Kamerstuk 33962-100

Waardering van de ingediende amendementen op het wetsvoorstel Omgevingswet

Dossier: Regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)

Gepubliceerd: 17 juni 2015
Indiener(s): Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD)
Onderwerpen: ruimte en infrastructuur ruimtelijke ordening
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33962-100.html
ID: 33962-100

Nr. 100 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juni 2015

Hierbij ontvangt u, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Minister en Staatssecretaris van Economische Zaken, conform mijn toezegging in het wetgevingsoverleg van 8 juni, de waardering van de ingediende amendementen op het wetsvoorstel Omgevingswet.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 10

Indieners: Dik-Faber / Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 16.45

Het ingediende amendement heeft tot strekking dat het toetsingsadvies van de Commissie voor de mer bij een project-mer altijd verplicht is. In mijn visie is het bevoegd gezag echter primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van het besluit en daarmee ook voor het MER dat voor een besluit wordt gemaakt. Juist bij projecten kan het bevoegd gezag het beste inschatten wanneer een advies van de Commissie voor de mer nodig is om de kwaliteit van het MER bij projecten te versterken. Een verplicht advies zorgt voor meer administratieve en bestuurlijke lasten en is bovendien een kop op de Europese regels. Het amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 15

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 2.17

Met het amendement wordt in de wettekst opgenomen dat het waterschap binnen de uitoefening van zijn taken (beheer van watersystemen, zuivering van stedelijk afvalwater) tevens bevoegd is om energie op te wekken en grondstoffen terug te winnen uit afvalwater. Deze taken dragen bij aan een duurzame en doelmatige invulling van de taken van waterschappen. Er zijn geen wettelijke belemmeringen voor deze activiteiten. Dat dit mogelijk is heb ik u eerder laten weten in mijn brief van 26 april 2013.1 Deze conclusie is bevestigd in het onderzoeksrapport «Juridische handreiking duurzame energie en grondstoffen waterschappen», dat is opgesteld in opdracht van onder andere de Unie van Waterschappen. Het is niet nodig om dit nog eens te benadrukken. Het amendement is daarom overbodig.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 17

Indiener: De Rouwe

t.a.v. artikel 16.5

Met dit amendement wil de indiener duidelijk maken dat gebruik gemaakt kan worden van bodemrapporten die ouder zijn twee jaar, mits die actueel zijn. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat gegevens die nog actueel zijn hergebruikt kunnen worden, ook als de gegevens ouder zijn dan twee jaar. Het amendement is in het bijzonder gericht op gegevens over de kwaliteit van de bodem. Door een aparte regeling voor bodem in het wetsvoorstel op te nemen, kan het ten onrechte lijken dat andere actuele gegevens ouder dan twee jaar niet hergebruikt kunnen worden. Het amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 18

Indiener: De Rouwe

t.a.v. artikelen: 2.19 en 2.28

Door dit amendement krijgt de Minister van IenM een wettelijke coördinerende taak voor recreatieve verbindingen. Daarnaast komen er door dit amendement verplichte instructieregels over recreatieve verbindingen, waaronder de grensoverschrijdende verbindingen. Het Rijk kan conform artikel 2.3 alleen treden in de taken en bevoegdheden van gemeenten als er sprake is van een nationaal belang dat niet doelmatig en doeltreffend door de decentrale overheden kan worden behartigd. Het amendement impliceert dat het behoud en de verbetering van de recreatieve infrastructuur een nationaal belang zou zijn. Ik zie echter bij de recreatieve routenetwerken slechts een heel beperkt nationaal belang, namelijk landelijke routenetwerken. Dat belang kunnen decentrale overheden doelmatig en doeltreffend behartigen. Ik zie in lijn met het subsidiariteitsprincipe geen reden om op nationaal niveau regels over dit onderwerp te stellen. Ik ontraad het amendement dan ook.

Wel heb ik over een aantal beleidsmatige taken die bij het Rijk liggen in het notaoverleg over de initiatiefnota «Een stap vooruit» toezeggingen gedaan (Kamerstuk 33 888, nr. 14). Toegezegd is onder andere dat de MIRT-rapportage zal ingaan op wandel- en fietsbeleid en dat in het MIRT-projectenoverzicht een onderdeel over langzaam verkeer komt.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 19

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 3.2

Dit amendement regelt dat in artikel 3.2 wordt opgenomen dat in een omgevingsvisie ook de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving moet worden beschreven. Ik ben het eens met het feit dat er geen visie gemaakt kan worden zonder de huidige situatie te beschouwen. Naar mijn mening volgt dit al uit de huidige wetteksten, maar er kan voor gekozen worden om dit expliciet te regelen. Ik ondersteun het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 20

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 2.4

Het amendement schrapt de mogelijkheid voor een gemeente om binnen het grondgebied meerdere omgevingsplannen vast te stellen. Het eindbeeld is dat er per gemeente voor het gehele grondgebied maximaal één omgevingsplan geldt. Het artikel in het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat er meerdere omgevingsplannen worden vastgesteld, zou louter voor een overgangsperiode gelden. Ik ben het er mee eens dat deze bepaling thuishoort in het overgangsrecht. Ik ondersteun het amendement en ga met de VNG en andere betrokkenen bespreken of een dergelijke bepaling zou moeten terugkomen in de Invoeringswet.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 28

Indieners: Van Veldhoven / Dik-Faber

t.a.v. artikel: 16.35a

Dit amendement zorgt voor verplichte kennisgeving van het voornemen van het voorbereiden van een mer-plichtig plan of programma en stelt een ieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen. Hiermee wordt beoogd de participatie te verbeteren. Participatie in een vroegtijdig stadium is inderdaad belangrijk voor een goede besluitvorming. Ik zet in op versterken van participatie, niet alleen gericht op de mer maar voor het gehele plan of besluit. Daarbij een participatieverplichting alleen gericht op de mer, is dubbelop en leidt tot extra procedurestappen. De participatie die plaatsvindt bij het plan of project, levert natuurlijk ook informatie op voor het MER, zoals te onderzoeken alternatieven. Een tweede bezwaar tegen dit amendement is dat in het wetsvoorstel is geregeld dat participatie plaatsvindt, maar niet hoe. Dit amendement regelt ook hoe dat moet gebeuren (zienswijzen op de notitie reikwijdte en detailniveau voor het MER). Dat is echter maatwerk en wil ik niet wettelijk vastleggen. Het amendement bevat ook een bepaling voor vrijwillig advies bij de Commissie voor de mer. Dit kan echter altijd, ook zonder een wettelijke regeling. Het amendement wordt ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 29

Indieners: Van Tongeren c.s. (Dik-Faber, Van Veldhoven)

t.a.v. artikel: 17.5

Met dit amendement wordt de onafhankelijke positie van de personen die advies uitbrengen binnen de Commissie voor de mer geregeld op wetsniveau. Het is vanzelfsprekend dat de onafhankelijkheid van de Commissie goed geregeld zal worden. Ik wil dit doen met dezelfde inhoud als nu in de Wet milieubeheer is opgenomen. Zo zal o.a. geregeld worden dat te benoemen deskundigen niet ook al betrokken zijn bij een project of plan waarover de Commissie advies uitbrengt. Regeling bij AMvB sluit aan bij de regels over andere adviesorganen die ook bij AMvB worden geregeld. Een wens van uw Kamer om dit vanwege het belang van de Commissie voor de mer te waarborgen op wetsniveau, stuit echter niet op grote bezwaren. Daarom laat ik dit amendement aan het oordeel van de Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 31

Indiener: Ronnes

t.a.v. artikel: 2.3 (en 5.10, 5.11, 5.44 en 19.8).

