Kamerstuk 33400-XIII-10

Beantwoording vragen namens de rapporteurs t.b.v. het wetgevingsoverleg begrotingsonderzoek landbouw- en visserijsubsidies

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2013

Gepubliceerd: 12 november 2012
Indiener(s): Co Verdaas (staatssecretaris economische zaken) (PvdA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33400-XIII-10.html
ID: 33400-XIII-10

Nr. 10 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 november 2012

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op de schriftelijke vragen van de vaste Commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Deze vragen zijn namens de rapporteurs gesteld in aanloop naar het wetgevingsoverleg begrotingsonderzoek op 15 november a.s.

Vraag

Waarom zijn er voor 2011 middelen gereserveerd voor een begrotingsreserve landbouw, visserij en de borgstellingsfaciliteit (pag. 85/86)? Waarom zijn deze niet overgeheveld naar latere jaren? In welke jaren zullen deze bedragen tot besteding komen?

Antwoord

De middelen in de reserves per 31-12-2011 zijn bedoeld voor kasuitgaven in latere jaren waarvan de verplichtingen over het algemeen in 2011 of eerder zijn aangegaan. In de reserves blijven deze middelen dus beschikbaar voor latere jaren.

Toelichting

De drie reserves landbouw, visserij en borgstellingsfaciliteit zijn voortgekomen uit drie fondsen die in het verleden door drie verschillende stichtingen werden beheerd.

  • De Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw is met Marshall-hulp opgericht in 1951 en had tot doel het bevorderen van de ontwikkeling van de Nederlandse landbouw met het oog op de nationale productie en het veilig stellen van de voedselvoorziening na de Tweede Wereldoorlog. Dit gebeurde door borgstellingen te verlenen aan agrariërs die over onvoldoende zekerheden beschikten om een lening te verkrijgen bij een bank. Uit het fonds werden de eventuele verliesdeclaraties van de banken bekostigd. In later jaren werden uit het Fonds ook de uitvoeringskosten van de borgstellingsregeling betaald.

  • De Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw is opgericht in 1964 en had tot doel de bevordering van de ontwikkeling en sanering van de landbouw. In de praktijk geschiedde dit door begrotingsbedragen voor bepaalde subsidieregelingen die hieraan bijdroegen en die op basis van bijv. regeerakkoorden beschikbaar werden gesteld, in het Fonds te storten en de bedragen uit het Fonds te halen op het moment dat er betalingen op deze subsidieregelingen gedaan moesten worden.

  • De Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij is opgericht in 1975 en had tot doel de ontwikkeling en sanering van de zee-en kustvisserij in Nederland te bevorderen. Het Fonds was ook bedoeld voor de meerjarige uitfinanciering van de vorige Europees visserij programma’s FIOV 1993–1999 en FIOV 2000–2006. (Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij)

Ten gevolge van de Kaderwet ZBO’s is voor de drie stichtingen een ontmantelingstraject ingesteld. De doelen van de stichtingen blijven echter actueel. Vandaar dat ervoor gekozen is om de Fondsen (die onder de stichtingen vielen) per 1-1-2008 om te zetten naar interne begrotingsreserves ten dienste van de EL&I-begroting. In doel en werking is niets veranderd, de Stichting O&S-fonds voor de Visserij is inmiddels opgeheven, de beide andere stichtingen zijn in staat van opheffing.

De interne begrotingsreserve visserij is dan ook bestemd voor de meerjarige uitfinanciering van subsidieregelingen die onder het Europees Visserij Fonds (programma 2007–2013) worden uitgevoerd. De werking van de reserves Landbouw en Visserij is dus om het bestaande instrumentarium financiële instrumentarium voor de ontwikkeling en sanering van de landbouw en visserij te behouden, waardoor stabiliteit en zekerheid gecreëerd wordt voor de uitfinanciering van omvangrijke en sterk fluctuerende transitie-uitgaven.

De geschatte besteding van de in de begrotingsreserve Landbouw aanwezige middelen (€ 38,9 mln.) is als volgt gepland (x € 1 mln.):

Instrument

2012

2013

2014

2015

2016

2017

e.v.

Regeling Marktintroductie Energie Innovatie (MEI)

 

1,2

1,2

     

Infrastructuurregeling Glastuinbouw (IRG)

           

Bijdrage College voor Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB)

0,9

0,9

0,9

0,9

   

Schadevergoedingsregelingen (EHEC, Aziatische Boktor, pepper weevil, etc.)

 

1,3

1,2

1,0

1,0

1,0

Investeringsregeling duurzame stallen (ISDH)

3,6

4,9

       

Subsidies Multifunctionele landbouw

0,3

0,1

       

VAMIL-compensatieregeling

1,0

 

1,0

1,0

1,0

6,0

SBIR Agrologistiek/Biobased

0,4

0,5

       

Investeringsregeling luchtwassers

1,8

0,8

       

Subsidies Precisielandbouw

 

0,1

       

Subsidieregeling Jonge Agrariërs (SJA)

 

2,0

1,5

1,2

   

totaal

8,0

11,8

5,8

4,1

2,0

7,0

De geschatte besteding van de in de begrotingsreserve Visserij aanwezige middelen (€ 26,9 mln.) is als volgt gepland (x € 1 mln.):

Instrument

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Subsidieregelingen EVF As 1

4,2

2,7

2,7

2,7

   

Subsidieregelingen EVF As 2

 

1,0

1,0

1,0

   

Subsidieregelingen EVF As 3

0,6

3,0

3,0

3,0

   

Compensatieregeling aalvisserij

1,9

         

totaal

6,7

6,7

6,7

6,7

   

De reserve borgstellingsfaciliteit heeft een ander karakter en dient vooral als garantiekapitaal tegenover door het ministerie van EZ afgegeven garantiestellingen. Het is dus juist van belang om deze reserve zoveel mogelijk in stand te houden om risico’s van het ministerie af te dekken indien banken meer dan gemiddeld verlies leiden op leningen die zij onder de garantstelling aan agrariërs verstrekt hebben. De reserve wordt op peil gehouden door een jaarlijkse storting van € 2 mln. en door het afstorten van provisies die banken bij de agrariërs in rekening brengen. Alleen indien de verliesdeclaraties van banken hoger uitvallen dan de jaarlijkse storting en de geïnde provisies neemt de reserve in omvang af. Dit is de afgelopen drie jaar, als gevolg van de economische crisis, inderdaad het geval.

Vraag

Welk deel van de bedragen betreffen landbouw- en visserijsubsidies?

Antwoord

Alle bedragen betreffen landbouw- en visserij(subsidie)regelingen.

Vraag

Kunt u een overzicht maken van de evaluatieonderzoeken die de afgelopen drie jaar zijn uitgevoerd

naar landbouw- en visserijsubsidies? Kunt u van deze onderzoeken een samenvatting geven van de hierin gerapporteerde conclusies over effectiviteit en doelmatigheid?

Antwoord

In de ontwerpbegroting 2013 is een subsidiebijlage opgenomen met een overzicht van de subsidies. In dit overzicht zijn ondermeer de uitgevoerde evaluaties vermeld. Op basis van dat overzicht is de in het antwoord opgenomen informatie samengesteld. Voor de komende jaren is voor de subsidieregelingen een dekkende programmering van evaluaties voorzien.

In de periode 2009–2011 zijn de volgende evaluatieonderzoeken uitgevoerd:

Interim Evaluatie Europees Visserij Fonds Nederland 2007–2013

De subsidieregelingen die in het kader van het Europees Visserij Fonds worden uitgevoerd, betreffen:

Subsidie innovatie in de visketen, Collectieve acties in de visketen, Investering in vissersvaartuigen, Subsidie kwaliteit, rendement en nieuwe markten in de visserij, Investering in aquacultuur, Certificering in de visketen, Investering in verwerking en afzet en de compensatieregeling aalvisserij. Het betreft tussenevaluaties uit 2011 van regelingen die in 2013 aflopen.

Uit de tussenevaluatie blijkt dat de evaluator overwegend positief is over de uitvoering en voortgang van het EVF 2007–2013 in Nederland.

«De inhoudelijke strategie van het programma is nog actueel en relevant. De uitvoering is doordacht vormgegeven, met grote aandacht voor borging van de rechtmatigheid van uitgaven. De processen en procedures zorgen voor selectie van goede projecten en goede begeleiding van de projectuitvoerders. De horizontale thema’s worden afdoende in acht genomen (1. Maatregelen voor aanpassing van de Europese visserijvloot, 2. Maatregelen in de aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet, 3. Maatregelen van gemeenschappelijk belang, 4. Maatregelen voor een duurzame ontwikkeling van visserijgebieden). Het bereiken van de formele doelstellingen (indicatoren) ligt goed op schema. De financiële voortgang, in de vorm van gecertificeerde uitgaven, blijft achter bij de verstreken looptijd van het programma. Hierin schuilt een direct risico voor het behalen van de N+2-doelstelling voor 2011.

De aanbevelingen richten zich hoofdzakelijk op het optimaliseren van de benutting van de beschikbare EVF-middelen. Een belangrijk advies in dit verband is de budgetverdeling over de assen te heroverwegen, rekening houdend met de beleidsdoelstellingen.»

In 2017 staat de eindevaluatie voor het Europees Visserij Fonds gepland.

Naar aanleiding van de tussenevaluatie zijn vorig jaar alle subsidieaanvragers aangemand om de gemaakte uitgaven te declareren. Dit jaar is ook een aantal voorlichtingsbijeenkomsten voor vissers georganiseerd om duidelijk aan te geven welke regels er gelden voor verantwoording van de gemaakte uitgaven en de noodzaak om tijdig de declaraties in te dienen.

Daarnaast is budgetverdeling over de assen heroverwogen. Er zal een herverdeling plaatsvinden van met name een overheveling van As 1 (sanering en aanpassing van vissersvaartuigen) naar As 3 (innovatieprojecten). Het doorvoeren van de wijzigingen in het operationeel programma vindt in het voorjaar van 2013 plaats.

Jonge landbouwers (bedrijfsmodernisering)

De investeringsregeling jonge landbouwers is ingesteld om jonge landbouwers te stimuleren om kort na bedrijfsovername te investeren in hun bedrijf teneinde hiermee hun concurrentiepositie te versterken.

De belangrijkste conclusies uit de evaluatie zijn:

  • De regeling is goed bekend bij de doelgroep;

  • De organisatie en uitvoering van de regeling verloopt voorspoedig;

  • De regeling is voor een ruime meerderheid van de jonge landbouwers

effectief.

Bedrijfsadvies over randvoorwaarden GLB

Dit betreft een regeling op basis waarvan agrariërs die directe GLB-inkomenssteun ontvangen, subsidie kunnen krijgen voor een individueel bedrijfsadvies om vast te kunnen stellen of zij voldoen aan de randvoorwaarden van het GLB.

De belangrijkste conclusies uit de evaluatie zijn:

  • Het aantal bedrijven dat gebruik heeft gemaakt van de bedrijfsadviesdiensten (per 2011 ongeveer 2000) blijft achter bij de oorspronkelijke schatting voor de periode 2007–2013 van 14 000 bedrijven;

  • Het bedrijfsadvies sluit deels aan bij de wens van de deelnemende agrarische bedrijven, hoewel een meer maatwerk advies gericht op specifieke vragen van het bedrijf de voorkeur verdiend.

  • De ervaringen van bedrijfsadviseurs die de bedrijfsadviezen geven is verdeeld. Niet alle adviesbureaus kunnen de regeling goed in de dagelijkse bedrijfsvoering inpassen. Met name bij accountants was dit lastig.

  • Voor kleine bedrijven vormden de kosten om aan de subsidievoorwaarden te voldoen vaak een probleem.

  • In de subsidieregeling moeten bepaalde daaraan verbonden Europese regels worden gevolgd. Deze procedures worden als ingewikkeld ervaren. Ook levert dit voor het rijk zelf relatief hoge lasten op.

In de toekomst zou het aantal onderwerpen waarvoor bedrijfsadvies kan worden aangevraagd moeten worden uitgebreid. De conclusies worden meegenomen in het nieuwe GLB.

Demonstratieprojecten

Op basis van deze regeling kunnen agrarische ondernemers die met een innovatief project bezig zijn, subsidie aanvragen om de opgedane kennis en ervaring te delen met andere agrarische ondernemers aan de hand van demonstraties.

De belangrijkste conclusies uit de evaluatie zijn:

  • er bestaat een scheve verhouding tussen het individuele belang van de agrarische ondernemer en het collectieve belang van sectororganisaties waarbij in een samenwerkingsverband de financiële verantwoordelijkheid en lastendruk geheel bij de agrarische ondernemer ligt.

  • de administratieve lastendruk van de regeling worden door de gebruikers als relatief hoog ervaren.

  • het functioneren van de Dienst Regelingen wordt positief beoordeeld.

Op basis van de evaluatie staat de module nu open voor alle landbouwondernemingen uit het agroconvenant en staat het daarmee breder open dan voorgaande jaren.

Daarnaast is het subsidiepercentage voor samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen verhoogd naar 70%. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het belangrijkste knelpunt van de regeling. Het percentage van 50% werd als te beperkt gezien in vergelijking met de collectieve insteek van de regeling.

Vraag

Kunt u inzichtelijk maken welke bijdragen van het Rijk zijn geraamd voor POP2-maatregelen, voor de gehele POP2-periode en per jaar? Kunt u de bijdragen uitsplitsen naar de vier assen?

Kunt u inzichtelijk maken van welke financiële regelingen deze bijdragen uitmaken? Ten laste van welke artikelen/financiële instrument komen deze regelingen?

Antwoord

In bijgaand overzicht treft uw Kamer aan de geraamde bijdragen die het Rijk als cofinanciering tegenover de EU middelen zet voor de periode 2007 – 2013. De raming is conform het geactualiseerde programmeringdocument POP2. De Rijksgelden Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) die naar de provincies zijn gegaan, worden beschouwd als provinciale bijdrage en maken geen deel uit van dit overzicht.

Bijdrage Rijk, conform raming financiële tabel (x € 1000)

as

jaar

             
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

totaal

as 1

13 220

9 930

8 690

9 976

9 863

10 840

13 303

75 822

 

               

as 2

1 150

970

970

680

660

660

66

5 156

 

               

as 3

0

0

0

0

0

0

0

0

 

               

as 4

0

0

0

0

0

0

0

0

 

               

TB1

355

175

165

190

195

195

205

1 480

                 

Totaal

14 725

11 075

9 825

10 846

10 718

11 695

13 574

82 458

X Noot
1

TB: technische bijstand.

Vraag

Kunt u inzichtelijk maken van welke financiële regelingen deze bijdragen uitmaken? Ten laste van welke artikelen/financiële instrumenten komen deze regelingen?

Antwoord

De volgende regelingen zijn resp. worden met POP2-middelen gefinancierd en worden alle ten laste van art. 16.10 Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij gefinancierd:

  • Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (laatste betaling in 2008)

  • Regeling Stimulering Biologische Productiemethode (laatste betaling in 2010)

  • Regeling Beroepsopleiding en voorlichting veehouderij (laatste betaling in 2011)

  • Investeringsregeling Duurzame Stallen (art. 16.10/Duurzame veehouderij)

  • Subsidieregeling Voedselkwaliteit Biologische Landbouw (art. 16.10/Duurzame veehouderij)

  • Demonstratieregeling, opgedeeld naar sector (art. 16.10/Duurzame veehouderij, art. 16.10/Agrarische innovatie en overig, art. 16.10/Agrarisch ondernemerschap, art. 16.10/Plantaardige productie)

  • Innovatieregeling intensieve veehouderij/melkveehouderij/dier/plant/open teelten/POP Nieuwe Uitdagingen (art. 16.10/Agrarische innovatie en overig)

  • Kleine praktijknetwerken (art. 16.10/Duurzame veehouderij)

  • Bedrijfsadviesdiensten randvoorwaarden GLB (art. 16.10/Agrarisch ondernemerschap).

  • Grote praktijknetwerken (art. 16.10/Duurzame veehouderij)

  • Subsidieregeling jonge agrariërs (art. 16.10/Agrarisch ondernemerschap)

  • Investeringen in milieuvriendelijke maatregelen (art. 16.10/Mestbeleid)

  • Investeringsregeling gecombineerde luchtwassers (art. 16.10/Duurzame veehouderij)

  • Regeling Marktintroductie Energie Innovaties (art. 16.10/16.10/Plantaardige productie)

Alle bovenstaande regelingen vallen onder POP As 1, met uitzondering van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethode die onder POP As 2 valt.

De staatssecretaris van Economische Zaken, J. C. Verdaas