Kamerstuk 34000-VIII-22

Lijst van vragen en antwoorden over de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Overgangen in het onderwijs’

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2015

Gepubliceerd: 3 november 2014
Indiener(s): Agnes Wolbert (PvdA)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34000-VIII-22.html
ID: 34000-VIII-22

Nr. 22 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 3 november 2014

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 15 juli 2014 inzake de Beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad «Overgangen in het onderwijs» (Kamerstuk 33 750 VIII, nr. 117).

De Minister en de Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 3 november 2014. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Boeve

1

Is er op dit moment in ons onderwijsstelsel sprake van een gerichte en positieve prikkel voor instellingen om jongeren door te laten stromen?

Ja, in algemene zin is dat zeker zo. Docenten zijn intrinsiek gemotiveerd om leerlingen en studenten het onderwijs te geven dat bij hen past en hun talenten zo goed mogelijk tot ontwikkeling te laten komen. In ons gedifferentieerde onderwijsstelsel wordt getracht voor elke leerling en student een naar inhoud en niveau voor hen passend programma te organiseren.

Zo moet in het speciaal basisonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs voor elke leerling een ontwikkelingsperspectief worden opgesteld. In dat perspectief wordt een ambitieus en realistisch doorstroombestemming van de leerling vastgelegd. Leraren en ondersteuners zijn gemotiveerd om dit perspectief daadwerkelijk te realiseren. De aansluiting op het vervolgonderwijs wordt hierdoor versterkt.

Om bijvoorbeeld het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) als reëel en aantrekkelijk alternatief voor het avo te positioneren wordt met de wet doelmatige leerwegen beoogd om tot intensiever en uitdagender onderwijs voor studenten te komen en prikkels te bieden om de student sneller door te laten stromen binnen het mbo, het hoger onderwijs (ho) en de arbeidsmarkt. Op die manier wordt de onderwijstijd voor de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en voor de beroepsopleidende leerweg (bol) aangescherpt en is de wettelijke nominale opleidingsduur verkort.

In het ho zijn met de Wet kwaliteit in verscheidenheid, die medio 2013 in werking is getreden, stappen gezet om te bevorderen dat de juiste student sneller op de juiste plek instroomt. Bijvoorbeeld door de invoering van de studiekeuzecheck, de vervroeging van de aanmelddatum naar 1 mei, het stimuleren van brede bacheloropleidingen, de wettelijke verankering van de Associate Degree en de bevordering van een kwalitatief goede doorstroom vanuit het mbo. Zie voor de laatste maatregel de brief van de Minister van OCW aan uw Kamer van 5 december 2013.1 Daarnaast maken verbetering van het rendement en vermindering van de uitval onderdeel uit van de prestatieafspraken die met de hogescholen en universiteiten zijn gemaakt.

Een kleine kanttekening voor het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) is hier wel op zijn plaats: hoewel het niet wettelijk is voorgeschreven, is het leerstofjaarklassensysteem, waarbij leerlingen óf overgaan naar het volgende leerjaar, óf blijven zitten en dan het hele jaar moeten overdoen, tamelijk dominant in het po en vo. Dit kan er bij sommige leerlingen toe leiden dat de doorstroming suboptimaal is, omdat zij op enkele vakken blijven zitten en dan het hele jaar moeten overdoen in plaats van door te stromen naar de volgende klas. Mede in het kader van de afspraken in de sectorakkoorden voor po en vo is een beweging ingezet om onnodig zittenblijven te voorkomen, onder andere middels zomerscholen.

2

Bent u bekend met de aanpak van Specialisterren die de zwakke sociale vaardigheden van ict’ers met autisme weet te ondervangen door iemand tussen de testers en de klant in te zetten, die communiceert met de klant en de rust bewaart binnen de specialisterren-testers?

Zou deze aanpak geschikt zijn voor zorgleerlingen, zodat hun vaak eenzijdige talenten niet verloren hoeven te gaan voor passend werk op eigen niveau?

Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor het bieden van voorzieningen – naar redelijkheid –, zodat het onderwijs mede toegankelijk is voor leerlingen en studenten met een handicap of beperking. Welke voorzieningen dat zijn, is afhankelijk van wat de betreffende leerling of student nodig heeft en wat de onderwijsinstelling kan bieden.

Dit specifieke geval is een voorbeeld van maatwerk dat vaak nodig is om mensen met een beperking te ondersteunen op de werkplek. Het bieden van de juiste ondersteuning is echter altijd een match tussen de mogelijkheden van de leerling of student en het soort werkzaamheden dat hij gaat verrichten. Wat in dit geval werkt voor een groep medewerkers met autisme, hoeft niet noodzakelijkerwijs te werken voor andere groepen.

3

Welke mogelijkheden ziet u om via toetsing en waardering van de praktische vaardigheden van scholieren aan het einde van het basisonderwijs en studenten er voor te zorgen dat zij het onderwijs volgen dat het beste bij hun vaardigheden en talenten past?

Er is binnen wet- en regelgeving ruimte voor scholen en leerkrachten om zelf te beslissen welke inzichten en hulpmiddelen zij gebruiken om te komen tot een weloverwogen basisschooladvies. Zij kunnen hierbij ook specifiek naar de praktische vaardigheden en talenten van leerlingen kijken en deze specifiek benoemen op rapporten en in het basisschooladvies. Inmiddels worden in het basisonderwijs ook vakmanschapwedstrijden geïntroduceerd. Zo kunnen basisscholen deelnemen aan skills junior, de voorloper voor de skills talents in het vmbo en skills mbo.

Studenten die kiezen voor het mbo en ho zullen zich eerst moeten oriënteren. Studenten worden vanuit het toeleverende onderwijs onder meer via loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) voorbereid op wat zij kunnen en welke talenten zij hebben. Er zijn ook interessetesten en studiekeuzetesten beschikbaar voor de studenten die daar behoefte aan hebben.

4

Op welke wijze wordt er bij de overgangen in het onderwijs rekening gehouden met gedragsproblemen of ontwikkelingsstoornissen, zoals autisme, die jongeren dreigen te beperken in hun ontwikkelingsperspectief en/of doorstroommogelijkheden?

Leerlingen met gedragsproblemen of ontwikkelingsstoornissen zullen in het regulier onderwijs vaak en in het speciaal onderwijs altijd een ontwikkelingsperspectief hebben. Bij deze leerlingen zal er vrijwel altijd sprake zijn van een «warme overdracht» en zal de school samen met leerling en ouders zoeken naar een school die het beste bij de mogelijkheden en beperkingen van de leerling past.

Ook in het vervolgonderwijs wordt rekening gehouden met studenten met een beperking. Het is belangrijk dat studenten zich tijdig melden als zij voorzieningen nodig hebben van een onderwijsinstelling. Ook bij die overgang kan een warme overdracht plaatsvinden. Aanstaande studenten kunnen de keuze in het vervolgonderwijs (mede) laten afhangen van de voorzieningen die een onderwijsinstelling hen kan bieden voor hun handicap of beperking.

5

Wat is de afgelopen vijf jaar de ontwikkeling in afstroom, uitval en niet-doorlaten van leerlingen?

In onderstaande tabellen zijn achtereenvolgens de afstroom, de uitval en het niet-doorlaten van leerlingen in beeld gebracht. De data in deze tabellen zijn afkomstig van Trends in beeld 2013 en de voorlopige gegevens uit de concept Examenmonitor VO 2014.

Afstroom

De ontwikkeling in afstroom is als volgt (in percentages):

 

2008

2009

2010

2011

2012

vmbo k

8,2

8,5

8,9

9,4

8,8

vmbo gt

2,4

2,6

2,8

3,1

2,8

Havo

2,8

3,4

3,7

4,0

3,8

Vwo

5,7

7,2

7,9

8,5

7,7

De afstroom is bepaald in de bovenbouw van het vo waarbij de examenklassen niet zijn meegerekend. In het examenjaar komt vrijwel geen afstroom voor. In het vmbo gaat het om de afstroom in leerjaar 3, in het havo om de gemiddelde afstroom in de leerjaren 3 en 4, en in het vwo om de leerjaren 3, 4 en 5.

Uitval

De ontwikkeling van de uitval (jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten) is (in aantallen leerlingen en in percentage van deelnemers aan begin schooljaar):

 

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal lln

41.800

39.900

39.110

36.560

27.9501

%

3,2

3,0

3,0

2,8

2,11

X Noot
1

Voorlopige cijfers

Niet-doorlaten

De percentages zittenblijvers in het vo zijn:

 

2008

2009

2010

2011

2012

vmbo b

4,7

4,9

5,3

6,2

5,7

vmbo k

2,9

3,2

3,6

4,0

3,9

vmbo gt

5,9

6,0

6,9

6,7

6,4

Havo

11,0

11,8

12,2

12,0

11,4

Vwo

4,8

5,1

5,2

5,0

4,8

Bij zittenblijven (ofwel niet-doorlaten) gaat het om leerlingen die zich in twee opeenvolgende schooljaren in dezelfde onderwijsvorm en in hetzelfde leerjaar bevonden. De mate waarin leerlingen blijven zitten is in deze tabel alleen bepaald voor de bovenbouw van het vo. De examenklassen zijn in de berekening niet meegerekend.

Om een goed beeld van de verhouding niet-doorlaten en opstroom te krijgen worden in onderstaande tabel de percentages opstroom in het vo (geldend voor de examenklas) getoond:

 

2008

2009

2010

2011

2012

vmbo b

0,4

1,0

1,7

1,7

2,0

vmbo k

0,3

0,4

0,4

0,5

0,4

vmbo gt

17,9

17,0

14,8

13,6

12,1

Havo

3,4

3,5

3,4

3,5

2,9

6

Welke eisen stelt de wet en welke vrijheid heeft een school als het gaat om instroom?

De basis voor de eisen die de wet stelt aan de toelating van leerlingen door vo-scholen is vastgelegd in artikel 27 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Toelating van leerlingen uit het po wordt gebaseerd op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 43, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra. Dit artikel is bij amendement ingebracht door het Kamerlid Ypma (Kamerstuk 33 157, nr. 43) bij de behandeling van de Wet eindtoetsing PO (Stb. 2014, nr. 13) en beoogt dat het schooladvies leidend wordt voor de toelating tot het vo en voor de instroom op een onderwijsniveau.

De uitwerking van – het gewijzigde – artikel 27 WVO is vastgelegd in het Inrichtingsbesluit WVO, artikel 2 tot en met 9. Het bevoegd gezag van de school beslist over de toelating tot de school en baseert dit besluit op het schooladvies. Het besluit mag sinds de aanvaarding van het amendement Ypma niet meer gebaseerd zijn op iets anders, zoals de CITO-score of eigen toetsen van de school, dan het schooladvies. Een toets door de vo-school is alleen mogelijk als er geen schooladvies beschikbaar is dan wel er sprake is van een bijzondere inrichting van het onderwijs.

De vo-school mag de toelating afhankelijk stellen van de denominatie (als deze transparant is en consistent wordt toegepast), beschikbaarheid van plaatsen en voor zover er sprake is van lokale afspraken.

In de Wet educatie en beroepsonderwijs is vastgelegd dat vanaf

1 augustus 2014 de entreeopleidingen worden ingevoerd. Deze opleidingen zijn er uitsluitend voor hen die niet aan de vooropleidingseisen voor mbo-2, mbo-3 of mbo-4 voldoen en die niet meer tot de doelgroep van het vo behoren.

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is geregeld dat studenten in het ho in principe toelatingsrecht hebben als zij aan de vooropleidingseisen voldoen, mits zij zich uiterlijk op 1 mei hebben aangemeld. Universiteiten en hogescholen mogen wel voor sommige opleidingen selecteren, bijvoorbeeld omdat er te weinig opleidingsplaatsen zijn (bijvoorbeeld geneeskunde) of omdat studenten over bepaalde vaardigheden dienen te beschikken (bijvoorbeeld de kunstopleidingen).

7

Welke LOB activiteiten zijn effectief?

Uit het onderzoek LOB en studiesucces blijkt dat studenten in het hoger onderwijs minder uitvallen bij een goede loopbaanbegeleiding in het vo.2 Door het aanbieden van een weloverwogen breed pakket van meerdere LOB-activiteiten in het vo is een afname mogelijk is van bijna een derde van de reguliere uitval. Een van de belangrijkste aanbevelingen is het op tijd beginnen met het aanbieden van LOB-activiteiten, dat wil zeggen niet pas in de laatste twee leerjaren maar één of twee jaar daarvoor (voor de profielkeuze). Ook vinden leerlingen vaak het individuele gesprek met decanen, mentoren en vakdocenten het nuttigst in de keuzebegeleiding, op de voet gevolgd door voorlichting door gastsprekers over opleidingen en beroepen.

De producten (o.a. professionaliseringsmodule, app ter bevordering van de ouderbetrokkenheid, centrale website loopbaanbegeleiding, regionale samenwerkingsnetwerken) en opgebouwde kennis (o.a. doorstroom cijfers/oud leerling succes) die het stimuleringstraject LOB heeft opgeleverd, zijn beschikbaar voor alle vo-instellingen. Dit stimuleringstraject is door het Ministerie van OCW gefinancierd. De producten worden door scholen benut om de begeleiding van scholieren te verbeteren. De huidige pilots laten zien dat een intensieve en structurele samenwerking tussen vo en ho een belangrijke bijdrage levert aan een doorlopende LOB-leerlijn.

In lijn met de ambities uit het sectorakkoord vo zal het verbreden en verduurzamen van de opgedane kennis over goede loopbaanbegeleiding de komende periode centraal staan. De vo-sector heeft daarbij als ambitie om samen met de andere onderwijssectoren en het bedrijfsleven LOB steviger in het vo te verankeren. Eind van dit jaar zal de VO-raad een vervolgadvies opstellen hoe dit het beste in de sector kan worden gerealiseerd. De regering zal deze ambitie en de bijbehorende activiteiten de komende jaren ondersteunen.

In het mbo wordt sinds enige jaren geïnvesteerd in betere loopbaanbegeleiding samen met scholen (managers, beleidmakers en uitvoerders zoals studieloopbaanbegeleiders en schoolcoaches), studenten en bedrijfsleven en met hulp van wetenschappers en experts. Het stimuleringsplan mbo loopt tot en met eind 2015. De activiteiten en werkwijze zijn vergelijkbaar met het vo stimuleringsplan (lob -scan, professionalisering en gemeenschappelijke kennisdelingsbijeenkomsten) maar met een paar andere accenten en speerpunten, zoals de intake, de doorstroom mbo-ho en arbeidsmarkt, de ontwikkelde websites mbo stad en beroepen in beeld. In 2015 vindt een evaluatie plaats en kan zorgvuldig worden bezien welke voortzetting nodig is in het mbo.

8

Waarom adviseren scholen in Friesland vaker lager bij overgang van primair naar voortgezet onderwijs, dan scholen in Noord-Holland?

In recent onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs naar de kwaliteit van het schooladvies wordt gesteld dat er een relatie is tussen de stedelijkheid en de hoogte van de adviezen; op scholen in de stedelijke gebieden worden vaker hogere basisschooladviezen gegeven dan het toetsadvies.3 Omgekeerd geldt dat in niet-stedelijke gebieden scholen vaker lager adviseren. Dit effect zou volgens de Inspectie kunnen worden veroorzaakt door verschillen in aanbod van de verschillende onderwijstypen in het vo. In niet-stedelijk gebied is het aanbod namelijk beperkter en daardoor wordt de advisering mogelijk meer afgestemd op dit aanbod. De PO-Raad en VO-raad hebben een gezamenlijk project om scholen voor te lichten over de gewijzigde regelgeving in de overgang van het po naar het vo. Binnen dit project wordt ook aandacht besteed aan de elementen van een kwalitatief goed schooladvies. Het voorlichtingsmateriaal uit dit project kunnen scholen gebruiken als leidraad om hun eigen schooladvisering te verbeteren zodat deze regionale verschillen uiteindelijk verminderen.

9

Wat is er afgesproken in de code over de overgang van vmbo-tl naar de havo?

De toelatingscode vmbo-havo bevat landelijke kaderstellende afspraken en aandachtsgebieden voor regionale afspraken, zoals samenwerking tussen vmbo- en havo-scholen. Havo-scholen vermelden op hun website of en zo ja, welk toelatingsbeleid en welke procedure zij hanteren en welke afspraken zijn gemaakt met vmbo-scholen in het voedingsgebied. De scholen communiceren dit actief naar (potentiële) leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ook maken vmbo- en havo-scholen binnen een voedingsgebied afspraken over de precieze invulling van het toelatingsbeleid en daarbij te volgen procedures. Zo is afgesproken dat havo-scholen het advies van de vmbo-school in hun oordeel betrekken. Wanneer het advies afwijkt, dienen de scholen met elkaar in overleg te treden. Indien een school toelatingseisen stelt, wordt in een vroegtijdig stadium een toelatingsgesprek gevoerd met de potentiele leerling. Wanneer een havo-school eisen stelt aan een gemiddeld eindexamencijfer van leerlingen, mag dat cijfer niet hoger zijn dan een 6,8. Tot slot is afgesproken dat scholen dezelfde regels hanteren over doubleren voor leerlingen afkomstig uit het vmbo als voor leerlingen afkomstig uit havo 4.

10

Hoe kunnen we het wegwerken van onder andere taalachterstanden nog meer stimuleren?

De regering hecht aan koersvastheid en volharding. Daarom is het vooral van belang door te gaan met het reeds beschikbare brede pakket aan maatregelen om het wegwerken van taalachterstanden te stimuleren, in plaats van weer nieuwe beleidsmaatregelen te treffen.

11

Zijn er momenteel voldoende flexibele en toegankelijke mogelijkheden om deficiënties weg te werken?

Ja. Scholen en instellingen kunnen maatwerk en flexibiliteit bieden aan leerlingen en studenten om deficiënties weg te werken. Voorbeelden hiervan zijn zomerscholen, schakelvoorzieningen, gerichte trainingen, vormen van huiswerkbegeleiding, (zelfstudie) leermaterialen en bijscholingsprogramma’s.

12

Gaat u actie ondernemen ten aanzien van het advies van de Onderwijsraad om te onderzoeken of MOOCs gebruikt kunnen worden teneinde deficiënties zoals wiskunde weg te werken?

In de brief van 8 januari 2014 is aangegeven dat open en online hoger onderwijs een kansrijke ontwikkeling is.4 Instellingen kunnen open en online onderwijs, waaronder MOOCs, inzetten voor hun internationale reputatie, om Leven Lang Leren een impuls te geven of voor het wegwerken van deficiënties. Het is aan de instellingen om te ontdekken en te bepalen hoe ze dit passend bij hun profiel willen inzetten.

Deze ontwikkeling wordt vanuit het Ministerie van OCW nader gestimuleerd door jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar te stellen. Hiermee kunnen instellingen subsidie ontvangen voor projecten met open en online onderwijs. Dat kan ook gericht zijn op het wegwerken van deficiënties. De call voor deze projecten wordt halverwege november 2014 gepubliceerd. De resultaten van de projecten komen beschikbaar voor alle universiteiten en hogescholen in Nederland. Daarbovenop zal er flankerend onderzoek worden uitgevoerd naar de projecten.

13

Klopt het dat de TU Delft een MOOC gaat gebruiken teneinde bij aankomende studenten wiskunde deficiënties weg te werken? Kunt u aangeven of er meerdere instellingen zijn die nadenken over dergelijke toepassingen van MOOCs?

De TU Delft heeft recent de inschrijving voor de MOOC «pre-university calculus» op het platform EdX geopend. Deze MOOC gaat in de zomer 2015 van start en is gericht op middelbare (VWO) scholieren. Het primaire doel van dit programma is niet zozeer het wegwerken van deficiënties bij toekomstige studenten, maar deelnemers enthousiasmeren voor het vak wiskunde door het op een andere manier te belichten en hun kennis op te frissen. Overigens is het grootste deel van de (tot dusver) 1500 inschrijvingen internationaal. Initiatieven van andere instellingen met het inzetten van MOOCs voor het wegwerken van deficiënties zijn ons niet bekend.

14

Zijn er meerdere deficiënties dan wiskunde denkbaar waarvoor MOOCs een uitkomst zouden kunnen bieden?

Het is zonder meer denkbaar dat er meer deficiënties zijn waarvoor MOOCs een uitkomst kunnen bieden. Het is aan instellingen om te bepalen op welke vakgebieden ze hiermee zouden willen experimenteren.

15

Gaat u actie ondernemen ten aanzien van het advies van de Onderwijsraad om onderzoek te doen naar het inzetten van MOOCs bij doorlopende schakel- of bijspijkerprogramma’s?

Vindt u dat hogescholen en universiteiten hier gezamenlijk moeten optrekken?

Zie het antwoord op vraag 12. MOOCs kunnen voor verschillende doeleinden worden ingezet. De instellingen bepalen hoe zij dit willen toepassen, wij stimuleren ze via de subsidies voor projecten, het beschikbaar stellen van de resultaten aan andere instellingen en het flankerend onderzoek.

16

Gaat u onderzoeken of MOOCs (meer dan nu) ingezet kunnen worden bij doorlopende schakelprogramma’s, zoals bepleit door de Onderwijsraad?

Het flankerend onderzoek dat plaatsvindt richt zich op het effect van de toepassing van open en online onderwijs in de projecten die de instellingen uitvoeren. Welke vorm van open en online onderwijs – bijvoorbeeld een MOOC – ze ontwikkelen en voor welk doeleinde dit gebeurt in deze projecten, wordt niet vastgelegd. Instellingen zijn vrij om een MOOC toe te passen bij doorlopende schakelprogramma’s. De toepassing van MOOCs voor doorlopende schakelprogramma’s wordt als een van de kansrijke mogelijkheden gezien. In dat geval kunnen de resultaten worden meegenomen in het flankerend onderzoek.

17

Hoe wordt de kwaliteitsborging rondom MOOCs geïmplementeerd en op welke wijze worden opleidingscommissies, examencommissies en de NVAO hierbij betrokken?

De kwaliteitsborging rondom MOOCs vindt plaats op dezelfde manier als bij het volgen van een vak bij een andere instelling. De individuele student kan voor het verkrijgen van studiepunten een MOOC bij de examencommissie voorleggen ter beoordeling. Ook bij het volledig integreren van een MOOC (van een andere instelling) in het curriculum zijn zoals gebruikelijk de opleidings- en examencommissie betrokken. Als de instelling zelf een MOOC aanbiedt is de ervaring dat ze – wellicht nog meer dan anders – de kwaliteit van hun onderwijs willen borgen. De hele wereld kan immers meekijken en oordelen over het onderwijs dat in de MOOC wordt gegeven.

18

Gaat u zelftoetsen beschikbaar te stellen voor aankomende studenten, zoals bepleit door de Onderwijsraad?

Het is aan de instellingen om zelf hun toetsbeleid en de uitwerking daarvan te bepalen. Toetsing is primair de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.

19

Wat is de feitelijke situatie ten aanzien van overgangen van brede bachelor studies, zoals die van University Colleges, naar masters vervolgstudies?

Door de harde knip en het afschaffen van de doorstroommaster kunnen masteropleidingen een scherper profiel kiezen. Dit draagt bij aan een meer gedifferentieerd en geprofileerd landschap van masteropleidingen, zoals bedoeld door commissie Veerman. Dit geldt ook voor de overgang van de bachelors aan de University Colleges naar de masters. Hier is geen overzicht van bekend, maar men kan er vanuit gaan dat instellingen de feitelijke situatie kennen. De University College Roosevelt heeft bijvoorbeeld een alumni enquête waaruit blijkt dat studenten over het algemeen bij gerenommeerde (internationale) masterprogramma’s terechtkomen. Daarnaast worden er schakelprogramma’s aangeboden om studenten voor te bereiden op een master.

20

Welke onnodige drempels kent het huidige onderwijssysteem die doorstroom en overgangen in het onderwijs bemoeilijken?

In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad «Overgangen in het onderwijs» hebben we getracht om de mogelijke belemmeringen die ons onderwijsstelsel thans heeft bij de doorstroom, in beeld te brengen en daarop gericht beleid in te zetten.

Een voorbeeld waarbij de doorstroom naar het vervolgonderwijs niet geheel soepel verloopt is de informatieoverdracht over toptalenten van po naar vo. Een van de ambities van het Plan van aanpak toptalenten 2014–2018 (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 99) is te bezien in hoeverre regelgeving voor informatie in het onderwijskundig rapport hierop kan worden aangepast, opdat de aansluiting voor deze groep optimaal verloopt.

Een ander voorbeeld betreft de situatie voor jongeren in een kwetsbare positie. Uw Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 5 maart 2014.5 Op dit moment wordt gewerkt aan een plan van aanpak. In dat plan van aanpak wordt ook gekeken of er onnodige drempels zijn binnen het huidige onderwijssysteem, en hoe die eventueel weggenomen kunnen worden. Dit plan van aanpak wordt dit jaar naar uw Kamer gestuurd.

21

Mogen leraren uit het primair onderwijs zonder meer lesgeven in het voortgezet onderwijs?

Nee, voor het lesgeven in het vo gelden andere bekwaamheidseisen dan voor het lesgeven in het basisonderwijs. Pabo-gediplomeerden kunnen op een aantal manieren worden ingezet in het vo:

  • 1. Ze kunnen lesgeven in het (voortgezet) speciaal onderwijs.

  • 2. Ze kunnen lesgeven in het praktijkonderwijs in een tiental speciaal aangewezen vakken (art 33, lid 1b WVO en art 4.4 besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel).

  • 3. Verder kunnen ze instromen als zij-instromer en lesgeven in een bepaald vo-vak als ze beschikken over voldoende capaciteiten om direct voor de klas te staan en binnen twee jaar een bevoegdheid kunnen halen (art 33, lid 1, onder b en artikel 118k WVO).

  • 4. Ze kunnen onderwijsonderdelen verzorgen in een andere rol dan die van leraar onder verantwoordelijkheid van een bevoegde leraar. De bevoegde leraar moet hierbij echter wel de regie hebben (hij is bijvoorbeeld eindverantwoordelijk voor het lesprogramma en heeft zicht op de voortgang van individuele leerlingen.) De wet stelt wel dat moet zijn voldaan aan de bekwaamheidseisen die gelden voor onderwijsondersteunende activiteiten, maar dergelijke bekwaamheidseisen zijn nooit vastgesteld (art 35 WVO).

  • 5. Tenslotte kan in tijdelijke noodsituaties afgeweken worden van de benoembaarheidseisen en kunnen ook onbevoegden worden ingezet in het vo (en dus ook pabo-gediplomeerden). In het Nationaal Onderwijsakkoord is echter afgesproken dat dit zo min mogelijk gebeurt en dat deze mensen daarbij zo snel mogelijk in een scholingstraject gaan naar een bevoegdheid.

22

Kan een leerlingvolgsysteem uit het primair onderwijs worden gekoppeld aan een zelfde soort systeem in het voortgezet onderwijs? Kan een leerlingvolgsysteem in het voortgezet onderwijs worden verplicht?

In principe is de koppeling tussen leerlingvolgsystemen mogelijk. Daarbij vragen zowel privacy als methodologie speciale aandacht. Qua privacy is toestemming van de ouders nodig om gegevens van po naar vo te «transporteren». Methodologisch is het onderzoek om op correcte manier groei vast te stellen complex en tijdrovend. Dit heeft op de eerste plaats te maken met het uitwaaieren van leerlingen in het vo over verschillende scholen en schooltypen. Niet in alle schooltypen zal de groei op eenzelfde manier verlopen vanwege verschillen in onderwijsaanbod waardoor groei niet eenvoudig eenduidig is vast te stellen. Op de tweede plaats verandert de inhoud van de vakken in het vo ten opzichte van het po, waardoor het lastig is, en wellicht ook niet zinvol om eenzelfde meetschaal te construeren. Eenzelfde meetschaal zou nodig zijn om echt te kunnen kijken naar de groei die een leerling doormaakt vanuit po naar vo.

In het wetsvoorstel «leerlingvolgsysteem en diagnostische tussentijdse toets voortgezet onderwijs» (Kamerstuk 33 661 nr. 2) is reeds een voorstel gedaan om het leerlingvolgsysteem in het vo te verplichten. Beoogd wordt om de diagnostische tussentijdse toets (dtt) samen met het veld in een pilot door ontwikkelen. Op basis van de pilot zal bezien worden hoe de dtt het best kan worden verankerd in het wetsvoorstel tussentijdse diagnostische toets voortgezet onderwijs. Het verplichte leerlingvolgsysteem zal dan ook worden meegenomen in de verdere vormgeving en behandeling van deze wet, zoals verwoord in de brief Nut en waarde van toetsing van 13 juni 2014 (Kamerstuk 31 293, nr. 204). Overigens wordt in het wetsvoorstel vooralsnog voorzien in de verplichting van een leerlingvolgsysteem, waarbij scholen ruimte behouden om zelf te bepalen welk systeem wordt gebruikt, hoe het systeem wordt ingericht, het gebruik van onderwijs methoden en de wijze van volgen en toetsing van leerlingen.

23

Wat gaat het vervolgonderwijs en de werkgevers doen met de kaderafspraken die de VO-raad maakt met OCW en de MBO raad?

De kaderafspraken zijn nog in een prematuur stadium. Wel gaan we ervan uit dat de nog op te stellen kaderafspraken zullen bijdragen aan de wensen van zowel de leverende als ontvangende partijen.

24

Hoe wordt de voortgang gemeten van het «stimuleringstraject LOB» en zijn er «outcomecriteria» opgesteld voor dit traject?

De voortgang wordt op twee manieren gevolgd:

  • 1. De LOB-monitor (uitgevoerd door Oberon) geeft inzicht in de actuele stand van zaken LOB in Nederland en de ontwikkelingen in de afgelopen periode. In 2010 heeft een nulmeting plaatsgevonden, in 2012 een eindmeting, beide onder schoolleiders, lob coördinatoren en decanen van alle Nederlandse vo-scholen.

    Outcome-criteria zijn opgesteld ten aanzien van de groei van het aantal scholen met een LOB-visie, groei in het hanteren van een LOB-werkplan en een toename van het betrekken van vakleerkrachten, mentoren en ouders bij LOB. Uit de monitor blijkt dat in 2012 meer scholen beschikken over een visie op LOB dan in 2010 (74% in 2010, 84% in 2012) en hebben meer scholen deze vastgelegd. Ook het aantal scholen met een LOB-werkplan is gestegen (50% in 2010, 63% in 2012). LOB is meer doordrongen in andere geledingen van de school. Op meer scholen hebben mentoren én vakdocenten LOB-taken gekregen. In 2014 onderzoekt Oberon opnieuw de stand van zaken omtrent LOB. Extra onderdeel is het onderdeel over welke lessen er te trekken zijn en waar de komende jaren volgens het veld aan gewerkt moet worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen in het eindadvies «hoe verder met stimulering LOB vanaf 2015» (verwacht in november 2014).

  • 2. Het project Stimulering LOB evalueert jaarlijks de deelprojecten die zijn afgerond. Dit gebeurt ook door Oberon. In 2013 zijn onder andere geëvalueerd:

    • Masterclasses LOB havo/vwo: de beoogde doelgroep van 40 decanen/LOB-coördinatoren is bereikt. Alle deelnemers verwachten de eigen LOB-leeropdracht in de praktijk kan worden gebruikt. De projectdoelen, elkaar inspireren, het verwerven van kennis over aansluitingsactiviteiten richting het vervolgonderwijs en het ontwikkelen van eigen LOB-activiteiten, zijn bereikt. Opbrengsten: meer havo/vwo-scholen actief aan de slag met LOB, deelnemers hebben hun LOB-competenties versterkt en scholen hebben van elkaar geleerd en elkaar geïnspireerd.

    • Regionale LOBOTs havo-hbo: LOBOTs leveren een bijdrage aan het verkleinen van de sectorovergang havo-hbo. De deelnemers zijn tevreden over de LOBOTs en raden andere regio’s aan om ook een dergelijk arrangement te ontwikkelen. Opbrengsten: meer afstemming en samenwerking tussen vo-scholen en het vervolgonderwijs, betrokkenen hebben aan hun LOB-competenties gewerkt, de verwachting is dat LOB meer zal worden geagendeerd en havo/vwo gaan intensiever met LOB aan de slag.

    • Pilot projecten vo-ho tweede tranche: de pilot projecten hebben een impuls gegeven aan de LOB-situatie in de vo-scholen en de ho-instellingen. Opbrengsten: meer afstemming en samenwerking gerealiseerd tussen vo en vervolgonderwijs, de betrokkenheid van schoolleiders is verhoogd en meer havo/vwo-scholen zijn actief aan de slag met LOB.

    • E-learning leergang: de geformuleerde resultaten zijn grotendeels behaald. Project heeft bijdrage geleverd aan professionalisering, competentieontwikkeling en kennisdeling. Voorziet in de ontwikkeling van een online professionaliseringscentrum.