Het amendement beoogt te bewerkstelligen dat de provincies en het Rijk niet «zomaar» vanwege een provinciaal of rijksbelang een taak of bevoegdheid kunnen uitoefenen en daarmee kunnen ingrijpen op de gemeentelijke of provinciale bevoegheidsuitoefening. Daarom wordt voor «nationaal belang» en «provinciaal belang» steeds «aanmerkelijk» gevoegd. In het wetsvoorstel is uitdrukkelijk aangegeven dat de zorg voor de fysieke leefomgeving in de eerste plaats bij de gemeenten ligt. Gemeenten hebben daarbij veel ruimte om te doen wat nodig is. Ook het Rijk en de provincies hebben echter een rol in de zorg voor de fysieke leefomgeving. Naast de wettelijke taken hebben zij daarbij zelfstandig beleidsruimte om te bezien welke onderwerpen hun aandacht vergen, gezien de actuele ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Bij het opstellen van de Wro had men niet kunnen voorzien dat de wet later ingezet zou worden voor problematiek rond overcapaciteit en krimp. Zo kunnen we ook nu niet volledig voorzien welke bovenlokale doelen onder de Omgevingswet aandacht vergen van het Rijk of de provincie. Daarbij is het subsidiariteitsbeginsel leidend. Dat beginsel is opgenomen in artikel 2.3. De formulering van artikel 2.3 dwingt de provincies en het Rijk nog meer dan nu het geval is, tot een terughoudende inzet van de bevoegdheden richting gemeenten en provincies. De VNG en het IPO hebben goede afspraken gemaakt over de onderlinge verhouding en de vraag wanneer er sprake is van een nationaal belang. Deze worden doorkruist door dit amendement. Het amendement wordt om die reden ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 32

Indiener: Ronnes

t.a.v. artikel: 4.2

Met dit amendement wordt voorgesteld om in het wetsvoorstel een regel toe te voegen waarin wordt bepaald dat de regels in een omgevingsplan alleen om dringende redenen de meest doelmatige functie van een locatie mogen beperken. Bij het maken van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), werd al geconstateerd dat zo’n bepaling niet meer nodig is. Ik heb ook geen signalen gehad dat een dergelijke bepaling de afgelopen jaren gemist is. Het belang van een «goede ruimtelijke ordening» voorkomt al dat er zonder dringende redenen beperkingen worden opgelegd. Onder de Omgevingswet wordt gesproken van een «evenwichtige toedeling van functies aan locaties», waarvoor hetzelfde geldt. Het toevoegen van deze norm is overbodig en zou onbedoeld aanleiding kunnen geven tot rechtsvragen en juridificering. Om die redenen ontraad ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 33

Indieners: Pechtold / Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 4.28

Het amendement beoogt in de wet te verduidelijken dat naast de bij AMvB te stellen regels die er op gericht zijn om beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed te voorkomen, ook regels worden gesteld die gericht zijn op de instandhouding van monumenten. De rijksmonumenten in Nederland zijn over het algemeen in goede staat. Dat is uiteraard in eerste instantie de verdienste van vele, zeer bij hun monument betrokken, eigenaren. Ook komt het door het systeem van instandhoudingssubsidies. Dankzij recente jurisprudentie is het nu ook helder dat zowel actieve als passieve verwaarlozing van rijksmonumenten kan worden tegen gegaan. Dat zal onder de Omgevingswet niet veranderen. Ik zie het amendement als codificatie van die jurisprudentie.

Inmiddels is de Erfgoedwet met algemene stemmen aangenomen. Daarbij is ook een amendement aanvaard dat aan de Monumentenwet 1988 een verbod toevoegt om onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding van een monument noodzakelijk is2. Het is van belang dat de verplichting van eigenaren om te voldoen aan de instandhoudingsplicht proportioneel is en ook op die manier wordt gehandhaafd. Een gemeente mag niet al op de stoep staan bij elk likje verf dat ontbreekt. Wel zie ik ruimte voor het terughoudende criterium zoals geformuleerd in het genoemde amendement dat bij de Erfgoedwet is aanvaard. In die redactie zie ik goede mogelijkheden om dit amendement bij AMvB uit te werken. Ik laat het oordeel aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 34

Indieners: Dik-Faber / Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 5.46

Dit amendement gaat over initiatieven van derden. Het amendement is veelomvattend. Ik deel de mening van de indieners van dit amendement dat alternatieven door derden serieus moeten worden bekeken. Een extra motiveringsplicht is echter dubbelop. Het is al verplicht om te motiveren hoe met alle alternatieven is omgegaan. Welke deskundigheid nodig is voor advies over burgeralternatieven, is vooral maatwerk. Ik wil niet regelen bij wie advies gevraagd kan worden. De Commissie voor de mer is niet altijd geschikt, initiatieven kunnen aspecten bevatten die buiten de werkingssfeer van de commissie liggen. Bovendien is de rol van de commissie bij projecten een andere. Het amendement regelt ook ondersteuning van de initiatiefnemer door het bevoegd gezag. Als een burgerinitiatief wordt omarmd moeten de rollen daarna echter weer zuiver zijn. Ik vind het niet juist dat het bevoegd gezag verplicht wordt een privaat initiatief te ondersteunen bij het uitwerken. Het amendement wordt dan ook ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 35

Indieners: De Vries / Veldman

t.a.v. artikel: 2.2, derde lid

Het amendement dwingt tot de «minst belastende interventie» op het moment dat bestuursorganen in de bevoegdheden van andere bestuursorganen treden, bijvoorbeeld bij het geven van instructieregels of instructies. Het voorstel benadrukt daarmee iets wat past bij het gedachtegoed van de wet. Een bestuursorgaan moet bij zijn bevoegdheidsoefening niet verder gaan dan strikt nodig. Dit past bij het principe «decentraal tenzij» en het proportionaliteitsbeginsel die al in artikel 2.3 zijn verankerd. Deze principes worden door dit amendement in de wet extra te benadrukt. Ik laat het oordeel hierover aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 37

