Gepubliceerd: 1 september 2014
Indiener(s): Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: ouderen sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34008-3.html
ID: 34008-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Het merendeel van de Nederlanders is onvoldoende op de hoogte van zijn inkomenspositie na pensionering. Uit de pensioenmonitor van Wijzer in geldzaken (oktober 2013) blijkt dat het pensioenbewustzijn van de Nederlanders laag is. De huidige wettelijke verplichte informatie over pensioenen blijkt niet altijd het gewenste effect te hebben, zo komt naar voren uit de evaluatie van de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving (Kamerstukken II 2011/12, 33 110, nr.1). Belangrijke verplichte informatie-uitingen, zoals het uniform pensioenoverzicht (UPO) en de startbrief zijn voor een aanzienlijk deel van de deelnemers onvoldoende begrijpelijk. De gebruikte terminologie en het taalgebruik zijn te lastig en de hoeveelheid informatie die wordt verstrekt is te omvangrijk. Uit onderzoek van TNS Nipo (2012) blijkt dat 43% van de ondervraagden moeite heeft met het begrijpen van de informatie.

De huidige wettelijk verplichte informatie geeft bovendien een te rooskleurig beeld over de hoogte van het pensioen, geeft geen inzicht in risico’s en kan daardoor mensen op het verkeerde been zetten. Daarnaast heeft de pensioensector te maken met een gedaald vertrouwen onder de deelnemers. Nu met het voorstel over de herziening van het financieel toetsingskader schokken als gevolg van een stijgende levensverwachting of als gevolg van ontwikkelingen op de financiële markten op een andere wijze zullen worden verwerkt (Kamerstukken II 2013/14, 32 043, nr. 172), is het des te meer noodzakelijk om duidelijk en eerlijk te communiceren naar deelnemers.

Het doel van pensioencommunicatie is dat de pensioendeelnemer weet hoeveel pensioen hij kan verwachten, kan nagaan of dat voldoende is en zich bewust is van de risico’s van de pensioenvoorziening. Daarnaast moet pensioencommunicatie de deelnemer laten zien welke keuzemogelijkheden hij heeft. Het bieden van handelingsperspectief is een essentieel element bij het bereiken van de pensioendeelnemer (TNS Nipo 2012). De deelnemer neemt informatie eerder op als hij weet wat hij ermee kan doen.

De nieuwe wetgeving op het terrein van pensioencommunicatie stelt het perspectief van de deelnemer centraal. Het is wenselijk dat meer dan nu het geval is, aangesloten wordt bij de informatiebehoeften en de kenmerken van de deelnemer. Alleen zo wordt de kans groter dat de informatie hem daadwerkelijk bereikt.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de eisen die gesteld worden aan pensioenuitvoerders ten aanzien van de communicatie met (gewezen) deelnemers, (gewezen) partners en pensioengerechtigden (hierna: deelnemers), zodanig aan te passen, dat pensioenuitvoerders met deze communicatie aansluiten bij de behoeften van de deelnemer en bevorderen dat de hierboven genoemde communicatiedoelen worden bereikt.

Voorgeschiedenis

Om te komen tot verbeterde pensioencommunicatie is eind 2011 onder leiding van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de werkgroep pensioencommunicatie van start gegaan. In deze breed samengestelde werkgroep nemen naast de pensioensector tevens de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën/Wijzer in Geldzaken deel.

De werkzaamheden van de werkgroep Pensioencommunicatie hebben in 2012 geresulteerd in het rapport «Pensioen in duidelijke taal» (Kamerstukken II 2011/12, 33 110 nr. 2, bijlage). In het rapport wordt het perspectief van de deelnemer centraal gesteld en het bevat een aantal aanbevelingen over pensioencommunicatie. Het Ministerie van SZW heeft zich, samen met de werkgroep, gericht op de uitwerking van de aanbevelingen. Ter ondersteuning van de werkzaamheden van de werkgroep, zijn verschillende onderzoeken verricht:

  • TNS Nipo heeft onderzoek uitgevoerd naar de behoeften en barrières met betrekking tot pensioeninformatie van deelnemers.

  • Pensioencommunicatie bij indiensttreding stond centraal in het deelnemersonderzoek dat door Motivaction is verricht.

  • Over de communicatie over koopkracht en risico’s is zowel een kwalitatief deelnemersonderzoek door Ferro Explore uitgevoerd als een kwantitatief deelnemersonderzoek door TNS Nipo.

  • Bij de werkgroep pensioencommunicatie is een subwerkgroep ingesteld die een uniforme rekenmethodiek heeft ontwikkeld voor de berekening van pensioenbedragen voor de communicatie.

  • Daarnaast is er twee keer advies gevraagd aan de Stichting van de Arbeid over de rol van de werkgever bij pensioencommunicatie.

De aanbevelingen, onderzoeken en adviezen zijn uitgangspunt bij de voorgestelde wijzigingen in de pensioenwetgeving.

2. Hoofdelementen van het wetsvoorstel

In dit hoofdstuk worden kort de hoofdelementen van het wetsvoorstel beschreven, te weten:

  • 1) Algemene eisen aan pensioencommunicatie;

  • 2) Meer mogelijkheden tot digitale verstrekking en aanbieding van informatie;

  • 3) Beschikbaar zijn van basisinformatie over de pensioenregeling;

  • 4) Een jaarlijks pensioenoverzicht van opgebouwde pensioenaanspraken;

  • 5) Uitbreiding van het pensioenregister;

  • 6) Inzicht in de koopkracht en risico’s van het toekomstig pensioeninkomen.

Deze punten hangen nauw met elkaar samen. De algemene eisen zijn van invloed op alle vormen van informatieverstrekking tussen pensioenuitvoerders en deelnemers. De ruimere mogelijkheden tot digitalisering zijn van invloed op de wijze waarop informatie wordt aangeboden en verstrekt.

Ook de informatie-instrumenten, die aan de orde komen bij de punten 3, 4 en 5, moeten in samenhang worden gezien. De deelnemer krijgt daarmee op relevante momenten relevante informatie: voor en vlak na indiensttreding, geregeld tijdens zijn dienstverband en als hij zijn toekomstig pensioen wil plannen. De basisinformatie over de pensioenregeling biedt (aspirant) deelnemers inzicht in de belangrijkste kenmerken van zijn pensioenregeling, deels op vergelijkbare wijze. Deze informatie is niet alleen nuttig wanneer een deelnemer in dienst komt bij de nieuwe werkgever of dit overweegt, maar blijft – gedurende de jaren dat de werknemer in dienst is en pensioen opbouwt bij de desbetreffende uitvoerder – relevant. Het is als het ware een overzichtelijke toelichting bij de pensioenregeling. Het jaarlijks pensioenoverzicht is een verantwoording over wat een deelnemer het afgelopen jaar bij een specifieke pensioenuitvoerder heeft opgebouwd en kan daarmee veel beperkter van inhoud zijn dan het huidige uniform pensioenoverzicht. Voor een totaaloverzicht van zijn te bereiken pensioen (inclusief koopkracht en risico’s) zal de deelnemer terecht kunnen op een uitgebreid pensioenregister. Hier krijgt hij eveneens inzicht in de keuzes die hij heeft en de gevolgen van belangrijke levensgebeurtenissen op zijn pensioen.

1) Algemene eisen aan pensioencommunicatie

De huidige pensioenwetgeving kent de open normen tijdig, duidelijk en begrijpelijk. Tegelijkertijd bevatten sommige wettelijke bepalingen behoorlijk gedetailleerde voorschriften, waardoor er te weinig ruimte is voor maatwerk. De nieuwe pensioenwetgeving bevat de overkoepelende normen tijdig, duidelijk, correct en evenwichtig. Ook het aansluiten op de behoeften en kenmerken van de deelnemer en het bevorderen van inzicht in de keuzemogelijkheden van een pensioenregeling en in de gevolgen van belangrijke levensgebeurtenissen zijn als open normen in de nieuwe pensioenwetgeving opgenomen.

2) Meer mogelijkheden tot digitale verstrekking en aanbieding van informatie

De huidige pensioenwetgeving heeft als uitgangspunt dat pensioeninformatie schriftelijk verstrekt moet worden, tenzij de deelnemer expliciet toestemming geeft voor digitale verstrekking. Digitale informatie leent zich echter goed voor het aantrekkelijk, begrijpelijk en persoonlijk maken van informatie. Pensioenuitvoerders geven bovendien aan dat zij aanzienlijke kosten kunnen besparen als zij informatie digitaal kunnen verstrekken en/of beschikbaar stellen.

De nieuwe pensioenwetgeving biedt daarom meer ruimte voor digitale informatieverstrekking: pensioenuitvoerders mogen zelf kiezen of zij informatie digitaal of schriftelijk verstrekken. Deelnemers kunnen wel bezwaar maken tegen elektronische verstrekking en het moet mogelijk blijven om informatie schriftelijk te verstrekken aan degenen die dat liever willen.

3) Basisinformatie over de pensioenregeling

De huidige bepalingen over informatieverstrekking bij indiensttreding zijn behoorlijk gedetailleerd en benoemen vooral veel verplichte elementen. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel is de basisinformatie niet alleen bedoeld voor het begin van de deelneming, maar zal altijd beschikbaar zijn via de openbare website van de pensioenuitvoerder. Vergelijkbare informatie kan werknemers ondersteunen bij de keuze en onderhandelingen voor een nieuwe baan en bij de keuze voor waardeoverdracht.

4) Een jaarlijks pensioenoverzicht van opgebouwde pensioenaanspraken

De nieuwe pensioenwetgeving ziet het uniform pensioenoverzicht (UPO) als een jaarlijkse verantwoording van de pensioenopbouw. Het UPO wordt daarmee een stuk beperkter. Er wordt niet meer vooruit gekeken naar een te bereiken pensioen. Het nieuwe UPO kijkt naar het verleden door alleen in te gaan op het al opgebouwde pensioen. Ook de waardeaangroei in het afgelopen jaar en in het verleden toegepaste verlagingen en indexaties komen aan de orde. Via het pensioenregister krijgen deelnemers een indicatie van het (totaal) te verwachten pensioen met de bijbehorende koopkracht, risico’s en handelingsperspectief.

