Gepubliceerd: 22 mei 2013
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33637-3.html
ID: 33637-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

blz.

           

I.

ALGEMEEN

1

 

1.

Inleiding

1

 

2.

Toelichting op enkele wijzigingen

2

   

2.1.

Loonbelasting – werkbonus

2

   

2.2.

Omzetbelasting

2

     

2.2.1.

Verlaagd tarief isolatie, renovatie en herstel woningen

2

     

2.2.2.

Kantineregeling

3

 

3.

Budgettaire gevolgen en overige aspecten

3

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

4

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Met ingang van 2010 is op verzoek van de Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaal jaarlijks een tussentijds wetsvoorstel met fiscale maatregelen ingediend. Het doel hiervan was een meer over het jaar heen gespreide behandeling van fiscale wetsvoorstellen. Dit jaar wordt in dit kader het onderhavige wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2013 ingediend. Net als in 2012 wordt dit wetsvoorstel op een dusdanig tijdstip ingediend dat de kans wordt vergroot dat de Tweede Kamer de behandeling voor het zomerreces kan afronden.1

Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt verschillende belastingwetten (met inbegrip van enkele belastingwetten die gelden in Caribisch Nederland), zowel op het gebied van directe als indirecte belastingen. Daarnaast wijzigt dit wetsvoorstel enkele andere wetten op fiscaal terrein.

Het wetsvoorstel bevat technische en redactionele wijzigingen. Zo wordt in dit wetsvoorstel van de gelegenheid gebruikgemaakt om de verwijzingen in de fiscale wetgeving naar Europese wetgeving aan te passen aan de terminologie die is vastgesteld in het kader van het Verdrag van Lissabon.

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de ook in de Integrale visie op de woningmarkt2 aangekondigde maatregel tot tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woningen met dit voorstel wettelijk vast te leggen. Op deze werkzaamheden, met uitzondering van materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van de geleverde diensten, zal het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing zijn.

Een deel van de maatregelen wordt toegelicht in het algemeen deel van deze memorie. Voor een (nadere) toelichting op de afzonderlijke maatregelen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel.

2. Toelichting op enkele wijzigingen

2.1. Loonbelasting – werkbonus

Zoals tijdens de behandeling van het Belastingplan 2013 is aangekondigd3 wordt de per 1 januari 2013 in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen werkbonus per 1 januari 2014 eveneens opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964. Hierdoor kan deze heffingskorting vanaf 1 januari 2014 door de werkgever worden toegepast. Op die wijze ontvangen de daartoe gerechtigde werknemers de werkbonus automatisch maandelijks via hun loonstrookje, in plaats van na afloop van het jaar of maandelijks van de Belastingdienst via de voorlopige aanslag.

2.2. Omzetbelasting

2.2.1. Verlaagd tarief isolatie, renovatie en herstel woningen

In de hiervoor genoemde Integrale visie op de woningmarkt is voorzien in het voor een periode van één jaar verlagen van het btw-tarief van 21% naar 6% voor de renovatie en het herstel van woningen. Het verlaagde btw-tarief geldt uitsluitend voor de in de kosten besloten arbeidscomponent en derhalve niet voor de daarin vervatte materiaalkosten. Voorts is het verlaagde btw-tarief alleen dan van toepassing indien de prestatie betrekking heeft op woningen die na meer dan twee jaar na het tijdstip van eerste ingebruikneming worden gerenoveerd of hersteld. Om uitsteleffecten te voorkomen is reeds eerder bij beleidsbesluit4 goedgekeurd dat vooruitlopend op de in dit wetsvoorstel opgenomen wetswijziging het verlaagde btw-tarief al met ingang van 1 maart 2013 kan worden toegepast. De maatregel vervalt per 1 maart 2014.

Voor het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal in woningen geldt reeds structureel het verlaagde tarief, met dien verstande dat daarvan zijn uitgezonderd het aanbrengen van glas en materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van deze diensten. In samenhang met de voorziene toepassing van het verlaagde tarief voor renovatie en herstel van woningen wordt voorgesteld om het aanbrengen van glas, voor zover het betreft de component arbeid daarvan, ook structureel onder het verlaagde tarief voor isolatiewerkzaamheden te brengen (waarvan het thans is uitgezonderd). Met ingang van 1 januari 2014 wordt, ten behoeve van een consistente toepassing van het verlaagde tarief voor het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal, de toepassing van het verlaagde tarief voor die werkzaamheden ten algemene beperkt tot de component arbeid.

2.2.2. Kantineregeling

In de Wet op de omzetbelasting 1968 is voorzien in een vrijstelling voor leveringen en diensten voor fondswervende activiteiten door organisaties die voor hun primaire activiteiten zijn vrijgesteld van de heffing van btw. Voor sportverenigingen wordt in dit kader voorzien in een vrijstelling voor diensten tot € 31.765 per jaar. Het onderhavige wijzigingsvoorstel bevat een verhoging van deze grens tot € 50.000. In de praktijk gaat het hierbij vooral om sponsorbijdragen door ondernemers waartegenover de sportvereniging reclame maakt. De verhoging van de fondswervingsgrens voor diensten draagt bij aan een vermindering van de administratieve lasten van sportverenigingen. Sportverenigingen hoeven namelijk in minder gevallen dan nu het geval is btw-aangifte te doen.

Tegelijk met de verhoging van de fondswervingsgrens wordt de huidige kantineregeling voor sportverenigingen5 ingetrokken. Deze intrekking is het gevolg van overleg met de georganiseerde sportwereld en hangt samen met de praktische problemen die de sportwereld ondervond met de kantineregeling en het feit dat ingevolge nieuwe jurisprudentie6 kantineverstrekkingen veelal dienen te worden aangemerkt als leveringen, waarvoor de wettelijke vrijstelling reeds in een hoge grens van € 68.067 voorziet. De toepassing van deze vrijstellingsgrens op grond van de kantineregeling voor deze verstrekkingen is daardoor niet meer nodig. Ook wordt bij ministeriële regeling het beleid gecodificeerd dat de vrijstelling voor leveringen en diensten voor fondswervende activiteiten niet geldt voor kantineverstrekkingen die geen relatie hebben met de primaire vrijgestelde activiteiten van de betrokken ondernemers (bijvoorbeeld een bruiloft in de persoonlijke sfeer van een individueel lid).

3. Budgettaire gevolgen en overige aspecten

Het onder het verlaagde btw-tarief brengen van renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woningen voor een periode van een jaar leidt in 2013 tot een budgettaire derving van € 208 miljoen en in 2014 tot een budgettaire derving van € 32 miljoen. De overige maatregelen in dit wetsvoorstel hebben geen budgettaire gevolgen.

De maatregelen in dit wetsvoorstel zijn uitvoerbaar en handhaafbaar door de Belastingdienst. De uitvoeringskosten die verband houden met het (tijdelijk) onder het verlaagde btw-tarief brengen van renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woningen bedragen (incidenteel) € 0,5 miljoen. De gevolgen voor de uitvoeringskosten van de Belastingdienst van de overige in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zijn verwaarloosbaar.

Het tijdelijk verlaagde btw-tarief voor renovatie en herstel van woningen levert een tijdelijke toename van administratieve lasten op voor ondernemers, aangezien het verlaagde btw-tarief alleen van toepassing is op de arbeidskosten en niet op het materiaal. De hieraan verbonden incidentele administratieve lasten bedragen circa € 5 miljoen. Daarvan heeft circa € 4 miljoen betrekking op 2013 en circa € 1 miljoen op 2014.

De verhoging van de vrijstelling voor diensten van fondswervende activiteiten door sportverenigingen leidt tot een geringe vermindering van de administratieve lasten met € 0,15 miljoen.

De wijzigingen treden in beginsel op 1 januari 2014 in werking. Voor een aantal bepalingen, zoals de hiervoor genoemde tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor renovatie- en herstelwerkzaamheden aan woningen, is inwerkingtreding met terugwerkende kracht gewenst. Een enkele bepaling treedt later dan 1 januari 2014 in werking. Waar dat het geval is, wordt dat in het vervolg van deze memorie nader toegelicht.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen I, III, VI, IX, XI, XIV, XV, XVI, XVII, XVIII, XIX, XX, XXI, XXII, XXIII, XXIV, XXV en XXVII

Artikel I, onderdelen A, C, F, G en K, artikel III, onderdelen A, onder 1, 2 en 3, B en C, artikel VI, artikel IX, onderdeel B, artikel XI, onderdelen A, B, C, D, E, F, G, I, J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y, Z en BB, artikel XIV, artikel XV, artikel XVI, artikel XVII, onderdelen A, onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10, B, C, D en E, artikel XVIII, artikel XIX, onderdelen B, C, D, E, F, onder 2, en G, artikel XX, onderdelen A, B, onder 1, 2, 3 en 5, C, D, F, onder 1, G, H, I, J, K, onder 1, L, onder 1, M, N, onder 1, O, P, en R, artikel XXI, artikel XXII, onderdeel A, artikel XXIII, artikel XXIV, onderdeel A, artikel XXV, onderdelen C en F, en artikel XXVII (artikelen 1.8, 3.22, 3.54, 3.55 en 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikelen 1, 17 en 18 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 2 van de Wet bankenbelasting, artikel 21 van de Wet belastingen van rechtsverkeer, artikelen 2a, 3a, 5, 5a, 5b, 6f, 6h, 6i, 6j, 7, 15, 17a, 17b, 18, 21, 21b, 22, 22a, 24, 27, 28b, 28j, opschrift afdeling 7 van hoofdstuk V, artikelen 28q, 28r, 28s 28t, 30, 31, 32c, 32h, 33d, 34, 34b, 37b, 37c van en tabel II behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968, artikelen 9 en 9b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, artikelen 2 en 23 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, artikel 3 van de Wet belasting zware motorrijtuigen, artikelen 1a, 2, 2a, 64 en 66a van de Wet op de accijns, artikelen 2, 3, 5, 30 en 33 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, artikelen 32, 35, 41, 46, 47 en 66 van de Wet belastingen op milieugrondslag, artikelen 1:1, 1:3, 1:4, 1:26, 1:28, 1:32, 1:33, opschrift hoofdstuk 2, artikelen 2:2, 3:1, 3:2, 3:3, opschrift hoofdstuk 5, artikelen 5:1, 6:3, 10:1, 10:2 en bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet, artikelen 2 en 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2 van de Invorderingswet 1990, artikelen 1, 2, 4a, 4b, 4c, 4d en 35 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, artikel 2 van de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012, artikelen 6.1, 6.7g en 9.1 van de Belastingwet BES en artikel 1 van de Wet op het BTW-compensatiefonds)

Op 1 december 2009 is het Verdrag van Lissabon in werking getreden. Dit heeft geleid tot een aantal veranderingen in EU-terminologie en tot herschikking en vernummering van de Europese verdragen. Het is wenselijk hiermee in de wetgeving rekening te houden. Hiertoe worden ingevolge het onderhavige wetsvoorstel de volgende wetten aangepast: de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de Wet bankenbelasting, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de accijns, de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, de Wet belastingen op milieugrondslag, de Algemene douanewet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012, de Belastingwet BES en de Wet op het BTW-compensatiefonds.

De wijzigingen betreffen terminologische veranderingen als gevolg van het Verdrag van Lissabon. Zo heet het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap tegenwoordig «het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie». Bepaalde termen die tot inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon gebruikelijk waren, worden inmiddels niet meer gebezigd. Zo wordt tegenwoordig de term «de (Europese) Unie» of «de EU» gebezigd en niet meer «de (Europese) Gemeenschap(pen)» of «de E(E)G». Andere voorbeelden van wijzigingen zijn «communautaire bepalingen» hetgeen «bepalingen van de Europese Unie» is geworden en «Commissie van de Europese Gemeenschappen» dat nu gewijzigd is in «Europese Commissie». Bij de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen aanpassingen in verband met het Verdrag van Lissabon is er rekening mee gehouden dat aanduidingen of verwijzingen die als een historische weergave worden beschouwd en citaten uit elders vastgestelde teksten geen wijziging behoeven.

Daarnaast houden enkele wijzigingen verband met de nieuwe indeling van onderwerpen in de twee nieuwe verdragen met bijbehorende naamswijzigingen en vernummering van rechtsgrondslagen tot gevolg. Ook in het geval van artikelen die in «hetzelfde verdrag» blijven staan geldt dat er naast de nieuwe verdragsaanduiding ook meestal nieuwe artikelnummers zijn.

Europeesrechtelijk gezien zou gesteld kunnen worden dat de wijzigingen als gevolg van het Verdrag van Lissabon automatisch doorwerken in de Nederlandse rechtsorde door inwerkingtreding van het verdrag inclusief bijbehorende concordantietabellen, waardoor (onverwijlde) aanpassing van Nederlandse wet- en regelgeving niet noodzakelijk is. Het wordt echter onwenselijk geacht dat in fiscale wetgeving «Europese termen» staan die niet meer kloppen en dat er verwezen wordt naar Europese verdragen en artikelen daarvan die niet meer bestaan of een ander nummer hebben. Dit is voor rechtssubjecten verwarrend. Alles afwegende is er daarom voor gekozen om de Nederlandse wet- en regelgeving op deze punten aan te passen.

Daarnaast wordt een aantal (vergelijkbare) wijzigingen doorgevoerd die geen inhoudelijke wijzing van de betrokken bepalingen met zich brengt. Het betreft hier taalkundige wijzigingen en wijzigingen die samenhangen met de thans geldende Aanwijzingen voor de regelgeving*, zoals het op de juiste wijze aanhalen van bindende EU-rechtshandelingen. Een voorbeeld van de taalkundige wijzigingen is de vervanging van «lid-staat» of «Lidstaat» door: lidstaat.

Artikel I

Artikel I, onderdelen B, E en I (artikelen 3.13, 3.31, 3.34, 3.36, 3.37, 3.42, 3.42a, 3.52, 3.52a. 3.77, 5.14 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) houden verband met de nieuwe benaming van het tot het aantreden van het huidige kabinet als Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangeduide Ministerie van Economische Zaken alsmede met het ontstaan van de ministerspost Buitenlandse Handel en Onwikkelingssamenwerking binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel B (artikelen 3.29a, 3.126a en 10bis.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964)

De artikelen 3.29a, eerste lid, 3.126a, eerste lid, aanhef, tweede lid, onderdelen b en c, en vijfde lid, en 10bis.5, derde lid, aanhef en onderdeel e, en vierde lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 alsmede artikel 11a, eerste lid, aanhef, en tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) worden technisch gewijzigd. Deze wijzigingen houden verband met de aanpassing van het begrip beleggingsinstelling in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht per 22 juli 2013 en werken ingevolge artikel XXXI, negende lid, daarom terug tot en met 22 juli 2013.8

Artikel I, onderdeel H (artikel 4.24 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 4.24, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 is van redactionele aard.

Artikel I, onderdeel J (artikel 8.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Artikel 8.1, derde lid, van de Wet IB 2001, dat een verwijzing bevat naar artikel 19g van de Wet LB 1964, dient te vervallen in verband met het vervallen van artikel 19g van de Wet LB 1964 met ingang van 1 januari 2012. Omdat dit artikel 19g reeds per 1 januari 2012 is vervallen, wordt aan het vervallen van artikel 8.1, derde lid, van de Wet IB 2001 terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2012.

Artikel I, onderdeel L (artikel 10.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Met deze aanpassing wordt de tekst van artikel 10.3, negende lid, van de Wet IB 2001, zoals dat ingevolge het Belastingplan 2008 met ingang van 1 januari 2009 is komen te luiden, in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 3.112 van de Wet IB 2001. Met deze aanpassing, die in verband met de datum waarop de onjuiste verwijzing is ontstaan terugwerkt tot en met 1 januari 2009, is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel M (artikel 10a.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Artikel 8.1, derde lid, van de Wet IB 2001 vervalt op grond van artikel I, onderdeel J, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 in verband met het vervallen van artikel 19g van de Wet LB 1964 met ingang van 1 januari 2012. Om deze bepaling wel van toepassing te laten blijven op onder het overgangsrecht vallende aanspraken ingevolge de levensloopregeling wordt eveneens met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 een verwijzing naar artikel 8.1, derde lid, van de Wet IB 2001 toegevoegd aan artikel 10a.11 van die wet waarin het voor de inkomstenbelasting geldende deel van het overgangsrecht voor de levensloopregeling is opgenomen.

Artikel II

Artikel II, onderdeel A (artikel 7 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Abusievelijk is nog niet wettelijk vastgelegd wie als inhoudingsplichtige dient op te treden voor de per 1 januari 2013 in artikel 3, eerste lid, onderdeel i, van de Wet LB 1964 opgenomen bestuurder van een vennootschap, wiens arbeidsverhouding voor de Wet LB 1964 als dienstbetrekking wordt beschouwd op grond van genoemde bepaling. Met de wijziging van artikel 7 van de Wet LB 1964 wordt dit verzuim met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 hersteld.

Artikel II, onderdelen C en D (artikelen 21c en 22abis van de Wet op de loonbelasting 1964)

Met de in deze onderdelen opgenomen wijziging van artikel 21c van de Wet LB 1964 en invoering van artikel 22abis van de Wet LB 1964, wordt de per 1 januari 2013 in de Wet IB 2001 opgenomen werkbonus ook in de Wet LB 1964 geïntroduceerd. Op grond van deze wijzigingen wordt de werkbonus vanaf 1 januari 2014 verrekend bij de inhouding van loonbelasting door de inhoudingsplichtige.

Artikel II, onderdeel E (artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964)

Ingevolge dit onderdeel wordt artikel 22d van de Wet LB 1964 zodanig gewijzigd dat daarin tevens wordt vastgelegd dat en op welke wijze de bedragen en percentages van de werkbonus, zoals die op grond van dit wetsvoorstel worden opgenomen in artikel 22abis van de Wet LB 1964, zullen worden gewijzigd. Ook voor dit deel van de standaardloonheffingskorting wordt aangesloten bij de wijze waarop de diverse bedragen en percentages van de heffingskortingen in de Wet IB 2001 worden gewijzigd. Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel II, onderdeel F (artikel 26 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Met de in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 26 van de Wet LB 1964 wordt vastgelegd dat in de loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen – in lijn met het buiten beschouwing laten van de arbeidskorting – geen rekening wordt gehouden met de werkbonus. De werkbonus wordt net als de arbeidskorting niet meegenomen omdat daaruit een extra administratieve last voor de inhoudingsplichtige zou voortvloeien. Door een aanpassing in de witte loonbelastingtabellen conform hetgeen voor de arbeidskorting is gedaan, wordt er doorgaans in voorzien dat het volledige bedrag aan werkbonus alsnog via de loonheffing wordt verrekend.

Artikel II, onderdeel G (artikel 27d van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging van artikel 27d van de Wet LB 1964 betreft de codificatie van de in de praktijk reeds toegepaste wijze van heffing en afdracht van de zogenoemde bijdragevervangende belasting, bedoeld in artikel 57, eerste of tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (heffing gelijktijdig met de loonbelasting en afdracht op één aangifte, een en ander met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en invordering van de loonbelasting). Inhoudelijk wordt derhalve geen wijziging beoogd. Aan de wijziging van artikel 27d van de Wet LB 1964 wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2006, zijnde de datum waarop de betreffende bepalingen zijn ingevoerd.

Artikel II, onderdeel H (artikel 36a van de Wet op de loonbelasting 1964)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging strekt er, in samenhang met artikel XXXI, tweede lid, toe om artikel 36a, tweede lid, van de Wet LB 1964 met ingang van 1 januari 2022 te laten vervallen in verband met de afschaffing van het overgangsrecht voor de levensloopregeling per 1 januari 2022.

Artikel II, onderdeel I (artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 39d, eerste lid, van de Wet LB 1964 bewerkstelligt dat de lagere regelgeving met betrekking tot de levensloopregeling alleen van toepassing is, voor zover de regelgeving, gezien de inhoudelijke wijzigingen van het overgangsrecht met betrekking tot de levensloopregeling, nog van belang is. Tegoeden van een levensloopregeling zijn ingevolge de in het Belastingplan 2013 opgenomen wijzigingen vanaf 1 januari 2013 vrij opneembaar. Het betekent dat bijvoorbeeld artikel 5.8, eerste lid, vierde lid, onderdeel b, vijfde lid en zesde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, zoals deze bepaling op 31 december 2011 luidde, geen belang meer heeft.

Op grond van de voorgestelde aanvulling van artikel 39d, derde lid, van de Wet LB 1964 is de lagere regelgeving die op 31 december 2011 van toepassing was op de levensloopregeling, eveneens van toepassing op de afrekening die in 2013 dient plaats te vinden over aanspraken ingevolge een levensloopregeling, waarvan de waarde in het economische verkeer op 31 december 2011 minder bedroeg dan € 3000, voor zover deze lagere regelgeving nog van belang is. Dit was abusievelijk niet in het amendement van het lid Dijkgraaf c.s.9 opgenomen en wordt met deze aanvulling hersteld. Een voorbeeld van een bepaling die nog van belang is, is artikel 5.8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, zoals deze bepaling op 31 december 2011 luidde.

Met de wijziging van artikel 39d, derde lid, van de Wet LB 1964 wordt overeenkomstig de in het hiervoor genoemde amendement opgenomen toelichting tevens expliciet in de wettekst tot uitdrukking gebracht dat het volgens die bepaling op 1 januari 2013 als loon in aanmerking te nemen bedrag tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op 31 december 2011, voor 80% van die waarde belast wordt en dat het meerdere volledig wordt belast.

Artikel III

Artikel III, onderdelen A, onder 3 en 4, D, E, F, H en I (artikelen 1, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29 en 30 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) houden verband met de nieuwe benaming van het tot het aantreden van het huidige kabinet als Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangeduide Ministerie van Economische Zaken. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel III, onderdeel G (artikel 26 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Met de in artikel V, onderdeel O, onder 2, van het Belastingplan 2013 opgenomen wijziging is beoogd in artikel 26, tweede lid, eerste volzin, van de WVA de verwijzing naar artikel 24, tweede lid, van de WVA te vervangen door een verwijzing naar artikel 24, tweede lid, eerste volzin, van de WVA. Door een niet helemaal juiste formulering van de betreffende wijzigingsopdracht in het Belastingplan 2013 kan in beginsel discussie ontstaan over de na uitvoering van deze wijzigingopdracht luidende tekst van artikel 26, tweede lid, eerste volzin, van de WVA met ingang van 1 januari 2013. Om iedere onduidelijkheid op dat punt uit te sluiten, wordt ingevolge het onderhavige wetsvoorstel de tekst van bedoelde volzin integraal vervangen. Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om in deze volzin de inmiddels achterhaalde verwijzing naar de voor het Ministerie van Economische Zaken verantwoordelijke bewindspersoon aan te passen aan de huidige naam van dat departement. De laatstgenoemde wijziging wordt eveneens aangebracht in het eerste lid, het tweede lid, tweede volzin, en het derde lid. Onderhavig onderdeel beoogt geen inhoudelijke wijziging. De wijziging van artikel 26, tweede lid, eerste volzin, van de WVA werkt, in verband met de ingevolge het Belastingplan 2013 per 1 januari 2013 in die volzin aangebrachte wijziging, terug tot en met 1 januari 2013.

Artikelen IV en V

Artikel IV, onderdeel A, en artikel V (artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikelen 3 en 4d van de Wet op de dividendbelasting 1965)

In artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) en in de artikelen 3 en 4d van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt met ingang van 22 juli 2013 abusievelijk verwezen naar een instelling voor collectieve beleggingen (meervoud) in effecten in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Echter, artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht bevat met ingang van 22 juli 2013 een definitie van een instelling voor collectieve belegging (enkelvoud) in effecten.10 Door de in de artikelen IV, onderdeel A, en V opgenomen wijzigingen van respectievelijk de Wet Vpb 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt deze onnauwkeurigheid in de verwijzingen gecorrigeerd. Ingevolge artikel XXXI, negende lid, werken deze wijzigingen terug tot en met 22 juli 2013.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

In artikel 15, zesde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969 is een verwijzing opgenomen naar de tweede volzin van het vierde lid van dat artikel. Bij Overige fiscale maatregelen 2013 is dat vierde lid met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd. In dat vierde lid is een volzin ingevoegd. Abusievelijk is de verwijzing in het zesde lid, onderdeel b, naar de tweede volzin van dat vierde lid niet aangepast op dit punt. Deze wijziging herstelt die omissie met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013.

Artikel VII

Artikel VII (artikel 75 van de Successiewet 1956)

De in dit artikel opgenomen wijziging van artikel 75 van de Successiewet 1956 strekt er enerzijds toe de renseigneringsverplichtingen die krachtens die wet kunnen worden opgelegd beter te kunnen laten aansluiten bij de wensen die in de uitvoeringspraktijk op dit punt leven en, voor een deel, bij de wijze waarop de renseignering in de praktijk al vorm heeft gekregen. Het gaat hierbij onder meer om de renseignering van sofinummers en de digitale aanlevering van gegevens.

Anderzijds maakt deze wijziging het mogelijk de kring van administratieplichtigen aan wie renseigneringsverplichtingen kunnen worden opgelegd uit te breiden.

Op basis van het huidige artikel 75 van de Successiewet 1956 kunnen alleen aan verzekeraars en de uitvoerders van derdenbedingen verplichtingen worden opgelegd om aan de Belastingdienst informatie te geven over een uitkering krachtens levensverzekering, respectievelijk voortvloeiend uit een derdenbeding. Tegenwoordig zijn echter ook andere producten dan levensverzekeringen relevant (geworden) voor de Successiewet 1956 of kunnen dat in de toekomst worden. Daarom is het wenselijk dat de verplichting tot het verschaffen van informatie ten behoeve van de heffing van erf- en schenkbelasting kan worden uitgebreid tot andere gegevens en daarmee ook tot een ruimere kring van administratieplichtigen die tot renseignering verplicht zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan gegevensverstrekking door banken. Indien in de toekomst ook voor de erfbelasting een vooringevulde aangifte mogelijk wordt, ligt het voor de hand dat daarvoor een ruimere kring van renseigneringsplichtigen zal moeten worden aangewezen.

Renseigneringsverplichtingen moeten flexibel kunnen worden aangepast als ontwikkelingen in de uitvoeringpraktijk daarom vragen. Dat wordt bereikt door deze verplichtingen geheel op te nemen in lagere regelgeving.

Op grond van het vorenstaande wordt voorgesteld om artikel 75 van de Successiewet 1956 om te zetten in een delegatiebepaling op grond waarvan de renseigneringsverplichtingen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Dat gebeurt in beginsel met toepassing van artikel 53, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op basis waarvan bij of krachtens een belastingwet administratieplichtigen kunnen worden aangewezen die de bij of krachtens die belastingwet aangewezen gegevens uit eigen beweging moeten verstrekken. De mogelijkheid tot het opleggen van renseigneringsverplichtingen bij lagere regelgeving gaat verder op overeenkomstige wijze gelden ten aanzien van degene die een uitkering moet doen krachtens een beding ten behoeve van een derde, maar geen administratieplichtige is als bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de AWR.

Artikel VIII

Artikel VIII (artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928)

De in dit artikel opgenomen wijziging van artikel 1, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 houdt verband met de nieuwe benaming van het tot het aantreden van het huidige kabinet als Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangeduide Ministerie van Economische Zaken. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel IX

Artikel IX, onderdeel A (artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging in de Wet op belastingen van rechtsverkeer houdt verband met het ontstaan van de ministerspost Wonen en Rijksdienst binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel IX, onderdeel C (artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

In het huidige artikel 54, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is bepaald dat de overdracht van de economische eigendom van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, moet worden gemeld aan de inspecteur, tenzij deze overdracht is neergelegd in een notariële akte of in een andere akte die ter registratie is aangeboden. Sinds 1 januari 2013 kunnen echter naast de notariële akten, alleen akten ter registratie worden aangeboden waarvoor registratie als een vormvereiste geldt voor de in de akte neergelegde rechtshandeling. Een dergelijke verplichting is er niet voor de overdracht van economische eigendom zodat onderhandse akten die daarop betrekking hebben niet langer geregistreerd kunnen worden. Daarom kan de zinsnede «of in een andere akte die ter registratie is aangeboden» vervallen.

Artikel X

Artikel X (artikel 1 van de Registratiewet 1970)

De wijziging van artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Registratiewet 1970 strekt ertoe de tekst van die bepaling te verduidelijken. Gebleken is dat de huidige tekst soms zo wordt gelezen als zou registratie een vormvereiste voor een onderhandse akte moeten zijn, in plaats van dat registratie van de akte een wettelijk vereiste moet zijn voor de geldigheid van een rechtshandeling (bijvoorbeeld bij de vestiging van een bezitloos pandrecht). De onderhavige verduidelijking leidt niet tot een inhoudelijke wijziging.

Artikelen XI, XII en XIII

Artikel XI, onderdeel H (artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968)

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) worden de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e en h, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ vrijgesteld van btw. Als gevolg van wijzigingen in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ11 dient de verwijzing in de Wet OB 1968 naar dat besluit te worden aangepast.

Op grond van het huidige artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 3°, van de Wet OB 1968 zijn de diensten door landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers vrijgesteld van btw indien deze diensten bestaan uit het verlenen van dagbesteding, arbeidstraining of dagopvang aan personen voor wie zij daartoe een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten met een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of met een instelling die werkzaam is op het terrein van sociaal en maatschappelijk werk. Daarnaast zijn voornoemde diensten door landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers vrijgesteld van btw indien zij deze diensten verlenen aan personen met wie zij daartoe een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten en die beschikken over een persoonsgebonden budget met het oog op het geldend maken van hun aanspraken ingevolge de AWBZ. De onderhavige wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van de Wet OB 1968 is een gevolg van een gerechtelijke uitspraak. De Rechtbank Arnhem heeft namelijk in 2007 beslist dat – op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit – van deze vrijstelling andere ondernemers dan landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers, niet kunnen worden uitgesloten mits die andere ondernemers voldoen aan de overige voorwaarden.12 Dienovereenkomstig wordt de vrijstelling uitgebreid naar alle ondernemers die diensten verrichten bestaande uit het verlenen van dagbesteding, arbeidstraining of dagopvang, wanneer wordt voldaan aan artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 3°, van de Wet OB 1968.

Door een wijziging van artikel 1 van de AWBZ ingevolge de wet van 26 februari 2011 (Stb. 2011, 111)13, dient de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, onder a, van de Wet OB 1968 opgenomen verwijzing naar de AWBZ te worden aangepast.

De wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet OB 1968 voorziet erin dat de vrijstelling voor fondswervende diensten van sportverenigingen wordt verruimd tot een bedrag van € 50.000. In samenhang met de intrekking van de zogenoemde kantineregeling zoals verwoord in het algemeen deel van deze memorie zal – met toepassing van de reeds in artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet OB 1968 opgenomen delegatiebepaling – bij ministeriële regeling erin worden voorzien dat de vrijstelling voor fondswerving niet kan worden gebruikt voor kantineverstrekkingen ter gelegenheid van evenementen die in de persoonlijke sfeer van derden of individuele leden liggen, zoals bruiloften, feesten en jubilea.

Artikel XI, onderdeel AA, artikel XII en artikel XIII (tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968)

De huidige post 19 van tabel I behorende bij de Wet OB 1968 voorziet in de toepassing van het verlaagde btw-tarief voor het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal in woningen. De in dit onderdeel opgenomen wijziging van die post strekt ertoe met ingang van 1 januari 2014 de reikwijdte van deze post structureel uit te breiden met de arbeidscomponent voor het aanbrengen van glas. Met het schrappen van het woord «beduidend» wordt ten behoeve van een consistente toepassing van het verlaagde tarief voor het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal de toepassing van het verlaagde tarief voor die werkzaamheden met ingang van 1 januari 2014 ten algemene beperkt tot de component arbeid. Onder de component arbeid wordt mede begrepen andere kosten die rechtstreeks aan een renovatiedienst zijn toe te rekenen zoals de huur van apparatuur en zogenoemde voorrijkosten. Overigens valt de arbeidscomponent bij het aanbrengen van glas ook onder de werking van de nieuw op te nemen post 21 (zie hierna) waarin tijdelijk wordt voorzien in het onder het verlaagde btw-tarief brengen van renovatie en herstel van woningen. Deze verruiming is dan ook met toepassing van de nieuwe (tijdelijke) post 21 van toepassing met ingang van 1 maart 2013.

Het opnemen van post 21 in tabel I, onderdeel b, behorende bij de Wet OB 1968 heeft betrekking op het per 1 maart 2013 tijdelijk onder het verlaagde btw-tarief brengen van renovatie en herstel van woningen na meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming van die woningen, met uitzondering van materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van deze diensten. Conform de BTW-Richtlijn14 strekt het verlaagde btw-tarief zich uit tot alle renovatie- en herstelwerkzaamheden die in of aan een woning worden verricht. Materialen die deel uitmaken van de waarde van deze renovatie- en herstelwerkzaamheden zijn uitgezonderd van de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Materieel betekent dit dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de arbeidscomponent en niet op de bij de renovatie- en herstelwerkzaamheid gebruikte materialen. De vergoeding van de renovatie- en herstelwerkzaamheid dient derhalve gesplitst te worden in een arbeidscomponent en materiaalcomponent. Overigens wordt zoals hierboven is vermeld onder de component arbeid mede begrepen andere kosten die rechtstreeks aan een renovatiedienst zijn toe te rekenen

Onder renovatie- en herstelwerkzaamheden worden verstaan: het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van (delen van) de woning. Daaronder kunnen onder meer worden verstaan het aanbrengen van CV’s, het plaatsen van keukens en badkamers, het plaatsen van zonnepanelen en het leggen en onderhouden van vloeren die in bouwkundig opzicht deel (gaan) uitmaken van de woning. Ook bij het aanbrengen van goederen in of aan een woning die van rechtswege in eigendom overgaan op de eigenaar van de woning doordat zij in bouwkundig opzicht deel (gaan) uitmaken van de woning, kan over de ter zake van die aanbrenging verrichte arbeid het verlaagde tarief worden toegepast. Voor het begrip woningen wordt aangesloten bij het bestaande begrip woning van de tabelposten 8 en 19 van tabel I, onderdeel b, behorende bij de Wet OB 1968. Het gaat daarbij om onroerende zaken die bestemd zijn voor permanente bewoning door particulieren. Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie EU van 15 november 201215, kunnen daar in voorkomend geval ook woonboten en woonwagens onder vallen. Een woonboot of woonwagen die is bestemd voor permanente bewoning door particulieren dient ingevolge dit arrest te worden aangemerkt als onroerend indien deze is aangesloten op verschillende (nuts)voorzieningen en uitsluitend is bestemd om duurzaam op één bepaalde plek te worden gebruikt.

Goedgekeurd is dat het verlaagde btw-tarief eveneens van toepassing is op bepaalde diensten van architecten en hoveniers. De diensten die architecten verlenen (lees: het maken van het ontwerp van de renovatie of het herstel van de woning) kunnen bijvoorbeeld ook worden verleend door aannemers of mensen in dienst van aannemers. Ingeval de daaraan verbonden kosten deel zouden uitmaken van de totale door de aannemer in rekening gebrachte prijs van het herstel of de renovatie, zouden deze in aanmerking komen voor het verlaagde btw-tarief. Dit zou tot onevenwichtige situaties aanleiding kunnen geven. Om die reden zijn in de onderhavige tijdelijke regeling de diensten van architecten tijdelijk onder het verlaagde btw-tarief gebracht. Voorwaarde daarbij is dat dezelfde architect ook begeleidende werkzaamheden verricht ten aanzien van de renovatie of het herstel van de woning. Voorts is goedgekeurd dat het verlaagde btw-tarief ook geldt voor het aanleggen en onderhouden van tuinen die behoren bij woningen. Dit verlaagde btw-tarief is vanzelfsprekend niet voorbehouden aan hoveniers. Iedere ondernemer die een «hoveniersdienst» verricht mag het verlaagde tarief toepassen. Daarbij kan gedacht worden aan het leggen van sierbestrating in een tuin door een bestratingbedrijf.

De hiervoor genoemde post 21 van tabel I, onderdeel b, behorende bij de Wet OB 1968 vervalt ingevolge artikel XII met ingang van 1 maart 2014.

Bij de toepassing van de onderhavige posten van het verlaagde tarief geldt ingevolge artikel XIII het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet, namelijk op het moment dat de dienst wordt afgerond. Om misverstanden te voorkomen wordt opgemerkt dat dit ook geldt voor vooruitbetalingen.

Artikel XVII

Artikel XVII, onderdeel A, onder 1, 6 en 11 (artikel 1a van de Wet op de accijns)

In artikel 1a, eerste lid, aanhef, van de Wet op de accijns wordt een redactionele wijziging aangebracht.

In artikel 1a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de accijns wordt in de huidige tekst abusievelijk verwezen naar onderdeel n, terwijl bedoeld is te verwijzen naar onderdeel o. Met onderhavige wijziging wordt dit hersteld.

In artikel 1a, tweede lid, van de Wet op de accijns ontbreken in de verwijzing naar GN-codes (douanetechnische goederencodes) enkele artikelen van de Wet op de accijns. Voorts is geen verwijzing opgenomen naar enkele artikelen in het Uitvoeringsbesluit accijns en de Uitvoeringsregeling accijns, waarin GN-codes zijn genoemd. Omdat de redactie van artikelen in zowel de wet als de daarop berustende bepalingen met enige regelmaat wijzigt, wordt voorgesteld geen verwijzing meer op te nemen naar specifieke artikelen maar naar de wet en de daarop berustende bepalingen. Verder wordt in genoemd artikel 1a, tweede lid, verwezen naar het eerste lid, onderdeel l, van dit artikel terwijl bedoeld is te verwijzen naar het eerste lid, onderdeel m. Met de onderhavige wijziging wordt dit hersteld.

Artikel XVII, onderdeel F (artikel 71b van de Wet op de accijns)

In artikel 71b van de Wet op de accijns wordt thans onder meer verwezen naar artikel 112 van de Wet personenvervoer 2000. Dat artikel is komen te vervallen en de verwijzing in genoemd artikel 71b kan daardoor vervallen.

Artikel XIX

Artikel XIX, onderdeel A (artikel 2 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

In artikel 2, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) wordt de definitie van GN-code aangepast aan die van de Wet op de accijns. Hiermee is een omissie hersteld. Tevens wordt het genoemde eerste lid opnieuw geletterd.

In artikel 2, tweede lid, van de Wbm wordt verwezen naar enkele artikelen in die wet, waarin GN-codes zijn genoemd. Omdat de redactie van artikelen in zowel de wet als de daarop berustende bepalingen met enige regelmaat wijzigt, wordt voorgesteld geen verwijzing meer op te nemen naar specifieke artikelen maar naar de wet en de daarop berustende bepalingen.

Artikel XIX, onderdeel F (artikel 47 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Met de in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Wbm wordt de daarin opgenomen verwijzing naar artikel 27, vijfde lid, van de Wet op de accijns gecorrigeerd. Door de wijziging van artikel 27 van de Wet op de accijns ingevolge artikel X, onderdeel G, van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 is het vijfde lid vernummerd tot vierde lid. Op basis daarvan dient de verwijzing in de Wbm te worden aangepast.

Artikel XIX, onderdeel H (artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Omdat vanwege een aantal gelijktijdig in werking getreden wijzigingen van artikel 90 van de Wbm onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de juiste tekst daarvan wordt dit artikel opnieuw vastgesteld.

Artikel XX

Artikel XX, onderdeel B, onder 4 en 5 (artikel 1:3 van de Algemene douanewet)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene douanewet (Adw) verduidelijkt dat de bepaling in dat lid eveneens ziet op de aanhef van het derde lid.

De wijziging van het vijfde lid strekt ertoe de kenbaarheid en daarmee de transparantie van de regelgeving te vergroten door aan beleidsafspraken tussen ministers, over de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de douaneambtenaren met betrekking tot de douanecontrole aangaande de wetgeving die valt onder de verantwoordelijkheid van een andere minister dan de Minister van Financiën, een zo groot mogelijke kenbaarheid te geven.

Artikel XX, onderdeel E (artikel 1:27 van de Algemene douanewet)

De in dit onderdeel voorziene medewerkingsplicht maakt duidelijk dat de inspecteur de hem toekomende bevoegdheid tot het vorderen van medewerking kan effectueren. De ingevolge dit onderdeel toe te voegen volzin versterkt de aan de inspecteur toekomende vorderingsbevoegdheid en volgt daarmee de systematiek van de artikelen 1:15, eerste lid, 1:16, eerste lid, 1:24, derde lid, en 1:28, tweede en derde lid, van de Adw.

Artikel XX, onderdeel F, onder 2 en 3 (artikel 1:28 van de Algemene douanewet)

De onderhavige wijziging van artikel 1:28, vijfde lid, onderdeel c, van de Adw betreft het herstel van een omissie. Met de wijziging wordt de regeling die ziet op lijfsvisitatie van het bovenlichaam tekstueel gesynchroniseerd met de tekst die ziet op de lijfsvisitatie van het onderlichaam. Hierdoor staat nu ondubbelzinnig vast dat niet alleen de oksels van een persoon kunnen worden gevisiteerd, maar ook openingen zoals de mond van de betreffende persoon.

Met de wijziging van artikel 1:28, achtste lid, van de Adw wordt eveneens een omissie hersteld. Door deze wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat ook voor het geheel ontkleden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld.

Artikel XX, onderdeel N (artikel 6:1 van de Algemene douanewet)

De wijziging van artikel 6:1, tweede lid, van de Adw betreft een herstel van een omissie. De verwijzing naar artikel 133, eerste lid, heeft nog betrekking op een bepaling van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (Pb EG 1983, L 105). Deze verordening is vervangen door Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEU 2009, L 324). De materiële inhoud van genoemd artikel 133 wordt nu geregeld in artikel 128 van laatstgenoemde verordening.

Artikel XX, onderdeel Q (artikel 10:6 van de Algemene douanewet)

Met de toevoeging van artikel 1:28, derde lid, in de opsomming in artikel 10:6 van de Adw wordt een omissie hersteld.

Artikel XX, onderdeel R, onder 2 (bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet)

Met de in dit onderdeel, onder 2, opgenomen wijziging wordt bewerkstelligd dat de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt geschrapt uit de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Adw. De normen voortvloeiende uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, wanneer het betreft het al dan niet verzekerd zijn van een voertuig, worden niet gecontroleerd door een toezichthouder, maar worden strafrechtelijk gehandhaafd. Op de verzekeringsmaatschappijen wordt op grond van de Wet op het financieel toezicht, toezicht gehouden. Aangezien de Adw een wet is die primair voorziet in controle op de normen gesteld bij of krachtens de EU-rechtshandelingen of andere wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage behorende bij artikelen 1:1 en 1:3 van de Adw hoort eerstgenoemde wet niet thuis in de opsomming in genoemde bijlage.

Artikel XXII

Artikel XXII, onderdeel B (artikel 3 van de Invorderingswet 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) houdt verband met de nieuwe benaming van het tot het aantreden van het huidige kabinet als Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangeduide Ministerie van Economische Zaken. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel XXII, onderdelen C, D, E, H, I en J (artikelen 24, 26, 28, 70b, 70ba en 70d van de Invorderingswet 1990)

De in XXII, onderdelen C, D, E, H, I en J, opgenomen wijzigingen houden verband met de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning per 1 januari 2013. In de laatstgenoemde wet is in samenhang met het vervallen van artikel 25, zesde lid, van de IW 1990 in artikel 70b van de IW 1990 overgangsrecht geïntroduceerd. Abusievelijk was hier nog geen rekening mee gehouden in de artikelen 24, zevende lid, en 28, derde en vierde lid, van de IW 1990. Met de onderhavige wijzigingen wordt dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 hersteld (onderdelen C en E). In samenhang daarmee wordt in genoemd artikel 70b van de IW 1990 geregeld dat met betrekking tot op de voet van dat artikel verleend uitstel de artikelen 24, zevende lid, en 28, derde en vierde lid, van de IW 1990, van overeenkomstige toepassing zijn. Daartoe wordt de bestaande tekst van artikel 70b van de IW 1990 genummerd als eerste lid en wordt een nieuw lid toegevoegd aan genoemd artikel 70b. Dat wordt – eveneens met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 – geregeld in artikel XXII, onderdeel H.

Artikel 26, zesde lid, van de IW 1990, waarin een specifieke kwijtschelding is geregeld voor belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de IW 1990, zoals dat luidde op 31 december 2012, kan eveneens vervallen. Ook hier was abusievelijk nog geen rekening mee gehouden in de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning. Dat gebeurt alsnog in artikel XXII, onderdeel D, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013. In aansluiting hierop wordt in onderdeel I in de vorm van het voorgestelde artikel 70ba van de IW 1990 overgangsrecht opgenomen.

Ten slotte wordt in onderdeel J een artikel 70d in de IW 1990 ingevoegd met daarin overgangsrecht in verband met het vervallen van de aansprakelijkheid zoals die tot en met 31 december 2012 op grond van artikel 44c van de IW 1990 gold. Genoemd artikel 70d ziet op situaties waarin de fictieve uitkering of deblokkering ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning, onderscheidenlijk spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning, voor 1 januari 2013 heeft plaatsgevonden en de aansprakelijkheid dus in eerste instantie is gebaseerd op het inmiddels vervallen artikel 44c van de IW 1990. Met de wijziging wordt geregeld dat genoemd artikel 44c van de IW 1990, zoals dat luidde op 31 december 2012, ook na die datum nog kan worden ingeroepen.

Artikel XXII, onderdelen F en G (artikelen 43a en 70aa van de Invorderingswet 1990)

Tot en met 31 december 2012 regelde artikel 43a van de IW 1990 dat artikel 43 van die wet – aansprakelijkheid van de onderdelen van een fiscale eenheid omzetbelasting – van overeenkomstige toepassing is op de verpakkingenbelasting die is verschuldigd door een concern als bedoeld in het toenmalige artikel 80, onderdeel g, van de Wbm. De verpakkingenbelasting is afgeschaft met ingang van 1 januari 2013. Dit betekent dat ook genoemd artikel 80, onderdeel g, van de Wbm met ingang van 1 januari 2013 is vervallen, waardoor de verwijzing naar die bepaling in artikel 43a van de IW 1990 met ingang van die datum is achterhaald. Teneinde de concernaansprakelijkheid te kunnen blijven toepassen voor belastingaanslagen verpakkingenbelasting over eerdere jaren, dient hetgeen tot en met 31 december 2012 in artikel 43a van de IW 1990 werd geregeld op een andere wijze te worden geregeld. Gelet op de omstandigheid dat het hier om een overgangsbepaling gaat, is ervoor gekozen om dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 te regelen in een in hoofdstuk X van de IW 1990 op te nemen artikel 70aa en het inmiddels achterhaalde artikel 43a van de IW 1990 te laten vervallen.

Artikel XXIV

Artikel XXIV (artikelen 6, 40 en 41 van de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012)

De in dit artikel opgenomen wijzigingen van de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012 houden verband met de nieuwe benaming van het tot het aantreden van het huidige kabinet als Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangeduide Ministerie van Economische Zaken. Inhoudelijk wijzigt er niets.

Artikel XXV

Artikel XXV, onderdelen A (artikel 6.1 van de Belastingwet BES)

In artikel 6.1, onderdeel g, van de Belastingwet BES wordt voor de meetmethode ter bepaling van de CO2-uitstoot van een personenauto een definitie van die CO2-uitstoot gegeven. De daarin opgenomen verwijzing naar Europese regelingen daarvoor is ontleend aan de bepalingen ter zake in artikel 9, tiende lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Omdat in die wet inmiddels een andere verwijzing is opgenomen, is een opname van die nieuwe verwijzing in het onderhavige onderdeel g, van artikel 6.1 van de Belastingwet Bes geboden. Deze aanpassing heeft geen materiële betekenis.

Artikel XXV, onderdelen B, D en E (artikelen 6.4, 6.11 en 7.4 van de Belastingwet BES)

Het leveringsbegrip voor de algemene bestedingsbelasting (ABB), zoals opgenomen in artikel 6.4, eerste lid, onderdeel g, van de Belastingwet BES, behoeft een redactionele verheldering. Hiertoe strekt de in artikel XXV, onderdeel B, opgenomen wijziging.

Het huidige artikel 6.4, eerste lid, onderdeel g, van de Belastingwet BES strekte ertoe de oplevering van een nieuw vervaardigde onroerende zaak ook onder het leveringsbegrip van de ABB te brengen. Dit mede vanwege signalen en pleidooien vanuit de bouwsector in Caribisch Nederland om het opleveren van nieuw vervaardigde gebouwen (bijvoorbeeld nieuwe woningen, hotels, appartementen) op grond (een terrein) van een ander (de opdrachtgever) onder dat leveringsbegrip te brengen. Hierdoor wordt een dergelijke oplevering gelijkgesteld met een levering van een gebouw en de daarbij behorende grond. Als gevolg daarvan zou de prestatie van de (bouw-)aannemer – die voor de vervaardiging van een nieuw vervaardigde zaak als zodanig voor de ABB kwalificeert als «producent» – voor de toepassing van de ABB als een belaste levering zijn aan te merken, waardoor hij – overeenkomstig de daarvoor geformuleerde voorwaarden – een recht heeft op aftrek van (ABB-)voorbelasting.

De gekozen formulering «gebouw» in de tekst van het huidige onderdeel g is, gegeven de voor de ABB beoogde systeemwerking, abusievelijk te beperkt gebleken. Ook zogenoemde werken die op grond van artikel 3 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES kwalificeren als onroerende zaken – zoals bijvoorbeeld nieuw vervaardigde wegen en bruggen – passen als onroerende zaak conform de beoogde opzet in deze specifieke regeling van het ABB-systeem. Met de onderhavige technische aanpassing wordt dat verhelderd. Door niet in zijn algemeenheid te spreken over «onroerende zaken» wordt vermeden dat nog niet gewonnen delfstoffen en met de grond verenigde beplantingen onder de reikwijdte van genoemd onderdeel g komen te vallen.

Vanwege de eenduidigheid worden de vergelijkbare teksten van artikelen 6.11, eerste lid, onderdeel i, en 7.4, eerste lid, onderdeel g, van de Belastingwet BES eveneens aan deze nieuwe formulering aangepast.

Omdat in Caribisch Nederland geen assurantiebelasting wordt geheven, is de verzekeringsprestatie als zodanig voor de ABB niet een vrijgestelde maar een belastbare dienst. In het huidige artikel 6.11, eerste lid, onderdeel j, van de Belastingwet BES is echter een vrijstelling opgenomen voor levensverzekeringen. Op grond van het beleid bij het tot stand komen van de Belastingwet BES inzake de omzetbelasting in de voormalige Nederlandse Antillen – dat model heeft gestaan bij het formuleren van de vrijstellingen voor de ABB – is daarbij de beperking opgenomen dat de vrijstelling niet van toepassing is voor uitvaartverzekeringen. Gebleken is echter dat later in het uitvoeringsbeleid op de Nederlandse Antillen uitvaartverzekeringen toch onder de vrijstelling voor levensverzekeringen werden gerangschikt. Ook in Europees Nederland wordt een uitvaartverzekering gezien als een levensverzekering, waardoor voor deze uitvaartverzekeringen tevens de vrijstelling voor levensverzekeringen in de assurantiebelasting van toepassing is. De in artikel XXV, onderdeel D, onder 2, opgenomen wijziging van artikel 6.11, eerste lid, onderdeel j, van de Belastingwet BES strekt ertoe deze uitzondering in de ABB voor uitvaartverzekeringen recht te zetten en deze, conform genoemd uitvoeringsbeleid, wel onder de vrijstelling van levensverzekeringen te rangschikken.

In Caribisch Nederland wordt in de praktijk al sinds 1 januari 2013 overeenkomstig het vorenstaande gehandeld. Om die reden wordt dan ook voor de in dit artikel opgenomen wijzigingen van de Belastingwet BES terugwerkende kracht voorzien tot en met 1 januari 2013.

Artikel XXV, onderdeel F (artikel 9.1 van de Belastingwet BES)

Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PbEG 1985, L 375) is met ingang van 1 juli 2011 vervangen door Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L302), dientengevolge wordt de verwijzing in artikel 9.1 van de Belastingwet BES aangepast.

Artikel XXVI

Artikel XXVI, onderdeel A (artikel 2.15 van de Douane- en Accijnswet BES)

De wijziging van artikel 2.15, eerste lid, van de Douane- en Accijnswet BES (DABES) is van redactionele aard. Daarmee wordt verduidelijkt dat niet alleen aan ingeklaarde goederen, maar ook aan goederen die zich in tijdelijke opslag bevinden de in artikel 2.15, onderdelen a tot en met g, van de DABES opgenomen douanebestemmingen moeten worden gegeven.

Artikel XXVI, onderdeel B (artikel 2.66 van de Douane- en Accijnswet BES)

De wijziging van artikel 2.66, vierde lid, onderdeel c, van de DABES betreft het herstellen van een omissie. Met deze wijziging wordt de regeling die ziet op lijfsvisitatie van het bovenlichaam tekstueel gesynchroniseerd met de tekst die ziet op de lijfsvisitatie van het onderlichaam. Met de wijziging staat nu ondubbelzinnig vast dat niet alleen de oksels van een persoon kunnen worden gevisiteerd, maar ook openingen, zoals de mond van de desbetreffende persoon.

Met de wijziging van artikel 2.66, achtste lid, van de DABES wordt een omissie hersteld. Hierdoor wordt buiten twijfel gesteld dat ook voor het geheel ontkleden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld.

Artikel XXVI, onderdeel C (artikel 2.108 van de Douane- en Accijnswet BES)

De wijziging van artikel 2.108 van de DABES betreft het herstellen van een onjuiste verwijzing.

Artikel XXVI, onderdeel D (artikel 3.49 van de Douane- en Accijnswet BES)

De wijziging van artikel 3.49, eerste lid, van de DABES strekt ertoe het begrip goederen voor de toepassing van de onderhavige vrijstelling te verduidelijken en de huidige tekst tekstueel te synchroniseren met de tekst in de Overeenkomst inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, met Bijlagen en een protocol (Trb. 1953, 117). Deze overeenkomst ziet op de vrijstelling van invoerrechten voor visueel en auditief materiaal.

De wijziging in artikel 3.49, tweede lid, van de DABES hangt samen met de aanpassing van het eerste lid van dat artikel en betreft slechts een tekstuele verbetering ten behoeve van de consistentie binnen dat artikel.

Artikel XXVI, onderdeel E (artikel 3.72 van de Douane- en Accijnswet BES)

De wijziging van artikel 3.72, eerste lid, onderdeel j, van de DABES betreft een technische aanpassing. In de huidige tekst van deze bepaling is abusievelijk het zinsdeel «of bestemd voor zakelijk gebruik» opgenomen. Met de onderhavige wijziging vervalt het desbetreffende zinsdeel.

Met de toevoeging van de onderdelen s en t aan artikel 3.72, eerste lid, van de DABES wordt beoogd de sinds 1 januari 2011 bestaande uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst/Caribisch Nederland, die in overeenstemming is met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, met terugwerkende kracht tot genoemde datum, te codificeren. Als gevolg hiervan wordt de invoer van bedoelde brandstoffen en van gas dat geproduceerd wordt door gasbedrijven tevens vrijgesteld van de heffing van algemene bestedingsbelasting daar artikel 6.20, eerste lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES de verlening van vrijstelling van deze belasting koppelt aan die gevallen waarin vrijstelling van invoerrechten wordt genoten.

Artikel XXVI, onderdeel F (artikel 3.137 van de Douane- en Accijnswet BES)

Met het nieuwe artikel 3.137, eerste lid, onderdeel e, van de DABES wordt beoogd te voorzien in een vrijstelling van invoerrechten bij tijdelijke invoer van materieel ten behoeve van het houden van militaire oefeningen. Met deze wijziging wordt bereikt dat de krijgsmacht van het Koninkrijk, delen van die krijgsmacht of eenheden van andere landen al dan niet in een samenwerkingsverband, op het desbetreffende BES-eiland vrijgesteld worden van invoerrechten. Voor de toepassing van de vrijstelling maakt het niet uit in welk kader de militaire oefeningen worden gehouden. In de praktijk kan het bijvoorbeeld gaan om oefeningen in het kader van terrorismebestrijding of rampenbestrijding.

Artikel XXVI, onderdeel G (artikel 5.1 van de Douane- en Accijnswet BES)

In de eerste volzin van de huidige tekst van artikel 5.1, tweede lid, van de DABES is vastgelegd dat er geen invoerrechten verschuldigd zijn voor goederen die bestemd zijn voor een handels- en dienstenentrepot. Als gevolg van het feit dat er geen douaneschuld ontstaat indien goederen de douanebestemming handels- en dienstenentrepot krijgen is het bepaalde in de eerste volzin overbodig en vervalt deze volzin dan ook in de voorgestelde bewoordingen voor het tweede lid van genoemd artikel. In artikel 5.1, tweede lid, van de DABES wordt tevens een omissie hersteld. Met die wijziging wordt erin voorzien dat niet alleen de uitslagkant, maar ook de inslagkant van goederen in een handels- en dienstenentrepot onder het stelsel van formaliteiten van douane-entrepots wordt gebracht.

Artikel XXVIII

Artikel XXVIII (artikel II van de wet van 1 juli 2009, houdende Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen)

Artikel I van de wet van 1 juli 2009, houdende Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen (Stb. 2009, 280), bevat wijzigingen van de IW 1990 in verband met de vervanging van het g-rekeningenstelsel door een depotstelsel. Artikel II van de eerstgenoemde wet bevat het bijbehorende overgangsrecht. Dit overgangsrecht is abusievelijk gekoppeld aan de inwerkingtreding van de eerstgenoemde wet in plaats van aan de inwerkingtreding van artikel I van die wet. Met de in artikel XXVIII opgenomen wijziging wordt deze omissie hersteld.

Artikel XXIX

Artikel XXIX, onderdeel A (artikel VII van het Belastingplan 2012)

De voorgestelde aanpassing van de met ingang van 1 januari 2014 geldende tekst van artikel 39d van de Wet LB 1964 legt, in overeenstemming met de toelichting bij het in artikel VI, onderdeel F, van het Belastingplan 2012 opgenomen artikel 39d, tweede lid, van de Wet LB 1964, vast dat ook vanaf 1 januari 2014 deelname aan de levensloopregeling niet meer mogelijk is, ingeval in het jaar 2013 de volledige aanspraak ingevolge de levensloopregeling opgenomen is met toepassing van artikel 39d, tweede lid, van de Wet LB 1964, zoals die bepaling op 31 december 2013 luidde. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij deze wijziging rekening is gehouden met de aanpassing van artikel VII, onderdeel B, van het Belastingplan 2012 in de Regeling samenloop fiscale wetten 2013.

Artikel XXIX, onderdeel B (artikel VIIa van het Belastingplan 2012)

Ingevolge dit onderdeel wordt het in artikel VIIa, onderdeel 2, van het Belastingplan 2012 opgenomen artikel 39d, derde lid, van de Wet LB 1964, zoals die bepaling vanaf 1 januari 2021 zou komen te luiden, vernummerd in verband met de wijziging in artikel XXIX, onderdeel A. Volledigheidhalve wordt opgemerkt dat ook bij de onderhavige wijziging rekening is gehouden met de aanpassing van artikel VIIa, onderdeel 2, van het Belastingplan 2012 in de Regeling samenloop fiscale wetten 2013.

Artikel XXX

Artikel XXX (artikel XXVII van de wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten)

In artikel XXVII van de wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten (Stb. 2012, 19) is een wijzigingsopdracht betreffende artikel 1, eerste lid, onderdelen d en e, van de Natuurschoonwet 1928 opgenomen die op het tijdstip van inwerkingtreding van eerstgenoemde wet niet alleen overbodig was, maar bovendien als gevolg van de formulering niet kon worden uitgevoerd. Dit hangt samen met de omstandigheid dat bij de formulering van die wijzigingsopdracht geen rekening is gehouden met de ingevolge artikel XX van de Fiscale verzamelwet 2011 in artikel 1, eerste lid, onderdelen d en e, van de Natuurschoonwet 1928 reeds met ingang van 1 januari 2012 aangebrachte wijziging. Omdat genoemd artikel XXVII daarmee reeds voor de inwerkingtreding daarvan een loze bepaling is geworden die in de praktijk echter tot verwarring blijkt te leiden, wordt voorgesteld artikel XXVII te laten vervallen.

Artikel XXXI

Artikel XXXI (inwerkingtreding)

Deze wet treedt ingevolge artikel XXXI, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2014.

Bij de formulering van de wijzigingsopdracht van artikel XXIX, onderdeel A, is uitgegaan van de situatie dat de in artikel VII, onderdeel B, van het Belastingplan 2012 opgenomen wijzigingsopdracht nog niet is uitgevoerd. Daarom bevat het eerste lid van het onderhavige artikel XXXI met betrekking tot de in artikel XXIX, onderdeel A, opgenomen wijzigingsopdracht de toevoeging dat deze toepassing vindt voordat de in artikel VII, onderdeel B, van het Belastingplan 2012 opgenomen wijzigingsopdracht wordt toegepast. Deze dient namelijk per 1 januari 2014 te worden uitgevoerd en zonder nadere bepaling zou artikel VII, onderdeel B, van het Belastingplan 2012 in dit geval voorgaan.

De in artikel XXXI, tweede tot en met negende lid, opgenomen (van het eerste lid afwijkende) tijdstippen van inwerkingtreding dan wel terugwerkende kracht zijn toegelicht in de toelichting op het desbetreffende artikel of onderdeel.

De staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers