Gepubliceerd: 10 maart 2017
Indiener(s): Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA)
Onderwerpen: organisatie en beleid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34191-36.html
ID: 34191-36

Nr. 36 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 maart 2017

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 8 november 2016 over het besluit van 19 september 2016, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde misslagen en omissies te herstellen (Kamerstuk 34 191, nr. 35).

De vragen en opmerkingen zijn op 8 december 2016 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 9 maart 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Clemens

I Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit met daarin de wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde misslagen en omissies te herstellen. Deze leden hebben naar aanleiding van het besluit nog onderstaande opmerkingen en vragen.

Een van de omissies die de Minister en de Staatssecretaris met voorliggend document willen herstellen betreft een aanpassing van de recidivetermijn binnen de Tabaks- en rookwarenwet. Met deze wijziging («herstelde omissie») willen de bewindslieden ervoor zorgen dat de recidivetermijnen in de Tabaks- en rookwarenwet gaan aansluiten op de recidivetermijnen die op grond van de Drank- en Horecawet gelden, zo begrijpen de leden van de SP-fractie. Al kunnen deze leden zich voorstellen dat het logisch is dat de recidivetermijnen op elkaar aansluiten, zij zijn niet van mening dat deze wijziging een positieve is. Nu geldt binnen de Tabaks- en rookwarenwet dat een bestuurlijke boete, bij recidive binnen vijf jaar, verhoogd wordt. Dus als binnen vijf jaar wederom de Tabaks- en rookwarenwet overtreden wordt, dan zal een hogere boete worden opgelegd. Een goede maatregel volgens de leden van de SP-fractie. Met de nu voorgestelde wijziging wordt die termijn van de mogelijkheid een hogere boete te geven echter van vijf jaar verkort tot (slechts) twaalf maanden. Waarom, zo vragen de leden van de SP-fractie, is het op elkaar aansluiten van beide wetten voor de bewindslieden belangrijker dan een stevige(r) maatregel bij overtreding van de Tabaks- en rookwarenwet? Kan toegelicht worden waarom, als het zo belangrijk is dat beide wetten op elkaar aansluiten, er niet voor is gekozen de wijziging de andere kant op te regelen? Oftewel in plaats van de recidivetermijn van vijf jaar naar twaalf maanden te verlagen binnen de Tabaks- en rookwarenwet de recidivetermijn waarbinnen een hogere boete opgelegd kan worden bij een nieuwe overtreding binnen de Drank- en Horecawet te verhogen van twaalf maanden naar vijf jaar? Waarom is er niet voor gekozen de wetten de andere kant op te harmoniseren? Oftewel, waarom is ervoor gekozen de Tabaks- en rookwarenwet te versoepelen in plaats van de Drank- en Horecawet strenger te maken?

II Reactie van de bewindspersoon

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Tabakswet ter verhoging van de minimumleeftijd van 16 jaar naar 18 jaar van personen aan wie tabaksproducten mogen worden verkocht (Verhoging minimumleeftijd verkoop tabaksproducten)1 heeft PvdA-Kamerlid Volp gevraagd de boetes voor overtreding van de leeftijdsgrens bij de tabaksverkoop gelijk te trekken met de boetes die hiervoor gelden onder de Drank- en Horecawet. Ik heb vervolgens in reactie daarop gezegd dat het een goede zaak zou zijn om de boetes voor overtreding van de leeftijdsgrens bij de tabaksverkoop gelijk te trekken met de boetes die hiervoor gelden onder de Drank- en Horecawet. Naar aanleiding daarvan is de bijlage bij de Tabakswet gewijzigd bij besluit van 18 juni 20152. Daarbij zijn de boetebedragen voor overtreding van de leeftijdsgrens bij de verkoop van tabaksproducten verhoogd en is de recidivetermijn afgestemd op de recidivetermijnen van de Drank- en Horecawet.

De boetes voor overtreding van de leeftijdsgrens bij de tabaksverkoop zijn hierbij fors verhoogd. De boete bij de eerste overtreding van de leeftijdsgrens is van € 650 verhoogd naar € 1.360. Bij herhaling binnen twaalf maanden sinds de eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, is de boete verhoogd van € 1.350 naar € 2.040. Bij een tweede herhaling binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete van de eerste overtreding is de boete verhoogd van € 2.250 naar € 2.720 en bij een derde herhaling binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete van de eerste overtreding geldt een boete van € 4.500. Bij de eerste en de tweede recidive is de recidivetermijn afgestemd op de recidivetermijn van de Drank- en Horecawet en bij die wijziging naar twaalf maanden gebracht. Voor de derde recidivetermijn is dat abusievelijk niet gebeurd. De derde recidivetermijn is daardoor op vijf jaar blijven staan.

De afstemming op het vergelijkbare boeteregime van de Drank- en Horecawet heeft tot gevolg gehad dat bij overtreding van de leeftijdsgrens bij de verkoop van tabaksproducten voor de eerste twee recidiven een recidivetermijn van twaalf maanden na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding aangehouden wordt. Dit betekent voor overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet een verkorting van de eerste twee recidivetermijnen ten opzichte van de tot dan toe geldende recidivetermijn van twee en drie jaar. De recidivetermijn voor het derde recidief is per abuis op vijf jaar blijven staan. Met deze wijziging wordt dit hersteld. Nu de bestuurlijke boete fors is verhoogd en bij bedrijven groter dan vijftig werknemers ook nog eens wordt verdubbeld, is het redelijk de recidivetermijnen van de Tabaks- en rookwarenwet af te stemmen op de recidivetermijnen die gelden op grond van de Drank- en Horecawet. Daarbij komt dat, zoals in de nota van toelichting bij het besluit van 18 juni 2015 is aangegeven (bijlage bij Kamerstuk 32 011, nr. 45), het afschrikwekkende effect met de verkorting van de recidivetermijn in stand blijft vanwege de extra controles die de NVWA uitvoert voorafgaand aan het opleggen van een «three strikes out» maatregel. Die maatregel kan namelijk – naast de boetes voor overtreding van de leeftijdsgrens die geldt voor de verkoop van tabaksproducten, elektronische sigaretten en navulverpakkingen – worden opgelegd wanneer de bedoelde leeftijdsgrens binnen een periode van twaalf maanden drie maal is overtreden. De extra controles in het kader van de «three strikes out« maatregel worden verricht in de periode van twaalf maanden na constatering van de eerste overtreding van de leeftijdsgrens. Bij iedere nieuwe constatering van overtreding van de leeftijdsgrens zal een nieuwe boete worden opgelegd. Bij de derde geconstateerde overtreding in een periode van twaalf maanden, kan naast een boete ook voor een periode van maximaal twaalf weken de bevoegdheid worden ontzegd tabaksproducten te verkopen.

Door het effect van de reeds gerealiseerde verhoging van de boetebedragen in samenhang met de reeds langer bestaande mogelijkheid de «three strikes out» maatregel op te leggen, zal het afschrikwekkende effect van de op te leggen boetes blijven bestaan, ook al wordt de derde recidivetermijn in het kader van afstemming op de Drank- en Horecawet nu van vijf jaar teruggebracht naar twaalf maanden.