5) Uitbreiding van het pensioenregister

De deelnemer moet op eenvoudige wijze kennis kunnen nemen van zijn pensioensituatie. Door het pensioenregister uit te breiden met nieuwe functionaliteiten biedt het de deelnemer de mogelijkheid om zelf informatie naar zich toe te halen over hoeveel pensioen hij krijgt, of dat voldoende is en welke actie mogelijk of nodig is. Om de uitbreiding van het pensioenregister mogelijk te maken wordt de doelomschrijving van het pensioenregister aangepast.

6) Koopkracht en risico’s

Algemene risico’s zijn voor een deelnemer moeilijk te begrijpen, omdat verreweg de meeste deelnemers onrealistisch optimistisch lijken te zijn en niet van onzekerheid houden. Daarom moeten pensioenrisico’s persoonlijk worden gemaakt. Scenario’s van het te bereiken pensioen kunnen helpen om de risico’s inzichtelijk en persoonlijk relevant te maken. Via drie bedragen, gebaseerd op een optimistisch, verwacht en pessimistisch scenario krijgen deelnemers op het uitgebreide pensioenregister inzicht in de koopkracht en risico’s van hun toekomstig pensioeninkomen. Deze bedragen zijn netto afgeronde bedragen die indicatief zijn. Een uniforme rekenmethodiek om tot deze scenario’s te komen wordt vastgelegd in lagere regelgeving.

Het geven van informatie over de toeslagverlening met behulp van het toeslagenlabel en de toeslagenmatrix is vervallen.

3. Algemene eisen aan pensioencommunicatie

Pensioenuitvoerders moeten deelnemers begrijpelijke informatie geven, zodat deelnemers weten waaraan zij toe zijn. Een belangrijk uitgangspunt naar aanleiding van het rapport «Pensioen in duidelijke taal» is dat het deelnemersperspectief centraal moet staan in de communicatie.

Pensioenuitvoerders staan voor de uitdaging om deelnemers, die vaak niet openstaan voor pensioeninformatie, zich betrokken te laten voelen bij hun pensioen en hen het belang van pensioen te laten inzien. Dat betekent dat de informatie, zowel wat betreft vorm als inhoud, moet aansluiten op de behoeften van de deelnemers. Daarvoor is het nodig om te weten wat de behoeften van de deelnemers zijn en zou persoonlijke pensioeninformatie getest moeten worden om te controleren of de informatie inderdaad in een behoefte voorziet.

Gedragseconomisch onderzoek geeft inzicht hoe deelnemers informatie verwerken en dus hoe met informatie beter kan worden aangesloten op de behoeften van de deelnemers. Een belangrijk inzicht daarbij is dat de deelnemer informatie eerder opneemt als hij op voorhand al weet wat hij met die informatie moet en kan doen. Verreweg de meeste deelnemers hebben namelijk slechts beperkt tijd en interesse voor het verwerken van pensioeninformatie. Die informatie moet dus wel aantrekkelijk en begrijpelijk zijn om de benodigde tijd en aandacht van de deelnemer te krijgen. Dat kan mede bereikt worden door het in verschillende lagen aanbieden van informatie op een website. Door informatie gelaagd aan te bieden wordt rekening gehouden met de motivatie en het begrip van de deelnemer. De informatie moet makkelijk te vinden zijn en overzichtelijk. In de zichtlaag wordt de meest essentiële informatie voor de deelnemer getoond. In onderliggende informatielagen kan de deelnemer uitgebreidere informatie vinden. De toegankelijkheid van de informatie in de diverse lagen is afgestemd op de behoefte van de deelnemer.

De pensioenuitvoerder kan de deelnemer helpen met het handelingsperspectief, dus helpen met het beantwoorden van de vraag wat de deelnemer kan doen. Hiervoor wordt bepaald dat de pensioenuitvoerder bevordert dat de informatie inzicht geeft in de keuzemogelijkheden die er zijn in de pensioenregeling. Pensioenuitvoerders dienen zo veel mogelijk inzicht te geven in de gevolgen voor het pensioen van ten minste de volgende keuzes:

  • eerder stoppen met werken,

  • langer doorwerken,

  • deeltijdpensioen,

  • hoog/laagconstructie (eerste jaren hoger en later lager pensioen),

  • uitruil van partnerpensioen voor ouderdomspensioen en omgekeerd en

  • waardeoverdracht bij verandering van baan.

Tevens wordt voorgesteld de overkoepelende normen aan te vullen met «correct» en «evenwichtig» en de termen «in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen» te vervangen door «duidelijk». Bovendien gelden deze normen nu voor alle informatie die verstrekt of beschikbaar wordt gesteld, ook de niet-wettelijk verplichte informatie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Weyenberg (Kamerstukken II 2012/13, 33 400-XV, nr. 48).

Om te benadrukken dat de informatie die de deelnemer ontvangt correct moet zijn, wordt voorgesteld deze norm toe te voegen. Bij een beoordeling over of de informatie correct is, is het in ieder geval van belang dat de informatie inhoudelijk juist is en er geen tegenstrijdigheden in de informatie zitten, zowel binnen een document als tussen verschillende informatiedragers. Zo moet de informatie die de deelnemer van zijn pensioenuitvoerder ontvangt consistent zijn met de pensioenovereenkomst (tussen werkgever en werknemer) en met het pensioenreglement (tussen pensioenuitvoerder en deelnemer).

De norm evenwichtig betekent dat de relevante aanwezige voor- en nadelen goed moeten worden weergegeven. Om een juist beeld te geven moet een pensioenuitvoerder, naast informatie over de positieve kenmerken, ook informatie geven over de beperkende kenmerken of voorwaarden van de pensioenregeling. Als de informatie niet evenwichtig is en een deelnemer niet voldoende op de hoogte is van de beperkende voorwaarden of risico’s, kan hij ten onrechte een verkeerde conclusie trekken over zijn pensioenregeling, die hem ervan weerhoudt eventuele andere maatregelen binnen of buiten de pensioenregeling te nemen. Evenwichtige informatie betekent niet dat de pensioenuitvoerder altijd uitputtend alle risico’s en voorwaarden moet noemen. De relevante aanwezige voor- en nadelen moeten goed worden weergegeven.

4. Digitale verstrekking en beschikbaarstelling van informatie

De instelling van deelnemers ten aanzien van de wijze waarop informatie wordt verstrekt of aangeboden verandert. Steeds meer deelnemers zijn of zullen eraan gewend raken hun zaken via internet te regelen. Dit vereist een andere interactie door pensioenuitvoerders met de deelnemer waarin meer ruimte is voor digitaal communiceren.

Het is dan ook wenselijk dat de wetgeving meer ruimte biedt voor digitale informatieverstrekking. Voorgesteld wordt pensioenuitvoerders de keuze te geven of zij de informatie schriftelijk of elektronisch verstrekken. Ook de deelnemer heeft zelf de keuze hoe hij de informatie wil ontvangen: als hij aangeeft dat hij bezwaar heeft tegen elektronische verstrekking, moet de informatie schriftelijk verstrekt worden. De pensioenuitvoerder zal de deelnemer die nog niet heeft ingestemd met elektronische informatieverstrekking in ieder geval eenmalig schriftelijk moeten vragen of hij bezwaar heeft tegen digitale informatieverstrekking. De pensioenuitvoerder moet kunnen aantonen dat hij zo’n uitvraag heeft gedaan.

In het geval de deelnemer niet binnen een bepaalde redelijke termijn reageert, mag de pensioenuitvoerder ervan uitgaan dat de deelnemer geen bezwaar heeft tegen elektronische informatieverstrekking en hiertoe overgaan.

Het «verstrekken» van informatie impliceert een brengplicht: de pensioenuitvoerder dient de informatie binnen de persoonlijke omgeving van een deelnemer te brengen. Verstrekken bestaat dus niet slechts uit het bieden van de mogelijkheid om informatie te «halen» (het verlenen van toegang tot informatie). Het slechts opnemen van informatie op een website is dus niet het verstrekken van informatie. De pensioenuitvoerder zal dan een aanvullende handeling moeten verrichten. Een voorbeeld hiervan is via e-mail de deelnemer attenderen dat informatie beschikbaar is.

Om te voorkomen dat een deelnemer een bericht niet krijgt, bijvoorbeeld omdat hij van e-mailadres is gewisseld, is het wenselijk dat pensioenuitvoerders (dus pensioenfondsen en verzekeraars) zo veel mogelijk gaan werken met een berichtenbox. Pensioenuitvoerders kunnen daartoe gebruik maken van de berichtenbox van MijnOverheid.nl. Vanuit de berichtenbox kunnen attenderingsmails of andere elektronische berichten (zoals sms) worden gestuurd naar de deelnemer met de melding dat een bericht klaar staat. De deelnemer kan zelf zijn e-mail of ander elektronisch adres koppelen aan de berichtenbox en – als zijn elektronisch adres niet (meer) klopt – dit ook aanpassen. De deelnemer kan dan zelf – via inloggen – het bericht altijd bekijken. Bovendien bevat de berichtenbox een archieffunctie.

Naast de voorgestelde wijziging ten aanzien van de wijze waarop de informatie verstrekt wordt, wordt in de wet tevens voorgesteld een onderscheid te maken tussen algemene informatie, die op de openbare of de besloten website beschikbaar moet zijn en persoonlijke informatie, die op verzoek op te vragen moet zijn. Bepaalde algemene informatie, zoals informatie over de pensioenregeling, moet op de openbare website van de uitvoerder komen. Het is van belang dat ook een sollicitant deze informatie kan inzien. Andere informatie kan in een besloten deel van de website (een portal of mijnomgeving) een plek krijgen, zoals de uitvoeringovereenkomst. Daarnaast verstrekt de pensioenuitvoerder op verzoek bepaalde persoonlijke informatie aan de deelnemer, zoals de voor hem relevante informatie over beleggingen.