Indieners: De Vries / Veldman

t.a.v. artikel: 2.2, eerste lid

Het amendement bepaalt dat bestuursorganen zo nodig met elkaar afstemmen. Ik vind het vanzelfsprekend dat dit gebeurt en het past ook bij de verplichting in het wetsvoorstel dat bestuursorganen rekening moeten houden met elkaars belangen. Het amendement is daarom niet nodig maar het past wel in de lijn van het wetsvoorstel. Ik laat het oordeel aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 39

Indiener: De Vries

t.a.v. artikel: 16.53

Dit amendement neemt in artikel 16.53 een aanvraagvereiste voor initiatiefnemers op dat inhoudt dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning gegevens over participatie en overleg met derden worden verstrekt. Dit past bij bevorderen dat participatie plaatsvindt, maar laat het vrij op welke manier participatie plaatsvindt. Dit kan ook expliciet in het wetsvoorstel opgenomen worden. Het amendement wordt ondersteund.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 40

Indieners: De Vries / Veldman

t.a.v. artikel: 23.3, derde lid, onder i

In het amendement wordt voorgesteld dat regels worden gesteld over de wijze en de frequentie van de monitoring en evaluatie van experimenten. Ik vind het belangrijk dat van experimenten kan worden geleerd en vastgesteld kan worden of ze leiden tot een betere kwaliteit van de leefomgeving. Evaluatie is daarvoor belangrijk. Ook tussentijdse monitoring kan zinvol zijn, om te kijken of het experiment de goede kant op gaat of dat extra maatregelen nodig zijn. Het ingediende amendement draagt hieraan bij. Om die reden ondersteun ik het amendement

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 41

Indieners: Van Veldhoven / Dik-Faber

t.a.v. artikel: paragraaf 16.4.3

Dit amendement beoogt regels over de mer-evaluatie voor plannen, programma’s en projecten in het wetsvoorstel op te nemen. Dit type regels past het beste in een AMvB. De in de smb-richtlijn verplichte evaluatie voor plannen en programma’s zullen daar dan ook worden opgenomen. De regels over de evaluatie bij projecten komen voort uit de mer-richtlijn. Deze is pas gewijzigd. Vanzelfsprekend moeten de regels hier op aansluiten. De implementatie van die wijzigingsrichtlijn vindt plaats via de wijziging van de Wet milieubeheer. Om te zorgen voor tijdige implementatie moet dit geregeld worden voordat de Omgevingswet in werking treedt. Ik wil nu niet vooruitlopen op deze wijziging die apart in uw Kamer besproken zal worden. De uitkomsten van het debat hierover worden via de invoeringsregelgeving in de nieuwe omgevingswetgeving opgenomen. Het amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 45

Indiener: Smaling

t.a.v. artikelen: onder andere 5.30a

Dit amendement wil ervoor zorgen dat een vergunning altijd kan worden geweigerd op basis van gezondheidsredenen. De vergunningen waarbij gezondheid en voorzorg relevant zijn, kunnen al geweigerd worden op basis van gezondheidsrisico's. Een goede motivering is daarbij doorslaggevend. De gemeente kan hiervoor een onafhankelijk adviesorgaan zoals het RIVM inschakelen. Het amendement verbreedt dit naar alle andere vergunningen waar gezondheid niet relevant is. Het zorgt daarmee voor onnodige vertraging, onderzoekslasten en rechtsonzekerheid. Om die reden wordt het amendement ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 47

Indieners: Dik-Faber / Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 16.41

Met dit amendement wordt een meer procedurele uitwerking voor de mer-beoordeling opgenomen in het wetsvoorstel. Het oordeel van de indieners dat er, onder andere op basis van de Europese richtlijn nog procedure-eisen nodig zijn is juist. Zoals aangegeven wordt de Europese richtlijn via een wijziging van de Wet milieubeheer geïmplementeerd en wordt dit daarna opgenomen in de Omgevingswet. Hier wil ik niet op vooruitlopen. Het amendement bevat ook een apart besluit over de mer-beoordeling. De beslissing over de mer-beoordeling maakt nu onderdeel van het besluit over bijvoorbeeld de vergunning. Dat is overzichtelijk en het scheelt een aparte procedurestap. Daarom ontraad ik dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 48

Indieners: Van Veldhoven / Dik-Faber

t.a.v. artikel: 16.43

Dit amendement legt – door het mogelijk maken van het indienen van zienswijzen – vast hoe participatie bij de mer moet plaatsvinden. Er zijn twee redenen, (die ook eerder in deze brief zijn genoemd bij amendement met Kamerstuk 33 962, nr. 28) waarom ik hier geen voorstander van ben. Ten eerste moet er geen aparte participatie plaatsvinden bij het MER, maar moet dit onderdeel zijn van de procedure over het besluit zelf. Ten tweede houdt de verplichting om zienswijzen te vragen geen rekening met mogelijk maatwerk voor andere vormen van participatie. Hier wordt niet vastgelegd dat participatie moet plaatsvinden, maar hoe het moet plaatsvinden. Het amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 49

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 4.19

De gemeenteraad moet al volgens het wetsvoorstel beleidsregels vaststellen zodat vooraf duidelijk is wat met regels over het uiterlijk van bouwwerken wordt bedoeld. Dit amendement breidt dit uit tot de hele fysieke leefomgeving. Ik vrees dat dit amendement gaat leiden tot veel misverstanden en juridische procedures. In praktische zin is het begrip «uiterlijk van de fysieke leefomgeving» niet werkbaar. Omgevingskwaliteit gaat niet alleen gaat over bouwwerken, maar ook over de inrichting van de openbare ruimte en de stedenbouwkundige structuur. De vraag is echter over welke regels dit dan gaat: regels over het uiterlijk van een boom, het uiterlijk van een weg of het uiterlijk van een plantsoen? Het amendement roept dus onduidelijkheid op en vergroot bovendien de bestuurlijke lasten. Omdat ook in de praktijk geen probleem wordt ervaren ontraad ik dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 51

Indieners: Van Veldhoven / Ronnes

t.a.v. artikelen: 1.2, 2.1 en bijlage

Het amendement voegt recreatieve infrastructuur en het beheer ervan expliciet toe aan twee artikelen. Recreatieve infrastructuur is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving en het beheer ervan is een relevante taak voor de decentrale overheden. Het is echter niet nodig, zelfs verwarrend, om naast een algemene categorie «infrastructuur» ook een categorie «recreatieve infrastructuur» in de wet op te nemen. Het leidt niet tot eenvoudig betere wetgeving als we algemene artikelen belasten met specifieke belangen. Ik geef de indieners in overweging het amendement aan te passen. Een elegantere oplossing zou zijn om recreatieve infrastructuur expliciet te noemen in de definitie van infrastructuur. Het amendement wordt in deze vorm ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 52

Indiener: Van Tongeren

t.a.v. artikel: 3.18

Dit amendement neemt expliciet in het wetsvoorstel op dat belanghebbenden kunnen verzoeken een programma met programmatische aanpak te wijzigen. Dat kan echter al, ook bij andere instrumenten. Door dit expliciet op te nemen bij programmatische aanpak, lijkt het of dat bij andere instrumenten niet kan. Dit leidt tot onduidelijkheid. Het amendement wordt ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 53

Indiener: Van Tongeren

t.a.v. artikel: 23.5

Dit amendement is geïnspireerd op de zware nahangprocedure in de Wet milieubeheer voor milieukwaliteitseisen. Die is tot nu toe nooit volledig toegepast. De procedure is van toepassing als de AMvB is vastgesteld. Dus als de hele totstandkomingsprocedure van de AMvB is doorlopen. Een kleine minderheid van een vijfde van de kamerleden kan op dat moment nog verzoeken het onderwerp in de wet te regelen.Dan moet de AMvB worden ingetrokken en een wetsvoorstel worden voorbereid. Deze nahangprocedure leidt niet zo zeer tot een inhoudelijk debat, maar tot een dubbele procedure en uitstel. Om die reden ontraad ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 55

Indieners: Dik-Faber

t.a.v. artikelen: opschrift afdeling 23.4 en artikel 23.7a (nieuw)

Dit amendement regelt een wettelijke evaluatieverplichting na 5 jaar en 10 jaar. Ik heb toegezegd dat er na 5 jaar een evaluatie wordt verricht. Het amendement legt die toezegging vast in de wet.

Het amendement voegt daar 10 jaar aan toe. Een vervolgevaluatie kan ook nuttig zijn. Ik ondersteun het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 56

Indieners: Van Tongeren / Dik-Faber

t.a.v. artikel: 1.3, onder a.

Het amendement beoogt te benadrukken dat de ambitie die blijkt uit artikel 21 van de Grondwet – «het verbeteren van het leefmilieu» – doorklinkt in de Omgevingswet en legt dit vast in artikel 1.3 onder a. Niemand zal ontkennen dat er nog verbeteringen nodig zijn in de fysieke leefomgeving. Ik heb die ambitie dan ook opgenomen in artikel 1.3 dat spreekt over «bereiken» (we zijn er dus nog niet). De voorgestelde formulering is dubbelop: «het verbeteren van een veilige leefomgeving, het verbeteren van een gezonde leefomgeving, het verbeteren van een goede omgevingskwaliteit...». Artikel 21 uit de Grondwet luidt: «De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land én de bescherming en verbetering van het leefmilieu.» Het is niet evenwichtig om hieruit slechts één sociaal grondrecht te citeren. Het amendement onder nummer 71 vind ik evenwichtiger. Ik ontraad daarom dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 58

Indiener: Bisschop

t.a.v. artikel: 2.15

Het amendement bepaalt dat waterveiligheidsnormen voor primaire waterkeringen gebaseerd worden op een overlijdenskans van 1:100.000. Ik bereid een wijziging van de Waterwet voor, waarmee de normen uit het Deltaprogramma worden vastgelegd. Door deze wijziging kunnen de normen tijdig in werking treden voor de volgende toetsronde. Ik ben voornemens het voorstel voor de wijziging van de Waterwet voor het eind van het jaar bij uw Kamer in te dienen. Uitgangspunt bij die wijziging is inderdaad een overlijdenskans als gevolg van een overstroming van maximaal 1:100.000 per jaar. Ik bereid ook de Invoeringswet voor waarbij u bij de behandeling uw eindoordeel kunt geven over het regelen op wetsniveau of AMvB-niveau. Dat is conform het advies van de Raad van State. Het amendement loopt dus vooruit op twee andere wetstrajecten. Gezien de fase waarin het nu wordt ingediend, ontraad ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 60

Indiener: Smaling

t.a.v. artikel: 16.19a

Het amendement beoogt de watertoets te verankeren in de wet. De huidige watertoets omvat een overlegverplichting en een motiveringsverplichting bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen. Ik ben van plan om de watertoets om te vormen tot een inhoudelijke verplichting, in de vorm van een instructieregel in het voorgenomen Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat versterkt de werking van de watertoets. Die inhoudelijke regel schrijft ook voor dat de opvattingen van de waterbeheerder moeten worden betrokken. Dat zal tot overleg leiden. Het amendement leidt er toe dat een overlegverplichting en een motiveringsverplichting in de wet worden opgenomen. Dit past niet in het stelsel van de Omgevingswet. Ik wil zo min mogelijk overlegverplichtingen tussen overheden vastleggen. Ik ga uit van vertrouwen en ga normaal bestuurlijk gedrag niet vastleggen. Bovendien hebben we het bestuursakkoord water, waar afspraken zijn gemaakt. Ik ontraad daarom het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 62

Indiener: De Vries

t.a.v. artikelen: 16.63

Door dit amendement wordt voorgesteld om expliciet te bepalen dat ter uitvoering van het Verdrag van Aarhus activiteiten worden aangewezen waarvan de omgevingsvergunning wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb. Besluiten over bepaalde activiteiten zullen inderdaad worden voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Awb. Op die manier is brede inspraak gegarandeerd. Het gaat onder meer om activiteiten als bedoeld in het Verdrag van Aarhus. Die zullen bij AMvB worden aangewezen, zoals ik ook heb aangegeven in de contourenbrief over uitvoeringsregelgeving. Dit amendement zorgt ervoor dat dat ook zichtbaar is in de wet. Dit sluit aan bij andere artikelen in het wetsvoorstel, waarin internationale verdragen en Europese richtlijnen worden genoemd. Ik ondersteun het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 63

Indieners: Ronnes

t.a.v. artikelen: 2.28

Het amendement vereist dat het toekennen van archeologische (dubbel)functies in het omgevingsplan gebeurt op basis van accurate gegevens over archeologische trefkansen. Dat voorkomt onnodige onderzoekslasten. De Minister van OCW en ik delen het streven naar een efficiënte en wetenschappelijk onderbouwde archeologie. Dat geldt ook omgekeerd. Ook het aantonen van afwezigheid van archeologie moet zorgvuldig en wetenschappelijk onderbouwd gebeuren. Immers waar archeologie wél aanwezig is, willen we daar ook op een goede manier mee omgaan. Dit amendement is een bevestiging van de lijn die blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. Er is wel een nuance te plaatsen bij de toelichting. Die spreekt over «statistische methoden». Het is inderdaad van belang om de trefkans op archeologische vondsten wetenschappelijk te onderbouwen, zodat deze niet te grofmazig wordt vastgesteld. De toepassing van statistische methoden leidt ertoe dat informatie op een correcte manier wordt vertaald in verwachtingen (trefkansen). Zo’n wetenschappelijk onderbouwde trefkans leidt tot een zorgvuldig plan, zonder nodeloze verplichtingen voor de verstoorders. Met deze technische kanttekening ondersteun ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 64

Indieners: De Vries / Dik Faber

t.a.v. artikelen: 4.21

Het amendement regelt dat de regering daadwerkelijk dient te voorzien in rijksregels die toegankelijkheid van nieuw te realiseren bouwwerken en de directe omgeving daarvan vanaf de openbare weg regelen. Op dit moment bevat het Bouwbesluit 2012 al regels omtrent de fysieke toegankelijkheid van gebouwen. Ook zijn er regels in het Bouwbesluit 2012 over de toegankelijkheid van de route tussen de openbare weg en de toegang van het gebouw. Deze regels zullen ook worden opgenomen in het nieuwe Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit kan benadrukt worden door op deze manier een concrete opdracht in het tweede lid van artikel 4.21 op te nemen. Ik kan dit amendement ondersteunen.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 65

Indieners: De Vries / Van Veldhoven

t.a.v. artikelen: 2.1, derde lid, 2.27

Het amendement beoogt het belang van «het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening» te benadrukken door toevoeging aan de opsomming van artikel 2.1, derde lid. De openbare drinkwatervoorziening is geborgd met een eigen wet – de Drinkwaterwet. Die wet regelt dat bestuursorganen zorg dragen voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Dit geldt als een dwingende reden van groot openbaar belang bij het uitoefenen van hun bevoegdheden. Deze bepalingen gelden ook voor de toepassing van de Omgevingswet. In de Omgevingswet is dit belang onder meer geborgd door de taken van de provincies en het Rijk voor de bescherming van drinkwaterbronnen vast te leggen. Alhoewel invoeging van het drinkwaterbelang wettechnisch niet nodig is, kan ik meevoelen met de indieners van het amendement dat het voor de uitvoering van de genoemde overheidstaken duidelijkheid biedt om het belang van drinkwater ook in artikel 2.1 van de Omgevingswet te onderstrepen. Ik laat oordeel aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 66

Indiener: Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 23.3

Dit amendement schrapt de mogelijkheid om afwijkingen na afloop van een experiment toe te staan. Uiteraard is het de bedoeling dat aan de normale regelgeving wordt voldaan als een experiment wordt beëindigd. Er kunnen echter onderdelen van het experiment zijn waarvoor het bijvoorbeeld zeer kostbaar of niet nodig is om het hele experiment in overeenstemming met de bestaande regelgeving te brengen. Dat zijn echter wel uitzonderingssituaties. Het gaat bijvoorbeeld om een huis met nieuwe bouwmaterialen, die niet voldoende innovatief blijken. Het is dan niet redelijk en niet nadelig voor de leefomgeving om te eisen het huis af te breken. De bepaling, die met het amendement geschrapt zou worden, ziet op dergelijke situaties. Ik wil de mogelijkheid echter graag behouden en ontraad het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 67

Indiener: Veldman

t.a.v. artikel: 13.1a (nieuw)

Het amendement regelt dat de wet het mogelijk maakt dat bij AMvB de maximumhoogte van de tarieven voor vergunningen en andere heffingen inzake de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van deze wet kunnen worden vastgelegd. Vanuit vertrouwen en subsidiariteit ligt het primaat van de regeling van de tarieven van leges bij de overheden die het aangaan. Bovendien waarborgt de wet dat voor leges kostendekkendheid uitgangspunt is. Het kabinet deelt het uitgangspunt dat een goede en transparante opbouw van leges belangrijk is. Mijn ambtgenoot van BZK werkt daartoe, samen met VNG en IPO, aan vernieuwde regels. Voor de invulling van de AMvB op dit punt zal daarom goede afstemming plaatsvinden met mijn ambtsgenoot van BZK. Hoewel ik er van uitga dat de betrokken overheden hun verantwoordelijkheid ter zake nemen, heb ik gezien de argumentatie bij het amendement wel begrip voor deze wettelijke stok achter de deur. Ik laat daarom het oordeel over dit amendement aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 68

Indiener: Veldman

t.a.v. artikelen: 2.23 en 2.25

Het amendement verplicht het Rijk en de provincies om bij hun instructieregels duidelijk te maken in welke bijzondere situaties een bredere belangenafweging mogelijk is. Bij bijzondere situaties denk ik aan transformatie van bedrijvengebieden of wonen in hoogstedelijk gebieden. Het amendement benadrukt ook dat de beoogde regeling er alleen is voor bijzondere situaties. Ik acht een dergelijke regeling zinvol. Natuurlijk dient deze te passen binnen de doelen van de wet en te voldoen aan Europese spelregels. Ook zal deze regeling duidelijk te onderscheiden moeten zijn van een eventuele mogelijkheid om ontheffing van de instructieregels te kunnen verlenen. De precieze vormgeving van deze regeling ga ik nog bekijken, en ik kom hier nog over te spreken met uw Kamer bij de behandeling van de AMvB’s. Ik ondersteun het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 70

Indiener: De Vries

t.a.v. artikel: 23.5a (nieuw)

Het amendement bepaalt dat de beginselen ook van toepassing zijn op de AMvB’s. De beginselen zijn al van toepassing op de nationale omgevingsvisie, dus op het beleid. De regelgeving is op zijn beurt gebaseerd op het beleid. Op deze wijze werken beginselen getrapt door in de regelgeving. Daarnaast spelen de beginselen al een rol bij de AMvB’s. In het antwoord op vraag 17 van de schriftelijke beantwoording heb ik daarvan voorbeelden gegeven (voorbeeld: het preventiebeginsel bij de regels over milieubelastende activiteiten). Ik vind het dan ook niet nodig om generiek op wetsniveau een motiveringsvereiste vast te leggen. Ik laat het oordeel aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 71

Indieners: De Vries

t.a.v. artikel: 1.3

Dit amendement wil «verbeteren» opnemen in de aanhef van artikel 1.3. Ik vind het verbeteren van de leefomgeving ook belangrijk. In de huidige formulering van artikel 1.3 klinkt deze ambitie uit de Grondwet al door, zoals beschreven bij de waardering van het amendement onder nummer 56. De voorgestelde aanpassing is daarom niet nodig. Dit amendement komt echter wel evenwichtiger tegemoet aan de wens om «verbeteren» terug te zien dan het amendement onder nummer 56, omdat ook de andere sociale doelstelling van artikel 21 (de bewoonbaarheid van het land) hierin is opgenomen. Ik ondersteun daarom dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 78

Indieners: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 5.45

Dit amendement legt in de wet een lijst met gevallen vast waarvoor een voorkeursbeslissing verplicht is. Ik vind de voorkeursbeslissing vooral zinvol bij complexe projecten met veel alternatieven. Wanneer een voorkeursbeslissing meerwaarde heeft, is maatwerk. Dit amendement kan er toe leiden dat ook voor kleine ingrepen een voorkeursbeslissing nodig is. Voorkomen moet worden dat voor kleine ingrepen een voorkeursbeslissing genomen moet worden. Dit vraagt om gedegen uitwerking bij AMvB. Dit is ook het geëigende niveau om dit soort lijsten vast te leggen. Door dit bij AMvB te regelen kan ook rekening worden gehouden met nieuwe ontwikkelingen. Om die reden ontraad ik dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 79

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikelen: 16.14 en 16.15

Amendement 79 leidt er toe dat de gemeenteraad een advies én instemmingsbevoegdheid krijgt bij de omgevingsvergunning om «buitenplans» af te wijken van het omgevingsplan. Gelet op de vergaderfrequentie van de meeste gemeenteraden acht ik deze meest verstrekkende vorm van betrokkenheid bij besluitvorming ongewenst. Onder de Wabo is een termijn van zes maanden soms al te kort om een besluit omtrent een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad te krijgen. Zeker omdat het vaak gaat om kleinschalige afwijkingen acht ik dergelijke wachttijden voor burgers niet aanvaardbaar. Binnen hetzelfde bestuursapparaat is de instemmingsbevoegdheid ook buiten proporties. Binnen de duale verhoudingen bestaan er voldoende controlemechanismen voor de gemeenteraad. Om daar goede invulling aan te kunnen geven zal ik bij de uitvoeringsregels voorzien in een adviesrol voor de gemeenteraad. De uitwerking van die adviesrol zal geënt zijn op artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet. Die regeling lijkt op een «voorhang», zoals uw Kamer die heeft bij AMvB’s. Het college van burgemeester en wethouders stelt (voorafgaand aan het beslissen over de omgevingsvergunning) de raad in de gelegenheid wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Dat kan als de raad daar zelf om verzoekt (of gevallen voor heeft aangewezen) of als de activiteit bijvoorbeeld een ingrijpende inbreuk oplevert op het omgevingsplan. Dit is al een gangbare regeling als het college private contracten sluit of besluiten neemt over rechtsgedingen, jaarmarkten of marktdagen. In overleg met gemeenten wil ik hier een werkbare constructie voor aandragen, waarbij leden van de raad bijvoorbeeld via e-mail kunnen reageren. Per geval kan zo worden bezien of nadere agendering wenselijk is. De meeste aanvragen kunnen zo vlot worden afgehandeld. Als verdere bespreking wenselijk is, kan dat (zo nodig met een verlenging van de beslistermijn) plaatsvinden. Dit amendement ondermijnt een primaire doelstelling van het wetsvoorstel om beslistermijnen te versnellen. Daarom wordt het ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 80

Indiener: Dik Faber

t.a.v. artikel: 17.8 en 17.9

Het amendement regelt dat leden van het gemeentebestuur geen lid kunnen zijn van de adviescommissie. Verder worden regels gegeven over het openbaar vergaderen van de adviescommissie, het deugdelijk motiveren van de adviezen, het schriftelijk openbaar maken, het in acht nemen van de omgevingsvisie en beleidsregels, en het jaarlijks verslag uitbrengen aan de gemeenteraad. Ook regelt het amendement dat de gemeenteraad kan bepalen in welke gevallen het college van burgemeester en wethouders advies moet vragen aan de commissie. Het amendement voegt daarmee een aantal bepalingen toe die vanuit vroegere ervaringen met welstandscommissies in de Woningwet zijn opgenomen. Deze bepalingen zijn niet in het wetsvoorstel opgenomen omdat het hier in feite een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten betreft. Desalniettemin kan ik me de wens voorstellen om de voorgestelde waarborgen voor een goed en transparant functioneren van de adviescommissie in de wet vast te leggen.

Ik laat het oordeel over dit amendement aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 81

Indiener: Dik-Faber / Van Veldhoven

t.a.v. 16.34, zesde lid

Dit amendement voorziet er in dat in een algemene maatregel van bestuur nadere regels worden opgenomen over de toepassing van de plan-mer-beoordeling bij kleine gebieden op lokaal niveau en kleine wijzigingen. De plan-mer-beoordeling is een nieuw instrument. Ik kan begrijpen dat er behoefte is aan enig houvast bij de toepassing ervan. Maar het is niet mogelijk om nadere regels te stellen die rekening houden met elke specifieke situatie. Ik verwacht echter wel dat er enkele mogelijkheden zijn om toch wat houvast te geven, al zal dat zeker niet in alle gevallen een sluitend antwoord geven. Ik laat het amendement daarom aan het oordeel van uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 82

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 2.37a (nieuw)

Het amendement voorziet in een mogelijkheid om bestuursorganen te verplichten tot een prestatievergelijking. Ik vind het belangrijk dat er prestatievergelijkingen zijn. Er zijn goede voorbeelden van, bijvoorbeeld bij rioleringen en bij bodemkwaliteit en de intercollegiale toetsing van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het amendement strekt tot behoud van een «stok achter de deur» die indertijd ook bij amendement is ingevoerd (Kamerstuk 30 578, nr. 9). De «stok» is de afgelopen jaren nooit benut en ik verwacht dat dit in de toekomst ook niet zal gebeuren. De prestatievergelijking gebeurt steeds op basis van vrijwilligheid door afspraken te maken met bestuurders. De Omgevingswet gaat uit van vertrouwen in de bestuurlijke professionaliteit en dat omvat ook de inzet van dit soort managementinstrumenten. Ik ontraad daarom het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 83

Indiener: Dik-Faber

diverse wetsartikelen

Dit amendement verandert de naam «milieueffectrapportage» in omgevingseffectrapportage. Het lijkt voor de hand te liggen dat met de Omgevingswet ook de naam van de milieueffectrapportage niet achter kan blijven. Echter, de Nederlandse versie van de Europese richtlijn spreekt van milieueffectbeoordeling. Ik wil daar zo dicht mogelijk bij aansluiten zowel voor wat betreft de naam van het instrument als voor de inhoud. Het leidt tot onduidelijkheid in de rechts- en uitvoeringspraktijk om nu – in afwijking van de richtlijn – een nieuw begrip te introduceren, terwijl met de Omgevingswet het instrument inhoudelijk niet verandert. Het begrip milieu is al heel breed, gezondheid, gevolgen voor drinkwater, cultureel erfgoed en natuur vallen daar allemaal onder. Een andere naam kan de indruk wekken dat de rapportage zou moeten gaan over alle effecten op de maatschappelijke doelen voor de fysieke leefomgeving, ook effecten die niet met milieu te maken te hebben. Met dit amendement kan de indruk worden gewekt dat mer wordt opgerekt. Dat zorgt niet alleen voor meer lasten, maar schiet ook zijn doel voorbij. Mer is immers juist bedoeld om die milieugevolgen een duidelijke plaats in de besluitvorming te geven. Daarom ontraad ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 84

Indiener: Van Tongeren

t.a.v. artikelen: 1.2, 1.3, 2.1, 2.26

Het amendement strekt ertoe dat aan verschillende artikelen bepalingen worden toegevoegd over de productie van duurzame energie. De transitie naar gebruik van duurzame energie is een belangrijke beleidsdoelstelling voor de komende decennia. In het Energieakkoord zijn de belangrijkste maatregelen vastgelegd. In het kader van de transitie wordt onder andere gewerkt aan structuurvisies voor windenergie. Veel andere regels op dit gebied behoren echter niet tot de reikwijdte van module I van de Omgevingswet, die uitsluitend gaat over de gebiedsgerichte activiteiten zoals installaties voor energieproductie. Instrumenten die gericht zijn tot de gebruikerszijde komen op een later moment in aanmerking voor integratie.

Productie van duurzame energie is belangrijk om de twee doelen van artikel 1.2, het beschermen van de leefomgeving en het benutten van de leefomgeving, met elkaar te verenigen. Het is niet een derde, daarnaast te plaatsen en te verabsoluteren doel. Dat zou in de weg staan aan een goede belangenafweging tussen het plaatsen van windturbines en andere doelen zoals landschapsbescherming. De centrale artikelen van de wet niet de plaats om beleidsdoelstellingen op te nemen, die zullen worden opgenomen in de omgevingsvisie. Ik ontraad daarom het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 86

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 16.32, tweede lid

Het wetsvoorstel regelt dat als een instrument volgens de criteria van de smb-richtlijn plan-merplichtig is, er een plan-merplicht is. Om dit te verduidelijken bevat het wetsvoorstel een opsomming van plannen die in de regel het karakter hebben van een plan-merplichtig plan, zoals een omgevingsvisie. Dit amendement voegt daar instructieregels, waterschapsverordeningen, omgevingsverordeningen en algemene rijksregels aan toe. De bedoeling van het amendement is verduidelijking van de plan-merplicht. Door de toevoeging ontstaat er echter verwarring. Want de instrumenten die dan worden toegevoegd zullen in de regel niet plan-merplichtig zijn, omdat de daarin gestelde regels algemeen van aard zijn. Een voorbeeld hiervan is het Bouwbesluit 2012. In het (uitzonderlijke) geval dat deze instrumenten wel plan-merplichtig zijn, zal er gewoon een plan-mer moeten worden gemaakt. Alle uitzonderingen zijn namelijk ook door het wetsvoorstel gedekt. Toevoeging van deze instrumenten aan het artikel maakt dus van een uitzondering de regel, dat is onduidelijk en leidt tot onnodige plan-merren. Dit amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 87

Indiener: Smaling

t.a.v. artikel: 4.19a

Het amendement voegt een rechtstreeks werkende regel (een algemene regel; direct bindend voor een ieder) toe dat het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate afbreuk mag doen aan de fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan worden alle regels gebundeld over de fysieke leefomgeving. Daar horen ook de regels bij die een gemeente stelt over bouwwerken. Dat uitgangspunt mag rekenen op groot draagvlak. De regels worden op elkaar afgestemd, en alle regels zijn bij elkaar te vinden. Dit amendement haalt een enkele regel over het uiterlijk van bouwwerken uit het omgevingsplan en regelt dit in de wet. Ik vind dat niet handig. Regels over het uiterlijk van bouwwerken zijn bij uitstek gebiedsgericht en moeten niet nationaal geregeld worden. Dat komt de kenbaarheid niet ten goede. Hierdoor wordt de mogelijkheid ontnomen om de regel toe te spitsen op de karakteristiek van een gebied. Voor een effectieve handhaving is het ook niet nodig. Om die redenen ontraad ik het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 88

Indieners: Veldman / Dik-Faber

t.a.v. artikelen: 20.8, bijlage

Het amendement strekt ertoe dat resultaten van monitoring en andere gegevens zoveel mogelijk beschikbaar worden gesteld in de vorm van open data. Het amendement stimuleert daarmee het gedachtegoed van open data en sluit aan bij de kabinetsreactie van 3 juni op het eerste en tweede trendrapport van de Algemene Rekenkamer3. Het amendement veroorzaakt wel beperkte bestuurlasten als gevolg van het omzetten in een ander, open formaat. Die kosten lijken beheersbaar en passen bij de al gekozen inzet van de meeste bestuursorgaan, bijvoorbeeld het «open, tenzij»-beleid van het Rijk. Door de keuze «zo veel mogelijk» komt tot uitdrukking dat niet alle gegevens vrijgegeven kunnen worden als open data, bijvoorbeeld in verband met de intellectuele eigendomsrechten van derden. Ik laat het oordeel aan uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 89

Indiener: Smaling

t.a.v. artikel: 20.20 (nieuw)

Het amendement legt een wettelijk basis voor het digitale stelsel van de Omgevingswet, ook bekend onder de metafoor «Laan van de Leefomgeving». Omdat het denken over dit digitale stelsel nog niet was afgerond op het moment dat het wetsvoorstel naar uw Kamer werd gezonden, ontbreekt de vereiste wettelijke regeling hiervoor. Ik was al voornemens die later in te bouwen via de Invoeringswet. Het amendement legt hiervoor nu alvast een wettelijke basis, wat duidelijkheid biedt voor alle betrokkenen. Zoals de toelichting op het amendement al aankondigt, zullen via de Invoeringswet nog nadere regels gesteld worden voor het digitale stelsel. Dit amendement ondersteunt het ingezette beleid en ik ondersteun dan ook het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 90

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 5.42

Met het amendement wordt voorgesteld dat Rijk en provincie via het projectbesluit het omgevingsplan rechtstreeks kunnen wijzigen alleen voor het beschermen van een nationaal of provinciaal belang, zoals wegbestemmen van functies. Het direct wijzigen van het omgevingsplan door Rijk en provincie grijpt diep in in de gemeentelijke bevoegdheid. Daarom kent het wetsvoorstel die bevoegdheid alleen voor het realiseren van projecten van Rijk en provincie. Bij projecten is er weinig beleidsruimte voor de wijziging van het omgevingsplan. Bij wegbestemmen is dit anders. Het schrappen van de functie moet in dit geval ook, maar voor de invulling van de functie is er beleidsvrijheid. Het primaat daarvoor ligt bij de gemeente. Het wetsvoorstel kent goede instrumenten die dit mogelijk maken. Met instructieregels of een instructiebesluit kan opdracht worden gegeven om bepaalde functies weg te bestemmen in het omgevingsplan. Dit is overigens ook de huidige praktijk, voor alleen wegbestemmen wordt meestal gebruik gemaakt van instructieregels, zelden van het inpassingsplan. Als een gemeente instructieregels of een instructie niet wil opvolgen kan de provincie indeplaatstreden van de gemeente en zelf het omgevingsplan aanpassen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht is dit geen ultimum remedium meer. Is snel duidelijk dat de gemeente een instructie niet gaat uitvoeren, dan kan de indeplaatsstellingsprocedure versneld worden doorlopen en kan de provincie alsnog zelf het omgevingsplan aanpassen. Een speciale regeling in de Omgevingswet is dus niet nodig. Daarom ontraad ik dit amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 92

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 23.3, derde lid

In het amendement wordt voorgesteld dat in de AMvB niet alleen het doel van het experiment wordt aangegeven maar ook de beoogde gevolgen van het experiment. Deze toevoeging wordt ook voorgesteld voor de uitvoering van de monitoring en evaluatie. In artikel 23.3 derde lid is bepaald dat bij AMvB het doel van het experiment moet worden aangegeven en dat bij uitvoering van de monitoring en evaluatie wordt gekeken naar de beoogde doelen, bedoeld in artikel 1.3 onder a. Daarbij zijn de beoogde gevolgen van het experiment inbegrepen. Hoewel de voorgestelde toevoeging dus niet nodig is, kan gekozen worden voor deze toevoeging die ik zie als een nadere concretisering van de experimenteerbepaling. Ik laat dit amendement over aan het oordeel van uw Kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 93

Indieners: Dik-Faber / Van Veldhoven

t.a.v. artikel: 16.27a

Het amendement leidt tot een waarborg om elk voornemen tot vaststelling van een omgevingsplan voorafgaand met openbare kennisgeving te melden. Ik vind het achterliggende doel van het amendement sympathiek. Inspraak op een vroegtijdig moment is heel zinvol en moet gestimuleerd worden. Er is daartoe al voorzien in een prikkel dat bij elke wijziging van het omgevingsplan moet worden gemotiveerd hoe met inspraak is omgegaan. In de huidige praktijk doen gemeenten ook al vaak aan vroegtijdige inspraak en worden bestemmingsplannen in het stadium van een voorontwerp ter inzage gelegd. Ik vertrouw er op dat gemeenten deze praktijk voortzetten. Het amendement voegt een extra waarborg toe door de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan met een openbare kennisgeving te melden. Ik laat het oordeel aan de kamer.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 94

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikel: 3.5 en paragraaf 3.2.3

Door dit amendement blijft het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) verplicht, waarbij de naam wordt veranderd in waterbeheerprogramma. Zoals ik in de memorie van toelichting heb aangegeven, onderschrijf ik dat een programma een belangrijke rol kan spelen bij de invulling van gemeentelijke watertaken. Ik ben echter geen voorstander van een verplichting aan de gemeente om op gezette tijden een gemeentelijk waterbeheerprogramma voor de gehele gemeente te maken. De verplichting een GRP vast te stellen stamt uit de tijd dat rioleringsbeheer bij gemeenten onvoldoende aandacht had. Die aandacht heeft het nu wel. In het Bestuursakkoord water zijn goede afspraken gemaakt, waarbij het GRP ook een rol speelt. Het bestuursakkoord loopt tot 2020. Daarom blijft het GRP tot 2020 verplicht. Mijn uitgangspunt is dat programma’s alleen verplicht zijn als Europa daarom vraagt of bij overschrijding van een omgevingswaarde. Dat is hier niet het geval. Het achterliggende belang is echter goed geborgd in het wetsvoorstel. De gemeentelijke watertaken zijn expliciet in wetsvoorstel vastgelegd (art. 2.16) en het wetsvoorstel biedt aanvullend instrumentarium dat gemeente kunnen inzetten. Dat kan een programma zijn, maar ook andere instrumenten, zoals omgevingsvisie, omgevingswaarden en andere regels in het omgevingsplan kunnen worden ingezet. De wet biedt dus ook de mogelijkheid om na 2020 een programma op te stellen. Het biedt de gemeente daarbij de mogelijkheid voor maatwerk, in plaats van een generieke regeling. Het programma kan gericht worden ingezet in gebieden die daarom vragen, op een op de problematiek afgestemd moment. Een verplicht waterbeheerprogramma voor het hele gebied dat steeds opnieuw moet worden vastgesteld zorgt voor extra lasten. Het amendement wordt daarom ontraden.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 96

Indiener: Dik-Faber

t.a.v. artikelen: 1.3, 2.16 en 2.28

Het amendement strekt ertoe dat «toegankelijkheid» wordt toegevoegd aan artikel 1.3, een taak voor gemeenten voor de toegankelijkheid van de inrichting van de openbare ruimte wordt toegevoegd en daarover instructieregels gesteld worden. Ik onderken vanzelfsprekend het belang van de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor gehandicapten. Het beheren van de openbare ruimte in het stedelijk gebied is echter een autonome taak van gemeenten. Gemeenten zetten zich daarbij ook in voor de toegankelijkheid en volgen vrijwillig richtlijnen van het CROW. Ik vind niet dat daarbij zodanige problemen bestaan dat het Rijk dit onderwerp aan zich moet trekken en dus in medebewind moet trekken. Ik stel daarnaast voor om de discussie hierover te laten plaatsvinden in het traject van de Goedkeuringswet van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169 en Trb. 2014, 113)4 en de bijbehorende Uitvoeringswet5. Ik ontraad daarom het amendement.

AMENDEMENT met Kamerstuk 33 962, nr. 97

Indieners: Dik-Faber / De Vries

t.a.v. artikel: 3.1, eerste lid

Dit amendement stelt de omgevingsvisie verplicht voor gemeenten. Over de verplichting voor gemeenten tot het maken van een omgevingsvisie heb ik uitgebreid met uw Kamer van gedachten gewisseld. Ik laat het oordeel over aan uw Kamer.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus