Gepubliceerd: 11 oktober 2013
Indiener(s): Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: openbare orde en veiligheid organisatie en beleid recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33771-3.html
ID: 33771-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Hoewel wetsvoorstellen gewoonlijk een zorgvuldige departementale voorbereiding kennen, is het onvermijdelijk dat in de vele (wijzigings)wetten die jaarlijks vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie tot stand komen, zo nu en dan wetstechnische onvolkomenheden sluipen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verschrijvingen, foutieve verwijzingen, terminologische onzuiverheden en dergelijke. Met het oog op de kwaliteit van wetgeving is het wenselijk dat dit soort gebreken en omissies op enig moment worden hersteld. Soms kan dit door de benodigde wijziging op te nemen in een al lopend wetsvoorstel. Als dit niet mogelijk is, kan alleen een apart wetsvoorstel worden ingediend. Doorgaans geniet dit niet de voorkeur. Voorkomen moet worden dat het parlement zich voortdurend moet buigen over wetsvoorstellen met een louter technisch karakter. Daarom wordt op het Ministerie van Veiligheid en Justitie eens in de zoveel jaar een wet tot stand gebracht die meerdere wijzigingen van ondergeschikte aard samenbundelt. Een dergelijke wet wordt ook wel aangeduid als een «verzamelwet», «reparatiewet» of «veegwet».

Het onderhavige wetsvoorstel heeft het karakter van een «verzamelwet». Het brengt wijzigingen aan in onder meer het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet, de Wet Bibob, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en in verschillende BES-wetten. Verreweg de meeste artikelen repareren wetstechnische gebreken of brengen inhoudelijke wijzigingen van ondergeschikte aard aan (zie voor dit laatste bijvoorbeeld artikel XXV, onderdeel B en artikel XLV). De reden voor de voorgestelde wijziging is in veel gevallen zo vanzelfsprekend dat met een (zeer) summiere toelichting kan worden volstaan. Waar dit niet het geval is, is een meer uitgebreide toelichting opgenomen. Daarnaast bevat het wetsvoorstel ook een enkele bepaling met een wat verdergaande strekking (zie artikel XXI). Dit artikel is opgenomen omdat het thematisch aansluit op andere bepalingen uit het wetsvoorstel. Bovendien is de daarin voorgestelde wijziging niet dermate omvangrijk en complex dat zij een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigt.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om verschillende bepalingen aan te passen aan het Besluit van 14 oktober 2010, houdende naamswijziging van het Ministerie van Justitie (Stcr. 2010, 16523), waarbij de naam van het Ministerie van Justitie is gewijzigd in Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daartoe is in verschillende wetten de aanduiding «Minister van Justitie», of een variant daarop, vervangen door «Minister van Veiligheid en Justitie».

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

In het Besluit van 24 juni 2010 (Stb. 2010, nr. 252), dat onder meer de inwerkingtreding van de Aanpassingswet veiligheidsregio’s regelde, waren twee artikelen uitgezonderd: artikel XXI, de onderdelen B en C, en artikel XXXIII.

De in artikel XXI, onderdeel B, beoogde wijzing van de Waterwet is gerealiseerd via artikel XXIV van de Reparatiewet BZK 2010 (zie voor de inwerkingtreding Stb. 2011, 79); dit onderdeel kan dus vervallen.

Onderdeel C van artikel XXI is met ingang van 23 februari 2011 al vervallen (zie artikel XXIII van de hiervoor genoemde reparatiewet).

Artikel XXXIII bevatte een wijziging van de Wet veiligheidsregio’s, die afhankelijk was gemaakt van de inwerkingtreding van de Wet ambulancezorg. Die wet is weliswaar tot stand gekomen, maar nooit in werking getreden en inmiddels ingetrokken (zie artikel 18 van de Tijdelijke wet ambulancezorg), zodat ook artikel XXXIII kan vervallen.

Artikel II, onderdeel A

Artikel XXII

Artikel XXIV

Artikel XXXII, onderdeel A

Artikel XXXVIII, onderdeel A

Deze artikelen corrigeren enkele verkeerde verwijzingen naar de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Artikel II, onderdeel B

Artikel V

Artikel IX, onderdeel A

Artikel XIV

Artikel XVIII

Artikel XXIX

Artikel XLIII

Artikel XLIV

Het verdient de voorkeur om in wetgeving de aanduiding «Koning» te hanteren. Dit is niet alleen in lijn met de Grondwet, waarin alleen de aanduiding «Koning» wordt gehanteerd, maar draagt ook bij aan het bestendige karakter van de desbetreffende regeling. In dit verband is van belang dat na het overlijden van Koning Willem III in 1890 de wetgever heeft vastgelegd dat zolang een Koningin de Kroon draagt, in wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiële benamingen waarin het woord «Koning» voorkomt in plaats daarvan het woord «Koningin» wordt gebezigd (Wet van 22 juni 1891, betreffende de wettelijk vastgestelde formulieren en titels in verband met het overgaan van de Kroon op eene Koningin, Stb. 1891, 125). Hoewel dit niet geheel uit de letterlijke tekst van die wet volgt, is de gangbare uitleg hiervan dat, als in een wettelijke regeling over «Koning» wordt gesproken, hiervoor kan worden gelezen «Koningin», zolang een Koningin de Kroon draagt.1 Dat betekent dat in wettelijke regelingen probleemloos de aanduiding «Koning» kan worden gebruikt.