5. Van startbrief naar basisinformatie over de pensioenregeling

De huidige Pensioenwet schrijft voor dat iedere nieuwe deelnemer binnen drie maanden een startbrief van de pensioenuitvoerder moet ontvangen, waarin hij wordt geïnformeerd over de belangrijkste aspecten van de nieuwe pensioenregeling. De wet geeft aan welke verplichte elementen in de startbrief dienen te staan, zoals informatie over de ingangsdatum van de pensioenovereenkomst en informatie over toeslagverlening. De vormgeving van de startbrief, evenals de te hanteren tekst, is niet voorgeschreven.

In het rapport «Pensioen in duidelijke taal» is een aantal aanbevelingen opgenomen over de startbrief. Zo is aanbevolen het aantal verplichte informatie-elementen bij indiensttreding te beperken. De huidige startbrief is te lang en te weinig aansprekend. Deelnemers lezen de startbrief daarom vaak niet. Deze aanbeveling is opgevolgd door de elementen die verplicht moesten worden opgenomen in de startbrief, in de toekomst de basisinformatie over de pensioenregeling, te schrappen. Voorgesteld wordt de bepaling over de inhoud van de startbrief meer open te formuleren. Nadere uitwerking van de norm is mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Bij deze nadere invulling zal erop gelet worden dat de basisinformatie beknopt blijft.

Verder is in het rapport «Pensioen in duidelijke taal» voorgesteld om de deelnemer bij het begin van deelname aan de pensioenregeling te wijzen op de momenten wanneer er actie van hem wordt verwacht, of wanneer het verstandig is om actie te ondernemen. Ook deze aanbeveling heeft een plek gekregen in het onderhavige wetsvoorstel. Verplicht element van informatieverstrekking wordt: de persoonlijke omstandigheden van de werknemer die een actie van hem kunnen vergen. Het gaat hierbij om omstandigheden waar iedere deelnemer mee te maken kan krijgen, zoals baanwisseling, scheiding, samenwonen en arbeidsongeschiktheid. De basisinformatie van de regeling bevat informatie over de kenmerken van de regeling, waartoe ook behoren de keuzemogelijkheden binnen de pensioenregeling.

Daarnaast moet in de basisinformatie een duidelijke verwijzing worden opgenomen naar de website van het pensioenregister (www.mijnpensioenoverzicht.nl) en de website van de pensioenuitvoerder. De verwijzing naar de website van het pensioenregister is van belang, omdat de deelnemer daarop een totaaloverzicht kan krijgen van het te bereiken aanvullend pensioen en de AOW. De verwijzing naar de website van de pensioenuitvoerder is van belang omdat de pensioenuitvoerder daarop bepaalde informatie, zoals het jaarverslag elektronisch beschikbaar moet stellen. Verder wordt voorgesteld de basisinformatie over de pensioenregeling permanent beschikbaar te stellen op de website van de pensioenuitvoerder.

Pensioen 1-2-3

De Pensioenfederatie en het Verbond van verzekeraars hebben een communicatie-instrument ontwikkeld, de zogenaamde Pensioen 1-2-3. Dit instrument, dat uit drie lagen bestaat, geeft op hoofdlijnen inzicht in de belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling. Het instrument wordt op regelingniveau gemaakt en het is de bedoeling dat het permanent beschikbaar is (op de website van de pensioenuitvoerder). Alle regelingen hebben eenzelfde soort instrument, zodat deelnemers met de Pensioen 1-2-3 regelingen met elkaar kunnen vergelijken.

Aan deze informatie wordt geen kwaliteitsoordeel verbonden: het gaat om de feitelijke verschillen tussen de regelingen. De deelnemer kan zelf een kwaliteitsoordeel hieraan verbinden.

De Pensioen1-2-3 kan daarmee invulling geven aan de basisinformatie over de regeling. Bij lagere regelgeving zal de Pensioen 1-2-3 een wettelijke basis verkrijgen.

Rol werkgever

Om de deelnemer eerder informatie te verschaffen over de pensioenregeling en om de werkgever een duidelijkere rol te geven bij de pensioencommunicatie heeft de Pensioenfederatie een checklist ten behoeve van werkgevers uitgewerkt. Aan de hand van de checklist kan de werkgever nieuwe werknemers wegwijs maken in het onderwerp pensioen tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek.

De Stichting van de Arbeid heeft in haar Aanbeveling Pensioencommunicatie van 4 juli 2013 positief gereageerd op de checklist voor de werkgever en op de Pensioen 1-2-3. De Stichting van de Arbeid is van mening dat de werkgever een spilfunctie vervult in het vergroten van het pensioenbewustzijn. Voor werknemers is de werkgever het eerste aanspreekpunt. Werkgevers hebben daarnaast ook een informatieplicht ten opzichte van hun werknemers over de inhoud van de pensioenregeling. De Stichting van de Arbeid beveelt aan om de Pensioen 1-2-3 bij of binnen een maand na indiensttreding ter beschikking te stellen aan de deelnemer.

De werkgever is tevens verantwoordelijk voor het verstrekken van de gegevens van de nieuwe deelnemer aan de uitvoerder, zodat de pensioenuitvoerder bij start van deelneming aan de regeling de basisinformatie, de Pensioen1-2-3, tijdig kan verstrekken. De pensioenuitvoerder en de werkgever dienen over deze gegevensuitwisseling goede afspraken te maken. Eveneens kan bekeken worden of het melden van een nieuwe deelnemer door de werkgever via de belastingdienst en UWV aan de pensioenuitvoerder een mogelijkheid is.

6. Periodieke communicatie over persoonlijke aanspraken en rechten

Op basis van de huidige regelgeving dienen pensioenuitvoerders deelnemers en pensioengerechtigden jaarlijks via een uniform pensioenoverzicht (UPO) te informeren over de verworven en te bereiken pensioenaanspraken. Daarbij moet tevens informatie worden verschaft over de toeslagverlening met behulp van twee instrumenten: het toeslagenlabel en de toeslagenmatrix. Voor de gewezen deelnemers, en andere aanspraakgerechtigden gelden periodieke informatieverplichtingen (minimaal eens in de vijf jaar) over persoonlijke aanspraken en rechten en voor pensioengerechtigden geldt een jaarlijkse informatieverplichting.

In het rapport «Pensioen in duidelijke taal» zijn de volgende aanbevelingen opgenomen met betrekking tot het UPO:

  • verminder de hoeveelheid informatie in het UPO;

  • schaf het toeslagenlabel af;

  • maak informatie over toeslagverlening meer «principle based».

Deze aanbevelingen zijn opgevolgd door een andere keuze te maken met betrekking tot de functie van het UPO. Die keuze houdt in dat het UPO een jaarlijks pensioenoverzicht wordt dat terugkijkt. Het nieuwe UPO zal alleen de tot nu toe opgebouwde aanspraken vermelden en de waardeaangroei van het afgelopen jaar. Voor een totaaloverzicht van het te verwachten pensioeninkomen in de toekomst kan een beroep worden gedaan op de website van het pensioenregister (mijnpensioenoverzicht.nl). De verwijzing naar de website van het pensioenregister wordt dan ook een verplicht onderdeel van het UPO.

Het doel is verder te zorgen dat deelnemers een totaaloverzicht van hun eigen inkomen bij arbeidsongeschiktheid verkrijgen via het pensioenregister. Dit zal echter tijd kosten, omdat het om veel verschillende soorten uitkeringen en verzekeringen gaat en ook de eerste pijler (WIA en ANW) nog geen onderdeel uitmaakt van het pensioenregister. Tot die tijd blijft de huidige situatie, waarbij arbeidsongeschiktheidspensioen onderdeel is van het UPO, gehandhaafd. Bij de uitwerking van een nieuw model voor het UPO wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de wensen van pensioenfondsen en verzekeraars. Voor zover de verzekering voor arbeidsongeschiktheid onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling zal hierover tevens informatie worden verstrekt via de basisinformatie over de pensioenregeling (de Pensioen 1-2-3).

De modellen voor het UPO worden op dit moment vastgesteld door de pensioenuitvoerders. Met dit wetsvoorstel zullen de modellen via lagere regelgeving worden vastgesteld. De vaststelling van de modellen gebeurt nadat de pensioenuitvoerders hiervoor een gezamenlijk voorstel hebben gedaan en na advies van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Op dit moment ontvangen pensioengerechtigden jaarlijks informatie van hun pensioenuitvoerder en is dit vormvrij. Voorgesteld wordt de jaarlijkse informatieverstrekking in stand te houden. Pensioengerechtigden hebben op dit moment nog geen toegang tot het pensioenregister en dus geen alternatieve informatiebron. Het is daarom onwenselijk de frequentie van informatieverstrekking te wijzigen. Daarnaast wordt voorgesteld deze informatie door middel van een uniform pensioenoverzicht (UPO) te verstrekken en niet langer vormvrij te houden. Dit betekent dat pensioengerechtigden met uitkeringen bij verschillende pensioenuitvoerders de informatie van deze uitvoerders makkelijker kunnen vergelijken en optellen.

Gewezen deelnemers en gewezen (ex)partners krijgen nu eenmaal in de vijf jaar informatie over hun aanspraken. Het wetsvoorstel wijzigt dit niet. Nu het UPO alleen terugkijkt op het verleden en gewezen deelnemers en gewezen (ex)partners geen aanspraken meer opbouwen, is het UPO voor hen minder relevant. Wel is het van belang dat zij bij beëindiging van deelname aan de pensioenregeling en op het UPO duidelijk gewezen worden op de website van het pensioenregister. Hierop kunnen zij deze aanspraken, en het totaal van al hun aanspraken, inzien. De aanspraken in het pensioenregister moeten dan ook voor deze groepen vaker geactualiseerd worden.

De artikelen over periodieke informatieverstrekking houden dezelfde grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen. Daarin zal geregeld worden dat de informatie over de toeslagverlening alleen betrekking zal hebben op het verleden.

