Gepubliceerd: 6 februari 2014
Indiener(s): Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: ouderen sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33863-2.html
ID: 33863-2

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enkele andere wetten te wijzigen in verband met het van toepassing worden van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten, alsmede enkele andere wijzigingen door te voeren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Pensioenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 57 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien na toepassing van het eerste of tweede lid de gewezen partner overlijdt voordat de deelnemer of gewezen deelnemer overlijdt, maakt de aanspraak op het partnerpensioen vanaf het moment van overlijden van de gewezen partner weer deel uit van de pensioenaanspraken van de deelnemer of gewezen deelnemer, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover dit in de betrokken pensioenregeling is bepaald.

B

In artikel 65, eerste lid, wordt «artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht» vervangen door: artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht.

C

In artikel 72, onderdeel b, wordt «artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht» vervangen door: artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht.

D

Artikel 104, tiende lid, komt te luiden:

  • 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake dit artikel die onder meer betrekking hebben op de bevoegdheden van de raad van toezicht ten aanzien van benoeming en ontslag van bestuurders.

E

In artikel 135, vierde lid, wordt «mensenrechten en sociale verhoudingen» vervangen door: mensenrechten, sociale verhoudingen en de mate waarin het pensioenfonds investeert in Nederland.

F

Artikel 153 komt te luiden:

Artikel 153. Kwaliteitseisen

In aanvulling op artikel 19, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen draagt de toezichthouder met betrekking tot de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor een voor de onder toezicht staanden kenbare, transparante en consistente uitvoering.

G

Artikel 163 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van het artikel komt te luiden:

Artikel 163. Uitvoeringstoezicht

2. Het tweede lid, vervalt, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

H

Artikel 164, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Indien Onze Minister de toezichthouder gegevens of inlichtingen vraagt die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd, geschiedt de verstrekking daarvan met inachtneming van dit artikel.

I

Artikel 166 komt te luiden:

Artikel 166. Taakverwaarlozing

De bevoegdheid om de noodzakelijke voorzieningen te treffen, genoemd in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, alsmede de verplichtingen, genoemd in artikel 23, tweede en derde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, worden ten aanzien van ernstige verwaarlozing door de toezichthouder van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken uitgeoefend dan wel uitgevoerd door Onze Minister.

J

Na artikel 166 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 166a. Beleidsregels door Onze Minister

  • 1. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de toepassing door de toezichthouders van Hoofdstuk 7.

  • 2. De beleidsregels worden in de Staatscourant bekendgemaakt.

K

Artikel 214 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «Onze Minister zendt» ingevoegd: in aanvulling op artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

2. Het tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De verplichting om elke vijf jaar een verslag aan beide kamers der Staten-Generaal te zenden ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, berust ten aanzien van het functioneren van de toezichthouder op grond van deze wet bij Onze Minister.

ARTIKEL II

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt in de definitie van beroepspensioenvereniging «het lidmaatschap van enig andere organisatie» vervangen door: het lidmaatschap van enig andere organisatie of uit het deelnemen in een beroepspensioenregeling.

B

Aan artikel 68 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien na toepassing van het eerste of tweede lid de gewezen partner overlijdt voordat de deelnemer of gewezen deelnemer overlijdt, maakt de aanspraak op het partnerpensioen vanaf het moment van overlijden van de gewezen partner weer deel uit van de pensioenaanspraken van de deelnemer of gewezen deelnemer, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover dit in de betrokken beroepspensioenregeling is bepaald.

C

In artikel 77, eerste lid, wordt «artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht» vervangen door: artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht.

D

In artikel 83, onderdeel b, wordt «artikel 3:161 van de Wet op het financieel toezicht» vervangen door: artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht.

E

Artikel 110a, tiende lid, komt te luiden:

  • 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake dit artikel die onder meer betrekking hebben op de bevoegdheden van de raad van toezicht ten aanzien van benoeming en ontslag van bestuurders.

F

In artikel 130, vierde lid, wordt «mensenrechten en sociale verhoudingen» vervangen door: mensenrechten, sociale verhoudingen en de mate waarin het pensioenfonds investeert in Nederland.

G

Artikel 148 komt te luiden:

Artikel 148. Kwaliteitseisen

In aanvulling op artikel 19, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen draagt de toezichthouder met betrekking tot de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor een voor de onder toezicht staanden kenbare, transparante en consistente uitvoering.

H

Artikel 158 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van het artikel komt te luiden:

Artikel 158. Uitvoeringstoezicht

2. Het tweede lid, vervalt, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

I

Artikel 159, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Indien Onze Minister de toezichthouder gegevens of inlichtingen vraagt die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd, geschiedt de verstrekking daarvan met inachtneming van dit artikel.

J

Artikel 161 komt te luiden:

Artikel 161. Taakverwaarlozing

De bevoegdheid om de noodzakelijke voorzieningen te treffen, genoemd in artikel 23, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, alsmede de verplichtingen, genoemd in artikel 23, tweede en derde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, worden ten aanzien van ernstige verwaarlozing door de toezichthouder van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken uitgeoefend dan wel uitgevoerd door Onze Minister.

K

Na artikel 161 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 161a. Beleidsregels door Onze Minister

  • 1. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de toepassing door de toezichthouders van Hoofdstuk 6.

  • 2. De beleidsregels worden in de Staatscourant bekendgemaakt.

L

In artikel 171, eerste lid, wordt «108,» vervangen door: 108, 109a,.

M

Artikel 208 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «Onze Minister zendt» ingevoegd: in aanvulling op artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De verplichting om elke vijf jaar een verslag aan beide kamers der Staten-Generaal te zenden ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, berust ten aanzien van het functioneren van de toezichthouder op grond van deze wet bij Onze Minister.

ARTIKEL III

In artikel 17, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 wordt «166» vervangen door: 166a.

ARTIKEL IV

In artikel 5, tweede lid, van de Wet privatisering FVP wordt «166» vervangen door: 166a.

ARTIKEL V

Artikel 113c van de Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De artikelen 1, 2, 17, 20, tweede en derde lid, 21, 22 tot en met 106, 109a tot en met 213 en 214, met uitzondering van het eerste en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn van toepassing.

2. Het derde lid vervalt.

ARTIKEL VI

De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel VII wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds» vervangen door: De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

2. Onderdeel A komt te luiden:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Van de verplichtstelling zijn uitgesloten:

    • a. arbitrale bedingen als bedoeld in artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • b. pensioenregelingen die niet blijven binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 en die niet krachtens artikel 19d van die wet zijn aangewezen, behalve indien en zolang de in artikel 18a van die wet opgenomen begrenzingen op grond van hoofdstuk VIII van die wet op die pensioenregelingen niet van toepassing zijn.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, zijn de artikelen 3.18, vierde en vijfde lid, en 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsmede de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.

3. Onderdeel B komt te luiden:

B

Artikel 10, eerste lid, tweede zin, komt te luiden: Artikel 2, tweede lid, onderdelen a, d, e en f, derde lid, vierde lid en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel XI wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden: De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

2. Onderdeel A komt te luiden:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Van de verplichtstelling zijn uitgesloten:

    • a. arbitrale bedingen als bedoeld in artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • b. beroepspensioenregelingen die niet blijven binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 en die niet krachtens artikel 19d van die wet zijn aangewezen, behalve indien en zolang de in artikel 18a van die wet opgenomen begrenzingen op grond van hoofdstuk VIII van die wet op die beroepspensioenregelingen niet van toepassing zijn.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, zijn de artikelen 3.18, vierde en vijfde lid, en 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsmede de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.

3. Onderdeel B komt te luiden:

B

In artikel 9, tweede lid, wordt «Artikel 5, derde lid» vervangen door: Artikel 5, tweede tot en met vierde lid,.

ARTIKEL VII

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL VIII

Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet pensioenen 2014.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,