Kamerstuk 34036-63

Derde Voortgangsrapportage van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enkele andere wetten ten behoeve van het afschaffen van de Verklaring arbeidsrelatie (Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties)


Nr. 63 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2017

In mijn tweede voortgangsrapportage van de Wet DBA van 18 november 20161 heb ik aangegeven dat ik in april 2017 uw Kamer zal informeren over de ontwikkelingen omtrent de Wet DBA.

De handhaving door de Belastingdienst is – behoudens bij kwaadwillenden – tot in ieder geval 1 januari 2018 opgeschort, mede om een onderzoek mogelijk te maken naar een herijking van de begrippen «gezagsverhouding» en «vrije vervanging». Ik streef ernaar om voor het zomerreces helderheid te geven over het verdere traject en de gevolgen hiervan voor de opschorting van de handhaving. In ieder geval moeten opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om zich aan te passen.

In de praktijk zijn er ondanks de opschorting van de handhaving nog steeds partijen die er prijs op stellen dat hun modelovereenkomst wordt beoordeeld. Uiteraard voldoet de Belastingdienst als service aan een dergelijke wens tot vooroverleg. Het aantal overeenkomsten dat nog in behandeling is is door de afnemende instroom en de doorlopende beoordeling door de Belastingdienst inmiddels gedaald tot 811 (stand 19 april 2017).

Wat betreft de resultaten van de interdepartementale ambtelijke verkenning onder voorzitterschap van het Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de herijking van de criteria «vrije vervanging» en «gezagsverhouding» merk ik op dat de ambtelijke werkgroep momenteel nog aan de verkenning werkt. De inschatting is dat het rapport op korte termijn aan de informateur zal worden aangeboden opdat het – zoals reeds tijdens het debat over de uitwerking van de Wet DBA op 8 december 2016 is gemeld (Handelingen II 2016/17, nr. 33, items 41 en 45) – in de onderhandelingen ten behoeve van de formatie kan worden gebruikt. Zoals in hetzelfde debat is toegezegd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal het rapport dan ook naar uw Kamer worden gezonden.

Uw Kamer heeft mij in de motie van de leden Omtzigt en Van Weyenberg verzocht om te rapporteren over de handhaving bij kwaadwillenden.2 De handhaving bij kwaadwillenden loopt, zoals ik al eerder heb gemeld in mijn brief van 3 februari 2017.3 De Belastingdienst heeft daarbij inmiddels tien opdrachtgevers in het vizier. Voor een aantal van die tien opdrachtgevers geldt dat zij in de periode dat de VAR nog van toepassing was (dus vòòr 1 mei 2016) hun werkzaamheden zodanig hadden ingericht dat er feitelijk sprake was van een dienstbetrekking tussen hen en de opdrachtnemers. Door de vrijwarende werking van de VAR heeft de Belastingdienst in die situaties destijds niet kunnen handhaven. De Belastingdienst voert een feitenonderzoek uit, onder andere om vast te stellen of deze opdrachtgevers hun werkwijze inmiddels hebben aangepast en zo niet of zij voldoen aan de definitie van kwaadwillende.4 Het betreft zowel opdrachtgevers die aan het werk zijn met enkele opdrachtnemers als opdrachtgevers met een groter aantal opdrachtnemers. Zodra hier stappen zijn gezet zal ik uw Kamer hierover nader informeren.

In mijn brief van 21 februari jl. (Kamerstuk 31 311, nr. 180) aan uw Kamer heb ik aangegeven dat uit de cijfers van de Kamer van Koophandel5 blijkt dat het aantal zzp’ers in 2016 globaal gelijk is gebleven en dat verschillende onderzoeken laten zien dat verreweg het grootste deel daarvan aan het werk is. Daarentegen komen uit verschillende onderzoeken uiteenlopende beelden naar voren als het gaat om het aantal opdrachten en zzp’ers. Tegelijkertijd heb ik geconstateerd dat niet volledig duidelijk was hoe de zzp'ers het in het vorige jaar zakelijk hebben gedaan. Ik vond dat onbevredigend. Ik heb daarom de Belastingdienst verzocht te onderzoeken of hierover op basis van de btw-aangiften over 2016 en eerdere jaren conclusies zijn te trekken.

De Belastingdienst heeft hier inmiddels onderzoek naar gedaan.

Bij de analyse van de omzetontwikkeling over de jaren 2011–2016 zijn in elk jaar belastingplichtigen geselecteerd die een winstaangifte voor de IB hebben gedaan en geen personeel hadden. De omzetcijfers zijn gebaseerd op hun btw-aangiften.

Op een aantal sectoren is nader ingezoomd. Dit geeft voor de sectoren «banken, verzekeringswezen, zakelijke diensten», «bouwnijverheid en installatie», «landbouw en visserij», «overige dienstverlening» en «transport, opslag en communicatie» een gedetailleerder beeld van de omzetontwikkeling van de zzp’ers in die sectoren.

Met betrekking tot deze selectiemethode kan nog worden opgemerkt dat hiermee op zich geen volledig beeld van de omzet(ontwikkeling) van alle zzp’ers kan worden geschetst. Inherent aan de noodzakelijk gekozen methodiek ontbreekt in de eerste plaats in deze cijfers de omzet van de zogenoemde vrijgestelde prestaties voor de omzetbelasting. Deze omzet is immers vrijgesteld van btw en valt vanuit die optiek dan ook in deze selectiemethode buiten beeld. Hierbij valt te denken aan sectoren zoals de thuiszorg of het onderwijs. Of aan het omzetaandeel in de bouw waar de zogenoemde verleggingsregeling van toepassing is.

Daarnaast geldt dat op grond van de zogenoemde uitstelregeling nog niet alle aangiften inkomstenbelasting 2015 door de Belastingdienst zijn ontvangen. Daarmee ontbreekt in de gepresenteerde cijfers voor zowel 2015 als 2016 de groep startende ondernemers uit 2015 die nog geen IB-aangifte hebben gedaan. Hetzelfde geldt tevens voor de omzetcijfers over 2016 voor de startende zzp’er in 2016. Daarmee zijn de gepresenteerde cijfers voor 2015 en 2016 dus een wezenlijke onderschatting van zowel het aantal zzp’ers als hun omzet.

Met inachtneming van bovenstaande kanttekeningen ontstaat over de periode 2011 tot en met 2016 een beeld van de omzetontwikkeling van zzp’ers zoals opgenomen in de bijlage6.

De cijfers tonen een toename van de omzet van de geselecteerde groep zzp’ers in de jaren 2011 tot en met 2016, ook in de jaren waar sprake is van een onderschatting. Vanzelfsprekend zijn allerlei factoren bepalend voor een omzetfluctuatie en een mogelijk geïsoleerd effect van de Wet DBA is niet vast te stellen. Bovendien past hierbij de kanttekening dat het totaalcijfers betreft, waarbij voor individuele zzp’ers sprake kan zijn van een omzetdaling.

Uiteraard is het vervolg in het DBA-dossier afhankelijk van de keuzes die een nieuw kabinet maakt.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes