Kamerstuk 33910-21

Verslag van een schriftelijk overleg over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties (Regeling producenten- en brancheorganisaties)

Dossier: Wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen (Wet opheffing bedrijfslichamen)

Gepubliceerd: 30 september 2014
Indiener(s): Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD)
Onderwerpen: economie ondernemen
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33910-21.html
ID: 33910-21

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 oktober 2014

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 22 september 2014 over de ontwerpregeling houdende regels over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties (Regeling producenten- en brancheorganisaties) (Kamerstuk 33 910, nr. 20).

De vragen en opmerkingen zijn op 26 september aan de Minister van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 30 september 2014 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Thomassen

Inhoudsopgave

Blz.

   

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

     
 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

6

     

II

Antwoord / Reactie van de Minister

7

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de ontwerpregeling houdende regels over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties (Regeling producenten- en brancheorganisaties) (Kamerstuk 33 910 nr. 20). Vanwege het verplichte karakter van hun verordeningen en heffingen en het gebrek aan democratische legitimiteit van hun besturen, hebben deze leden recentelijk ingestemd met het opheffen van de product- en bedrijfschappen Zij hebben deze ontwerpregeling nu -en in het voortraject- met eenzelfde blik bekeken en willen waken voor het risico van productschappen «light», die zouden kunnen ontstaan op basis van de nieuwe Europese regelgeving. In de beantwoording van het eerdere schriftelijk overleg over de brief van de Minister over het kader voor erkenning van producenten- en brancheorganisaties en algemeen verbindend verklaring1 zijn de vragen van deze leden beantwoord2. Kan de Minister toezeggen dat hij nauwlettend zal toezien op het naleven van de erkenningsvereisten?

De leden van de VVD-fractie hebben in hun eerdere inbreng verschillende (kritische) vragen gesteld over het algemeen verbindend verklaren (avv). Dat de Minister aangeeft terughoudend met avv om te zullen springen, het algemeen economisch belang van de desbetreffende sector in het oog te zullen houden en het belang van vrij ondernemerschap in zijn afweging mee te nemen, kan op instemming van deze leden rekenen. Zij willen de Minister nogmaals op het hart drukken conform deze inzet om te gaan met het avv-instrument.

De leden van de VVD-fractie hebben eerder aandacht gevraagd voor het feit dat het oprichten van meerdere producentenorganisaties (po) voor verschillende specifieke sectoren kan leiden tot hogere kosten voor producenten die lid worden van meerdere po’s. De Minister heeft daarop aangegeven dat po’s de administratieve kosten kunnen drukken door samen te werken. Bijvoorbeeld ten aanzien van het voeren van een gemeenschappelijke administratie, het uitoefenen van toezicht, het sturen van facturen etc. In hoeverre staan de Minister mogelijkheden tot zijn beschikking om dergelijke samenwerking te bevorderen of af te dwingen?

Deze leden lezen dat de Minister een spoedige inwerkingtreding wenselijk vindt om uitvoering te kunnen geven aan de motie van de leden Geurts en Dijkgraaf, die de Kamer op 9 september jl. heeft aangenomen en waarin het kabinet wordt verzocht om voor 1 januari 2015 producenten- en brancheorganisaties, die een erkenningsaanvraag hebben ingediend, erkend te hebben3. De Minister geeft daarbij aan zijn best te doen om op een verantwoorde manier voor 1 januari 2015 te besluiten over erkenningsaanvragen en eventuele verzoeken tot algemeen verbindend verklaring die tijdig zijn ingediend. Hoeveel verzoeken heeft de Minister inmiddels ontvangen en hoeveel van de ingediende verzoeken zullen naar verwachting tijdig verwerkt worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP fractie hebben kennisgenomen van onderhavige ontwerpregeling en hebben nog enkele vragen.

In hoeverre bestaat het risico dat via een achterdeur alsnog verplichte heffingen ingevoerd kunnen worden? Welke mogelijkheden zijn er om via producenten organisaties, branche organisaties en algemeen verbindend verklaringen, de positie van agrarische producenten tegenover inkopers te versterken, bijvoorbeeld middels modelcontracten of afspraken om tijdig te betalen? Welke mogelijkheden zijn er om via po’s, branche organisaties en algemeen verbindend verklaringen, afspraken omtrent duurzaamheid, dierenwelzijn of gezondheid (bijvoorbeeld antibioticagebruik) onder agrarische producenten algemeen verbindend te verklaren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwerpregeling houdende regels voor producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties. Over deze regeling hebben zij nog een aantal vragen.

Deze leden zijn van mening dat het zelf-organiserend vermogen van de landbouwsector versterkt moet worden. De landbouwsector bestaat veelal uit relatief kleinschalige familiebedrijven die een basisbehoefte, ons voedsel, produceren. De leden van de CDA-fractie willen dat onze voedselvoorziening behouden blijft. Vanwege de relatieve kleinschaligheid van de agrarische sector is het moeilijker dan voor andere maaksectoren om zichzelf te organiseren. Nu de productschappen door dit kabinet zijn afgebroken, zijn mogelijkheden om zichzelf te organiseren, bijvoorbeeld ten behoeve van de collectieve financiering van onderzoek, onmogelijk. Gezien dit kabinet alles afbreekt wat tussen markt en overheid lijkt te zitten, hoopten deze leden dat de Europese regelgeving, en dan met name de mogelijkheid om producentenorganisaties en brancheorganisaties te laten erkennen en algemeen verbindende maatregelen te laten nemen, een oplossing zou bieden. Met de Nederlandse randvoorwaarden die gesteld worden in de voorliggende ontwerpregeling blijft het heel moeilijk voor deze maakindustrie van eigen bodem om zich beter te organiseren. De landbouwsectoren ontbreekt het hierdoor aan handvaten om zelf problemen aan te pakken of sector-brede verbeteringen door te voeren. Deze leden willen dat ondernemers in de landbouw zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen en zich organiseren zoals de EU-verordening 1308/2013 toestaat. Zij stellen vast dat de Minister de motie Geurts/Dijkgraaf4 niet volledig uitvoert. Waarom wordt deze motie niet volledig uitgevoerd? Waarom gaan de eisen die gesteld worden aan het algemeen verbindend verklaren verder dan de Europese verordening 1308/2013? De leden van de CDA-fractie verzoeken uitdrukkelijk om de motie wel volledig uit te voeren en geen extra eisen te stellen bovenop de verordening 1308/2013.

Is de onderhavige ontwerpregeling opgesteld in overleg met vertegenwoordigers van de landbouwsectoren? Zo nee, waarom niet? Zal er nog overleg worden gevoerd over de ontwerpregeling met vertegenwoordigers van de landbouwsectoren? Zo nee, waarom niet?