7. Uitbreiding van het pensioenregister met functionaliteiten

De Stichting Pensioenregister is een initiatief van de gezamenlijke Nederlandse pensioenfondsen, de pensioenverzekeraars, en de Sociale Verzekeringsbank. Dit samenwerkingsverband stelt sinds 6 januari 2011 de website www.mijnpensioenoverzicht.nl beschikbaar voor het Nederlandse publiek. Het voorstel voorziet in een uitbreiding van het doel van het pensioenregister. Het wordt namelijk noodzakelijk geacht om de deelnemer te ondersteunen bij het verkrijgen van overzicht, inzicht en handelingsperspectief met betrekking tot zijn totale pensioeninkomen. Daartoe dient de website van het pensioenregister met een aantal functionaliteiten te worden uitgebreid. Het kabinet heeft daarbij een gefaseerde, stapsgewijze aanpak voor ogen. Het streven is dat de gefaseerde aanpak eindigt na een periode van drie jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De tijdsplanning gebeurt in samenspraak met de Stichting Pensioenregister.

De uitbreiding van het pensioenregister heeft betrekking op de volgende elementen:

Overzicht (hoeveel krijg ik per maand?):

Het pensioenregister biedt een totaaloverzicht van het op dit moment opgebouwde pensioen en het te bereiken pensioen uit de eerste en tweede pijler op de AOW-gerechtigde leeftijd van de deelnemer. Het is voor de deelnemer van belang om een totaaloverzicht te verkrijgen van het pensioeninkomen op de leeftijd waarop hij met pensioen gaat. In de meeste gevallen zal dat op de datum zijn waarop zijn AOW ingaat.

Het gaat uitdrukkelijk om een indicatieve prognose van het te bereiken pensioen. Aan het te bereiken pensioen zijn onzekerheden verbonden. Om dit tot uitdrukking te brengen zullen, in een tweede laag, de risico’s verbonden aan het pensioen zichtbaar gemaakt worden door middel van drie pensioenbedragen, gebaseerd op een optimistisch, een pessimistisch en een verwacht scenario. Deze bedragen worden berekend volgens een uniforme rekenmethodiek.

Op termijn bestaat de mogelijkheid om het pensioeninkomen op huishoudniveau, dat wil zeggen van beide partners, zichtbaar te maken.

Inzicht (is dat voldoende voor mij?):

De deelnemer wil weten of het bedrag dat hij bij pensionering zal ontvangen voldoende is om de huidige levensstijl te kunnen voortzetten. Daarom is het wenselijk dat de deelnemer een referentiepunt of ijkpunt heeft. Om te kunnen bepalen of het pensioen voldoende is, is het wenselijk in ieder geval de volgende twee referentiepunten op te nemen in het pensioenregister:

  • het huidige netto inkomen per maand. Daarom zal de deelnemer via het pensioenregister gestimuleerd worden dit zelf in te vullen.

  • een instrument dat de deelnemer helpt met het bepalen van de toereikendheid van het pensioeninkomen in relatie tot de uitgaven.

Daarnaast geeft het pensioenregister inzicht in de gevolgen van belangrijke gebeurtenissen in het leven, zoals overlijden van de deelnemer zelf of zijn partner op zijn pensioeninkomen en de eventueel daarbij te nemen maatregelen.

Handelingsperspectief (wat kan ik doen?):

Het pensioenregister laat de gevolgen van keuzes zien op het pensioeninkomen van de deelnemer, zoals de gevolgen van eerder stoppen en langer doorwerken. Daarnaast kunnen op algemeen niveau mogelijkheden buiten de pensioenregeling genoemd worden zoals nadenken over bestedingspatroon, woonlasten en bijsparen of kan doorverwezen worden voor meer informatie hierover, bijvoorbeeld naar een financieel adviseur.

Overige punten

Naast het toevoegen van bovenstaande elementen is het van belang dat de gegevens vaker worden geactualiseerd: de pensioenuitvoerders zullen vaker de laatste gegevens aan het pensioenregister moeten sturen dan nu het geval is. Ten slotte worden pensioengerechtigden stapsgewijs opgenomen in het pensioenregister. Ter voorkoming van hoge kosten is er gekozen voor een langzame ingroei van pensioengerechtigden in het pensioenregister. Het opnemen van alle huidige pensioengerechtigden in het pensioenregister zou leiden tot te grote uitvoeringslasten voor de pensioenuitvoerders. De langzame ingroei betekent dat iedereen die nu als (gewezen) deelnemer is opgenomen, ook na pensionering in het pensioenregister opgenomen blijft.

8. Inzicht in koopkracht en risico’s van het toekomstig pensioeninkomen

De huidige communicatie over koopkracht en risico’s is onvoldoende. Deelnemers denken in euro’s van nu. Zij gaan er daardoor vanuit dat het bedrag voor het te bereiken pensioen bij pensioenleeftijd dezelfde koopkracht heeft als nu en hebben daardoor een te rooskleurig beeld van hun toekomstige pensioeninkomen. Verder is het voor hen moeilijk risico’s in te schatten. Doel van een aanpassing van de communicatie over koopkracht en risico’s is dat mensen een realistischer inschatting van de pensioenaanspraken en risico’s hebben.

Wanneer de verwachting bestaat dat een pensioenuitvoerder gedurende een bepaalde periode niet kan indexeren, slechts gedeeltelijk kan indexeren of moet korten, dan moeten de effecten daarvan in het te bereiken pensioen tot uiting komen. Dit betekent dat het bedrag voor het te bereiken pensioen in die gevallen lager wordt. Deelnemers krijgen hierdoor een realistischer beeld van de koopkracht van hun te bereiken pensioeninkomen.

Mensen kunnen niet goed inschatten wat inflatie betekent voor de koopkracht van hun toekomstig pensioen. Om deelnemers toch dit inzicht te geven kunnen we de koopkracht terugrekenen naar de huidige waarde. Door deelnemers te laten zien wat de koopkracht van hun te bereiken pensioen is in euro’s van nu, wordt de toekomstige koopkracht tastbaar. Het te bereiken pensioen kan teruggerekend worden naar euro’s van nu via de verwachte prijsinflatie.

In het pensioenregister worden koopkracht en risico’s voor de deelnemer persoonlijk zichtbaar aan de hand van drie pensioenbedragen die gebaseerd zijn op een optimistisch, een verwacht en pessimistisch scenario. Hiervoor is het noodzakelijk dat er een rekenmethodiek is om koopkracht en risico’s weer te geven en dat er goed beeldmateriaal en begrijpelijke teksten zijn om de boodschap bij de deelnemer over te brengen.

Ten eerste is het belangrijk dat het opgebouwde pensioen en het te bereiken pensioen op vergelijkbare wijze berekend worden. De bedragen opgebouwd bij verschillende pensioenuitvoerders moeten bij elkaar opgeteld kunnen worden om ze te kunnen verwerken in het pensioenregister. De subwerkgroep uniforme rekenmethodiek heeft bouwstenen en randvoorwaarden geformuleerd voor een rekenmethodiek om koopkracht en risico’s van pensioen weer te geven. De ontwikkelde rekenmethodiek bestaat uit drie stappen. In stap 1 wordt een uniforme scenarioset vastgesteld voor alle pensioenuitvoerders. De voorkeur gaat hierbij uit naar dezelfde scenarioset als die gebruikt zal worden bij de haalbaarheidstoets. In stap 2 wordt het pensioenresultaat voor de specifieke regeling vastgesteld. In stap 3 vindt de vertaalslag plaats naar de pensioenbedragen van de individuele deelnemer. Het gaat hierbij om een indicatieve prognose van het te bereiken pensioen. De rekenmethodiek wordt uitgewerkt in lagere regelgeving.

Ten tweede is het van belang dat de communicatie over koopkracht en risico’s begrijpelijk is. In opdracht van het Ministerie van SZW zijn verschillende deelnemersonderzoeken gedaan naar het beeldmateriaal en de teksten ten behoeve van de communicatie over koopkracht en risico’s. Uit deze onderzoeken zijn belangrijke conclusies gekomen ten aanzien van de vorm en inhoud van de communicatie. In de informatie over koopkracht en risico’s via het pensioenregister wordt voortgebouwd op de resultaten van deze onderzoeken. Er zal hierover overleg worden gevoerd met betrokken partijen en AFM.

9. Overige wijzigingen en overgangsrecht

Aanpassing geheimhoudingsplicht DNB

DNB heeft in haar wetgevingsbrief van 17 juli 2013 verzocht de mogelijkheid te krijgen om voor pensioenfondsen instellingsspecifieke gegevens te publiceren. Aanleiding daarvoor vormen de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie en de parlementaire enquêtecommissie (de Wit I en II) om de kwaliteit van financiële instellingen meer inzichtelijk te maken voor publiek. DNB publiceert op dit moment op haar website alleen statistische data met betrekking tot individuele verzekeraars, gebaseerd op het gedeelte van de jaarstaten van verzekeraars dat op grond van artikel 3:72, vijfde en negende lid, Wft openbaar is. DNB ziet graag dat het ook mogelijk is om instellingsspecifieke gegevens van pensioenfondsen en banken te publiceren.

Meer transparantie over individuele pensioenfondsen kan bijdragen tot een beter begrip bij het publiek en kan mensen helpen bij het nemen van beslissingen van financiële aard. Om die reden wordt voorgesteld voor die gegevens een uitzondering te maken op de geheimhoudingsplicht. Het gaat daarbij uitsluitend om uit toezicht verkregen statistische gegevens van pensioenfondsen, bijvoorbeeld de stand van de dekkingsgraden. Het statistische karakter sluit de publicatie van een beoordeling van die gegevens door DNB uit. Het doel van de openbaarmaking is om burgers op de hoogte te brengen van relevante gegevens met betrekking tot een bepaald pensioenfonds, zodat zij deze gegevens kunnen betrekken bij een beslissing van financiële aard, bijvoorbeeld de beslissing tot waardeoverdracht naar dit pensioenfonds. Het is de bedoeling dat bij publicatie de betreffende gegevens van alle pensioenfondsen worden vermeld, voor zover dit relevant is. Het gaat hierbij niet om een verplichting tot publicatie door DNB, maar om een discretionaire bevoegdheid. Indien de belangen van pensioenfondsen worden geraakt door een besluit tot publicatie, dan kunnen zij daartegen in bezwaar en beroep. DNB moet pensioenfondsen in dat geval een termijn geven om hun bezwaar kenbaar te maken en eventueel naar de rechter te gaan om publicatie tegen te houden. DNB heeft aangegeven dat pensioenfondsen voorafgaand aan de publicatie in de gelegenheid worden gesteld om hun deelnemers te informeren.

Relatie met herziening van het FTK

Bij de formulering van dit voorstel is rekening gehouden met de voorgenomen wijziging van het financieel toetsingskader. Zo is er een verplichting opgenomen om op de website informatie op te nemen over het financieel crisisplan. Pensioenfondsen moeten een dergelijk plan opnemen in de actuariële en bedrijfstechnische nota. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel voor de Wet aanpassing financieel toetsingskader. In het financieel crisisplan geeft het pensioenfonds aan welke maatregelen genomen zullen worden indien het pensioenfonds in onderdekking raakt.

Overgangsrecht

Het wetsvoorstel bevat op twee punten specifiek overgangsrecht.

Dit betreft ten eerste de opname van pensioengerechtigden in het pensioenregister. Ook voor de periode ná pensionering is het wenselijk dat mensen inzicht verkrijgen in de ontwikkeling van de hoogte van de pensioenaanspraken en -rechten. Dit geldt niet alleen voor pensioengerechtigden maar ook voor oudere, actieve deelnemers. Ter voorkoming van hoge kosten is er gekozen voor een langzame ingroei van pensioengerechtigden in het pensioenregister. Dat betekent dat iedereen die nu als (gewezen) deelnemer is opgenomen, ook na pensionering in het pensioenregister opgenomen blijft.

Ten tweede betreft het de verplichting voor pensioenuitvoerders bepaalde informatie via een website ter beschikking te stellen. Omdat verzekeraars veel verschillende regelingen moeten uitvoeren en het een grotere inspanning van hen vergt hun website daartoe in te richten, wordt deze groep van pensioenuitvoerders een overgangsperiode van 1 jaar gegeven om aan deze verplichting te voldoen.

10. Effecten van de regeldruk

De inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten vormen gezamenlijk de kosten die samenhangen met regeldruk.

Vermindering van regeldruk door digitalisering van pensioeninformatie

De ruimere mogelijkheden voor digitale informatieverstrekking en digitale beschikbaarstelling van informatie en de meer centrale rol van het pensioenregister zullen op termijn leiden tot een verlaging van de kosten die samenhangen met de regeldruk. Veel kosten zijn eenmalig en aan een opstartfase verbonden en dus niet structureel.

Pensioenuitvoerders moeten kosten maken voor de uitbreiding van het pensioenregister. Voor de doorontwikkeling van het pensioenregister is een gefaseerde, stapsgewijze aanpak voorzien. De nalevingkosten zijn afhankelijk van de functionaliteiten die aan het pensioenregister worden toegevoegd en de volgorde waarin zij operationeel zijn. Op dit moment zijn deze nog niet in te schatten.

Toelichting op de effecten van de regeldruk

  • Voor het kunnen vaststellen of de deelnemer de keuze voor digitale ontsluiting van zijn pensioengegevens maakt moet de pensioenuitvoerder hem schriftelijk vragen of hij bezwaar maakt tegen digitale informatieverstrekking. De eenmalige kosten hiervan bedragen, op grond van een berekening van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, circa € 6,2 miljoen.

  • Naar schatting zal 50% van de deelnemers de informatie schriftelijk willen ontvangen

    • De basisinformatie over de pensioenregeling kan digitaal verstuurd worden. De administratieve lasten die gepaard gaan met het versturen van de basisinformatie over de pensioenregeling zullen echter niet verminderen, omdat ervan wordt uitgegaan dat de eerste communicatie met een nieuwe deelnemer schriftelijk is;

    • Het digitaal versturen van de stopbrief leidt tot een structurele besparing op de nalevingkosten van circa € 0,2 miljoen;

    • Het digitaal versturen van een uniform pensioenoverzicht leidt tot een structurele besparing van circa € 3,9 miljoen per jaar.

  • Pensioenuitvoerders zijn verplicht bepaalde algemene pensioeninformatie via hun website beschikbaar te stellen. Voor die pensioenuitvoerders die nog geen website hebben leidt dit tot beperkte eenmalige nalevingkosten. Deze zullen naar verwachting lager zijn dan € 0,1 miljoen.

  • Het effect van het wetsvoorstel op de administratieve lasten voor burgers is verwaarloosbaar, omdat het qua tijdsbeslag niet uitmaakt of men informatie schriftelijk of digitaal ontvangt.

  • De eenmalige uitvraag kan voor burgers mogelijk leiden tot een toename van administratieve lasten. Deze is toename is zo beperkt dat deze niet is gekwantificeerd.

Actal

Het adviescollege Actal adviseert de regering over verlaging van administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Op 2 oktober 2013 heeft Actal een advies uitgebracht aan de Minister en Staatssecretaris van SZW over verlaging van regeldruk in het pensioendomein. Daarin pleit Actal ondermeer voor een verbreding van de mogelijkheden tot digitale informatieverspreiding. Verwezen wordt naar de werkzaamheden van de Commissie Gegevensverstrekking, die een inventarisatie maakt van de kansen en eventuele problemen van het gebruik van het digitale loket van de overheid. Op grond van de pensioenwetgeving kunnen pensioenuitvoerders gebruik maken van het burgerservicenummer van de deelnemer om hem te informeren over zijn pensioen. Dit betekent dat pensioenuitvoerders pensioenberichten kunnen sturen naar de Berichtenbox op MijnOverheid.nl, waar de deelnemer de gegevens die verschillende overheidsorganisaties over hem bijhouden kan zien. Via MijnOverheid.nl wordt de deelnemer doorgeleid naar mijnpensioenoverzicht.nl, waar hij een totaaloverzicht vindt van zijn pensioenaanspraken en zijn AOW pensioen.

Op 15 januari 2014 heeft Actal een reactie gestuurd naar aanleiding van de internetconsultatie over het voorontwerp van wet. Daarin constateert Actal dat de voornemens in het voorstel grotendeels in lijn zijn met het advies van 2 oktober 2013 over de mogelijkheden om de regeldruk in het pensioendomein te verminderen.

Actal trekt daarbij de conclusie dat het wetsvoorstel volop kansen biedt op minder regeldruk voor pensioenuitvoerders.

11. Reacties op de internetconsultatie

Van eind november 2013 tot 18 januari 2014 is het voorontwerp van wet voor consultatie op internet gepubliceerd. Daarnaast is dit voorstel op 3 december 2013 ter informatie aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden (Kamerstukken II 2013/14, 32 043, nr. 186). Op de internetconsultatie zijn in totaal 59 reacties ontvangen, waarvan er 49 openbaar zijn. In het algemeen zijn de reacties op het wetsvoorstel positief. Men vindt dat het voorstel mogelijkheden biedt om beter met de deelnemer te communiceren. Door verschillende partijen wordt aandacht gevraagd voor de uitvoeringskosten van het wetsvoorstel. Hiertoe is een paragraaf regeldruk toegevoegd aan de memorie van toelichting. Bovendien zijn enkele voorstellen die tot extra lasten zouden leiden voor pensioenuitvoerders aangepast.

Algemene eisen aan pensioencommunicatie

Er is een aantal opmerkingen en vragen gekomen over de invulling van de open normen, met name ten aanzien van de norm «evenwichtig». Enerzijds bestaat de wens deze norm zo open mogelijk te houden en deze niet in te vullen door lagere regelgeving of door de toezichthouder. Anderzijds zijn er ook nog vragen wat precies met de norm wordt bedoeld. Naar aanleiding van deze reacties is in de memorie van toelichting meer uitleg gegeven bij de norm «evenwichtig».

Meer mogelijkheden tot digitale verstrekking en aanbieding van informatie

Er wordt positief gereageerd op de verruiming van de mogelijkheden voor digitale informatieverstrekking. Uiteraard blijft het voor deelnemers altijd mogelijk om informatie schriftelijk te ontvangen.

Er zijn bezwaren geuit tegen het openbaar maken van regelingspecifieke informatie op de website, omdat deelnemers maar beperkt behoefte hebben aan deze informatie, de kosten hoog zijn en het bij de uitvoeringsovereenkomsten om overeenkomsten tussen private partijen gaat. Naar aanleiding van deze opmerkingen is de regeling aangepast. Bepaalde informatie, zoals de basisinformatie over de regeling (de Pensioen1-2-3), moet op een website komen die voor een ieder toegankelijk is. Het is van groot belang dat een ieder, ook sollicitanten, deze informatie kunnen inzien. Andere informatie, zoals de uitvoeringsovereenkomst, mag geplaatst worden op een besloten deel van de website.

Basisinformatie over de pensioenregeling is altijd beschikbaar

Er zijn opmerkingen gemaakt over de rol van de werkgever in het algemeen en bij het verstrekken van de Pensioen 1-2-3 aan nieuwe deelnemers in het bijzonder. De rol van de werkgever zal wettelijk niet uitgebreid worden. Wel wordt naar aanleiding van de reacties de in het voorontwerp ingekorte termijn van drie naar twee maanden voor het verstrekken van de basisinformatie geschrapt en zal de huidige termijn van drie maanden gehandhaafd blijven.

Er zijn vragen gekomen over de pensioenvergelijker en de verhouding van deze vergelijker met de Pensioen 1-2-3. In de toelichting is verduidelijkt dat het hier niet gaat om een apart instrument. De term pensioenvergelijker is geschrapt. Het is de bedoeling dat de Pensioen 1-2-3 voldoende regelingspecifieke informatie bevat zodat voor de sollicitant en deelnemer de Pensioen 1-2-3 van verschillende uitvoerders vergelijkbaar zijn. Dit wordt in nadere regelgeving verder uitgewerkt, waarbij de belangrijkste stakeholders worden betrokken.

Een jaarlijks pensioenoverzicht van opgebouwde pensioenaanspraken

Er zijn opmerkingen gekomen over of het nog noodzakelijk is een UPO te versturen of dat het pensioenregister deze rol kan overnemen. Bovendien kan het wenselijk zijn alle communicatie via één kanaal te laten verlopen. Op dit moment is het nog wenselijk het UPO vanuit de pensioenuitvoerder te versturen, omdat het pensioenregister nog niet zo ver ontwikkeld is dat zij actief (schriftelijke) informatie kunnen verstrekken.

