Kamerstuk 34000-IX-27

Verslag van een schriftelijk overleg over de CBS-bijstellingen in het bruto nationaal inkomen (bni) en bruto binnenlands product (bbp)

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2015

Gepubliceerd: 22 mei 2015
Indiener(s): Pieter Duisenberg (VVD)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34000-IX-27.html
ID: 34000-IX-27

Nr. 27 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 mei 2015

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 29 april 2015 over CBS-bijstellingen in het bruto nationaal inkomen (bni) en het bruto binnenlands product (bbp) (Kamerstuk 34 000 IX, nr. 26).

De vragen en opmerkingen zijn op 1 mei 2015 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 22 mei 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De griffier van de commissie, Berck

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

Naar aanleiding van de brief van de Minister willen de leden van de VVD-fractie graag weten uit welke aanvullende informatie blijkt dat het bni in Nederland in 2011 en 2012 hoger was dan eerder was berekend? Waaruit bestaat deze aanvullende informatie concreet? Waaruit bestaan de onderlinge verschillen over onderwerpen tussen DNB en het CBS? Over welke zaken is er nog geen duidelijkheid of overeenstemming tussen DNB en het CBS? Wanneer wordt hier duidelijkheid over verwacht? Welke correcties zijn doorgevoerd in de berekeningsmethodiek? Hoe vaak worden er correcties doorgevoerd in de berekeningsmethodiek? In hoeverre vinden in andere Europese landen dit soort bijstellingen plaats? Is hier Europese afstemming over? Waaruit bestaat de interpretatieruimte over de geldende internationale richtlijnen voor het samenstellen van nationale rekeningen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

Het onafhankelijke CBS

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de nieuwe inzichten bij het CBS over de omvang van het bni en bbp. Het betreft de jaren 2011 en 2012. Er wordt nog gekeken naar de daaropvolgende twee jaren. De leden van de PvdA-fractie stellen de onafhankelijkheid van het CBS op de eerste plaats. Ook als dat leidt tot vervelende gevolgen zoals nu. In andere landen hebben we kunnen zien hoe het mis kan gaan als onafhankelijke rekenmeesters hun werk niet goed kunnen doen. Hoe is het naar het oordeel van de Minister gesteld met de onafhankelijkheid van de rekenmeesters in de andere Europese lidstaten? Is daar naar de mening van de Minister aanvullende actie wenselijk?

Bijstelling bbp en bni 2011 en 2012

De leden van de PvdA-fractie betreuren het dat de bijstelling de verwachting van een nieuwe naheffing met zich meebrengt. Toch is het feit dat hier een tegenvaller uit volgt geen reden om het fundament van een onafhankelijk CBS ter discussie te stellen. Als aanleiding voor deze tussentijdse bijstelling van het bni wordt een gezamenlijk onderzoek van het CBS en De Nederlandsche Bank (DNB) genoemd. Specifiek betreft het nieuwe inzichten in de omvang van geldstromen van en naar het buitenland. Dit onderzoek is eind 2014 gestart vanwege verschillen tussen de Nationale Rekeningen van het CBS en de betalingsbalansstatistiek van DNB. De leden van de PvdA-fractie vragen op welk moment meer duidelijkheid kan worden geven over de uiteindelijke afdracht voor 2011 en 2012? Ook vragen zij wanneer definitieve duidelijkheid is te geven voor de jaren 2013 en 2014? Is er een systematiek denkbaar waarbij specifieke jaren niet direct tot aanpassing hoeven te leiden? Denk aan meerjarige gemiddelden bijvoorbeeld. Wat zijn daarvan de voors en tegens?

Bijstellingen in andere landen?

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat dit een nieuwe naheffing voor Nederland betekent. Hierbij vraagt deze leden zich af hoe deze herziening zich tot de gangbare praktijken bij andere rekenmeesters verhoudt? Zijn er Europees bindende voorschriften die de rekenmeesters in andere lidstaten dwingen tot gelijke berekeningen van bbp en bni? Geven deze richtlijnen uitsluitsel voor de discussie zoals deze nu gevoerd is tussen CBS en DNB? Zullen er naar verwachting ook aanpassingen aan bni en bbp zijn in andere landen? Is er in andere landen net zo vaak sprake van bijstellingen als in Nederland?

Herzie statistieken op een vast moment

Deze herziening volgt ongelukkigerwijs niet lang na de vorige herziening. Toch is deze herziening van een heel andere orde. Vorig jaar heeft in Europees verband een herziening plaats gevonden van macro-economische data als bbp en bni als gevolg van de invoering van nieuwe internationale regels conform ESA2010 en de bronnenrevisie. Nu betreft het nieuwe inzichten bij onze nationale rekenmeester. De leden van de fractie van de PvdA vinden dat er meer lijn moet komen in de aanpassingen van de ramingen en het Europese begrotingsproces. Hiermee kan de voorspelbaarheid versterkt worden en kan worden voorkomen dat we vaker dan nodig geld terugkrijgen of weer moeten bijbetalen. Kan de Minister ingaan op de mogelijkheden om op specifieke momenten statistieken te herzien? Welke aanknopingspunten ziet de Minister om bij de werkgroep Monti hier aandacht voor te vragen? Hoe kan het Nederlands voorzitterschap begin 2016 worden benut om dit proces verder te stroomlijnen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben met ongenoegen kennisgenomen van de bijstellingen in het bni en de daaruit voortvloeiende naheffing. Hoe kan het dat deze DNB-gegevens niet bij de revisie van verleden jaar waren meegenomen? Was het volgens de Minister niet handiger geweest om eenmalig met bijstellingen in het bni en revisies van nationale rekeningen te komen om zo ineens uitsluitsel te kunnen geven over mogelijke nabetalingen aan Brussel? Deze leden ontvangen graag een gemotiveerde reactie op de vraag waarom dit in meerdere stappen gebeurt, waardoor de belastingbetalers twee keer worden geconfronteerd met naheffingen uit Brussel.

Hoeveel revisies en bijstellingen verwacht de Minister nog, vragen de leden van de SP-fractie. Kan de Minister een overzicht geven van de lopende revisies van de betrokken instituten, zoals het CBS en DNB? Kan de Minister een overzicht geven van de vaste revisiemomenten voor de komende vijf jaar? De leden van de fractie van de SP willen daarnaast graag weten of bij de revisie van verleden jaar, deze bijstelling niet had kunnen worden aangekondigd. Immers, dit onderzoek door CBS en DNB is eind 2014 gestart en dat dit mogelijkerwijs leidt tot een hogere EU-afdracht, was bekend. Waarom is niet eerder aangekondigd dat er mogelijk een extra naheffing zou volgen?

De leden van de fractie van de SP wensen uitvoerig te worden geïnformeerd over de samenhang tussen het enorme aantal multinationals dat in Nederland is gevestigd, vaak alleen vanwege fiscaaltechnische redenen en zonder reële activiteiten te ontplooien enerzijds en de nieuwe nabetaling van 0,2 miljard euro anderzijds. Volgens het CBS-persbericht is de verhoogde bni voor 2011 volledig het gevolg van de bijgestelde financiële stromen met het buitenland. Klopt dan de bewering, vragen deze leden, dat de nabetaling aan Brussel die voorkomt uit de verhoogde bni voor 2011, wordt veroorzaakt door de enorme geldstromen die jaarlijks door Nederland worden gesluisd? Kan de Minister aangeven welk deel van de nabetaling hierdoor wordt veroorzaakt, uitgesplitst in rente-, royalties- en dividendstromen? Welk deel van de 0,2 miljard euro heeft betrekking op 2011 en welk deel op 2012?

Volgens het SEO-onderzoek «uit de schaduw van het bankwezen» bedroegen de geldstromen van en naar bfi’s (bijzondere financiële instellingen) ongeveer 8.000 miljard euro in 2011. Is dit getal nu achterhaald vragen de leden van de SP-fractie? Zo ja, wat is het nieuwe cijfer? Welk deel van de 8.000 miljard euro die jaarlijks door bfi’s stroomt, stroomt door bfi’s die klant zijn van een trustkantoor?

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat de naheffingen ook samenhangen met onregelmatigheden en tekortkomingen in het functioneren van Eurostat. In 2013 publiceerde de Europese Rekenkamer een zeer kritisch rapport waaruit bleek onder meer dat Eurostat haar werkzaamheden onvoldoende structureerde, de risicobeoordeling van diverse bni-componenten niet naar behoren heeft uitgevoerd, en geen consistente verificatie-aanpak heeft toegepast op alle landen. Is het functioneren van Eurostat op deze en andere punten verbeterd, willen de leden van de SP-fractie weten. Kan de Minister aangeven welke afspraken er zijn gemaakt tussen Eurostat en de Europese autoriteiten om haar werkzaamheden te verbeteren? Welke vooruitgang is er geboekt in het harmoniseren van de statistieken van nationale statistische bureaus sinds de vorige naheffing? Hoe staat het met de controle van de input van nationale statistische bureaus door Eurostat? Op welke wijze vindt er controle plaats op het functioneren van Eurostat door de Europese instellingen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie voelen zich overvallen door de revisie van de forse revisie van de nationale rekeningen en dan met name het bni.

Vorig jaar vond er een grote revisie plaats van de nationale rekeningen en deze leden hadden dus niet verwacht dat er binnen een jaar weer een zeer forse revisie zou volgen. Dat konden zij ook niet afleiden uit de communicatie van de regering of uit de revisie van vorig jaar. Daarin kondigde CBS aan dat er zowel een bronnenrevisie als een methodologische revisie was doorgevoerd en dat gebruik gemaakt was van nieuwe bronnen zoals die bij de Nederlandsche Bank. En nu, minder dan een jaar later worden de statistieken van DNB opgevoerd als oorzaak van een forse nieuwe revisie. Waren die cijfers dan niet vorig jaar al beschikbaar, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen ook hoe lang er al verschillen zijn in berekeningen van DNB en CBS en waarom dit probleem specifiek op dit moment opgelost moest worden. Kan de Minister inzicht geven of er in anderen EU-landen ook sprake is van verschillen tussen berekeningen van de nationale bank en het nationale statistiekbureau, vragen deze leden.

Verder zijn de leden van de fractie van het CDA verbaasd dat de revisie vier jaar lijkt te behelzen en dat is precies de termijn, waarover eventuele nabetalingen dienen plaats te vinden. Normaal worden tijdreeksen herzien tot 1990 of zelfs 1969 (al is daarvan afgezien in verband met bezuinigingen, zo schrijft het CBS in haar jaarplan 2014). Of een verbeterde methode wordt toegepast vanaf nu, dus zeg vanaf 2015. Wat is de reden dat er precies vier jaren herzien worden en zou het niet logischer zijn om vanaf nu de cijfers te herzien?

De leden van de CDA-fractie vragen of u kunt aangeven welke vorderingen in het afgelopen half jaar gemaakt zijn bij de aanbevelingen in het speciale rapport 11/2013 «Op weg naar correcte gegevens over het Bruto Nationaal Inkomen (bni): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie verbeteren» van de Europese Rekenkamer?

Volgens de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS-wet), artikel 15, stelt het CBS elk jaar een werkprogramma op. In het werkprogramma (jaarplan 2014) van vorig jaar stond een duidelijke omschrijving van de revisie van de nationale rekeningen. Echter het werkprogramma 2015 kunnen de leden van de CDA-fractie niet terugvinden op de site van het CBS. Is dat werkprogramma beschikbaar en wordt daarin melding gemaakt van de nieuwe revisie?

De leden van de CDA-fractie zouden graag vernemen waar zij dit werkprogramma kunnen inzien en hoe voor de voorliggende wijziging invulling is gegeven aan artikel 15, lid 3 van de CBS-wet, die leest: «Het werkprogramma bevat een beschrijving van het belang van een statistiek voor praktijk, beleid en wetenschap, de vraag of een statistiek noodzakelijk is op grond van Europese of andere regelgeving, een verantwoording omtrent de belangrijkste niet-gehonoreerde verzoeken om statistieken en een paragraaf met de kosten en opbrengsten van de statistieken.»

De leden van de CDA-fractie merken op dat zij nog steeds niet in staat zijn om de vorige naheffing te controleren. De communicatie tussen de Nederlandse regering en de Europese Commissie is nooit openbaar gemaakt, ook al is daarom gevraagd door het parlement en door de media, in casu De Telegraaf, die een Wob-verzoek heeft ingediend in Nederland en een Eurowob verzoek in Brussel.

Toen in Kamervragen gevraagd werd of er contact over deze Wob-verzoeken geweest was, antwoordde het kabinet op 12 januari: «Er is op ambtelijk niveau aan de Europese Commissie gemeld dat er bij het ministerie een Wob-verzoek was binnengekomen. Ook het Wob-verzoek bij de Europese Commissie is op ambtelijk niveau gemeld. Over de inhoud en de behandeling ervan is verder geen contact geweest». (bron: Aanhangsel bij de handelingen 992, 2014/2015)

Dat is later effectief teruggenomen, toen het kabinet schreef «Nederland is begin 2015 geconsulteerd» en na een hele reeks gezochte bezwaren schrijft het kabinet: «In dit geval is Nederland van mening dat openbaarmaking van de betrokken documenten repercussies heeft voor toekomstige contacten tussen Nederland en de Europese Commissie en daarmee het besluitvormingsproces over toekomstige aanvullende begrotingen zou ondermijnen. Er is naar mening van Nederland geen hoger belang dat openbaarmaking gebiedt.» (bron: Aanhangsel bij de handelingen 1630, 2014/2015). De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger in Brussel bleek namens de Nederlandse regering een brief geschreven te hebben aan de Europese Commissie.

De leden van de fractie van het CDA zijn verbolgen dat het kabinet herhaaldelijk geweigerd heeft correspondentie openbaar te maken en zelfs geweigerd heeft de brief van de Permanente Vertegenwoordiger openbaar te maken. Zij herhaalt de vraag om dit alsnog te doen, zeker nu er nieuwe informatie is, namelijk een handen zijnde nieuwe en substantiële naheffing. Is het kabinet daartoe bereid?

Verder zouden de leden van de CDA-fractie graag vernemen

  • Wanneer de Europese Commissie de Nederlandse regering informeel en formeel geconsulteerd heeft over het Wob-verzoek

  • Wanneer de Permanente Vertegenwoordiger de brief geschreven heeft.

Op 28 oktober schreef de Minister van Financiën aan de Kamer: «Ik zal dit daarom tot de bodem uitzoeken, onder meer tijdens het komende overleg tussen de Commissie en de Ministers van Financiën.» Acht het kabinet de vorige naheffing tot op de bodem uitgezocht of niet? Zo ja, met welke documenten is dat dan gebeurd en kunnen die met de Kamer gedeeld worden?

Nederland was niet het enige land dat een naheffing kreeg. Een paar andere landen kregen te maken met een forse naheffing. Kan de Minister van Financiën aangeven of en wanneer de landen met de grootste naheffingen het bedrag naar Brussel hebben overgemaakt? Het gaat hierbij om het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Italië, Griekenland, Cyprus en Malta.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de PVV-fractie hebben met afschuw kennisgenomen van de CBS-bijstellingen in het bruto nationaal inkomen en het bruto binnenlands product, die tot gevolg hebben dat Nederland met terugwerkende kracht extra gaat bijdragen aan de Europese Unie.

Naar aanleiding van het genoemde punt brengt de fractie het volgende naar voren.

Standpunt & maatregelen Minister

Allereerst vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister hun afschuw deelt dat Nederland de ene naheffing na de andere uit Brussel krijgt, terwijl Nederland al jaren de grootste nettobetaler van de EU is. Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen is de Minister bereid hiertegen te treffen?

Ook vragen de leden van de PVV-fractie wanneer de Minister precies op de hoogte was van de CBS-bijstellingen en waarom hij niet eerder melding van deze bijstellingen en het bijbehorend risico heeft gemaakt.

Discussie DNB en CBS

Voorts merken de leden van de PVV-fractie op dat de bijstelling het gevolg is van verschillen tussen de nationale rekeningen van het CBS en de betalingsstatistiek van DNB. De leden van de PVV-fractie vragen hoelang deze discussie tussen CBS en DNB al speelt. Waarom is er op dit moment voor gekozen om deze discussie op te lossen?

Daarnaast stellen de leden van de PVV-fractie vast dat het CBS en DNB bij het beschrijven van de winststromen van Nederland naar het buitenland zich van oudsher op eigen bronnen, internationale richtlijnen en methoden baseerden. De leden van de PVV-fractie vragen welke eigen bronnen, internationale richtlinnen en methoden het CBS en welke DBN hanteerde. Op welke punten en in hoeverre weken deze van elkaar af waardoor er grote verschillen zijn ontstaan? Hoe groot waren deze verschillen tot op heden?

Ook vragen deze leden welke internationale richtlijnen en methoden er in andere lidstaten worden gehanteerd. In hoeverre wijken deze af van de Nederlandse?

Tevens vragen de leden van de PVV-fractie waarom het CBS precies besloten heeft de nieuwe rekenmethode met terugwerkende kracht toe te passen en er niet voor gekozen heeft deze methode bijvoorbeeld vanaf volgend jaar toe te passen.

ESA2010

De leden van PVV-fractie merken op dat Eurostat op dit moment geconsulteerd wordt over de correcte interpretatie van de geldende internationale richtlijnen voor het samenstellen van nationale rekeningen (ESA2010). De leden van de PVV-fractie vragen over welke jaren we nog naheffingen kunnen verwachten als gevolg van de toepassing van ESA2010. Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarop de reservering van 300 miljoen euro per jaar voor ESA2010 van het kabinet op gebaseerd is, als het nog niet duidelijk is hoe deze geïnterpreteerd moet worden. Hoe moeten volgens ESA2010 de uitgekeerde winsten via holdings aan buitenlandse moeders worden betrokken?

Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarom de afgelopen drie jaren niet bij de bronnenrevisie zijn meegenomen.

Berekeningswijze CBS-bijstellingen

Voorts vragen de leden van de PVV-fractie hoe hoog de totale uitgaven aan de EU zullen zijn als gevolg van de bijstelling van het bni en bbp door het CBS. Wanneer zal precies bekend worden gemaakt hoe hoog de extra uitgaven aan de EU zullen zijn gelet op het netto-effect?

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie om een gedetailleerde weergave van hoe het CBS precies tot een nabetaling van 200 miljoen euro is gekomen. Welke berekening heeft het CBS precies gemaakt?

Tevens merken de leden van de PVV-fractie op dat het CBS ook voor 2013 en 2014 opwaartse bijstellingen van het bni-niveau verwacht. De leden van de PVV-fractie vragen hoe hoog de bruto nabetaling als gevolg hiervan voor deze jaren zal zijn.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie om een overzicht van hoe het bni in de jaren 2011 t/m 2014 is bijgesteld. Hoe hoog was het bni voor en hoe hoog is het bni na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)? Wat is de verklaring dat het bni voor 2011 met 1,8% en voor 2013 met 1,5% is bijgesteld?

Ook vragen de leden van de PVV-fractie om eenzelfde overzicht van het saldo uit de ontvangen en aan het buitenland betaalde primaire inkomens voor de periode 2011 t/m 2014.

Hoe hoog was het saldo voor en hoe hoog is het saldo na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)?

Tevens ontvangen de leden van de PVV-fractie graag een overzicht van de ontwikkeling van het bbp over de periode 2011 t/m 2014. Hoe hoog was het bbp voor en hoe hoog is het bbp na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)? Wat is de verklaring dat in 2012 het bbp 0,7% hoger uitkomt?

Ten slotte willen de leden van de PVV-fractie weten waarom 2011 is meegenomen, terwijl het CBS ieder jaar het bbp van de voorgaande drie jaren bijstelt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de CBS-bijstellingen in het bruto nationaal inkomen en het bruto binnenlands product. Allereerst vinden deze leden het buitengewoon vervelend dat Nederland steeds met naheffingen wordt geconfronteerd voor de EU-begroting. Dat komt niet alleen door de bijstellingen van het bni, maar ook door de Europese begrotingssystematiek. De leden van de D66-fractie wensen een Europese begroting die stabieler en beter voorspelbaar is. Zij wijzen erop dat de Tweede Kamer het kabinet heeft gevraagd om volgend jaar, tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap, een begrotingstop te organiseren. De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze het kabinet invulling gaat geven aan dit verzoek van de Kamer.

De leden van de D66-fractie vragen tevens, waarom net na de vorig jaar doorgevoerde herziening van het bbp, alweer een bijstelling plaatsvindt. Waarom is deze niet meegenomen in de bronnenherziening van 2014, zo vragen deze leden?

De leden van de D66-fractie vragen ook wat de bijstelling op basis van het gezamenlijk onderzoek van het CBS en DNB betekent voor het bbp en het bni in de jaren voor 2011.

De leden van de D66-fractie vragen tot slot of er, buiten de reguliere bijstellingen van het bbp, nog andere onderzoeken lopen of aanstaande zijn die kunnen leiden tot bijstellingen van het bbp.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief over «CBS-bijstellingen bbp en bni 2011 en 2012». Zij willen de Minister hierover graag enkele vragen voorleggen.

Blijkens de brief is de aanleiding voor de tussentijdse bijstelling van het bni over 2011 en 2012 een gezamenlijk onderzoek van CBS en DNB naar de omvang van geldstromen van en naar het buitenland. Kan de Minister aangeven wie de opdracht heeft gegeven voor dit onderzoek en of dit onderzoek reeds eerder gepland was? Waarom is de aanvullende informatie over de omvangrijke financiële stromen van en naar het buitenland van met name multinationale ondernemingen over de jaren 2011 en 2012 pas eind 2014 bekend geworden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het CBS bepaalt of en wanneer een bijstelling of revisie noodzakelijk is. Kan de Minister aangeven hoe vaak dit per jaar gebeurt en wat hierbij de concrete aanleidingen zijn geweest in de afgelopen jaren? Hoe verloopt het proces hieromheen? Welke andere organisaties worden hierbij betrokken en op welke wijze zijn de Ministers van Financiën en Economische Zaken bij deze bijstellingen en revisies betrokken?

Genoemde leden vragen welke onderzoeken naar bijstellingen/revisies er momenteel nog meer lopen, naast het genoemde onderzoek over de bijstelling over de jaren 2011–2014. Is het mogelijk dat de voorlopige bijstelling van het bni over 2011 en 2012 nog wordt aangepast, of mogen deze leden ervan uitgaan dat het CBS op 24 juni 2015 met dezelfde cijfers komt over 2011 en 2012? Kan de Minister aangeven hoe groot naar verwachting de bijstelling over 2013 en 2014 zal zijn en welke bruto-effecten deze bijstelling zal hebben op de EU-afdracht?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe bijstellingen en revisies in andere EU-lidstaten worden uitgevoerd. Zijn hier werkafspraken over, of bepaalt elk land zelf op welke wijze bijstellingen en revisies worden toegepast? In hoeverre en op welke wijze nemen andere lidstaten geldstromen van en naar het buitenland mee in de berekening van het bni? Op welke wijze vult Eurostat haar toezichthoudende rol in bij de berekening van het bni en het uitvoeren van bijstellingen en revisies?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat exact de parameters zijn die ten grondslag liggen aan de nadere bijstelling over de jaren 2011 en 2012. In hoeverre zijn de additionele geldstromen vanuit het buitenland te verklaren door het fiscale klimaat in Nederland ten opzichte van andere landen? Wat zijn de gevolgen van deze nadere bijstelling voor de wijze waarop het bni over 2015 en komende jaren zal worden berekend?

II Reactie van de Minister van Financiën

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van de vragen gesteld vanuit de fracties van VVD, PvdA SP, CDA, PVV, D66 en CU naar aanleiding van de brief van 29 april 2015 over CBS-bijstellingen in het bruto nationaal inkomen (bni) en het bruto binnenlands product (bbp).

De leden van de VVD-fractie hebben vragen gesteld over uit welke aanvullende informatie blijkt dat het bni in Nederland in 2011 en 2012 hoger was dan eerder was berekend en waaruit deze aanvullende informatie concreet bestaat. Voorts hebben de leden van de fracties van het CDA, PVV en D66 gevraagd waarom binnen een jaar na de vorige revisie een onverwacht nieuwe grote revisie plaats vindt en waarom het probleem van verschillen in berekeningen van DNB en CBS specifiek op dit moment opgelost moest worden.

