Kamerstuk 33962-102

Amendement van het lid Smaling dat beoogt een oplossing te bieden voor het geconstateerde probleem met de revisievergunning

Dossier: Regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)

Gepubliceerd: 19 juni 2015
Indiener(s): Eric Smaling
Onderwerpen: ruimte en infrastructuur ruimtelijke ordening
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33962-102.html
ID: 33962-102
Wijzigingen: 33962-114

Nr. 102 AMENDEMENT VAN HET LID SMALING

Ontvangen 19 juni 2015

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel 5.41 komt te luiden:

Artikel 5.41

  • 1. Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van één of meer activiteiten en met betrekking tot deze activiteit of activiteiten al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, kan het bevoegd gezag bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering.

  • 2. Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, besluit het aanvragen met betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking hebben, niet te behandelen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende omgevingsvergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 5.37 of 5.38.

  • 4. Een met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder met betrekking tot de betrokken activiteiten verleende omgevingsvergunningen. Deze omgevingsvergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning, onherroepelijk wordt.

Toelichting

De indiener beoogt met dit amendement een oplossing te bieden voor het geconstateerde probleem met de revisievergunning namelijk het aanpassen van het systeem van de Omgevingswet en het oude systeem van veranderingsvergunning/revisievergunning terugbrengen. Samen met de invoering van een systeem dat de bedrijven verplicht om de aanvraag te allen tijde actueel te houden wordt een lastenverlichting bereikt én wordt geborgd dat bedrijven altijd voldoen aan nieuwe regelgeving.

Geconcludeerd kan worden dat met de introductie van een ambtshalve revisievergunning voor alleen administratieve samenvoeging van een stapeling gerelateerde vergunningen, zoals nu is opgenomen in de Omgevingswet, het efficiënt up-to-date houden van het vergunningenbestand in lijn met BBT, in de weg staat. In dit amendement wordt daarom voorgesteld de revisievergunning zoals die nu in de Wabo is opgenomen te behouden, zodat die het bevoegd gezag de mogelijkheid wordt geboden om bij een aangevraagde veranderingsvergunning een aanvraag om revisievergunning af te dwingen. Samen met een nieuwe, digitale, aanpak om vergunningen te actualiseren, resulteert dit in lastenverlichting van overheid én bedrijfsleven.

Het probleem

Op grond van het huidige artikel 2.6 Wabo kan het bevoegd gezag een revisievergunning verlangen indien een veranderingsvergunning is aangevraagd en al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een onoverzichtelijk vergunningenbestand. Indien een bedrijf geen veranderingsvergunning indient, kan een aanvraag om een revisievergunning door het bevoegd gezag niet worden afgedwongen. Op grond van de Wabo is het bevoegd gezag verplicht «regelmatig» (bij IPPC-bedrijven: binnen vier jaar na een nieuwe BREF) te onderzoeken of de vergunning nog voldoende actueel is en voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT). Indien nodig past de overheid de vergunningvoorschriften aan, waarbij de wet toestaat de grondslag van de vergunningaanvraag los te laten.

De wet geeft daarbij aan dat er door het bevoegd gezag gegevens van het bedrijf kunnen worden afgedwongen om de vergunningvoorschriften te kunnen aanpassen. Het bevoegd gezag kan echter geen gegevens afdwingen om de actualisatie (BBT-)toets te kunnen uitvoeren, terwijl juist daarvoor de gegevens het hardste nodig zijn. Waarom deze keus bij de invoering van de Wabo is gemaakt is enigszins onduidelijk, omdat het afdwingen van gegevens nu beschouwd kan worden als mosterd na de maaltijd.

Voor het uitvoeren van de BBT-toets is het bevoegd gezag dus afhankelijk van de welwillendheid van het bedrijf om mee te werken, ofwel zal zelf de gegevens voor de BBT-toets moeten achterhalen. Dat is voor het bevoegd gezag zo goed als onmogelijk, omdat het de niet alle benodigde kennis in huis heeft van de details van het bedrijf om alle zaken op de juiste wijze en op waarde te kunnen schatten. Deze kennis heeft alleen het bedrijf zelf. Onder andere hierdoor is het uitvoeren van een BBT-toets een ingewikkelde en tijdrovende en dus kostbare zaak.

De enige mogelijkheid die nu bestaat in de Wabo om achter deze gegevens te komen is gebruik te maken van het bestaande (aangepaste) artikel 2.6 Wabo, namelijk om bij een aangevraagde veranderingsvergunning een aanvraag revisievergunning af te dwingen. Deze constructie geeft mogelijk de indruk dat hiermee misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van de Wabo, maar ook de Raad van State begrijpt de noodzaak van deze constructie en heeft deze toegestaan. Door het toepassen van deze constructie blijft de verantwoordelijkheid voor het aanleveren en toetsen van de stand van zaken van een bedrijf waar deze hoort, namelijk bij het bedrijf zelf.

De Omgevingswet

De Omgevingswet heeft bovenstaande aangepast. In de Omgevingswet staat in artikel 5.36 de actualiserings/BBT-toets genoemd, inclusief de actualisatie naar aanleiding van de BREF-documenten. Voor wat betreft gegevensverstrekking door een bedrijf zal de lijn uit de Wabo worden voortgezet, waarbij alleen voor het wijzigen van de vergunningvoorschriften gegevens kunnen worden afgedwongen, maar niet voor de BBT-toets zelf. Wel is duidelijk dat de constructie via artikel 2.6 Wabo (veranderingsvergunning wordt revisievergunning) wordt geblokkeerd, omdat er in de Omgevingswet geen vergelijkbaar artikel terug zal komen. In artikel 5.41 Omgevingswet bestaat slechts nog de mogelijkheid dat een bedrijf zelf een revisievergunning aanvraagt, ofwel dat het bevoegd gezag ambtshalve een revisievergunning verleent.

Deze ambtshalve revisievergunning mag volgens de Omgevingswet geen inhoudelijke wijzigingen inhouden van de vergunning, het is slechts een administratieve samenvoeging van een stapeling van gerelateerde vergunningen (nietje). Eerder verkregen rechten van het bedrijf kunnen daarbij overigens volgens de memorie van toelichting niet worden aangetast. Omdat er expliciet staat dat een ambtshalve vergunning wordt verleend en er dus geen mogelijkheid bestaat ambtshalve een aanvraag voor een revisievergunning af te dwingen, kunnen via deze lijn derhalve ook geen gegevens worden gevraagd van een bedrijf. Dat betekent dat in de nieuwe situatie het bevoegd gezag op geen enkele wijze gegevens van een bedrijf kan afdwingen om te kunnen toetsen of het bedrijf voldoet aan de BBT. Dat wordt een volledige verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

Geconstateerde strijd met uitgangspunten Omgevingswet

Het vorenstaande is in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingswet en Eenvoudig Beter, waarbij de verantwoordelijkheid zoveel mogelijk wordt neergelegd bij het bedrijf zelf, dus ook de verantwoordelijkheid voor het actueel en BBT-proof zijn van de inrichting. Dat ligt in voorliggend wetsvoorstel bij het bevoegd gezag, die, zoals eerder beschreven, nooit in staat zal zijn de volledige actuele staat van een inrichting op al zijn merites te beoordelen.

Overigens wordt hiermee tevens een opvallende afwijking van art. 5 BRZO geconstateerd, waar de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de toereikendheid (principieel) berust bij het bedrijfsleven. De overheid wordt hierdoor met de bewijslast opgezadeld. Het bedrijf is ook niet verplicht een nieuwe aanvraag in te dienen: de overheid is verplicht om de desbetreffende voorschriften te wijzigen. Daarbij dient te worden bedacht dat de Richtlijn Industriële Emissies, die uitvoering geeft aan de IPPC, lidstaten opdraagt dat vergunningen na maximaal vier jaar in overeenstemming zijn met een nieuw vastgestelde Bref. Hierdoor zal de overheid worden belast met ingrijpende onderzoeks- en implementatielasten.

Systeem «altijd actuele» vergunning

Met de huidige ICT mogelijkheden zou het mogelijk moeten zijn om het actualiseren van aanvragen en vergunningen anders aan te pakken. Kan een bedrijf niet beter worden verplicht om de aanvraag te allen tijde actueel te houden, zodat voorkomen wordt dat op gezette tijden er een grote inspanning met veel kosten nodig is om een geheel nieuwe aanvraag in te dienen. Het bevoegd gezag kan dan op basis van «altijd actuele» aanvraag de vergunning actueel houden en nieuw beleid via actualisaties doorvoeren.

Smaling