Artikel III

A

Via de Wet aanpassing bestuursprocesrecht is de terminologie in de artikelen 1:7 en 1:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangepast aan het Verdrag van Lissabon. Verzuimd was ook het opschrift van titel 1.2 aan te passen. Dit gebeurt hierbij alsnog.

B

Met deze wijziging wordt een tekstuele correctie aangebracht in artikel 8:91, eerste lid, Awb, dat thans spreekt van hoger beroep «tegen» het schadeveroorzakende besluit. Juister is het te spreken over hoger beroep «omtrent» het schadeveroorzakende besluit, omdat niet een besluit, maar een uitspraak van de rechtbank voorwerp is van hoger beroep. Die formulering wordt ook gehanteerd in artikel 8:105, tweede lid, Awb.

C, D

De verwijzing naar artikel 8:95 in de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, tweede lid, Awb kan de onjuiste indruk wekken dat slechts hoger beroep openstaat tegen uitspraken waarbij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding geheel of gedeeltelijk heeft toegewezen. Om buiten twijfel te stellen dat ook een afwijzende beslissing vatbaar is voor hoger beroep, wordt voorgesteld in artikel 8:104, eerste lid, onderdeel c, een verwijzing op te nemen naar de inleidende bepaling van 8:88, eerste lid, en in artikel 8:108, tweede lid, een verwijzing op te nemen naar artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c. Laatstgenoemde redactie sluit aan op die van artikel 8:105, tweede lid.

E

1.

In artikel 281a, tweede lid, van de Gemeentewet, zoals deze bepaling luidde voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht op 1 januari 2013, was bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen de weigering een besluit te vernietigen op grond van artikel 85, tweede lid (een vernietiging door het gemeentebestuur van een besluit van een gemeentelijke commissie), artikel 87a, eerste lid (een vernietiging door het gemeentebestuur van een besluit van het bestuur van een deelgemeente), en artikel 268 (een vernietiging door de Kroon van een besluit van het gemeentebestuur). Artikel 274a, tweede lid, van de Provinciewet kende eenzelfde bepaling voor vernietiging door het provinciebestuur van een besluit van een provinciale commissie (artikel 83, tweede lid, Provinciewet) en vernietiging door de Kroon van een besluit van het provinciebestuur (artikel 261 Provinciewet). Voor de Kroonvernietiging is deze uitzondering sinds 1 januari 2013 opgenomen in artikel 1 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de artikelen 85, tweede lid, en 87a, eerste lid, Gemeentewet en artikel 83, tweede lid, Provinciewet is dat achterwege gebleven. In de onderdelen a en b wordt deze omissie hersteld. Verder wordt in onderdeel b een onjuiste lettering gecorrigeerd die is ontstaan als gevolg van de Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2013, 226)

Artikel 87a van de Gemeentewet komt echter te vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76). Daarom wordt tevens in de voorgestelde artikelen IV en XVI voorzien in het op termijn schrappen van de verwijzing naar dat artikel in de artikelen 1 en 2 van bijlage 2 bij de Awb, alsmede in het huidige artikel 281a van de Gemeentewet.

Ook onderdeel c bevat een wetstechnische correctie. De verwijzing naar artikel 5.12 Wet milieubeheer (Wm) in artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wijkt onbedoeld af van de verwijzing naar dat artikel in het voorheen geldende artikel 20.2 Wm. Deze wijziging herstelt dat.

2.

Met ingang van 1 april 2013 is de rechtbank Oost-Nederland opgeheven en zijn de nieuwe rechtbanken Gelderland en Overijssel gevormd (Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming van de arrondissementen Gelderland en Overijssel, Stb. 2012, 666). In artikel 8, eerste en tweede lid, van bijlage 2 bij de Awb is de aanduiding «Oost-Nederland» ten onrechte blijven bestaan. Met de onderhavige bepaling wordt dit vervangen door «Gelderland».

Artikel IV

Zie de toelichting bij artikel III, onderdeel E, eerste lid.

Artikel VI

Artikel XX

Het Besluit politieke delinquenten 1945 en het Tribunaalbesluit zijn zogenoemde wetsbesluiten (zie Kamerstuk 2 IV, nr. 16, blz. 4). Wetsbesluiten zijn regelingen, vastgesteld bij koninklijk besluit tijdens de Duitse bezetting (of in het eerstgenoemde geval: na de bezetting maar voordat de Staten-Generaal weer in vergadering bijeen waren gekomen), die op grond van objectief noodrecht de status van wet hebben en alleen bij wet kunnen worden gewijzigd. De wijzigingen van deze twee wetsbesluiten zijn abusievelijk niet meegenomen bij de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012.

De voorgestelde wijzigingen in artikel 14, derde lid, van het Besluit politieke delinquenten 1945 en artikel 35 van het Tribunaalbesluit houden verband met de Politiewet 2012. De Politiewet 2012 voorziet in de oprichting van één landelijk politiekorps met rechtspersoonlijkheid. Dit korps bestaat uit tien eenheden die zijn belast met de uitvoering van de politietaak op regionaal niveau, één of meer landelijke eenheden die zijn belast met de uitvoering van de politietaak en één of meer ondersteunende diensten. Met de dagelijkse leiding van dat korps is belast de korpschef. De bij de Politiewet 1993 opgerichte regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten (Klpd) en de krachtens die wet opgerichte voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN) houden op te bestaan.

In artikel 14, derde lid, van het Besluit politieke delinquenten 1945 is tevens de verwijzing naar de Rijksvreemdelingendienst aangepast. Per 1 mei 1956 is Rijksvreemdelingendienst opgeheven. De destijds door de Rijksvreemdelingendienst verrichte taken worden nu uitgevoerd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Artikel VII

Bij de Wet van 12 juni 2009 houdende wijziging van de Wet op de lijkbezorging (Stb. 2009, 320), die op 1 januari 2010 in werking is getreden, is in de Wet op de lijkbezorging de term «verbranding» overal vervangen door «crematie». Er is echter niet aan gedacht deze terminologiewijziging ook door te voeren in artikel 1:19h, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Voorgesteld wordt om deze omissie recht te zetten.

Artikel VIII

A

De invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart heeft onder meer tot gevolg dat de benamingen van gerechten zijn gewijzigd en dat andere terminologische aanpassingen zijn doorgevoerd. Deze aanpassingen dienen ook in het Burgerlijk Wetboek te worden doorgevoerd. Abusievelijk is in dat verband in de Wet herziening gerechtelijke kaart niet het vijfde maar het vierde lid van artikel 2:154 van het Burgerlijk Wetboek aangepast. Met het onderhavige artikel wordt deze wijziging alsnog doorgevoerd.

B

Deze wijziging betreft een toezegging aan de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Kamerstuk 31 058, E, p. 24). Het betreft een verduidelijking dat het moet gaan om een aandeel met stemrecht in de algemene vergadering.

C

De toevoeging van het woordje «mede» betreft een taalkundige aanvulling.

D

In artikel 189a wordt een verwijzing naar een verkeerd lid uit artikel 210 verbeterd.

E

De verwijzing naar artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet ondubbelzinnig. De wijziging strekt ertoe dat de verwijzing het derde en vierde lid betreft.

F

De wijziging in het eerste onderdeel betreft ten eerste een taalkundige aanvulling doordat een komma wordt geplaatst achter «dochtermaatschappijen».

In het tweede onderdeel wordt een toezegging gestand gedaan die aan de Eerste Kamer is gedaan bij de behandeling van het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Kamerstuk 31 058, E, p. 24). In artikel 207a lid 2 is een regeling opgenomen voor het geval de vennootschap eigen aandelen onder algemene titel heeft verkregen waardoor de vennootschap samen met haar dochtermaatschappijen alle aandelen met stemrecht in haar kapitaal houdt. Dit is een onwenselijke situatie – de vennootschap zou dan haar eigen aandeelhouder zijn – en daarom is er in de wet in voorzien dat in een dergelijk geval het laagst genummerde aandeel van rechtswege overgaat op de gezamenlijke bestuurders. Er is echter ten onrechte niets geregeld voor verkrijging onder bijzondere titel van eigen aandelen door de vennootschap met hetzelfde gevolg voor de stemrechten. Voor dochtermaatschappijen zijn bepaalde verkrijgingen onder bijzondere titel van aandelen in het kapitaal van de vennootschap nietig (artikel 207d); voor verkrijging onder algemene titel waardoor alle aandelen met stemrecht bij de vennootschap en de dochter terecht komen, geldt hier dezelfde regeling als voor de vennootschap zelf (overgang van rechtswege op de bestuurders). Het ligt in die lijn om ook in artikel 207a de verkrijging van aandelen onder bijzondere titel die in strijd is met de laatste volzin van artikel 175 lid 1, nietig te verklaren. De verkrijging van het laatste aandeel met stemrecht dat vóór die verkrijging werd gehouden door een ander dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen, is nietig. Dat aandeel moet worden beschouwd als niet te zijn verkregen, het blijft bij de vorige eigenaar. De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk jegens de vervreemder te goeder trouw die door de nietigheid schade lijdt, zoals ook geldt voor de overige nietigheden bij verkrijging van aandelen zoals opgenomen in artikel 207a lid 1.

G

In het kader van de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300) is in artikel 210 een nieuw lid 5 ingevoerd, inhoudende dat indien alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, de ondertekening van de jaarrekening tevens geldt als vaststelling ervan (mits ook eventuele andere vergadergerechtigden hiermee hebben ingestemd). Als de bv hiervan wil afwijken, moet deze wijze van vaststelling van de jaarrekening in de statuten worden uitgesloten. Het artikel maakt onderdeel uit van de verruiming van de mogelijkheden tot besluitvorming buiten vergadering (artikel 238). Het is bedoeld om onnodige formaliteiten – het houden van een algemene vergadering tot vaststelling van de jaarrekening met dezelfde personen die de jaarrekening al hebben ondertekend – te voorkomen. De datum van vaststelling heeft ook gevolgen voor de deponering bij het handelsregister, die immers binnen acht dagen na vaststelling van de jaarrekening moet plaatsvinden (artikel 394 lid 1).

In de praktijk is gebleken dat in veel statuten is vastgelegd binnen welke termijn de jaarrekening door het bestuur moet worden opgemaakt en binnen welke termijn deze vervolgens door de algemene vergadering moet worden vastgesteld. In de praktijk is het onduidelijk of dit in overeenstemming is met de hoofdregel en of dit beschouwd kan worden als het uitsluiten in de statuten van de wijze van vaststellen zoals in artikel 210 lid 5 is vereist voor afwijking van de hoofdregel. De onduidelijkheid vloeit vooral voort uit de formulering dat de statuten deze wijze van vaststelling moeten «uitsluiten». Doorgaans is in het nieuwe bv-recht de formulering gebruikt «tenzij de statuten anders bepalen». Daarom wordt voorgesteld om deze uitsluiting te vervangen door de standaardformulering «tenzij de statuten anders bepalen». Bv’s waarvan de statuten in het kader van de vaststelling van de jaarrekening uitgaan van een algemene vergadering, kunnen dit zo houden indien zij dat wensen. Daarmee wijken zij dan af van de wettelijke hoofdregel.

H

In artikel 216 lid 3 wordt een foutieve verwijzing aan het eind van dat lid naar eerdere zinnen uit dat lid verbeterd.

I

De inhoud van lid 3 van artikel 238 is door een recente wetswijziging verplaatst naar artikel 210 lid 5. De verwijzing in artikel 218 naar artikel 238 lid 3, wordt nu dienovereenkomstig vervangen door artikel 210 lid 5.

J

In een van de samenloopbepalingen van de Wet bestuur en toezicht (Stb. 2011, 275, artikel III) wordt die wet aanpast indien – zoals het geval is – het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht eerder in werking treedt dan de Wet bestuur en toezicht. In die samenloopbepaling is een onjuiste verwijzing naar artikel 242 opgenomen, die hierbij wordt gecorrigeerd.

K

In de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 299) is in onderdeel BBB bij wijziging van artikel 244 lid 2 per abuis de zinsnede die vervangen moest worden niet correct weergegeven. Dit geldt ook voor artikel I.1, onderdeel s van de bijgehorende Invoeringswet (Stb. 2012, 300), dat dezelfde zinsnede van artikel 244 lid 2 aanpast. De onderhavige wijziging stelt buiten twijfel welke wijziging beoogd is.

L

In de opsomming van artikel 334y was het eerste woord van onderdeel e ten onrechte met een hoofdletter geschreven.

M

De wijziging in artikel 334ee1, derde lid, betreft een correctie van verkeerde terminologie.

N

Bij de Wet Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 299) was in artikel 342 beoogd om artikel 338 lid 1 en lid 3, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing te verklaren op de gedwongen overdracht van stemrecht op in pand of vruchtgebruik gegeven aandelen. Door een onvolkomenheid in de wijzigingsopdracht in onderdeel RRR van de vaststellingswet is alleen artikel 338 lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaard, terwijl in de bijzin wel naar lid 3, tweede volzin, werd verwezen. Dit wordt thans hersteld.

O

Uit de formulering van de wijziging van artikel 381 lid 3 in de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300) is niet voldoende duidelijk op te maken of de beoogde aanvulling van de term «verbonden partijen» die tweemaal in het derde lid voorkomt, ook tweemaal moet worden doorgevoerd. Hoewel het tweemaal doorvoeren van de aanvulling geen onbedoelde gevolgen heeft, is eenmalige aanvulling van enkel de eerste vermelding van de term «verbonden partijen» voldoende. Daarom wordt hierbij de volledige tekst van het derde lid weergegeven, zoals die was beoogd.

P

De voorgestelde wijziging herstelt een verkeerde opsomming van toepasselijke onderdelen van artikel 392 lid 1.

Artikel IX

B

In artikel I.2a van de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300) is lid 3 van artikel 3:259 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Dit had lid 2 moeten zijn. Teneinde buiten twijfel te stellen wat met artikel I.2a is beoogd, wordt die wijziging van artikel 3:259 lid 2 hier alsnog doorgevoerd. De tekst van lid 3 van artikel 3:259 blijft luiden zoals het reeds voor genoemde invoeringswet luidde, nu de beoogde wijziging niet in lid 3 te realiseren is.

Artikel X

De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennen sinds 10 oktober 2010 een Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES). Met de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2010, 350) is het toenmalige Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen van 15 maart 2001 voor de openbare lichamen omgezet in het BW BES in verband met de gewijzigde staatkundige verhoudingen.

In voornoemde Aanpassingswet werden bij de omzetting van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen naar Boek 4 BW BES slechts enkele bepalingen van Boek 4 gewijzigd om recht te doen aan de nieuwe staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Geen inhoudelijke wijziging van het erfrecht op de BES-eilanden werd beoogd. Er was slechts sprake van een technische wijziging.

Bij Beschikking van de Minister van Justitie van 27 september 2010 is de tekst van het Burgerlijk Wetboek BES, zoals deze na inwerkingtreding van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Aanpassingsregeling BES-wetten zou komen te luiden, in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2010, 494).

De gepubliceerde tekst van Boek 4 BW BES blijkt niet geheel juist te zijn. Gebleken is dat bij de vaststelling van de huidige tekst van het BW BES abusievelijk drie artikelen (de artikelen V, X en XII) uit de Landsverordening van 6 september 1985 (P.B. 1985, 117) van de Nederlandse Antillen niet zijn meegenomen. Deze Landsverordening had tot doel om het onderscheid tussen wettige en natuurlijke kinderen in het erfrecht weg te nemen.

Bij Beschikking van 27 september 2010 werden hierdoor de derde afdeling van de elfde titel van Boek 4 BW BES, handelend over de erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen zijn, en de verwijzing naar wettige kinderen in de artikelen 879a en 940 geherintroduceerd in Boek 4 BW BES.

Voorgesteld wordt deze artikelen te laten vervallen, zoals al bij de Landsverordening uit 1985 was gedaan. Hoewel het uitgangspunt is dat ten aanzien van de BES-eilanden legislatieve terughoudendheid wordt betracht, wordt de voorgestelde wijziging noodzakelijk geacht. Voorkomen moet worden dat verwarring ontstaat over het geldende materiële erfrecht.

Tot slot is van de gelegenheid gebruikt gemaakt om een enkele wijziging van redactionele aard door te voeren.

Artikel XI

De voorgestelde wijzigingen herstellen enkele foutieve verwijzingen.

Artikel XII

A t/m G

De voorgestelde wijzigingen corrigeren enkele taalkundige en terminologische gebreken.

H

Met de Wet herziening gerechtelijke kaart zijn de aanduidingen van verschillende rechterlijke colleges gewijzigd. Daarbij is verzuimd om de noodzakelijke aanpassing door te voeren in artikel 8:529k van het Burgerlijk Wetboek. Met de voorgestelde wijziging wordt dit verzuim hersteld.

Artikel XIII

De invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart heeft onder meer tot gevolg dat de benamingen van gerechten zijn gewijzigd en dat andere terminologische aanpassingen zijn doorgevoerd. Deze aanpassingen dienen ook in het Burgerlijk Wetboek te worden doorgevoerd. Abusievelijk is in dat verband met de Wet herziening gerechtelijke kaart niet artikel 10:23, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aangepast. Met de voorgestelde wijziging wordt deze omissie hersteld.

Artikel XV

De voorgestelde wijziging corrigeert een verschrijving.

Artikel XVI

Zie de toelichting bij artikel III, onderdeel E, eerste lid.

Artikel XVII

Artikel XXXV

Artikel XXXIX

Artikel XL

Bij de aanpassing van wetgeving aan de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet aanpassing bestuursprocesrecht is over het hoofd gezien dat enkele verwijzingen naar het bij die wet gewijzigde artikel 8:4 van de Algemene wet bestuursrecht moeten worden aangepast. Via deze artikelen worden de verwijzingen alsnog aangepast.

Artikel XIX

De voorgestelde wijziging corrigeert een verschrijving.

Artikel XXI, onderdeel A

Artikel XXVI, onderdeel B

Artikel XXVII, onderdeel C

Artikel XXVIII

Artikel XXXI, onderdeel G en I

Artikel XXXII, onderdeel B en C

Artikel XXXVII

Artikel XXXVIII, onderdeel B

Artikel XLII

De voorgestelde wijzigingen corrigeren archaïsch taalgebruik.

Artikel XXI, onderdeel B

Ingevolge de implementatie van richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende onder meer betalingsdiensten in de interne markt (Stb. 2009, 436) en de in Europees verband gemaakte afspraken over standaarden met betrekking tot de infrastructuur tussen banken, wordt het Nederlandse betaalproduct incasso/machtigen (automatische incasso) vervangen door het Europese betaalproduct van «SEPA direct debit». Het reguliere betalingsverkeer waarin de automatische incasso thans wordt gebruikt, wordt hierdoor niet geraakt. Dit ligt anders voor de toepassing van verhaal zonder dwangbevel waarvoor de banken thans een van de automatische incasso afgeleide systematiek hanteren. «SEPA direct debit» gaat namelijk uit van een machtiging van de rekeninghouder en kent het stornorecht en de mogelijkheid van blokkering. Dit verhoudt zich slecht tot het vereenvoudigd derdenbeslag van verhaal zonder dwangbevel. Vanwege het vervangen van de infrastructuur voor automatische incasso is door het Ministerie van Financiën, in samenwerking met de banken, een nieuw ondersteunend automatiseringssysteem ontwikkeld. Om hiervan voor verhaal zonder dwangbevel gebruik te kunnen maken is het noodzakelijk dat artikel 27 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zodanig wordt gewijzigd dat ook verhaal kan worden genomen op de kredietruimte van de betaalrekening van degene aan wie de sanctie is opgelegd. In het voorgestelde achtste lid wordt het nemen van verhaal zonder dwangbevel uitgesloten indien de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen van toepassing is. De Invorderingswet 1990 kent in artikel 19 een soortgelijke bepaling.

Artikel XXIII

Bij wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens in verband met de vermindering van administratieve lasten en nalevingskosten, wijzigingen teneinde wetstechnische gebreken te herstellen en enige andere wijzigingen (Stb. 2012, 33) is in artikel 23, eerste lid, een nieuw onderdeel d ingevoegd. Daarbij is onderdeel e verletterd tot onderdeel f. Verzuimd is om de verwijzing in het derde lid aan te passen, hetgeen hierbij alsnog geschiedt.

Artikel XXV

A

De voorgestelde wijziging betreft een wetstechnische correctie.

B

De voorgestelde wijziging betreft een inhoudelijke en taalkundige verbetering: de uitzondering op de geheimhoudingsplicht van Bureau Bibob voor het als procesdeelnemer verstrekken van gegevens heeft niet alleen te gelden in rechterlijke procedures maar ook in bezwaarprocedures. Taalkundig sluit de voorgestelde formulering beter aan op de aanhef van het derde lid.

C

De voorgestelde wijziging betreft een wetstechnische correctie.

D

De voorgestelde wijziging van artikel 28, tweede lid, brengt deze in lijn met artikel 20, derde lid, onder e, van de Wet Bibob waarin is geregeld dat de geheimhoudingsplicht van het Landelijke Bureau ten aanzien van de adviesgegevens kan wijken in het belang van wetenschappelijk onderzoek of statistiek, met dien verstande dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten en voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

Aanvullend is nog van belang om op te merken dat een actualisering van de benaming van organisatieonderdelen in artikel 27, eerste lid, onderdelen e (Inspectie SZW) en c (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) is, of zal worden gerealiseerd door middel van wetswijzigingen onder verantwoordelijkheid van andere Ministers, te weten de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) respectievelijk de Minister van Economische Zaken (Wijziging Meststoffenwet (invoering stelsel verantwoorde mestafzet), Kamerstuk 33 322, nr. 1).

Artikel XXVI

A

De voorgestelde wijziging herstelt een foutieve nummering.

C

In artikel XLII van het Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd is in artikel 475d, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de omschrijving «65 jaar of ouder» vervangen door «de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet». Dit heeft als gevolg gehad dat de verwijzing aan het slot van onderdeel c naar «de norm genoemd in artikel 22, onderdeel a en b, van die wet» onbedoeld een verwijzing naar artikel 22, onderdeel a en b, van de AOW lijkt te zijn geworden, terwijl het een verwijzing naar artikel 22, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand betreft. De woorden «van die wet» worden daarom voor de duidelijkheid vervangen door «van de Wet werk en bijstand».

D

In het tweede lid van artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt verwezen naar het slot van het tweede lid van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (BW). Het slot van dit artikel in het BW is met de wet vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012, 140) verplaatst naar een nieuw derde lid. De omissie om artikel 1019aa Rv hieraan aan te passen, wordt hersteld.

Artikel XXVII

A, B

De voorgestelde wijzigingen corrigeren een verkeerde verwijzing.

Artikel XXX

De voorgestelde wijziging corrigeert onjuiste terminologie in artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel XXXI

A

De voorgestelde wijziging corrigeert een taalkundige omissie.

B

De voorgestelde wijziging herstelt een achterhaald geworden verwijzing.

C

Als gevolg van de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet versterking positie rechter-commissaris (Stb. 2011, 600) is het gerechtelijk vooronderzoek komen te vervallen. Dat geldt ook voor de aan de afsluiting van het gerechtelijk vooronderzoek verbonden kennisgeving omtrent verdere vervolging en bezwaar daartegen. Bij het schrappen van deze bepalingen zijn per abuis echter ook twee onderdelen vervallen, opgenomen in artikel 244, derde en vierde lid, Sv, met een algemenere strekking. Zij verduidelijken dat op het moment van de beslissing over verdere vervolging ook onder het stellen van voorwaarden van verdere vervolging kan worden afgezien. Dat is aan de orde indien de verdachte bekend is met de omstandigheid dat een vervolging tegen hem is aangevangen of door het openbaar ministerie een daad van vervolging is verricht. Daarom wordt voorgesteld de inhoud van deze onderdelen – in tekstueel enigszins aangepaste vorm – toe te voegen aan artikel 242 Sv.

D, E

Met deze wijziging wordt een foutieve nummering van het artikellid hersteld. Door de vernummering van het derde lid van artikel 258 is aanpassing van de verwijzing in artikel 303 aangewezen.

F

Dit onderdeel wijzigt artikel 493 Sv dat betrekking heeft op de schorsing van de voorlopige hechtenis voorafgaand aan het strafproces tegen jeugdigen. Verduidelijkt wordt dat de daarbij gebruikelijke reclasseringsbegeleiding ook kan worden uitgevoerd door een reclasseringsinstelling voor volwassenen. Dit is mogelijk ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van 16 jaar inmiddels hebben bereikt. Het voorstel is in lijn met de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het wetsvoorstel tot invoering van een adolescentenstrafrecht (Kamerstuk 33 498 A). Bij die gelegenheid zijn de wijzigingen reeds doorgevoerd in de regeling van de voorwaardelijke veroordeling van jeugdigen en jongvolwassenen (artikel 77aa Wetboek van Strafrecht). Gebleken is dat daarbij werd verzuimd de voorgestelde voorzieningen ook bij de schorsing van de voorlopige hechtenis te treffen. Dit geldt eveneens voor de in dit verband gehanteerde terminologie; naar de reclasseringsbegeleiding wordt verwezen met de term «toezicht en begeleiding» welke term de «hulp en steun» vervangt.

H

Op 1 januari 2012 is de wet van 24 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in verband met de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten en enkele verbeteringen (Stb. 2011, 556) in werking getreden. Met deze wet is artikel 572a van het Wetboek van Strafvordering aangepast, zodat het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten, schadevergoedingsmaatregelen en administratiefrechtelijke sancties in de verkeershandhaving de voor de tenuitvoerlegging benodigde inlichtingen kan vorderen. Gebleken is dat daarbij abusievelijk niet is verwezen naar het verhaal van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Sr). In de memorie van toelichting bij de eerdergenoemde wet van 24 juni 2011 was reeds vermeld dat ook daarvoor de betreffende voorziening noodzakelijk is (Kamerstuk 32 702, nr. 3, blz. 2). Met de voorgestelde wijziging wordt deze omissie hersteld.

Artikel XXXIII

De voorgestelde wijziging corrigeert een verschrijving.

Artikel XXXIV

A

Het eerste onderdeel betreft een taalkundige correctie, nu het woordje «wet» wordt vervangen door «weg».

Het tweede onderdeel betreft een wetstechnische correctie. In de Wet van 6 oktober 2011 tot wijziging van de Wet politiegegevens en van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie 2008/977/JBZ over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en de implementatie van het Besluit van de Raad 2009/371/JBZ van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (Stb. 2011, 490) zijn abusievelijk de definities van «kenmerken» en «markeren» verhaspeld. Met de voorgestelde wijziging wordt dit gebrek hersteld.

B, C

Bij de oprichting van de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten en de totstandkoming van de nieuwe staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen binnen het Nederlandse staatsbestel per 10 oktober 2010, is verzuimd de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens aan te passen aan deze wijziging. Voorgesteld wordt deze omissie te herstellen.

D

In de nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet politiegegevens en van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie 2008/977/JBZ over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en de implementatie van het Besluit van de Raad 2009/371/JBZ van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (Kamerstuk 32 554, nr. 7) is in artikel 39i abusievelijk ook artikel 18, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Voorgesteld wordt dit gebrek te repareren.

E

Het eerste onderdeel betreft een terminologische correctie. Zie hiervoor onderdeel B en C.

Het tweede onderdeel betreft een wetstechnische correctie. Bij de recente wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor verstrekkingen voor onderzoek en statistiek (Stb. 2012, 86) is de regeling voor verstrekking voor rapporten uit een persoonsdossier (artikel 42) abusievelijk niet gelijk geregeld als de verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens (artikelen 15 en 39g Wjsg). Voorgesteld wordt deze omissie te herstellen.

Artikel XXXVI

Met de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart zijn de vroegere gerechtshoven te Arnhem en Leeuwarden samengevoegd tot het nieuwe gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In artikel 78, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is abusievelijk de aanduiding «gerechtshof te Leeuwarden» blijven staan. Met onderhavige bepaling wordt dit hersteld.

Artikel XLI

A, B

Ingevolge de Wet van 11 december 2008 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de flexibilisering en verduidelijking alsmede enkele aanvullingen van de regeling van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Stb. 2009, 8) zijn de tweede en derde bijlage van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) vervallen. De Wrra bevat nu dus nog slechts één bijlage, die daarom niet meer als «eerste bijlage» moet worden aangeduid.

Artikel XLV

A t/m D

De wijzigingen in de deze uitvoeringswet vloeien voort uit een wijziging van het op 31 mei 1932 te Londen tot stand gekomen verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen (Trb. 2012, 106).

Het verdrag is in die zin gewijzigd dat rogatoire commissies (verzoeken om een bewijshandeling te verrichten) voortaan worden overgemaakt aan de rechtbank in plaats van aan de officier van justitie bij de rechtbank. In de Wet van 9 oktober 2008 (Stb. 2008, 411) is een aanpassing opgenomen van de Wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken, de Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering en de Wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te ’s-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering. In navolging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening is in deze uitvoeringswet niet langer de officier van justitie bij de rechtbank, maar de rechtbank aangewezen om rogatoire commissies te ontvangen. Uit het oogpunt van harmonisatie en in navolging van het advies van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht en de adviescommissie voor burgerlijk procesrecht is ook het verdrag met Groot-Brittannië op dit punt gewijzigd en speelt de officier van justitie geen rol meer bij de ontvangst van rogatoire commissies.

Daar de officier van justitie ook wordt genoemd in enkele bepalingen van de uitvoeringswet bij dit verdrag dienen deze bepalingen eveneens te worden aangepast.

In artikel 10 wordt rekening gehouden met het vervallen van de officier van justitie bij de rechtbank in het kader van de ontvangst van rogatoire commissies. In overeenstemming met de hiervoor genoemde uitvoeringswetten wordt voorts gesproken van uitvoering door de rechtbank, met de mogelijkheid van verwijzing naar de kantonrechter. Evenals in deze uitvoeringswetten wordt opgenomen dat de rechtbank welke zich niet bevoegd acht, de rogatoire commissie doorzendt aan de wel bevoegde rechtbank, welke rechtbank aan de doorzending is gebonden. Geschillen worden zo voorkomen en een beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie over welke rechtbank de commissie dient uit te voeren (huidige derde lid) is niet langer nodig (zie ook Kamerstuk 31 286, nr. 3, blz. 4–5 en 11–12).

Artikel 11 tweede lid kan vervallen omdat de officier van justitie niet langer de rogatoire commissie ontvangt. Daar van het aanwijzen van een andere rechter vrijwel nooit sprake is en de mogelijkheid een andere rechter aan te wijzen ook in de Uitvoeringswet bij het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken niet meer voorkomt (zie Kamerstuk 31 286, nr. 3, blz. 4), wordt ook het eerste lid geschrapt.

Ook in artikel 12 wordt rekening gehouden met het feit dat de officier van justitie geen rol meer vervult bij de ontvangst van rogatoire commissies. Dit betekent dat op grond van artikel 14 geen terugzending meer plaatsvindt aan de officier van justitie. Daar het verdrag zelf een bepaling (artikel 10) over de terugzending en de terugbetaling van kosten bevat, kan artikel 14 geheel vervallen.

Artikel XLVI

Deze bepaling bevat een samenloopbepaling, voor het geval de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) eerder in werking treedt dan onderhavig voorstel van wet. Zie verder de toelichting bij de artikelen III en IV.

Artikel XLVII

In het tweede lid wordt bepaald dat de wijzigingen van de artikelen IV en XVI in werking treden op de datum waarop de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) in werking treedt. Voor het geval onderhavig wetsvoorstel tot wet wordt verheven voordat die wet in werking treedt, maar daarna in werking treedt, is in de tweede volzin bepaald dat deze artikelen in werking treden op de dag na publicatie van onderhavig wetsvoorstel in het Staatsblad. Overigens is in dat geval artikel IV, onderdeel B, eerste lid, vervallen op grond van het voorgestelde artikel XLVI.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten