Gepubliceerd: 23 december 2015
Indiener(s): Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD)
Onderwerpen: basisonderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34031-18.html
ID: 34031-18

Nr. 18 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 december 2015

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 15 oktober 2015 over het plan van aanpak buurtalen in het basisonderwijs (Kamerstuk 34 031, nr. 17).

De vragen en opmerkingen zijn op 26 november 2015 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 18 december 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

De adjunct-griffier van de commissie, Arends

I. Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het plan van aanpak buurtalen in het basisonderwijs. Het is goed om te zien dat het belang van buurtaalonderwijs nu hoog op de agenda staat, de kennis hierover ligt met name in de regio’s zelf. De leden hebben nog enkele vragen.

De leden zijn verheugd dat de Staatssecretaris in zijn brief het belang benadrukt van Duits en Frans in het funderend onderwijs, met name in onze grensregio. Hoe verhoudt zich dit tot het advies van de commissie «onderwijs 2032» waarin de focus vooral op het Engels ligt1? Zij vragen tevens of de Staatssecretaris de mening deelt dat alleen maar focussen op Engels een te eenzijdige aanpak is. Zij ontvangen graag een toelichting hierop.

Ep-Nuffic2 zal in de plannen van de Staatssecretaris een kenniscentrum inrichten. Hiervoor zijn een beperkte hoeveelheid middelen beschikbaar gesteld. Volgens de eerder genoemde leden kan dit voor deze financiële bijdrage alleen maar effectief zijn als de kennis, ervaring en al het opgebouwde materiaal dat al in de regio aanwezig is op een goede manier wordt benut. Is het in dat licht wel verstandig om een kenniscentrum op te laten tuigen door een externe partij of is het meer de bedoeling om hen een coördinatiefunctie te laten vervullen? In hoeverre worden ervaringen uit de regio en lopende en succesvolle projecten hierin geborgd?

Tevens vragen zij in hoeverre het ministerie aangehaakt blijft. Is er zicht op belemmerende wetgeving waar lokale overheden tegenaanlopen? Zo nee, gaat de Staatssecretaris dit dan inventariseren? Zo ja, kan de Staatssecretaris daar een overzicht van geven? Zijn in de plannen van de Staatssecretaris de kwartiermakers van het kenniscentrum straks ook de schakel naar de rijksoverheid die dus kunnen signaleren waar men in de regio tegen aanloopt? Of zou hier een soort accountmanagersfunctie voor moeten worden ingericht? Wie gaan de rol van kwartiermaker vervullen en wat wordt de precieze taakomschrijving? De voornoemde leden vragen of dit mensen zijn uit het veld in de regio die zelf al ervaringen hebben met buurtaalonderwijs en die vanuit hun eigen kennis weten waarom dit zo belangrijk is. Hebben zij ook een directe band met het ministerie zodat zij samen ook vandaaruit het belang van buurtaal kunnen onderstrepen? Deze leden vragen met welke regionale expertisecentra de kwartiermakers gaan samenwerken.

Op welke manier wordt het (lokale) bedrijfsleven en de sectorraden betrokken bij de voorliggende plannen? In hoeverre kan de provincie iets betekenen in het onderstrepen van de meerwaarde van buurtaalonderwijs, met name in die provincies die aan de grens liggen? Eventueel kan de provincie ook faciliteren bij regionale educatieve agenda's zoals de provincie Limburg dat doet, zo merken de leden op.

Een van de acties die het kenniscentrum op zich zal nemen is het verzamelen van materialen om zo lessen in buurtaal te vormen. Zij vragen wat de rol van de Stichting Leerplanontwikkeling hierbij is. Wordt er rekening gehouden met een goede overgang tussen primair en voortgezet onderwijs? Tevens vragen deze leden of er voldoende aandacht is voor materialen die de laatste jaren in de regio, ook aan de andere kant van de grens, zelf zijn ontwikkeld. In de brief wordt specifiek stilgestaan bij het lesmateriaal van «Elena», zijn er ook andere programma's, die gebruikt worden, die inmiddels hun waarde bewezen hebben? Zo is er voor het voortgezet onderwijs een programma ontwikkeld gebaseerd op de ELOS3 competenties. Zij vragen of het een idee zou zijn om een inventarisatie te maken van de huidige bestaande programma's en daar een kwaliteitstoets op te doen. De best practice programma's zouden dan of breder aangeboden, of doorontwikkeld kunnen worden.

De voornoemde leden vragen voorts of het mogelijk is om een jaar nadat deze nieuwe werkwijze is ingegaan te bekijken hoe de uitvoering van dit plan van aanpak buurtalen loopt en deze gegevens met de Kamer te delen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris over het buurtalenonderwijs. Kinderen in de grensregio’s groeien op in een uniek gebied. Naast de Nederlandse taal en cultuur maken zij kennis met de taal en cultuur van het buurland. Door al op de basisschool spelenderwijs te beginnen met het leren van de buurtaal wordt het gemakkelijker deze taal op latere leeftijd te beheersen. Dit is van belang om later te kunnen deelnemen aan het vervolgonderwijs en om een baan te vinden in de regio.

De probleemanalyse en het plan van aanpak zoals beschreven door de Staatssecretaris is voor deze leden duidelijk. Wel vragen de leden de Staatssecretaris om een nadere en nauwkeurige toelichting op de besteding van het ter beschikking gestelde budget van € 600.000 (tot en met 2017). Tot slot vragen zij waaraan dit geld precies wordt besteed.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris over het plan van aanpak buurtalen in het basisonderwijs. Deze leden hebben nog meer informatie nodig om een volledig beeld te kunnen vormen en zij stellen daarom de volgende vragen.

Kan de Staatssecretaris een overzicht geven van de ongeveer 60 scholen die buurtaalonderwijs aanbieden? Kan de Staatssecretaris daarbij aangeven welke specifieke buurttaal onderwezen wordt? Betreft dit voornamelijk de Duitse taal?

Kan de Staatssecretaris toelichten wat haar doelstelling is als het gaat om het aanbieden van buurttalen door Nederlandse scholen? Kan de Staatssecretaris toelichten hoeveel scholen in Nederland vvto4 aanbieden naar aanleiding van de wet om vreemde talen als voertaal te gebruiken bij andere vakken5? Kan de Staatssecretaris aangeven om welke vreemde taal het in zijn algemeenheid gaat?

Kan de Staatssecretaris toelichten wat de reden is dat leerlingen, ouders, leraren en bestuurders weinig interesse hebben in Duits en Frans? Kan de Staatssecretaris aangeven bij welke «andere onderwerpen» de prioriteit van scholen wel ligt? Kan de oorzaak van de focus op andere onderwerpen liggen in het feit dat de Staatssecretaris de neiging heeft allerlei maatschappelijke taken binnen het onderwijsstelsel te willen oplossen?

Kan de Staatssecretaris toelichten in welke Nederlandse regio's er met name geïnvesteerd gaat worden door het kenniscentrum van EP-Nuffic? Op welke regio's gaat dit kenniscentrum zich specifiek richten? Betreft het een vrijwillige deelname van scholen?

Is de Staatssecretaris van mening dat het verwerven van een vreemde taal een vak apart is en dat het belangrijk is dat leerkrachten de vreemde taal goed beheersen dan wel het beste gekozen kan worden voor een «native speaker»? Op welke wijze gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat docenten de gewenste vreemde taal uitstekend beheersen? Is online lesmateriaal hiervoor voldoende?

Voorts vragen deze leden of de Staatssecretaris kan toelichten uit welk budget van de OCW-begroting de beschikbaar gestelde € 600.000 precies komt. Wat is het totaal budget van EP-Nuffic?

Tot slot vragen de leden of de Staatssecretaris ondubbelzinnige en feitelijke onderzoeken aan de Kamer kan overleggen waaruit blijkt dat vreemde talenonderwijs in het primair onderwijs geen negatief effect heeft op de Nederlandse taalverwerving van kinderen met Nederlandse leer- en/of taalachterstanden.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris waarin hij zijn plannen ontvouwt voor een plan van aanpak. Deze leden waarderen de inzet van de Staatssecretaris op dit vlak. Waar de aandacht voor het belang van de buurtalen in het voortgezet onderwijs stijgt, blijft het basisonderwijs in de grensregio’s achter op dit vlak.

De leden van de kunnen zich vinden in de aanpak van de Staatssecretaris waarbij hij samen met scholen de knelpunten heeft geanalyseerd en zijn plan van aanpak op heeft gebaseerd. Deze leden vragen of de Staatssecretaris van mening is dat er ook een rol voor de provincie is weggelegd in het kader van onderwijs en economie (arbeidsmarkt) op het gebied van de buurtalen. Tot slot vragen de voornoemde leden de Staatssecretaris of hij kan aangeven of de maatregelen die hij neemt in het plan van aanpak ook gedragen worden door de betrokken partijen.

II. Reactie van de Staatssecretaris

Graag wil ik de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap danken voor hun inbreng en voor de vragen die ze hebben gesteld en de opmerkingen die zijn gemaakt. Ik ga hieronder in op de gestelde vragen, waarbij ik de volgorde van het verslag aanhoud.

Vragen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het plan van aanpak buurtaalonderwijs zich verhoudt tot het advies van de commissie «onderwijs 2032», waarin de focus vooral op het Engels ligt.6 Zij vragen tevens of ik de mening deel dat alleen focussen op Engels een te eenzijdige aanpak is en ontvangen graag een toelichting hierop.

Ik deel de mening dat leerlingen niet altijd het meest gebaat zijn bij het leren van alleen Engels. Leerlingen in met name de grensstreek zijn er ook bij gebaat om het Duits of Frans goed te beheersen. Ik onderschrijf de analyse uit het hoofdlijnenadvies van het Platform Onderwijs2032 dat als een school een taal aanbiedt, dit goed moet gebeuren. Scholen die kiezen om Duits of Frans aan te bieden moeten een kwalitatief goed programma neerzetten. Daarvoor hebben ze nu voldoende vrije ruimte in het curriculum. Dat blijft ook zo in het vervolg van het traject Onderwijs2032. Het plan van aanpak buurtaalonderwijs is erop gericht om scholen die van deze vrije ruimte gebruik willen maken optimaal te faciliteren. Dat kan dus goed bestaan naast het traject Onderwijs2032.

Ook vragen de leden of het verstandig is om een kenniscentrum op te laten tuigen door een externe partij, zijnde EP-Nuffic, of dat het meer de bedoeling is hen een coördinatiefunctie te laten vervullen. Ook vragen zij in hoeverre ervaringen uit de regio en lopende en succesvolle projecten hierin geborgd worden.

Het doel van het kenniscentrum dat bij EP-Nuffic wordt ingericht is om de kennis, ervaring en het opgebouwde materiaal dat nu in de verschillende regio’s en succesvolle projecten aanwezig is te bundelen en beschikbaar te stellen, zodat ook andere scholen en projecten daarvan kunnen profiteren. Dat betekent dat aan de ene kant kennisopbouw en aan de andere kant vooral ook een coördinerende rol van het kenniscentrum om projecten en scholen met elkaar te verbinden, zodat zij van elkaar kunnen leren. De kracht van buurtaalonderwijs zit in de regio en moet ook vooral daar verder uitgebouwd worden. Het kenniscentrum ondersteunt daarbij.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het ministerie aangehaakt blijft. Ook vragen zij of er zicht is op belemmerende wetgeving waar lokale overheden tegenaanlopen en of ik daarvan een overzicht kan geven. Indien dat niet het geval is vragen zij of ik dit ga inventariseren. Ook vragen zij of de kwartiermakers van het kenniscentrum straks de schakel naar de rijksoverheid zijn en kunnen signaleren waar men in de regio tegen aanloopt of dat hier een soort accountmanagersfunctie voor zou moeten worden ingericht.

Het Ministerie van OCW blijft betrokken bij de ontwikkelingen van het kenniscentrum. Dat gebeurt via voortgangsoverleggen en -rapportages. Daarnaast is onderdeel van de opdracht aan het kenniscentrum om netwerken in te richten waarin lokaal betrokken partners worden samengebracht, maar waarbij indien wenselijk ook de rijksoverheid bij betrokken wordt. Betrokkenheid van het ministerie is ook nodig als het gaat om knellende wet- en regelgeving. Ik streef er in die gevallen naar om tot werkbare oplossingen te komen. Waar nodig ga ik daarover ook in gesprek met overheden van buurlanden als het knelpunt zich in hun wet- en regelgeving zou voordoen. Daarin zijn de kwartiermakers inderdaad een schakel naar de rijksoverheid, in de eerste plaats het Ministerie van OCW. Er wordt hiervoor geen accountmanagersfunctie ingericht. Waar concreet de problemen in wet- en regelgeving zitten is nu nog onvoldoende helder. Wel is een aantal signalen op hoofdlijnen bekend, waaronder diploma-erkenning en verzekeringsvraagstukken.

De leden vragen voorts wie de rol van kwartiermaker vervullen en wat hun precieze taakomschrijving wordt. Zij vragen of dit mensen zijn uit het veld in de regio die zelf al ervaringen hebben met buurtaalonderwijs en die vanuit hun eigen kennis weten waarom dit zo belangrijk is. Hebben zij ook een directe band met het ministerie zodat zij samen ook vandaaruit het belang van buurtaal kunnen onderstrepen, zo vragen de leden.

Voorop staat dat het gaat om mensen die bekend zijn in de grensregio, affiniteit hebben met buurtaalonderwijs en een relevant netwerk met zich meebrengen. Zij zullen ook in direct contact staan met het ministerie, om gezamenlijk de boodschap van het belang van buurtaalonderwijs uit te dragen.

Deze leden vragen ook met welke regionale expertisecentra de kwartiermakers gaan samenwerken.

De kwartiermakers werken in ieder geval samen met de expertisecentra die er zijn vanuit de Euregio’s, het buurtalen expertisecentrum dat de provincie Limburg inricht en vergelijkbare expertisecentra.

Daarnaast vragen de leden op welke manier het (lokale) bedrijfsleven en de sectorraden betrokken worden bij de voorliggende plannen en in hoeverre de provincies iets betekenen in het onderstrepen van de meerwaarde van buurtaalonderwijs, met name in die provincies die aan de grens liggen. Eventueel kan de provincie ook faciliteren bij regionale educatieve agenda's zoals de provincie Limburg dat doet, zo merken de leden op.

Het (lokale) bedrijfsleven, de sectorraden en lokale overheden worden door de kwartiermakers betrokken via de netwerkaanpak die in het plan van aanpak wordt beschreven. Er wordt zoveel mogelijk naar gestreefd die partijen bij elkaar te brengen die elkaar kunnen versterken en die scholen of projecten direct kunnen ondersteunen. Een aanpak die de leden van de VVD-fractie voorstellen waarbij de provincies faciliteren dat er in de regionale educatieve agenda’s ruimte is voor buurtaalonderwijs juich ik toe. De provincie Limburg is hierin zeer succesvol.

De leden vragen voorts wat de rol is van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) bij de actie van het kenniscentrum om materialen te verzamelen om zo lessen in buurtaal te vormen.

Het kenniscentrum heeft niet de taak om lessen in buurtaal te vormen. Zij verzamelen het beschikbare materiaal zodat leraren en scholen hieruit zelf kunnen putten om hun lessen te vormen. De SLO heeft hiervoor geen extra taak gekregen. Het kenniscentrum kan uiteraard wel gebruik maken van de beschikbare gegevens van de SLO over leermaterialen voor Duits en Frans op www.wikiwijsleermiddelenplein.nl.

Ook vragen de leden of er rekening wordt gehouden met een goede overgang tussen primair en voortgezet onderwijs.

Een goede overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs is belangrijk voor de leerlingen. Zij moeten in het vo doorgaan met waar ze in het po gebleven zijn. Het is daarom van belang dat po- en vo-scholen in dezelfde regio contact met elkaar hebben en hun onderwijsprogramma’s zoveel mogelijk op elkaar afstemmen. De kwartiermakers hebben de opdracht om in netwerken zoveel mogelijk aansluiting met initiatieven uit het vo te zoeken.

Tevens vragen de leden van de VVD-fractie of er voldoende aandacht is voor materialen die de laatste jaren in de regio, ook aan de andere kant van de grens, zelf zijn ontwikkeld en of er naast «Elena» ook andere programma's zijn, die gebruikt worden, die inmiddels hun waarde bewezen hebben. Zij vragen of het een idee zou zijn om een inventarisatie te maken van de huidige bestaande programma's en daar een kwaliteitstoets op te doen.

Op veel van de scholen die Duits of Frans aanbieden of in projecten gericht op buurtaalonderwijs wordt eigen materiaal ontwikkeld. Zoals eerder toegelicht is het de taak van het kenniscentrum om het beschikbare materiaal te inventariseren zodat dit breed beschikbaar wordt voor scholen. Het kenniscentrum voert geen formele kwaliteitstoets uit op dat materiaal. Het is de taak van scholen en leraren om te bepalen welk lesmateriaal zij van voldoende kwaliteit vinden om hun lessen mee vorm te geven.

De voornoemde leden vragen voorts of het mogelijk is om een jaar nadat deze nieuwe werkwijze is ingegaan te bekijken hoe de uitvoering van dit plan van aanpak buurtalen loopt en deze gegevens met de Kamer te delen.

Het jaar 2016 zal veelal in het teken staan van het opstarten en inrichten van nieuwe activiteiten. Ervaring met eerdere projecten leert dat dit niet betekent dat er geen voortgang wordt gemaakt, maar dat de vruchten mogelijk vooral een jaar later geplukt kunnen worden. Ik wil er daarom voor waken te vroeg een evaluatie uit te voeren. In 2017 vindt de evaluatie plaats en wordt gekeken hoe datgene wat is opgebouwd geborgd kan worden. Daarover zal ik uw Kamer informeren.

Vragen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere en nauwkeurige toelichting op de besteding van het ter beschikking gestelde budget van € 600.000 (tot en met 2017) en waaraan dit geld precies wordt besteed.

Er zal bij benadering € 400.000 geïnvesteerd worden in het kenniscentrum. Dat gaat om de kwartiermakers, het organiseren van bijeenkomsten en het ontwikkelen van publicaties en andere materialen. Voor de doorontwikkeling van Elena is € 200.000 beschikbaar.

Vragen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen of ik een overzicht kan geven van de ongeveer 60 scholen die buurtaalonderwijs aanbieden en daarbij kan aangeven welke specifieke buurttaal onderwezen wordt. De vraag hierbij is ook of dat voornamelijk de Duitse taal betreft.

Ik verwijs de leden van de SP-fractie naar de website van EP-Nuffic.7 Hierop is een overzicht te vinden van de scholen waarvan bekend is dat ze Duits en/of Frans aanbieden. Het aantal scholen dat Duits aanbiedt is ongeveer gelijk aan het aantal scholen dat Frans geeft.

Dezelfde leden vragen of ik mijn doelstelling kan toelichten als het gaat om het aanbieden van buurtalen door Nederlandse scholen.

Mijn doelstelling is dat scholen in de grensregio’s hun leerlingen zo optimaal mogelijk voorbereiden op de toekomst. Dat betekent dat zij zich bewust zijn van de kansen die buurtaalonderwijs hun leerlingen kan bieden, dat scholen die buurtaalonderwijs aanbieden dat op een kwalitatief goede manier doen en daarbij goed gefaciliteerd worden.

De leden vragen ook om toe te lichten hoeveel scholen in Nederland vvto aanbieden naar aanleiding van de wet om vreemde talen als voertaal te gebruiken bij andere vakken en daarbij aan te geven om welke vreemde taal het in zijn algemeenheid gaat.8

Ik kan hierop geen toelichting geven, omdat de wet pas op 1 januari 2016 in werking treedt. Mijn inschatting is dat het in de meeste gevallen om het Engels zal gaan.

Tevens vragen de leden van SP-fractie of ik kan toelichten wat de reden is dat leerlingen, ouders, leraren en bestuurders weinig interesse hebben in Duits en Frans en of ik kan aangeven bij welke «andere onderwerpen» de prioriteit van scholen wel ligt. Zij vragen of de oorzaak van de focus op andere onderwerpen kan liggen in het feit dat ik de neiging zou hebben allerlei maatschappelijke taken binnen het onderwijsstelsel te willen oplossen.

Duits en Frans zijn steeds meer uit de leefwereld van vandaag verdwenen. Er wordt bijvoorbeeld minder gebruik gemaakt van Duitse media en Nederlandse media hebben weinig tot geen Duits- of Franstalig aanbod meer. Als er sprake is van anderstaligheid, dan gaat het bijna altijd om het Engels. Dat kan eraan bijdragen dat de interesse in de talen is afgenomen. In de uitgevoerde verkenning is niet onderzocht welke specifieke onderwerpen verkozen worden tot prioriteit boven het Duits of Frans. Ik herken mij niet in het beeld dat de leden schetsen ten aanzien van de maatschappelijke taken die ik in het onderwijsstelsel wil oplossen. Het traject Onderwijs2032 dat ik ben gestart heeft juist tot doel dergelijke overladenheid in het curriculum te voorkomen.

De leden vragen of ik kan toelichten in welke Nederlandse regio's er met name geïnvesteerd gaat worden door het kenniscentrum van EP-Nuffic en op welke regio's dit kenniscentrum zich specifiek gaat richten.

Het kenniscentrum dat wordt ingericht bij EP-Nuffic richt zich met name op de grensregio’s. Dat wil zeggen de gebieden die grenzen aan onze buurlanden, op plekken waar een andere taal dan het Nederlands de voertaal is.

Ook vragen zij of het een vrijwillige deelname van scholen betreft.

Dat is inderdaad het geval. Scholen zijn niet verplicht Duits of Frans aan te bieden.

De leden vragen of ik van mening ben dat het verwerven van een vreemde taal een vak apart is en dat het belangrijk is dat leerkrachten de vreemde taal goed beheersen dan wel het beste gekozen kan worden voor een «native speaker». Ze vragen ook op welke wijze ik ervoor ga zorgen dat docenten de gewenste vreemde taal uitstekend beheersen en of online lesmateriaal hiervoor voldoende is.

Ik onderschrijf dat scholen die Duits en Frans aanbieden een kwalitatief goed programma moeten neerzetten. Daarbij hoort dat hun leraren over de juiste vaardigheden beschikken. Het is niet noodzakelijk daarvoor een «native speaker» in te zetten. In de handleiding kwaliteit vvto is opgenomen dat voor vvto ERK-niveau B2 het gewenste niveau is dat leraren beheersen.9 Scholen dienen ervoor te zorgen dat hun leraren over de benodigde vaardigheden beschikken. Online lesmateriaal kan scholen en leraren ondersteunen bij hun lesprogramma. Aan de handleiding kwaliteit vvto is een keurmerk vvto verbonden. Dat ondersteunt scholen ook bij het vormgeven van een kwalitatief goed programma. Conform de motie Bruijn stimuleer ik dat scholen die vroeg starten met het aanbieden van een vreemde taal zo’n keurmerk aanvragen.10 Vanuit dezelfde motie neemt de inspectie het keurmerk als richtlijn mee in haar toezicht op scholen die een vreemde voertaal gebruiken en laat ik de vaardigheden van leraren op het gebied van vreemde talenonderwijs nader onderzoeken. Als daartoe aanleiding is, zal ik bezien welke extra maatregelen ik kan treffen om scholen verder te ondersteunen bij het verbeteren van de vaardigheden van leraren.

De leden van de SP-fractie vragen tevens of ik kan toelichten uit welk budget van de OCW-begroting de beschikbaar gestelde € 600.000 precies komt en wat het totaal budget van EP-Nuffic is.

In de begroting van OCW is het budget voor het plan van aanpak buurtaalonderwijs opgenomen onder artikel 1, directie primair onderwijs. In 2016 is het totale budget voor EP-Nuffic bij benadering € 21,5 mln., inclusief subsidies voor onderwijsinstellingen en studenten. Hiervan is ruim € 700.000 beschikbaar voor activiteiten in het po en is € 1,5 mln. subsidie beschikbaar in de regeling voor het verankeren van internationale oriëntatie en samenwerking in het primair en voortgezet onderwijs.11

Tot slot vragen de leden of ik ondubbelzinnige en feitelijke onderzoeken aan de Kamer kan overleggen waaruit blijkt dat vreemde talenonderwijs in het primair onderwijs geen negatief effect heeft op de Nederlandse taalverwerving van kinderen met Nederlandse leer- en/of taalachterstanden.

Er is mij geen onderzoek bekend dat het aanbieden van een vreemde taal in het primair onderwijs tot negatieve effecten leidt. Daarmee bedoel ik doeltaalonderwijs waarbij een vreemde taal als vak wordt aangeboden. In het proefproject 15 procent vvto is onderzocht wat de effecten zijn van het gebruik van een vreemde voertaal voor 15 procent van de onderwijstijd. Dit onderzoek liet geen negatieve effecten zien.12 Momenteel voer ik een pilot tweetalig primair onderwijs uit om te onderzoeken wat de effecten zijn van het aanbieden van 30 tot 50 procent van de onderwijstijd in het Engels. De voorstudie bij deze pilot laat zien dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.13 In het onderzoek wordt specifiek stilgestaan bij de doelgroep die de leden van de SP-fractie aanhaalt, conform de motie Rog.14 Over de uitkomsten daarvan zal ik uw Kamer informeren.

Vragen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen of ik van mening ben dat er ook een rol voor de provincie is weggelegd in het kader van onderwijs en economie (arbeidsmarkt) op het gebied van de buurtalen. Ik vind inderdaad dat er een rol voor de provincie is weggelegd bij buurtaalonderwijs. Zoals eerder geantwoord op de vragen van de leden van de VVD zouden zij bijvoorbeeld een rol kunnen hebben in de facilitering van buurtaalonderwijs via regionale educatieve agenda’s.

Tot slot vragen de voornoemde leden of ik kan aangeven of de maatregelen in het plan van aanpak ook gedragen worden door de betrokken partijen.

Het plan van aanpak is tot stand gekomen in samenwerking met veel verschillende partijen en kon onder hen rekenen op draagvlak. Het gaat zowel om schoolbesturen uit de grensregio, medewerkers van Euregio’s en provincies als experts van universiteiten. Uiteraard is ook EP-Nuffic hier nauw bij betrokken geweest. Het plan wordt dus gedragen door de betrokken partijen bij het plan van aanpak.