.193

9)

Openstaande rechten

   

9a)

Tegenrekening openstaande rechten

   

10)

Extra-comptabele vorderingen

4.066.499

3.784.568

10a)

Tegenrekening extra-comptabele vorderingen

4.066.499

3.784.568

11a)

Tegenrekening extra-comptabele schulden

   

11)

Extra-comptabele schulden

   

12)

Voorschotten

8.520.849

12.056.297

12a)

Tegenrekening voorschotten

8.520.849

12.056.297

13a)

Tegenrekening garantieverplichtingen

4.590.607

5.054.337

13)

Garantieverplichtingen

4.590.607

5.054.337

14a)

Tegenrekening openstaande verplichtingen

21.313.530

21.281.928

14)

Openstaande verplichtingen

21.313.530

21.281.928

15)

Deelnemingen

1.436.773

1.435.000

15a)

Tegenrekening deelnemingen

1.436.773

1.435.000

 

Totaal

52.626.841

62.552.323

 

Totaal

52.626.841

62.552.323

Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften wordt afgeweken is dit nader toegelicht.

Alle bedragen zijn opgenomen in duizenden euro’s tenzij anders vermeld. In de saldibalans zijn de bedragen overeenkomstig de voorschriften naar boven afgerond. In de toelichting zijn de bedragen op de standaard wijze afgerond. Door afronding van bedragen op duizenden euro’s in de toelichting kunnen totaaltellingen niet aansluiten bij de som der delen en of met het bedrag van de saldibalans.

Toelichting per balanspost

Balanspost 1 Uitgaven ten laste van de begroting 2014

4.935.648

De uitgaven over 2014 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van EZ (hoofdstuk XIII), onderdeel uitgaven, artikelen 11 t/m 14, 16 t/m 18 en 40.

Balanspost 2 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2014

11.485.654

De ontvangsten over 2014 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van EZ (hoofdstuk XIII), onderdeel ontvangsten, artikelen 11 t/m 14, 16 t/m 18 en 40.

Balanspost 3 Liquide middelen

74.978

De post liquide middelen bestaat uit de aanwezige banksaldi bij kasbeheerders inzake contante waarborgen en enkele kleine kassen. Tevens is hierin opgenomen het saldo van de bankrekening van EZ bij het Groenfonds per 31 december 2014 ad. € 67,4 mln.

Balanspost 4 Rekening-Courant Rijkshoofdboekhouding

6.043.068

Op de rekening-courant Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding tussen EZ en de Rijksschatkist van het Ministerie van Financiën per 31 december 2014 geadministreerd. Het bedrag op de saldibalans is overeenkomstig de saldo opgave per 31 december 2014 van het Ministerie van Financiën.

Balanspost 5 en 5a Begrotingsreserve

1.004.957

De Rekening-Courant RHB Begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening die EZ aanhoudt op afzonderlijke rekening-couranten bij het Ministerie van Financiën.

Toelichting

EZ maakt gebruik van dertien interne begrotingsreserves. De toevoegingen aan en onttrekkingen van deze reserves die respectievelijk ten laste of ten gunste van de begroting plaatsvinden zijn in het jaarverslag toegelicht bij de aangegeven artikelen.

De post Rekening-Courant RHB Begrotingsreserve is per 31 december 2014 als volgt opgebouwd:

Reserves artikel 13

 

Begrotingsreserve scheepsbouwgarantie

10.044

Begrotingsreserve Garantie Ondernemersfinanciering

55.009

Begrotingsreserve BMKB

66.555

Begrotingsreserve groeifacililteit

5.000

Begrotingsreserve garantie MKB-faciliteiten

9.000

Reserves artikel 14

 

Begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

Begrotingsreserve garantieregeling geothermie

20.036

Begrotingsreserve duurzame energie

594.363

Reserves artikel 16

 

Begrotingsreserve Landbouw

33.248

Begrotingsreserve Visserij

13.425

Begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

41.290

Begrotingsreserve apurement

150.304

Reserve artikel 17

 

Begrotingsreserve groen onderwijs

83

   

Totaal begrotingsreserves

1.004.957

Balanspost 6 Uitgaven buiten begrotingsverband

639.932

Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die niet ten laste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze uitgaven met derden zullen worden verrekend.

Toelichting

De uitgaven buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

EU uitgaven ELGF

561.603

Opdrachten derden

29.887

EU uitgaven ELFPO

15.583

Vorderingen inzake uitvoering POP2

12.177

Vordering ILG

10.030

Steunmaatregelen PPE

2.950

Vordering EU inzake dierziektebestrijding

1.602

Salarisvoorschotten

1.039

Diverse

5.060

   

Totaal

639.932

EU uitgaven ELGF en ELFPO

De gelden die EZ voor de Europese fondsen ELGF en ELFPO voorfinanciert betreffen de declaraties van de maanden november (16/10 – 30/11) en december. De gedeclareerde bedragen van deze maanden zijn in 2015 ontvangen respectievelijk in de maanden januari en februari. De navolgende tabellen geven inzicht in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het ELGF en ELFPO van de jaren waarvan de declaraties nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

EU uitgaven ELGF

 

Omschrijving

Bedrag

Restant ELGF vordering voorgaand dienstjaar

1.223

 

Boekjaar 2014, in 2013 gerealiseerde uitgaven 1 (+)

746.755

Vordering 31 december 2013

747.978

 

Boekjaar 2014, in 2014 gerealiseerde uitgaven (+)

73.010

 

Ontvangsten uit ELGF boekjaar 2014 (–/–)

817.906

 

Afrekening 2013 (–/–)

1.223

Te weinig ontvangen boekjaar 2014 2

 

1.859

 

Boekjaar 2015, in 2014 gerealiseerde uitgaven (+)

559.743

Vordering 31 december 2014

561.603

X Noot
1

Het boekjaar voor het ELGF loopt van 16 oktober tot en met 15 oktober van het volgende jaar.

X Noot
2

De jaardeclaratie is lager vastgesteld dan de maandelijkse gedeclareerde bedragen. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2014 in 2015 definitief vaststellen en het te weinig ontvangen bedrag verrekenen.

EU uitgaven ELFPO

 

Omschrijving

Bedrag

Restant ELFPO schuld voorgaand dienstjaar

– 254

 

Boekjaar 2014, in 2013 gerealiseerde uitgaven 1 (+)

24.828

Vordering 31 december 2013

 

24.574

 

Boekjaar 2014, in 2014 gerealiseerde uitgaven (+)

86.272

 

Ontvangsten uit ELFPO boekjaar 2014 (–/–)

111.270

 

Afrekening 2013 (–/–)

254

Te veel ontvangen boekjaar 2014 2

– 170

 

Boekjaar 2015, in 2014 gerealiseerde uitgaven (+)

15.753

Vordering 31 december 2014

15.583

X Noot
1

Het boekjaar voor het ELFPO loopt van 16 oktober tot en met 15 oktober van het volgende jaar

X Noot
2

De jaardeclaratie is lager vastgesteld dan de per kwartaal gedeclareerde bedragen. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2014 in 2015 definitief vaststellen en het teveel ontvangen bedrag verrekenen.

Opdrachten derden

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Dienst Landelijk Gebied voeren opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke, particuliere en Europese organisaties.

Vorderingen inzake uitvoering POP 2

DLG en RVO voeren de regelingen en projecten POP 2 uit die bij het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling declarabel zijn. Bij deze uitvoering is er ook sprake van financiering door derden zoals provincies. Het bedrag onder deze post bestaat uit vorderingen op deze medefinanciers.

Vordering ILG

Dienst Landelijk Gebied draagt zorg voor de uitvoering van de ILG. De dienst heeft gesaldeerd een bedrag te vorderen van de provincies.

Steunmaatregelen PPE

Vordering op Productschap Pluimvee en Eieren voor de uitvoering van met name de steunmaatregel salmonella.

Vordering EU inzake dierziektebestrijding

Vordering op EU inzake uitvoering dierziektebestrijding (salmonella, bse).

Salarisvoorschotten

Dit betreft vooruitbetalingen aan personeel inzake salarissen en diverse vergoedingen in afwachting van definitieve verrekening.

Balanspost 7 Ontvangsten buiten begrotingsverband

207.971

Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die niet ten gunste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze ontvangsten zullen worden verrekend.

Toelichting:

De ontvangsten buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Opdrachten derden

115.762

ELFPO werkkapitaal

34.056

Te verrekenen met provincies pop-gelden

20.986

Ontvangst EFRO

18.539

Octrooitaxen

7.724

Contante waarborgen productschappen

4.598

Diverse

6.306

   

Totaal

207.971

Opdrachten derden

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voert opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke, particuliere en Europese organisaties.

ELFPO werkkapitaal

In verordening (EG) nr. 1290/2005 (art 25 lid 1) is bepaald dat na vaststelling door de commissie van het programma voor plattelandsontwikkeling (2007 – 2013) een voorfinanciering van 7% zal plaatsvinden van de bijdrage uit het ELFPO voor het betreffende programma. In 2007 heeft de commissie het programma voor plattelandsontwikkeling van Nederland goedgekeurd en de voorfinanciering aan EZ betaald. Bij de afsluiting van het programma zal het werkkapitaal worden verrekend.

Te verrekenen met provincies pop-gelden

In 2013 heeft RVO POP-regelingen uitgevoerd die vanwege overschrijding van bestedingslimieten nog niet bij de EC declarabel waren. De provincies hebben destijds de financiering van het EC-deel voor hun rekening genomen. Na goedkeuring van de wijziging van de bestedingslimieten heeft RVO in 2014 de betreffende uitgaven alsnog gedeclareerd bij de EC. Met de provincies is overeengekomen dat de van de EC ontvangen bedragen in een later stadium worden ingezet op pop-projecten.

Ontvangst EFRO

RVO draagt als certificeringsautoriteit zorg voor het declareren van subsidiabele bedragen bij het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en voor het verdelen van het door het Fonds betaalde bedragen. Het bedrag onder deze post is bestemd voor provincie Noord-Brabant.

Octrooitaxen

RVO zorgt voor inning van deze taxen en stort vervolgens deze bedragen door naar het Europese Octrooibureau.

Contante waarborgen productschappen

De productschappen ontvangen per bank gelden van het bedrijfsleven als zekerheidsstelling voor in- en uitvoercertificaten en uitvoerrestituties. Als aan de voorwaarden voor de certificaten en restituties is voldaan dan betalen de productschappen op verzoek van de belanghebbende de bedragen terug.

Balanspost 10 Extra Comptabele Vorderingen

4.066.499

De extra comptabele vorderingen hebben betrekking op nog te ontvangen middelen die voortkomen uit uitgaven die ten laste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend.

Direct opeisbare vorderingen

297.742

Op termijn opeisbare vorderingen

565.320

Geconditioneerde vorderingen

3.203.437

   

Totaal

4.066.499

Toelichting:

Direct opeisbare vorderingen per 31 december 2014:

Bedrag

Vorderingeninzake uitvoering beleid

183.740

Opgelegde boetes ACM

105.655

Diverse

8.347

   

Totaal

297.742

Vorderingeninzake uitvoering beleid

EZ heeft vorderingen opgelegd voortkomend uit subside vaststellingen van diverse regelingen, het verstrekken van vergunningen en heffingen voor diverse economische activiteiten.

Opgelegde boetes ACM

Voor de uitvoering van de mededingingswet heeft ACM boetes opgelegd.

Toelichting

Op termijn opeisbare vorderingen per 31 december 2014:

Bedrag

Leningen

232.652

Kredietregelingen RVO

214.831

Provincies BBL

85.000

Opgelegde boetes ACM

27.933

Diverse

4.904

   

Totaal

565.320

Leningen

De leningen kunnen als volgt geworden gespecificeerd:

Bedrag

Wageningen Universiteit / Stichting DLO

86.499

Microkrediet Nederland

46.966

Energieonderzoek Centrum Nederland

25.260

NV Industriebank Limburgse Ontwikkelings- en Investeringsmaatschappij

20.882

Biopartner

13.524

Pallas

11.393

Nedermaas

8.542

Eindhoven

7.000

Diverse

12.584

   

Totaal

232.652

Kredietregelingen RVO

RVO voert regelingen uit waarbij kredieten beschikbaar worden gesteld voor ontwikkelingen en innovatie op het gebied van technologie, nieuwe producten etc. Voor het terugbetalen van deze kredieten zijn betalingsregelingen getroffen. Dit geldt ook voor een aantal vorderingen die voortkomen uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen en vertrekte vergunningen en heffingen.

Provincies BBL

Het betreft hier vorderingen op een aantal provincies die voortkomen uit de verkoop van gronden die werden beheerd door het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL). Dit volgens de bestuursovereenkomst grond die in 2013 tussen de provincies en EZ is gesloten.

Opgelegde boetes ACM

Voor de uitvoering van de mededingingswet heeft ACM boetes opgelegd.

Toelichting

De geconditioneerde vorderingen per 31 december 2014:

Bedrag

   

Gestelde zekerheden

1.497.961

BBL

748.481

BBMKB

335.807

Geconditioneerde vorderingen

318.318

Kredietregelingen

245.579

Garantie Ondernemingsfinanciering

45.050

Diverse

12.241

   

Totaal

3.203.437

Gestelde zekerheden

Dit betreffen zekerheden die bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid worden gevraagd. De uitvoering hiervan vindt plaats bij RVO.

BBL

Het saldo van de landbouwgronden bestaat voornamelijk uit een langlopend renteloos voorschot van EZ aan het BBL van € 362 mln waarvoor door het BBL gronden zijn verworven die na doorlevering door het Bureau aan eindbeheerders leiden tot doelrealisatie. Daarnaast is er een bedrag van € 332 mln nog te vorderen uit hoofde van landinrichtingsrente door grondeigenaren te betalen in afgesloten landinrichtingsprojecten, welke in het algemeen in 26 jaar worden geïnd. Voorts heeft Dienst Landelijk Gebied nog € 55 mln te vorderen uit hoofde van nog niet afgesloten landinrichtingsprojecten.

BBMKB

Op basis van het besluit Borgstelling MiddenKleinbedrijf (BBMKB) verstrekken deelnemende banken krediet aan een ondernemer onder garantie (borgstelling) van de Staat. Op het moment dat de bank de garantie aanspreekt betaalt RVO de claim uit aan de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. De bank heeft conform de regeling een volgplicht. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

Geconditioneerde vorderingen

De geconditioneerde vorderingen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 

Bedrag

Nederlandse Defensie Industrie

275.470

Nederlandse Participatie Exchange Holding bv

29.074

United Nations Univesity

6 807

TRN Toerisme Recreatie Nederland

1 500

Diverse

5.467

   

Totaal

318.318

Kredietregelingen

RVO voert een aantal regelingen uit waarbij kredieten voor diverse beleidsdoelstellingen beschikbaar worden gesteld. Het gaat hier onder andere om kredieten voor technische ontwikkeling, elektronische diensten ontwikkeling, milieugerichte productontwikkeling, technische ontwikkelingsprojecten, startende ondernemingen en vroege fase financiering. De aanvragers kunnen een vooraf overeengekomen tijd over deze kredieten beschikken en betalen de kredieten terug als bepaalde verwachte ontwikkelingen en of condities zich hebben voorgedaan zoals het behalen bepaalde omzet, winst, rendementen, aandelenverkoop etc.

Garantie Ondernemingsfinanciering

Met deze regeling worden ondernemers in staat gesteld om bankleningen te verkrijgen zodat ondernemen mogelijk blijft. EZ staat garant voor middelgrote en grote leningen waardoor het risico voor de bank op de bedrijfsfinanciering kleiner wordt. Bij aanspraak van de bank op de claim betaalt RVO de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

Balanspost 11 Extra comptabele schulden

Nihil

Balanspost 12 Voorschotten

8.520.849

Onder voorschotten wordt verstaan de vooruit verstrekte gelden, welke op 31 december 2014 nog niet waren verrekend.

Toelichting

Beleidsartikelen

2010

en eerder

2011

2012

2013

2014

Totaal

11 Goed functionerende economie en markten

1.772

1.409

2.827

3.153

172.696

181.857

12 Een sterk innovatievermogen

116.422

133.305

164.003

253.247

526.570

1.193.547

13 Een excellent ondernemingsklimaat

21.167

17.180

36.213

91.260

206.091

371.911

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2.359.385

626.113

721.049

709.978

780.173

5.196.698

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

39.125

19.828

27.923

205.211

256.939

549.026

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

19.814

8.882

19.474

27.726

86.768

162.664

18 Natuur en regio

248.713

143.838

102.552

150.403

167.723

813.229

40 Apparaat

           

Buiten begrotingsverband

5.712

2.405

3.425

1.822

38.553

51.917

Totaal

2.812.110

952.960

1.077.466

1.442.800

2.235.513

8.520.849

Verloop van de voorschotten gedurende het dienstjaar 2014

Bedrag

Beginstand 1 januari 2014

12.056.297

Verstrekte voorschotten

2.318.433

Eindafgerekende voorschotten

5.853.882

Eindstand 31 december 2014

8.520.849

De mutaties buiten begrotingsverband hebben betrekking op voorschotten die door EZ zijn verstrekt maar waarvan financiering door derden plaatsvindt. De voorschotten die verstrekt zijn door EZ namens de volgende opdrachtgevers zijn niet in de openstaande voorschotten buiten begrotingsverband meegenomen:

  • Ministerie van Binnenlandse Zaken;

  • Ministerie van Infrastructuur en Milieu;

  • Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap;

  • De provincies;

  • De Europese Commissie.

In 2014 hebben een aantal grote subsidie vaststellingen plaatsgevonden waardoor de stand openstaande voorschotten behoorlijk is gedaald. Het gaat hier onder andere om de vaststelling van de verplichtingen die in het kader van de wet Inrichting Landelijk Gebied in de administratie voorkwamen (€ 2.481 mln) en de verplichting aan het CBS voor een bedrag van € 945 mln.

Balanspost 13 Garantieverplichtingen

4.590.607

De garantieverplichtingen per 31 december 2014 zijn voorwaardelijke financiële verplichtingen aan derden die pas tot uitbetaling als bij de wederpartij zich bepaalde omstandigheden voordoen.

Toelichting

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2014

In 2014 aangegaan +

Bijstellingen –/–

Uitgaven

–/–

Stand per 31-12-2014

11 Goed functionerende economie en markten

60.000

 

10.000

 

50.000

13 Een excellent ondernemingsklimaat

2.973.833

516.609

697.951

117.821

2.674.670

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1.143.765

526

87.500

3.500

1.053.291

16 Concurrerende duurzame veilige agro-, visserij- en voedselketens

395.183

28.537

79.938

 

343.782

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

48.388

7.000

1.669

 

53.719

18 Natuur en regio

433.168

 

18.023

 

415.145

40 Apparaat

         

Totaal

5.054.337

552.672

895.080

121.321

4.590.607

Onder de post garantieverplichtingen zijn ook opgenomen de garantieverplichtingen die vallen onder het domein van het schatkistbankieren van het Ministerie van Financiën. Dit is aan de orde bij de artikelen 11, 14 (COVA) en 17.

Vanwege administratief technische redenen zijn de uitgaven van de garantieverplichtingen van artikel 16 verantwoord onder de saldibalanspost openstaande verplichtingen voor een bedrag van € 23,7 mln.

Balanspost 14 Openstaande verplichtingen

21.313.530

De openstaande verplichtingen per 31 december 2014 kunnen vanaf 2015 tot betaling leiden.

Toelichting

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2014

In 2014 aangegaan

Negatieve bijstelling

–/–

Uitgaven

–/–

Stand per 31-12-2014

11 Goed functionerende economie en markten

18.750

195.558

2.195

197.270

14.843

12 Een sterk innovatievermogen

1.108.899

656.850

72.040

695.721

997.988

13 Een excellent ondernemingsklimaat

225.662

240.881

3.212

287.119

176.212

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

18.061.046

2.645.675

1.080.100

1.438.386

18.188.235

16 Concurrerende, duurzame veilige agro-, visserij- en voedselketens

333.322

700.592

24.792

660.123

348.999

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

746.103

855.304

2.192

807.497

791.718

18 Natuur en regio

314.577

392.375

15.546

337.416

353.990

40 Apparaat

 

390.795

 

390.795

 

Buiten begrotingsverband

473.570

144.274

76.226

100.072

441.546

Totaal

21.281.928

6.222.304

1.276.303

4.914.399

21.313.530

Voor de openstaande verplichtingen is voor wat betreft het onderdeel buiten begrotingsverband dezelfde verantwoordingswijze toegepast als bij de openstaande voorschotten.

Balanspost 15 Deelnemingen

1.436.773

Toelichting

De specificatie van de deelnemingen van EZ is als volgt:

Naam

Nominaal

Betaald

 
 

Ultimo 2013

Ultimo 2014

Ultimo 2013

Ultimo 2014

Deeln.%

N.V. NOM

51.880

51.880

51.880

51.880

99,9

           

N.V. BOM

16.587

16.587

18.524

18.524

49,9

           

N.V. Zuidvleugel

7.000

10.000

7.000

10.000

36,1

           

N.V. LIOF

50.373

50.373

50.373

50.373

94,4

           

GasTerra B.V.

18.000

18.000

18.151

18.000

10

           

EBN NV

128.138

128.138

1.243.358

1.242.281

100

           

Oost N.V.

32.751

32.751

45.714

45.714

55,9

           

Totaal

304.729

304.729

1.435.000

1.436.773

 

1.4.5 Topinkomens

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financieel jaarverslag. Deze publicatieplicht geldt tevens voor topfunctionarissen die bij een WNT-instelling geen – al dan niet fictieve – dienstbetrekking hebben of hadden. Daarnaast moeten van niet-topfunctionarissen de bezoldiging en/of eventuele ontslaguitkeringen (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het wettelijk maximum te boven gaan. Niet-topfunctionarissen zonder dienstverband vallen echter buiten de reikwijdte van de wet.

Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De bezoldigingsgegevens van de leden van de Top Management Groep zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het wettelijk bezoldigingsmaximum bedraagt in 2014 € 230.474.

1. Bezoldiging van Topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen

Naam orgaan of instelling waar functie wordt bekleed

Naam

Functie(s)

Aard van de functie

Datum aanvang dienstverband in het boekjaar (indien van toepassing)

Datum einde dienstverband in het boekjaar (indien van toepassing)

Omvang dienstverband (in FTE)

Op externe inhuur basis

Beloning

Onkosten vergoedingen (belast)

Voorziening t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn

Totale bezoldiging in 2014

Motiveringoverschrijding norm (indien van toepassing)

ZBO ACM

C.A. Fonteijn

Voorzitter RVB

Topfunctionaris

   

1,0

nee

180.299

6.400

31.591

218.290

 

ZBO ACM

F.J.H. Don

Bestuurslid

Topfunctionaris

   

0,84

nee

123.492

6.400

21.357

151.249

 

ZBO ACM

J.G. Vegter

Bestuurslid

Topfunctionaris

   

1,0

nee

136.801

6.400

23.539

166.740

 

Raad voor de Plantenrassen

L.van Vloten-Doting

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,1

nee

0

0

0

01

 

Grondkamer Noord

T.K. Hoogslag

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

24.988

0

4.105

29.093

 

Grondkamer Noordwest

J.H. Huijzer

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

27.073

0

3.115

30.188

 

Grondkamer Zuid

J.P.M. van der Ham

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

24.988

0

4.105

29.093

 

Grondkamer Oost

J.K.B. van Daalen

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

24.988

0

4.459

29.447

 

Grondkamer Zuidwest

H.A. Witsiers

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

24.988

0

4.105

29.093

 

Kamer voor de Binnenvisserij

L.W.Bartelse

Voorzitter

Topfunctionaris

   

0,29

nee

24.988

0

4.105

29.093

 

Grondkamer Noordwest, Oost en Kamer vd Binnenvisserij en plv secr. Noord, Zuid en Zuidwest

G.J.M. Krekel

Secretaris

Topfunctionaris

   

1,0

nee

77.503

594

12.563

90.660

 

Grondkamer Noord, zuid en Zuidwest en plv. secr. Oost

C.M. Lubbers

Secretaris

Topfunctionaris

   

1,11

nee

83.077

187

13.397

96.661

 

Grondkamer Noord, oost, zuid, zuidwest en Noordwest

D.Ozdemir

Secretaris

Topfunctionaris

   

1,0

Nee

53.760

0

8.168

61.928

 

Centrale Commissie Dierproeven

L. Hellebrekers

Voorzitter

Topfunctionaris

12-12-2014

 

0,22

Nee

0

0

0

0

 

Centrale Commissie Dierproeven

E.N. Stassen

Lid

Topfunctionaris

12-12-2014

 

0,11

Nee

0

0

0

0

 

Centrale Commissie Dierproeven

T. Rijnders

Lid

Topfunctionaris

12-12-2014

 

0,11

Nee

0

0

0

0

 

Centrale Commissie Dierproeven

B.Blaauboer

Lid

Topfunctionaris

12-12-2014

 

0,11

Nee

0

0

0

0

 

Centrale Commissie Dierproeven

F.A. Klatter

Lid

Topfunctionaris

12-12-2014

 

0,11

Nee

0

0

0

0

 

Grondkamer Oost

Aalberts WJ

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

10.949

0

0

10.949

 

Grondkamer Zuidwest

Akkermans, J.H.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

5.865

0

0

5.865

 

Grondkamer Noordwest

Bakker R

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

6.117

0

0

6.117

 

Grondkamer Zuidwest

Bassa, D.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.508

0

0

4.508

 

Grondkamer Oost

Bouman, H.B.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

10.454

0

0

10.454

 

Grondkamer Oost

Broekhof F.A.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

3.393

0

0

3.393

 

Grondkamer Oost

Brongers, P.J.F.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

11.436

0

0

11.436

 

Grondkamer Noord

Burgsteden, A.G. van

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.056

41

0

4.097

 

Grondkamer Zuid

Coppens, C.A.A.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

8.983

93

0

9.076

 

Grondkamer Noordwest

Daniëls, M.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

5.439

2

0

5.441

 

Grondkamer Noord

Doornbosch H.J.

lid

Topfunctionaris

 

1-5-2014

0,07

nee

1.749

5

0

1.754

 

Grondkamer Noord

Eefting H

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

8.958

16

0

8.974

 

Grondkamer Zuidwest

Eijk, P.J. van der

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.992

34

0

5.026

 

Grondkamer Zuidwest

Gaanderse J.A.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

9.761

0

0

9.761

 

Grondkamer Noordwest

Giesen, S.H.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

5.109

7

0

5.116

 

Kamer voor de binnenvisserij

Gils, W.M.A. van

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.240

0

0

2.240

 

Grondkamer Zuidwest

C. Habben Jansen

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

0

0

0

0

 

Kamer voor de binnenvisserij

Hoetmer R

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

3.576

0

0

3.576

 

Kamer voor de binnenvisserij

Holtman, H. J.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.028

0

0

2.028

 

Grondkamer Noord

Idsardi J

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

9.847

48

0

9.895

 

Grondkamer Zuid

Janssen, H.G.J.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

8.268

84

0

8.352

 

Grondkamer Noord

Keurentjes F.A.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

11.563

32

0

11.595

 

Grondkamer Noordwest

Knook, N.G.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.856

0

0

4.856

 

Grondkamer Zuid

Kreij J.L. van

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.867

70

0

4.937

 

Grondkamer Noord

Krikke A

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

8.175

25

0

8.200

 

Grondkamer Zuidwest

Kubber, F. de

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

7.794

5

0

7.799

 

Grondkamer Noord

Leeuw, R de

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

7.197

27

0

7.224

 

Grondkamer Noordwest

Lips, A.J.J.

lid

Topfunctionaris

 

1-9-2014

0,07

nee

4.819

2

0

4.821

 

Kamer voor de binnenvisserij

Lok, S.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.681

0

0

2.681

 

Kamer voor de binnenvisserij

Michielsen, A.F.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

1.590

0

0

1.590

 

Grondkamer Oost

Nuyl, M.R. te

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.905

0

0

4.905

 

Grondkamer Zuid

Nijpjes, F.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

11.597

50

0

11.647

 

Grondkamer Zuidwest

Oostdam, J.J.H.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

5.760

0

0

5.760

 

Grondkamer Noord

Panman, RG

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

7.837

16

0

7.853

 

Grondkamer Noordwest

Reinders Folmer, P.H.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.467

9

0

4.476

 

Grondkamer Noordwest

Roomen, A.H.M. van

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

8.475

0

0

8.475

 

Grondkamer Oost

Schoorlemmer, B.F.M.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

10.647

0

0

10.647

 

Kamer voor de binnenvisserij

Tiesinga, H.L.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.486

0

0

2.486

 

Grondkamer Noordwest

Tijsseling, H.G.

lid

Topfunctionaris

 

1-11-2014

0,07

nee

3.949

0

0

3.949

 

Kamer voor de binnenvisserij

Veenstra, G.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.535

0

0

2.535

 

Grondkamer Zuid

Wersch, H.J.M. van

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

4.296

0

0

4.296

 

Grondkamer Noordwest

Willemink, J.H.

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

2.282

7

0

2.289

 

Kamer voor de binnenvisserij

Wit, A. de

lid

Topfunctionaris

   

0,07

nee

888

0

0

888

 

Raad voor plantenrassen

C.J.A. Groenewoud

Secretaris

Top functionaris

   

0,8

nee

65.698

590

0

66.288

 

Raad voor plantenrassen

C.M.M. van Winden

Vice-voorzitter

Topfunctionaris

   

0,04

nee

1.650

521

0

2.171

 

Raad voor plantenrassen

W.T.M van der Arend

lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

450

152

0

602

 

Raad voor plantenrassen

J.J.M. Dons

lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

600

72

0

672

 

Raad voor plantenrassen

V.B.W. cornelissen

lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

300

0

0

300

 

Raad voor plantenrassen

R.G.F. Visser

Vice voorzittter

Topfunctionaris

   

0,02

nee

300

42

0

342

 

Raad voor plantenrassen

E.T. Lammerts van Bueren

Lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

450

68

0

518

 

Raad voor plantenrassen

H.van de Haar

lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

600

129

0

729

 

Raad voor plantenrassen

G.J.P. Jansen

Vice voorzitter

Topfunctionaris

   

0,02

nee

600

47

0

647

 

Raad voor plantenrassen

A.J.H. Willems

Lid

Topfunctionaris

   

0,02

nee

450

46

0

496

 

Raad voor de plantenrasen

D. Kasse

Lid

Topfunctionaris

   

0,02

Nee

600

109

0

709

 
X Noot
1

Betaling beloning 2014 vindt in 2015 plaats.

Toelichting

Het Ministerie van Economische Zaken heeft zowel bij het kerndepartement als bij de vier Zelfstandige Bestuursorganen zonder rechtspersoonlijkheid geen topinkomens die boven de norm uitkomen.

2. Bezoldiging van niet-topfunctionarissen boven het WNT-maximum

Naam instelling

Functie

Datum aanvang

dienstverband

(indien van toepassing)

Datum einde

dienstverband

(indien van toepassing)

Omvang dienstverband (fte)

(+ tussen haakjes omvang in 2013)

Beloning

(+ tussen haakjes

omvang in 2013)

Onkostenvergoedingen (belast)

(+ tussen haakjes omvang in 2013)

Voorzieningen t.b.v. beloningen

betaalbaar op termijn

(+ tussen haakjes omvang in 2013)

Totale bezoldiging

in 2014

(+ tussen haakjes omvang in 2013)

Motivering

                   

Er behoeven op grond van de WNT geen functionarissen met een bezoldiging vermeld te worden.

3. Uitkeringen aan (gewezen) topfunctionarissen wegens beëindiging dienstverband

Naam instelling

Naam (gewezen) topfunctionaris

Laatste functie

Aard functie

Eerdere functie(s)

Datum beëindiging dienstverband

Op externe inhuur-basis (nee; = 6 mnd; > 6 mnd)

Betaalde uitkeringen in 2014

Motivering (indien overschrijding)

                 

Er behoeven op grond van de WNT geen topfunctionarissen met een uitkering wegens beëindiging dienstverband vermeld te worden.

4. Uitkeringen boven het WNT-maximum aan niet-topfunctionarissen wegens beëindiging dienstverband

Naam instelling

Laatste functie

Eerdere functie(s)

Datum beëindiging dienstverband

Betaalde uitkeringen in 2014

Motivering

           

Er behoeven op grond van de WNT geen functionarissen met een uitkering wegens beëindiging dienstverband vermeld te worden.

D. BIJLAGEN

1. Bijlage Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's)

 

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie

Begrotings-

artikel(en)

Financiering (realisatiecijfers)

Verwijzing

(URL-link) naar website RWT/ZBO

Verwijzing (URL-link) naar toezichtvisies/-arrangementen

Het bestuur en/of accountantverklaart dat de rechtmatigheid op orde is

           

Begroting

Premies

tarieven

     

1

Agrarische Opleidingscentra (13)

X

X1

De AOC’s zijn de kennisinstellingen/ opleidingsinstituten voor voeding, natuur en milieu op VMBO/ MBO-niveau.

17

523.143

         

2

Bureau Beheer Landbouwgronden/ Commissie Beheer Landbouwgronden

X

X2

Bureau Beheer Landbouwgronden is belast met de verwerving in opdracht van EZ en andere overheden van onroerend goed dat wordt doorgeleverd aan overheids- en andere organisaties die daarmee overheidsdoelen in het landelijk gebied realiseren met betrekking tot de thema’s natuur, landbouw, recreatie, landschap, water en milieu.

18

Geen bijdrage

   

www.rvo.nl

   

3

Centraal Bureau voor de Statistiek

X

X

Het verzamelen, bewerken en publiceren van statistieken ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap. Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. De wettelijke grondslag voor het CBS is de «Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek».

11

155.391

   

www.cbs.nl

 

4

Centrale Commissie voor de Statistiek

 

X

Het, als onafhankelijke commissie, bewaken van de onafhankelijkheid, onpartijdigheid, relevantie, kwaliteit en continuïteit van het statistische programma van het CBS.

 

Geen directe bijdrage

   

zie www.cbs.nl

   

5

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

X

X

Het Ctgb oordeelt over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden op basis van op EU-niveau geharmoniseerde wet- en regelgeving.

16

1.941

 

7.060

www.ctgb.nl

 

6

AOC Raad (Bureau Erkenningen)

X

 

Bureau Erkenningen (BE) van de AOC Raad is in de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) aangewezen als instantie voor het verstrekken van vakbekwaamheidsbewijzen gewasbescherming.

 

Geen directe bijdrage

   

www.erkenningen.nl

   

7

Edelmetaal Waarborg Nederland

X

X

Het keuren van alle aan consumenten verkochte gouden, zilveren en platina voorwerpen boven een bepaalde gewichtsdrempel en alvorens zij op de Nederlandse markt worden gebracht, te voorzien van één of meerdere stempelmerken (het waarborgen).

 

Geen bijdrage

   

www.ewnederland.nl

   

8

Examinerende instanties als bedoeld in artikel 19 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008

X

 

Het afnemen van examens ter verkrijging van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte.

 

Geen bijdrage

         

9

Faunafonds

X

X

Het Faunafonds is belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade, het bevorderen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van dergelijke schade en advisering aan gedeputeerde staten van provincies en de Minister van Economische zaken.

18

)3

   

www.faunafonds.nl

   

10

Herinrichtingscommissie Oost-Groningen & Drents-Groningse Veenkoloniën 4

 

X2

   

Geen bijdrage

         

11

Hogere Agrarische Onderwijsinstellingen (6)

X

X1

De HAS’en zijn de kennisinstellingen / opleidingsinstituten voor voeding, natuur en milieu op HBO-niveau.

17

89.866

         

12

Kamer voor de Binnenvisserij

 

X2

Toetsen van overeenkomsten van huur en verhuur van visrechten en het goedkeuren van toestemmingen om te vissen, uitgegeven door visrechthebbenden; beide met het oog op een doelmatige bevissing van binnenwateren.

 

Geen bijdrage

         

13

Kamer van Koophandel

 

X

De kamer van Koophandel heeft als kerntaak het informeren, ondersteunen en adviseren van ondernemers, middels uitvoering van de volgende wettelijke taken:

– Registratietaak; overeenkomstig de Handelsregisterwet 2007; – Bevoegdheid subsidies en bijdragen te verlenen in het kader van de reglotaak overeenkomstig de Wet op de Kamer van Koophandel 2014;

– Voorlichtingstaak;

– Regiostimuleringstaak; – Innovatiestimulering;

– Het uitvoeren van het beheer en de doorontwikkeling van digitale en fysieke ondernemerspleinen.

13

144.8625

   

www.kvk.nl

   

14

Keuringsinstanties als bedoeld in artikel 10.3 Telecommunicatiewet 6

 

X2

Het afgeven van advies in het kader van rapporten, certificaten of EG-typeverklaringen voor radiozendapparaten en randapparaten. Het doen van onafhankelijke onderzoeken naar de overeenstemming van producten of diensten met de geldende regelgeving.

 

Geen bijdrage

         

15

Raad voor Accreditatie

X

X

Verifiëren dat instellingen die actief zijn op het gebied van laboratoriumtesten, inspecteren, kalibreren en certificeren aan accreditatienormen voldoen. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie.

11

217

 

12.439

www.rva.nl

 

16

Raad van Bestuur Autoriteit Consument en Markt (ACM)

 

X

Doel van de ACM is vergroting van de effectiviteit en de efficiëntie van het markttoezicht op de niet-financiële markten in Nederland.

Het betreft drie typen van markttoezicht die tot doel hebben om markten goed te laten werken: mededingingstoezicht, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming.

11

695

   

www.acm.nl

   

17

Raad voor Plantenrassen

 

X

De Raad voor plantenrassen geeft uitvoering aan de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 op het gebied van toelating van plantenrassen en verlening van intellectuele eigendomsbescherming met betrekking tot plantenrassen (kwekersrecht).

16

679

 

492

www.plantenrassen.nl

 

7

18

Grondkamers (5)

 

X

Bevorderen van goede pachtverhoudingen in Nederland, toetsen van de inhoud van pachtovereenkomsten aan de dwingend rechtelijke bepalingen van het pachtrecht, uitvoeren van een prijstoetsing en toetsen van overeenkomsten van korte duur, bepalen van verpachte waarde.

 

Geen bijdrage

   

www.grondkamers.nl

   

19

Rendac BV

X

 

Ophalen, verwerken en (laten) vernietigen van dierlijke restmaterialen en kadavers (categorie 1- en 2-materiaal, niet bestemd voor consumptie).

 

Geen bijdrage

   

www.rendac.nl

   

20

Staatsbosbeheer

X

X2

Staatsbosbeheer richt zich op de volgende hoofddoelstellingen:

het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden in de gebieden van Staatsbosbeheer;

het bevorderen van recreatie in zo veel mogelijk gebieden van Staatsbosbeheer;

het leveren van een bijdrage aan de productie van milieuvriendelijke en vernieuwbare grondstoffen zoals hout.

18

26.604

   

www.staatsbosbeheer.nl/

 

21

Stichting Bloembollenkeuringsdienst

X

X

Stichting BKD geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet (en de Plantenziektenwet) in de sector bloembollen.

 

Geen bijdrage

 

7.233

www.bloembollenkeuringsdienst.nl

 

22

Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel

X

X

Stichting COKZ geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet in de zuivelsector en in de sector pluimvee en eieren (COKZ/NCAE).

16

147

 

7.956

www.cokz.nl

 

23

Stichting COVA

X

 

Er voor zorgen dat Nederland te allen tijde een minimum voorraad aardolieproducten heeft, om in tijden van crises te kunnen voldoen aan de aardolievraag.

14

107.594

   

www.cova.nl

   

24

Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek

X

 

In het algemeen belang bijdragen aan strategisch en toepassingsgericht onderzoek op het gebied van productie, verwerking, afzet en handel van agrarische producten, van de visserij, van het natuur- en milieubeheer, van de openluchtrecreatie en van het beheer en de inrichting van het landelijk gebied.

16

169.255

   

www.wur.nl

   

25

Stichting Skal

X

X

Stichting Skal geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet m.b.t. biologische productiemethoden.

 

Geen bijdrage

 

2.836

www.skal.nl

 

26

Stichting Kwaliteitscontrolebureau Groente en Fruit

X

X

Stichting KCB geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet (en de Plantenziektenwet) in de sector groenten en fruit.

 

Geen bijdrage

 

12.107

www.kcb.nl

 

27

Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw

X

X

Stichting Naktuinbouw geeft uitvoering aan de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 (en de Plantenziektenwet) met betrekking tot teeltmateriaal in de sectoren tuinbouw- en bosbouwgewassen.

 

Geen bijdrage

 

12.762

www.naktuinbouw.nl

 

28

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst (Zaaizaad en Pootgoed Landbouwgewassen)

X

X

Stichting NAK geeft uitvoering aan de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 (en de Plantenziektenwet) met betrekking tot zaaizaad en pootgoed in de sector landbouwgewassen.

 

Geen bijdrage

 

19.233**

www.nak.nl

   

29

TNO

X

X2

TNO is een onafhankelijke onderzoeksorganisatie die op basis van haar expertise en onderzoek een belangrijke bijdrage levert aan de concurrentiekracht van bedrijven en organisaties, aan de economie en aan de kwaliteit van de samenleving als geheel.

12

139.851

   

www.tno.nl

   

30

VSL

X

 

Het onderhouden en verwezenlijken van nationale meetstandaarden zoals vastgelegd in de Metrologiewet. Op grond van artikel 3 van deze wet is VSL door de Minister van EZ hiervoor aangewezen.

11

14.5548

   

www.vsl.nl

   

31

Verispect

X

X

Het uitoefenen van het toezicht op de naleving van de Metrologiewet. Op grond van artikel 27 van deze wet is Verispect door de Minister van EZ hiervoor aangewezen. Daarnaast de uitvoering van het toezicht op de Waarborgwet zoals vastgelegd in de Waarborgwet.

11

Zie VSL

   

www.verispect.nl

   

32

Aangewezen instanties als bedoeld in art. 12 Metrologiewet. 9

 

X2

Het optreden als onafhankelijke toetsende instantie bij overeenstemmingbeoordelingen van meetinstrumenten. De werkzaamheden die zij verrichten kunnen per overeenstemmingbeoordeling verschillen maar omvat onder andere het beoordelen van kwaliteitssystemen, het afgeven van certificaten van typeonderzoek of ontwerponderzoek en het keuren van meetinstrumenten.

 

Geen bijdrage

         

33

WaarborgHolland

X

X

Het keuren van alle gouden, zilveren en platina voorwerpen boven een bepaalde gewichtsdrempel en alvorens zij op de Nederlandse markt worden gebracht, te voorzien van één of meerdere stempelmerken (het waarborgen).

 

Geen bijdrage

   

www.waarborgholland.nl

   

34

Wageningen Universiteit

X

X1

Wageningen Universiteit is de belangrijkste Europese Universiteit op het gebied van de Life Sciences. Onderzoekers en studenten van Wageningen Universiteit richten zich op onderwerpen op het terrein van de voeding, gezondheid, natuur en leefomgeving.

17

170.339

   

www.wur.nl

   
X Noot
1

De onderwijsinstellingen zijn partieel ZBO, namelijk voor het deel waarin zij examens afnemen en beoordelen.

X Noot
2

Valt niet onder de Kaderwet ZBO’s.

X Noot
3

Bijdrage loopt via de provincies die de financiële verantwoordelijkheid voor het Faunafonds hebben overgenomen van het Rijk (zie Besluit Faunafonds). Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zullen de taken van het Faunafonds formeel bij de provincies zijn belegd.

X Noot
4

Opheffing voorgenomen. Commissie verricht alleen nog afrondende werkzaamheden.

X Noot
5

Betreft Rijksbijdrage voor 2014 van € 134.862.000 plus vergoeding van € 10.000.000 voor transitieproblematiek Kamer van Koophandel, bij Najaarsnota en exclusief budgetfinanciering Handelsregister.

X Noot
6

Het gaat hierbij om het volgende cluster aan ZBO’s: Telefication BV, TÜV Rheinland EPS BV, Kiwa Nederland BV, DEKRA Certification BV, D.A.R.E.!! Consultancy en Thales Nederland BV.

X Noot
7

De verantwoording verloopt via het jaarverslag van Stichting Naktuinbouw.

X Noot
8

Dit bedrag betreft niet alleen het instituut VSL, maar omvat ook de bijdrage aan Verispect en de verplichte bijdrage aan de internationale organisaties BIPM, OIML en Welmec.

X Noot
9

Het gaat hierbij om het volgende cluster aan deeltijd-ZBO’s: Kalibra International BV, Kema Nederland BV, Kiwa NV Certificatie en Keuringen, Nmi Certin BV en SGS Nederland BV.

2. Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2014

Artikel 11 Goed functionerende economie en markten

Soort onderzoek

Titel / onderwerp

Artikel

Start

Afronding

Vindplaats

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Goed functionerende economie en markten

11

2014

2015

In 2015 zal de beleidsdoorlichting van artikel 11 worden uitgevoerd.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Bijdrage Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

11

2014

2014

Kamerbrief over evaluatie taakgerichte financieringen

 

Evaluatie PIANOo

11

2014

2014

Kamerbrief over de evaluatie pianoo

 

De verruimde bagatelvrijstelling

11

2014

2014

Kamerstukken 34 121 en 31 531

Effecten van de verruimde bagatelvrijstelling eindrapport

Samenvatting afgeronde evaluaties 2014 artikel 11

Beleidsdoorlichting Goed functionerende economie en markten

In 2015 zal de beleidsdoorlichting van artikel 11 worden uitgevoerd. De doorlichting zal zich richten op de algemene doelstelling: Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie. In het eerste kwartaal van 2015 wordt een onderzoeksopdracht met daarin de afbakening van het te onderzoeken beleidsterrein, de gehanteerde motivering voor het beleid en een beschrijving van de beoogde doelen, voorbereid. Het externe onderzoek zal in het tweede kwartaal van 2015 van start gaan. Gestreefd wordt naar oplevering van het eindrapport in september 2015.

Bijdrage Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

  • NEN geeft op doeltreffende en doelmatige wijze invulling aan het informeren van belanghebbenden over de initiatieven van Europese en mondiale normalisatieinstellingen.

  • NEN zou intern meer aandacht moeten besteden aan reflecteren en innoveren. NEN dient reflectie op en innovatie van werkwijzen meer structureel te verankeren in haar werkprocessen.

  • EZ kan bijdragen aan verbetering van de doeltreffendheid van de besteding van de subsidie door expliciet te maken aan welke onderwerpen NEN aandacht dient te besteden in zijn verantwoordingsrapportages.

Evaluatie PIANOo

  • PIANOo heeft voor een groot deel van de aanbestedende diensten een belangrijke bijdrage geleverd aan het verbeteren van de professionaliteit van het aanbesteden en de naleving van aanbestedingsregels in Nederland.

  • PIANOo heeft haar taken binnen de kenniscentrumfunctie en netwerkfunctie op een doeltreffende wijze vervuld.

  • Aanbevolen is om prioriteit te geven aan rechtmatigheid omdat PIANOo daar een unieke meerwaarde kan bieden.

De verruimde bagatelvrijstelling

  • De verruiming van de bagatelvrijstelling heeft niet of nauwelijks geleid tot meer gebruik van de bagatelvrijstelling dan voorheen.

  • De bagatelvrijstelling heeft niet tot meer of minder rechtsonzekerheid geleid voor ondernemingen die willen samenwerken.

  • De verruiming heeft niet het beoogde effect gehad op het tegengaan van inkoopmacht.

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Een sterk innovatievermogen

12

2014

2015

Zie het gestelde bij artikel 13 omdat de beleidsdoorlichtingen van de artikelen 12 en 13 zijn samengevoegd.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Een excellent ondernemingsklimaat

13

2013

2014

De resultaten worden vóór 15 mei 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Valorisatie

13

2013

2014

De evaluatie Valorisatie is in 2014 afgerond. De resultaten zullen in 2015 aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

 

Onderwijs en ondernemerschap

13

2014

2014

De evaluatie Onderwijs en Ondernemerschap wordt naar verwachting in 2015 uitgevoerd.

 

Programma Biobased Economy

13

2013

2014

 
 

Subsidieregeling innovatieve zeescheepsbouw

13

2013

2014

Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 124.

 

Zelfstandigenaftrek plus diverse overige maatregelen

13

2012

2013

Evaluatie zal worden bezien in relatie tot beleid rond winstbox. Begroting 2015 34 000 XIII, nr. 122.

 

Garantie Ondernemingsfinanciering

13

2013

2014

De evaluatie garantie Ondernemingsfinanciering is in 2014 afgerond en aan de Tweede Kamer toegezonden.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2014 artikel 13

Beleidsdoorlichting: Een sterk innovatievermogen (artikel 12) en Een excellent ondernemersklimaat (artikel 13)

De beleidsdoorlichting is gestart in juli 2014 en het streven is er op gericht de resultaten van de beleidsdoorlichting vóór Verantwoordingsdag (vóór 15 mei 2015) aan de Tweede Kamer aan te bieden.

De beleidsdoorlichting richt zich op alle financiële beleidsinterventies op de beide beleidsvelden, die tezamen de financiële ruggengraad vormen van het Bedrijvenbeleid. Het gaat daarbij om fiscale innovatiestimulering, fiscale ondernemerschapsstimulering, kapitaalmarktinterventies, gerichte publiek-private samenwerking, Marktcondities, toegepast Onderzoek en Publieke Dienstverlening.

Programma Biobased Economy

Het programma Biobased Economy heeft het onderwerp in nationaal en internationaal verband geagendeerd. Bij het programma staat netwerksturing centraal. Vanuit het bestaande innovatie-instrumentarium en de topsectorenaanpak, zijn onderzoek en innovatie van kennisinstellingen en bedrijven met elkaar verbonden en werden opschaling en marktontwikkeling gestimuleerd door middel van pilotfaciliteiten en financiële instrumenten.

Subsidieregeling innovatieve zeescheepsbouw (SIS)

De evaluatie is extern uitgevoerd over de periode 2007–2012. Uit de evaluatie blijft dat de regeling beperkte effecten heeft gehad op de innovatie-inspanningen van de werven, geringe spillovers kende en een gering effect heeft gehad op de productie en werkgelegenheid in de sector. Uit de evaluatie blijft dat als gevolg van de SIS 1 á 2 schepen extra zijn gebouwd: de overige 51 schepen die zijn gesubsidieerd, zouden ook zijn gebouwd zonder subsidie.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Uit de evaluatie blijkt dat de bancaire doelgroep goed wordt bereikt. Alle grote verstrekkers van bedrijfskredieten zijn toegetreden tot de GO en passen de regeling in meer of mindere mate toe. De inmiddels opgebouwde portefeuille laat zien dat de GO voor het merendeel wordt benut voor groei- en overnamefinanciering, waarbij circa 75% van de verstrekkingen terecht komt bij het MKB. Ook geïnterviewde ondernemers zijn positief over de regeling. De GO heeft een positief effect gehad op de werkgelegenheid bij hun onderneming.

De opzet van de GO is gebaseerd op kostendekkendheid: de ontvangen premies voor het gebruik van de garantie, moeten voldoende zijn om de schades en uitvoeringskosten te dekken. De evaluatie toont aan dat aan dit principe momenteel wordt voldaan. Uit de kwantitatieve analyse valt af te leiden dat circa 50% van het krediet dat onder de GO is verstrekt, direct een bijdrage heeft geleverd aan het verhogen van de kredietverlening aan het MKB. Met betrekking tot de overige 50% geldt dat er mogelijk een indirecte bijdrage is geleverd. Dit omdat een deel van deze kredieten zonder de GO, onder minder gunstige condities of voor een lager bedrag zou zijn verstrekt.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

14

2014

2014

Zie onderstaande link.

1b

Ander onderzoek maar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
 

Subsidieregeling zonnepanelen

14

2014

2014

Op 29 augustus 2013 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat deze regeling niet wordt geëvalueerd omdat het kabinet geen intenties heeft een vervolg te geven aan deze regeling.

 

Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

14

2013

2014

Evaluatie TNO-AGE.

Rapport vormt een bijlage bij de kamerbrief over de beleidsdoorlichting energiebeleid 2007–2012 van 19 december 2014.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2014 artikel 14

Beleidsdoorlichting: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2014Z23842&did=2014D48069

Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

De kerntaak van TNO-AGE betreft het adviseren van het Ministerie van EZ bij vraagstukken rond het gebruik van de diepe ondergrond.

TNO-AGE levert de juiste diensten met een hoge kwaliteit waarbij de gebruikswaarde van de producten hoog is.

Beslissingen die genomen worden op basis van de producten van TNO-AGE houden in voorkomende gevallen stand bij beroepsprocedures of rechtszaken en de tevredenheid over de dienstverlening is hoog.

Artikel 16 Concurrende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Concurrerende, duurzame en veilige agro, visserij en voedselketen

16

2013

2014

Aan de Tweede Kamer is bij de begrotingsbehandeling 2015 gemeld dat de kabinetsreactie en het IBO-rapport in het voorjaar 2015 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Brede weersverzekering

16.1

2014

2014

De evaluatie wordt in 2015 gestart en afgerond.

 

Koopmansgelden melkveehouderij

16.1

2014

2014

Zie toelichting onder de tabel.

 

Subsidie gecombineerde luchtwassystemen

16.1

2013

2014

Deze subsidieregeling wordt samen met de «Investeringsregeling fijnstofmaatregelen» geëvalueerd. De afronding is voorzien medio 2015. De vertraging heeft van doen met de borging van een betere kwaliteit conform de aanbevelingen van de Commissie Teewis.

 

Fijnstofmaatregelen

16.1

2014

2014

Zie hierboven.

 

Investeringsregeling energiebesparing

16.1

2013

2014

Zie hieronder.

 

Regeling duurzaamheidsinvesteringen POP NU

16.1

2013

2014

Deze evaluatie wordt gecombineerd opgepakt met de Investeringsregeling Energiebesparing. Deze is in 2014 gestart en inmiddels aanbesteed. De afronding is voorzien medio 2015. De vertraging heeft van doen met de borging van een betere kwaliteit conform de aanbevelingen van de Commissie Teewis.

 

Regeling Stidug

16.1

2013

2014

De beroepsprocedure die vorig jaar nog liep, is eind 2014 afgerond. De evaluatie wordt in 2015 gestart.

 

Demoregeling Functionele agrobiodiversiteit POP NU

16.1

2014

2014

De evaluatie wordt in 2015 gestart en afgerond. De uitkomsten vormen de input voor de evaluatie avan het POP2-programma in 2016.

 

Ondersteuning biologische sector

16.1

2014

2014

Zoals ook vermeld in het Jaarverslag 2013 wordt deze evaluatie gekoppeld aan de herziening van de Europese verordening voor de biologische productie en etikettering. Dit traject loopt door tot het voorjaar 2015 en de evaluatie zal daarom in het voorjaar van 2015 in gang worden gezet.

 

Inbeslaggenomen goederen (IBG)

16.3

2014

2014

Ultimo 2014 is gestart met de offerteaanvraag voor de evaluatie.

 

Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG)

16.3

2014

2014

Voor de periode 2014–2016 zijn in 2013 tussen EZ en het LICG nieuwe werkafspraken gemaakt. Het budget voor basisactiviteiten is daarbij ten opzichte van de voorafgaande periode gehalveerd tot jaarlijks € 270.000,–. Een evaluatie in 2014 lag daarom niet voor de hand.

 

Stichting Zeldzame Huisdierrassen (SZH)

16.3

2013

2014

Deze evaluatie is in 2014 gestart en de afronding is medio 2015 voorzien.

 

Verlaagd tarief glastuinbouw

16.1

2013

2014

Deze evaluatie is in 2014 gestart en wordt in 2015 afgerond.

           

2 Overig onderzoek

 

Evaluatie mosselconvenant

16.1

2014

2014

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29684-116

 

WOT Voedselveiligheid

16.4

2013

2014

Het evaluatieonderzoek WOT-Voedselveiligheid is 2014 uitgevoerd en afgerond. De TK-brief met de kabinetsreactie wordt in het voorjaar 2015 naar de Tweede Kamer verstuurd.

 

WOT Genetische bronnen

16.4

2014

2014

Het evaluatieonderzoek WOT Genetische Bronnen is in 2014 uitgevoerd en afgerond. De kabinetsreactie wordt in het voorjaar 2015 naar de Tweede Kamer verstuurd.

 

WOT Visserijonderzoek

16.4

2014

2015

In 2015 zal de evaluatie van WOT-Visserijonderzoek worden uitgevoerd.

 

WOT Besmettelijke dierziekten

16.4

2014

2014

Het evaluatieonderzoek WOT Besmettelijke dierziekten is in 2014 uitgevoerd en afgerond. De kabinetsreactie wordt in het voorjaar 2015 naar de Tweede Kamer verstuurd.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2014 artikel 16

Koopmansgelden melkveehouderij

De Koopmansgelden waren bestemd voor structuurverbetering van de melkveehouderij en vermindering van de milieubelasting door de melkveehouderij. Daartoe zijn deze gelden besteed aan landinrichting, kavelruil, regionale projecten gericht op milieu- en structuurverbetering, kennisontwikkeling, kennisverspreiding en innovatie. Zie voor de links naar de (deel-)evaluaties van de bestedingsdoelen (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 2 pagina 259 en 260.)

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Groen onderwijs van hoge kwaliteit.

2013

2014

 

Kamerstuk 30 991, nr. 11.

Een beschrijving van het resultaat van de beleidsdoorlichting is in het Jaarverslag 2014 bij artikel 17 opgenomen.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

           

Artikel 18 Natuur en regio

1 Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a Beleidsdoorlichtingen

 

Beleidsdoorlichting Natuur en regio

18

2014

2015

In antwoord op de schriftelijke begrotingsvraag over de focus van de beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 18 natuur en regio (TK, 2014–2015, 34 000 XIII, nr. 45) is de Tweede Kamer separaat geïnformeerd.

1b Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 
 

Balans van de leefomgeving

18.2/3

2013

2014

www.pbl.nl

 

Natuurlijk ondernemen

18.2

2013

2014

Voortgangsrapportage Green Deals 2013 (TK, 2013–2014,

33 043, nr. 26)

 

Staatsbosbeheer (SBB)

18.3

2014

2014

De geplande evaluatie is uitgesteld naar 2018.

 

Beleids- en wetsevaluatie landinrichtingsinstrumentarium Wet inrichting landelijk gebied

18.3

2014

2014

Evaluatie landinrichtingsinstrumentarium Wet inrichting landelijk gebied

 

Natuurschoonwet 1928

18.3

2014

2014

De evaluatie van de natuurschoonwet is in december 2013 afgerond. De beleidsreactie wordt in het voorjaar van 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd.

 

Programma naar een Rijke Waddenzee

18.2

2014

2014

Evaluatie Programma naar een Rijke Waddenzee

(TK, 29 684, nr. 116).

 

Ruimtelijk economisch beleid in de regio

18.1

2014

2014

Evaluatie Doorwerking ruimtelijk economisch beleid in de regio (TK, 29 697, nr. 17)

2 Overig onderzoek

 

EHS Groot project 20121

18.3

2013

2014

De zevende voortgangsrapportage Groot EHS is in 2013 afgerond. De beleidsreactie wordt begin 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd.

X Noot
1

Idem.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2014 artikel 18

Staatsbosbeheer (SBB)

In 2014 hebben EZ en SBB een nieuw convenant gesloten (TK, 29 659, nr. 123). Met het convenant krijgt SBB, binnen de Wet verzelfstandiging SBB, meer ruimte om te ondernemen om private financiële middelen aan te trekken en om nieuwe maatschappelijke arrangementen aan te gaan. Het oude sturingsarrangement gaf daartoe onvoldoende ruimte en had ook een beperktere reikwijdte. Om SBB in de gelegenheid te stellen om invulling aan zijn positionering te geven, wordt de geplande evaluatie uitgesteld. Op verzoek van de Kamer wordt de werking van het convenant niet vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd, maar na drie jaar (TK, 29 659, nr. 127).

Beleids- en wetsevaluatie landinrichtingsinstrumentarium Wet inrichting landelijk gebied

Landinrichting heeft meerwaarde ten opzichte van vrijwillige integrale gebiedsprocessen en ten opzichte van onteigening en inrichting op grond van een bestemmings- of inpassingsplan. Dit in het bijzonder bij de aanpak van complexere, meervoudige inrichtingsprocessen met publieke doelen, waaronder een optimale verkaveling in een gebied. Hoewel de inzet van wettelijke herverkaveling de afgelopen decennia is afgenomen, willen de meeste provincies ook in de toekomst de beschikking houden over het landinrichtingsinstrumentarium. Het evaluatierapport geeft geen aanleiding tot wijzigingen van het instrumentarium. Op een enkel punt doen de onderzoekers suggesties voor een beperkte aanpassing van de regelgeving. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat de regeling van de landinrichtingsinstrumentarium zal overgaan naar de Omgevingswet en dat zij bij dat traject het rapport en de aanbevelingen zal betrekken.

Programma naar een Rijke Waddenzee

Interventie van het programma als netwerkorganisatie is effectief en draagt bij aan anders denken, samenwerken in netwerken en het voor elkaar krijgen van initiatieven en projecten. De keuze van EZ om pragmatische coalities aan te gaan in het netwerk van het Waddengebied, heeft gewerkt. Uit de evaluatie blijkt verder dat de kracht van het programma met name is gelegen in het verbindende en aanjagende karakter als netwerkorganisatie tussen natuurorganisaties, gebruikers, bevoegde gezagen en wetenschap.

Doorwerking ruimtelijk economisch beleid in de regio

De hoofdconclusie is dat de inzet destijds van het Rijk om het ruimtelijk economische beleid te kantelen naar sterke gebiedsgerichte clusters, positief heeft uitgewerkt op de ontwikkeling van deze clusters. De filosofie van Pieken in de Delta (PID) was onder meer gericht op het bevorderen van samenwerking van partijen in de triple helix. Hiermee zijn nieuwe verbindingen tussen het Rijk en de regio voor versterking van onder andere de aansluiting tussen onderwijs-arbeidsmarkt en het stimuleren van het innovatief en organisatorisch vermogen van clusters en sectoren, tot stand gekomen. De regionale partijen hebben na de decentralisatie hun verantwoordelijkheid voor het regionaal economisch beleid genomen en zetten in op die clusters die ten tijde van PID relevant waren.

3. Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen voor zover relevant voor de beleidsterreinen van EZ. Er wordt ingegaan op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s waarbij inzicht wordt gegeven in de EU- geldstromen, de cofinanciering met EZ-middelen en middelen van andere overheden en private partijen.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Het MFK is vastgesteld in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad.

2014 was het eerste jaar waarin het nieuwe MFK voor de periode 2014–2020 van kracht was.

Eigen Middelen EU

De Eigen Middelen van de EU bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1. Traditionele eigen middelen (vooral invoerrechten);

  • 2. BTW-afdracht;

  • 3. Afdracht op basis van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI).

De voor EZ relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen (categorie 1: Traditionele eigen middelen). Deze ontvangsten worden op de EZ begroting verantwoord (artikel 16) en worden na inhouding van een perceptiekostenvergoeding afgedragen aan de EU. De ontvangsten voor douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen voor 2014 bedragen € 222 mln. De afdrachten worden verantwoord in het jaarverslag van Buitenlandse Zaken.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

De Europese Commissie stelt voor de realisatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en het Europees structuurbeleid middelen uit EU-fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EZ zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Lanbouwgarantiefonds (ELGF);

  • 2. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

  • 3. Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Visserijfonds (EVF) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV 2014–2020). EFMZV is de opvolger van EVF;

  • 4. Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);

  • 5. Horizon 2020 (periode 2014–2020), opvolger van Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7);

  • 6. Programma’s Eurostars en Joint Technology Initiatives (JTI).

1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De EU-steun voor het GLB pijler 1 bedraagt in 2014 € 838,7 mln voor directe inkomenssteun en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. Ten aanzien van het GLB is EZ verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het op EU-niveau vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Nederland beschikt vanaf 16 oktober 2013 over één erkend betaalorgaan voor de uitvoering van het GLB (RVO). De Auditdienst Rijk (ADR) is belast met de controle van de door het betaalorgaan ingediende rekeningen bij de Europese landbouwfondsen.

Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid pijler 1 maatregelen is onder te verdelen in:

  • a. bedrijfstoeslag;

  • b. artikel 68 maatregelen;

  • c. markt- en prijsbeleid;

  • d. melkquotering.

a. Bedrijfstoeslag

Voor de periode 2006–2014 hebben agrariërs jaarlijks een bedrijfstoeslag ontvangen. Aan de berekening van de bedrijfstoeslag lag het «historisch model» ten grondslag. Dit betekent dat de toeslag is berekend op basis van de subsidies die de ondernemer tussen -voor de meeste producten – 2000 en 2002 ontving.

Om de bedrijfstoeslag te ontvangen moet worden voldaan worden aan een flink aantal wettelijke voorschriften. De verbinding van de bedrijfstoeslag aan deze wettelijke voorschriften wordt «cross-compliance» genoemd.

Voor de bedrijfstoeslagen over 2014 is € 783 mln gedeclareerd bij de Europese Commissie.

b. Artikel 68 maatregelen

Op basis van artikel 68 mag Nederland een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun herbestemmen voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen.

In 2011 is besloten het bestaande pakket artikel 68 maatregelen te continueren en in aanvraagjaren 2012 en 2013 (begrotingsjaren 2013 en 2014) verder uit te bouwen.

In onderstaande tabel1 is een overzicht gegeven van de lopende artikel 68 maatregelen in begrotingsjaar 2014.

Tabel 1. Overzicht van de artikel 68 maatregelen in begrotingsjaar 2014

Bedragen x € 1 mln

Begroting

2014

Realisatie 2014

Dierenwelzijn

   

• Investeringsregeling duurzame stallen (alle dierlijke sectoren)

14,2

12,2

• Subsidieregeling diervriendelijk produceren (leghennen, vleesrunderen, vleeskalveren, varkens en vleeskuikens; elk € 300.000)

1,5

0,2

• Diervriendelijke kalvervloeren

0,8

0,2

• Stimulering precisielandbouw en milieuvriendelijke bewaarplaatsen

11,4

7,7

Vaarvergoeding

1,1

0,6

Elektronische identificatie en registratie schapen/geiten

   

• Investering identificatie en registratie

1,5

1,2

Verzekeringen

   

• brede weersverzekering

7,6

3,9

• risicoverzekeringen dier/plant

2,2

 

instandhouding vezelgewassen

0,9

0,7

Totaal

41,2

26,7

c. Markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. In 2014 bedroeg de reguliere steun in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit € 39 mln. Dit is vergelijkbaar met 2013 (€ 40,6 mln). Daarnaast is in 2014 in het kader van de tijdelijke bijzondere steunmaatregelen in reactie op het Russische invoerverbod de sector groenten en fruit extra steun ter hoogte van € 2,4 mln toegekend. De exportsteun is in 2014 volledig uitgefaseerd en staat op € 0 mln. Voor afzetbevordering is € 3,6 mln uitgegeven, het betreft hier uitgaven in het kader van schoolfruit- en promotieprogramma’s.

d. Melkquotering

Sinds het quotumjaar 2009/2010 is het melkquotum ieder jaar met 1% verruimd. Voor het laatste quotumjaar 2014/2015 heeft geen verruiming plaatsgevonden. Per 1 april 2015 wordt de melkquotering beëindigd. Evenals in 2013/14 zal in het quotumjaar 2014/2015 in Nederland al sprake zijn van een aanzienlijk hogere melkproductie boven het plafond van het nationale quotum. Naar verwachting zal de overschrijding in het melkquotumjaar 2014/2015 dezelfde orde van grootte zijn als die in het voorlaatste melkquotumjaar, toen Nederland € 132 mln superheffing betaalde. De vroegtijdige productie-uitbreiding volgt op de uitbreidingsinvesteringen die zowel de melkveehouderij als de zuivelindustrie hebben gedaan met het oog op de beëindiging van de melkquotering per 2015.

Behalve Nederland lijken meer lidstaten dan gebruikelijk af te stevenen op quotumoverschrijding in het laatste jaar.

2. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Met het Nederlandse Plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2007–2013 (POP2) streefde Nederland vier doelen na, in lijn met de doelen van verordening 1698/2005. Deze doelen kwamen terug in vier assen:

As 1: het versterken van de landbouwsector;

As 2: het verbeteren van de natuur en het milieu;

As 3: het verhogen van de leefbaarheid op het platteland en de diversificatie van de plattelandseconomie;

As 4: bevorderen van lokale plattelandsontwikkeling via de LEADER-aanpak.

2013 was het laatste jaar van POP2. In verband met de (N+2)-regel die de Europese Commissie hanteert voor de tweede pijler, kunnen lidstaten tot 2 jaar na afloop van het betreffende EU-begrotingsjaar een declaratie indienen over de projecten. De uitgaven voor de programmaperiode 2007–2013 kunnen dus tot uiterlijk 31 december 2015 worden gedaan.

In de tabellen 2 en 3 zijn de beschikbare GLB pijler 2 middelen opgenomen en de realisatie tot en met 2014. In tabel 2 gaat het om het totale POP-2 budget en in tabel 3 om het additionele budget op basis van het Health Check akkoord van 2008.

Tabel 2. Middelen GLB, pijler 2 ten gunste van Nederland voor de periode 2007–2013 en realisatie 2014 per 31 december 2014 inclusief Health Check en Economisch Herstel Plan (bedragen x € 1 mln)
 

Beschikbaar totale periode 2007–2013

Realisatie tot en met 2014

Realisatie

in 2014

Beschikbaar voor 2015

GLB/pijler 2 (POP2) inc. Health Check en Economisch Herstelplan

       

As 1: Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

170

138

34

32

As 2: Verbetering van het milieu en het platteland

214

211

39

3

As 3: Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

148

132

21

16

As 4: Uitvoering LEADER-aanpak

58

51

7

7

Kosten technische bijstand

3

2,6

0,2

0.4

Totaal

593

534,6

101,2

58,4

De kolommen over het beschikbare budget 2015 en de realisatie in 2014 zijn gebaseerd op kalenderjaren.

Tabel 3. Additionele EU-bijdrage 2009–2013 op basis van Health Check en Economisch Herstel Plan (POP-NU) (x € 1 mln)
 

Beschikbaar tot en met 2013

Realisatie tot en met 2014

As

Overheidsbijdragen totaal

Procentuele ELFPO-bijdrage (%)

Bedrag ELFPO-bijdrage

Overheidsbijdragen totaal

Procentuele ELFPO-bijdrage (%)

Bedrag ELFPO-bijdrage

1. Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

74,1

75%

55,6

43,1

75%

32,3

2. Verbetering van het milieu en het platteland

40,9

75%

30,7

37,3

75%

27,9

3. Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

15,1

75%

11,3

7,3

75%

1,9

4. Uitvoering LEADER-aanpak

0

n.v.t.

0

0

n.v.t.

0

Kosten technische bijstand

0

n.v.t.

0

0

n.v.t.

0

Totaal

130,1

75%

97,6

87,7

75%

62,1

Ook voor deze tabel geldt dat de lidstaten tot 2 jaar na afloop van het betreffende EU-begrotingsjaar een declaratie kunnen indienen over de projecten.

Het POP3 is op 13 februari 2015 officieel goedgekeurd door de Europese Commissie en momenteel wordt er gewerkt aan de implementatie van het programma. De verwachting is dat eind 2015 de eerste openstellingen zullen zijn onder POP3.

3. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): het Europees Visserijfonds (EVF) en het Eurpees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt. Nederland maakt gebruik van het Europees Visserijfonds (EVF) en voor de nieuwe programmaperiode van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) om deze doelen te bereiken.

Uitfinanciering Europees Visserijfonds (EVF) 2007–2013

Nederland ontvangt uit het EVF een communautaire bijdrage van € 48,6 mln voor de periode 2007–2013. Daarnaast levert Nederland voor deze periode een nationale bijdrage van € 72,1 mln. In 2014 vond voornamelijk uitfinanciering plaats van de in voorgaande jaren gecommitteerde bedragen. Door ontoereikende verantwoording van de uitbetaalde subsidies dreigt Nederland wel een deel van de EU bijdrage kwijt te raken.

EFMZV 2014–2020

Met de brieven van 4 april 2014 (TK 32 201 nr. 71) en 24 juni (TK 32 201, nr. 72) is de Kamer geïnformeerd over de inzet van EZ ten aanzien van het EFMZV. De EFMZV-verordening is formeel in mei 2014 vastgesteld en in juni 2014 is de omvang van de voor Nederland beschikbare financiële middelen bekend gemaakt door de Europese Commissie. Aan het voor Nederland beschikbare bedrag zal de nationale cofinanciering worden toegevoegd. De Europese Commissie heeft het Operationeel Programma (OP) begin 2015 goedgekeurd.

Het Nederlandse OP is mede tot stand gekomen op basis van input van vele stakeholders. Dit OP geeft voor de komende jaren richting en sturing aan de inzet van het EFMZV in Nederland. Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds zal eveneens worden ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

4. Eurpees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

Programmaperiode 2014–2020

Samen met de landsdelige managementautoriteiten is in 2014 de voorbereiding van de nieuwe periode voor de Europese Structuurfondsen 2014–2020 nagenoeg afgerond. Dit betekent dat er aan vier landsdelige EFRO-programma’s en vier grensoverschrijdende INTERREG programma’s is gewerkt. Voor de nieuwe programmaperiode 2014–2020 ontvangt Nederland aan EFROmiddelen € 507.318.228,00 (in lopende prijzen) voor de landsdelige programma’s en € 389.675.917,00 (in lopende prijzen) voor de grensoverschrijdende samenwerking. De inzet van EZ hierbij is geweest om de fondsen optimaal te benutten voor innovatie en de ontwikkeling van de topsectoren. Het Rijk stelt in totaal € 91 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de landsdelige en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s. Deze Rijkscofinanciering wordt ingezet in aansluiting op EZ-prioriteiten.

Alle landsdelige programma’s zijn in 2014 door de Europese Commissie goedgekeurd. Ook de grensoverschrijdende programma’s Duitsland-Nederland en Vlaanderen-Nederland zijn goedgekeurd. Het Euregio MaasRijn programma en het Twee-Zeeën-programma zijn voorbereid maar nog niet goedgekeurd. In 2014 is door de landsdelen gewerkt aan een gezamenlijk ICT-systeem ten behoeve van een uniforme werkwijze en risicobeheersing. Een groot deel van dit systeem is inmiddels gereed, in 2015 zal dit worden afgerond.

In 2014 is ook de overkoepelende «Partnerschapsovereenkomst voor de inzet van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen» goedgekeurd, waarin Nederland haar integrale visie geeft op de uitdagingen, kansen en beleidsinzet van de ESI-fondsen ten behoeve van realisatie van Europa 2020 doelen. Het gaat in Nederland om de volgende ESI-fondsen: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Europees Sociaal Fonds (ESF), Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV).

Programmaperiode 2007–2013

Voor de programmaperiode 2007–2013 is in totaal € 1,1 mld Europees budget beschikbaar gesteld. Inmiddels is die programmaperiode in de eindfase en zijn in grote mate de middelen toegekend aan projecten. Voor de vier landsdelige programma’s is een bedrag van € 255 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar gesteld. Hiervan is tot en met 2014 € 210 mln gerealiseerd. Voor 2015 is derhalve nog een budget van € 45 mln beschikbaar voor de uitfinanciering van de resterende openstaande verplichtingen.

Voor de vier grensoverschrijdende programma’s (INTERREG) is een bedrag van € 169,2 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar gesteld. Hiervan is tot en met 2014 € 163,7 mln gerealiseerd. Voor 2015 is een budget van € 4,4 mln beschikbaar voor de uitfinanciering van de resterende openstaande verplichtingen. Naar verwachting wordt de programmaperiode 2007–2013 in 2016 definitief afgesloten.

5. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014–2020

In 2014 is Horizon 2020, het nieuwe Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie, van start gegaan. Horizon 2020 is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma en brengt een aantal programma’s/initiatieven bij elkaar: het omvat programma’s die al in het Zevende Kaderprogramma zaten, de innovatie gerelateerde onderdelen die in de vorige periode waren ondergebracht in het Concurrentiekracht en Innovatie programma (CIP) en het Europees instituut voor Innovatie en Technologie (EIT).

Horizon 2020 is erop gericht om de Europese uitdagingen te adresseren middels het financieren van excellente wetenschap, technologie en innovatie. Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het bedrijfsleven. De focus van Horizon 2020 is gericht op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa mee geconfronteerd wordt zoals bijvoorbeeld vergrijzing, schone energie, transport en voedselveiligheid.

Het budget van Horizon 2020 is in het meerjarig financieel kader vastgesteld is op € 70,2 mld (constante prijzen) en is hiermee het grootste Europese programma voor onderzoek en innovatie. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van competitie waarbij objectieve criteria worden gehanteerd. Hierbij wordt deelname van het Midden -en Kleinbedrijf (MKB) gestimuleerd.

In 2014 ging het MKB instrument, een nieuw onderdeel van Horizon 2020, van start. In de eerste ronde van dit instrument werden voor haalbaarheidsstudies (maximaal € 50.000 subsidie per studie) vier van de ruim 100 aanvragen van Nederlandse MKB-bedrijven gehonoreerd. In de tweede ronde voor R&D-projecten scoorde Nederland hoger: 7 van de 37 ingediende aanvragen werden gehonoreerd. In totaal werd aan deze projecten bijna € 14 mln gecommitteerd. Het grootste deel van de overige resultaten van Nederlandse indieners in het eerste jaar van Horizon 2020 is op het moment van publicatie nog niet bekend.

Nederland ontving uit het Zevende Kaderprogramma (periode 2007–2013) in totaal € 3,4 mld, ofwel een retour van 7,4% (peildatum juni 2014). In het Zevende Kaderprogramma werden 5.173 projecten met Nederlandse deelname gehonoreerd (totaal aantal goedgekeurde projecten: 26.454).

In 2014 werden Nederlandse deelnemers aan H2020 – in opdracht van EZ en andere departementen – ondersteund door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Economische Zaken heeft aandacht besteed aan de aansluiting van Horizon 2020 met het nationale beleid, in het bijzonder de topsectoren, deelname van de Nederlandse partijen en het verbeteren van de bedrijfsdeelname.

6. Programma’s Eurostars en Joint Technology Initiatives (JTI’s)

Naast bijdragen aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiek-publieke en publiek-private programma's. Publiek-publieke programma's zijn gebaseerd op artikel 185 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU)en worden ook nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van EZ cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars, een Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor het high tech MKB. Indirect (via het standaardeninstituut VSL) wordt het artikel 185 initiatief EMPIR door EZ gecofinancierd, een programma voor onderzoek op gebied van metrologie.

De publiek-private programma's, zogenaamde Joint Technology Initiatives (JTI’s), zijn gebaseerd op artikel 187 van VwEU en krijgen in een aantal gevallen eveneens nationale cofinanciering. Het Ministerie van EZ is tot 2014 betrokken geweest bij de cofinanciering van de JTI's ARTEMIS en ENIAC gericht op respectievelijk embedded computing systems en nano-electronica. De Joint Technology Initiatives (JTIs) bevorderen de internationale kennis- en technologiesamenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen met als doel verhoging van productiviteit en concurrentiekracht. De JTI ECSEL (Electronics Components and Systems for European Leadership) startte in 2014, onder Horizon2020, als vervolg op ENIAC en ARTEMIS. Het programma richt zich op nano-elektronica, embedded- en smart systems.

4. Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (bijlage externe inhuur)

Ministerie van Economische Zaken (XIII) Verslagjaar 2014

Bedragen x € 1.000

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

1.585

2. Organisatie- en Formatieadvies

1.012

3. Beleidsadvies

2.179

4. Communicatieadvisering

2.369

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

7.145

5. Juridisch Advies

377

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

16.161

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

3.021

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

19.559

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

61.792

Ondersteuning bedrijfsvoering

61.792

Totaal uitgaven inhuur externen

88.496

Noot: De kosten voor inhuur uit hoofde van de flexibele schil bij agentschappen, zijn opgenomen onder 8 (uitzendkrachten). De flexibele schil bij deze diensten is onderdeel van de aanpak ten behoeve van adequate en flexibele uitvoering van opdrachten EZ en andere ministeries/overheden. De bepaling van de externe inhuur door EZ is conform de gedragslijn/interpretatie van voorgaande jaren.

Toelichting op het inhuurpercentage 2014

De inhuuruitgaven 2014 zijn ten opzichte van 2013 met € 8,9 mln gestegen. Het inhuurpercentage (inclusief de reguliere inhuuruitgaven en exclusief de flexibele schil inhuuruitgaven bij RVO over geheel 2014 is uitgekomen op 7,6% en valt daarmee onder de norm van 10% van de motie Roemer. De flexibele schil betreft het gebruik van in tijd, samenstelling en omvang wisselende inzet van externe inhuur waarvan RVO structureel gebruik maakt om het aantal medewerkers en de benodigde kennis en expertise snel en flexibel aan te passen aan veranderingen in de omvang en samenstelling van het opdrachtenpakket. Het inhuurpercentage van EZ inclusief flexibele schil over 2014 komt uit op 11,2%, en komt daarmee 1,2% hoger uit dan de Roemer norm. Het komt incidenteel voor dat de programma-uitgaven uitgaven bevatten die conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV)-definitie als externe inhuur moeten worden gekwalificeerd maar niet als zodanig zijn geadministreerd.

Het rapporteren van twee inhuurpercentages; met flexibele schil en zonder flexibele schil, heb ik per brief van 28 juni 2012 (TK, 2011–2012,33 240 XIII, nr 16) nader toegelicht. Hierover waren tijdens het wetgevingsoverleg op 13 juni 2012 van de vaste Commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vragen gesteld bij de behandeling van het jaarverslag 2011 EL&I.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur buiten mantelcontracten

In onderstaande tabel wordt weergegeven in hoeveel gevallen in 2014 door het ministerie buiten de mantelcontracten om externe krachten zijn ingehuurd boven het voor de organisaties van het rijk afgesproken maximumtarief van € 225,– (exclusief BTW).

Inhuur externen buiten mantelcontracten

2014

Aantal overschrijdingen maximumtarief

geen

5. Lijst van afkortingen

ACM

Autoriteit Consument en Markt

AI

Aviaire Influenza

ANVS

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

BBL

Beroeps Begeleidende Leerweg

BBP

Bruto Binnenlands Product

BEE

Biodiverstiteit, Ecosystemen en Economie

BES

Bonaire, Sint Eustatius, Saba

BMKB

Borgstellingsregeling Midden- en Kleinbedrijf

BNP

Bruto Nationaal Product

BOL

Beroeps Opleidende leerweg

BSE

Bovine Spongiforum Encephalopathy

BSIK

Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur

BZ

Ministerie van Buitenlandse Zaken

CBD

Convention on Biological Diversity

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CCCF

Codex Alimentarius comité voor contaminanten

CCEURO

Coördinator van de Europese Codex Regio

CCS

Carbon Capture Storage

CEPT

Europese Commissie en de Europese Conferentie van administraties voor Post en Telecommunicatie

CIEP

Clingedael Inernational Energy Programme

CIP

Concurrentiekracht en Innovatieprogramma

CITES

Convention on International Trade in Endangered Species

of Wild Flora and Fauna

CITO

Ontwikkeling examens en toetsing

CMS

Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals

COVA

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

CPB

Centraal Plan Bureau

CPVO

Community Plant Variety Office

CVO1

Civiele VliegtuigOntwikkeling

DGB&I

Directoraat-Generaal Bedrijfsleven en Innovatie

DGF

Diergezondheidsfonds

DICTU

Dienst ICT Uitvoering

DIS

Defensie Industrie Strategie

DLG

Dienst Landelijk Gebied

DLO

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

ECN

Energieonderzoek Centrum Nederland

ECT

Energy Charter Treaty

EFMZV

Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij

EFRO

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

EFSA

European Food Safety Authority

EGM

Effect Gerichte Maatregelen

EHS

Ecologische Hoofdstructuur

EIA

Energie- Investeringsaftrek

EIF

Europees Investeringsfonds

EIT

Europees Instituut voor Innovatie en Technologie

EM

Energiemarkt

ESA

European Space Agency

ESTEC

European Space Research and Technology Centre

ETS

Emision Trading Scheme

EU

Europese Unie

EVF

Europees Visserijfonds

EZ

Ministerie van Economische Zaken

FES

Fonds Economische Structuurversterking

FEZ

Financieel Economische Zaken

GD

Gezondheidsdienst voor Dieren

GIS

Geografische InformatieSystemen

GKC

Groene Kennis Coöperatie

GLB

Gemeenschappelijk Landbouw Beleid

GO

Garantie Ondernemingsfinanciering

GTI

Grote Technologische Instituten

GVB

Gemeenschappelijk Visserij Beleid

HACCP

Hazard Analysis and Critical Control Points

HBO

Hoger Beroeps Onderwijs

HFR

Hedge Fund Research

HHI

Herfindahl Hirschman Index

HTSM

HighTech Systems & Materials

I&M

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

IAC

Internationale Arbeidsconferentie

IAEA

International Atomic Energy Agency

ICANN/GAC

The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee

ICT

Informatie Communicatie Technologie

IEA

International Energy Agency

IGF

Internet Governance Forum

ILG

Investeringsbudget Landelijk Gebied

IMM

Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen

IPBBE

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

IP-beleid

industrieel participatiebeleid

IPC

Innovatieprestatiecontract

IPO

Interprovinciaal Overleg

IRRS

Integrated Regulatory Review Service

ITKB

Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep

ITU

International Telecommunications Union

IUS

Innovation Union Scoreboard

IVN

Vereniging voor natuur- en milieueducatie

JI

Joint Implementation

JSF

Joint Strike Fighter

JTI

Joint Technology Initiatives

KBB

Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

KBB

Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

KP7

Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling

KRM

Kaderrichtlijn Mariene Strategie

KTP

Korte Termijn Projecten

KvK

Kamer van Koophandel

LEI

Landbouw-Economisch Instituut

LICG

Landelijke Informatie Centrum Gezelschapsdieren

LvDO

Leren voor duurzame ontwikkeling

LWOO

Leerweg ondersteunend onderwijs

MARIN

Maritime Research Institute Netherlands

MBO

Middelbaar beroepsonderwijs

MEI

Marktintroductie en innovatie

MEP

Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie

MER

Milieueffectrapportage

MEV

Macro-Economische Verkenning

MIP

Meerjaren Investerings Programma

MIT

MKB innovatiestimulering Topsectoren

MJA

Meerjarige Afspraken

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MKZ

Mond- en Klauwzeer

MVO

maatschappelijk verantwoord ondernemen

NAP

Nationaal Actieplan Duurzame Gewasbeschermingsmiddelen

NBTC

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen

NEN

Nederlands Normalisatieinstituut

NFIA

Netherlands Foreign Investment Agency

NIPO

Nederlands Instituut voor Publieke Opinie

NIV

Nucleaire Installaties en Veiligheid

NL-OC

Nederlands Octrooicentrum

NLR

Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratoruim

NME

Natuur en Milieu Educatie

NRG

Nuclear Research Group

NSO

Netherlands Space Office

NURG

Nadere Uitwerking Rivierengebied

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

O&O

Onderwijs en Ondernemen

OBN

Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer van Natuurkwaliteit

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OD

Operationele Doelstelling

OHIM

Office for Harmonisation in the Internal Market

OIE

Office Internationale des Epizoöties

OIML

Organisation Internationale de Métrologie Légale

OPTA

Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit

OTO

Opleiden, Trainen en Oefenen

PAS

Programmatische Aanpak Stikstof

PBL

Plan Bureau voor de Leefomgeving

PBO

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

PCT

Patent Cooperation Treaty

PGO

Particuliere Gegevens Organisatie

PIANOo

Professioneel en Innovatief Aanbesteden Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers

PJ

petajoule

PKB

Planologische kernbeslissing

PMR

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

PNB

Particulier Natuurbeheer

POP

Plattelandsontwikkelingsprogramma

PPP

purchasing power parity

PRW

Programma naar een Rijke Waddenzee

R&D

Research and Development

RDA

Research & Development Aftrek

RDN

Regeling Draagvlag Natuur

RGD

Rijksgebouwendienst

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

ROC

Regionaal Opleidingscentrum

ROM

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

RvA

Raad voor Accreditatie

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

SBB

Staatsbosbeheer

SBL

Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden

SBR

Standard Business Reporting

SDa

Sociale Dialoog en Arbeidsmigratie

SDE

Stimulering Duurzame Energieproductie

SER

Sociaal-Economisch Raad

SKE

Subsidieprogramma Kennis Exploitatie

SodM

Staatstoezicht op de Mijnen

SSO

Shared Service Organisatie

STW

Stichting voor de Technische Wetenschappen

TCBB

Technische Commissie Bodembeweging

TEEB

The Economics of Ecosystems and Biodiversity

TKI

Topconsortia voor Kennis en Innovatie

TNO

Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek

TNS

Taylor Nelson Sofres

TOP

Technische Ontwikkelprojecten

TSE

Transmissible Spongiform Encephalopathies

TTF

Title Transfer Facility

TTI

Technologisch Topinstituut

UDV

Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij

UMTS

Universal Mobile Telecommunications System

UNWTO

United Nations World Tourism Organization

UPD

Universele Postdienst

UPU

Universal Postal Union

UVD

Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij

VAMIL

Regeling Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen

VGI

Voedings- en genotmiddelenindustrie

VMBO

Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

VO

Voortgezet Onderwijs

VOA

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten

VSL

Van Swinden Laboratorium

VWS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WABO

Wet Algemene Bepalingen Omgeveingsrecht

WBSO

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk

WEF

World Economic Forum

WIPO

World Intellectual Property Organization

WRC

Wereld Radio Conferentie

WSIS

World Summit on the Information Society

WU

Wageningen Universiteit

WUR

Wageningen Universiteit Researchcentrum

Wva

Wet voorraadvorming aardolieproducten

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZZP

Zelfstandige Zonder personeel