In het voorontwerp is ervoor gekozen het UPO een andere functie te geven dan het pensioenregister. Het UPO kijkt naar het verleden, waardoor het te bereiken pensioen niet wordt vermeld op het UPO. Voor dit laatste kan men terecht bij het pensioenregister of navraag doen bij de pensioenuitvoerder. Er zijn verschillende opmerkingen gemaakt over het wel of niet handhaven van het te bereiken pensioen op het UPO. Omdat het te bereiken pensioen vooral informatief is als dit gaat om een totaalinkomen, wat alleen op het pensioenregister getoond kan worden, wordt ervoor gekozen het te bereiken pensioen niet langer op het UPO te vermelden.

Vanwege uitvoeringskosten en beperkt nut wil men geen UPO voor pensioengerechtigden. Ten eerste zijn vragen opgekomen of het om jaarlijkse informatieverstrekking moet gaan of dat dit minder vaak kan. Volgens de huidige wet moeten pensioenuitvoerders jaarlijks informatie verstrekken aan pensioengerechtigden en dit wordt gehandhaafd. Voor pensioengerechtigden is het belangrijk jaarlijks informatie te krijgen. Op dit moment hebben zij nog geen toegang tot het pensioenregister.

Ten tweede vraagt men zich af of er sprake moet zijn van uniforme informatieverstrekking of dat het vormvrij is en of de pensioengerechtigde dezelfde informatie zou moeten ontvangen als de deelnemer. In deze toelichting is nader uitgelegd dat het alleen gaat om uniformiteit in de informatie, niet om dezelfde informatie als op het UPO van deelnemers. Het is wenselijk dat pensioengerechtigden ook op uniforme wijze informatie krijgen, zodat zij dit kunnen vergelijken en optellen.

In het voorontwerp was de termijn voor verzending van het UPO aan gewezen deelnemers en gewezen partners verkort van vijf naar drie jaar. In de reacties wordt gewezen op de hoge kosten en het pensioenregister als alternatieve informatiebron, die geraadpleegd kan worden. Daarom wordt de termijn nu gehandhaafd op vijf jaar. Wel worden deze groepen in de informatie bij beëindiging deelname aan de pensioenregeling en in het UPO gewezen op actuele gegevens op het pensioenregister. Deze gegevens worden dan ook vaker geactualiseerd.

Er zijn vragen gekomen over wie de UPO-modellen vaststelt. Volgens de huidige wet stellen pensioenuitvoerders de UPO-modellen vast. Dit wordt veranderd: in lagere regelgeving zal worden bepaald dat pensioenuitvoerders concept-UPO modellen formuleren, de AFM daarover advies uitbrengt en de modellen vervolgens bij lagere regelgeving worden vastgesteld.

Er zijn verschillende (tegengestelde) opmerkingen over het wel of niet opnemen van het arbeidsongeschiktheidspensioen op het UPO. Niemand ziet de voordelen van een aparte portal; men is voorstander van opname van het arbeidsongeschiktheidspensioen in het pensioenregister. Bij het opstellen van de UPO-modellen zal rekening gehouden worden met de verschillende wensen van de pensioenfondsen en de verzekeraars.

Een aantal partijen wil factor A van het UPO af halen en eventueel in de tweede laag of op verzoek verstrekken. Factor A zal op het UPO blijven staan, omdat dit voor deelnemers relevante informatie kan zijn voor de belastingaangifte.

Uitbreiding van het pensioenregister

In veel reacties geeft men aan tegenstander te zijn van toevoeging van pensioengerechtigden aan het pensioenregister. Men ziet geen meerwaarde voor de pensioengerechtigden zelf, aangezien ze nauwelijks behoefte hebben aan een pensioenplanner, terwijl de kosten hoog zijn. De regering is echter van mening dat het voor pensioengerechtigden wel van meerwaarde is om de invloed van inflatie en risico’s op hun pensioeninkomen te kunnen zien. Om de kosten zo laag mogelijk te houden wordt een langzame ingroei van pensioengerechtigden in het pensioenregister voorgesteld. Iedereen die nu als (gewezen) deelnemer is opgenomen blijft ook na zijn pensionering in het pensioenregister zitten. De groep die nu pensioengerechtigd is, krijgt echter geen toegang meer tot het pensioenregister.

De Stichting pensioenregister heeft aangegeven dat nog niet duidelijk is of de streefdata haalbaar zijn. Het totale ontwikkelingstraject zal naar verwachting een periode van drie tot vijf jaar beslaan, aldus de Stichting.

Er is een aantal opmerkingen gekomen over generieke versus specifieke informatie en de informatie die het pensioenregister zou moeten bieden en die (de portals/mijnomgeving van) de pensioenuitvoerders moeten bieden. Omdat niet elke pensioenuitvoerder een portal heeft en het veel kostenefficiënter is deze informatie centraal via één te bouwen portal te bieden, is het wenselijk een bepaalde basis voor elke deelnemer op het register te laten zien. Daarbij zal de persoonlijke informatie soms een globaler karakter hebben.

Koopkracht en risico’s

Er zijn vragen en opmerkingen gekomen over koopkracht en risico’s en de uniforme rekenmethodiek. Deze vragen en opmerkingen hebben geen gevolg voor het wetsvoorstel of de toelichting, maar zullen worden meegenomen in de verdere uitwerking van de uniforme rekenmethodiek en de uitwerking daarvan in lagere regelgeving.

Geheimhoudingsplicht DNB

Er zijn opmerkingen gekomen de aanpassing van de geheimhoudingsplicht van DNB: om welke informatie gaat het en kan dit tot reputatieschade leiden? Hiertoe is de toelichting aangepast en bij de uitwerking van deze bepaling zullen de pensioenuitvoerders en DNB betrokken worden.

12. Reactie van de toezichthouders

Beide toezichthouders, AFM en DNB, hebben een reactie gegeven op het voorontwerp van wet1. Zij hebben beiden aangegeven niet meer te komen met een uitvoeringstoets. In het nu volgende worden de reacties van AFM en DNB op het voorontwerp besproken en wordt aangegeven wat hiermee gedaan is in het wetsvoorstel.

Reactie AFM

In haar algemene reactie geeft AFM aan de belangrijkste uitgangspunten van het voorontwerp te ondersteunen.

AFM geeft aan tevreden te zijn met de algemene eisen aan pensioencommunicatie in het voorontwerp. AFM pleit ervoor de term «bevordert» in deze algemene eisen te vervangen door «zorgt», omdat dit duidelijker weergeeft waaraan de pensioenuitvoerder moet voldoen en voor het toezicht van AFM een heldere norm is.

Er is voor gekozen de term «bevordert» te handhaven. De term «zorgen» impliceert immers een resultaatsverplichting, terwijl hier een inspanningsverplichting van de pensioenuitvoerder is bedoeld.

Het voorontwerp verplicht de pensioenuitvoerder om op zijn website informatie over de uitvoeringskosten op te nemen. AFM vindt het van belang dat een deelnemer de totale uitvoeringskosten van zijn pensioenuitvoerder kan beoordelen en vergelijken en pleit er voor het begrip uitvoeringskosten te definiëren.

Op dit moment wordt in samenspraak met AFM en de pensioensector nader gekeken naar de informatie over de uitvoeringskosten op grond van het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij wordt bezien of via een maatmanberekening kan worden verduidelijkt hoe kosten en pensioenresultaat zich tot elkaar verhouden, waarbij een vergelijkbare aanpak kan worden gehanteerd als bij andere financiële producten. Deze aanpak maakt het mogelijk dat pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen op vergelijkbare wijze informatie over uitvoeringskosten beschikbaar stellen. Daarbij wordt ook nagegaan of het nodig is het begrip uitvoeringskosten te definiëren in de lagere regelgeving.

AFM ziet het belang van meer mogelijkheden tot digitalisering en is het eens met de in het voorontwerp gekozen richting. In dit kader merkt AFM op dat het wenselijk is de delegatiebepaling in artikel 49 te verbreden, zodat ook nadere regels gesteld kunnen worden over de bezwaarmogelijkheid van deelnemer tegen digitale informatieverstrekking. Dit advies van AFM is opgevolgd.

AFM vindt het wenselijk de gegevens in het pensioenregister uit te breiden, door bij de eerste pijler ook de ANW toe te voegen en de producten uit de derde pijler op te nemen.

Het kabinet onderschrijft de wenselijkheid van de uitbreiding van het pensioenregister, zoals door de AFM bepleit, maar kiest daarbij voor een stapsgewijze aanpak. Het is te vroeg om voor de verdere uitbreiding nu al een wettelijke grondslag op te nemen.

AFM merkt op dat vanwege het grote belang van het pensioenregister als informatiebron voor deelnemers het wenselijk is de verantwoordelijkheid hiervoor goed te beleggen. In dit verband vraagt de AFM te bekijken of de huidige structuur bij de Stichting pensioenregister aanpassing behoeft om de ambitie waar te maken of dat een andere organisatiestructuur, zoals omvorming naar een zelfstandig bestuursorgaan, een mogelijkheid is. Tevens vindt de AFM dat de uitbreiding op 1-1-2018 moet zijn afgerond.

Het kabinet heeft er voor gekozen de Stichting pensioenregister de verantwoordelijkheid te geven om de uitbreiding tot stand te brengen. Er is op dit moment geen reden om te komen tot een andere organisatiestructuur. De Stichting onderschrijft dat de ontwikkeling voortvarend moet worden aangepakt. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de komende tijd nauw contact houden met de Stichting pensioenregister om de voortgang te bewaken.

AFM wijst erop dat in het artikel over het pensioenregister staat dat de pensioenaanspraken kunnen worden weergegeven op grond van drie scenario’s. AFM pleit ervoor het woord «kunnen» te vervangen door «moeten». Dit voorstel van AFM is opgevolgd door het woord «kunnen» in de bepaling over het pensioenregister te schrappen.

AFM kan zich vinden in het voorstel dat het UPO in de toekomst als een verantwoording dient over wat de deelnemer aan pensioen heeft opgebouwd bij de individuele pensioenuitvoerder.

AFM acht de voorgestelde aanpak voor de informatieverstrekking over arbeidsongeschiktheidspensioen, zoals in de memorie van toelichting bij voorontwerp beschreven, onvoldoende. AFM is van mening dat pensioenuitvoerders alle energie moeten inzetten om alle informatie over arbeidsongeschiktheidspensioen op mijnpensioenoverzicht.nl beschikbaar te maken. AFM stelt voor om een overgangsbepaling op te nemen zodat, totdat arbeidsongeschiktheid is opgenomen in het pensioenregister, de pensioenuitvoerder hun deelnemers jaarlijks informeren over de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen.

Onder andere naar aanleiding van deze opmerking van AFM is ervoor gekozen het arbeidsongeschiktheidspensioen niet meer uit te zonderen van het jaarlijkse pensioenoverzicht. Het wetsvoorstel is op dit punt aangepast.

Reactie DNB

DNB wijst erop dat voor het bereiken van een duurzaam stelsel het noodzakelijk is dat de kloof tussen wat deelnemers van hun pensioen verwachten en wat aan pensioen gerealiseerd kan worden, wordt weggenomen. Communicatie kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. DNB vindt het van groot belang dat de pensioencommunicatie verbetert zodat niet langer een te rooskleurig beeld over de hoogte van het pensioen wordt gegeven en de deelnemer helder inzicht krijgt in de risico’s die daarbij horen. Het kabinet onderschrijft deze zienswijze.

Verder wijst DNB op de uniforme methode voor het berekenen van pensioenkoopkracht en -risico’s, die recent is ontwikkeld door DNB, AFM, SZW, CPB en anderen, die een uniforme communicatie over deze risico’s voor pensioenuitvoerders mogelijk maakt. DNB onderstreept het belang van een rekenmethodiek die leidt tot vergelijkbare pensioeninformatie die toepasbaar is door alle typen pensioenuitvoerders en op alle typen pensioencontracten. DNB blijft graag meewerken aan de verdere ontwikkeling van deze rekenmethodiek.

Verder geeft DNB aan verheugd te zijn met de voorgestelde aanpassing van de geheimhoudingsplicht. Daardoor heeft DNB de mogelijkheid om instellingsspecifieke gegevens van pensioenfondsen te kunnen publiceren, zoals dekkingsgraden, het vereist eigen vermogen, indexaties en kortingen, beleggingsrendementen en gerapporteerde kosten.

DNB vindt het belangrijk dat deelnemers en pensioengerechtigden al in een vroeg stadium op de hoogte zijn van mogelijke kortingen. DNB pleit er daarom voor om in de wet te verduidelijken dat er ook informatie moet worden verstrekt over een voorgenomen besluit tot korting.

Dit voorstel van DNB is niet overgenomen. De reden daarvoor is gelegen in het volgende. Een pensioenfonds dat in onderdekking verkeert moet binnen een periode van drie maanden een herstelplan indienen bij DNB. Als een korting onderdeel uitmaakt van het herstelplan, betreft het op dat moment een voorgenomen korting. Vervolgens dient DNB binnen een periode van drie maanden al dan niet in te stemmen met het herstelplan. Stemt DNB niet in, dan moet het herstelplan worden aangepast. Dat kan betekenen dat een eerder opgenomen korting moet worden verhoogd of verlaagd of toegevoegd dan wel geschrapt. Het is daarom wenselijk deelnemers en pensioengerechtigden pas te informeren nadat DNB akkoord is gegaan met het herstelplan en het een definitieve korting betreft. Dit voorkomt het risico dat pensioenuitvoerders deelnemers en pensioengerechtigden binnen een periode van enkele maanden twee keer moeten informeren. Bovendien kan de definitieve korting pas een maand na het informeren worden geëffectueerd.

Verder pleit DNB voor het verstrekken van informatie over relevante omstandigheden en gebeurtenissen, zoals de wijziging van de financiële opzet, het pensioenreglement en de governance van het pensioenfonds.

Het wetsvoorstel verplicht de pensioenuitvoerder reeds tot het beschikbaar stellen van informatie over het financieel crisisplan, het herstelplan en het pensioenreglement. Verder gaat het kabinet ervan uit dat pensioenfondsen uit zichzelf er toe overgaan informatie te verschaffen over de wijzigingen in de governance van hun fonds.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel A

In artikel 7 van de Pensioenwet wordt voorgesteld te regelen dat de werkgever de werknemer schriftelijk of elektronisch kan informeren over het al dan niet doen van een aanbod tot het sluiten van een pensioenoverkomst. Daarbij wordt bepaald dat de werknemer uitdrukkelijk moet instemmen met elektronische verstrekking van deze informatie. Dit is een afwijking van het voorgestelde artikel 49 van de Pensioenwet (waar wordt geregeld dat elektronische verstrekking mag tenzij bezwaar wordt gemaakt) maar is in overeenstemming met de regeling in artikel 655 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 7:655, negende lid, is voor elektronische informatieverstrekking aan de werknemer over zijn arbeidsovereenkomst uitdrukkelijke instemming van de werknemer vereist. Omdat artikel 7 is gebaseerd op de inhoud van artikel 7:655, lid 1, onderdeel j, wordt hierbij aangesloten. De werkgever hoeft hier dan niet voor het verstrekken van de opgave van gegevens met betrekking tot de arbeidsrelatie verschillend mee om te gaan.

Artikel I, onderdeel B en artikel II, onderdeel A

Op grond van het eerste lid van artikel 21 van de Pensioenwet en artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) ontvangt de deelnemer binnen drie maanden na de start van de pensioenverwerving basisinformatie over zijn pensioenregeling (de Pensioen 1-2-3). Hierbij wordt minder gedetailleerd dan in de huidige wet voorgeschreven welke informatie het betreft. Het gaat om de kenmerken van de pensioenregeling en om persoonlijke omstandigheden die actie van de werknemer kunnen vergen. Bij persoonlijke omstandigheden gaat het onder meer om baanwisseling, scheiding, samenwonen en arbeidsongeschiktheid. Verder wordt de werknemer gewezen op de website van de pensioenuitvoerder (waar niet persoonsgebonden informatie wordt opgenomen) en op de mogelijkheid het pensioenregister te raadplegen.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over dit artikel. Daarbij worden onder andere regels gesteld waardoor hetgeen in de basisinformatie wordt opgenomen pensioenregelingen beter vergelijkbaar maakt. Die regels zullen verder inhouden dat informatie over het toeslagbeleid moet worden opgenomen in de basisinformatie. De basisinformatie zal ook op de website van de pensioenuitvoerder te vinden zijn.

De wijziging van artikel 21 van de Pensioenwet en artikel 48 van de Wvb wordt verder toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel C en artikel II, onderdeel B

In artikel 38 van de Pensioenwet en artikel 49 van de Wvb is de jaarlijkse informatieverstrekking aan deelnemers geregeld. In het eerste lid van deze artikelen wordt de informatie genoemd die op grond van artikel 48, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 59, vierde lid, van de Wvb in het uniform pensioenoverzicht wordt opgenomen. Nu het uniform pensioenoverzicht wordt beperkt tot een opgave over het verleden is informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken geschrapt. Deze informatie kan de deelnemer wel op verzoek krijgen (artikel 46, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 57, eerste lid, van de Wvb).

Een opgave van verworven aanspraken ziet niet alleen op opgebouwde aanspraken, maar ook op aanspraken op risicobasis. De informatie over toeslagverlening zal in het uniform pensioenoverzicht beperkt zijn tot informatie over de toeslag die is verleend in de afgelopen jaren. Dit zal in de algemene maatregel van bestuur op grond van deze artikelen worden geregeld. Andere informatie over toeslagverlening zoals de toeslagambitie, zal wel worden opgenomen in de informatie die op grond van artikel 21 van de Pensioenwet en artikel 48 van de Wvb wordt verstrekt.

Aan het eerste lid is toegevoegd informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten. Hierbij gaat het dus om informatie over een doorgevoerde vermindering.

Het huidige tweede en derde lid vervallen. Het uniform pensioenoverzicht wordt geregeld in artikel 48 van de Pensioenwet en artikel 59 van de Wvb en de elektronische verstrekking in artikel 49 van de Pensioenwet en artikel 60 van de Wvb.

Artikel I, onderdeel D, E, F, G H en I en artikel II, onderdeel C, D, E, F, G en H

Aan de informatie die verstrekt moet worden bij beëindiging van de deelneming, bij scheiding, bij pensioeningang en periodiek aan gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden wordt eveneens informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten toegevoegd.

Bij de periodieke informatie aan gewezen deelnemers en gewezen partners wordt de nu voorgeschreven frequentie van ten minste eens in de vijf jaar gehandhaafd. Voor beide groepen wordt geregeld dat zij de informatie ook tussentijds op verzoek kunnen krijgen (artikel 46, vierde lid, van de Pensioenwet en artikel 57, vierde lid, van de Wvb). Ook via het pensioenregister zal geactualiseerde informatie te raadplegen zijn.

Alle periodieke informatie zal worden verstrekt in de vorm van een uniform pensioenoverzicht. Dit wordt geregeld in artikel 48 van de Pensioenwet en artikel 59 van de Wvb.

Voor de verstrekking van informatie bij beëindiging van de deelneming, scheiding en pensioeningang is als zodanig geen termijn genoemd waarbinnen de verstrekking moet plaatsvinden. Wel geldt de algemene norm dat informatie tijdig moet worden verstrekt (artikel 48, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 59, eerste lid, van de Wvb). Dit zal bijvoorbeeld voor verstrekking bij beëindiging van de deelneming inhouden dat deze snel na de beëindiging moet hebben plaatsgevonden. De gewezen deelnemer heeft de informatie immers nodig om te kunnen beslissen of hij aan waardeoverdracht wil doen.

Artikel I, onderdeel J en artikel II, onderdeel I

In artikel 45 van de Pensioenwet en artikel 56 van de Wvb is opgenomen welke informatie aan de deelnemer verstrekt moet worden voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling. Aan deze bepaling wordt informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten toegevoegd. Verder wordt in een nieuw tweede lid geregeld dat de informatie over de reglementair te bereiken aanspraken wordt weergegeven in een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. Over de te hanteren rekenregels voor de scenario’s zullen nadere regels worden gesteld.

Artikel I, onderdeel K en artikel II, onderdeel J

De in artikel 46 van de Pensioenwet en artikel 57 van de Wvb opgenomen informatie die op verzoek moet worden verstrekt wordt beperkt tot persoonsgebonden informatie. Algemene, niet persoonsgebonden, informatie, zoals het pensioenreglement en het jaarverslag, die op grond van het huidige artikel op verzoek wordt verstrekt, wordt op de website van de pensioenuitvoerder gezet (zie toelichting bij artikel I, onderdeel L en artikel II, onderdeel K).

Op grond van het eerste lid, onderdeel a, wordt op verzoek verstrekt: een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken, de reglementair te bereiken pensioenaanspraken of het pensioenrecht op basis van een pessimistisch, een verwacht en een optimistisch scenario. Als de deelnemer via het pensioenregister zijn gegevens opvraagt worden die ook weergegeven in deze drie scenario’s.

De overige twee onderdelen in het eerste lid, de relevante informatie over beleggingen en andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen zijn ongewijzigd uit de huidige artikelen overgenomen.

Ook het tweede lid is ongewijzigd. Wel wordt in het nieuwe derde lid geregeld dat de informatie die op grond van het tweede lid wordt verstrekt, een indicatie van het te bereiken kapitaal of een indicatie van de hoogte van de in te kopen uitkering bij kapitaal of premieovereenkomsten, ook in de drie eerder genoemde scenario’s wordt weergegeven.

Op grond van het vierde lid wordt de informatie die in het uniform pensioenoverzicht wordt opgenomen ook op verzoek van de gewezen deelnemer of de gewezen partner verstrekt. Deze groepen krijgen (ten minste) eens in de vijf jaar een uniform pensioenoverzicht maar kunnen dus ook tussentijds deze gegevens opvragen. Deze mogelijkheid bestaat al voor de gewezen deelnemer maar daar wordt nu de gewezen partner aan toegevoegd.

De verplichting in het huidige vierde lid om informatie te verstrekken aan de vertegenwoordigers van deelnemers vervalt. Deze verplichting zag met name op de niet persoonsgebonden informatie en is dus niet meer nodig aangezien deze informatie op de website van de pensioenuitvoerder te vinden zal zijn.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van het vijfde lid zullen onder meer regels worden gesteld over de rekenregels die moeten worden gebruikt voor de drie scenario’s.

Artikel I, onderdeel L en artikel II, onderdeel K

In artikel 46a van de Pensioenwet en artikel 57a van de Wvb wordt de informatie genoemd die de pensioenuitvoerder op zijn website beschikbaar moet hebben. Daarbij gaat het om niet persoonsgebonden informatie waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen informatie die algemeen beschikbaar moet worden gesteld in het eerste lid en informatie die voor de (gewezen) deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde beschikbaar wordt gesteld in het tweede lid. De informatie in het eerste lid wordt dus op een openbare website geplaatst terwijl de informatie in het tweede lid ook op een website kan worden geplaatst die alleen voor (gewezen) deelnemers of pensioengerechtigden toegankelijk is.

Bij de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde informatie over de pensioenregeling gaat het over de basisinformatie over de pensioenregeling (de Pensioen 1-2-3) die ook aan de deelnemer verstrekt wordt bij aanvang van de verwerving.

Bij de informatie over de gevolgen van partnerpensioen op risicobasis in het eerste lid, onderdeel b, gaat het onder andere over de gevolgen van beëindiging van de deelneming, baanwisseling en waardeoverdracht. Op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt informatie over de uitvoeringskosten op de website gezet en volgens het eerste lid, onderdeel d, informatie over de premie.

Op grond van het tweede lid, onderdeel a, moet een pensioenfonds informatie opnemen over het financieel crisisplan. Pensioenfondsen moeten een dergelijk plan op gaan nemen in de actuariële en bedrijfstechnische nota (dit wordt geregeld in het wetsvoorstel voor de Wet aanpassing financieel toetsingskader). In het financieel crisisplan geeft het pensioenfonds aan welke maatregelen genomen zullen worden indien het pensioenfonds in onderdekking raakt. Op de website moet het pensioenfonds hierover informatie opnemen. Als het pensioenfonds een lopend (geactualiseerd) herstelplan heeft moet op grond van het tweede lid, onderdeel b, hierover informatie worden opgenomen.

Op grond van het derde lid moet een pensioenuitvoerder de informatie elektronisch of schriftelijk verstrekken indien hierom wordt gevraagd.

In de algemene maatregel van bestuur op grond van dit artikel zal onder meer worden geregeld welke informatie over uitvoeringskosten en de premie moet worden opgenomen.

Artikel I, onderdeel M en artikel II, onderdeel L

In artikel 48 van de Pensioenwet en artikel 59 van de Wvb worden de algemene eisen opgenomen die aan de informatieverstrekking worden gesteld. In de eerste drie leden zijn een aantal overkoepelende normen opgenomen die zijn toegelicht in hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de toelichting.

In het vierde lid wordt geregeld dat een uniform pensioenoverzicht niet alleen gebruikt gaat worden bij de periodieke informatieverstrekking aan deelnemers maar ook bij de informatieverstrekking aan gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden. Behalve de informatie over de opgebouwde aanspraak of de pensioenuitkering wordt op het uniform pensioenoverzicht ook een verwijzing opgenomen naar de website van de pensioenuitvoerder en de website van het pensioenregister en wordt gewezen op de mogelijkheid om op verzoek gegevens over het pensioen te ontvangen of in te kunnen zien in een drietal scenario’s waaronder gegevens over het reglementair te bereiken pensioen die niet meer op het uniform pensioenoverzicht worden weergegeven.

In de algemene maatregel van bestuur op grond van dit artikel zullen regels worden gesteld met betrekking tot het uniform pensioenoverzicht en het verstrekken van informatie door middel van het uniform pensioenoverzicht. Daarbij zal niet sprake zijn van één uniform pensioenoverzicht. Het uniform pensioenoverzicht kan verschillen naar gelang de doelgroep en de informatie die verstrekt moet worden. Zo zal voor de situatie dat alleen informatie over arbeidsongeschiktheidspensioen moet worden verstrekt een afzonderlijk uniform pensioenoverzicht worden vastgesteld. Verder zullen ook regels gesteld worden voor de informatieverstrekking indien in een jaar een wisseling van pensioenuitvoerder heeft plaatsgevonden.

Artikel I, onderdeel N en artikel II, onderdeel M

In artikel 49 van de Pensioenwet en artikel 60 van de Wvb wordt geregeld dat de informatie door de pensioenuitvoerders schriftelijk of elektronisch kan worden verstrekt. Als de pensioenuitvoerder de informatie elektronisch wil verstrekken moet hij de deelnemer schriftelijk hierover informeren. Maakt de deelnemer bezwaar dan wordt de informatie alsnog schriftelijk verstrekt.

Artikel I, onderdeel O en artikel II, onderdeel N

In het eerste lid van artikel 51 van de Pensioenwet en artikel 62 van de Wvb wordt de omschrijving van het doel van het pensioenregister aangepast. Toegevoegd worden de mogelijkheid om pensioengegevens te raadplegen op basis van een pessimistisch, een verwacht en een optimistisch scenario. Verder krijgt het pensioenregister als doel inzicht te geven in de hoogte van het te bereiken pensioen, de keuzes ten aanzien van het pensioen en de gevolgen van deze keuzes en van belangrijke gebeurtenissen op het pensioen. In het pensioenregister zullen ook gegevens over pensioenuitkeringen te zien zijn. Zie verder hoofdstuk 7 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel P en artikel II, onderdeel O

Het derde lid van artikel 95 van de Pensioenwet en artikel 103 van de Wvb wordt aangepast in verband met het toevoegen van artikel 46a van de Pensioenwet en artikel 57a van de Wvb aan de in die leden opgenomen opsomming. Verder wordt in het vierde lid de verplichting tot het stellen van regels vervangen door een mogelijkheid daartoe. De nu in de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen toeslagenmatrix zal vervallen.

Artikel I, onderdeel Q en artikel II, onderdeel P

Voorgesteld wordt voor statistische gegevens een uitzondering te maken op de geheimhoudingsplicht van DNB. Dit wordt geregeld in artikel 204 van de Pensioenwet en artikel 198 van de Wvb.

Het gaat daarbij om uit het toezicht verkregen statistische gegevens van pensioenfondsen; het statistische karakter sluit de publicatie van een beoordeling van die gegevens – zijnde niet statistische, kwalitatieve gegevens – door DNB uit. De gegevens in kwestie betreffen niet geaggregeerde gegevens met betrekking tot de activa en passiva van de afzonderlijke pensioenfondsen, berekend overeenkomstig de daarvoor geldende prudentiële regels.

Criterium voor openbaarmaking is of de gegevens in kwestie het oordeel of de beslissing van een ieder die zich op die gegevens baseert voor het nemen van beslissingen van financiële aard, beïnvloeden of kunnen beïnvloeden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen regels gesteld worden over de gegevens die door DNB gepubliceerd kunnen worden, over de procedure bij publicatie en de termijnen die worden gehanteerd daaraan voorafgaand.

Artikel I, onderdeel R en artikel II, onderdeel Q

In artikel 220a van de Pensioenwet en artikel 214 van de Wvb wordt overgangsrecht opgenomen voor artikel 46a van de Pensioenwet en artikel 57a van de Wvb waarmee voor verzekeraars geregeld wordt dat zij in het eerste jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de in die artikelen genoemde informatie niet op hun website beschikbaar hoeven te stellen. In plaats daarvan stellen ze de informatie elektronisch of schriftelijk beschikbaar. Hiervoor is gekozen omdat verzekeraars die meer pensioenregelingen uitvoeren meer tijd nodig hebben om beschikbaarstelling op de website te organiseren.

Verder wordt geregeld dat pensioengerechtigden die na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel pensioengerechtigd zijn geworden het pensioenregister kunnen raadplegen. Op deze manier wordt het aantal pensioengerechtigden dat in het pensioenregister is opgenomen geleidelijk uitgebreid.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma