Gepubliceerd: 3 juli 2012
Indiener(s): André Bosman (VVD)
Onderwerpen: bestuur de nederlandse antillen en aruba
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33325-2.html
ID: 33325-2

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen betreffende de vestiging van Nederlanders uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. TOELATING

§ 1. Definities

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

§ 2. Toepassingsbereik

Artikel 2

  • 1. Deze wet is van toepassing op Nederlanders die in het land Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten door afstamming, naturalisatie of optie het Nederlanderschap hebben verkregen, en hun kinderen.

  • 2. Deze wet is eveneens van toepassing op Nederlanders, geboren buiten het Koninkrijk, van wie de moeder ten tijde van de geboorte van die Nederlander ingezetene is van een van de landen, bedoeld in het eerste lid, en met het oog op de te ontvangen medische of verloskundige hulp bij de bevalling naar het buitenland is gereisd.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is deze wet niet van toepassing op:

    • a. de kinderen van Nederlanders die in het land Nederland, inbegrepen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, door afstamming, naturalisatie of optie het Nederlanderschap hebben verkregen;

    • b. het Nederlandse kind, van wie de moeder, die ingezetene is van de openbare lichamen of de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in het land Aruba, Curaçao of Sint Maarten van dat kind is bevallen, teneinde daarbij medische of verloskundige hulp te ontvangen en daartoe naar dat land is gereisd;

    • c. het Nederlandse kind, van wie de moeder, bedoeld onder b, om dezelfde reden naar het buitenland is gereisd om daar van dat kind te bevallen.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid is deze wet evenmin van toepassing op Nederlanders, die als zodanig gedurende een ononderbroken periode van tien jaren of langer tot verblijf of vestiging toegelaten zijn geweest op grond van deze wet.

§ 3. Toelating tot verblijf en vestiging

Artikel 3

  • 1. Iedere Nederlander behoeft voor verblijf anders of langer dan als toerist of uitgezondene toelating tot verblijf of vestiging.

  • 2. De toelating tot verblijf kan op aanvraag worden verleend of verlengd voor bepaalde tijd.

  • 3. De toelating tot vestiging kan op aanvraag worden verleend voor onbepaalde tijd.

  • 4. Onder toerist, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: ieder die zich niet langer dan een periode van zes maanden in Nederland bevindt voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die in Nederland geen werkzaamheden tegen beloning verricht.

  • 5. Onder uitgezondene, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: ieder die door de overheid van het land Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten naar Nederland is uitgezonden, voor de duur van de uitzending, en de echtgenoot of echtgenote, dan wel geregistreerde partner, en de tot hun gezin behorende kinderen, die hen vergezellen of zich bij hen voegen, eveneens voor de duur van die uitzending.

Artikel 4

  • 1. Onze Minister is bevoegd toelating tot verblijf of vestiging te verlenen dan wel in te trekken, alsmede de toelating tot verblijf te verlengen.

  • 2. Onze Minister is bevoegd een aanvraag tot het verlenen van toelating tot verblijf of vestiging of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de toelating tot verblijf in te willigen, af te wijzen, dan wel niet in behandeling te nemen.

  • 3. De toelating tot verblijf kan worden verleend voor een periode van niet langer dan een jaar en de geldigheidsduur van die toelating kan worden verlengd met een periode van telkens niet langer dan een jaar.

  • 4. Een aanvraag tot het verlenen van toelating tot verblijf als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend uiterlijk een maand nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat ander of langer verblijf wordt beoogd dan als toerist of uitgezondene, bedoeld in artikel 3.

  • 5. Op een daartoe strekkende aanvraag wordt door Onze Minister aan een Nederlander op wie deze wet niet van toepassing is, een verklaring verstrekt waaruit dit blijkt.

Artikel 5

  • 1. Een aanvraag tot het verlenen van toelating tot verblijf als bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan worden afgewezen indien de aanvrager:

    • a. de Nederlandse taal niet voldoende beheerst;

    • b. niet in het bezit is van een bewijs van uitschrijving uit de basisadministratie van het land van Aruba, Curaçao, dan wel Sint Maarten;

    • c. niet beschikt over een inkomen ter hoogte van ten minste de voor de aanvrager geldende norm gesteld bij of krachtens de Wet werk en bijstand;

    • d. niet beschikt over een startkwalificatie die aansluit bij de Nederlandse arbeidsmarkt;

    • e. niet beschikt over een verklaring omtrent het gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door het bevoegde gezag van Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten binnen twee maanden voor aankomst in Nederland;

    • f. in Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf of aldaar een transactieaanbod wegens misdrijf heeft aanvaard, of

    • g. een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

  • 2. De aanvrager toont aan de Nederlandse taal voldoende te beheersen, indien hij:

    • a. beschikt over een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een in de Nederlandse taal onderwezen opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of

    • b. na onderwijs te hebben gevolgd in de taal die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten naast het Nederlands gangbaar is, beschikt over een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen en aantoont in een vak Nederlandse taal te zijn onderwezen en voor dat vak een voldoende of hoger is behaald.

  • 3. De aanvrager toont aan te beschikken over een startkwalificatie die aansluit bij de Nederlandse arbeidsmarkt, indien hij:

    • a. beschikt over een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969;

    • b. beschikt over een diploma of getuigschrift van een beroepsopleiding van twee jaar of langer in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of

    • c. beschikt over werkervaring van meer dan drie jaren in Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten.

  • 4. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder c dan wel d, ingeval de aanvrager aantoont dat hij door een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling is toegelaten voor het volgen van voltijd onderwijs aan die instelling en aan hem daartoe een beurs is toegekend die toereikend is voor de financiering van de kosten van het levensonderhoud en het collegegeld voor dat onderwijs aan die instelling.

  • 5. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, b, d dan wel e, ingeval de aanvrager aantoont te beschikken over een vermogen gelijk aan of hoger dan een door Onze Minister vast te stellen bedrag en waarvan de opbrengsten gelijk zijn aan of hoger dan een eveneens door Onze Minister vast te stellen bedrag.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

  • 7. De aanvrager van twaalf jaren of ouder ondertekent een antecedentenverklaring, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld.

Artikel 6

  • 1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de toelating tot verblijf als bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan worden afgewezen, indien de aanvrager:

    • a. zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;

    • b. onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of het verlengen zou hebben geleid;

    • c. niet langer beschikt over een inkomen van ten minste de voor de aanvrager geldende normen gesteld bij of krachtens de Wet werk en bijstand dan wel over een beurs als bedoeld in artikel 5, vierde lid, of

    • d. een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

  • 3. De aanvrager van twaalf jaren of ouder ondertekent een antecedentenverklaring, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld.

Artikel 7

De toelating tot verblijf, bedoeld in artikel 4, derde lid, kan worden ingetrokken, op de gronden, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Artikel 8

  • 1. Een aanvraag tot het verlenen van toelating tot vestiging als bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan worden afgewezen, indien de aanvrager:

    • a. niet direct voorafgaande aan de aanvraag een periode van ten minste vijf jaren ononderbroken toelating tot verblijf als bedoeld in artikel 4, derde lid, heeft gehad;

    • b. niet beschikt over een inkomen van ten minste de toepasselijke norm of normen gesteld bij of krachtens de Wet werk en bijstand;

    • c. een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde of openbare veiligheid, of

    • d. onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of het verlengen zou hebben geleid.

  • 2. Bij de berekening van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt voor de helft in aanmerking genomen de tijd waarin de aanvrager voor studiedoeleinden is toegelaten of toegelaten is geweest.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid, alsmede het tweede lid.

  • 4. De aanvrager van twaalf jaren of ouder ondertekent een antecedentenverklaring, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld.

Artikel 9

De toelating tot vestiging kan worden ingetrokken op de gronden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c en d.

Artikel 10

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

    • a. de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;

    • b. de gegevens die de aanvrager in persoon moet verstrekken;

    • c. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de toelatingsplichtige, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de toelatingsplichtige of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald dat de bekendmaking van de beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.

  • 2. De aanvrager is, in door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag. Daarbij kan Onze Minister tevens bepalen dat de aanvrager voor de afgifte van een document waaruit de toelating tot verblijf of vestiging blijkt of dat deze wet niet op hem van toepassing is leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. Artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 11

  • 1. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt binnen drie maanden een beschikking gegeven.

  • 2. De termijn voor het geven van een beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste eenmaal met drie maanden worden verlengd, indien onderzoek door derden of het openbaar ministerie noodzakelijk is.

  • 3. Onze Minister stelt de aanvrager in kennis van de verlenging.

Artikel 12

  • 1. De toelating tot verblijf of vestiging, bedoeld in artikel 4, derde lid, dan wel 8, wordt verleend met ingang van de dag waarop de aanvrager heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

  • 2. De geldigheidsduur van de toelating tot verblijf als bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt verlengd met ingang van de dag waarop de aanvrager heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de toelating tot verblijf waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.

  • 3. Indien de aanvrager de aanvraag tot verlenging dan wel de gegevens waaruit blijkt dat hij aan de voorwaarden voldoet niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de toelating worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de toelating waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.

§ 4. Aanwijzing en bevoegdheden van ambtenaren

Artikel 13

  • 1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de voorschriften van deze wet zijn belast:

    • a. de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de Politiewet 1993;

    • b. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;

    • c. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 2. De ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de Politiewet 1993 en de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee oefenen het toezicht uit onder leiding van de korpschef.

  • 3. Op de uitoefening van de in deze paragraaf bedoelde bevoegdheden zijn, voor zover nodig, de artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

De ambtenaren, bedoeld in artikel 13, zijn bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden opleveren dat een persoon zich in strijd met artikel 3, eerste lid, in Nederland bevindt, personen staande te houden, ter vaststelling van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

§ 5. Maatregelen van toezicht

Artikel 15

Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van personen op wie deze wet van toepassing is worden voorzien in het:

  • a. verstrekken van gegevens welke van belang kunnen zijn voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet gestelde regels;

  • b. verlenen van medewerking aan het vastleggen van gegevens met het oog op identificatie, en

  • c. inleveren van het document waaruit de toelating tot verblijf of vestiging blijkt dan wel dat deze wet niet van toepassing is.

§ 6. Gegevensverstrekking en -verwerking

Artikel 16

  • 1. Artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen worden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toelating, het verblijf en het toezicht op personen op wie deze wet betrekking heeft.

  • 3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden verwerkt door of namens Onze Minister en de in artikel 13 aangewezen ambtenaren. Zij kunnen worden verwerkt door derden, voor zover deze betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet en daartoe noodzakelijkerwijs de beschikking over deze gegevens moeten verkrijgen.

  • 4. Artikel 107a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is van overeenkomstige toepassing.

§ 7. Strafbepalingen

Artikel 17

  • 1. Hij die toelating tot verblijf of vestiging behoeft en zich in Nederland bevindt zonder dat zodanige toelating is verleend, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de tweede categorie, tenzij hij tijdig een aanvraag om zodanige toelating heeft ingediend en daarop nog niet onherroepelijk is beslist.

  • 2. Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit wordt beschouwd als overtreding.

  • 3. Met de opsporing van het in het eerste lid strafbaar gestelde feit zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren belast met de grensbewaking en ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een aanwijzing, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

HOOFDSTUK 2. WIJZIGING VAN ENIGE WETTEN

Artikel 18

Aan artikel 29a van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt inschrijving van een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland niet plaats en wordt een Nederlander op wie de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland van toepassing is niet ingeschreven dan nadat hem toelating tot verblijf is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

Artikel 19

De Huisvestingswet wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan artikel 25 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het eerste lid wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

2. In artikel 26 wordt «Onverminderd artikel 9, tweede lid» vervangen door: Onverminderd artikel 9, tweede en derde lid».

Artikel 20

Aan artikel 13 van de Wet werk en bijstand wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland heeft geen recht op bijstand van overheidswege en een Nederlander op wie die wet van toepassing is heeft geen recht op bijstand van overheidswege dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

HOOFDSTUK 3. AFSTEMMINGSBEPALINGEN

Artikel 21

Indien het bij koninklijk besluit van 21 november 2006 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet 2012) (Kamerstukken 30 880) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, dan wordt artikel 13 van deze wet als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «als bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de Politiewet 1993» vervangen door: als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, en als bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover deze zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

2. In het tweede lid wordt «als bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de Politiewet 1993» vervangen door: als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012 en als bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover deze zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 22

1. Indien het bij koninklijk besluit van 29 maart 2012 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels voor een basisadministratie personen (Wet basisadministratie personen) (Kamerstukken 33 219) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komt artikel 18 van deze wet te luiden:

Artikel 18

Aan artikel 2.5 van de Wet basisregistratie personen wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt inschrijving niet plaats van een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland, en vindt inschrijving van een Nederlander op wie de die wet van toepassing is niet plaats dan nadat hem toelating tot verblijf is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

2. Indien het bij koninklijk besluit van 29 maart 2012 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels voor een basisadministratie personen (Wet basisadministratie personen) (Kamerstukken 33 219) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

Aan artikel 2.5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid vindt inschrijving niet plaats van een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland, en vindt inschrijving van een Nederlander op wie die wet van toepassing is niet plaats dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

Artikel 23

1. Indien het bij koninklijk besluit van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimte voorraad (Huisvestingswet 2012) (Kamerstukken 32 271) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, komt artikel 19 van deze wet te luiden:

Artikel 19

De Huisvestingswet 2012 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

2. In artikel 16, eerste lid, wordt «hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid» vervangen door: hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onverminderd artikel 10, derde lid.

2. Indien het bij koninklijk besluit van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimte voorraad (Huisvestingswet 2012) (Kamerstukken 32 271) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland en wordt een huisvestingsvergunning niet verleend aan een Nederlander op wie die wet van toepassing is dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

2. In artikel 16, eerste lid, wordt «hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid» vervangen door: hij voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onverminderd artikel 10, derde lid.

Artikel 24

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 1 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen) (Kamerstukken 33 161), tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, wordt «bij of krachtens de Wet werk en bijstand» vervangen door: bij of krachtens de Wet werken naar vermogen.

B

In artikel 6, eerste lid, onderdeel c, wordt «bij of krachtens de Wet werk en bijstand» vervangen door: bij of krachtens de Wet werken naar vermogen.

C

In artikel 8, onderdeel b, wordt «bij of krachtens de Wet werk en bijstand» vervangen door: bij of krachtens de Wet werken naar vermogen.

D

Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20

Aan artikel 13 van de Wet werken naar vermogen wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland heeft geen recht op bijstand van overheidswege en een Nederlander op wie die wet van toepassing is heeft geen recht op bijstand van overheidswege dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 1 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen) (Kamerstukken 33 161) tot wet is of wordt verheven en die wet later in werking treedt dan deze wet, wordt de Wet werken naar vermogen als volgt gewijzigd:

Aan artikel 13 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Een Nederlandse toerist of uitgezondene als bedoeld in artikel 3, vierde of vijfde lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland heeft geen recht op bijstand van overheidswege en een Nederlander op wie die wet van toepassing is heeft geen recht op bijstand van overheidswege dan nadat hem toelating tot verblijf of vestiging is verleend als bedoeld in artikel 3 van die wet.

HOOFDSTUK 4. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Deze wet is niet van toepassing op Nederlanders, bedoeld in artikel 2, eerste dan wel tweede lid, die op het tijdstip waarop het tot deze wet strekkende wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig is gemaakt, als zodanig gedurende een ononderbroken periode van tien jaren of langer ingezetene zijn van een Nederlandse gemeente of de openbare lichamen, voorheen eilandgebieden, Bonaire, Sint Eustatius dan wel Saba.

Artikel 26

Deze wet wordt aangehaald als: Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland.

Artikel 27

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,