25

Hoe verhoudt uw opmerking dat het advies van de Onderwijsraad grotendeels in lijn is met de huidige ingezette koers van uw beleid, zich tot de opmerking van de Onderwijsraad dat ons onderwijs juist meer drempels opwerpt en toenemende selectie de «kansen van leerlingen onder druk» zet?

Dit lijkt in eerste instantie paradoxaal, maar dat is het niet. Bij de vraag destijds aan de Onderwijsraad om de overgangen in het onderwijsstelsel nader te bekijken, hadden wij al het beeld dat de doorstroom in het onderwijsstelsel niet soepel genoeg verloopt. Door tijdig gericht beleid in te zetten op bepaalde overgangen hebben wij een en ander kunnen verbeteren bij belangrijke schakelmomenten in ons onderwijsstelsel. Denk hierbij aan de invoering van de Wet eindtoetsing PO en de brief «Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo».6

26

Hoe kunt u bewerkstelligen dat er tegenwicht kan worden geboden tegen de druk van met name ouders in het basisonderwijs bij de totstandkoming van een (hoger) schooladvies, indien dit niet in het belang van de leerling is?

De PO-Raad en VO-raad hebben een gezamenlijk project om scholen voor te lichten over de gewijzigde regelgeving in de overgang van het po naar het vo. Binnen dit project wordt aandacht besteed aan de elementen van een kwalitatief goed schooladvies. Het voorlichtingsmateriaal uit dit project kunnen scholen gebruiken als leidraad om hun eigen schooladvisering te verbeteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om een goede onderbouwing van het schooladvies op basis van de gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem en om ouders tijdig te betrekken bij het opstellen van het voorlopige schooladvies. Als ouders al vanaf bijvoorbeeld groep 6 aan de hand van de resultaten van het leerling- en onderwijsvolgsysteem worden meegenomen in de verwachtingen van de school, dan kunnen zij begrijpen hoe het advies tot stand is gekomen en worden zij niet verrast door het advies. Wanneer het advies door een team tot stand komt waarin niet alleen de leerkracht van groep 8 is vertegenwoordigd, maar ook die van groep 7 en de intern begeleider en/of de schooldirecteur, dan maakt dit het schooladvies ook steviger. Dit helpt scholen in hun gesprekken met de ouders. Overigens zijn de gesprekken hierover met ouders ook zeer nuttig en noodzakelijk. Het is altijd in het belang van de leerling om de inzichten van ouders goed te betrekken en te wegen bij het schooladvies.

27

Hoe waarborgt u de objectiviteit en de landelijke vergelijkbaarheid van het schooladvies, hetgeen een belangrijk startpunt vormt in de berekening van het onderbouwrendement in het voortgezet onderwijs en dat -door de werking van het opbrengstenmodel- van grote invloed is op de kwaliteitsbeoordeling van de scholen voor voortgezet onderwijs?

De objectiviteit van het schooladvies wordt geborgd door de schoolonafhankelijke eindtoets en door de samenwerking tussen vo scholen en basisscholen. De eindtoets biedt basisscholen een «second opinion» en de vo-scholen spreken de basisscholen aan als er sprake is van relatief veel af- of opstroom.

28

Klopt het dat de basisschool het advies niet hoeft te heroverwegen als het advies op basis van de score op de eindtoets (het «toetsadvies») lager is dan het schooladvies?

Dit klopt. Tijdens de behandeling van de Wet eindtoetsing PO in uw Kamer is het wetsvoorstel geamendeerd zodat het luidt: ≪Indien de leerling blijkens de uitslag van de eindtoets, bedoeld in artikel 9b, beschikt over meer kennis en vaardigheden dan die waarop het schooladvies berust, heroverweegt het bevoegd gezag het schooladvies. Indien hierbij wordt afgeweken van de uitslag van de eindtoets, wordt dit gemotiveerd≫ (Kamerstuk 33 157, nr. 43). Een bijstelling naar beneden toe is daarbij uitgesloten. De toelichting op dit amendement legt nadrukkelijk uit dat het hier alleen maar gaat om aanpassing naar boven toe vanuit de gedachte dat de leerling dan de kans krijgt om te laten zien wat zij kunnen indien de school daarvoor reden ziet.

29

In hoeveel procent van de schooladviezen zal het toetsadvies lager uitpakken dan het schooladvies?

Dit is nu moeilijk aan te geven. Het meest recente onderzoek toont aan dat 14% van de leerlingen een toetsadvies krijgt dat een maximaal half schooltype lager is dan het schooladvies (bijvoorbeeld, vmbo-tl/havo schooladvies, maar vmbo-tl eindtoetsscore).7 4% van de leerlingen krijgt een toetsadvies dat ten minste een heel schooltype lager is dan het schooladvies (bijvoorbeeld, havo schooladvies, maar vmbo-tl eindtoets-score). De Inspectie komt in haar Onderwijsverslag 2011–2012 met een wat andere berekeningsmethode tot iets andere cijfers en concludeert dat 24% van de leerlingen een lager toetsadvies heeft dan het schooladvies.8 Deze cijfers zijn in de brief van 27 mei 2013 over overadvisering aan uw Kamer gecommuniceerd.9

30

In hoeverre leidt een schooladvies dat hoger is dan een toetsadvies tot rendementsdruk bij scholen voor voortgezet onderwijs?

Uit onderzoek blijkt dat het schooladvies en toetsadvies beiden ongeveer even goede voorspellers zijn van de onderwijspositie in het derde leerjaar vo en dat het schooladvies een betere voorspeller is wanneer deze is gebaseerd op resultaten uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem.10 Daarnaast heeft de Inspectie onlangs geconstateerd dat wanneer leerlingen een hoger advies hebben dan de toets indiceert, ze in meerderheid van de gevallen terecht komen op het niveau van hun schooladvies of nog een hoger niveau (73%).11 Het gebruik van het schooladvies voor de berekening van het onderbouwrendement leidt dus niet per se tot slechtere rendementen dan het gebruik van het toetsadvies. Daarbij komt dat de advisering voor het vo geen exacte wetenschap is. Er zal altijd sprake zijn van een mate van over- en onderadvisering omdat een deel van de leerlingen om allerlei redenen zich anders ontwikkelt dan aanvankelijk is ingeschat. Voor een kwalitatieve verklaring van de oorzaken van afstroom is meer informatie nodig, zoals over het schoolbeleid ten aanzien van de aandacht en begeleiding van leerlingen die (dreigen) af te stromen en over de houding, motivatie en de persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen zelf. Verder zou een systeem waarbij wordt uitgegaan van het laagste advies indien school- en toetsadvies van elkaar verschillen, als risico hebben dat vo-scholen minder geprikkeld worden om de leerling het hogere niveau te laten waarmaken. Tot slot spoort dit systeem basisscholen ook aan om ervoor te zorgen dat de schooladviezen goed en weloverwogen zijn.

31

Waarom wordt, in het geval dat het schooladvies hoger is dan het toetsadvies, bij berekening van het onderbouwrendement niet uitgegaan van het toetsadvies?

Zie antwoord onder vraag 30.

32

Welke oorzaken zijn aan te wijzen voor de uitval in het hoger onderwijs?

Studenten geven verschillende oorzaken aan waarom zij de studie gestaakt hebben. Volgens de Monitor beleidsmaatregelen van ResearchNed, die in december 2013 aan uw Kamer is aangeboden is een verkeerde studiekeuze de belangrijkste reden voor uitval of switch, gevolgd door het niet uitkomen van verwachtingen.12 Andere belangrijke redenen zijn: onvoldoende motivatie, moeite met de manier waarop het onderwijs werd gegeven en de zwaarte van de studie.

Overigens is het zo dat het merendeel van de uitvallers uiteindelijk kiest voor een ander opleiding en daarmee opnieuw instroomt in het ho.

33

In hoeverre kan een voorstel om de basisbeurs af te schaffen de uitval in het hoger onderwijs verder vergroten?

Onderzoek naar eerdere beleidsmaatregelen heeft laten zien dat een hogere financiële bijdrage van studenten aan hun eigen studie invloed heeft op de studiekeuze en studieinzet; studenten die een hogere eigen bijdrage leverden probeerden sneller te studeren, wisselden minder van studierichting en behaalden betere cijfers.13 Ook de eerste monitor beleidsmaatregelen van ResearchNed laat zien dat studenten bij de eerder aangekondigde maatregelen verwachten minder snel te zullen switchen en zich meer voor hun studie te zullen inzetten.14 Het is aannemelijk dat het studievoorschot kan leiden tot een bewustere studiekeuze.

34

Tot in hoeverre is het continueren van het meewegen van opstroom- of afstroomrendement in de onderbouw van het voortgezet onderwijs wenselijk, gezien de opmerkingen van de Onderwijsraad dat dit te vaak strategisch gedrag in de hand werkt? Tot in hoeverre is dit beoordelingscriterium van de Inspectie van het Onderwijs überhaupt nog relevant, gezien de stappen die het kabinet neemt?

Het beoordelen van het rendement blijft altijd relevant juist om kansen van leerlingen te beschermen. Als resultaten alleen gemeten worden op outputgegevens (zoals examenresultaten) dan zou dat tot een perverse prikkel in het systeem kunnen leiden. Scholen zouden dan om hoge cijfers te halen eerder geneigd kunnen zijn veel leerlingen af te laten stromen. Om die reden werkt de Inspectie met een mix van maten voor de examens en het rendement.

35

Is er binnen de doorstroom daadwerkelijk altijd sprake van een «niet succesvol» vervolg van de loopbaan wanneer een leerling op een cognitief lager, maar mogelijk meer geschikt onderwijsniveau zijn carrière vervolgt? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot het waarderingskader van de Inspectie van het Onderwijs?

Het waarderingskader van de Inspectie is erop gericht om scholen te stimuleren leerlingen op het meest geschikte niveau onderwijs te bieden. De Inspectie spreekt scholen aan in de volgende drie gevallen:

  • 1. Scholen plaatsen leerlingen op het juiste niveau, maar gemiddeld zakken teveel leerlingen af naar een lager niveau omdat zij geen goed onderwijs krijgen.

  • 2. Scholen plaatsen leerlingen systematisch te hoog zonder dat zij vervolgens het goede onderwijs bieden om leerlingen in staat te stellen de geboden kans te verzilveren.

  • 3. Als leerlingen in de bovenbouw op een bepaald niveau geplaatst zijn gaat de Inspectie er van uit dat leerlingen dat niveau kunnen halen. Als dat niet gebeurt dan kan de school daarop aangesproken worden.

36

Kan worden aangegeven in hoeverre de nu gehanteerde selectiecriteria in het hoger onderwijs niet de gewenste effecten hebben?

Het doel van selectie is een betere match tussen student en opleiding. De selectie werkt beter naarmate de criteria relevant zijn en betreffende opleidingen sterk geprofileerd zijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om opleidingen waarvoor bijzondere toelatingseisen nodig zijn, zoals kunstopleidingen en opleidingen met kleinschalig en intensief onderwijs (Ruim baan voor talent). In de prestatieafspraken zijn afspraken gemaakt met de instellingen over verdere scherpe profilering van de opleidingen.

37

Op welke wijze kunnen de matchingsactiviteiten in het hoger onderwijs worden verbeterd?

De universiteiten en hogescholen hebben dit jaar voor het eerst de studiekeuzecheck/matchingsactiviteit aangeboden. Deze activiteiten worden door de instellingen zelf geëvalueerd, met elkaar vergeleken en waar nodig aangepast. Zo heeft de VO-raad op 16 september jl. samen met de aansluitcoördinatoren van hogescholen en universiteiten een bijeenkomst georganiseerd voor o.a. decanen vo over de eerste ervaringen met de studiekeuzecheck. Het is aan de instellingen zelf om de studiekeuzecheck in te richten op een manier die bij hen past en voor hen effectief is. Daar past ook bij dat zij zelf de activiteiten aanpassen als daar aanleiding voor is.

38

Op welke wijze gaan financiële motieven een rol spelen bij de keuzes van studenten na een mogelijke afschaffing van de basisbeurs? In hoeverre zullen de financiële overwegingen de kwaliteit van het onderwijs kunnen gaan beïnvloeden?

Zie mijn antwoord op vraag 33.

39

Welke positie neemt de entreeopleiding in binnen de door de Onderwijsraad opgemerkte risico’s bij de overstap van vo naar mbo van kwetsbare jongeren?

De huidige niveau-1-opleidingen in het mbo kennen de grootste uitval. Aan deze opleidingen nemen studenten deel met zeer verschillende achtergronden, leeftijden en uiteenlopende vooropleidingen. Dit maakt het voor docenten moeilijk om een onderwijsprogramma op te stellen dat tegemoet komt aan de behoefte van deze diversiteit aan jongeren. Daarnaast is voor leerlingen voor wie een opleiding op mbo 1 wèl geschikt is, op die manier niet genoeg ruimte en aandacht. In het regeerakkoord is er om die reden voor gekozen de opleidingen op niveau 1 apart te positioneren en om te vormen tot entreeopleidingen. Door intensivering van het onderwijs en verbetering van de individuele coaching en loopbaanbegeleiding moet de kwaliteit en het rendement van deze opleidingen omhooggaan en de uitval van studenten tegelijkertijd fors omlaag.

De inrichting van de entreeopleidingen, maakt dat de doelgroep voor deze opleidingen beter wordt voorgesorteerd. Om een eenduidiger onderwijsaanpak in de entreeopleidingen mogelijk te maken en het onderwijs daadwerkelijk af te stemmen op deze doelgroep, is in de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgelegd dat de entreeopleidingen er uitsluitend zijn voor hen die niet aan de vooropleidingseisen voor mbo-2, mbo-3 of mbo-4 voldoen en die niet meer tot de doelgroep van het vo behoren.

Daarnaast dienen ook studenten die geen startkwalificatie kunnen behalen tot het maximum van hun capaciteiten opgeleid te worden en voorbereid te worden op een werkzaam bestaan. De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt.

Op dit moment volgen leerlingen op 39 vmbo-locaties een mbo assistentopleiding. Deze scholen kunnen met de invoering van de entreeopleiding deze ook op het vmbo aanbieden.

40

Welke verband is te leggen tussen de ontstane financiële drempels met de mogelijke invoering van een leenstelsel en de uitbreiding van duurdere excellentietrajecten in het hoger onderwijs en de uitval van studenten?

De verwachting is dat studenten door de invoering van het studievoorschot bewuster voor hun studie kiezen. Dit kan juist een belangrijke stap zijn om uitval terug te dringen door een bewuste studiekeuze, zie ook het antwoord op vraag 33.

De AMvB die een experiment met collegegeldifferentiatie voor honours tracks mogelijk zou maken, is in samenspraak met uw Kamer aangehouden.

41

Bent u bereid om op korte termijn serieus werk te maken van kop- of voetklassen voor zogenoemde laatbloeiers of leerlingen die uit een omgeving afkomstig zijn waar men minder aandacht heeft voor onderwijs?

Ja. Hierover zijn in het kader van het Sectorakkoord Primair Onderwijs afspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld.

42

Welke mogelijkheden zijn er om de leertijdverlenging, met als doel om achterstanden weg te werken en jongeren gelijke kansen te geven ongeacht hun achtergrond, te bekostigen? VO/Gerard

In de reguliere bekostigingssystematiek is sprake van extra bekostiging van scholen die worden bezocht door meer leerlingen met achterstanden. Dergelijke middelen kunnen onder meer worden ingezet voor leertijdverlenging. Ook wordt vanaf 2015 in het po en vo in totaal € 25 mln. extra geïnvesteerd in onder meer schakelklassen en zomerscholen.

43

Hoe beziet u de conclusie van de PIAAC dat de verschillen in taal- en rekenvaardigheid tussen verschillende (bevolkings-)groepen toenemen, in verhouding tot uw conclusie dat de door de Onderwijsraad geconstateerde aanbevelingen reeds deel zijn van «de huidige ingezette koers van ons beleid»? Wat betekenen de conclusies van het PIAAC-onderzoek voor de waarde die u hecht aan leertijdverlenging voor specifieke (achterstanden) groepen?

PIAAC wijst er ten eerste op dat Nederlanders vergeleken met burgers van andere landen beschikken over een hoog niveau van kernvaardigheden als taal en rekenen. Zoals de onderzoekers zeggen: «Hoge gemiddelde scores en meer uitschieters aan de bovenkant dan aan de onderkant, wijzen erop dat weinig Nederlanders achterblijven op het gebied van kernvaardigheden.» Tegelijk constateren de onderzoekers dat in vergelijking met 17 jaar geleden toen een vergelijkbaar onderzoek werd uitgevoerd, het aantal laaggeletterden is gegroeid. En het verschil tussen die laaggeletterden en mensen die goed presteren is toegenomen. Verder blijkt uit PIAAC dat mensen met een laag niveau kernvaardigheden vaker werkloos zijn en vaker minder gezond. PIAAC bevestigt dus ons beleid om prestaties in taal en rekenen te verbeteren. Daarnaast besteden we gericht aandacht aan leerlingen die risico op achterstand lopen in lijn met de aanbevelingen van de Onderwijsraad.

44

Op welke termijn denkt u met de MBO Raad en de Vereniging Hogescholen in overleg te treden over het wegwerken van deficiënties bij studenten die na hun mbo-opleiding een hbo-opleiding willen volgen? Welke middelen zijn hiervoor beschikbaar binnen en buiten de begroting van instellingen? Check MBO en HO&S

Wij zijn van plan dit onderwerp dit najaar te agenderen voor het overleg met de Vereniging Hogescholen en de MBO-raad. Daarbij zal het vooral gaan om de vraag of er op dit moment voldoende mogelijkheden worden geboden de leerachterstanden weg te werken. Zoals gezegd doen hogescholen en mbo-instellingen al het nodige om de overgang zo goed mogelijk vorm te geven. Daar maken de hogescholen en mbo-instellingen in de regio afspraken over en daar stemmen ze het onderwijs op af. Dat doen zij in principe met het budget dat hen jaarlijks ter beschikking wordt gesteld. In verband met de invoering van de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de pabo per 2015–2016 heb ik aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van studenten uit het vo en mbo op deze toelatingseisen, zodat studenten in staat worden gesteld goed voorbereid aan de pabo te beginnen. Tevens is met de Vereniging Hogescholen, MBO-raad en VO-raad afgesproken dat zij ten aanzien van rekenen, in afwachting van de invoering van de verplichte rekentoets in het vo en het rekenexamen in het mbo, zorgen voor een goede aansluiting en desgewenst ondersteuning bieden aan studenten met kennislacunes, alvorens zij instromen op de pabo.

45

Onderschrijft de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) uw opmerking dat er voldoende bruikbaar lesmateriaal is voor de loopbaanoriëntatie en begeleiding? Bent u voornemens de SLO te betrekken bij de verankering van de LOB in het voortgezet onderwijs?

De stimuleringsprojecten LOB vo en mbo hebben inmiddels veel materiaal opgeleverd dat bruikbaar is om LOB een integraal onderdeel te maken van het dagelijks onderwijsproces. Vooral de scholen die al bezig zijn met het maken van een kwaliteitsslag op LOB zijn die mening toegedaan.

In lijn met de ambities uit het sectorakkoord vo zal de VO-raad eind 2014 met een vervolgadvies over LOB komen met daarin een voorstel hoe de bereikte resultaten/producten te borgen in 2015. Daar zou de SLO een rol bij kunnen spelen. Gelet op de ontwikkelingen in het vmbo, LOB wordt een verplicht onderdeel van alle nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s, lijkt het vanzelfsprekend dat de SLO daarbij betrokken wordt, bijvoorbeeld via het maken van enkele voorbeelduitwerkingen van de leerplannen.