Welke delen van de ontwerpregeling vloeien precies voort uit de verordening 1308/2013 en welke delen heeft de Minister aanvullend opgesteld? Is er sprake van een nationale kop op de Europese verordening 1308/2013? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen om een overzicht te geven van voorwaarden waarop het ontwerpbesluit verder gaat dan verordening 1308/2013.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of de volgende elementen vereist zijn op basis van verordening 1308/2013:

  • Artikel 2:3 (j), artikel 3:2 (j), artikel 4:3 (i)

  • Artikel 5:4

  • Artikel 5:5 (e)

  • Artikel 5:6

  • Toelichting 2.1: In welk artikel van de verordening 1308/2013 staat dat erkenningsvoorwaarden «moeten» worden uitgewerkt? Hoe hebben alle Europese lidstaten de erkenningsvoorwaarden uitgewerkt? Deze leden vragen de Minister hier een overzicht van te geven. Tevens vragen zij de Minister per voorwaarde toe te lichten of Nederland deze strenger interpreteert ten opzichte van de andere Europese lidstaten.

  • Toelichting 2.1.3: Waarom zijn lidstaten verplicht om producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten te erkennen en waarom geldt deze verplichting niet voor andere sectoren?

  • Toelichting 2.2.2: In welk artikel van verordening 1308/2013 staat dat een voorwaarde voor een algemeen verbindend verklaring is dat deze maatregel «geen concurrentieverstoringen teweeg kan brengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid»?

  • Toelichting 2.2.2: In welk artikel van verordening 1308/2013 staat dat een maatregel niet algemeen verbindend verklaard kan worden indien er een wettelijke grondslag is in de nationale regelgeving voor deze maatregel?

  • Toelichting 2.2.2: In welk artikel van verordening 1308/2013 staat dat een maatregel niet algemeen verbindend verklaard kan worden als deze het «vrij ondernemerschap» onredelijk inperkt? Deze leden zijn bezorgd dat de opstelling van de Minister ertoe leidt dat er niet meer aan zelfregulering gedaan kan worden door het bedrijfsleven. Graag een toelichting op dit punt.

  • Toelichting 2.2.3: De leden van de CDA-fractie lezen dat indien de Minister een toelichting ontvangt van een erkende organisatie dat strekt tot het verplichten van het afdragen van een financiële bijdrage door marktdeelnemers die niet bij die erkende organisatie zijn aangesloten, dit wordt gepubliceerd op de website van de rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) (www.rvo.nl). Waarom vindt de Minister het noodzakelijk om een dergelijke toelichting te publiceren op de website van de RVO? Kan de Minister toelichten hoe dit voornemen in relatie staat tot de representativiteitstoets?

  • Toelichting 2.3: In welk artikel van verordening 1308/2013 staat dat voor de algemeen verbindend verklaring van een maatregel van een brancheorganisatie het nodig is om deze te melden bij de Europese Commissie?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de behandelingstermijn voor een erkenningsaanvraag op grond van de verordening maximaal vier maanden bedraagt en dat op grond van het algemeen bestuursrecht de behandelingstermijn van een verzoek tot algemeen verbindend verklaring in beginsel acht weken bedraagt. Kan de Minister toelichten welke termijn hij gaat hanteren? In het kader van vermindering van regeldruk en administratieve lasten hebben zij de voorkeur voor de kortste behandelingstermijn. Deze leden vragen de Minister aan te geven aan welke eisen de administratie van een producentenorganisatie en brancheorganisatie moet voldoen. Wat betekent in dit verband het gestelde in artikel 4.3, lid h van de ontwerpregeling (verwijzing naar artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)? In artikel 5.2 van de ontwerpregeling wordt gesteld dat de Minister geen «uitbreiding van voorschriften en verplichte financiële bijdragen» zal verlenen als sprake is van onevenredige inbreuk op de ondernemersvrijheid. Deze leden vragen het begrip «onevenredige inbreuk» nader te duiden. Wat zijn de consequenties van deze formulering wanneer een brancheorganisatie bijvoorbeeld over wil gaan tot maatregelen ter verplichte bestrijding van de koeiengriep IBR of de rundvee infectieziekte BVD in Nederland?

In artikel 5.3. wordt omschreven dat een producentenorganisatie of een brancheorganisatie moet toezien op iedere marktdeelnemer (dus ook niet-leden van een producentenorganisatie en niet-leden van de organisaties in een brancheorganisatie). Tevens moeten producentenorganisaties en brancheorganisaties sancties treffen tegen een marktdeelnemer die een voorschrift niet naleeft of de financiële bijdrage niet levert. Hoe kan dit in de praktijk eruit komen te zien? Is de Minister bereid om te bezien of ook onderdelen, bijvoorbeeld administratie of handhaving, van de rijksoverheid een rol kunnen spelen op het terrein van toezicht en handhaving? Zo nee, waarom niet?

Voor het toezicht op en het sanctioneren van deelnemers moeten de bedrijfsgegevens van die deelnemers bekend zijn bij de producentenorganisatie of de brancheorganisatie. Op welke wijze kunnen producentenorganisaties of brancheorganisaties beschikken over de bedrijfsgegevens van de niet-leden? En hoe kan een producentenorganisatie of een brancheorganisatie aantonen dat zij een bepaald marktaandeel hebben en daarmee aan de voorwaarden van een algemeen verbindend verklaring voldoen, terwijl zij niet beschikken over deze gegevens?

In artikel 5.4. wordt gesteld dat een verzoek tot algemeen verbindend verklaring vergezeld dient te gaan van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de leden van een producentenorganisatie en de leden van de organisaties die deelnemen in een brancheorganisatie zich zullen houden aan de voorschriften en/of een financiële bijdrage zullen afdragen. Impliceert deze voorwaarde dat voorafgaand aan de maatregel alle leden van de producentenorganisatie of brancheorganisatie eerst schriftelijk moeten toestemmen met een maatregel die algemeen verbindend wordt verklaard? Zo ja, hoe kan dan de hele sector worden verplicht om deel te nemen aan maatregelen ten behoeve van het algemeen belang op het terrein van voedselveiligheid, diergezondheid en plantgezondheid?

Deelt de Minister het beeld dat het vooraf vragen van toestemming of financiering aan alle leden het feitelijk onmogelijk maakt om een maatregel algemeen verbindend verklaard te laten worden? Kan de Minister duiden in hoeverre dit een drempel kan zijn voor de sector om een algemeen verbindend verklaring te initiëren? Deze leden verwachten dat dit vereiste leidt tot grote administratieve lasten voor de initiatiefnemers voor een producentenorganisatie. Deelt de Minister de mening dat deze grote administratieve last voorkomen moet worden? Kan de Minister toelichten welke meerwaarde het heeft om van elke marktdeelnemer een schriftelijke verklaring te ontvangen?

De ontwerpregeling schrijft voor dat een erkende brancheorganisatie voorafgaand aan een verzoek tot algemeen verbindend verklaring, de maatregel aan de Europese Commissie moet hebben gemeld om de Europese Commissie te laten oordelen of de maatregel in kwestie verenigbaar is met de Europese mededingingsregels. Waar is dit goed voor? Deze leden zien een groot obstakel omdat lang niet alle maatregelen op mededingingsrechtelijke beperkingen zullen stuiten. Waarom heeft de Minister deze nationale kop op Europese regelgeving opgenomen in het ontwerpbesluit?

De leden van de CDA-fractie staan voor een sterke land- en tuinbouw sector die zelf zijn verantwoordelijkheid kan nemen. Zij vragen waarom een verzoek van een producentenorganisatie of brancheorganisatie om een maatregel algemeen verbindend te verklaren niet wordt gehonoreerd als er al een wettelijke grondslag is. Is het door deze randvoorwaarde niet onmogelijk om maatregelen algemeen verbindend te laten verklaren betreffende voedselveiligheid, dierenwelzijn, kwaliteitseisen, fytosanitaire aspecten, etc?

Wat zijn de gevolgen van het uitblijven van financiering door het ontbreken van de mogelijkheid om maatregelen van producentenorganisaties of brancheorganisaties algemeen verbindend te laten verklaren door de Minister voor de bijdrage van de agrarische sector aan kennis en innovatie voor bijvoorbeeld de Wageningen UR en Dienst Landbouwkundig Onderzoek? Wat zijn de gevolgen voor de financiering van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen?

Voor de akkerbouw en de biologische sector is het vanwege de Europese voorwaarde lastig om een producentenorganisatie of brancheorganisatie op te richten. De akkerbouw zou bijvoorbeeld voor elk gewas een producentenorganisatie moeten oprichten. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister om samen met deze sectoren naar een oplossing te zoeken. Is het voor bijvoorbeeld de biologische sector mogelijk om een productgroep overschrijdende brancheorganisatie op te richten? Zo nee, is de Minister dan bereid om de Europese Commissie te benaderen om hier een oplossing voor te vinden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende ontwerpregeling. Zij vinden dat de agrarische sector ruimte moet krijgen om via producenten- en brancheorganisaties haar economische en maatschappelijke belangen te dienen. De voorliggende ontwerpregeling lijkt dit onnodig in te perken. Deze leden hebben daarom enkele vragen.

De Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) heeft inmiddels aangegeven dat de ontwerpregeling en met name de bepalingen met betrekking tot het algemeen bindend verklaren praktisch niet uitvoerbaar zijn en het bijkans onmogelijk maken om een algemeen verbindend verklaring te krijgen. Ook geeft LTO aan dat de voorschriften voor toezicht, handhaving en sanctionering zeer zwaar zijn. Gaat de Minister op korte termijn in overleg met LTO om te kijken hoe een beter werkbare en op de praktijk aangesloten regeling opgesteld kan worden?

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de ruimte voor het algemeen verbindend verklaren van voorschriften en doelgerichte heffingen. De Europese verordening 1308/2013 geeft enkele voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de voorschriften andere marktdeelnemers geen schade mogen berokkenen en dat zij de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten niet mag uitschakelen. De formulering van artikel 5:2 veronderstelt dat de in dit artikel genoemde voorwaarden (onderdelen a en b) rechtstreeks voortvloeien uit de in de verordening genoemde voorwaarden. Is deze veronderstelling juist? Stelt de Minister inderdaad geen aanvullende voorwaarden, omdat de voorwaarden uit de verordening al voldoende inkadering bieden? Zo nee, kan de Minister toelichten hoe hij beide voorwaarden/bepalingen ziet ten opzichte van de in de verordening gegeven voorwaarden? De Minister wil geen algemeen bindend verklaringen toestaan als voorschriften of heffingen al op grond van geldende wetgeving zou kunnen worden gesteld of geheven. Is de veronderstelling van de leden van de SGP-fractie juist dat voor enkele doelen waarvoor op grond van de verordening (artikel 163, vierde lid) voorschriften gesteld mogen worden het dan erg lastig wordt om in de praktijk voorschriften te stellen? Zij doelen dan met name op «productievoorschriften die stringenter zijn dan de in de nationale of de regelgeving van de Unie vastgestelde voorschriften» (onderdeel b), «milieubescherming» en «de gezondheid van dieren of planten of de voedselveiligheid», omdat ze schijnbaar per definitie in strijd zijn met onderdeel a van artikel 5:2 of vanwege bestaande wetgeving op het gebied van milieubescherming, plant- en diergezondheid en volksgezondheid. Acht de Minister dat wenselijk?

Hoe verhoudt de schijnbaar zeer terughoudende opstelling van de Minister ten aanzien van het algemeen verbindend verklaren van voorschriften zich tot het advies van de commissie Van Doorn en de afspraken die via het Verbond van Den Bosch gemaakt zijn? De regering heeft zich eerder positief uitgesproken over dit advies en de gemaakte afspraken. Is de veronderstelling juist dat het algemeen verbindend verklaren van voorschriften een belangrijke bijdrage zou moeten leveren aan de gewenste publiekrechtelijke borging van integrale ketenafspraken en het voorkomen en aanpakken van free riders? Hoe ziet de Minister dit?

Waarom kiest de Minister ervoor om producenten- en brancheorganisaties te erkennen tot 31 december 2020, terwijl de nieuwe Europese gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten verordening (GMO-verordening) deze deadline alleen oplegt aan producenten- en brancheorganisaties in de zuivelsector? De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat deze bepaling onnodige onzekerheid geeft en vragen om deze deadline overeenkomstig de verordening alleen in te voeren voor producenten- en brancheorganisaties in de zuivelsector.

II Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie willen waken voor het risico van productschappen light die zouden kunnen ontstaan op basis van de nieuwe Europese regelgeving. Kan de Minister toezeggen dat hij nauwlettend zal toezien op het naleven van de erkenningsvereisten?

Ja.

Het oprichten van meerdere PO’s voor verschillende specifieke sectoren kan leiden tot hogere kosten voor producenten die lid worden van meerdere PO’s. De Minister heeft daarop aangegeven dat PO’s de administratieve kosten kunnen drukken door samen te werken. Bijvoorbeeld ten aanzien van het voeren van een gemeenschappelijke administratie, het uitoefenen van toezicht, het sturen van facturen etc. In hoeverre staan de Minister mogelijkheden tot zijn beschikking samenwerking te bevorderen of af te dwingen?

Het feit dat producenten producten uit diverse sectoren kunnen hebben en dat vanwege het specifieke sector vereiste van de Europese verordening inzake de integrale Gemeenschappelijke Marktordening geen overkoepelende producentenorganisaties kunnen worden erkend, doet zich voor in de tuinbouw- en akkerbouwsector. De Europese Commissie heeft op mijn verzoek verduidelijkt dat de verordening het mogelijk maakt dat producentenorganisaties voor diverse sectoren gezamenlijk onderdeel uit kunnen maken van een rechtspersoon. Onder die rechtspersoon hangen dan per sector de erkende organisaties. Ik kan de vorming van een dergelijke rechtspersoon niet afdwingen, maar ik verwacht dat een dergelijke constructie de effectieve samenwerking op administratief en logistiek gebied vergemakkelijkt. Juist in de tuinbouw- en akkerbouwsector, waarin samenwerking wordt gezocht, wordt aangegeven dat men wil werken aan de oprichting van sector-overstijgende producenten- en brancheorganisaties.

Hoeveel verzoeken heeft de Minister inmiddels ontvangen en hoeveel van de ingediende verzoeken zullen naar verwachting tijdig verwerkt worden?

Ik heb tot 29 september jl. zes officiële erkenningsaanvragen ontvangen en ik verwacht dat deze alle tijdig kunnen worden verwerkt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

In hoeverre bestaat het risico dat via een achterdeur alsnog verplichte heffingen ingevoerd kunnen worden?

Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 28 mei jl. (Kamerstuk 21 501-32 nr. 788) zal ik terughoudend omgaan met verzoeken tot collectieve financiering, maar sta ik welwillend tegenover verzoeken om collectieve financiering van onderzoek. Het verbindend verklaren van een financiële bijdragen wordt niet uitgesloten. Dit gaat niet via de achterdeur, ik heb in het debat van 3 september jl. over de Wet opheffing bedrijfslichamen aangegeven dit transparant te willen doen en ook uw Kamer hier over te informeren.

Welke mogelijkheden zijn er om via producentenorganisaties, brancheorganisaties en algemeen verbindend verklaringen de positie van agrarische producenten tegenover inkopers te versterken, bijvoorbeeld middels modelcontracten of afspraken om tijdig te betalen?

Erkende producenten- en brancheorganisaties kunnen – mits zij binnen de doelstellingen van de verordening opereren – de marktpositie van hun leden versterken. Het is aan de erkende organisaties om dit vorm te geven, bijvoorbeeld door gebruikmaking van modelcontracten. De verordening biedt het bedrijfsleven daarbij een (beperkte) verruiming van de Europese mededingingsregels, maar stelt óók grenzen ter bescherming van de mededinging, de consumenten en de goede werking van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Met name gelden specifieke eisen ten aanzien van onderling afgestemde gedragingen van erkende brancheorganisaties en ten aanzien van voorschriften die algemeen verbindend worden verklaard. Zo is de (beperkte) verruiming van de mededingingsregels voor brancheorganisaties uitsluitend aan de orde indien de Europese Commissie de betreffende gedragingen of overeenkomsten vooraf heeft getoetst aan in de verordening opgenomen criteria.

Welke mogelijkheden zijn er om via producenten organisaties, brancheorganisaties en algemeen verbindend verklaringen afspraken omtrent duurzaamheid, dierenwelzijn of gezondheid (bv antibioticagebruik) onder agrarische producenten algemeen verbindend te verklaren?

De Europese verordening biedt de mogelijkheid om voor activiteiten en maatregelen op deze onderwerpen c.q. doelen een algemeen verbindend verklaring aan te vragen. In mijn 28 mei jl. (Kamerstuk 21 501-32 nr. 788) heb ik aangegeven dat op de onderwerpen waarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is op basis waarvan ik maatregelen kan treffen, een algemeen verbindend verklaring niet aan de orde is. Voor een groot aantal onderwerpen op het terrein van dierenwelzijn en gezondheid is die wettelijke grondslag aanwezig. Als dat niet het geval is, kunnen maatregelen voor algemeen verbindend verklaring in aanmerking komen, mits zij voldoen aan de criteria van de regeling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA fractie stellen vast dat de Minister de motie Geurts/Dijkgraaf (Kamerstuk 33 910, nr. 14) niet volledig uitvoert. De leden van de CDA fractie verzoeken uitdrukkelijk om de motie wel volledig uit te voeren en geen extra eisen te stellen bovenop Verordening 1308/2013.

Ik ben van mening dat met de ontwerpregeling de motie Geurts/Dijkgraaf wordt uitgevoerd omdat de regeling het mogelijk maakt – indien deze op korte termijn in werking kan treden – dat producenten- en brancheorganisaties voor 1 januari 2015 kunnen worden erkend en bij de erkenning geen verzwarende nationale eisen worden gesteld. De regeling bevat uitsluitend de minimumeisen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de verordening en bevat geen nationale kop.

Waarom wordt de motie niet volledig uitgevoerd, met name waarom gaan de eisen die gesteld worden aan algemeen verbindend verklaringen verder dan de Europese verordening?

De verordening laat de lidstaat de ruimte om invulling te geven aan de mogelijkheid om producenten- en brancheorganisaties te erkennen en verzoeken tot verbindend verklaring te honoreren. De motie heeft betrekking op de erkenning van producenten- en brancheorganisaties en niet op het algemeen verbindend verklaren. Ik stel geen aanvullende eisen aan de erkenning. Gelet op de factoren die hebben geleid tot de opheffing van het PBO-stelsel houd ik mij bij de invulling van de mogelijkheid tot verbindend verklaren het recht voor om die verzoeken per concreet geval op hun merites en conformiteit aan de Europese voorwaarden te toetsen.

Is de ontwerpregeling opgesteld in overleg met vertegenwoordigers van de landbouwsectoren? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen of er nog overleg zal worden gevoerd over de ontwerpregeling met vertegenwoordigers van de landbouwsectoren? Zo nee, waarom niet?

Ja, er zijn diverse overleggen met vertegenwoordigers van verschillende sectoren gehouden en er is rekening gehouden met opmerkingen van de sectorpartijen voor zover mogelijk binnen de kaders van de Europese verordening.

Kan de Minister precies aangeven welke delen van de ontwerpregeling producenten- en brancheorganisaties voortvloeien uit de (Europese) Verordening 1308/2013 en welke delen van de regeling aanvullend zijn opgesteld door zijn ministerie?

De paragrafen 2, 3 en 4 van de ontwerpregeling hebben betrekking op de erkenning van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties. Deze paragrafen vloeien voort uit de verordening. De gegevens die op grond van deze paragrafen moeten worden verstrekt bij het aanvragen van een erkenning vloeien voort uit de eisen die de verordening aan erkenning stelt en maken het mogelijk dat ik – overeenkomstig de verplichtingen die de verordening de lidstaat oplegt – de verordening goed kan uitvoeren en kan handhaven.

De verordening stelt dat de lidstaat het minimum aantal leden moet vaststellen voor een producentenorganisatie. Hieraan geeft artikel 2:2 gevolg. Ten aanzien van brancheorganisaties stelt de verordening dat deze een aanzienlijk deel van de in verordening genoemde economische activiteiten vertegenwoordigt om voor erkenning in aanmerking te komen. Om goede uitvoering te mogelijk te maken is in artikel 4:2 van de ontwerpregeling bepaald dat «een aanzienlijk deel van de economische activiteiten» ten minste 25% bedraagt van de bij de organisatie betrokken producenten en ten minste 25% van de bij de organisatie betrokken distributeurs, verwerkers of handelaren.

Paragraaf 5 van de ontwerpregeling betreft de algemeen verbindend verklaring van voorschriften en van verplichte financiële bijdragen. De artikelen van deze paragraaf zijn minimaal nodig om uitvoering te kunnen geven aan de verordening. Artikel 5:2 is een nadere nationale invulling; de artikelen 164 tot en met 165 van de verordening biedt de lidstaten immers de mogelijkheid om over te gaan tot algemeen verbindend verklaringen of het opleggen van verplichte financiële bijdragen indien aan de minimumeisen van deze artikelen wordt voldaan. Zoals ik in de brief van 28 mei jl. aan uw Kamer heb aangegeven en ook in het debat met uw Kamer aan de orde is gesteld, heb ik gekozen voor een ruime toepassingsmogelijkheid. Dat betekent dat, zoals voortvloeit uit artikel 5:1, geen van in de verordening opgenomen doelen waar een verzoek tot algemeen verbindend verklaring betrekking op moet hebben op voorhand wordt uitgesloten. Echter, zoals ik tevens heb aangegeven wil ik herintroductie van mechanismen die mede reden vormen tot opheffing van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie voorkomen.

Daarom stelt artikel 5:2 de door mij noodzakelijk geachte grenzen aan de mogelijkheid om over te gaan tot algemeen verbindend verklaringen of tot het opleggen van financiële bijdragen aan niet bij erkende organisaties aangeslotenen.

Kan de Minister aangeven of er sprake is van een nationale kop op de Europese verordening 1308/2013? Zo nee, waarom niet?

Er is alleen sprake van een nationale kop in het geval een in een Europese verordening of richtlijn opgelegde norm nationaal wordt aangescherpt. Dit is niet het geval, de verordening biedt de lidstaten de mogelijkheid om daaraan invulling te geven. Indien opgepakt biedt de verordening de lidstaat ruimte de uitvoering van de verordening operationeel te maken en daarmee duidelijk voor de betrokkenen.

De leden van de CDA fractie vragen om een lijst te geven van voorwaarden waarop het ontwerpbesluit verder gaat dan verordening 1308/2013.

De voorwaarden van de ontwerpregeling gaan niet verder dan verordening 1308/2013. Indien de lidstaat ervoor kiest uitvoering te geven aan de mogelijkheden die verordening biedt voor erkenning van organisaties, algemeen verbindend verklaring of het opleggen van financiële bijdragen, geeft de verordening de lidstaat op onderdelen ruimte voor nationale invulling. Ten aanzien van de algemeen verbindend verklaring en het opleggen van financiële bijdragen, heb ik in artikel 5:2 van de ontwerpregeling van die ruimte gebruik maakt.

De leden van de CDA fractie vragen de Minister of de volgende elementen vereist zijn op basis van verordening 1308/2013:

  • Artikel 2:3 (j), artikel 3:2 (j), artikel 4:3 (i)

  • Artikel 5:4

  • Artikel 5:5 (e)

  • Artikel 5:6

Ja, de artikelen 2:3, 3:2 en 4:3 zijn noodzakelijk om te kunnen toetsen of een organisatie voldoet een de vereisten die de verordening stelt aan de erkenning.

De andere artikelen zijn noodzakelijk om goede uitvoering te kunnen geven aan de artikelen 164 en 165 van de verordening (de algemeen verbindend verklaring en de verplichte financiële bijdragen).

– Toelichting 2.1: in welk artikel van de verordening staat dat erkenningsvoorwaarden «moeten» worden uitgewerkt?

Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om organisaties te erkennen, dan vragen de artikelen 152 en 157 de lidstaten nadere invulling te geven aan de erkenningsvereisten met betrekking tot minimale omvang van de organisaties.

De leden van de CDA fractie zouden graag een overzicht van alle Europese lidstaten willen ontvangen hoe zij de erkenningsvoorwaarden hebben uitgewerkt?

Dat overzicht is niet voor handen.

Kan de Minister per voorwaarde toelichten of Nederland deze strenger interpreteert ten opzichte van de andere Europese lidstaten?

Omdat een overzicht per lidstaat niet voorhanden is, kan een specifieke vergelijking met andere lidstaten niet plaats vinden. Ten algemene is bekend dat een aantal lidstaten, waaronder Duitsland en Verenigd Koninkrijk, de mogelijkheid van verbindend verklaring niet toepassen.

– Toelichting 2.1.3: waarom zijn lidstaten verplicht om producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten te erkennen en waarom geldt deze verplichting niet voor andere sectoren?

Dat is vastgelegd in verordening 1308/2013 als uitkomst van de onderhandelingen indertijd. Daar kan ik niet van afwijken.

– Toelichting 2.2.2: in welk artikel van de verordening staat dat een voorwaarde voor een algemeen verbindend verklaring is dat deze maatregel «geen concurrentieverstoringen teweeg kan brengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid»?

Uit artikel 164, vierde lid, van de verordening volgt dat voorschriften die algemeen verbindend worden verklaard andere marktdeelnemers in de betrokken lidstaat of in de Unie geen schade mogen berokkenen, geen van de in artikel 210, vierde lid, van de verordening bedoelde gevolgen mogen hebben en niet op andere wijze onverenigbaar zijn met het Europese recht of met vigerende nationale voorschriften. Eén van de in artikel 210, vierde lid, opgesomde vijf voorwaarden is dat de goede werking van de marktordening niet in gevaar mag worden gebracht.

Toelichting 2.2.2: in welk artikel van de verordening staat dat een maatregel niet algemeen verbindend verklaard kan worden indien er een wettelijke grondslag is in de nationale regelgeving voor deze maatregel?

Dit is een invulling van de nationale ruimte en ingegeven door de factoren die tot de opheffing van het PBO-stelsel hebben geleid. Indien dergelijke maatregelen noodzakelijk worden geacht, betreft dit naar aard publieke taken die op basis van de bestaande wettelijke grondslag door mij kunnen worden genomen.

– Toelichting 2.2.2: in welk artikel van de verordening staat dat een maatregel niet algemeen verbindend verklaard kan worden als deze het «vrij ondernemerschap» onredelijk inperkt?

Dit is een invulling van de nationale ruimte en ingegeven door de factoren die tot de opheffing van het PBO-stelsel hebben geleid. Ik vind het ongewenst als het vrije ondernemerschap te veel wordt ingeperkt. Indien maatregelen die een dergelijke impact hebben absoluut noodzakelijk zijn, dan dienen die publiek geregeld en gehandhaafd te worden.

De leden van de CDA fractie zijn bezorgd dat de opstelling van de Minister ertoe leidt dat er niet meer aan zelfregulering gedaan kan worden door het bedrijfsleven? Graag een toelichting op dit punt.

Zelfregulering blijft mogelijk. Op vrijwillige basis immers kunnen sectorpartijen, voor zover dat binnen de wettelijke kaders met betrekking tot bijvoorbeeld de mededinging valt, samenwerkingsafspraken maken. De verordening biedt voor erkende organisaties wat dat betreft extra mogelijkheden voor zover de kaders van de verordening daarbij in acht worden genomen. Verzoeken om algemeen verbindend verklaring zullen per concreet geval op hun merites en conformiteit aan de Europese voorwaarden worden getoetst.

– Toelichting 2.2.3: De leden van de CDA fractie lezen dat indien de Minister een toelichting ontvangt van een erkende organisatie dat strekt tot het verplichten van het afdragen van een financiële bijdrage door marktdeelnemers die niet bij die erkende organisatie zijn aangesloten dit wordt gepubliceerd op de website van de RVO.nl? Kan de Minister toelichten waarom hij het noodzakelijk vindt om een dergelijke toelichting te publiceren op de website van de RVO? Kan de Minister toelichten hoe dit voornemen in relatie staat tot de representativiteitstoets?

De eis tot raadpleging van niet aangesloten marktdeelnemers vloeit voort uit artikel 165 van verordening 1308/2013. De raadpleging heeft tot doel vast te stellen of de gevraagde bijdrage proportioneel is en van toepassing dient te zijn op alle bij het betrokken product betrokken marktdeelnemers of dat er mogelijk uitzonderingen moeten worden gemaakt. Op de RVO website zal bekend worden gemaakt dat een verzoek tot het opleggen van een financiële bijdrage is ontvangen en dat via de overheidswebsite voor internetconsultaties – overeenkomstig het vereiste van de verordening – een raadpleging zal plaatsvinden. Op de overheidswebsite zal die informatie uit het verzoek worden geplaatst die noodzakelijk is voor belanghebbenden om tot een gefundeerd oordeel te kunnen komen.

– Toelichting 2.3: in welk artikel van de verordening staat dat voor de algemeen verbindend verklaring van een maatregel van een brancheorganisatie het nodig is om deze te melden bij de Europese Commissie?

Dit vloeit voort uit artikel 210 van de verordening en strookt met de uitleg die de Europese Commissie geeft aan de uitvoering van dat artikel. Met deze uitvoering wordt voorkomen dat de Europese Commissie – nadat de lidstaat een algemeen verbindend verklaring heeft afgegeven – oordeelt dat het betreffende voorschrift niet in overeenstemming is met de mededingingsrechtelijke aspecten van artikel 210.

De leden van de CDA fractie lezen dat de behandelingstermijn voor een erkenningsaanvraag op grond van de verordening maximaal 4 maanden bedraag en dat op grond van het algemeen bestuursrecht de behandelingstermijn van een verzoek tot verbindend verklaring in beginsel 8 weken bedraagt. Kan de Minister toelichten welke termijn hij gaat hanteren?

Voor de erkenningsaanvraag geldt een andere termijn dan voor het verzoek tot verbindend verklaring, namelijk respectievelijk 4 maanden en 8 weken. De Europese verordening heeft enkel een behandelingstermijn gesteld voor een erkenningsaanvraag, voor de behandeling van verzoeken tot algemeen verbindend verklaring geldt het nationaal recht en dat is in dit geval het algemeen bestuursrecht. Ik hanteer de wettelijk voorgeschreven termijnen en uiteraard zal ik binnen dat kader zo spoedig mogelijk beslissen.

Aan welke eisen moeten de administratie van een producentenorganisatie en brancheorganisatie moet voldoen? Wat betekent in dit verband het gestelde in art. 4.3, lid h van de ontwerpregeling (verwijzing naar art. 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)?

De administratie moet voldoen aan de eisen die worden gesteld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

In artikel 5.2 van de ontwerpregeling wordt gesteld dat de Minister geen «uitbreiding van voorschriften en verplichte financiële bijdragen» (AVV) zal verlenen als sprake is van onevenredige inbreuk op de ondernemersvrijheid. Kan de Minister het begrip van «onevenredige inbreuk» nader duiden? Wat betekent deze formulering bijvoorbeeld in geval een brancheorganisatie over wil gaan tot maatregelen ter verplichte bestrijding van IBR of BVD in Nederland?

Er is sprake van een onevenredige inbreuk op de ondernemersvrijheid als de vrije keuze van de ondernemer te veel wordt ingeperkt, bijvoorbeeld in geval van verplichte deelname aan bepaalde kwaliteitssystemen. Eventuele maatregelen ter bestrijding van Infectieuze bovine rhinotracheitis (IBR) of bovine virus diarree (BVD) zullen onder andere op dit criterium worden beoordeeld. Ik kan daar niet op voorhand een uitspraak over doen: of er sprake is van een onevenredige inbreuk op de ondernemersvrijheid is afhankelijk van de exacte maatregelen.

In art. 5.3. wordt omschreven dat een producentenorganisatie of een brancheorganisatie moet toezien op iedere marktdeelnemer (dus ook niet-leden van een producentenorganisatie en niet-leden van de organisaties in een brancheorganisatie). Tevens moeten producentenorganisaties en brancheorganisaties sancties treffen tegen een marktdeelnemer die een voorschrift niet naleeft of de financiële bijdrage niet levert. Hoe kan dit in de praktijk eruit komen te zien?

Hoe het sanctiebeleid van een erkende organisatie er in de praktijk uit zal komen te zien, kan ik u op voorhand niet zeggen. Ik acht het namelijk de taak van de betrokken private organisaties om voor te schrijven hoe de handhaving van de private taken plaats moet vinden. Dat is ook bij deze vorm van zelfregulering de verantwoordelijkheid van de organisaties.

Is de Minister bereid om te bezien of ook onderdelen, bijvoorbeeld administratie of handhaving, van de rijksoverheid een rol kunnen spelen op het terrein van toezicht en handhaving? Zo nee, waarom niet?

Gelet op het feit dat het private taken betreft, acht ik een rol voor de rijksoverheid niet weggelegd. Een erkende organisatie kan wel een verzoek tot algemeen verbindend verklaring vergezeld doen gaan van een verzoek tot het verbindend verklaren van een verplichte registratie voor niet bij de organisatie aangesloten marktdeelnemers op wie het voorschrift van toepassing is verklaard.

Voor het toezicht op en sanctioneren van deelnemers moeten de bedrijfsgegevens van die deelnemers bekend zijn bij de producentenorganisatie of de brancheorganisatie. Op welke wijze producentenorganisaties of brancheorganisaties kunnen beschikken over de bedrijfsgegevens van de niet-leden? En hoe kan een producentenorganisatie of een brancheorganisatie aantonen dat zij een bepaald marktaandeel hebben en daarmee aan de voorwaarden van een algemeen verbindend verklaring voldoen, terwijl zij niet beschikken over deze gegevens.

Voor de handhaving van een algemeen verbindend verklaard voorschrift zal de erkende organisatie de niet bij de organisatie aangesloten bedrijven in beeld moeten brengen. Het daarvoor verstrekken van overheidsgegevens aan de private organisaties is, in verband met privacy regelgeving, in beginsel niet mogelijk. Zoals ik hiervoor heb aangegeven kan een organisatie mij echter wel verzoeken om niet bij de organisatie aangesloten marktdeelnemers te verplichten zich te registreren bij die organisatie.

Bij het aantonen of aan de representativiteitseis is voldaan, kan ik de gegevens waarover de PO of BO beschikt vergelijken met de bij de overheid beschikbare gegevens.

In art. 5.4. wordt gesteld dat een verzoek tot algemeen verbindend verklaring vergezeld dient te gaan van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de leden van een producentenorganisatie en de leden van de organisaties die deelnemen in een brancheorganisatie zich zullen houden aan de voorschriften en/of een financiële bijdrage zullen afdragen. Impliceert deze voorwaarde dat vooraf aan de maatregel alle leden van de producentenorganisatie of brancheorganisatie eerst schriftelijk moeten toestemmen met een maatregel die algemeen verbindend wordt verklaard? Zo ja, hoe kan dan de hele sector worden verplicht om deel te nemen aan maatregelen ten behoeve van het algemeen belang op het terrein van voedselveiligheid, diergezondheid en plantgezondheid?

Het verbindend verklaarde voorschrift of de afdracht van de financiële bijdrage heeft alleen betrekking op niet-leden. De erkende organisatie dient bewijsmateriaal aan te leveren waaruit blijkt dat de leden, of ondernemers die door de leden (van brancheorganisaties) worden vertegenwoordigd, het verbindend verklaarde voorschrift zullen uitvoeren of de bijdrage zullen afdragen. Dit kan bijvoorbeeld via de lidmaatschapsvoorwaarde, maar ook op een andere meer generieke wijze. De regeling geeft de sector de ruimte om dit op een passende wijze te regelen.

Deelt de Minister het beeld van de leden van de CDA fractie dat het vragen van toestemming of financiering vooraf aan alle leden het feitelijk onmogelijk maakt om een maatregel algemeen verbindend verklaard te laten worden? Kan de Minister duiden in hoeverre dit een drempel kan zijn voor de sector om een algemeen verbindend verklaring te initiëren? De leden van de CDA fractie verwachten dat dit vereiste leidt tot grote administratieve lasten voor de initiatiefnemers voor een producentenorganisatie. Is de Minister het eens met deze leden dat deze grote administratieve last voorkomen moet worden? Kan de Minister toelichten aan deze leden welke meerwaarde het heeft om van elke marktdeelnemer een schriftelijke verklaring te ontvangen?

Zoals uit het antwoord op de vorige vraag blijkt, gaat het niet om individuele verklaringen. Het is aan de erkende organisatie om hier invulling aan te geven. De genoemde bezwaren hoeven zich daarbij niet voor te doen.

De ontwerpregeling schrijft voor dat een erkende brancheorganisatie voorafgaand aan een verzoek tot algemeen verbindend verklaring de maatregel aan de Europese Commissie moet hebben gemeld om de Europese Commissie te laten oordelen of de maatregel in kwestie verenigbaar is met de Europese mededingingsregels. Kan de Minister aangeven waarom hij deze nationale kop op Europese regelgeving heeft opgenomen in het ontwerpbesluit?

Het gaat hier niet om een nationale kop maar om een vereiste dat voortvloeit uit de Europese verordening. Ik verwijs naar mijn antwoord op uw vraag over «toelichting 2:3».

Waarom wordt een verzoek van een producentenorganisatie of brancheorganisatie om een maatregel algemeen verbindend te verklaren niet gehonoreerd als er al een wettelijke grondslag is?

Een wettelijke grondslag betekent dat er een publieke taak ligt en die wordt door de overheid ingevuld. Een algemeen verbindend verklaring heeft betrekking op private taken. Dit onderscheid ligt ook ten grondslag aan de opheffing van de PBO en de overdracht van de publieke taken van de PBO naar de rijksoverheid.

Is het door deze randvoorwaarde niet onmogelijk om maatregelen algemeen verbindend te laten verklaren betreffende voedselveiligheid, dierenwelzijn, kwaliteitseisen, fytosanitaire aspecten, etc?

Zoals ik hiervoor heb aangegeven is voor onderwerpen waarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is op basis waarvan ik maatregelen kan treffen, een algemeen verbindend verklaring niet aan de orde. Onderwerpen die daar buiten vallen komen voor algemeen verbindend verklaring in aanmerking, mits zij binnen de doelstellingen van de verordening passen.

Welke gevolgen heeft het uitblijven van financiering door het ontbreken van de mogelijkheid om maatregelen van producentenorganisaties of brancheorganisaties algemeen verbindend te laten verklaren voor de bijdrage van de agrarische sector aan kennis en innovatie voor bijvoorbeeld de Wageningen UR en Dienst Landbouwkundig Onderzoek? Welke gevolgen zal dit hebben voor de financiering van het topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen?

Zoals aangegeven in mijn brief van 28 mei jl. (Kamerstuk 21 501-32 nr. 788) en in het debat met uw Kamer op 3 september jl., sta ik welwillend tegenover het algemeen verbindend verklaren van voorschriften en heffingen met betrekking tot onderzoek en innovatie. Mocht dat in praktijk onverhoopt minder collectieve financiering opleveren, dan zal het aandeel private financiering kleiner worden.

Voor de akkerbouw en de biologische sector is het vanwege de Europese voorwaarde lastig om een producentenorganisatie of brancheorganisatie op te richten. Bijvoorbeeld de akkerbouw zou voor elk gewas een producentenorganisatie moeten oprichten. Is de Minister bereid samen met deze sectoren naar een oplossing te zoeken? Is het mogelijk voor bijvoorbeeld de biologische sector om een productgroep overschrijdende brancheorganisatie op te richten, zo vragen deze leden. Zo nee, is de Minister bereidt om de Europese Commissie te benaderen om hiervoor een oplossing te vinden?

De Europese Commissie heeft op mijn verzoek verduidelijkt dat de verordening het mogelijk maakt dat producenten- en brancheorganisaties voor diverse specifieke sectoren gezamenlijk onderdeel uit kunnen maken van een rechtspersoon. Onder die rechtspersoon hangen dan per sector de erkende organisaties. Dit geldt ook voor de biologische sector. Voor de praktische uitwerking hiervan zijn de Staatssecretaris en ik bereid tot overleg met het bedrijfsleven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie vinden dat de agrarische sector ruimte moet krijgen om via producenten- en brancheorganisaties haar economische en maatschappelijke belangen te dienen. De voorliggende ontwerpregeling lijkt dit onnodig in te perken.

LTO heeft inmiddels aangegeven dat de ontwerpregeling en met name de bepalingen met betrekking tot het algemeen bindend verklaren praktisch niet uitvoerbaar zijn en het bijkans onmogelijk maken om een algemeen bindend verklaring te krijgen. Ook geeft LTO aan dat de voorschriften voor toezicht, handhaving en sanctionering zeer zwaar zijn. Is de Minister van plan op korte termijn in overleg te gaan met LTO om te kijken hoe een beter werkbare en op de praktijk aangesloten regeling opgesteld kan worden?

Er zijn diverse overleggen met vertegenwoordigers van verschillende sectoren gehouden waaronder de LTO. Ik heb rekening gehouden met het commentaar van de sectorpartijen voor zover mogelijk binnen de kaders van de Europese verordening. De ontwerpregeling bevat slechts de minimaal noodzakelijk voorschriften voor een goede uitvoering van de verordening en biedt daarmee de sectoren zo veel mogelijk ruimte.

De formulering van artikel 5:2 veronderstelt dat de in dit artikel genoemde voorwaarden (onderdelen a en b) rechtstreeks voortvloeien uit de in de Verordening genoemde voorwaarden. Is deze veronderstelling juist? Stelt de Minister inderdaad geen aanvullende voorwaarden, omdat de voorwaarden uit de Verordening al voldoende inkadering bieden? Zo nee, kan de Minister toelichten hoe hij beide voorwaarden/bepalingen ziet ten opzichte van de in de Verordening gegeven voorwaarden?

De verordening biedt de lidstaten de ruimte om nadere voorwaarden te stellen aan de algemeen verbindend verklaring en het opleggen van financiële bijdragen. De formulering van artikel 5:2 betreft de invulling die ik aan die ruimte geef.

Is de veronderstelling van de leden van de SGP-fractie juist dat voor enkele doelen waarvoor op grond van de Verordening (artikel 163, vierde lid) voorschriften gesteld mogen worden het dan erg lastig wordt om in de praktijk voorschriften te stellen? Zij doelen dan met name op «productievoorschriften die stringenter zijn dan de in de nationale of de regelgeving van de Unie vastgestelde voorschriften» (onderdeel b), «milieubescherming» en «de gezondheid van dieren of planten of de voedselveiligheid», omdat ze schijnbaar per definitie in strijd zijn met onderdeel a van artikel 5:2 of vanwege bestaande wetgeving op het gebied van milieubescherming, plant- en diergezondheid en volksgezondheid. Acht de Minister dat wenselijk?

De verordening biedt de mogelijkheid om voorschriften algemeen verbindend te verklaren indien de voorschriften gericht zijn op de in artikel 164, derde lid, genoemde doelen. De ontwerpregeling perkt deze ruimte niet in. Indien er echter een wettelijke grondslag is om een voorschrift – dat weliswaar gericht is op de hiervoor bedoelde doelen uit de verordening – uit te kunnen voeren, dan acht ik dat een publieke taak die – indien nodig – door de overheid moet worden ingevuld. Het ligt voor de hand dat er voor veel voorschriften die betrekking hebben op de in de vraag genoemde beleidsterreinen inderdaad een wettelijke grondslag zal zijn die daarmee de ruimte voor algemeen verbindend verklaringen inkadert. Ik vind dat ook wenselijk omdat publiek taken – die veelal betrekking hebben op milieubescherming, plant- en diergezondheid en volksgezondheid – de verantwoordelijkheid van de overheid zijn. Het is aan het bedrijfsleven taken te ontwikkelen die buiten het publieke domein liggen en doelmatig zijn voor algemeen verbindend verklaringen.

Hoe verhoudt de schijnbaar zeer terughoudende opstelling van de Minister ten aanzien van het algemeen bindend verklaren van voorschriften zich tot het advies van de commissie Van Doorn en de afspraken die via het Verbond van Den Bosch gemaakt zijn? De regering heeft zich eerder positief uitgesproken over dit advies en de gemaakte afspraken. Is de veronderstelling juist dat het algemeen bindend verklaren van voorschriften een belangrijke bijdrage zou moeten leveren aan de gewenste publiekrechtelijke borging van integrale ketenafspraken en het voorkomen en aanpakken van free riders? Hoe ziet de Minister dit?

Het advies van de commissie Van Doorn gaat uit van een gecoördineerde ketenaanpak van de verduurzaming van de dierlijke productieketens op basis van privaatrechtelijke afspraken die verdergaan dan de wettelijke normen. Borging en handhaving vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de betreffende ketenpartijen via ketenkwaliteitssystemen. Deelname vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Ik zie daarbij geen rol voor algemeen verbindend verklaringen van voorschriften van producenten- of brancheverenigingen.

Waarom kiest de Minister ervoor om producenten- en brancheorganisaties te erkennen tot 31 december 2020, terwijl de nieuwe Europese GMO-verordening deze deadline alleen oplegt aan producenten- en brancheorganisaties in de zuivelsector?

Eind 2020 loopt de GMO-verordening af. Het beperken van de erkenningen tot het eind van de looptijd geeft dan juist meer duidelijkheid en rechtszekerheid, aangezien vooruit kan worden gelopen op nieuwe Europese regelgeving.