Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld op 3 juli 2013

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig en afdoende zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Eijsink

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Van Toor

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het voornemen tot goedkeuring van het op 15 oktober 2012 tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof (Trb. 2013, 12). Het verdrag regelt dat het Benelux-Gerechtshof zijn kerntaak tot het harmoniseren van de gemeenschappelijke regels die binnen de Benelux Unie gelden, niet alleen meer kan uitvoeren middels het beantwoorden van prejudiciële vragen van nationale rechters te beantwoorden en de regeringen van de drie lidstaten (desgevraagd) te adviseren, maar komt er tevens een rechtsprekende bevoegdheid bij. De leden van de VVD-fractie hebben hierover nog enkele vragen.

Gesteld wordt dat merkenrecht een belangrijk gemeenschappelijke recht in de Benelux Unie is. Op dit moment komt het voor dat er tussen de drie lidstaten van de Benelux-Unie verschillende interpretaties aan het gemeenschapsrecht worden gegeven. De leden van de VVD-fractie horen graag welke voorbeelden er zijn van een verschillende interpretatie van bijvoorbeeld het merkenrecht tussen de lidstaten en tot welke nadelen dit heeft geleid voor Nederland. Ook horen de leden van de VVD-fractie graag of alle bestaande middelen van het Benelux-Gerechtshof zijn uitgeput voor er werd over gegaan tot het toekennen van de rechtsprekende bevoegdheid.

De regering stelt dat zonder verdragswijziging ook andere terreinen kunnen worden toegevoegd aan de rechtsprekende macht van het Benelux-Gerechtshof. De leden van de VVD-fractie horen graag van de regering wanneer dit aan de orde zou zijn, welke procedure daarvoor nodig is en welke rol de Nederlandse regering en het Nederlandse parlement hierin hebben.

Het Benelux-Gerechtshof zal worden hervormd om de rechtsprekende bevoegdheid uit te kunnen oefenen. Voorbeeld hierbij is het Europese Hof. Kan de regering aangeven of het Benelux-Gerechtshof op die wijze in de toekomst ook kan opgaan in het Europese Hof, mocht het merkenrecht ooit een Europese aangelegenheid worden?

De leden van de VVD-fractie horen graag een toelichting van de regering op de mogelijke voor- en nadelen voor Nederland als het onderhavige verdrag niet geratificeerd zou worden.

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. De inzet van het kabinet kan op instemming van deze leden rekenen. Zij hebben verder geen aanvullende vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel tot Goedkeuring van het op 15 oktober 2012 toto stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuur van een Benelux-Gerechtshof (Trb. 2013, 12).

De leden van de fractie van D66 lezen dat er gekozen is om «het Verdrag zodanig te wijzigingen dat deze [rechtsprekende] bevoegdheid van geval tot geval kan worden versterkt in verdragen». De leden van de fractie van D66 vernemen graag waarom er gekozen is om van geval tot geval te kijken of de rechtsprekende bevoegdheid kan worden versterkt. Welke terreinen lenen zich in de toekomst voor een toekenning aan het Hof van rechtsprekende bevoegdheid?

In he Protocol hebben de leden van D66 gelezen over de scheidslijn in het takenpakket van de drie Kamers. Deze leden vragen zich echter af of er wel sprake is van samenwerking tussen de drie Kamers en in welke mate en op welke wijze er afstemming plaatsvindt tussen de drie Kamers.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van de Aanbeveling van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, waarin wordt geadviseerd de prejudiciële procedure te vereenvoudigen. Graag horen de leden van de fractie van D66 hoe dit in praktijk doorgevoerd zal worden. Zal dit inderdaad worden doorgevoerd in het Reglement van Orde of in het Regelement op de procesvoering? Of is er sprake van een andere wijze waarop deze aanbeveling wordt doorgevoerd? Binnen welke termijn kunnen we een doorvoering verwachten?