De publicatie in november 2014 van nieuwe betalingsbalansgegevens door DNB leverde het CBS nieuwe inzichten in omvang en saldo van primaire inkomensstromen (lonen, rente, dividend en winstuitkeringen). Dit was de eerste publicatie van DNB gegevens die in overeenstemming waren met de nieuwe richtlijnen die zijn vastgelegd in het Balance of Payments Manual, sixth edition (BPM6). Aangezien deze BPM6-richtlijnen geharmoniseerd zijn met de richtlijnen voor het samenstellen van de nationale rekeningen (Europees systeem van Rekeningen 2010, ESR2010) zouden er in theorie geen verschillen tussen de betalingsbalans en de (buitenlandrekeningen van de) nationale rekeningen mogen zijn. De praktijk liet wel verschillen zien tussen cijfers van CBS en DNB. Vooral de verschillen in de gegevens van CBS en DNB over de dividenden en winstuitkeringen die op dat moment voor de verslagjaren 2011 en later bleken te bestaan, waren aanleiding voor een gezamenlijk onderzoek van CBS en DNB naar de oorzaken en achtergronden hiervan. Het CBS en DNB hebben daarom in de afgelopen maanden gezamenlijk alle beschikbare informatie over de financiële stromen van multinationale bedrijven vergeleken, geanalyseerd en afgestemd. Waar nodig is daarvoor ook contact opgenomen met de bedrijven zelf en zijn gerapporteerde microdata en de interne verwerkingsprocessen kritisch tegen het licht gehouden. Het gezamenlijke onderzoek leidt tot een door DNB en CBS gedeelde raming van omvang en saldo van de primaire inkomensstromen. Hierdoor is het BNI 2011 en 2012 opwaarts bijgesteld.

De code of practice die geldt binnen het Europese Systeem van Statistieken (ESS) en die het CBS hanteert stelt dat substantiële nieuwe inzichten in de gepubliceerde gegevens hersteld moeten worden, ongeacht de status van deze gegevens(zie http://ec.europa.eu/eurostat/web/quality/european-statistics-code-of-practice, met name de artikelen 6.3, 6.6 en 8.6).

Voorts hebben de leden van de fractie van de VVD gevraagd waaruit bestaan de onderlinge verschillen over onderwerpen tussen DNB en het CBS, over welke zaken is er nog geen duidelijkheid of overeenstemming tussen DNB en het CBS, wanneer wordt hier duidelijkheid over verwacht en welke correcties zijn doorgevoerd in de berekeningsmethodiek. De leden van de fractie van de PVV hebben gevraagd welke eigen bronnen CBS en DNB hanteren.

Zowel DNB als CBS stellen – ieder vanuit hun eigen taak – statistieken samen van transacties met het buitenland. Bij DNB gebeurt dat in het kader van de betalingsbalans. Bij het CBS bij het samenstellen van de nationale rekeningen en de bijbehorende uitsplitsingen naar sectoren van de economie. In de praktijk blijkt dat de individuele respons van bedrijven op de uitvraag door respectievelijk DNB en het CBS cijfermatig niet altijd dezelfde is. Dat komt bijvoorbeeld omdat gegevens door verschillende afdelingen binnen een bedrijf worden aangeleverd. Verder waren er verschillen tussen CBS en DNB bij de verwerking van de gegevens. Afstemming van de gegevens op microniveau (individuele bedrijven) heeft geleid tot een gedeeld beeld van DNB en CBS over de omvang en het saldo van primaire inkomensstromen van en naar het buitenland van de grootste bedrijven. Verder is de wijze van verwerken van de gegevens gelijkgetrokken. Vooralsnog zijn alleen de transacties die medebepalend zijn voor het BNI afgestemd. In een samenwerkingsproject met DNB wordt gestreefd naar een volledige overeenstemming met ingang van 2017. Ook is het streven om de publicatiemomenten op elkaar af te stemmen. Tot 2017 blijven er kleine verschillen bestaan tussen CBS en DNB vanwege een afwijkend revisie- en publicatiebeleid.

Op 24 juni zullen de uitkomsten van het onderzoek voor de verslagjaren 2011–2014 in de nationale rekeningen van het CBS worden verwerkt. Ook DNB zal rond deze tijd haar aangepaste cijfers publiceren.

De leden van de fracties van de VVD, SP en CU hebben een aantal vragen gesteld over de frequentie van wijzigingen in de berekeningsmethodiek, inclusief de vaste revisiemomenten en hoe het CBS bepaalt of en wanneer een bijstelling of revisie noodzakelijk is, welke andere organisaties worden hierbij betrokken en op welke wijze zijn de Ministers van Financiën en Economische Zaken bij deze bijstellingen en revisies betrokken worden.

Bijstellingen van het bbp en het bni zijn onderdeel van het reguliere proces van het CBS. Ieder jaar worden nieuwe berekeningen gemaakt van de voorgaande drie jaren. Dit wordt gedaan omdat in de loop der tijd steeds meer informatie (van bedrijven) beschikbaar komt en belangrijke informatie, zoals over de jaarrekeningen en kostenstructuren van bedrijven, over het algemeen laat beschikbaar komen. Door deze informatie aan eerdere ramingen toe te voegen wordt het beeld van de Nederlandse economie steeds verder verbeterd. Zie voor meer uitleg en cijfermatige overzichten van de bijstellingen http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/methoden/bijstellingen/economische-groei/2006-bijstellingen-cijfers-nationale-rekeningen-art.htm. Naast deze reguliere bijstellingen voert het CBS eens in de vijf jaar een zogenaamde revisie van zijn nationale rekeningen uit. In een dergelijke revisie worden (a) conceptuele wijzigingen in de internationale richtlijnen doorgevoerd, zoals bij de ESA2010 revisie van 2010 en (b) waar nodig de niveaus van de nationale rekeningen herijkt op nieuw beschikbaar gekomen bronnen van informatie. Voor meer informatie over de revisie van de nationale rekeningen wordt verwezen naar http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/publicaties/artikelen/archief/2014/2014-062-pb.htm en de revisiepublicatie van het CBS (http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/B69FFA32–03EA-4C05-A07A-F28572DCFE79/0/2014nationalerekeningenrevisie2010erratum.pdf). Het CBS is voornemens de volgende vijfjaarlijkse revisie te laten plaatsvinden over het verslagjaar 2015 en te publiceren in 2018 of 2019.

Verder bestaat de mogelijkheid dat het CBS tussendoor – dus buiten de vijfjaarlijkse revisie om – verbeteringen in al afgesloten jaren doorvoert, zoals het CBS in zijn persmededeling van woensdag 29 april 2015 aankondigde voor het verslagjaar 2011. Dergelijke verbeteringen zijn een uitzondering. en worden alleen gedaan als uit nieuwe informatie blijkt dat ze omvangrijk en daarmee noodzakelijk zijn. Deze lijn van het CBS is volledig in overeenstemming met de Europese Code of Practice on statistics die stelt dat substantiële nieuwe inzichten in de gepubliceerde gegevens hersteld moeten worden, ongeacht de status van deze gegevens (zie met name de artikelen 6.3, 6.6 en 8.6 in http://ec.europa.eu/eurostat/web/quality/european-statistics-code-of-practice).

Het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Economische zaken zijn, conform het publicatiebeleid van het CBS, een week van te voren op de hoogte gebracht van de eerste voorlopige resultaten van het gemeenschappelijke DNB-CBS onderzoek, maar hebben geen invloed op de uitkomsten.

De leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP en CU hebben gevraagd in hoeverre in andere Europese landen dit soort bijstellingen van het bbp en bni plaats vinden en met welke omvang, of er Europese afstemming over is en of er Europese bindende voorschriften van toepassing zijn en welke vooruitgang er geboekt is met het harmoniseren van de statistieken sinds de vorige naheffing.

Alle EU-landen voeren revisies uit op basis van het beschikbaar komen van bronnen en kennen daarmee net als Nederland reguliere en frequente bijstellingen in hun cijfers. De praktijk met betrekking tot het uitvoeren van bijstellingen verschilt echter tussen lidstaten. Voor wat betreft revisies zijn er lidstaten die dit eens in de 2–3 jaar doen, lidstaten die jaarlijks een benchmarkrevisie uitvoeren en lidstaten waar de frequentie lager is of revisies slechts sporadisch worden gedaan. Daarbij kan het beleid van de centrale bank en het statistisch instituut in een lidstaat ook nog verschillen. Voor zover ons bekend, zijn er momenteel geen internationale vergelijkingen en overzichten van de bijstellingen en revisiestrategieën in de verschillende EU lidstaten publiek beschikbaar. Op de website van de statistiekbureaus en centrale banken in de verschillende lidstaten is gefragmenteerde informatie te vinden.

In Europees verband is na de invoering van ESA2010 in 2014 de discussie opnieuw gestart om te werken aan een gecoördineerd revisiebeleid waarbij de lidstaten bijvoorbeeld eens in de vijf jaar een benchmarkrevisie uitvoeren. Nederland is hier groot voorstander van. Een statistisch comité van de EU (Comité voor Financiële, Monetaire en Betalingsbalans statistieken (CMFB), het internationale samenwerkingsverband tussen statistische divisies van centrale banken en statistiekbureau) heeft hier momenteel het voortouw in. Tijdens de komende vergadering van het CMFB zal gesproken worden over het vervolgtraject. Ook binnen het Europese stelsel van statistieken (ESS) wordt dit onderwerp naar verwachting de komende maanden in de relevante overleggen geagendeerd.

De leden van de fractie van de VVD hebben gevraagd waaruit de interpretatieruimte bestaat over de geldende internationale richtlijnen voor het samenstellen van nationale rekeningen? De leden van de fractie van de PVV vragen hoe volgens ESA2010 de uitgekeerde winsten via holdings aan buitenlandse moeders worden betrokken?

Over de door het CBS gehanteerde boekingswijze van de uitgekeerde winsten via holdings aan buitenlandse moeders loopt een consultatie bij Eurostat. Het ESA2010 is op dit punt niet duidelijk. Het CBS brengt de aan buitenlandse moeders toegerekende winsten in mindering van het BNI van Nederland.

De leden van de fractie van de PvdA hebben gevraagd hoe het naar het oordeel van de Minister gesteld is met de onafhankelijkheid van de rekenmeesters in de andere Europese lidstaten en of daar naar de mening van de Minister aanvullende actie wenselijk is.

De professionele onafhankelijkheid van de statistische autoriteiten in de lidstaten ten opzichte van onder andere de beleidsdepartementen en de private sector is formeel geregeld in de Europese Code of practice on statistics. Daar dient elke lidstaat zich aan te houden.

De leden van de fractie van de PvdA hebben tevens gevraagd naar het moment waarop de uiteindelijke afdrachten voor 2011, 2012, 2013 en 2014 definitief duidelijk zijn. Ook vragen deze leden of een systeem denkbaar is waarin wijzigingen niet direct tot aanpassing leiden. Hierbij noemen zij meerjarige gemiddelden als voorbeeld.

De implementatieverordening van het Eigen Middelen Besluit1 verplicht de Europese Commissie op basis van gegevens van Eurostat, aangeleverd door de verschillende nationale statistische bureaus, een nacalculatie te maken van de grondslagen voor de eigen middelen tot en met het jaar t-4. De door het CBS aangeleverde BNI-cijfers worden dus tot en met t-4 meegenomen voor de berekening van de EU-afdrachten. De nacalculatie kan ook verder teruggaan als Eurostat voorbehouden heeft geplaatst op bepaalde onderdelen van de door de nationale statistische bureaus aangeleverde cijfers.

Lidstaten met een hoger bni dragen meer af aan de Europese begroting dan lidstaten met een lager bni. De afdrachten zijn gebaseerd op realisatiecijfers van het bni. Een beperking van het aantal ramingsmomenten waarbij specifieke jaren niet direct tot aanpassingen leiden, levert minder aanpassingen op. Echter, door de afrekeningen van verschillende jaren samen te voegen, wordt de omvang van de afrekening minder voorspelbaar en waarschijnlijk groter in omvang. Ook wordt de systematiek minder transparant omdat slechts eens in een bepaald aantal jaar wordt afgerekend.

De tussentijdse bni- en bbp-bijstelling door het CBS is het gevolg van een gezamenlijk onderzoek van het CBS en De Nederlandsche Bank (DNB) naar de omvang van geldstromen van en naar het buitenland. Van het bruto-effect op de afdrachten van deze bijstelling is op dit moment een globale inschatting te geven. Het CBS publiceert op 24 juni aanstaande de bijstellingen van het bni en het bbp voor de jaren 2013 en 2014. Het netto-effect op de Nederlandse EU-afdrachten is afhankelijk van de ontwikkeling van het bni in de andere EU-lidstaten en daarom op dit moment nog niet te bepalen. De omvang daarvan zal bekend worden in het najaar als ook de meest actuele cijfers van het bni in de andere EU-lidstaten bekend zijn.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de mogelijkheden om op specifieke momenten statistieken te herzien en mogelijke aanknopingspunten om bij de werkgroep Monti dit onder de aandacht te brengen.

De werkgroep Monti reflecteert over het systeem van eigen middelen van de Europese Unie. Hierbij kijkt de werkgroep bijvoorbeeld naar verschillende andere mogelijke eigen middelen, naast of in de plaats van al bestaande eigen middelen en niet zozeer naar de uitwerking van de bestaande eigen middelen. Uit de eerste tussenrapportage blijkt dat de werkgroep vooral op een hoger abstractieniveau in gaat op de systematiek van eigen middelen.

De inzet van het kabinet is om de voorspelbaarheid en de transparantie van de afdrachten te vergroten. Dit is ook toegelicht in de Kamerbrief van 13 november 2014,2 waarin is aangegeven dat het van belang is dat er meer transparantie komt en mogelijk ook meer harmonisatie van bronnenrevisies en andere onderbouwing van de statistische gegevens.

De Europese Commissie heeft toegezegd deze problematiek ter hand te nemen en met voorstellen te komen om de systematiek te verbeteren. Het kabinet wacht deze voorstellen af, maar heeft goede hoop dat hierover al meer bekend is voor het Nederlandse voorzitterschap. Mocht het nodig zijn, dan biedt het voorzitterschap een kans om dit dossier verder te brengen.

De leden van de fracties van de SP en PVV hebben gevraagd waarom de DNB-gegevens niet bij de revisie van verleden jaar waren meegenomen en of het niet handiger zou zijn geweest om eenmalig met bijstellingen in het bni en revisies van nationale rekeningen te komen om zo ineens uitsluitsel te kunnen geven over mogelijke nabetalingen aan Brussel. Voorts willen de leden van de fracties van de SP en PVV daarnaast graag weten of bij de revisie van verleden jaar, deze bijstelling niet had kunnen worden aangekondigd en waarom er op dit moment voor gekozen is om deze discussie op te lossen. Immers, dit onderzoek door CBS en DNB is eind 2014 gestart en dat dit mogelijkerwijs leidt tot een hogere EU-afdracht, was bekend. Waarom is niet eerder aangekondigd dat er mogelijk een extra naheffing zou volgen?

Eind november 2014, na de publicatie van de gereviseerde betalingsbalans door DNB, bleken er aanzienlijke verschillen te bestaan tussen deze statistiek en de nationale rekeningen van het CBS vooral in het primaire inkomenssaldo. Volgens de nieuwe internationale richtlijnen zouden beide statistieken aan elkaar gelijk moeten zijn. Dit was de directe aanleiding voor een gezamenlijk onderzoek van CBS en DNB naar oorzaken en achtergronden van deze verschillen.

Ten tijde van het publiceren van de resultaten van gereviseerde gegevens van de nationale rekeningen voor 2011 en 2012 (juni 2014) waren er nog geen herziene gegevens van de betalingsbalans beschikbaar. Er was op dat moment dan ook geen reden om te veronderstellen dat hieruit grote bijstellingen zouden kunnen voortvloeien.

Reden om niet afgelopen november een mogelijk bijstelling aan te kondigen, was omdat op dat moment niet duidelijk was wat de oorzaken van de verschillen waren en ook niet op voorhand aan te geven was welke cijfers (NR of DNB) en in welke mate deze zouden worden aangepast.

De code of practice (http://ec.europa.eu/eurostat/web/quality/european-statistics-code-of-practice) die geldt binnen het Europese Systeem van Statistieken (ESS) en die het CBS hanteert stelt onder meer in de artikelen 6.3, 6.6 en 8.6 dat substantiële nieuwe inzichten in de gepubliceerde gegevens hersteld worden, ongeacht de status van deze gegevens.

De leden van de fractie van de SP vragen of de nabetaling aan Brussel die voorkomt uit de verhoogde bni voor 2011 wordt veroorzaakt door de enorme geldstromen die jaarlijks door Nederland worden gesluisd. Voorts hebben de leden van de fractie van de SP gevraagd naar de samenhang tussen de nabetaling en de geldstromen van multinationals die door Nederland stromen en naar een uitsplitsing van de bijstelling van de geldstromen in rente-, royalties- en dividendstromen. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben gevraagd in hoeverre de additionele geldstromen vanuit het buitenland te verklaren zijn door het fiscale klimaat in Nederland ten opzichte van andere landen.

Het CBS heeft aangegeven dat de bijstelling van het bni slechts in beperkte mate de resultante is van een bijstelling van de statistieken van de bijzondere financiële instellingen (BFI’s) die zich bezig houden met het doorsluizen van geldstromen.

De bijstelling van het bni is een saldo van verschillende neerwaartse en opwaartse aanpassingen.

Neerwaartse aanpassingen zijn het gevolg van nieuwe statistische informatie voor alle sectoren van de economie en de wijziging van de boeking van de ingehouden winsten die van een niet-financiële vennootschap via een BFI-captive naar het buitenland gaan (de ingehouden winsten tellen dan niet meer mee in het bni van Nederland).

Opwaartse aanpassingen zijn het gevolg van de nadere afstemming tussen CBS en DNB over de gegevens van primaire inkomensstromen tussen niet-financiële vennootschappen en buitenlandse beleggingsinstellingen versus de betalingsbalans, buiten de BFI’s om. Daarnaast zijn gedurende het DNB-CBS aanpassingen in het bronmateriaal doorgevoerd leidend tot een opwaartse bijstelling van het bni.

De onderstaande tabel bevat een nadere uitsplitsing van de bijstellingen.

Ook hebben de leden van de fractie van de SP gevraagd naar welk deel van de geraamde nabetaling van 0,2 mld euro betrekking heeft op 2011 en welk deel op 2012?

De thans geraamde bruto nabetaling van 0,2 mld euro is het cumulatieve effect van nabetalingen over de jaren 2011 en 2012 (beide circa 75 mln) alsmede de doorwerking van het hogere bbp in 2012 naar 2013 en 2014 (beide circa 30 mln).

De leden van de fractie van de SP hebben gevraagd of de cijfers over bijzondere financiële instellingen in het SEO-onderzoek «uit de schaduw van het bankwezen» uit 2011 achterhaald zijn door de nieuwe cijfers van het CBS en welk deel van deze geldstromen stroomt door BFI’s die klant zijn van een trustkantoor.

Het micromateriaal over BFI’s dat is gebruikt in het SEO-onderzoek is in het gezamenlijk onderzoek van CBS en DNB niet gewijzigd.

De leden van de fractie van de SP en het CDA hebben naar aanleiding van een rapport van de Europese Rekenkamer uit 2013 «Op weg naar correcte gegevens over het bni» gevraagd of de Minister kan aangeven welke afspraken c.q. vorderingen er zijn gemaakt tussen Eurostat en de Europese autoriteiten om werkzaamheden te verbeteren?

Zoals gedeeld met uw Kamer in antwoord op vragen gesteld door het lid Omtzigt van 18 november 2014 (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 667) heeft het rapport van de Europese Rekenkamer betrekking op de verificatie door de Europese Commissie van de voor de vaststelling van de eigen middelen gebruikte BNI-gegevens over de jaren 2002–2007. De aanbevelingen van de Europese Rekenkamer in het rapport zijn gericht aan de Commissie en Eurostat. De Europese Commissie heeft in reactie gesteld dat een groot aantal problemen al opgelost waren ten tijde van het verschijnen van het rapport in 2013 en dat de overige aanbevelingen worden opgepakt.

De leden van de fracties van de SP en de CU hebben gevraagd hoe het staat met de controle van Eurostat van de input van de nationale statistische bureaus bij de berekeningen en revisies van het bni.

Bij de reguliere aanlevering in september vindt een eerste controle plaats door Eurostat op plausibiliteit en consistentie. Op grond van deze eerste en voorlopige controle zijn de cijfers geaccordeerd om te dienen als grondslag voor de berekening van de afdracht. Echter, voor alle BNI cijfers voor de afdracht geldt vanaf het verslagjaar 2010 een algemeen voorbehoud dat van kracht is zolang de cijfers nog niet in detail zijn gecontroleerd door Eurostat. Het verslagjaar 2010 is gekozen omdat dit voor vrijwel alle landen het basisjaar is voor de ESR2010 revisie al dan niet gecombineerd met een bronnenrevisie. Het verslagjaar 2010 markeert daarmee het begin van een nieuwe verificatiecyclus. De verificatiecyclus start eind 2015 als alle lidstaten, conform verplichting, een uitvoerige beschrijving hebben opgesteld van de ramingen over het verslagjaar 2010. Dit wordt vastgelegd in een zogenaamde BNI inventory waarin de gebruikte bronnen, de bewerkingen en toegepaste methoden worden beschreven. De verificatie door Eurostat start met de bestudering van de inventories, vervolgens worden schriftelijke vragen gesteld, en tot slot worden alle lidstaten een of meermalen bezocht. Daarbij wordt ter plekke onderzoek verricht naar de kwaliteit van de ramingen van een lidstaat. Ook de Europese Rekenkamer is betrokken bij de verificatie. Uiteindelijk kunnen op grond van de bevindingen specifieke voorbehouden aan de lidstaten worden opgelegd. Dit zijn bijvoorbeeld punten waarvan de commissie vindt dat de gebruikte methoden en/of bronnen verbeterd moeten worden. Op deze punten dienen de lidstaten de BNI cijfers aan te passen binnen een gegeven deadline. Nadat alle aanpassingen zijn doorgevoerd en akkoord bevonden en alle voorbehouden zijn opgeheven is het betreffende BNI cijfer definitief voor de berekening van de afdracht. De gehele controle cyclus neemt meerdere jaren in beslag.

De leden van de fractie van de SP hebben gevraagd op welke wijze er controle plaats vindt op het functioneren van Eurostat door de Europese instellingen.

Eurostat is een dienst van de Europese Commissie. Voor wat betreft de institutionele aspecten van Eurostat is de Commissie eindverantwoordelijk. Wettelijk is geregeld dat de directeur-generaal van Eurostat bij de uitvoering van zijn/haar statistische taken onafhankelijk handelt. De Europese Rekenkamer ziet toe op het financieel beheer van de Europese Commissie. Ook voert de Europese Rekenkamer op eigen gezag controles uit betreffende de efficiëntie en doeltreffendheid van de uitvoering van de taken van Europese Commissie. Ook Eurostat, als dienstonderdeel van de Europese Commissie, valt onder het toezicht van de Europese Rekenkamer.

Voorts hebben de leden van de fractie van het CDA gevraagd of de Minister inzicht kan geven of er in anderen EU-landen ook sprake is van verschillen tussen berekeningen van de nationale bank en het nationale statistiekbureau.

Ook bij andere lidstaten zijn er verschillen tussen de publicaties van de centrale banken enerzijds en de statistische bureaus anderzijds. Dit hangt samen met de taakverdeling die is afgesproken tussen de centrale banken en de statistische bureaus en de eventuele verschillen in update-, revisie- en publicatiebeleid. Er is geen uitputtend overzicht beschikbaar van deze verschillen. Wel is er in toenemende mate aandacht voor een gecoördineerd update-, revisie- en publicatiebeleid, zodat deze verschillen in de toekomst worden weggenomen zoals in het Comité voor Financiële, Monetaire en Betalingsbalans statistieken (CMFB).

De leden van de fractie van het CDA hebben inzage gevraagd van het werkprogramma 2015 van het CBS en of er in dit werkprogramma een aankondiging bevat van deze revisie. De leden van de fractie van de ChristenUnie CU hebben gevraagd of de Minister kan aangeven wie de opdracht heeft gegeven voor dit onderzoek, of dit onderzoek al eerder gepland was en waarom de aanvullende informatie over de omvangrijke financiële stromen van en naar het buitenland van vooral multinationale ondernemingen over de jaren 2011 en 2012 pas eind 2014 bekend is geworden?

In het werkprogramma 2015 van het CBS (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/organisatie/corporate-informatie/publicaties/archief/2015/default.htm) wordt het recente gemeenschappelijke onderzoek van DNB en het CBS niet als apart onderwerp genoemd. Directe aanleiding voor het onderzoek waren de verschillen in de jaren 2011 en 2012 tussen de gegevens in nationale rekeningen en de betalingsbalans over het saldo van de primaire inkomens van en naar het buitenland zoals bleek bij publicatie door DNB op 24 november 2014. Het gezamenlijke onderzoek leidt zowel bij het CBS als bij DNB tot aanpassing van omvang en saldo van de primaire inkomensstromen met een opwaarts BNI-effect als gevolg. De code of practice die geldt binnen het Europese Systeem van Statistieken (ESS) en die het CBS hanteert stelt dat substantiële nieuwe inzichten in de gepubliceerde gegevens hersteld worden, ongeacht de status van deze gegevens.

Ten tijde van het opstellen van het werkprogramma was er nog geen aanleiding iets anders te verwachten dan de reguliere jaarlijkse updates van de NR. Het onderzoek was niet gepland, maar is op eigen initiatief van CBS en DNB gestart vanwege de geconstateerde verschillen. Het mag van organisaties als CBS en DNB worden verwacht dat ze regelmatig proactief cross-checks en controles uitvoeren, consistentie tussen hun statistieken monitoren en dat bij geconstateerde grote verschillen gezamenlijk onderzoek wordt gedaan. Op basis waarvan dan eventuele verbeteringen worden doorgevoerd en waar tijdig en open over wordt gecommuniceerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen opnieuw de correspondentie tussen de Permanente Vertegenwoordiging en de Europese Commissie betreffende het Eurowob-verzoek openbaar te maken.

Het standpunt van het kabinet over openbaarmaking van stukken die onderdeel uitmaken van het diplomatieke verkeer en over correspondentie met de Europese Commissie in het bijzonder is verwoord in de Kamerbrief van 10 april 2015.

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA naar de betalingen van de naheffing door het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Italië, Griekenland, Cyprus en Malta.

In antwoorden op Kamervragen naar aanleiding van de Najaarsnota (Kamerstuk 34 085, nr. 2), is eerder aangegeven dat uit de gewijzigde zesde aanvullende begroting voor 2014 blijkt dat de volgende lidstaten besloten hebben de bruto-naheffing in 2015 te voldoen: Bulgarije, Frankrijk, Italië (ca. 0,3 mld. in 2014, 1,2 mld. in 2015), Cyprus, Malta, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk. Deze lidstaten moeten de bruto-naheffing overmaken voor 1 september 2015. Nederland heeft besloten de naheffing aan het eind van 2014 te voldoen. De overige lidstaten maken geen gebruik van de betalingsregeling.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar de mening van het kabinet over naheffingen in het licht van de Nederlandse netto bijdrage aan de EU-begroting.

De verwachte bijstellingen van het bni en het bbp voor de jaren 2011 en 2012 leiden op basis van de huidige inzichten tot een bruto nabetaling van 0,2 mld euro, zoals toegelicht in de brief van 29 april 2015.3 Deze bruto naheffing is een gevolg van opwaartse bijstellingen van het bni in voorgaande jaren, zoals vastgesteld door het CBS en in lijn met de in Europees verband afgesproken wet- en regelgeving.

De leden van de fractie van de PVV hebben gevraagd wanneer de Minister op de hoogte was van de CBS-bijstellingen en waarom niet eerder melding is gemaakt van deze bijstelingen.

Het Ministerie van Financiën is in de week voorafgaande aan het persbericht op de hoogte gebracht van de bijstellingen van het bni/bbp. Meteen nadat deze informatie door het CBS openbaar was gemaakt via het persbericht heb ik de Tweede Kamer schriftelijk ingelicht.

De leden van de fractie van de PVV hebben gevraagd welke internationale richtlijnen en methoden het CBS en welke DBN hanteerde met daarbij aandacht voor op welke punten en in hoeverre deze van elkaar afweken waardoor er grote verschillen zijn ontstaan en hoe groot deze verschillen waren tot op heden.

De richtlijnen voor het samenstellen van de nationale rekeningen liggen vast in een EU-verordening (no 549/2013: Europees systeem van Rekeningen 2010 (ESR2010). DNB baseert zich voor de samenstelling van de betalingsbalans op de Balance of Payments Manual, sixth edition (BPM6) van het IMF.

In november 2014 bleken de verschillen tussen het door DNB gepubliceerde primaire inkomenssaldo en die van het CBS (zoals gepubliceerd op 25 juni 2014) respectievelijk 12,0 mld. voor 2011, 9,6 mld. voor 2012 en 12.2 mld. voor 2013. Over de jaren 2008–2010 ligt dit verschil gemiddeld rond de 1,4 mld. per jaar.

De leden van de fracties van de PVV en de ChristenUnie vragen welke internationale richtlijnen en methoden er in andere lidstaten worden gehanteerd en in hoeverre deze afwijken van de Nederlandse.

Voor alle Europese lidstaten gelden dezelfde wettelijk vastgelegde richtlijnen voor de samenstelling van de nationale rekeningen (het ESR2010), zie http://ec.europa.eu/eurostat/web/esa-2010

Voor de samenstelling van de Betalingsbalans gelden voor alle lidstaten de voorschriften zoals vastgelegd in de Balance of Payments Manual, sixth edition (BPM6), zie https://www.imf.org/external/pubs/ft/bop/2007/bopman6.htm. Deze voorschriften zijn geharmoniseerd met het ESR2010.

Verder vragen de leden van de fracties van de PVV en de ChristenUnie om een overzicht van hoe het bni in de jaren 2011 t/m 2014 is bijgesteld. Hoe hoog was het bni voor en hoe hoog is het bni na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)? Hoe hoog was het saldo voor en hoe hoog is het saldo na de bijstelling? Tevens ontvangen de leden van de PVV-fractie graag een overzicht van de ontwikkeling van het bbp over de periode 2011 t/m 2014. Hoe hoog was het bbp voor en hoe hoog is het bbp na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)? Wat is de verklaring dat in 2012 het bbp 0,7% hoger uitkomt. Ook vragen de leden van de PVV-fractie om eenzelfde overzicht van het saldo uit de ontvangen en aan het buitenland betaalde primaire inkomens voor de periode 2011 t/m 2014.

Hoe hoog was het bni voor en hoe hoog is het bni na de bijstelling? Hoe hoog is het budgettair effect (graag per onderdeel uitsplitsen)? Wat is de verklaring dat het bni voor 2011 met 1,8% en voor 2012 met 1,5% is bijgesteld?

Het CBS heeft op 29 april 2014 de eerste, voorlopige uitkomsten van het gezamenlijk onderzoek met DNB naar buiten gebracht. Hierin staan ook de voorlopige herziene cijfers voor het BNI voor de verslagjaren 2011 en 2012. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bijstellingen BBP en BNI voor de verslagjaren 2011 en 2012.

De bijstelling van het BBP voor 2012 is het gevolg van een reguliere update van de raming op grond van nieuwe statistische informatie die eerst na anderhalf jaar na afloop van het verslagjaar – medio 2014 – beschikbaar komt. De BBP bijstelling is vooral het gevolg van nieuwe informatie over de groot- en detailhandel die liet zien dat deze bedrijfstak beter presteerde dan eerder gedacht. Voor de raming van 2011 waren deze gegevens al beschikbaar en al verwerkt in de cijfers en heeft ook geen (verdere) update plaatsgevonden.

Het CBS en DNB hebben in de afgelopen maanden gezamenlijk alle beschikbare informatie over de financiële stromen van multinationale bedrijven vergeleken, geanalyseerd en afgestemd. Waar nodig is daarvoor ook contact opgenomen met de bedrijven zelf en zijn gerapporteerde microdata en de interne verwerkingsprocessen kritisch tegen het licht gehouden. Het gezamenlijke onderzoek leidde tot aanpassing van omvang en saldo van de primaire inkomensstromen, met een opwaartse bijstelling van BNI tot gevolg.

Voor de verslagjaren 2013 en 2014 wordt in de komende periode, volgens de reguliere werkwijze van de nationale rekeningen, alle nu beschikbare en nagekomen informatie over de ontwikkelingen in de Nederlandse economie verwerkt. Het hogere BBP niveau van 2012 zal ook doorwerken in de jaren 2013 en 2014. De eerste resultaten van het CBS-DNB onderzoek laten zien dat ook voor 2013 en 2014 het eerder gerapporteerde saldo primaire inkomens naar boven zal worden bijgesteld. De uitkomsten zal het CBS op 24 juni 2015, conform het reguliere publicatieschema, naar buiten brengen.

Voor het budgettaire effect wordt verwezen naar de onderbouwing van de bruto naheffing van 0,2 mld euro (zie het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP), alsmede het persbericht van het CBS.

Voorts vragen de leden van de fractie van de PVV naar de totale uitgaven aan de EU en het effect van opwaartste bijstellingen op de afdrachten.

In de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn de afdrachten aan de Europese Unie in 2015 geraamd op 6.065 mln. euro. In de Voorjaarsnota 2015 zal de Kamer geïnformeerd worden over de actuele raming.

Het netto-effect van de naheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van het bni in de andere EU-lidstaten en op dit moment nog niet te bepalen. De omvang daarvan zal bekend worden in het najaar als ook de meest actuele cijfers van het bni in de andere EU-lidstaten bekend zijn.

Op dit moment loopt nog een onderzoek van het CBS en DNB naar de financiële stromen van en naar het buitenland in de jaren 2013 en 2014. De hoogte van de bni-bijstellingen en daarmee de bruto nabetaling is nog niet bekend. De bni- en bbp-cijfers voor 2013 en 2014 zal het CBS conform het reguliere proces op 24 juni a.s. publiceren.

De leden van de fractie van de PVV en ChristenUnie hebben gevraagd of de Minister kan aangeven welke bruto-effecten deze bijstelling van de bni’s over 2013 en 2014 zullen hebben op de EU-afdracht?

Het is op dit moment niet mogelijk om een inschatting te geven van de bruto-effecten van mogelijke opwaartse bijstellingen van het bni in 2013 en 2014.

De leden van de fractie van de PVV vragen over welke jaren we nog naheffingen kunnen verwachten als gevolg van de toepassing van ESA2010. Ook vragen de leden van de PVV-fractie waarop de reservering van 300 miljoen euro per jaar voor ESA2010 van het kabinet op gebaseerd is, als het nog niet duidelijk is hoe deze geïnterpreteerd moet worden.

In het voorjaar van 2014 is een reservering van 300 mln euro in het budgettaire beeld opgenomen voor de jaren 2014 en verder in verband met de introductie van ESA2010 en de bronnenrevisie. Deze is later verlaagd naar 0,2 mld. euro.4 De huidige geraamde bruto naheffing vanwege de door het CBS aangekondigde bni-bijstelling staat los van de introductie van ESA2010. Ramingen zijn gebaseerd op de dan geldende beste inzichten en worden bijgesteld als er nieuwe inzichten zijn.

Tevens vragen de leden van de fractie van de PVV waarom het CBS precies besloten heeft de nieuwe rekenmethode met terugwerkende kracht toe te passen en er niet voor gekozen heeft deze methode bijvoorbeeld vanaf volgend jaar toe te passen. Ten slotte willen de leden van de fractie van de PVV-fractie weten waarom 2011 is meegenomen, terwijl het CBS ieder jaar het bbp van de voorgaande drie jaren bijstelt

Er bestaat de mogelijkheid dat het CBS tussendoor verbeteringen in al afgesloten jaren doorvoert, zoals het CBS in zijn persmededeling van woensdag 29 mei 2014 aankondigde voor het verslagjaar 2011. De code of practice die geldt binnen het Europese Systeem van Statistieken (ESS) en die het CBS hanteert stelt dat substantiële nieuwe inzichten in de gepubliceerde gegevens hersteld moeten worden, ongeacht de status van deze gegevens(zie met name de artikelen 6.3, 6.6 en 8.6 in http://ec.europa.eu/eurostat/web/quality/european-statistics-code-of-practice,).

Er is door het CBS besloten het onderzoek voor het verslagjaar 2011 te doen omdat ook voor dat jaar de verschillen tussen de betalingsbalans van DNB en de nationale rekeningen van het CBS substantieel waren en de uitkomsten van analyse van het verslagjaar 2012 bevestigden dat er ook voor 2011 nadere afstemming tussen beide instanties nodig was. De verschillen in het thans door het CBS en DNB gepubliceerde primaire inkomen voor jaren 2010 en eerder zijn dusdanig beperkt van omvang dat hiernaar geen verder onderzoek zal worden gedaan. Toekomstige nieuwe jaarramingen zullen vanaf nu als onderdeel van het reguliere ramingsproces worden afgestemd met DNB. DNB en CBS hebben hier nadere samenwerkingsafspraken over gemaakt.

De leden van de fractie van D66 hebben gevraagd naar de invulling van de motie Sjoerdsma.

Hierover zal de Tweede Kamer op korte termijn door de Minister van Buitenlandse Zaken worden geïnformeerd.

De leden van de fractie van D66 vragen ook wat de bijstelling op basis van het gezamenlijk onderzoek van het CBS en DNB betekent voor het bbp en het bni in de jaren voor 2011.

De verschillen in het thans door het CBS en DNB gepubliceerde primaire inkomen voor jaren 2010 en eerder zijn dusdanig beperkt van omvang (over de jaren 2008–2010 ligt dit verschil gemiddeld rond de 1,4 mld. per jaar) dat hiernaar geen verder onderzoek zal worden gedaan. Dit betekent niet dat de 2010-bni-raming voor de afdracht niet meer zou kunnen wijzigen. Eurostat heeft namelijk voor dit jaar een algemeen voorbehoud opgelegd. Als Eurostat, na verificatie, voor 2010 specifieke voorbehouden plaatst, zal op basis hiervan nog een aanpassing kunnen volgen. Daarnaast geldt voor Nederland, net als voor alle andere EU-lidstaten, een voorbehoud bij de bni-berekening voor het onderdeel winsten uit beleggingsinstellingen. Op basis van nieuwe betalingsbalansgegevens is hiervoor een herberekening gemaakt. Voor de periode 2006–2010 leidt dit cumulatief tot een beperkte neerwaartse bijstelling van het bni van Nederland met ongeveer 0,5 mld euro.

Voorts vragen de leden van de fracties van D66 en ChristenUnie of er, buiten de reguliere bijstellingen van het bbp/bni, nog andere onderzoeken lopen of aanstaande zijn die kunnen leiden tot bijstellingen van het bbp/bni.

Buiten de reguliere bijstellingen doet het CBS momenteel geen andere onderzoeken die naar verwachting leiden tot een additionele bijstelling van het bbp, anders dan bij een algehele revisie van de nationale rekeningen die vooralsnog voorzien is voor het verslagjaar 2015 en gepubliceerd zal gaan worden in 2018 of 2019.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben gevraagd of het mogelijk is dat de voorlopige bijstelling van het bni over 2011 en 2012 nog wordt aangepast, of mogen deze leden ervan uitgaan dat het CBS op 24 juni 2015 met dezelfde cijfers komt over 2011 en 2012?

Het is denkbaar dat ook voor de jaren 2011 en 2012 nog wijzigingen worden doorgevoerd naar aanleiding van het nog lopende onderzoek. De uitkomsten hiervan zal het CBS in de nationale rekeningen verwerken en op 24 juni 2015, conform het reguliere publicatieschema, naar buiten brengen.

Voorts hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie gevraagd wat de gevolgen zijn van deze nadere bijstelling voor de wijze waarop het bni over 2015 en komende jaren zal worden berekend.

De afstemmingsprocedure voor de jaarcijfers tussen de betalingsbalans en de nationale rekeningen, die mede geleid heeft tot bijstelling van het bni, heeft het CBS in de werkwijze en berekeningsmethoden doorgevoerd.