Gepubliceerd: 14 maart 2012
Indiener(s): Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33145-8.html
ID: 33145-8

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 14 maart 2012

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een uitgebreid verslag uitgebracht over het wetsvoorstel tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het onderbrengen van de basisbeurs voor studenten in de masterfase in het sociaal leenstelsel en het aanbrengen van enkele vereenvoudigingen in het studiefinancieringsstelsel.

Diverse fracties hebben indringende vragen gesteld over het wetsvoorstel. Deze hebben onder meer te maken met de cumulatie van de verschillende maatregelen en de aantrekkelijkheid van betá- en geneeskundemasteropleidingen. Ook worden vragen gesteld over de investeringen die gedaan worden vanwege de besparingen die gerealiseerd worden na invoering van dit voorstel.

Naast kritische opmerkingen is er ook steun voor de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase.

De regering is de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkentelijk voor de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen en zal daarop hierna reageren. Daarbij is zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de voorgestelde maatregelen geïnspireerd zijn door een «veranderend perspectief op studiefinanciering» of dat de werkelijke motivatie voor de maatregelen ligt in de bezuinigingsdoelstelling die de coalitie zich gesteld heeft in het regeerakkoord van september 2010. De leden van de SP-fractie vragen zich af of het aangekondigde beleid wel consequent is.

Het onderbrengen van de basisbeurs voor masteropleidingen in het sociaal leenstelsel biedt de mogelijkheid om in onderwijs te blijven investeren en de toegankelijkheid te waarborgen.

Als naar de ontwikkeling van de Wet op de Studiefinanciering gekeken wordt, is te zien dat in 1986 de zelfstandige student centraal staat. De student wordt onafhankelijker van zijn ouders, zonder uit het oog te verliezen dat ouders een rol blijven spelen als het om de ondersteuning van hun studerende kinderen gaat. Latere aanpassingen onder de titel «Student op eigen benen (Stoeb)» versterken dat perspectief.

Met de invoering van de tempo- en prestatiebeurs komt meer nadruk te liggen op de presterende student: iedereen kan tegen goede voorwaarden lenen voor zijn studie en krijgt bij het behalen van het diploma de prestatiebeurs als gift.

Rond de eeuwwisseling ontstaat in het beleidsdebat met name onder sociaaldemocratische en liberale politici, economische wetenschappers en adviseurs het perspectief van de investerende student. Het gaat om de student die op grond van het profijtbeginsel een groter deel van zijn studie zelf kan financieren door een beroep te doen op het sociaal leenstelsel. Illustratief hiervoor zijn studies van het CPB, onder andere in het kader van het rapport van de commissie Vermeend (Commissie Uitgangspunten Nieuw Studiefinancieringsstelsel; Investeren in Leren, Leren Investeren; 2004). Het perspectief van de investerende student heeft zijn weg gevonden naar verschillende partijprogramma’s. Vanuit dat perspectief wordt het sociaal leenstelsel in de masterfase ingevoerd, waarbij de toegankelijkheid van «hoger onderwijs voor velen» overeind blijft en ruimte wordt geschapen om in economisch moeilijke tijden in het onderwijs te blijven investeren.

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe de regering er voor gaat zorgen dat studenten duidelijke voorlichting ontvangen over aangeboden studies.

Conform de motie Lucas1 wordt er een studiebijsluiter ontwikkeld, die voor alle opleidingen inzicht geeft in gegevens over rendement, baanperspectief, contacturen, studententevredenheid en het aantal eerstejaars/ klasgrootte. Doel is om in het najaar de bijsluiter gereed te hebben, die voor het opvolgende studiejaar landelijk toegepast kan worden. De informatie uit de bijsluiter zal worden ontsloten via websites en brochures van instellingen en via een verbeterde website Studiekeuze123.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoeveel studenten de doelstelling van de regering delen om te streven naar een kleinere overheid. De leden van deze fractie vragen zich ook af welk streven zwaarder weegt: het streven naar een kleinere overheid of het streven naar goed en toegankelijk onderwijs.

Met het wetsvoorstel wordt zowel de doelstelling van toegankelijkheid als de doelstelling van de kleinere overheid gediend. Bij het maken van een keuze voor de vereenvoudigingen die zijn opgenomen in het wetsvoorstel, is een afweging gemaakt tussen de gevolgen voor studenten en de opbrengsten vanuit uitvoeringsperspectief. Er zijn geen maatregelen opgenomen die de student fors benadelen en tegelijkertijd slechts een beperkte doelmatigheidswinst in de uitvoering opleveren. Het is de regering niet bekend hoeveel studenten de doelstelling van een kleinere overheid ondersteunen. Van belang is dat de studenten iets terug krijgen voor de vereenvoudigingen. Sommige vereenvoudigingen zijn begunstigend voor de student (met terugwerkende kracht aanvragen van studiefinanciering en vereenvoudigen van de peiljaarverlegging). Tevens worden de middelen die vrijvallen, ingezet ter investering in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Daarnaast leidt vereenvoudiging van de regelgeving tot de mogelijkheid de uitvoeringssystemen en -processen van DUO te stroomlijnen. Vereenvoudiging van regelgeving en het doorvoeren van geslaagde systeemwijzigingen is randvoorwaardelijk voor een goede dienstverlening en het vertrouwen van de burger in de overheid. De noodzakelijke samenhang tussen vereenvoudigen, systeemvernieuwing en dienstverlening is benadrukt in de motie van Kamerlid Van der Burg c.s.2 van 14 november 2011.

De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe de regering dit wetsvoorstel rijmt met de ambitie om tot de internationale kennistop te behoren. Deze leden vinden dat de hogere eigen bijdrage van studenten een drempel opwerpt. Zij vragen zich af of het behalen van een masteropleiding gestimuleerd zou moeten worden in plaats van dat er een drempel opgeworpen zou moeten worden.

Het behalen van een masteropleiding moet op de eerste plaats gestimuleerd worden door een kwalitatief hoogwaardige uitdagende opleiding die leidt tot een diploma waarvoor veel waardering bestaat en dat een goed toekomstperspectief biedt. Daarop is het beleid gericht. Uiteraard moet worden voorkomen dat er te hoge drempels worden opgeworpen. Dat is bij dit wetsvoorstel niet het geval. Iedereen houdt voldoende financiële ruimte om de studie van zijn keuze volledig te financieren en bij het terugbetalen wordt rekening gehouden met het inkomen van dat moment.

De leden van de SP-fractie, Groenlinks-fractie en ChristenUnie-fractie willen weten waarvoor de middelen die vrijkomen door de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase worden aangewend en wanneer. Zij ontvangen graag een exacte uitwerking. De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe de voorgestelde maatregel bijdraagt aan de kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs. In het antwoord van de regering zien zij graag dat de bezuinigingen die het hoger onderwijs raken als gevolg van de algemene korting van 190 miljoen euro op de instellingen in het hoger onderwijs betrokken wordt.

De leden van ChristenUnie-fractie zien graag een nadere toelichting op de bedoelde investeringen in lijn met de aanbevelingen van de Onderwijsraad. Daarnaast willen de leden van de Groenlinks-fractie weten welke invloed de uitvoering van dit wetsvoorstel heeft op de bekostiging per student en of de middelen die vrijkomen ook onmiddellijk geherinvesteerd worden in het hoger onderwijs. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de motivering van de regering om de opbrengst van de maatregel terug te laten vloeien naar het gehele onderwijs en niet slechts naar het hoger onderwijs. In de memorie van toelichting lezen de leden van de SP-fractie dat de vrijgespeelde middelen voor de kwaliteit van het onderwijs kunnen worden ingezet. Zij vragen zich af wat bedoeld met het woord «kunnen». Zij vragen zich af of deze middelen daadwerkelijk ingezet worden om de kwaliteit te verbeteren of dat dit nog optioneel is. De leden van deze fractie willen graag weten waar deze middelen voor ingezet worden.

De middelen die vrijkomen door de maatregelen in de studiefinanciering blijven behouden voor het onderwijs en worden geïnvesteerd in de kwaliteit ervan. Deze maatregelen maken deel uit van een totaalpakket aan ombuigingen en intensiveringen in het onderwijs, dat verankerd is in het regeerakkoord. Met dit totaalpakket wordt de onderwijsbegroting als geheel ontzien en worden de budgetten binnen de begroting herschikt ten gunste van de kwaliteit van het onderwijs. De afzonderlijke ombuigingen en intensiveringen zijn niet één-op-één aan elkaar gekoppeld. Zonder invoering van het sociaal leenstelsel kan er minder worden geïnvesteerd in het onderwijs. De algemene korting van € 190 miljoen, die de leden van de D66-fractie noemen, heeft betrekking op de efficiencykorting op de instellingen voor hoger onderwijs. Deze efficiencykorting is onderdeel van de maatregel langstudeerders en bedraagt in de structurele situatie € 140 miljoen per jaar. Ook deze opbrengst wordt ingezet voor de kwaliteit van het onderwijs.

Voor de kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs wordt in deze kabinetsperiode een bedrag geïnvesteerd oplopend tot € 230 miljoen in 2015, en structureel € 300 miljoen vanaf 2020. In december 2011 zijn er met de VSNU en HBO-raad hoofdlijnakkoorden3 gesloten. Hierin is vastgelegd voor welke doelen deze middelen worden gebruikt, hoe de middelen worden verdeeld en welke voorwaarden hieraan zijn verbonden. In deze akkoorden is aangekondigd dat met de individuele instellingen prestatieafspraken worden gemaakt over onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. Aan de prestatieafspraken is voorwaardelijke financiering verbonden. Voor profilering is een selectief te verdelen budget beschikbaar.

Met het doen van investeringen in het hoger onderwijs en het maken van prestatieafspraken met individuele instellingen, wordt tegemoet gekomen aan de aanbeveling die de Onderwijsraad in september 2011 doet in haar rapport «Hoger onderwijs voor de toekomst» om rechtstreeks en meer integraal te sturen op kwaliteitsaspecten, aandacht te besteden aan profilering als bijdrage aan kwaliteitsverhoging en middelen in te zetten ter stimulering van dit proces.

De investeringen in de kwaliteit van het hoger onderwijs zijn of worden toegevoegd aan de rijksbijdrage van de instellingen voor hoger onderwijs. Daarmee hebben de investeringen een positief effect op de omvang van de bekostiging. Ook bij de berekening van de onderwijsuitgaven per student (zie punt 4 van tabel 6.1 van de Begroting OCW 2012, Kamerstuk 33 000 VIII, nr. 2) zijn deze investeringen betrokken.

De leden van de Groenlinks-fractie en de SP-fractie vragen zich af hoe een hoger studierendement leidt tot meer kwaliteit. De leden van de SP-fractie wijzen erop dat uit recente berichten over diplomafraude en verlaging van de studieomvang blijkt dat een hoger rendement juist een verlaging van de kwaliteit tot gevolg kan hebben. De leden van de Groenlinks-fractie vragen zich af of de regering een spanning ziet tussen het verhogen van het studierendement en het verhogen van de onderwijskwaliteit.

Een belangrijke reden om het studiefinancieringsstelsel te hervormen is juist om middelen beschikbaar te krijgen die de kwaliteit van opleidingen verhogen.

Bovendien zal wie zelf meer moet investeren, ook een grotere verantwoordelijkheid voelen om de kwaliteit van die investering zo hoog mogelijk te laten zijn. Nu al zijn het de studenten die op de bres springen tegen diplomafraude en voor uitdagender onderwijs. Dat zal onder het sociaal leenstelsel alleen maar sterker worden.

De regering is het met de leden van deze fracties eens dat het studierendement en de onderwijskwaliteit in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Eenzijdige aandacht voor studierendement kan de kwaliteit onder druk zetten en omgekeerd. In de prestatieafspraken worden beide in samenhang bezien. Dat is in dit wetsvoorstel niet aan de orde. Hier wordt ruimte gemaakt om in zowel rendements- als kwaliteitsverbetering te investeren.

De leden van de SP-fractie vragen waarop de bewering gebaseerd is dat een financiële prikkel goed is om studenten tot een bewustere studiekeuze te bewegen. Zij willen weten of voorlichting en begeleiding niet doeltreffender zijn.

Goede voorlichting, begeleiding bij de studiekeuze, intakegesprekken zijn randvoorwaardelijk voor een bewustere studiekeuze. Wie meer moet investeren, voelt echter zelf ook een grotere verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van die investering. Zo laat onderzoek bij de invoering van de prestatiebeurs minder omzwaaien en betere studieprestaties zien.4 Overigens is de financiële prikkel niet de doorslaggevende reden om de maatregel voor te stellen. Belangrijker nog is dat het basisbeursregime minder doelmatig is dan het sociaal leenstelsel. In het basisbeursregime krijgen ook masterstudenten een basisbeurs die zonder dat bedrag ook wel zouden gaan studeren (dead weight loss) én wordt het geldprobleem van de student tijdens de studie opgelost door hen een sociale lening te geven. Beide argumenten maken dat het basisbeursregime voor masteropleidingen niet doelmatig is.5 De vrijkomende middelen kunnen beter aan de kwaliteit van het onderwijs worden besteed, inclusief de genoemde onderdelen van voorlichting en begeleiding. Die kunnen weliswaar doeltreffender zijn dan bovengenoemde financiële prikkels, maar moeten wel gefinancierd worden. De besparingen van het sociaal leenstelsel geven daar financiële ruimte voor en het helpt dat de financiële prikkels ook die kant op sturen.

De leden van de SP-fractie stellen dat een hoogopgeleide beroepsbevolking lonend is voor de samenleving in zijn geheel omdat de maatschappij profiteert van hoogopgeleide werknemers. Zij dragen meer belasting af die weer gebruikt kan worden voor de studiefinanciering. Zij vragen zich af hoe lonend een persoonlijke investering van een student is als die geen goedbetaalde baan kan vinden, en wel een grote schuld heeft opgebouwd. In deze context vragen de leden van deze fractie de regering om een toelichting op de verhouding tussen de rijksuitgaven enerzijds en de opbrengsten van hoger opgeleiden anderzijds.

Een opleiding in het hoger onderwijs is een goede investering; gemiddeld genomen leidt meer jaren onderwijs tot een hoger inkomen. In het sociaal leenstelsel wordt bij de terugbetaling bovendien rekening gehouden met de draagkracht op basis van het feitelijke inkomen. Het advies van de Onderwijsraad is voor de regering aanleiding geweest om het CPB te vragen nogmaals de verdeling van publieke en private bijdragen onder de loep te nemen. De studie zal op korte termijn gereed zijn.

De leden van de SP-fractie vragen zich af waarop de bewering dat studie prioriteit krijgt, is gebaseerd.

De verwachting is dat studenten meer prioriteit geven aan hun studie. Ze zullen door een hogere eigen bijdrage een weloverwogen afweging maken tussen studie, bijverdienen en andere nevenactiviteiten. Om te voorkomen dat de studie onnodige vertraging oploopt, kan het verstandiger zijn om een gedeelte van de kosten te financieren middels een lening bij DUO. Bovendien wordt door een concreter studiepad onnodig lang lenen voorkomen. DUO ondersteunt studenten met allerlei vormen van communicatie bij het maken van de beslissing.

De leden van de SP-fractie stellen dat een hogere eigen bijdrage er ook voor kan zorgen dat studenten meer gaan werken en minder gaan studeren. Zij vragen zich af of de regering liever ziet dat studenten hogere schulden maken. Zij willen weten hoe het sociaal leenstelsel er voor zorgt dat studenten een betere afwegingen maken met betrekking tot bijbanen en nevenactiviteiten.

Studenten zullen een scherpere afweging maken of ze bijverdienen met het risico op studievertraging dan wel alle tijd aan de studie besteden, waarbij een beroep kan worden gedaan op de leenfaciliteit.

Bijbanen en nevenactiviteiten blijven bij het studentenleven horen. Omdat de student echter de afweging moet maken of hij het risico op mogelijke studievertraging wil lopen, zal hij een bewustere afweging maken bij de keuze voor een bijbaan of een nevenactiviteit. Bestuurlijk actieve studenten kunnen onder bepaalde voorwaarden ondersteuning krijgen uit het profileringsfonds van de instelling.

De leden van de SP-fractie willen weten waarop de regering de veronderstelling baseert dat studenten de keuze voor een studie op inhoudelijke gronden blijven maken. Voorts willen deze leden en de leden van de Groenlinks-fractie, CDA-fractie en VVD-fractie weten waarom de regering denkt dat er niet minder studenten voor een meerjarige master zullen kiezen. Studenten aan een tweejarige master moeten immers relatief langer lenen dan andere studenten. De leden van de SP-fractie willen graag een reactie van de regering op de zorgen binnen de medische sector, de technische sector en de vakcentrale voor hoger personeel over de hogere kosten van meerjarige masters. Als blijkt dat er minder studenten voor een meerjarige master zullen kiezen, willen de leden van de Groenlinks-fractie en D66-fractie graag weten welke maatregelen de regering gaat nemen. De leden van de VVD-fractie vernemen graag welke mogelijkheden de regering ziet om zorg te dragen voor het voorkomen van een oplopend tekort aan bèta technici op de arbeidsmarkt. De leden van de SP-fractie vernemen graag hoe deze maatregel zich verhoudt met de wens om meer bètastudenten op te leiden. Zij vragen zich af waar de aanname van de regering dat dit wetsvoorstel niet tot een afname van bètastudenten leidt op gebaseerd is. Zij willen weten of hier onderzoek naar gedaan is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het voorstel van een sociaal leenstelsel voor meerjarige masters in verhouding staat tot de uitdagingen die het Platform Bètatechniek heeft geformuleerd en de wens van werkgeversorganisaties om de drempel voor bètatechnische masters niet te verhogen. Genoemde leden vragen waarom de regering niet kiest voor het verlenen van een extra jaar basisbeurs voor deze meerjarige masteropleidingen zodat het sociaal leenstelsel niet de gehele masterfase duurt. De leden van de VVD-fractie en CDA-fractie willen daarnaast weten of de regering het probleem herkent dat studenten die een tweejarige master volgen een grotere kans hebben om langstudeerder te worden. De leden van de laatstgenoemde fractie willen weten of de regering hierbij een rol weggelegd ziet voor private scholarships conform de motie van de leden Lucas/De Rouwe6.

De berichten over studenten die masaal zouden afzien van een zwaardere geachte studie of een studie met een meerjarige master zijn vooral gebaseerd op vragenlijstonderzoek van het type «wat zou je doen, als». Deze antwoorden worden gegeven in reactie op beleidsvoorstellen waarover nog een besluit moet worden genomen. Gegeven deze context blijft het de vraag wat studenten werkelijk gaan doen als het zo ver is. De regering verwacht niet dat het sociaal leenstelsel in de masterfase een ontmoedigend effect zal hebben om te kiezen voor een meerjarige master, en wel om de volgende redenen:

Ten eerste is de keuze voor een bepaalde masteropleiding primair een inhoudelijk gedreven keuze. De student zal zijn keuze onder meer baseren op beschikbare informatie over de inhoud en kwaliteit van de studie, alsmede op perspectieven op de arbeidsmarkt. De stimulans is dan ook vooral het behalen van een zeer gewaardeerd diploma van een uitdagende en hoogstaande opleiding. De student maakt een keuze die van grote invloed is op zijn toekomstige loopbaan en de regering vindt het weinig aannemelijk dat een student plotseling een hele andere carrière zal kiezen alleen vanwege het feit dat hij een jaar langer moet lenen. Daarbij is het ook van belang, juist voor de meerjarige masteropleidingen, dat het om relatief dure opleidingen gaat waarvan de overheid verreweg de meeste kosten voor zijn rekening blijft nemen. Er blijft kortom relatief veel in deze masterstudenten geïnvesteerd worden. Een meerjarige masteropleiding betekent langer lenen, maar ook een langere bekostiging door de overheid.

Ten tweede is het verschil in kosten met een éénjarige masteropleiding te overzien. Het door de student te financieren verschil tussen een twee- en een éénjarige masteropleiding bedraagt maximaal € 3 200, de basisbeurs voor uitwonende studenten voor één jaar.Voor de thuiswonende student bedraagt de basisbeurs € 1 150. De aanvullende beurs en de reisvoorziening blijven in de masterfase gehandhaafd. Wie het maximale bedrag voor zijn basisbeurs van € 3 200 via het sociaal leenstelsel zou financieren, moet later- voorzover hij of zij voldoende draagkracht heeft- een extra termijnbedrag van iets minder dan € 20 per maand terugbetalen (bij een rente van 3% en een looptijd van 20 jaar). Een dergelijk bedrag zal naar verwachting niet van doorslaggevend belang in de studiekeuze zijn.

En ten derde zullen er ook andere mogelijkheden zijn om een extra jaar te financieren. Zo spreken de topsectoren in het Masterplan Bèta de ambitie uit om «topsectorenbeurzen» ter beschikking te stellen. Met deze beurzen kunnen studenten hun masterfase financieren. De regering juicht dit soort initiatieven vanuit het bedrijfsleven dan ook van harte toe. Het is immers ook in het belang van de bedrijven om opleidingen in hun interesse-sfeer extra aantrekkelijk te maken. Dat juist die bedrijven hierin investeren maakt de beurzen extra veelzeggend. De regering ziet hierin kortom zeker een rol weggelegd voor private scholarships als bedoeld in de motie Lucas/De Rouwe.

De regering is van mening dat het voorstel voor een sociaal leenstelsel in de masterfase geen belemmering vormt voor de uitdagingen die het Platform Bèta Techniek heeft geformuleerd. Zoals al aangegeven wordt niet verwacht dat studenten van een meerjarige masteropleiding zullen afzien. Het verschil van een extra jaar in de masterfase is te overzien. Onlangs is het Masterplan Bèta en Technologie aangeboden aan de regering. In dit masterplan geven de topsectoren aan welke inzet zij nodig achten om de verwachte tekorten aan bèta/technici op te lossen. Uiterlijk 2 april zal de regering hierop met een reactie komen.

In antwoord op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie waarom er niet gekozen is voor een extra jaar basisbeurs voor studenten aan een meerjarige master wil de regering laten weten dat conform het regeerakkoord – zoals reeds aangekondigd in de op 6 april 2011 in uw Kamer besproken beleidsnotitie Studeren is Investeren – is gekozen om het basisbeursregime voor masteropleidingen integraal te vervangen door een sociaal leenstelsel. Daarmee blijft de studiefinanciering één generiek stelsel voor masteropleidingen dat voorziet in de financiering van de kosten die voltijd studenten moeten maken. Een masteropleiding is een goede investering, ook voor studenten aan een meerjarige masteropleiding. Er is daarom geen reden om af te wijken van het principe dat de basisbeurs in de masterfase een lening is. Zou een uitzondering voor studenten aan een meerjarige masteropleiding worden gemaakt, dan is dit een inbreuk op de voorgestelde stelselhervorming met extra complicaties voor de uitvoering.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie en CDA-fractie wil de regering nogmaals benadrukken dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen het aantal langstudeerders en de zwaarder geachte opleidingen, zoals bètastudies. Uit beschikbare gegevens inzake het aantal langstudeerders blijkt dat er relatief minder langstudeerders bij meerjarige masteropleidingen (zoals bij bèta-, technische- en medische studies) ingeschreven staan dan bij éénjarige masteropleidingen.

De leden van de SP-fractie vragen een reactie van de regering op de stelling van de Onderwijsraad dat studenten wel degelijk reageren op financiële prikkels met betrekking tot een keuze voor het hoger onderwijs en de richting van de studie. Zij willen weten hoe de regering omgaat met het risico dat studenten eerder voor «makkelijke» studies zullen kiezen.

De regering verwacht dat studenten een weloverwogen keuze zullen maken. De keuze voor een bepaalde opleiding is primair een inhoudelijk gedreven keuze. De student zal zijn keuze baseren op beschikbare informatie over de inhoud en kwaliteit van de studie. Daarnaast spelen ook de perspectieven op de arbeidsmarkt een rol. In die zin wordt de keuze van studenten mede beïnvloed door het voorziene rendement. Dit kabinet investeert conform de motie van Kamerlid Lucas7 dan ook in het verbeteren van de informatievoorziening over arbeidsmarktperspectieven.

De leden van de SP-fractie willen weten of de regering vindt dat een universitaire studie afgerond is na een bachelorgraad of na een mastergraad.

De door de leden gesuggereerde tegenstelling tussen bacheloropleiding en masteropleiding als eindopleiding is er niet. Het is allebei waar. De regering is van mening dat bachelor- en de masteropleidingen eigenstandige opleidingen zijn. Na afronding van een bacheloropleiding, los van de vraag of dat een hbo of een universitaire bacheloropleiding is, is het van belang dat een student bewust kiest welke vervolgstap voor hem of haar het beste is. Op dit moment gaat slechts een zeer beperkte deel van de studenten met een universitaire bachelorgraad de arbeidsmarkt op.

De leden van de D66-fractie willen graag een reactie op het rapport van het Rathenau instituut8 waarin staat dat door de cumulatie van overheidsmaatregelen het aandeel investeringen in wetenschap en innovatie met 10% afneemt. De leden van deze fractie vinden dit een zorgwekkende ontwikkeling en willen graag weten of de regering deze mening deelt.

De bevindingen van het Rathenau-instituut behoeven nuancering, zoals eerder aangegeven aan uw Kamer9. Bij een vergelijking van 2016 ten opzichte van 2008 is er inclusief fiscale faciliteiten (exclusief Innovatiebox) sprake van een stijging van de publieke financiering van R&D. Volgens internationale afspraken hierover worden uitsluitend directe R&D-uitgaven zichtbaar gemaakt in de statistieken. Dat neemt echter niet weg dat fiscale faciliteiten dienen te worden meegewogen om zich een evenwichtig beeld te kunnen vormen van de inspanningen van de Rijksoverheid op het terrein van kennis en innovatie. Met het oog op de verschillende overzichten die de Tweede Kamer ontvangt en de wisselende presentaties van cijfers over publieke investeringen in onderzoek en innovatie, wordt de mogelijkheid bezien van integratie van innovatieuitgaven in het overzicht Totale Onderzoeksfinanciering (TOF).

De leden van de Groenlinks-fractie stellen dat als studenten vanwege leenangst meer prioriteit geven aan werken het studierendement aangetast zal worden. Zij willen graag van de regering weten hoe zij deze discrepantie gaat oplossen.

Het is inderdaad mogelijk dat studenten meer gaan werken en dat is geen probleem, zolang dit niet ten koste gaat van de studie. Als het werk in het verlengde van de studie ligt kan dit de kwaliteit van de opleiding zelfs versterken. Naarmate studenten meer vertraging oplopen, moeten zij een groter deel van de rekening zelf betalen. Wat dat betreft is sprake van een samenhangend pakket van maatregelen: studenten die uit leenangst hun studieschuld zo klein mogelijk willen houden, doen er goed aan om studievertraging zoveel mogelijk te beperken. Studenten zullen daarbij de afweging maken dat lenen verstandiger is dan werken, als werken ten koste gaat van de studievoortgang. Er is wat de regering betreft geen discrepantie.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten waar de regering de verwachting op baseert dat het wel of niet krijgen van een basisbeurs niet doorslaggevend zal zijn voor de keuze om een masteropleiding te volgen. Zij willen weten welke maatregelen de regering gaat nemen als blijkt dat het wel of niet krijgen van een basisbeurs wél van invloed is.

Het is de veronderstelling van de regering dat studenten bereid zullen blijven om te investeren in een masteropleiding. Het behalen van een masterdiploma vraagt van de meeste studenten een investering van in de regel nog één of twee jaar na de bacheloropleiding en vergroot het arbeidsmarktperspectief aanzienlijk. Daarbij heeft het geleidelijk uitbreiden van de eigen bijdrage van de student in combinatie met het vergroten van de leenmogelijkheden – sinds de invoer van de prestatiebeurs in 1996 – niet geleid tot een structureel lagere instroom. In een literatuurstudie van het CBP uit 2010 naar de ervaringen met de invoering van een sociaal leenstelsel in Australië, Engeland en Canada komt hetzelfde beeld naar voren.10 Dit geeft de regering voldoende basis te veronderstellen dat de voorgestelde maatregelen geen ongewenste effecten zullen sorteren.

Om dit ook in de toekomst te monitoren is een effectonderzoek uitgezet naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten welke verandering in de vraag naar onderwijs en begeleiding de regering verwacht en hoe de regering deze verandering gaat ondervangen. Deze leden willen weten of de regering van plan is de onderwijsinstellingen hierbij te ondersteunen.

Studievoortgang, opleidingskwaliteit en studiegerelateerde bijverdiensten worden voor studenten nog belangrijker dan ze nu al zijn. Maatregelen om studievertraging zoveel mogelijk te voorkomen, intensiever en uitdagender onderwijs en de combineerbaarheid van onderwijs en bijverdiensten kunnen daarbij helpen. Het zijn in de eerste plaats de onderwijsinstellingen die hier in samenwerking met bijvoorbeeld het bedrijfsleven op in kunnen spelen of zich er zelfs op kunnen profileren. Vanuit de overheid wordt dat onder meer ondersteund door de kwaliteitsimpuls in het kader van de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek én vanuit het topgebiedenbeleid, waarvan ook de human capital agenda’s deel uit maken.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag een nadere onderbouwing dat de randvoorwaarde van toegankelijkheid van het hoger onderwijs voldoende gewaarborgd is door de leenfaciliteit. Deze leden willen graag weten hoe de motie Slob/Sap11 uitgevoerd wordt. Voorts willen zij weten of het in kaart brengen van schuldenproblematiek en de gevraagde «gerichte voorstellen» betrokken worden bij de behandeling van dit wetsvoorstel. De leden van de SP-fractie willen een oordeel over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State dat stelt dat de financiële toegankelijkheid een randvoorwaarde is.

Zoals ook in het nader rapport aangegeven constateert de Afdeling terecht dat de financiële toegankelijkheid een randvoorwaarde is voor het volgen van onderwijs. Dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voldoende gewaarborgd blijft, is als volgt onderbouwd:

  • In het voorgestelde sociaal leenstelsel voor masteropleidingen blijft de aanvullende beurs in stand voor studenten uit gezinnen met lagere inkomens. Omdat de basisbeurs als leenvoorziening wordt aangeboden, kunnen alle voltijd studenten hun deel van de studiekosten volledig blijven financieren. Iedereen die wil studeren, houdt de financiële ruimte om in de studie van zijn keuze te investeren.

  • Masterstudenten hebben al een bacheloropleiding afgerond, zijn over het algemeen 21+, weten wat ze willen en wat ze kunnen en zijn daarmee in staat om deze investeringsbeslissing op een verantwoorde wijze te nemen. Daarbij is de extra investering in de masteropleiding goed te overzien: het gaat om circa € 3200 per masterjaar voor een uitwonende student (€ 20 extra per maand gedurende 20 jaar bij een rente van 3%). Voor een thuiswonende student gaat het om ongeveer € 1150 per jaar (€ 7 extra per maand gedurende 20 jaar bij een rente van 3%).

  • De masteropleiding blijft een goede investering. De meerwaarde van een masteropleiding weegt op tegen de eventuele kosten die de student maakt als hij de basisbeurs leent. En de sociale leenvoorwaarden zorgen ervoor dat je zoveel mogelijk wordt geholpen om eventuele terugbetaalproblemen te voorkomen.

De motie Slob/Sap wordt, ook met het oog op een soepele invoering van dit wetsvoorstel, als volgt uitgevoerd. Om het leen- en terugbetaalgedrag van studenten gedetailleerder in beeld te brengen wordt een leen- en terugbetaalmonitor ontwikkeld. De later in deze nota afgebeelde grafiek van studieschulden naar klassengrootte is het eerste resultaat (zie nummer 33). Samen met DUO is in kaart gebracht op welke wijze studenten bewuster kunnen lenen. Er is contact gezocht met het initiatief «Weet wat je besteedt (www.wwjb.org)» waarin grote organisaties als SNS, KPMG, PGGM vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid jongeren in de leeftijdscategorie van 12 tot 25 jaar financieel bewust maken. Studenten zijn daarin een bijzondere doelgroep. Bovendien wordt in samenwerking met ISO, LSVb en LKvV voor studenten een financiële planner ontwikkeld en voert NIBUD vervolgonderzoek uit naar het leengedrag van studenten.

Er wordt veel geïnvesteerd in de voorlichting over bewust lenen, de leenvoorwaarden zijn in 2009 versoepeld en in dit wetsvoorstel wordt de periode verlengd waarin de studieschuld mag worden terugbetaald. Ook is vanaf 2010 de drempel in de bijverdiengrens met de introductie van een glijdende schaal flexibel geworden, waardoor eventuele «Eigen bijdrage student»-vorderingen bij overschrijding van de bijverdiengrens minder groot worden

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben, in aanvulling op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, vragen over cumulatie van financiële maatregelen voor studenten. Deze leden en de leden van de SP-fractie ontvangen graag een uiteenzetting over de cumulatie-effecten van dit wetsvoorstel en de maatregelen uit het recente verleden. Zij willen graag weten welke financiële effecten studenten ondervinden door de samenloop van de langstudeerdermaatregel en het sociaal leenstelsel in de masterfase. De leden van de SP-fractie willen daarnaast weten of deze cumulatie-effecten weggenomen of gecompenseerd worden.

In de huidige kabinetsperiode zijn op het gebied van hoger onderwijs en studiefinanciering de volgende maatregelen met financiële consequenties voorgesteld:

  • Verhoogd wettelijk collegegeld voor langstudeerders

  • Sociaal leenstelsel in de masterfase

  • Beperking reisvoorziening

  • Verlenging terugbetaalperiode

  • Beperking fiscale aftrek scholingsuitgaven

Deze maatregelen zijn deels bedoeld als geleidelijk groeiende financiële eigen verantwoordelijkheid van studenten met het doel hen te motiveren snel af te studeren. Voor een ander deel gaat het om maatregelen die bijdragen aan vereenvoudiging van het stelsel of doelmatigheid van de uitgaven (zoals de beperking van de fiscale aftrek van studiekosten). De cumulatie-effecten van de voorgestelde maatregelen zijn beperkt. Studenten die nominaal studeren, krijgen alleen te maken met het sociaal leenstelsel in de masterfase en eventueel met de beperking van fiscale aftrek voor scholingsuitgaven. Pas wanneer studenten langer dan nominaal studeren, krijgen zij met overige maatregelen te maken. De cumulatie verloopt dan geleidelijk (trapsgewijs). Het studentenreisrecht blijft nog inzetbaar gedurende maximaal één vertragingsjaar. Nog maximaal één jaar langer kan tegen het basistarief van het wettelijk collegegeld gestudeerd worden.

Tot en met het derde vertragingsjaar blijft de studielening bestaan om de studiekosten inclusief levensonderhoud volledig te kunnen financieren. Om het collegegeld te financieren is het collegegeldkrediet beschikbaar. Studenten kunnen dus ook lenen om die kosten te voldoen. De regering ziet dus geen aanleiding om studenten te compenseren voor de cumulatie-effecten van de voorgestelde maatregelen

In het recente verleden hebben studenten ook te maken gekregen met de CATS-maatregelen (Wet van 23 april 2009 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden. CATS staat voor Collegegeld, Aanvullende beurs en Terugbetaling Studieschulden).

Naast maatregelen die positief zijn voor studenten (zoals jokerjaren, glijdende schaal in de bijverdienregeling en vereenvoudigingen) omvat CATS ook een negatieve maatregel voor studenten: een jaarlijkse extra verhoging van het collegegeld met € 22,– voor de duur van tien jaar.

Ook hebben studenten door de Wet versterking besturing van 4 februari 2010 te maken gekregen met het instellingscollegegeld voor tweede studies die volgen op de eerste studie.

Ook willen de leden van de ChristenUnie-fractie weten welke financiële effecten studenten ondervinden door de samenloop van de langstudeerdermaatregel en het beperken van het ov-reisrecht.

Masterstudenten die langer dan 1 jaar uitlopen op de nominale duur van hun studie zullen zelf hun reizen moeten bekostigen tegen tarieven die ook gelden voor overige reizigers.De hoogte van de totale uitgaven hangt uiteraard af van de reisbewegingen die de individuele student maakt. Studenten kunnen lenen om deze kosten te betalen. Mochten studenten langer dan een jaar uitlopen bij hun bachelor- of masteropleiding, dan zijn zij het verhoogd wettelijk collegegeld verschuldigd. Om deze kosten te financieren kunnen zij het collegegeldkrediet of het langstudeerderskrediet benutten.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten hoe zij de effecten van de voorgestelde maatregel inzichtelijk gaat maken. De leden merken op dat de Onderwijsraad geadviseerd heeft deze effecten in kaart te brengen. De leden van deze fractie vragen zich af of het verantwoord is om op basis van niet bewezen veronderstellingen deze ingrijpende maatregelen in te voeren.

In de memorie van toelichting zijn de effecten geschetst die met de huidige kennis kunnen worden verwacht. Om een beeld te krijgen van de effecten is zowel naar nationaal als internationaal onderzoek gekeken. Daaruit blijkt onder meer dat een hogere eigen bijdrage van studenten in combinatie met meer leenmogelijkheden tot op heden niet heeft geleid tot een structureel lagere instroom in het hoger onderwijs. Hogere private bijdragen bij de invoering van de prestatiebeurs hebben zelfs geleid tot minder omzwaaien en betere studieprestaties4. Deze conclusies geven de regering voldoende basis te veronderstellen dat de voorgestelde maatregelen geen ongewenste effecten zullen sorteren. Om dit ook in de toekomst te monitoren is een effectonderzoek naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet, uitgezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond.

De leden van de ChristenUnie-fractie verwachten dat de duur van een master bepalend zal worden in de keuze voor een masteropleiding, ook in combinatie met inperking van het ov-reisrecht en de langstudeerdermaatregel. Zij vragen de regering nader in te gaan op deze zorg.

De regering deelt deze zorg niet. Het belangrijkste is dat de keuze voor een (master)opleiding primair een inhoudelijk gedreven keuze is. Studenten zullen hun keuze daarnaast baseren op beschikbare informatie over de perspectieven die een opleiding biedt op de arbeidsmarkt. Op Studiekeuze123 valt bijvoorbeeld te zien wat per studierichting het gemiddeld aandeel afgestudeerden is met een baan, een vaste baan, een baan op niveau en wat het bruto maandloon is. Studenten die zich bewust zijn van hun arbeidsmarktpositie zullen ook kiezen voor meerjarige masters in bèta/ techniek om zo te investeren in de eigen toekomst. Wanneer studenten hun studie afronden binnen de nominale duur, of met één jaar uitloop, ondervinden zij geen hogere reiskosten dan in de huidige situatie. Wanneer de bacheloropleiding en masteropleiding worden afgerond binnen de nominale duur, of met één jaar uitloop na de bachelor en één jaar uitloop na de master, ondervinden studenten geen hogere kosten door het verhoogd wettelijk collegegeld.

Een meerjarige masteropleiding, vraagt een grotere investering van de student. Hetzelfde geldt overigens voor de staat, en dus de belastingbetaler. Bij de relatief dure bèta-, techniek- en medische opleidingen betaalt de overheid meer dan driekwart van de opleidingskosten.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader in te gaan op het onderzoek van het ISO12 dat 56% van de studenten meer zal gaan werken als de basisbeurs wordt afgeschaft. Deze leden ontvangen graag een onderbouwing van de stelling van de regering dat studie prioriteit krijgt door dit wetsvoorstel. Zij vragen zich af of studenten niet juist ontmoedigd worden om nevenactiviteiten naast hun studie te doen, zoals bestuurs- en vrijwilligerswerk.

Het ISO heeft het onderzoek middels vragenlijsten van het type «wat zou je doen als..» uitgevoerd in reactie op de beleidsvoorstellen. Los van de vraag of deze gedragsreacties zullen plaatsvinden, is voorstelbaar dat studenten daadwerkelijk nog ruimte hebben om bij te verdienen zonder gevolgen voor de studie. De verwachting is dat de student scherper gaat afwegen of hij gaat bijverdienen of lenen. Voor zover bijverdienen ten koste gaat van de studievoortgang is dat al snel in het nadeel van de student zelf. Niet alleen loopt hij het risico om bij teveel studievertraging zelf een groter deel van de rekening te moeten betalen, ook loopt hij daardoor inkomsten mis doordat hij later aan zijn carrière begint.

Verwacht mag worden dat hoe groter het aandeel is dat iemand zelf in een investering moet nemen hoe meer verantwoordelijkheid hij voelt voor de kwaliteit en het rendement van die investering. Dit leidt ertoe dat studeren meer prioriteit krijgt. Studenten zullen naar verwachting nog steeds nevenactiviteiten naast de studie doen, maar zij zullen kritischer zijn over de meerwaarde daarvan ten opzichte van de studie en de kosten die dat met zich meebrengt.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een overzicht van de regering van de aantallen studenten die een één-, twee- of driejarige masteropleiding volgen.

Het overzicht ziet er als volgt uit:

Aantal masterstudenten per duur master

Duur master

voltijd

deeltijd

duaal

totaal

1-jaar

42 940

13 304

515

56 759

2-jaar

26 263

20

980

27 444

3-jaar

6 992

36

7 028

4-jaar

298

613

911

totaal

76 493

14 154

1 495

92 142

Bron: 1 cijfer HO, peildatum 1 oktober 2011, wo en hbo incl. groen onderwijs.

De leden van de SGP-fractie willen graag een overzicht van de studieschuld van studenten in het hoger onderwijs ingedeeld in klassen.

Naar schatting rondt 30 tot 40 procent van de ho-studenten zijn studie zonder studielening af. Voor de groep die wel een studielening heeft opgenomen, wordt in onderstaande grafiek de spreiding van de schulden gegeven. Daarbij is uitgegaan van de situatie van de groep die in 2010 in de terugbetaalfase is gekomen.

2. De doelstelling van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie willen van de regering weten wanneer zij denkt dat gerealiseerd kan worden dat een bacheloropleiding een afgerond geheel is. De leden van deze fractie willen weten of hierover afspraken zijn gemaakt met de instellingen. Ook willen de leden weten of de regering tot actie over gaat als een bacheloropleiding niet snel genoeg als een op zichzelf staande opleiding wordt gezien.

Een afgeronde bacheloropleiding (harde knip) stelt studenten in staat om een masteropleiding te volgen aan een andere universiteit en/of in een andere studierichting. Ook is het mogelijk, en dit zien we ook in de praktijk, dat afgestudeerde bachelorstudenten ervoor kiezen eerst enkele jaren te gaan werken en daarna de masteropleiding te volgen, al dan niet in deeltijd. Het is dus geen specifiek beleid van dit kabinet om de universitaire bacheloropleiding als eindonderwijs te positioneren. Wel zou het zo kunnen zijn dat het stelsel op basis van de veranderende situatie evolueert naar een wo-bacheloropleiding die ook een afgeronde eindkwalificatie is. Er is daarom geen sprake van een afgesproken tijdpad, noch van afspraken met instellingen.

De leden van de CDA-fractie zien graag dat studenten betrokken worden bij de wijze waarop teruggeïnvesteerd wordt in het onderwijs. Zij vragen of de regering van plan is de studenten bij dit proces te betrekken.

De herinvestering van de middelen loopt via de financieringsarrangementen hoger onderwijs in het kader van de prestatieafspraken met de instellingen. De medezeggenschap heeft op instellingsniveau inspraak in de wijze waarop de instelling de prestatie-afspraken invult. De studentenorganisaties hebben hierin een belangrijke plaats. Op centraal niveau zijn ISO en LSVb belangrijke gesprekspartners. Dat is het kader waarbinnen de betrokkenheid van studenten op goede wijze vormgegeven wordt.

De leden van de SP-fractie merken op dat de regering stelt dat het investeringsrisico van studenten beperkt is. Deze leden en de leden van de VVD-fractie willen weten hoe de regering oordeelt over het bericht dat banken geen hypotheek meer verstrekken aan starters met een hoge studieschuld.

Zoals eerder geantwoord op Kamervragen13 van de leden Jadnanansing en Monasch (PvdA) houden banken bij het verstrekken van een hypotheek altijd rekening met de financiële positie van de consument. Hierbij wordt zowel gekeken naar het inkomen als naar eventuele schulden (onder andere studiefinanciering). Dit gebeurt op grond van artikel 4:34 van de Wet op financieel toezicht. Daarin wordt gesteld dat aanbieders van krediet (waaronder hypothecair krediet) voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, informatie over de financiële positie van de consument dienen in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Het kan daarom zo zijn dat de hypotheek lager uitvalt dan gewenst. Studenten kunnen dit beïnvloeden door hun studieschuld niet te ver op te laten lopen. DUO biedt studenten ondersteuning bij het maken van de leenbeslissing.

Het investeringsrisico van een studielening wordt beperkt door onder meer, een gunstige rente, een lange terugbetaalperiode, boetevrij vervroegd aflossen, terugbetalen naar draagkracht, vrij inzetbare aflosvrije jokerjaren en kwijtschelding van de restschuld aan het eind van de terugbetaalperiode. Met deze maatregelen wordt er voor gezorgd dat er zo min mogelijk problemen ontstaan bij de terugbetaling.

De Afdeling advisering van de Raad van State uit haar zorg over kinderen met ouders die weinig opleiding en inkomen hebben en om het vooruitzicht van een schuld, mogelijk afzien van een studie. De leden van de SP-fractie willen weten waarom deze zorgen niet zijn meegenomen in het ingediende wetsvoorstel. De leden van de D66-fractie vernemen graag hoe de regering de gevolgen van de maatregelen voor studenten met een dergelijke achtergrond gaat monitoren en hoe de Kamer daarover zal worden ingelicht. Daarbij zijn de leden van deze fractie benieuwd naar de maatstaven die de regering hiervoor hanteert.

Nadrukkelijk is in de memorie van toelichting aangegeven dat de onderzoeken naar binnen- en buitenlandse ervaringen aanleiding zijn geweest om het sociaal leenstelsel niet voor de aanvullende beurs gedurende de masterfase in te voeren en om de beleidseffecten goed te monitoren. Om de gevolgen van het sociaal leenstelsel te monitoren, is een effectonderzoek naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet, uitgezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond.

De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt om meer toelichting op de «eerdere en internationale ervaringen» die stellen dat de financiële toegankelijkheid blijft gewaarborgd, en noemt de toelichting van de regering dat er geen negatieve invloed is zelfs onnauwkeurig. De leden van de SP-fractie vragen de regering op dit advies in te gaan.

Aan de opmerking van de Afdeling om in de toelichting nauwkeuriger in te gaan op de internationale ervaringen zoals die blijken uit de aangehaalde CPB notitie is gehoor gegeven. De passage in de memorie van toelichting zoals die aan uw Kamer gezonden is, is gewijzigd ten opzichte van de toelichting die naar de Raad van State is gegaan.

De leden van de SP-fractie vragen wat de gevolgen zijn van dit wetsvoorstel voor educatieve masters. Deze leden stellen dat deze masters waren vrijgesteld van instellingscollegegeld en dat het bovendien mogelijk was om hiervoor 12 maanden extra studiefinanciering te krijgen.

Voor studenten aan een educatieve masteropleiding wordt, net zoals voor andere masteropleidingen, de basisbeurs vervangen door een lening. Studenten die recht hebben op aanvullende beurs blijven dit recht, ook voor deze 12 maanden, houden. Ook de studenten-OVjaarkaart blijft beschikbaar voor deze groep.

Studenten die nu aanspraak maken op wettelijk collegegeld voor deze opleiding blijven dit recht houden. Met dit wetsvoorstel wordt daar geen wijziging in aangebracht.

De leden van de SP-fractie willen graag weten of de aanvullende beurs ook in de masterfase nog steeds een gift is. Daarnaast willen deze leden weten hoeveel studenten op dit moment een aanvullende beurs ontvangen en hoeveel studenten verwacht worden een aanvullende beurs te ontvangen na invoering van dit wetsvoorstel.

De aanvullende beurs blijft ook in de masterfase een gift als het diploma binnen tien jaar na start van het gebruik van studiefinanciering is behaald. In 2011 was het aantal aanvullende beurzen ruim 209 000. Naar schatting wordt dit aantal door de vereenvoudigingen in 2013 circa 9 000 lager.

De leden van de SP-fractie vragen zich af welke gevolgen er zijn voor studenten die tussentijds van opleiding zijn veranderd door de wijziging van de tekst «aan hem toegekende prestatiebeurs» in «aan hem toegekende prestatiebeurs voor die opleiding waarvan hij het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd». Deze leden vragen of voor deze studenten geldt dat alle ontvangen studiefinanciering een gift is, of alleen het gedeelte dat is ontvangen voor de daadwerkelijk afgeronde opleiding.

Het voorstel is artikel 5.7 van de WSF 2000 zodanig te wijzigen dat alleen de studiefinanciering die aan een student is toegekend voor de soort opleiding die hij met goed gevolg afsluit, omgezet kan worden in een gift. Consequentie van de wijziging is dat studenten die overstappen van een hbo-bacheloropleiding naar een wo-bacheloropleiding (en een wo-bachelorgraad behalen), drie jaar basisbeurs omgezet kunnen krijgen in een gift. Studenten die van een wo-bacheloropleiding overstappen naar een hbo-bachelopleiding en het hbo-diploma halen, kunnen maximaal vier jaar basisbeurs omgezet krijgen in een gift.

De leden van de D66-fractie vragen de regering wat de doelstelling van de invoering van een sociaal leenstelsel is. Zij wil graag van de regering weten hoe de beperking van het studentenreisrecht zich verhoudt tot deze doelstelling. De genoemde leden vragen zich af waarom de regering niet kiest voor één jaar vertraging bij de invoering van de verkorting van het studentenreisrecht. Bovendien vragen deze leden waarom er niet aangesloten is bij de termijnen voor het betalen van wettelijk collegegeld tegen basistarief of de studielening onder sociale voorwaarden.

Het doel van de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase is tweeledig:

  • middelen vanuit de studiefinanciering vrijmaken om te kunnen investeren in de kwaliteit van het onderwijs onder de randvoorwaarde van toegankelijkheid

  • studenten een grotere eigen financiële verantwoordelijkheid geven, die hen stimuleert sneller af te studeren,

De beperking van de reisvoorziening is een van de maatregelen om dit tweeledige doel te bereiken.

Studiefinanciering (waaronder de reisvoorziening) en het collegegeld kennen twee verschillende regimes. Collegegeld moet elk jaar worden betaald. Studiefinanciering kan flexibeler (per maand) worden ingezet gedurende de studie. Bij het bepalen welk collegegeld betaald dient te worden, worden de bacheloropleiding en de masteropleiding separaat bezien. Bij studiefinanciering worden beide opleidingen samengenomen. Ten slotte is er een uitvoeringstechnische reden voor het onderscheid tussen studiefinanciering (waaronder reisvoorziening) en wettelijk collegegeld. Het is voor DUO niet mogelijk om op korte termijn rond de toekenning van de reisvoorziening onderscheid te gaan maken tussen de bachelor- en masterfase.

De combinatie van de maatregelen rond de reisvoorziening, het wettelijk collegegeld en de studielening zorgt voor een stapsgewijs groeiende financiële verantwoordelijkheid van studenten en een stimulans om snel af te studeren. Studenten hebben voor de nominale duur van hun studie recht op prestatiebeurs, daarna nog voor 1 jaar uitloop recht op de reisvoorziening, dáárna voor nog een jaar uitloop recht op het basistarief van het wettelijke collegegeld en tenslotte nog een jaar recht op een lening onder sociale voorwaarden.

De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de meerjarige masteropleidingen in maatschappelijk belangrijke sectoren als onderwijs en zorg. Voor deze sectoren geldt lang niet altijd dat de investering zich uitbetaalt in een hoger salaris bij afstuderen, terwijl juist in deze sectoren een groot tekort aan leraren en verplegers dreigt te ontstaan. De leden van deze fractie willen weten hoe de regering er voor zorgt dat invoering van het sociaal leenstelsel niet leidt tot een daling van het aantal studenten. Deze leden willen daarbij weten hoe de regering staat tegenover het financieel tegemoet komen van dit soort studenten. De leden van de Groenlinksfractie willen weten hoe deze maatregel zich verhoudt tot het voornemen om meer eerstegraads bevoegde docenten op te leiden.

De leden van de PvdA-fractie zien graag een inhoudelijk verhaal over waarom iemand er nog voor zou kiezen om leraar te worden als de weg ernaartoe zo duur wordt.

Voor studenten aan een educatieve masteropleiding wordt, net als voor andere masteropleidingen, de basisbeurs vervangen door een lening. Studenten die recht hebben op aanvullende beurs blijven dit recht behouden. Ook het studentenreisrecht blijft beschikbaar voor deze groep. De regering verwacht daarom niet dat dit een negatief effect heeft op de instroom in lerarenopleidingen.

Voor zover de leden van de PvdA-fractie bij het inhoudelijke verhaal doelen op het feit dat de motivatie om leraar te worden meer is dan alleen geld verdienen, dan slaan ze de spijker op zijn kop. Het onderwijs is simpelweg ook een heel aantrekkelijke, uitdagende en stimulerende sector om in te werken! De verwachting is niet dat het basisbeursregime doorslaggevend zou zijn om al dan geen leraar te worden: van belang is dat de studiekosten op een acceptabele manier gefinancierd kunnen worden en daarin voorziet het sociaal leenstelsel in combinatie met sectorspecifiek beleid als de lerarenbeurzen. Als er een keuze gemaakt moet worden tussen het handhaven van het basisbeursregime en investeringen in de kwaliteit van het onderwijs, dan kiest de regering voor kwaliteit. Dat is ook in het belang van de student die studeert om het onderwijs in te gaan en uiteindelijk van het onderwijsgevend personeel zelf.

De leden van de D66-fractie vragen wat de gevolgen zijn van de voorgestelde maatregelen op studenten die een deeltijdstudie volgen. Zij wijzen daarbij op de jongste cijfers van de VNSU14. In het antwoord op deze vraag zien zij graag de samenloop van deze maatregel met andere maatregelen in het hoger onderwijs, zoals de langstudeersmaatregel betrokken worden.

Dit wetsvoorstel heeft, behoudens enkele kleine wijzigingen in de WHW, betrekking op studiefinanciering. Deeltijdstudenten hebben geen aanspraak op studiefinanciering. Het onderhavige wetsvoorstel zal dus geen invloed hebben op studenten die een deeltijdstudie volgen en derhalve is er voor deeltijders geen sprake van een samenloop met andere maatregelen, zoals de langstudeerdersmaatregel.

Een analyse van de cijfers levert geen onderbouwing voor de stelling dat de dalende instroom in deeltijdstudies het gevolg is van de langstudeerdersmaatregel. Er is al een groot aantal jaren sprake van een tendens van dalende instroom en die daling dateert dus al van ruim voordat sprake was van de langstudeerdersmaatregel. Bovendien blijkt dat niet in alle sectoren sprake is van dalende instroom of van vergelijkbaar grote daling, terwijl dat wel voor de hand zou liggen als de langstudeerdersmaatregel de oorzaak van de daling zou zijn. Er is wel sprake van een versterkte daling in de instroom in 2011/2012 ten opzichte van voorgaande jaren. Een aanvullende verklaring die hiervoor wordt gegeven vanuit instellingen is dat werkgevers, vanwege de economische situatie, minder bereid zijn te investeren in opleidingskosten voor medewerkers.

De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe de regering wil voorkomen dat uit vrees voor een extra lening mensen afzien van het volgen van een masteropleiding in deeltijd. Deze leden willen graag weten hoe de vrees voor de extra lening zich verhoudt met de ambitie om mensen aan te moedigen een leven lang te leren.

Dit wetsvoorstel heeft geen betrekking op deeltijdstudenten. De vrees van de leden van de D66-fractie doet zich dan ook niet voor. Het stelsel van studiefinanciering heeft als doel jongeren die voor hun 30e jaar begonnen zijn met een voltijdse opleiding in staat te stellen een opleiding in het hoger onderwijs te volgen. Deeltijdstudenten worden geacht zelf in hun onderhoud en studiekosten te voorzien. Zij kunnen gebruik maken van de fiscale aftrek studiekosten. In veel gevallen zal de werkgever ook bereid zijn (een deel van) de kosten te vergoeden.

De leden van de D66-fractie vragen uitdrukkelijk aandacht voor gezinnen met een middeninkomen waar de optelsom van bezuinigingen van deze regering, volgens deze fractie, terecht komen. Zij vragen of de regering het met deze leden eens is dat er in de praktijk een behoorlijke last op de schouders van ouders van kinderen die in het hoger onderwijs gaan studeren zal komen te liggen. Zij willen weten of de regering ook de gevolgen van het sociaal leenstelsel onder deze groep gaat monitoren.

De aanvullende beurs blijft gehandhaafd voor studenten uit gezinnen met lagere inkomens. Deze studenten hoeven daardoor minder te lenen. De terugbetaalperiode wordt verlengd van 15 naar 20 jaar waardoor het maandelijkse bedrag lager wordt. Terugbetalen gebeurt naar draagkracht.

Om de gevolgen van het sociaal leenstelsel te monitoren, is een effectonderzoek naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet, uitgezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond.

De leden van de Groenlinks-fractie merken op dat de regering stelt dat de aanvullende beurs voor studenten met ouders uit lagere inkomensgroepen gehandhaafd blijft. De leden van deze fractie willen weten hoe zich dit verhoudt tot de voorgenomen plannen met betrekking tot de ouderbijdrage voor ouders met minderjarige telkinderen en/of een studieschuld, en tot de voorgenomen plannen met de aanvullende beurs voor studenten met weigerachtige of onvindbare ouders.

De aanvullende beurs voor studenten uit lagere inkomensgroepen blijft gehandhaafd. Daar wordt niet aan getornd. De wijze waarop de beurs wordt vastgesteld, verandert in een aantal opzichten echter wel. Die vaststelling wordt eenvoudiger, doordat het mogelijk wordt om de beurs toe te kennen op basis van het inkomen van ouders dat bij de Belastingdienst bekend is. Dit is met name van belang voor studenten, waarvan de ouders weigerachtig zijn. Deze studenten hoeven, ondanks de verstoorde relatie, niet aan hun ouders te vragen om hun inkomensgegevens. Nieuw is voorts dat het aantal minderjarige kinderen in een gezin en de studieschuld van de ouders zelf geen rol meer spelen bij de vaststelling.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering er zorg voor gaat dragen dat studenten bewust lenen.

Studenten zullen zeer bewust met de leenmogelijkheden moeten omgaan. Ze kunnen zelf veel doen om de hoogte van hun schuld te beperken. Zo voorkomt sneller studeren dat studenten lang in de leenfase zitten. De voorlichting en ondersteuning vanuit DUO en andere organisaties als het Nibud (zie www.studentenleenwijzer.nl en www.wijzeringeldzaken.nl ) zijn erop gericht om studenten bewust met de leenmogelijkheden te laten omgaan.

DUO geeft zo vroeg mogelijk via de reguliere kanalen, studenten informatie over de aanstaande veranderingen. Het voornaamste voorlichtingsmedium is de website van DUO. Studiedecanen worden geïnformeerd over het leenstelsel en over de flexibele mogelijkheden van het terugbetalen van leningen. Zij kunnen de studenten helpen bij het maken van «leenbeslissingen».

3. Beschrijving van de voorgestelde maatregelen

Sociaal leenstelsel in de masterfase

De leden van de VVD-fractie hebben vragen naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State over «leenangst». Zij willen weten wat de verwachte stijging van de gemiddelde studieschuld is ten opzichte van het gemiddelde bedrag van 12 000 euro die studenten nu al lenen.

Naar schatting zal er jaarlijks € 70 miljoen meer worden geleend ten gevolge van invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase (28 000 studenten lenen gemiddeld € 2500 extra). De gemiddelde schuld zal daarom toenemen. Van de groep die nu niet leent, zal een deel gaan lenen.

De leden van de VVD-fractie willen weten of voor de student die er voor kiest geen aanspraak te maken op het ov-reisrecht of de aanvullende beurs, maar wel gebruik maakt van de lening van het sociaal leenstelsel, de bijverdiengrens kan vervallen. En als dat zo is willen deze leden weten of de student vrij is om een dergelijke keuze te maken.

Studenten die een lening via het sociaal leenstelsel aanvragen en geen beroep doen op een aanvullende beurs of ov-reisrecht krijgen geen vordering opgelegd vanwege de bijverdiengrens. De student is vrij om deze keuze al dan niet te maken.

De leden van de VVD-fractie willen weten of de regering overwogen heeft het reisrecht weer onder te brengen in de basisbeurs en in de masterfase bij het sociaal leenstelsel, zodat studenten zelf de keuze hebben om of een hogere beurs of lening of een ov-jaarkaart te kiezen en het systeem versimpeld kan worden en de bijverdiengrens voor studenten zonder aanvullende beurs in de masterfase losgelaten kan worden. De leden vragen dit omdat het reisrecht vanuit de basisbeurs is ontstaan. Door het loskoppelen van de termijn van de basisbeurs en de termijn van het reisrecht ontstaan nu twee regimes met verschillende looptijden. Doordat aan het reisrecht een prestatieregime is gekoppeld, blijft bij gebruik van het reisrecht in de masterfase ook dit prestatieregime gelden. Deze leden stellen dat het hierdoor bijvoorbeeld niet mogelijk is de bijverdiengrens los te laten.

De reisvoorziening is inderdaad vanuit de basisbeurs ontstaan. Desondanks golden er altijd al verschillende termijnen: de reisvoorziening kon immers ruimer worden ingezet dan de basisbeurs (reisvoorziening: nominaal plus drie, basisbeurs: nominaal). Omdat de aanvullende beurs en de reisvoorziening in de masterfase blijven bestaan, ligt het niet voor de hand om de bijverdiengrens los te laten. De reisvoorziening (ov-kaart) is het door studenten meest gewaardeerde element in de studiefinanciering, mede vanwege de aantrekkelijke prijs/kwaliteit-verhouding. Het contract met de vervoersbedrijven is gesloten voor de totale groep gerechtigde studenten en omvat dus degenen die veel reizen en degenen die weinig reizen. De prijs van de ov-kaart is daarom een gemiddelde en berust op solidariteit binnen de groep. Wanneer individuele studenten zouden kunnen kiezen tussen een geldbedrag en de ov-kaart, zou het contract (tegen deze prijs) op termijn onmogelijk worden. Overigens blijft het voor studenten die de waarde van de reisvoorziening niet bij hun prestatiebeurs opgeboekt willen hebben mogelijk om de ov-kaart niet «op te halen».

Wanneer studenten afzien van de reisvoorziening en geen aanvullende beurs ontvangen dan ontvangen zij ook geen navordering vanwege overschrijding van de bijverdiengrens. Navorderingen zijn verhoogde eigen bijdragen van studenten aan de studiefinanciering vanwege aanzienlijke bijverdiensten.

De leden van de VVD-fractie stellen dat studenten hun ov-kaart kunnen lenen als het reisrecht is verlopen. Zij vragen de regering of deze mogelijkheid in dit wetsvoorstel blijft bestaan.

Studenten kunnen hun ov-kaart niet lenen. Studenten ontvangen de ov-kaart als deel van de prestatiebeurs. Dit wetsvoorstel wijzigt alleen de periode waarin de ov-kaart kan worden gebruikt: van nominaal plus drie naar nominaal plus één jaar. Nadat het recht op de ov-kaart is verbruikt, kunnen studenten de studielening die zij in de leenfase kunnen aanvragen, benutten voor de kosten van hun reisbewegingen.

De leden van de VVD-fractie willen weten of studenten die een premaster volgen en zodoende ingeschreven staan in de bachelor gebruik kunnen maken van het sociaal leenstelsel en of zij een bedrag ter hoogte van het instellingstarief kunnen lenen.

Premasterstudenten zijn studenten die nog niet voldoen aan de toelatingseisen van een masteropleiding. Een premasterstudent voldoet nog niet aan de eisen omdat bijvoorbeeld zijn afgesloten bacheloropleiding niet aansluit bij de gekozen masteropleiding of omdat de student die een hbo-bachelorgraad heeft behaald, wil overstappen naar een wo-masteropleiding. Deze studenten worden door de instelling ingeschreven als bachelorstudent. Het betreft dan in de meeste gevallen een tweede bachelor waarvoor instellingscollegegeld wordt gevraagd. Studenten hebben omdat ze ingeschreven staan bij een geaccrediteerde opleiding, recht op studiefinanciering voor zover zij voldoen aan de overige eisen. Zij kunnen, door gebruik te maken van het collegegeldkrediet, ook lenen voor het betalen van instellingscollegegeld. Studenten mogen een bedrag lenen ter hoogte van het (instellings)collegegeld, mits de betreffende student nog prestatiebeurs- of leenrechten heeft en de diplomatermijn nog niet is verstreken.

De leden van de VVD-fractie willen weten of er ook andere groepen studenten, naast de premasterstudenten, gebruik kunnen maken van het sociaal leenstelsel bij een tweede studie.

Alle studenten die aan de nationaliteitsvereisten, leeftijdsvereisten en opleidingseisen voldoen, hebben recht op studiefinanciering. Met betrekking tot de opleidingseisen is van belang dat studenten een voltijdse opleiding volgen aan een Nederlandse bekostigde of aangewezen instelling of een daarmee gelijkgestelde buitenlandse opleiding. Het maakt niet uit of het een eerste, tweede of zelfs derde studie betreft.

De leden van de VVD-fractie willen weten of er binnen zes jaar een tweede (bachelor) studie gevolgd kan worden waarbij gebruik gemaakt kan worden van het sociaal leenstelsel en of het leenbedrag dan op basis van wettelijk collegegeld of het instellingscollegegeld wordt vastgesteld.

Studenten hebben op dit moment voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in principe recht op zeven jaar studiefinanciering (4 jaar prestatiebeurs en 3 jaar lening). Deze duur verandert niet bij de invoering van dit wetsvoorstel. Studenten kunnen in het totaal gedurende maximaal zeven jaar gebruik maken van het collegegeldkrediet. De hoogte van het collegegeldkrediet is gemaximeerd op 5 maal de hoogte van het wettelijk collegegeld tegen basistarief. Dit biedt de ruimte om te lenen voor het instellingscollegegeld, ook als dat hoger is dan het wettelijk collegegeld tegen basistarief. Als er twee WO-bachelor diploma's worden behaald, wordt drie jaar prestatiebeurs omgezet in een gift.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten of studenten in de masterfase gebruik kunnen maken van een bijdrage uit het profileringsfonds, omdat een uitkering uit dat fonds gekoppeld is aan het ontvangen van een prestatiebeurs.

De regering bevestigt dat het kunnen ontvangen van een uitkering uit het profileringsfonds gekoppeld is aan het kunnen ontvangen van een prestatiebeurs. De aanspraak op het profileringsfonds is even lang als voorheen, studenten kunnen in de masterfase immers recht hebben op aanvullende beurs. De termijn waarbinnen studenten gebruik kunnen maken van de faciliteiten van het profileringsfonds blijft dus gelijk.

De leden van de VVD-fractie willen weten of het mogelijk is dat studenten zich voor een hbo-bacheloropleiding inschrijven, maar feitelijk een wo-bacheloropleiding volgen om zo meer studiefinanciering te ontvangen. Deze leden vragen zich af of het mogelijk is dat zij op die manier een jaar langer recht hebben op een basisbeurs dan als zij zich alleen inschrijven voor de wo-bachelor die zij werkelijk volgen.

Met deze «ontsnappingsroute» is in het voorstel rekening gehouden. Artikel 5.7 van de WSF 2000 is zodanig gewijzigd dat alleen de studiefinanciering die aan een student is toegekend voor de soort opleiding die hij met goed gevolg afsluit, omgezet kan worden in een gift. Om 4 jaar basisbeurs te ontvangen en omgezet te krijgen in een gift, dient een student een hbo-bachelor opleiding met goed gevolg af te sluiten.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe de situatie is voor studenten die een opleiding volgen waarvoor geen harde knip geldt. Zij vragen zich af of het voor deze studenten mogelijk is mastervakken te volgen, terwijl zij nog als bachelor zijn ingeschreven en dus recht hebben op een basisbeurs.

Studenten hebben voor de periode dat een bacheloropleiding duurt, recht op basisbeurs. Het is mogelijk dat studenten gedurende hun bacheloropleiding mastervakken volgen. Als er nog recht op basisbeurs bestaat, blijft de student die ook dan ontvangen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af het mogelijk is een gehele masteropleiding af te ronden, zonder ooit als masterstudent ingeschreven gestaan te hebben.

De regering beantwoord deze vraag ontkennend. Het is niet mogelijk een masteropleiding af te ronden zonder ooit ingeschreven te hebben gestaan bij een dergelijke opleiding. Om een mastergraad te verkrijgen dient een student ingeschreven te staan bij een masteropleiding.

De leden van de PvdA-fractie, SP-fractie, Groenlinks-fractie en SGP-fractie vragen de regering naar het arbeidsmarktperspectief van een afgestudeerde met alleen een universitaire bacheloropleiding. De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen de regering verricht om de arbeidsmarktrelevante waarde van deze bacheloropleiding te vergroten.

In de bachelor-masterstructuur zijn zowel het bachelor- als het masterdiploma eigenstandige kwalificaties. Het merendeel van de wo-studenten (ongeveer 85%) stroomt na de bacheloropleiding door naar een masteropleiding binnen de eigen instelling. Het aandeel studenten dat voor de master naar een andere universiteit gaat is met circa 5% nog beperkt, maar neemt geleidelijk toe. Verder kiest naar schatting ongeveer 5% voor een buitenlandse master, en de overige 5% voor de arbeidsmarkt. Afgestudeerde WO-masters verdienen gemiddeld circa 1,5 keer zoveel als afgestudeerde hbo-bachelors. Er is geen informatie bekend over het rendement van bacheloropleidingen in het wo.

In de bachelor-master-structuur moet de masteropleiding worden gezien als een vervolgopleiding die een goede positie op de arbeidsmarkt geeft. Het is niet zo dat de bachelor in deze context helemaal geen toegevoegde waarde heeft, tal van studenten weten met een wo-bachelorgraad een eigen onderneming, studiegerelateerde bijbanen of onderzoeks- of ontwerpopdrachten te genereren.

Afgestudeerde WO-masters verdienen gemiddeld circa 1,5 keer zoveel als afgestudeerde hbo-bachelors. Er is geen informatie bekend over het rendement van bacheloropleidingen in het wo.

De arbeidsmarktrelevante waarde van de universitaire bachelor is de resultante van inspanningen van onderwijsinstellingen in samenwerking met bedrijfsleven én studenten zelf. Deze laatsten hebben bij invoering van het sociaal leenstelsel voor masteropleidingen een grotere prikkel om de arbeidsmarktrelevante waarde van hun bacheloropleiding tijdens hun studie of tussen de bachelor- en masterstudie in te verzilveren. In de huidige context geldt overigens voor alle kwalificaties dat een leven lang aan het leren een must is.

De leden van de PvdA fractie willen weten waarom in dit wetsvoorstel goede sier wordt gemaakt met het uitzonderen van studenten die reeds aan een tweejarige masteropleiding begonnen zijn, terwijl bij de Wet verhoging collegegeld langstudeerders ieder bezwaar over het veranderen van de spelregels tijdens het spel eenvoudig zou zijn weggewuifd.

Ten onrechte suggereren de leden van de PvdA-fractie dat er sprake zou zijn van een beleidswijziging. Voor beide wetsvoorstellen gold en geldt hetzelfde uitgangspunt: geen enkele student hoeft als gevolg van de nieuwe maatregelen met zijn opleiding te stoppen. Dat dat uitgangspunt in bedoelde wetsvoorstellen verschillend is uitgewerkt, doet niet af aan het belang dat de regering aan dat uitgangspunt hecht.

In het onderhavige wetsvoorstel is overgangsrecht opgenomen voor studenten die bij een meerjarige masteropleiding in het tweede, derde of vierde jaar van het curriculum bezig zijn, of ingeschreven zijn bij een ongedeelde opleiding.

Ook de Wet verhoging collegegeld langstudeerders kent overgangsrecht, zij het in een andere vorm. In de eerste plaats is de invoering van het verhoogde tarief voor alle studenten een jaar uitgesteld. In de tweede plaats kunnen alle studenten die in het studiejaar 2012–2013 en 2013–2014 langstudeerder zijn en geen recht meer hebben op studiefinanciering, aanspraak maken op het langstudeerderskrediet. Voor bepaalde categorieën studenten zijn mitigerende maatregelen getroffen en voor bepaalde individuele situaties van «klaarblijkelijke hardheid» is een tegemoetkoming uit het profileringsfonds mogelijk.

Onder de zogenaamde eerste generatie studenten bestaat leenangst, stellen de leden van de CDA-fractie. Zij vragen de regering een nadere toelichting waarom zij verwacht dat onder met name deze groep in het bijzonder, maar ook in het algemeen het aantal studenten dat een master volgt niet in grote mate zal teruglopen.

Bij de eerste generatie studenten is niet zozeer sprake van leenangst maar van risicoaversie. «Rood staan» is een vorm van lenen die veelvuldig voorkomt. Er bestaat een aversie tegen lenen omdat vaak de baten van het lenen voor een studie onderschat worden en de lasten (de risico’s) overschat.

Op grond van internationale ervaringen is het de verwachting dat de financiële toegankelijkheid voor elke studie gewaarborgd blijft. Hogere eigen bijdragen van studenten, in combinatie met een inkomensafhankelijk leenstelsel, hebben in landen als Australië, Engeland en Canada geen negatieve invloed gehad op de onderwijsdeelname.

Australië kende geen private bijdragen aan het hoger onderwijs. In 1989 is een sociaal leenstelsel geïntroduceerd in de vorm van een Higher Education Contribution Scheme (HECS). Uit evaluaties komt naar voren dat de trendmatige ontwikkeling van de deelname aan het hoger onderwijs, niet is veranderd na de introductie van het HECS.

In het Verenigd Koninkrijk hebben universiteiten recent de mogelijkheid gekregen om collegegelden te verhogen. De leenmogelijkheden voor studenten zijn verhoogd. Ondanks de daaropvolgende prijsverhogingen, is de deelname aan hoger onderwijs in de UK niet gedaald. De aanpassingen gingen gepaard met flankerend beleid voor de lagere inkomensgroepen.

In Canada zijn in het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw de collegegelden verhoogd zonder verruiming van de leenmogelijkheden. Dit leidde tot een daling van de deelname, waarbij een grotere samenhang tussen het inkomen van de ouders en de kans op deelname door de student kan worden vastgesteld. Midden jaren ’90 zijn de leenmogelijkheden verruimd. Dit leidde tot een toename van de deelname. De samenhang tussen inkomen ouders en deelname door de student werd kleiner.

De leden van de CDA-fractie willen een toelichting van de regering hoe het met de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in andere landen is gesteld waarin een vorm van leenstelsel is ingevoerd en aangeven of deze ervaringen relevant zijn voor Nederland. Deze leden willen van de regering weten of zij voornemens is maatregelen te treffen indien blijkt dat de toegankelijkheid sterk terugloopt. De genoemde leden willen weten of het mogelijk is de invoering op dit effect te monitoren en de Kamer hiervan op de hoogte te stellen.

Door de voorgestelde maatregelen blijft de toegankelijkheid gewaarborgd, omdat iedereen die kan en wil studeren de financiële ondersteuning geboden wordt die hiervoor nodig is. Er is een effectonderzoek uitgezet naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond.

De leden van de CDA-fractie zien graag een berekening van het bedrag dat maandelijks terugbetaald moet worden door iemand met een modaal inkomen, tweemaal een modaal inkomen, driemaal een modaal inkomen en iemand met een inkomen daarboven. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan aangeven welk deel van een studieschuld van 50 000 euro een afgestudeerde zal terugbetalen als hij het minimumloon verdient, als hij een modaal salaris heeft of als hij drie maal modaal verdient. Zij willen dit graag uitgesplitst zien voor de terugbetaalperiode van vijftien en twintig jaar.

In onderstaande tabel is het maandbedrag voor verschillende situaties berekend. Daarbij is uitgegaan van een gemiddelde rente van 3% op jaarbasis.

De hoogte van de studieschuld bepaalt hoeveel per maand moet worden terugbetaald zonder rekening te houden met de draagkracht. Voor een studieschuld van € 50 000 is het maandbedrag bij een looptijd van 15 jaar € 345 en € 277 per maand bij 20 jaar.

Het inkomen bepaalt of het maandbedrag lager moet worden vastgesteld. De draagkrachtregeling bepaalt dat het maandbedrag niet hoger mag zijn dan 12% van het verzamelinkomen boven de draagkrachtvrije voet. Die draagkrachtvrije voet is 120% van het wettelijk minimumloon voor een debiteur met fiscale partner of voor een alleenstaande debiteur met kinderen. Voor alleenstaanden zonder kinderen is dat 70%. De vraag over welk deel van de studieschuld wordt terugbetaald, is moeilijk te beantwoorden. Hiervoor moet rekening worden gehouden met de inkomensontwikkeling tijdens iemands loopbaan. Wel kan worden aangegeven welk gedeelte van het maandbedrag moet worden terugbetaald om de studieschuld in 15 / 20 jaar af te lossen.

 

Jaar-inkomen

maand-bedrag bij studieschuld van € 50 000 bij 15 jaar

maand-bedrag bij studieschuld van € 50 000 bij 20 jaar

maximum maand-bedrag op grond van draagkracht-meting

Huishoudens met fiscale partners of alleenstaanden met kinderen

       

minimum-loon (WML)

€ 18 748

€ 0 (0%)

€ 0 (0%)

€ 0

1 x modaal

€ 33 000

€ 105 (30%)

€ 105 (38%)

€ 105

2 x modaal

€ 66 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 435

3 x modaal

€ 99 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 765

> 3 x modaal

€ 150 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 1 275

Alleenstaanden

       

minimum-loon (WML)

€ 18 748

€ 56 (16%)

€ 56 (20%)

€ 56

1 x modaal

€ 33 000

€ 199 (58%)

€ 199 (72%)

€ 199

2 x modaal

€ 66 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 529

3 x modaal

€ 99 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 859

> 3 x modaal

€ 150 000

€ 345 (100%)

€ 277 (100%)

€ 1 369

De leden van de CDA-fractie willen een nadere toelichting van de regering over het effect van het min of meer tegelijkertijd invoeren van zowel de langstudeerdermaatregel en een sociaal leenstelsel in de masterfase.

Direct als studenten uitlopen in de bachelorfase krijgen ze te maken met het sociaal leenstelsel. Als ze langer dan één jaar uitlopen in die fase, krijgen zij daarnaast te maken met het verhoogd wettelijk collegegeld. Als studenten overstappen naar een masteropleiding, krijgen ze weer recht op wettelijk collegegeld tegen basistarief. Ze blijven in het sociaal leenstelsel. Als ze op tijd (dus maximaal met 1 jaar uitloop) afstuderen, hebben ze geen last van de langstudeerdersmaatregel.

De leden van de CDA-fractie willen een nadere toelichting van de regering of de nadruk van de maatregelen die tot doel hebben het studierendement te verhogen, niet te eenzijdig bij de student liggen.

De maatregelen uit dit wetsvoorstel combineren financiële prikkels uit het sociaal leenstelsel en verkorting van het studentenreisrecht bij studievertraging met besparingen ten behoeve van investeringen in het onderwijs. Deze investeringen zijn mede bedoeld om het studierendement op een efficiënte wijze te verhogen. Samen met de langstudeerdersmaatregel waarvan de efficiencykorting ter hoogte van € 140 miljoen onderdeel uitmaakt, legt dit ook meer financiële druk bij de instellingen voor hoger onderwijs.

Nog te vaak ontvangen de leden van de CDA-fractie gegronde klachten van studenten dat er te weinig herkansingsmogelijkheden zijn, ze te lang op input van de docent op een scriptie moeten wachten en hiermee vertraging oplopen, zeer hoge collegegelden moeten betalen voor een tweede studie en vakken te weinig verspreid over het jaar worden aangeboden. De genoemde leden willen weten of de regering kan aangeven op welke wijze de onderwijsinstelling ook een verantwoordelijkheid heeft om te stimuleren dat sneller wordt gestudeerd en verantwoordelijkheid neemt voor een efficiënte organisatie van de studie.

De regering onderschrijft dat de instellingen een verantwoordelijkheid hebben voor het bereiken van studiesucces van de student. Deze verantwoordelijkheid brengt de regering tot uiting in de per individuele instelling te maken prestatieafspraken. Deze afspraken betreffen de kwaliteit, het studiesucces en de profilering. Hierbij staat overigens centraal «wat» de instelling moet waarmaken en niet zozeer het «hoe». Een voorbeeld is hier wellicht illustratief: Uit onderzoek blijkt dat het geen automatisme is dat het geven van meer herkansingen het studiesucces verhoogt. Er kan zelfs een negatief effect van uitgaan. De regering acht dit een illustratie van de noodzaak om instellingen zelf zo veel mogelijk te laten bepalen hoe zij doelstellingen bereiken. Dit laat onverlet dat zaken als beoordelingstermijnen en spreiding van vakken behoren tot de algemene verantwoordelijkheid van instellingen om het onderwijs organisatorisch op goede wijze vorm te geven.

Het ISO heeft voorgesteld om studenten die een meerjarige masteropleiding volgen of gaan volgen een basisbeurs te geven in de masterfase. De leden van de CDA-fractie en D66-fractie willen weten hoe groot deze groep studenten is. Deze leden en de leden van de SGP-fractie willen weten of de regering overwogen heeft het sociaal leenstelsel voor studenten aan een meerjarige masteropleiding enkel in het eerste jaar toe te passen. De leden van de laatstgenoemde fractie willen in aanvulling een reactie op de veronderstelling dat deze wijziging slechts geringe uitvoeringsgevolgen heeft.

Het aantal studenten dat een meerjarige masteropleiding volgt, is ongeveer 33 500. Het voorstel van het ISO klinkt sympathiek, maar gaat voorbij aan het feit dat hiermee een systeembreuk ontstaat in de studiefinanciering als generieke maatregel voor alle studenten, die bovendien in de uitvoering complicaties met zich mee brengt. Uitzonderingen voor specifieke masteropleidingen zijn een inbreuk op het generieke karakter van dat stelsel en hebben in tegenstelling tot de veronderstelling wel degelijk forse uitvoeringsconsequenties.

Belangrijker nog is dat bij uitzonderingen voor meerjarige masteropleidingen bewust zou worden gekozen om ondoelmatigheden in het leven te houden. Bovendien zou afgeweken worden van het regeerakkoord, waarin het sociale leenstelsel voor alle masters is opgenomen. Alle masteropleidingen zijn goede investeringen, de motivatie om daarvoor te kiezen moet liggen in de kwaliteit, de uitdaging en het toekomstperspectief van de opleiding én niet in de vraag of daarvoor extra basisbeurs wordt gegeven of niet. Daarnaast betekent een meerjarige masteropleiding ook dat de overheid meerjarig de bekostiging verzorgt. Het zou vreemd zijn om wel te verwachten dat de overheid meerjarig zorg draagt voor de bekostiging, maar dat het lenen door de student zich zou moeten beperken tot één jaar.

De masteropleiding blijft een goede investering. De meerwaarde van een masteropleiding weegt op tegen de eventuele kosten die de student maakt als hij de basisbeurs leent. En de sociale leenvoorwaarden zorgen ervoor dat een student zoveel mogelijk wordt ondersteund om eventuele terugbetaalproblemen te voorkomen. Vanuit investeringsperspectief gaat het over de gehele periode genomen slechts over iets minder dan € 20 per maand extra terugbetalen als het hele basisbeursbedrag voor uitwonenden voor één jaar extra studie helemaal geleend wordt (circa € 3200, bij 20 jaar terugbetalen en 3% rente).

De leden van de CDA-fractie en de SGP-fractie willen graag weten wat het besparingsverlies is als het sociaal leenstelsel voor studenten aan een meerjarige masteropleiding enkel in het eerste jaar toegepast wordt.

Als het sociaal leenstelsel voor studenten aan meerjarige masteropleidingen alleen in het eerste jaar zou moeten worden toegepast, dan grijpt dat diep in op de stelselhervorming waarin het basisbeursregime voor masteropleidingen vervangen wordt door een sociaal leenstelsel. Studiefinanciering is dan geen generiek stelsel meer dat voor alle masteropleidingen gelijk is. Voor de rijksbegroting betekent dit dat het wetsvoorstel aanzienlijk minder besparingen zal opleveren. Dat verschil loopt vanaf 2014 (€ 5 miljoen) op tot een geschat besparingsverlies van structureel circa € 30 miljoen per jaar in 2021.

In het kader van de cumulatie van maatregelen hebben de leden van de CDA-fractie ook een vraag over het niet meer meetellen van de studieschuld van de ouders bij hun besteedbare inkomen. Tevens worden minderjarige kinderen niet langer meegenomen bij het bepalen of een student een aanvullende beurs krijgt of niet. Gaarne ontvangen deze leden nadere toelichting over de effecten hiervan op de ouders die hiernaast ook meer zullen meebetalen aan de studie van hun kinderen om te hoge studieschulden te voorkomen.

De leden van de CDA-fractie willen van de regering een visie ontvangen over hoe de verzwaring met het voorgestelde pakket aan maatregelen wordt verdeeld over studenten, ouders en instellingen.

Door het aantal variabelen bij het berekenen van de aanvullende beurs terug te brengen, worden de ouders verondersteld een hogere ouderlijke bijdrage te voldoen. Of deze ouders daarnaast ook meer zullen bijdragen aan de studie om te voorkomen dat studenten hogere studieschulden krijgen (bijvoorbeeld voor het volgen van een masteropleiding), zal onderwerp van gesprek zijn tussen de ouders en het studerende kind. De student staat in ieder geval de mogelijkheid ter beschikking om bij te lenen ter hoogte van de aanvullende beurs en de basisbeurs in de masterfase. Dit leidt uiteraard tot een hogere studieschuld.

Er is in beeld gebracht hoe groot de groep is die te maken krijgt met zowel de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase als de maatregel waarbij de studieschuld van de ouders en het aantal minderjarige kinderen niet langer meetelt bij het berekenen van de hoogte van de aanvullende beurs. Jaarlijks zijn er enkele tientallen studenten aan een (één- en/of meerjarige) masteropleiding die te maken krijgen met zowel de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase als de maatregel waarbij de studieschuld van de ouders niet langer meetelt bij het berekenen van de hoogte van de aanvullende beurs. Jaarlijks zijn er ruim 1000 studenten (circa 600 studenten aan een eenjarige masteropleiding en 400 studenten aan een meerjarige masteropleiding) die te maken krijgen met de combinatie van de invoering van het sociaal leenstelsel en de maatregel waardoor telkinderen niet meer meegenomen worden bij de berekening van de aanvullende beurs.

Het is niet aan de orde om een deel van de verzwaringen bij instellingen neer te leggen; doel is het stelsel eenvoudiger en transparanter te maken. Van belang is dat de studenten iets terug krijgen voor de vereenvoudigingen. Sommige vereenvoudigingen zijn begunstigend voor de student (terugwerkende kracht en vereenvoudigen van de peiljaarverlegging).

De leden van de CDA-fractie vragen wat de visie van de regering op een leven lang leren in samenhang met de invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase is.

Het studiefinancieringsstelsel is een jeugdstelsel. De invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase wijzigt dit niet. Het stelsel van studiefinanciering stelt jonge mensen in staat om een initiële opleiding te voltooien. Boven de 30 jaar is er sprake van een individuele verantwoordelijkheid en dient de student de studie zelf te bekostigen. Boven de 30 jaar zijn er in principe andere mogelijkheden om in het levensonderhoud en de studiekosten te voorzien (werkgever, sociale zekerheid, fiscale voorzieningen).

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat zij bereid is te doen indien blijkt dat onder deeltijdstudenten in het algemeen en leraren in het bijzonder de animo om zich bij te scholen daalt.

Zoals ook eerder aangegeven in antwoord op vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie zullen de gevolgen van het invoeren van het sociaal leenstelsel in de masterfase worden gemonitord. De resultaten van dit onderzoek komen in 2015 beschikbaar.

De leden van de fractie van het CDA vragen een nadere toelichting op het punt van beperking van de scholingsaftrek. De leden van deze fractie vragen zich af wat de beperking van de aftrek tot de daadwerkelijke verplichte studiekosten oplevert. Want in de regeling vervalt de aftrek voor duurzame goederen (computers), maar die zijn veelal verplicht voor eerstejaarsstudenten en vallen dus weer onder de nieuwe regeling. Door het vervallen van de normbedragensystematiek krijgen studenten met recht op studiefinanciering en bijverdiensten extra aftrekmogelijkheden die ze hiervoor niet hadden. Deze leden voorzien dat deze maatregel onbedoeld meer gaat kosten voor het Rijk.

Het betreft een pakket aan maatregelen met een generiek karakter. Allereerst is uit overwegingen van doelmatigheid en uitvoerbaarheid gekozen voor eenzelfde systematiek van scholingsaftrek voor alle belastingplichtigen. Voorts wordt vereenvoudiging bereikt door de aftrek van scholingsuitgaven te beperken tot de verplicht gestelde en noodzakelijke kosten van de opleiding of studie. Daartoe geldt een limitatieve opsomming van werkelijk gemaakte kosten, waaronder door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen. De door deze leden uitgesproken vrees doet zich derhalve niet voor. Vanwege de eenvoud in uitvoering is er in het wetsvoorstel voor gekozen computers en bijbehorende randapparatuur uit te sluiten van de voor aftrek in aanmerking te nemen verplichte leermiddelen.

Studenten met recht op studiefinanciering krijgen eveneens te maken met de aftrek van scholingskosten op basis van de limitatief opgesomde werkelijk gemaakte kosten in plaats van de thans toegepaste – en in de praktijk zeer complex gebleken – normbedragensystematiek. Tevens wordt de standaardstudieperiode beter uitvoerbaar gemaakt door de periode van aftrek aaneengesloten te maken. Anders dan de genoemde leden veronderstellen leiden deze wijzigingen niet tot extra aftrekmogelijkheden.

De regering heeft er voor gekozen de fiscale maatregelen een generiek karakter te geven. De leden van de CDA-fractie en SP-fractie willen weten waarom de regering heeft gekozen voor een maatregel die niet alleen de masterstudenten treft. Ook de Raad van State was hier kritisch over. De leden van de SP-fractie willen graag uitleg van de regering op dit punt, omdat met de maatregel ook mensen benadeeld worden die zich op latere leeftijd willen bijscholen, iets wat gezien de wens van deze regering om een leven lang leren te bevorderen, tegenstrijdig lijkt te zijn.

De keuze om de introductie van het sociaal leenstelsel voor masteropleidingen aan te grijpen voor vereenvoudiging van de fiscale regels omtrent scholingsaftrek is ingegeven door het fiscaal-juridische uitgangspunt van gelijke behandeling. Het feit dat iemand studerende is houdt niet in dat deze persoon ook als belastingplichtige anders behandeld moet worden dan andere belastingplichtigen, omdat zij een beroep kunnen doen op het sociaal leenstelsel zonder aanspraak te maken op een beurs. Specifieke fiscale maatregelen voor alleen masterstudenten staan hiermee op gespannen voet. De gekozen maatregelen werken inderdaad door naar alle belastingplichtigen die studeren, maar verhogen wel de efficiëntie en uitvoerbaarheid van het fiscale stelsel. Er wordt gefocused op noodzakelijke opleidingskosten en zeer moeilijk uitvoerbare elementen worden aangepast. Het geheel is voldoende om de fiscale weglek van het sociaal leenstelsel voor masteropleidingen budgettair te dichten. Voor alle studenten geldt dat dit wetsvoorstel een duidelijker omschrijving biedt van de kosten die voor aftrek in aanmerking genomen mogen worden. In zoverre worden mensen die zich op latere leeftijd willen bijscholen, zoals de leden van de SP-fractie vragen, niet anders behandeld dan mensen die op jongere leeftijd een studie volgen.

De leden van de CDA-fractie hebben veel moeite met het aaneengesloten maken van de periode van toepassing voor de standaardperiode: dat betekent immers dat je geen studieonderbreking mag hebben. Deze leden vinden dat dit zeer nadelig uitvalt voor studenten die hun studie tijdelijk onderbreken, ziek worden of bijvoorbeeld zwanger zijn. Zij zijn van mening dat het niet de bedoeling van deze maatregel kan zijn dat groepen kwetsbare studenten onevenredig hard getroffen worden. Immers, voor deze groepen hangt ook de langstudeerdermaatregel boven hun hoofd. De genoemde leden ontvangen graag een toelichting op de cumulatie van maatregelen voor deze groep studenten.

De standaard studieperiode is van toepassing op studies met een hoog cursusgeld en niet op studies met het wettelijk collegegeld tegen basistarief of het verhoogd wettelijk collegegeld. Op dit punt ontstaat geen cumulatie van de fiscale maatregel en de maatregel verhoogd wettelijk collegegeld.

De leden van de SP-fractie vernemen graag hoeveel studenten die reeds studeren aan een masteropleiding geconfronteerd worden met het sociaal leenstelsel.

Van alle huidige masterstudenten (92 000 in 2011) ondervindt een groot deel geen gevolgen van het sociaal leenstelsel. Een deel van deze groep heeft geen studiefinanciering (bijvoorbeeld buitenlandse studenten). Een ander deel heeft zijn basisbeursrechten al verbruikt op het moment dat de maatregel moet in gaan (studievertraging). Een derde groep valt onder het overgangsrecht (nominaal gestudeerd en voor 1 september 2011 begonnen). Naar schatting resteert een groep van circa 5500 studenten die vanaf 1 september 2011 aan een masteropleiding begonnen zijn en op het moment van invoering nog basisbeursrechten zouden hebben gehad.

De leden van de Groenlinks-fractie, de ChristenUnie-fractie en de SP-fractie vernemen graag van de regering hoe zij tot de afweging is gekomen zittende studenten van vóór 1 september 2011 uit te zonderen? Deze leden vinden de redenering dat zij niet wisten dat het leenstelsel tijdens de studieperiode zou worden ingevoerd ook geldt voor studenten die per 1 september of 5 september 2011 zijn begonnen, of later in het studiejaar zijn ingestroomd. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor studenten die volgend jaar aan het tweede jaar van hun meerjarige masteropleiding beginnen. Zij vragen of het overgangsrecht niet moet worden uitgebreid voor studenten die dan een meerjarige masteropleiding volgen.

Het overgangsrecht ten aanzien van studenten aan een meerjarige masteropleiding regelt dat studenten die vóór 1 september 2011 aan een meerjarige masteropleiding zijn begonnen deze opleiding onder de oude studiefinancieringsvoorwaarden kunnen afmaken. De studenten die op of na 1 september 2011 begonnen zijn aan een meerjarige masteropleiding hadden de wijzigingen kunnen zien aankomen. De eerste aankondiging van de maatregel was het concept regeerakkoord dat op 30 september 2010 is gepubliceerd. De beleidsnotitie Studeren is Investeren is vervolgens in maart 2011 naar de Tweede Kamer gezonden en in april 2011 in de uw Kamer behandeld. De maatregelen uit de beleidsnotitie zijn rechtstreeks vertaald in het nu voorliggende wetsvoorstel. Na de openbaarmaking van de beleidsnotitie is er dus nog ruim een half jaar de tijd geweest voor studenten om van de aankomende wijzigingen op de hoogte te geraken.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor studenten die tussen 1 september 2011 en 1 september 2012 zijn begonnen aan een meerjarige masteropleiding.

Voor deze studenten zal het sociaal leenstelsel gelden vanaf het studiejaar 2012–2013.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten waarom er verschil is tussen de studenten aan een meerjarige masteropleiding en studenten aan een opleiding voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep in het overgangsrecht.

In artikel 12.9c is voorzien in overgangsrecht voor degene die in het studiejaar 2012–2013 het laatste jaar volgt van een wetenschappelijke levensbeschouwende opleiding voor ambtsdrager of leraar van een kerkgenootschap in het duplex ordo model. Voor deze volledige opleiding heeft een student in het huidige systeem aanspraak op prestatiebeurs. Het duplex ordo model houdt in dat studenten na het behalen van de mastergraad onderwijs volgen om ambtsdrager of leraar van een bepaald kerkgenootschap te kunnen worden. Omdat dit laatste onderdeel geen deel uitmaakt van de masteropleiding, dient er voorzien te worden in apart overgangsrecht. Studenten die vóór 1 september 2011 begonnen zijn aan een masteropleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep kunnen na deze opleiding (die zij voor 1 september 2012 afronden) nog een éénjarige opleiding volgend daarop doen volgens het oude recht. Er wordt dus ook voor deze studenten uitgegaan van het keuzemoment dat vóór 1 september 2011 moet liggen.

Door de terechte vraag van de Groenlinks-fractie is geconstateerd dat het overgangsrecht voor studenten in het duplex ordo model die na een éénjarige master een tweejarige opleiding voor ambtsdrager of leraar van een kerkgenootschap volgen, te ruim is. Daarom is het overgangsrecht voor de bedoelde studenten aangepast door middel van een nota van wijziging.

Dit betekent dat voor studenten aan een simplex ordo opleiding, dat wil zeggen een opleiding waarbij het onderwijs tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap geïntegreerd is in de masteropleiding, het overgangsrecht van artikel 12.9b voldoet.

Door de aanpassingen in het overgangsrecht zijn de rechten van studenten aan een meerjarige masteropleiding gelijk aan de rechten van studenten aan een opleiding tot een levensbeschouwelijk ambt of beroep.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze de regering studenten wijst op de consequenties en risico’s van leengedrag. Deze leden vragen of de regering onderkent dat de verplichte waarschuwing in kredietreclames ook in communicatie van de overheid aan studenten van belang is, juist wanneer de financiële verantwoordelijkheid van studenten toeneemt.

Op verschillende plekken in de voorlichting over lenen en terugbetalen zijn analoge waarschuwingen geplaatst met de strekking «lenen mag, terugbetalen moet». Dit met als doel studenten aan te zetten tot bewuster lenen. De consequenties in termen van terug te betalen bedrag en de risico’s op het niet kunnen terugbetalen worden gedetailleerd beschreven en met rekenhulpen kan men een goed beeld krijgen over wat de uiteindelijke studieschuld zal worden bij verschillende leenbedragen.

Er is overwogen of het zinvol is de verplichte reclame in kredietreclames over te nemen. Punt van overweging om dit niet te doen is dat de verplichte waarschuwing voor commercieel particulier krediet vooral wordt ingezet voor consumptieve bestedingen. Lenen in het kader van de studie is investeren in de eigen toekomst onder sociale voorwaarden. Op dit moment wordt naar een beter alternatief gezocht dat past bij het karakter van de studiefinanciering.

Verlenging van de terugbetaalperiode

De leden van de VVD-fractie willen weten waarom er na afloop van het prestatiebeursregime, automatisch een lening verstrekt wordt aan studenten. De leden van deze fractie willen weten of de regering er een mogelijkheid in ziet om (bijvoorbeeld) twee maanden voor afloop van de basisbeurs een bericht naar studenten te doen uitgaan om hen te laten kiezen of zij gebruik willen maken van de leenmogelijkheden.

Het idee van de van de VVD-fractie wordt overgenomen. Studenten zullen bij de invoering van een sociaal leenstelsel voor masteropleidingen tijdig geïnformeerd worden dat het basisbeursregime over gaat in een lening. Dit sluit goed aan op de wijze waarop studenten nu worden geïnformeerd over de overschakeling van de prestatiebeurs naar een lening. Tijdig voor die overschakeling krijgen studenten een brief waarin wordt aangegeven dat het bedrag dat studenten inclusief de prestatiebeurs kregen wordt gecontinueerd als lening. Dit voorkomt dat studenten door onvoorziene omstandigheden ongewild zonder geld komen te zitten met het risico op betalingsachterstanden. Als studenten het toe te kennen bedrag willen wijzigen, dan wordt hen verzocht dit te doen. Als studenten het aangevraagde bedrag niet aanpassen, dan veronderstelt DUO dat studenten hetzelfde bedrag willen blijven ontvangen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de student zelf de hoogte van het leenbedrag kan bepalen, bijvoorbeeld als hij geen gebruik wil maken van het geld ten behoeve van levensonderhoud maar alleen het collegegeldkrediet wil lenen.

De regering kan bevestigend antwoorden op de vraag van de leden van de VVD-fractie. Een student kan er voor kiezen alleen een lening aan te gaan voor het collegegeld. Dit doet hij door alleen een beroep te doen op het collegegeldkrediet.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of studenten ook de vrijheid kunnen krijgen het te lenen bedrag in één keer te lenen, of moet het te lenen bedrag in maandelijkse termijnen uitbetaald worden. Zij vragen zich af of de regering mogelijkheden ziet om bijvoorbeeld studenten die in het buitenland geen maandelijkse betalingstermijnen kennen, tegemoet te komen, zodat zij in één keer het collegegeld kunnen betalen.

Het collegegeldkrediet wordt (samen met de rest van de studiefinanciering) in maandelijkse termijnen aan het einde van een maand uitbetaald. Dit voorkomt ingewikkelde verrekeningen achteraf. Het vooraf uitbetalen van het collegegeld zou een voorschot betekenen. Wanneer studenten tussentijds met hun studie stoppen, moet het teveel ontvangen collegegeld teruggevorderd worden. Dit leidt tot complexe uitvoeringspraktijken. Om deze reden zijn er geen mogelijkheden af te wijken van de maandelijkse betaaltermijn.

De leden van de VVD-fractie en SP-fractie vragen zich af waarom de rentepercentages van de lening tijdens de studie wel jaarlijks aangepast worden en na het afstuderen niet meer. Zij willen weten of de regering reden ziet om de rentesystematiek aan te passen.

  • De regering ziet geen reden om de rentesystematiek aan te passen. De gehanteerde systematiek heeft de goede balans tussen enerzijds de zekerheid van termijnbedragen die niet ieder jaar veranderen en anderzijds de flexibiliteit om toch rekening te houden met rentefluctuaties.

  • Qua uitvoering heeft de huidige systematiek ook als voordeel dat niet ieder jaar het termijnbedrag voor de hele debiteurenpopulatie herberekend hoeft te worden als gevolg van veelal kleine renteschommelingen.

  • Bij studenten die nog niet aan terugbetalen toe zijn kan de rente wel ieder jaar worden aangepast. Bij hen is nog geen sprake van terug te betalen termijnbedragen die uitgerekend moeten worden. Daarbij is het rentepercentage tijdens de studie voor iedereen gelijk.

Omdat de student op het moment van aangaan van de lening geen zicht op het uiteindelijk te betalen rentepercentage heeft, willen de leden van de VVD-fractie weten of de regering dit als probleem ziet en welke mogelijkheden ziet zij om dit op te lossen.

De overheid ziet het niet als een probleem dat de student niet kan weten wat de rente gedurende de hele terugbetaalperiode zal zijn. De student krijgt wel de garantie dat de rente zo laag mogelijk is. Het voordeel dat de overheid heeft om tegen een relatief laag tarief te lenen op de kapitaalmarkt wordt namelijk doorgegeven aan de student.

De leden van de VVD-fractie willen weten wat de voor- en nadelen zijn van een keuze aan de student om een rentevasteperiode te kunnen kiezen. Zij stellen voor: wie jaarlijks wil wisselen zou dit kunnen aangeven, wie de rente langer dan vijf jaar vast wil zetten kan dit ook.

De huidige regels voor rentebepaling zijn transparant en uitvoerbaar door DUO. Daarbij is het juiste midden gekozen tussen uitvoerbaarheid voor DUO en flexibiliteit voor de student. Een grotere differentiatie in de rentebepaling vraagt om een uitgebreid uitvoeringsapparaat waarin DUO zich steeds meer als pseudobank moet gaan gedragen en is daarom niet wenselijk. Het wordt heel moeilijk om de rente van studieschulden jaarlijks vast te stellen. Ten eerste omdat de rente die de overheid voor leningen op de kapitaalmarkt moet betalen fluctueert. Ten tweede omdat de leenvoorwaarden niet zonder instemming van debiteuren achteraf gewijzigd kunnen worden. Hierdoor ontstaan al snel verschillende renteberekeningssystemen naast elkaar zonder dat de renteverschillen verdwijnen.

Bovendien kan de huidige draagkrachtregeling onder druk komen te staan in een situatie waarin veel studenten kiezen voor maximale zekerheid met een lange rentevaste periode en een dito hogere rente, waarbij het renterisico wordt afgewenteld op de draagkrachtregeling.

De leden van de VVD-fractie willen weten welke voor- en nadelen aan een systeem verbonden zijn waarbij de overheid cohorten van rentevaste periodes neerzet, waarbij de student op het moment van afstuderen in een dergelijk cohort valt. Het zou volgens de leden een oplossing kunnen bieden voor ongelijkheden in rentepercentages en de uitvoerbaarheid kunnen vereenvoudigen.

De ongelijkheden in rentepercentages zijn inherent aan de situatie op de kapitaalmarkt. Dit vinden we bijvoorbeeld ook terug op de hypotheekmarkt. Ook daar variëren rentepercentages met het moment waarop de lening is aangegaan. In het bijzondere geval van studiefinanciering zou meer vrijheid voor studenten om een rentevaste periode te kiezen de uitvoering niet vereenvoudigen maar verder compliceren. De regering ziet vooralsnog geen mogelijkheid om dat in uitvoering te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel middelen er volgens de regering worden opgehaald door de verlenging van de terugbetaaltermijn.

Een langere terugbetaaltermijn heeft als voordeel dat de terug te betalen studieschuld over een langere periode mag worden uitgesmeerd en dat de betaalbaarheid voor de afgestudeerde ook aan het eind van de terugbetaalperiode verbetert, omdat het verdiende inkomen dan veelal hoger is. Studenten kunnen er altijd voor kiezen eerder af te lossen. Uiteindelijk verwacht de regering dat meer studenten hun studieschuld zullen kunnen aflossen, waardoor de staat op lange termijn minder hoeft kwijt te schelden. In de memorie van toelichting is aangegeven dat op de lange termijn een bedrag van € 10 miljoen op jaarbasis wordt bespaard.

De leden van de PvdA-fractie willen weten wat de precieze bestemming van de opgehaalde bedragen is. Deze leden vragen of dat, zoals de minister-president zich onlangs liet ontvallen, in de eigen universiteit, of zoals in de memorie van toelichting vermeldt, in het middelbaar beroepsonderwijs.

De middelen die worden vrijgespeeld door vereenvoudiging van de studiefinanciering, worden inderdaad ook in het mbo ingezet. De vereenvoudigingen raken immers ook mbo’ers. Een evenredig deel van de ombuigingen gaat daarom naar deze groep.

De leden van de PvdA-fractie worden graag geïnformeerd over de voor- en nadelen om het rentepercentage voor vijf jaar vast te zetten.

Verschillen tussen rentepercentages zijn het logische gevolg van rentevaste perioden. Eenzelfde verschil is terug te zien bij hypotheken. Zelden betalen huizenbezitters dezelfde hypotheekrente. De rentebepaling wordt sinds de invoering van de Wet op de Studiefinanciering in 1986 voor debiteuren voor vijf jaar vastgezet. Daarmee is destijds getracht een balans te vinden tussen de voor- en nadelen van rentevaste perioden. Voordelen van rentevaste perioden zijn in de eerste plaats zekerheid over de betalingsverplichtingen en duidelijkheid over de terug te betalen termijnen met een vastgestelde duur van vijf jaar. Nadelen van een rentevaste periode zijn, dat de rente hoger is naarmate de periode langer is en de onmogelijkheid om te profiteren van een lagere rente die tussentijds mogelijk is. Een rentevaste periode van vijf jaar biedt het voordeel van beide elementen: voldoende flexibel om rekening te houden met langdurige rentewijzigingen en voldoende zekerheid omdat de termijnbedragen niet ieder jaar veranderen.

De leden van de D66-fractie vragen de regering of er is nagedacht over het stimuleren van excellentie door mogelijk te differentiëren in terugbetaalregelingen of kwijtschelding voor de best presterende studenten.

Studiefinanciering is bedoeld als bijdrage voor de kosten van het levensonderhoud tijdens een studie. Het is niet bedoeld om – achteraf – excellentie te belonen. Bovendien is de verwachting, dat de arbeidsmarktperspectieven van de best presterende studenten dusdanig zijn dat terugbetaling van studiefinanciering geen belemmering is voor het nastreven van excellentie door die studenten. Hoe de beste studenten gestimuleerd kunnen worden om een voor hen hoogst mogelijk niveau te bereiken, is overigens het onderwerp van het Sirius Programma (www.siriusprogramma.nl).

Beperking van de studentenreisvoorziening

De leden van de PvdA-fractie merken op dat een wijziging omtrent de reisvoorziening een verhoging van de boete voor het niet tijdig inleveren is. De leden kunnen hiermee en zelfs met een hoger boetebedrag instemmen, mits het opgehaalde geld wordt geïnvesteerd in een betere informatievoorziening van DUO aan studenten.

Het boetebedrag is sinds 1995 niet gewijzigd waardoor er geen rekening is gehouden met tussentijdse prijsstijgingen. Deze uitgebleven bijstelling wordt nu gecorrigeerd. Het is nog onzeker hoe groot het opgehaalde bedrag zal zijn. Het is de ambitie van DUO om de informatievoorziening aan studenten zo optimaal mogelijk te laten zijn, onder andere door deze aan te laten sluiten bij moderne communicatiemedia. Daarom is er vooralsnog is geen aanleiding om de informatievoorziening aan studenten nog verder te intensiveren. De passieve informatievoorziening middels websites en formulieren is goed en er zijn twee actieve communicatiemomenten; aan het begin van de studie en een klein jaar voordat de student zijn reisvoorziening heeft verbruikt. Bovendien is voor de communicatie over dit wetsvoorstel een apart communicatieplan opgesteld.

De leden van de SP-fractie vragen waarom bij dit wetsvoorstel wordt uitgegaan van de studieduur van bachelor- en masteropleiding samen plus één jaar. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar een onderbouwing van de beperking van de studentenreisvoorziening voor een periode van vijf jaar. De genoemde leden vragen of het niet meer voor de hand ligt om te kiezen voor bachelor plus één en master plus één, zoals ook bij de langstudeermaatregel het geval is.

Er zijn verschillende redenen om de eigen systematiek van de reisvoorziening in stand te houden. Studiefinanciering (waaronder de reisvoorziening) en het collegegeld zijn twee verschillende regimes. Collegegeld moet elk jaar worden betaald. Studiefinanciering kan flexibeler (namelijk per maand binnen de diplomatermijn van tien jaar) worden ingezet gedurende de studie. Bij het collegegeld worden de bachelor en master separaat bezien. Bij studiefinanciering worden ze samengenomen. Ten slotte is er een harde uitvoeringstechnische reden voor het onderscheid tussen studiefinanciering (waaronder reisvoorziening) en collegegeld. Het is voor DUO niet mogelijk om op korte termijn rond de toekenning van de reisvoorziening onderscheid te maken tussen bachelor- en masterfase.

De leden van de SP-fractie willen een oordeel van de regering dat juist in de laatste periode van de studie de reiskosten voor veel studenten hoog zijn, omdat er stage wordt gelopen en er door verschillende studenten aan verschillende instellingen colleges worden gevolgd.

Wanneer studenten de studie afronden binnen de nominale duur, of met één jaar uitloop, ondervinden zij geen hogere reiskosten dan in de huidige situatie. Studenten die een grotere uitloop hebben, kunnen voor de financiering van hun reiskosten een beroep doen op de studielening. Ook is te verwachten dat werkgevers in voorkomende gevallen de reiskosten in het kader van de stage bekostigen.

De leden van de SP-fractie willen weten of de regering het verantwoord vindt dat de studenten door het verkorten van de duur van het studentenreisrecht op nog hogere kosten worden gejaagd en dat daardoor de studieschuld nog hoger uitvalt.

De regering kiest bewust voor een groeiende financiële eigen verantwoordelijkheid van studenten bij een langere studieduur. Als studenten nominaal plus 1 jaar studeren, zullen zij geen hinder ondervinden van de maatregel. Doordat studenten die langer studeren, kunnen lenen voor hun uitgaven komt de toegankelijkheid van het onderwijs niet in gevaar.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen de regering naar de gevolgen voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs die de regering vanwege de beperking van de studentenreisvoorziening van nominale studieduur plus drie jaar naar nominale studieduur plus één jaar.

Deze maatregel heeft geen gevolgen voor de financiële toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Studenten kunnen immers lenen voor de kosten die zij maken. Bovendien kunnen studenten door sneller te studeren voorkomen dat ze geen gebruik meer kunnen maken van de reisvoorziening.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten of de regering de problemen die studenten zullen ondervinden van de beperking van de mobiliteit in kaart heeft gebracht. Als dat zo is willen deze leden weten op welke manier de regering dit heeft gedaan en wat de uitkomst is van dit onderzoek. Als een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden willen deze leden weten of de regering bereid is dit alsnog te doen vóór  het plenaire debat in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel.

De mobiliteit van studenten wordt door de beperking van het reisrecht niet per definitie beperkt. Wel wordt de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van de mobiliteit bij studenten die langer dan nominaal plus één jaar studeren naar die studenten zelf verplaatst.

De reisbewegingen van studenten zijn bekend dankzij een driejaarlijks uitgevoerd reizigersonderzoek. De regering is niet voornemens aanvullend onderzoek uit te voeren. De verwachting van de regering is dat studenten hun reisbewegingen kritischer zullen bezien, maar niet ten koste van studiegerelateerde reizen.

In de leenfase kunnen studenten gebruik maken van de gedereguleerde lening (in 2012 € 853,16). Deze biedt ruimte om te lenen voor mobiliteit. Momenteel leent slechts een kleine minderheid (10%) van de studenten maximaal.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of de beperking van de studentenreisvoorziening van nominale studieduur plus drie jaar naar nominale studieduur plus één jaar ook voor de huidige masterstudenten geldt.

Alle studenten hebben na inwerkingtreding van dit voorstel recht op een studentenreisvoorziening voor de periode nominale studieduur plus één jaar. Dit geldt dus ook voor de huidige masterstudenten.

Aanvullend willen de leden van de Groenlinks-fractie weten wat de gevolgen zijn voor deze studenten. Deze leden willen weten hoe de regering het opleggen van deze beperking aan studenten die dit niet konden voorzien, rechtvaardigt.

Studenten konden vanaf april 2011 de maatregel voorzien. De maatregel wordt in het studiejaar 2012–2013 van kracht. Studenten hebben dus ruim de tijd gehad om zich voor te bereiden op de beperking van het studentenreisrecht. Daarbij wil de regering benadrukken dat studenten gedurende de nominale studieduur plus één jaar recht blijven houden op een studentenreisvoorziening en dat het dus mogelijk is een bachelor- en masteropleiding af te ronden in een periode waarbij constant een recht bestaat op deze voorziening.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten welke gevolgen de inperking van het studentenreisrecht heeft voor studenten aan een meerjarige masteropleiding.

Meerjarige masterstudenten krijgen hun reisrecht voor de gehele nominale studieduur. De inperking van het studentenreisrecht heeft voor studenten aan een meerjarige masteropleiding dus dezelfde gevolgen als voor studenten aan een eenjarige masteropleiding. Allen mogen namelijk nog één jaar uitlopen op de nominale duur van hun studie.

Vereenvoudigingen van de studiefinanciering

De leden van de VVD-fractie willen weten hoe de mogelijkheid om de belastinggegevens van ouders in te zien zich verhoudt tot het zo min mogelijk treden in de relatie tussen ouder en kind. De leden van de VVD-fractie willen eveneens weten of de regering de belastinggevens van ouders privacygevoelig vindt.

Bij het ouderafhankelijk maken van de aanvullende beurs binnen de studiefinanciering in 1986 is ervoor gekozen om een relatie te leggen tussen het inkomen van beide ouders van de studerende en de hoogte van de door de overheid vastgestelde aanvullende beurs. Daarmee bestaat een wettelijke basis voor het opvragen door DUO van deze gegevens bij de Belastingdienst en is voldaan aan de eisen die de privacy stelt.

Op basis van de gegevens van de Belastingdienst wordt de hoogte van de aanvullende beurs bepaald. Met deze gegevens wordt uiteraard zorgvuldig omgegaan, de studerende krijgt geen inzage in de gegevens, die DUO van de Belastingdienst omtrent de ouders ontvangt.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de vereenvoudigingsplannen zich verhouden tot het mislukte pleidooi van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor meer ouderbetrokkenheid, zoals onlangs in verschillende media vermeld.

In het stelsel van studiefinanciering bestaan er drie financieringsbronnen voor de student om zijn studie te bekostigen: de overheid, de ouders en de student zelf. De ouderbetrokkenheid is daarmee in de studiefinanciering vooral financieel van aard. Ouders worden in beginsel verondersteld een ouderlijke bijdrage te leveren. Deze veronderstelde bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het ouderlijke inkomen. De overheid verstrekt een (volledige of gedeeltelijke) aanvullende beurs aan kinderen van ouders met onvoldoende inkomen. De overheid verstrekt een basisbeurs in de bachelorfase en een reisvoorziening. De student zelf kan lenen of werken om de benodigde middelen aan te vullen.

De leden van de CDA-fractie ontvangen graag een toelichting op de uitwerking van het vervallen van de partnertoeslag voor de groep van 170 studerenden die ook wordt geraakt door andere maatregelen.

Voor de genoemde groep van 170 studerenden kunnen de verschillende maatregelen inderdaad cumuleren op de genoemde wijze. Echter, niet alle inkomsten hoeven van de kant van de student te komen. Als een gezin meer inkomsten wil genereren, dan kunnen een of beide partners er voor kiezen om te gaan werken. De student zelf kan bijverdienen tot aan de bijverdiengrens in de WSF 2000. Voor de partner bestaan er daarnaast tot de leeftijd van 27 jaar sowieso arbeids- en re-integratieverplichtingen als voorwaarde voor bijstand. Als de partner gaat werken, dan komen er ook extra middelen binnen. De gemeente kan overigens in individuele gevallen om dringende redenen tijdelijk ontheffing verlenen aan de ouders om werkverplichtingen te voldoen. De zorgtaak voor een jong kind kan aanleiding geven tot het verlenen van zo’n ontheffing.

De leden van de CDA-fractie ontvangen graag een specificatie van de groep studenten die weigerachtige of onvindbare ouders hebben en die na inwerkingtreding van het voorstel geen recht meer hebben op aanvullende beurs.

In lagere regelgeving is uitgewerkt dat er sprake is van weigerachtige en onvindbare ouders indien:

  • er sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende

  • de studerende geen contact met de ouder heeft

  • de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven

  • er sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie

  • gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald

De eerste vier groepen vallen onder de noemer van «weigerachtigheid» en betreffen samen 13 985 (ca. 80%) gevallen (peiljaar 2010). De grote meerderheid betreft studerenden die een conflict met de ouders hebben of feitelijk geen contact. De laatste groep valt onder de noemer «onvindbaarheid» en betreft 3592 gevallen (ca. 20%).

Wanneer de regeling voor weigerachtigheid en onvindbaarheid wordt afgeschaft, heeft een deel van deze groep studerenden nog steeds de mogelijkheid om een aanvullende beurs te verwerven. Indien namelijk vastgesteld kan worden dat de ouders een inkomen hebben dat te laag is om de ouderlijke bijdrage te voldoen, kan een beroep op de aanvullende beurs worden gedaan. In de andere gevallen, waarbij het inkomen van de ouders te hoog is of het vaststellen van de aanvullende beurs op basis van het ouderlijk inkomen niet kan geschieden, staat de studerende altijd de mogelijkheid ter beschikking om de hoogte van de aanvullende beurs te lenen bij de overheid. Dit vangnet van de lening bestond nog niet ten tijde van het invoeren van de weigerachtigheids- en onvindbaarheidsregeling.

Ongeveer 300 studenten die een eenjarige masteropleiding volgen en ongeveer 200 studenten die een meerjarige masteropleiding volgen, krijgen te maken met de combinatie van het afschaffen van de weigerachtigheids- en onvindbaarheidsregeling en de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase. Zij zullen de aanvullende beurs kunnen lenen.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de instellingen via het Profileringsfonds een rol kunnen spelen bij het ondersteunen van studenten met weigerachtige of onvindbare ouders die na inwerkingtreding van het voorstel geen recht meer hebben op aanvullende beurs.

In de WHW is limitatief omschreven voor welke gevallen het Profileringsfonds bij instellingen bedoeld is (artikel 7.51 WHW). Het fonds is er onder andere voor studenten die als gevolg van een bijzondere (familie)omstandigheid studievertraging hebben opgelopen. Dit is niet één-op-één hetzelfde als gevallen waarin ouders nalaten om bij te dragen aan de studie van hun kind in verband met een verstoorde relatie. Het staat instellingen vrij om te bepalen wie zij precies een vergoeding uit het Profileringsfonds geven. Het instellingsbestuur beslist met instemming van de medezeggenschapsraad over de invulling die de instelling geeft aan het WHW-artikel.

De leden van de CDA-fractie vragen of een deel van de opbrengst van dit wetsvoorstel overgeheveld kan worden naar het Profileringsfonds om daarmee de groep studenten die de aanvullende beurs verliest door dit wetsvoorstel te compenseren.

Wanneer de weigerachtigheids- en onvindbaarheidsregeling komt te vervallen, kan de aanvullende beurs alsnog via de reguliere weg verstrekt worden op basis van het inkomen van de ouders. Anderen staat de mogelijkheid ter beschikking om te lenen bij DUO. De regering meent hiermee de toegankelijkheid tot het onderwijs te hebben geborgd en acht het niet noodzakelijk om extra middelen over te hevelen naar de instellingen.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering hun mening deelt dat er door minder uitzonderingen te maken op de hoofdregels, er meer studenten benadeeld worden die buiten hun schuld in een uitzonderingspositie terecht kunnen komen.

In het studiefinancieringsstelsel wordt op verschillende manieren rekening gehouden met studenten die in bijzondere omstandigheden verkeren. Zo kan een extra jaar prestatiebeurs worden toegekend indien zich tijdens de studie een handicap of chronische ziekte manifesteert. Ook het verlengen van de diplomatermijn voor kortere of langere termijn bij bijzondere omstandigheden behoort tot de mogelijkheden. Ook voorziet de wet in het toekennen van nieuwe studiefinancieringsrechten aan studerenden die tijdens de studie een handicap verwerven en om die reden een passender opleiding moeten gaan volgen. Tenslotte kan reeds ontvangen prestatiebeurs worden omgezet in een gift indien bijvoorbeeld sprake is van arbeidsongeschiktheid. Deze mogelijkheden worden door dit wetsvoorstel niet aangetast.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan garanderen dat studenten die er op achteruitgaan door de vereenvoudigingen niet onevenredig getroffen worden.

Met de kennis van nu kan de regering niet garanderen dat studenten er niet op achteruit gaan. Wel zal de regering de effecten van de maatregel nauwlettend volgen. Door het al eerder genoemde effectonderzoek kan in algemene zin worden afgeleid of er veranderingen in de toegankelijkheid optreden. Ook wordt in kaart gebracht in hoeverre het beroep op de aanvullende beurs of de leenfaciliteit zal veranderen.

De leden van de SP-fractie vinden dat er gezocht moet worden naar een oplossing voor het met terugwerkende kracht toekennen van het reisrecht. Het feit dat het reisrecht in natura wordt aangeboden, neemt niet weg dat de student flinke kosten heeft moeten maken die vergoed zouden moeten worden, hij had immers recht op vrij reizen. Deze leden vragen of de regering deze mening ook is toegedaan.

De geldelijke waarde van de reisvoorziening kan niet met terugwerkende kracht worden toegekend. Het contract met de vervoersbedrijven is gesloten voor de totale groep gerechtigde studenten en omvat dus degenen die veel reizen en degenen die weinig reizen. De prijs van de ov-kaart is daarom een gemiddelde en berust op solidariteit binnen de groep. Wanneer individuele studenten zouden kunnen kiezen tussen een geldbedrag en de ov-kaart, zou het contract (tegen deze prijs) op termijn onmogelijk worden. Studenten die weinig reizen zouden er namelijk voor kunnen kiezen hun ov-kaart niet te activeren en met terugwerkende kracht de geldelijke waarde op te vragen. Alleen studenten die veel reizen blijven dan de reisvoorziening gebruiken waardoor het contract steeds duurder wordt.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering er niet juist alles aan moet doen om studeren te stimuleren, zodat men in de toekomst niet meer afhankelijk hoeft te zijn van een uitkering. Deze leden vinden dat het voor mensen met kinderen door het vervallen van de partnertoeslag erg moeilijk is om aan een studie te beginnen, omdat de bijstand niet toereikend is om te voorzien in studiekosten en een gezin te onderhouden.

De regering verwacht niet dat het vervallen van de partnertoeslag er toe leidt, dat een (aankomend) student zal afzien van het volgen van een studie en zal afzien van zijn recht op studiefinanciering. Als een gezin meer inkomsten wil genereren dan alleen de inkomsten uit studiefinanciering, dan kunnen een of beide partners er voor kiezen om te gaan werken. De student zelf kan bijverdienen tot aan de bijverdiengrens in de WSF 2000. Als de partner gaat werken, dan komen er ook extra middelen binnen. Als het inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er is geen in aanmerking te nemen vermogen, dan kan recht bestaan op algemene bijstand. De bijstand is bedoeld als een tijdelijk vangnet. Bij het verlenen van bijstand wordt rekening gehouden met de inkomsten uit studiefinanciering naar het normbedrag voor levensonderhoud zoals in de WSF 2000 genoemd. Bij het verlenen van bijstand gelden arbeids- en re-integratieverplichtingen. De gemeente kan in individuele gevallen om dringende redenen tijdelijk ontheffing verlenen om aan deze verplichtingen te voldoen. De zorgtaak voor een jong kind kan aanleiding geven tot het verlenen van zo’n ontheffing.

Voor de kosten van kinderen kan een gezin verder een beroep doen op kinderbijslag en mogelijk op kindgebonden budget.

De leden van de SP-fractie vragen of studenten die nu partnertoeslag ontvangen deze toeslag blijven ontvangen. Als dat niet zo is willen deze leden weten hoe de inkomensval wordt opgevangen.

De partnertoeslag wordt afgeschaft per 1 januari 2013. Dit geldt ook voor mensen die op dit moment de partnertoeslag ontvangen. In voorkomende gevallen kan de partner een beroep op bijstand doen. Bij de bijstandsverlening wordt rekening gehouden met alle binnen dat huishouden beschikbare middelen (inkomen en vermogen). Met de inkomsten uit studiefinanciering wordt rekening gehouden met het normbedrag voor levensonderhoud zoals dat in de WSF 2000 is opgenomen. Dat is nu reeds zo en daaraan verandert niets. De partnertoeslag, die nu nog wordt aangemerkt als inkomen, komt als inkomensbestanddeel te vervallen. Daardoor kan de bijstand in een gezin met geen of lage bijverdiensten, per saldo hoger uitvallen dan in de huidige situatie.

Een gezin dat over middelen beschikt ter hoogte van of boven de bijstandnorm, bijvoorbeeld door bijverdiensten, kan geen beroep doen op bijstand. Door extra bijverdiensten kan een inkomensval worden voorkomen.

De middelen voor de partnertoeslag worden van de OCW-begroting overgeheveld naar de begroting van SZW. Het gaat om een bedrag van € 7 miljoen.

De leden van de SP-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel ingrijpt in de toeslag éénoudergezin. Deze leden vragen zich af of dit er voor zorgt dat eenoudergezinnen extra worden benadeeld en de studenten met een extra hoge schuld worden opgezadeld. Zij willen weten of de regering de mening deelt dat deze toeslag ten goede dient te komen aan de kinderen.

In de studiefinanciering bestaat reeds een aparte toeslag voor een eenoudergezin. Deze blijft bestaan. In tegenstelling tot een gezin met twee ouders, heeft een eenoudergezin een lagere verdiencapaciteit.

De leden van de SP-fractie willen weten hoe de regering voorkomt dat studenten uit gezinnen waarvan de ouders weinig tot niet kunnen bijdragen aan de studiekosten worden benadeeld ten aanzien van studenten die wel door hun ouders ondersteund kunnen worden.

Door het buiten beschouwing laten van de studieschuld van de ouders en het aantal minderjarige kinderen, worden ouders geacht meer bij te dragen aan hun studerende kind. In geen geval zullen ouders met een inkomen onder de vrije voet (€ 17 257,51 naar de maatstaf van 2011) worden geacht bij te dragen aan de studie van hun kind. Dit was zo en blijft zo. Wel betekent het buiten beschouwing laten van de genoemde variabelen, dat ouders met een inkomen boven deze grens sneller worden geacht meer bij te kunnen dragen.

De leden van de SP-fractie wil weten hoe wordt voorkomen dat studenten waarvan de ouders niet of weinig kunnen bijdragen aan de kosten van een studie van een opleiding zullen afzien.

Door het buiten beschouwing laten van de genoemde variabelen gaat de veronderstelde ouderlijke bijdrage per studerend kind omhoog. Indien ouders bereid zijn de hogere ouderlijke bijdrage te leveren, kan de student dus nog steeds over dezelfde middelen beschikken als voorheen. Ouders en studenten maken hierover onderling afspraken. De student kan zo nodig bijlenen tot maximaal de hoogte van de aanvullende beurs. Hiermee staan de student voldoende middelen ter beschikking om te kunnen studeren en hoeven studenten niet af te zien van het volgen van een opleiding.

De leden van de SP-fractie willen een oordeel van de regering over het feit dat studenten met onvindbare of weigerachtige ouders worden gestraft voor het gedrag van de ouders waardoor zij meer moeten lenen om rond te kunnen komen en dus met een veel hogere studieschuld worden opgezadeld.

Studenten van weigerachtige ouders zijn niet in alle gevallen aangewezen op een lening. Indien vastgesteld kan worden dat de ouders een inkomen hebben dat te laag is om de ouderlijke bijdrage te voldoen, kan een beroep op de aanvullende beurs worden gedaan.

In de andere gevallen, waarbij het inkomen van de ouders te hoog is of het vaststellen van de aanvullende beurs op basis van het ouderlijk inkomen niet kan geschieden, staat de studerende altijd de mogelijkheid ter beschikking om de hoogte van de aanvullende beurs te lenen bij de overheid. Dit betekent inderdaad dat deze student meer zelf zal moeten bijdragen aan zijn studie, maar hij heeft in ieder geval wel toegang tot de middelen die benodigd zijn om de studie te financieren. Het vangnet van de lening bestond nog niet ten tijde van het invoeren van de weigerachtigheids- en onvindbaarheidsregeling.

De leden van de SP-fractie willen weten hoe de toegankelijkheid van het hoger onderwijs wordt gewaarborgd voor aankomende studenten met weigerachtige ouders, gezien de leenaversie die juist bij deze groep groter is. Deze leden vragen zich af of hiermee niet een tweedeling in gang wordt gezet.

In de memorie van toelichting zijn de effecten geschetst die naar de huidige stand van kennis kunnen worden verwacht. Om een beeld te krijgen van de effecten is zowel naar nationaal als internationaal onderzoek gekeken. Daaruit blijkt onder meer dat een hogere eigen bijdrage van studenten in combinatie met meer leenmogelijkheden tot op heden niet heeft geleid tot een structureel lagere instroom in het hoger onderwijs. Deze conclusies geven de regering voldoende basis te veronderstellen dat de voorgestelde maatregelen geen ongewenste effecten zullen sorteren. Dit geldt voor zowel de maatregelen uit het regeerakkoord als de vereenvoudigingen.

De leden van de D66-fractie willen weten waarom de regering er voor gekozen heeft alleen de rente in box 3 aftrekbaar te maken. Zij willen eveneens weten hoeveel studenten verwacht worden gebruik te kunnen maken van de regeling.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van D66 naar de aftrekbaarheid van rente over studieschulden kan worden opgemerkt dat dit wetsvoorstel geen wijziging brengt in de fiscale behandeling van rente van studieschulden.

De leden van de D66-fractie willen weten hoeveel studenten naar verwachting al voor hun 21ste aan een masteropleiding beginnen en waarvan de ouders gebruik zouden kunnen maken van de belastingaftrek. Zij willen dit weten omdat als studenten geen studiefinanciering meer ontvangen, hun ouders nu de kosten van het levensonderhoud voor kinderen tot 30 jaar kunnen aftrekken van de belasting. De regering beperkt deze regeling tot kinderen van maximaal 21 jaar.

Zoals de leden van de fractie van D66 opmerken kunnen ouders met ingang van 1 januari 2012 onder voorwaarden studiekosten voor kinderen tot 21 jaar aftrekken als levensonderhoud kinderen. Deze maatregel is genomen in het kader van het regeerakkoord waarbij de leeftijdsgrens van de kinderen waarbij mogelijk recht op aftrek bestaat is teruggebracht van 30 jaar naar 21 jaar. Naar verwachting zijn 450 studenten voor hun 21ste met een masteropleiding bezig.

De leden van de D66-fractie willen weten hoe het afschaffen van de belastingsaftrek voor het levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar bijdraagt aan het toegankelijk maken van het hoger onderwijs.

De maatregel is niet genomen om het hoger onderwijs toegankelijk te maken, maar moet gezien worden binnen de context van het totaalpakket aan maatregelen met betrekking tot kindgebonden regelingen. Bijkomend effect is wel dat hierdoor geen weglek van besparingen ontstaat ten behoeve van ouders van studenten die tijdens hun masteropleiding geen basis- of aanvullende beurs krijgen. Zij zouden onder de oude systematiek aanspraak kunnen maken op extra belastingaftrek. Om die reden is de maatregel bij dit wetsvoorstel gememoreerd.

De leden van de D66-fractie ontvangen graag een onderbouwing van de besparing op aanvullende beurs voor studenten met weigerachtige of onvindbare ouders. Deze leden willen weten om hoeveel studenten het gaat en hoeveel minder beurzen deze studenten krijgen

In lagere regelgeving is uitgewerkt dat er sprake is van weigerachtige en onvindbare ouders indien:

  • er sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende

  • de studerende geen contact met de ouder heeft

  • de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven

  • er sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie

  • gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald

De eerste vier groepen vallen onder de noemer van «weigerachtigheid» en betreffen samen 13 985 (ca. 80%) gevallen (peiljaar 2010). De grote meerderheid betreft studerenden die een conflict met de ouders hebben of feitelijk geen contact. De laatste groep valt onder de noemer «onvindbaarheid» en betreft 3592 gevallen (ca. 20%).

Een student die niet langer de volledige aanvullende beurs ontvangt, krijgt gemiddeld € 215 minder per maand.

De leden van de D66-fractie willen weten hoe de regering de gevolgen van het afschaffen van de weigerachtige en onvindbare ouders regeling monitort.

Er is een effectonderzoek uitgezet naar de maatregelen die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond. Hieruit kan in algemene zin worden afgeleid of er veranderingen in de toegankelijkheid optreden. In het bijzonder zal DUO in kaart brengen in hoeverre het beroep op de aanvullende beurs of de leenfaciliteit zal veranderen.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten welke gevolgen het niet meer rekening houden met de studieschuld van de ouders en het aantal minderjarige telkinderen bij het bepalen van de hoogte van de aanvullende beurs heeft voor studenten uit lagere sociale klassen. Kunnen zij de verhoogde ouderbijdrage wel betalen, zo vragen zij.

Door het buiten beschouwing laten van de studieschuld van de ouders en het aantal minderjarige kinderen, worden ouders geacht meer bij te dragen aan hun studerende kind. In geen geval zullen ouders met een inkomen onder de vrije voet (€ 17 257,51 naar de maatstaf van 2011) worden geacht bij te dragen aan de studie van hun kind. Dit was zo en blijft zo. Wel betekent het buiten beschouwing laten van de genoemde variabelen, dat ouders met een inkomen boven deze grens sneller worden geacht meer bij te kunnen dragen.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten wat de gevolgen zijn van het afschaffen van de regeling voor studerenden met weigerachtige en onvindbare ouders. Het betreft vaak studenten uit kwetsbare gezinnen. Deze leden willen weten wat de gevolgen zijn voor deze studenten. Zij vragen zich af of het afschaffen van deze regeling een sterker negatief effect voor kinderen uit lagere sociale klassen.

Een student die niet langer de volledige aanvullende beurs ontvangt, krijgt gemiddeld € 215 minder per maand. Wanneer de regeling voor weigerachtigheid en onvindbaarheid wordt afgeschaft, heeft een deel van deze groep studerenden echter nog steeds de mogelijkheid om een aanvullende beurs te verwerven. Indien namelijk vastgesteld kan worden dat de ouders een inkomen hebben dat te laag is om de ouderlijke bijdrage te voldoen, kan een beroep op de aanvullende beurs worden gedaan.

Naar schatting zal op deze manier nog altijd circa 1/3 van de groep met «weigerachtige» ouders de aanvullende beurs ontvangen. In de andere gevallen, waarbij het inkomen van de ouders te hoog is of het vaststellen van de aanvullende beurs op basis van het ouderlijk inkomen niet kan geschieden, staat de studerende altijd de mogelijkheid ter beschikking om de hoogte van de aanvullende beurs te lenen bij de overheid. Dit vangnet van de lening bestond nog niet ten tijde van het invoeren van de weigerachtigheids- en onvindbaarheidsregeling.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of de regering van mening is dat de regeling weigerachtige en onvindbare ouders te vaak misbruikt wordt en er sprake is van free rider gedrag. Als dat zo is, vragen deze leden zich af waarom dit misbruik dan niet aangepakt wordt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom in er het kader van vereenvoudiging van het stelsel voor wordt gekozen om de regeling voor studenten met weigerachtige en onvindbare ouders af te schaffen. De leden van deze fractie willen weten op welke manier aan de randvoorwaarde van toegankelijkheid voor deze groep studenten wordt voldaan.

In het stelsel van studiefinanciering zijn de ouders naast de overheid en de student zelf, een van de financieringsbronnen voor de student om zijn studie te bekostigen. Ouders worden verondersteld een ouderlijke bijdrage te leveren. Ouders die dit niet kunnen omdat hun inkomen te laag is, worden uitgezonderd van deze verplichting. Maar het is niet wenselijk dat ouders zich zouden kunnen onttrekken aan de ouderlijke verplichtingen als zij niet willen bijdragen omdat er sprake is van een verstoorde of niet-bestaande relatie. Wat de relatie tussen ouder en kind ook is. Door als overheid een aanvullende beurs te verstrekken vanwege de aard van een relatie, wordt de ouder ontheven van zijn principiële verplichting. Op deze wijze wordt een beroep gedaan op de aanvullende beurs, terwijl die eigenlijk bedoeld is voor ouders die niet kunnen bijdragen in verband met hun inkomen. Daarnaast komt het ook voor dat studenten die een goede relatie hebben met hun ouders minder krijgen dan de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Bijvoorbeeld in gevallen waarin de ouder vindt dat zijn kind vanaf zijn achttiende (financieel) verantwoordelijk is voor zijn eigen leven. In deze gevallen komt de overheid ook niet tussenbeide.

De regering meent overigens niet dat er sprake is van doelbewust misbruik van de regeling. Er zijn strenge bewijsvereisten in de regelgeving.

Voor wat betreft de toegankelijkheid is er een effectonderzoek uitgezet naar de maatregelen, die op het terrein van de studiefinanciering worden ingezet. Dit onderzoek vergelijkt instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren en zal vermoedelijk in 2015 worden afgerond. Hieruit kan in algemene zin worden afgeleid of er veranderingen in de toegankelijkheid optreden. In het bijzonder zal DUO in kaart brengen in hoeverre het beroep op de aanvullende beurs of de leenfaciliteit zal veranderen.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of de regering verwacht of een deel van de weigerachtige en onvindbare ouders alsnog zullen meebetalen aan de opleiding van hun kinderen. Deze leden vragen zich bij een bevestigend antwoord af in welke mate ouders mee gaan betalen en waarom.

De regering sluit dit niet uit. Het is aan de ouders in welke mate zij eventueel nog zullen bijdragen. Ingeval ouders niets bijdragen, dan staat voor de studenten altijd de mogelijkheid open om de aanvullende beurs te lenen.

De leden van de Groenlinks-fractie wil weten of de regering het reëel acht dat de studenten die nu onder de regeling van weigerachtige en onvindbare ouders vallen via de rechter hun ouderbijdrage gaan afdwingen. Deze leden willen weten welke kosten met de gerechtelijke procedure zijn verbonden in een doorsnee geval en hoe zich dit verhoudt tot de financiële mogelijkheden voor studenten die geen ouderlijke bijdrage ontvangen.

De regering acht het reëel dat bij een conflict tussen twee private partijen (ouder en student) de overheid in principe geen rol op zich neemt. Dat kan inderdaad betekenen dat een student die jonger is dan 21 jaar het conflict met zijn ouders voor de rechter brengt. De hoogte van de griffierechten die betaald moeten worden om een zaak voor de rechter te brengen, hangen af van iemands vermogen, de hoogte van de vordering en de instantie waarbij men in beroep gaat. Het minimum voor on- en minvermogenden voor het aanhangig maken van een zaak bij de rechtbank bedraagt € 73. De student zal zelf afwegen of deze kosten opwegen tegen de misgelopen veronderstelde ouderlijke bijdrage.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts waarom juist ouders met meerdere studerende kinderen worden geraakt door deze maatregelen. Genoemde leden wijzen op de specifieke situatie van deze gezinnen, waar het besteedbaar inkomen over het algemeen lager is in vergelijking met andere gezinnen. De leden vinden dat juist deze gezinnen extra ondersteuning nodig hebben. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering het wenselijk acht om deze studenten en gezinnen extra schulden te laten maken.

Er verandert niets aan de wijze waarop in de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage rekening wordt gehouden met het aantal studerende kinderen. Deze regeling blijft in stand. In het wetsvoorstel wordt alleen voorgesteld het aantal minderjarige, niet-studerende kinderen (tussen de 12 en 18) niet langer mee te tellen. Voor gezinnen met minderjarige kinderen in de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar is er reeds een inkomensafhankelijke voorziening in de vorm van het kindgebonden budget. Onder een bruto gezinsinkomen van € 28 897 ontvangt een gezin de maximale toelage. Bij het bepalen van de hoogte van het kindgebonden budget speelt het aantal kinderen een rol. Daarnaast kan er door ouders van minderjarige kinderen in het mbo een beroep worden gedaan op een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en ontvangen ouders onafhankelijk van het inkomen kinderbijslag.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het wenselijk is de toeslag één-oudergezin als onderdeel van de prestatiebeurs te laten zijn. Deze leden vragen of een ouder deze toeslag voor het kind ontvangt. Als dat zo is dan vragen deze leden zich af waarom deze ondersteuning onderdeel gaat uitmaken van een prestatieafspraak.

Sinds de invoering van de prestatiebeurs in 1996 bestaat er reeds een aparte toeslag voor een eenoudergezin als onderdeel van de prestatiebeurs. Hieraan wordt niets veranderd.

De leden van de SGP-fractie vragen of ingevolge het wetsvoorstel voor invoering van een huishoudinkomenstoets geen inkomensvrijstelling geldt voor studerende partners, maar wel voor studerende partners van wie een ouder deel uitmaakt van het huishouden.

Als een gezin twee studerende partners telt die beiden studiefinanciering ontvangen, dan is het niet mogelijk om partnertoeslag te ontvangen. Voor deze groep heeft het afschaffen van de partnertoeslag geen gevolgen. Evenmin bestaat er voor deze groep recht op bijstand, omdat er met studiefinanciering sprake is van een toereikende en passende voorliggende voorziening. Indien één van beiden studeert, dan kan de van het huishouden deel uit makende partner van de student in voorkomende gevallen wel een beroep doen op aanvullende bijstand. Bij het verlenen van bijstand wordt rekening gehouden met alle binnen het huishouden beschikbare middelen. Er wordt daarbij rekening gehouden met de inkomsten uit de studiefinanciering van de studerende partner ter hoogte van het normbedrag voor levensonderhoud.

De leden van de SGP-fractie vragen of uit de overheveling van de middelen naar SZW kan worden opgemaakt dat de regering verwacht dat deze middelen in zijn geheel zullen worden benut. Deze leden vragen een reactie op de verwachting dat door toepassing van de bijstandsnormen een deel van de studerenden die nu recht heeft op de partnertoeslag niet voor bijstand in aanmerking zal komen.

De middelen voor de partnertoeslag (€ 7 miljoen) worden overgeheveld naar het Ministerie van SZW. Met het schrappen van de partnertoeslag zal namelijk naar verwachting het beroep op bijstand toenemen. Niet eenvoudig is te zeggen in welke mate hiervan sprake zal zijn. Deels hangt dit ook af van de mate waarin een of beide ouders bijverdienen. Daardoor is het voorstelbaar dat een deel van de groep die nu partnertoeslag krijgt, niet in aanmerking komt voor aanvullende bijstand. Anderzijds kan het afschaffen van de partnertoeslag inhouden dat men sneller een beroep op de bijstand doet en meer bijstand zal ontvangen. De verwachting is dat hiermee de over te hevelen middelen volledig kunnen worden benut.

Eigentijdse dienstverlening aan de student

De leden van de VVD-fractie vragen de regering op welke termijn uitvoering wordt gegeven aan de motie Lucas c.s.

Conform de motie Lucas7 wordt er een studiebijsluiter ontwikkeld, die voor alle opleidingen inzicht geeft in gegevens over rendement, baanperspectief, contacttijd, studententevredenheid en aantal eerstejaars/klasgrootte. Doel is om in najaar 2012 de bijsluiter gereed te hebben, die voor het eropvolgende schooljaar landelijk uitgerold kan worden over de opleidingen. De informatie uit de bijsluiter zal worden ontsloten via websites en brochures van instellingen en via een verbeterde website Studiekeuze123.

De leden van de PVV-fractie willen van de regering weten hoeveel langer de waardering van buitenlandse opleidingen gaat gelden.

Om de kwaliteit van buitenlandse opleidingen te kunnen blijven garanderen zullen deze opleidingen periodiek getoetst moeten worden. Toetsing vindt plaats door de Nuffic. Nuffic geeft aan dat een geldigheidsduur van twee jaar voor opleidingen uit landen van de Europese Unie verantwoord is (in plaats van één jaar). Vlaamse opleidingen die door de NVAO zijn geaccrediteerd hoeven door de Nuffic niet opnieuw te worden getoetst.

De leden van de Groenlinks-fractie willen weten hoe en wanneer studenten over dit wetsvoorstel ingelicht worden. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe erop toegezien wordt dat de communicatie van DUO naar de student met alle genoemde nieuwe mogelijkheden goed verloopt.

Het is de ambitie om studenten tijdig te informeren over nieuwe maatregelen. Betrokken organisaties houden in het hele proces de vinger aan de pols. Zo is de voorlichting aan studenten over de maatregelen uit dit wetsvoorstel vormgegeven vanuit OCW (met inbegrip van DUO) in samenwerking met de studentenorganisaties. Studenten nemen deel aan de webredactie van DUO, studentenorganisaties werken zelf aan een wizard en het kennisniveau en de informatie-voorkeuren van studenten wordt periodiek gemeten. De Kamer is daarover geïnformeerd. De voorlichting over de maatregelen is een doorlopend en steeds intensiever wordend proces.

In aanvulling op de perscommunicatie heeft OCW kort na bekendwording van de beleidsvoornemens de beschikbare informatie op internet gezet. Via de DUO-website was de informatie over de overheidsplannen direct raadpleegbaar vanaf de startpagina en de informatie werd via www.rijksoverheid.nl ontsloten. In november 2011 is een bijsluiter gevoegd aan het Bericht Studiefinanciering (toekenningsbeschikking) en bij het schrijven van deze nota werkt DUO aan de lancering van een maatwerkapplicatie waarop studenten individueel en feitelijk kunnen berekenen wat de voorgestelde maatregelen voor hen kunnen betekenen, inclusief de hoogte van de studieschuld en het daaruit voortvloeiende termijnbedrag. Voor de studenten met een smartphone breidt DUO zijn «app» uit met extra informatie over de overheidsplannen. Na de besluitvorming in de Tweede Kamer ontvangen alle studenten met studiefinanciering een brief met een uitgebreide folder over de voorgenomen maatregelen. Uiteraard wordt overal duidelijk gemaakt dat het overheidsplannen zijn waarover het parlement moet besluiten.

4. Gevolgen voor de doelgroep

De leden van de VVD-fractie willen weten waarom er door de regering voor het overgangsrecht niet voor de gebruikelijke peildatum van 1 oktober is gekozen.

Het overgangsrecht ten aanzien van studenten aan een meerjarige masteropleiding regelt dat studenten die vóór 1 september 2011 een meerjarige masteropleiding zijn begonnen deze opleiding onder de oude voorwaarden kunnen afmaken. De studenten die op of na 1 september begonnen zijn aan een meerjarige masteropleiding hadden de wijzigingen kunnen zien aankomen. De eerste aankondiging van de maatregel was het concept regeerakkoord dat op 30 september 2010 is gepubliceerd. De beleidsnotitie is vervolgens in maart 2011 naar de Tweede Kamer gezonden. Het nu voorliggende wetsvoorstel is in grote mate de vertaling van de beleidsnotitie. Na de openbaarmaking van de beleidsnotitie is er dus nog ruim een half jaar de tijd geweest voor studenten om van de aankomende wijzigingen op de hoogte te geraken.

De leden van de VVD-fractie willen weten hoeveel studenten tussen 1 september en 1 oktober 2011 aan hun meerjarige masteropleiding zijn begonnen.

Er zijn circa 9900 wo masterstudenten tussen 1 september en 1 oktober 2011 aan hun meerjarige masteropleiding begonnen.

De leden van de CDA-fractie willen weten of invoering van het wetsvoorstel op korte termijn haalbaar is. De genoemde leden willen tevens weten wat de financiële consequenties zijn als de beoogde inwerkingtredingsdatum niet gehaald wordt.

Het is haalbaar om het wetsvoorstel met ingang van studiejaar 2012/2013 in te voeren. Als de beoogde inwerkingtreding niet gehaald wordt, schuift de inwerkingtreding een jaar op. De in de memorie van toelichting genoemde besparingen schuiven dan ook een jaar op. Voor DUO betekent dit ook een jaar uitstel van de vereenvoudigingen die moeten bijdragen aan de door de regering opgelegde taakstelling.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of hoe de communicatie voor studenten aan een meerjarige masteropleiding die buiten het overgangsrecht vallen, wordt vormgegeven. Daarnaast willen de leden van deze fractie ook op de hoogte raken van de communicatie naar de andere studenten.

Alle studenten worden schriftelijk, via de «app» voor «smartphones» en via internet op de hoogte gesteld van de maatregelen. Op internet plaatst DUO een maatwerkapplicatie waar studenten individueel kunnen nagaan wat de voorgestelde maatregelen voor hen kan betekenen. Als het wetsvoorstel door de Staten-Generaal is aanvaard worden alle studenten individueel geïnformeerd over hun studiefinancieringsrechten na de wetswijziging.

De leden van de CDA-fractie willen weten of er door OCW gecommuniceerd is naar studenten over dit ingediende wetsvoorstel. Zij willen specifiek weten of er een brief naar de doelgroep is gestuurd, zonder dat de Kamer daarover verwittigd is. Als die brief er is, willen de leden van deze fractie die zo spoedig mogelijk ontvangen.

Studenten hebben een «Bijsluiter» ontvangen bij het Bericht studiefinanciering. Deze bijsluiter is via www.rijksoverheid.nl openbaar gemaakt. De bijsluiter is niet separaat aan de Tweede Kamer gezonden. De bijsluiter is bijgevoegd.

De leden van de CDA-fractie willen weten of de regering voornemens is de bijverdiengrens voor studenten aan te passen zodat studenten zelf een deel of het geheel van hun masteropleiding kunnen financieren.

De bijverdiengrens blijft gehandhaafd in de masterfase vanwege de aanvullende beurs en het studentenreisrecht. De bijverdiengrens is ruim genoeg voor studenten die hun studie met bijverdiensten willen financieren zonder een beroep te doen op leenmogelijkheden. Daarbij geldt dat wie leent en geen beroep doet op aanvullende beurs en het studentenreisrecht ook niet te maken krijgt met de bijverdiengrens, omdat hijzelf al de maximale eigen bijdrage aan de financiering van zijn studie levert.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de mogelijkheden voor studenten om te sparen tijdens de bachelorfase.

Algemeen geldt thans een heffingvrij vermogen in box 3 van € 21 139. Derhalve kunnen studenten al fiscaal gefaciliteerd sparen. Dit wetsvoorstel brengt daarin geen verandering.

De leden van de CDA-fractie willen weten of er een vorm van overgangsrecht komt voor de groep studenten die niet onder het overgangsrecht vallen, maar toch al met een masteropleiding bezig zijn en met het sociaal leenstelsel geconfronteerd zullen worden.

Er is vanuit gegaan dat studenten vanaf 1 september 2011 rekening hadden kunnen en moeten houden met de invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase. Bij het opstellen van het overgangsrecht is er gekeken naar de studenten die vóór die datum hun studiekeuze gemaakt hebben. Ten aanzien van die studenten is in het overgangrecht geregeld dat zij hun opleiding kunnen afmaken volgens de voorwaarden waaronder zij begonnen zijn aan hun opleiding.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een reactie op de positie van Surinaamse studenten ten aanzien van de invoering van een sociaal leenstelsel. Zij tekenen hierbij aan dat Surinaamse studenten eenzelfde collegegeld betalen als Nederlandse en Europese studenten. Surinaamse studenten hebben een aantal voordelen niet die de laatste groep studenten wel heeft. Immers, Surinaamse studenten ontvangen geen studiefinanciering, hebben geen recht op een ov-kaart en mogen maar 10 000 euro bijverdienen.

Surinaamse studenten hebben geen recht op studiefinanciering. Daarom verandert er door dit wetsvoorstel niets aan de positie van deze student. Daarbij wil de regering opmerken dat Surinaamse studenten – anders dan de leden van de CDA-fractie menen – niet gehouden zijn aan de bijverdiengrens van de studiefinanciering. Zij moeten zich wel, net als andere niet EU-studenten houden aan de tien werkurennorm, die voor hen per week is vastgesteld. De tien werkurennorm is een EU regel voor buitenlandse (niet-EU) studenten, die in de EU willen studeren en naast hun studie willen werken.

De leden van de SP-fractie willen weten of de regering hun mening deelt dat het omdat de student de hoogte van de lening zelf bepaalt, niet wegneemt dat er ook bij een nominale studieduur flinke schulden gemaakt moeten worden. De leden van deze fractie willen weten wat het effect op de studiekeuze is en hoeveel studenten af zullen zien van een zwaardere studie of een masteropleiding in het geheel.

Voor studenten die de bacheloropleiding afronden binnen de diplomatermijn van 10 jaar, wordt de basisbeurs omgezet in een gift. Voor studenten uit gezinnen met lagere inkomens wordt de aanvullende beurs zowel voor de bachelor als de masterfase eveneens omgezet in een gift binnen de diplomatermijn. Studenten krijgen studiefinanciering voor de nominale studieduur. Op grond van internationale ervaringen is de verwachting dat dit geen tot nauwelijks negatieve effecten zal hebben op de onderwijsdeelname en de studiekeuze. Hogere eigen bijdragen van studenten, in combinatie met een inkomensafhankelijk leenstelsel, hebben in landen als Australië, Engeland en Canada geen negatieve invloed gehad op de onderwijsdeelname.

De leden van de SP-fractie willen weten wat de effecten van de studiekeuzen zijn op de arbeidsmarkt. De leden vrezen voor nadelige gevolgen van de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase voor de kenniseconomie.

Effecten van studiekeuzen op de arbeidsmarkt zijn per definitie moeilijk te voorspellen. De financiële verschillen tussen één- en meerjarige masteropleidingen zijn – zeker als je het over een mensenleven bekijkt – overzichtelijk. Daarom is niet de verwachting dat er effecten optreden die negatief zijn voor de kenniseconomie.

Waar voor de studiekeuze met name de inhoud, de kwaliteit en de uitdaging van het onderwijs belangrijk zijn, schept het sociaal leenstelsel voor masteropleidingen de financiële ruimte om daarin te blijven investeren. Voor elke aanpassing in het opleidingsprogramma geldt dat de opleiding kwalitatief goed moet zijn. Als er daarbij mogelijkheden zijn om programma’s zodanig bij te stellen dat de inhoud van hoogwaardig niveau blijft maar de studielast daalt, dan is daar niets op tegen. Dat staat verder los van de introductie van een sociaal leenstelsel.

De leden van de SP-fractie willen weten hoe de regering de verwachting dat veel studenten juist meer zullen gaan werken naast de studie om de schuldenlast te beperken en hiermee juist minder tijd aan de studie besteden, beziet. De leden van deze fractie willen graag een toelichting op de onderzoeken die stellen dat er een negatief effect te verwachten is van de invoering van het sociaal leenstelsel.

Het is mogelijk dat studenten hun bijverdiencapaciteit meer gaan benutten, maar de verwachting is niet dat dit ten koste van de studie gaat. Omdat studenten meer voor hun studie betalen, zullen zij zich meer inspannen om het diploma te halen. Daarnaast is het sociaal leenstelsel ingebed in een pakket van maatregelen waarin studievertraging ertoe leidt dat studenten ook voor hun studie meer zelf moeten betalen.

Onderzoeken die een negatief effect noemen van een hogere private bijdrage op onderwijsparticipatie wijzen op verschillende factoren. In Amerikaanse studies wordt gewezen op een negatief effect als studenten (vooral uit armere gezinnen) moeite hebben om de financiering van hun studie rond te krijgen. In dit wetsvoorstel ondervangt het sociaal leenstelsel dit probleem. Daarnaast zijn er ook Engelse studies die laten zien dat studenten uit achterstandsgroepen minder bereid zijn om grote bedragen in de studie te investeren of daarvoor te lenen, omdat ze het rendement van de studie te laag inschatten. Voor deze studenten blijft een beurs belangrijk, naast voorlichting en begeleiding. Vanuit deze context is besloten voorzichtig om te gaan met de eigen bijdrage en de aanvullende beurs niet in het sociaal leenstelsel onder te brengen, maar volledig te handhaven.

De leden van de SP-fractie en de Groenlinks-fractie willen weten hoe de regering omgaat met de leenangst van studenten. Zij vragen zich af wat de regering gaat doen voor studenten die afzien van een masteropleiding. Ook vragen deze leden zich af wat de regering gaat doen voor studenten die niet nog meer mogen lenen van hun ouders.

Bij studenten is niet zozeer sprake van leenangst maar eerder sprake van risicoaversie. Er bestaat een aversie tegen lenen omdat vaak de baten van het lenen voor een studie onderschat worden en de lasten (de risico’s) overschat. Opvallend is dat studenten geen drempel ervaren tegenover «Rood staan» als vorm van lenen. Dit wordt veelvuldig gedaan. Risico-aversie kan worden voorkomen door goede voorlichting over de leenvoorwaarden en door informatie over het arbeidsmarktperspectief van opleidingen. DUO spant zich hiervoor in. Voor het carrièreperspectief van studenten is het aantrekkelijker de volledige studie af te ronden, inclusief de masterfase.

Studenten vanaf 18 jaar, zijn voor de overheid economisch zelfstandig. De studenten zijn zelf verantwoordelijk voor hun financiële huishouding en voor het wel of niet aangaan van een lening. De overheid mengt zich niet in de relatie tussen ouders en studenten met betrekking tot het wel of niet aangaan van een lening.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of er voldoende onderzoek is gedaan naar mogelijke negatieve effecten op de toegankelijkheid van het onderwijs door de voorgestelde wetswijziging.

Door de Commissie Uitgangspunten Nieuw Studiefinancieringsstelsel15 is in 2003 onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor de herijking van het studiefinancieringsstelsel. Volgens de Commissie voldoet een sociaal leenstelsel aan deze voorwaarde. Dit stelsel bevat een vangnet voor degenen die een zodanig laag inkomen hebben dat terugbetaling van de studielening bezwaarlijk of zelfs onmogelijk is. Ook is gekeken naar ervaringen in het buitenland met de invoering van een hogere eigen bijdrage en het effect op de onderwijsdeelname. Het blijkt dat de hogere eigen bijdragen in combinatie met een inkomensafhankelijk leenstelsel, in landen als Australië, Engeland en Canada geen negatieve invloed hebben gehad op de onderwijsdeelname. In de memorie van toelichting is onderbouwd aangegeven dat het mogelijk is gebleken aan een steeds grotere groep studenten een plek in het hoger onderwijs te bieden, ondanks eerdere budgettaire beperkingen van de overheid.

De leden van de SP-fractie willen weten of de regering erkent dat studenten gedemotiveerd kunnen raken van de vele maatregelen tezamen. Zoals het inperken van de basisbeurs voor de masterfase, de langstudeerboete, de inperking van het reisrecht, het hogere collegegeld voor de tweede studie, de harde knip, de hoge kosten voor schakelprogamma’s en pre-masters.

De regering verwacht niet dat de maatregelen zullen leiden tot veel gedemotiveerde studenten. De motivatie van studenten wordt in de eerste plaats bepaald door de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs.

De leden van de SP-fractie vragen naar toekomstige plannen. Zij willen weten wanneer een eind komt aan de lastenverzwaringen voor studenten en of basisbeurs nog verder uitgekleed wordt door invoering in de bachelorfase. Zij willen weten of het onderhavige wetsvoorstel een eerste stap of een laatste stap is. De genoemde leden vragen zich af of de argumenten die gebruikt worden voor afschaffing van de basisbeurs in de masterfase niet ook voor de bachelorfase gebruikt kunnen worden. Deze leden vragen zich af of de argumenten voor behoud van de basisbeurs in de bachelorfase niet ook voor het behoud van de basisbeurs in de masterfase gelden.

Het rendement van een masteropleiding is hoog. Het ligt dan ook in de rede om de investering in de masteropleiding op grond van het profijtbeginsel als eerste in het sociaal leenstelsel te betrekken. De masteropleiding heeft als doelgroep afgestudeerde bachelors, veelal 21+ en goed op de hoogte van wat ze willen en kunnen. Bovendien is de opleidingsduur van een masteropleiding overzichtelijk. Of het basisbeursregime ook voor bacheloropleidingen zal worden vervangen door een sociaal leenstelsel is nu nog niet te zeggen. Dit hangt af van politieke keuzes in de toekomst.

De leden van de SP-fractie willen weten wanneer het effect van dit wetsvoorstel onderzocht wordt. Zij willen weten of in dat onderzoek ook gekeken wordt naar de redenen om wel of niet voor een bepaalde masteropleiding te kiezen. De leden van de genoemde factie willen weten wat de regering gaat ondernemen als de toegankelijkheid substantieel afneemt.

De regering verwacht niet dat er een negatief effect optreedt ten koste van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Om een goed beeld te krijgen van de effecten van de beleidsmaatregelen op in-, door- en uitstroom en keuzemotieven is inmiddels een meerjarig onderzoek aanbesteed. De resultaten van dit onderzoek komen in 2015 beschikbaar. Als daar aanleiding toe is ligt het in de rede dat de regering passende maatregelen neemt. Dit is nu niet aan de orde.

De leden van de SP-fractie willen weten of onderzocht wordt wat de effecten van dit wetsvoorstel zijn op studenten uit gezinnen met minder draagkrachtige ouders.

Het algemene effectonderzoek naar de maatregelen op het terrein van de studiefinanciering zal de instroom-, doorstroom- en uitstroomgegevens van drie opeenvolgende studiejaren vergelijken. Hieruit kan in algemene zin worden afgeleid of er veranderingen in de toegankelijkheid optreden. In het bijzonder zal DUO in kaart brengen in hoeverre het beroep op de aanvullende beurs of de leenfaciliteit zal veranderen.

De leden van de D66-fractie zetten vraagtekens bij de juridische houdbaarheid van het tempo van invoering. Zij willen weten of de regering de juridische houdbaarheid van de invoering van deze inperking voor bestaande studenten kan onderbouwen. Immers, onder de besparingen boekt de regering voor 2013 reeds 10 miljoen euro in voor beperking van het reisrecht.

De wijze waarop de inhoud van een wetsvoorstel wordt vormgegeven is het resultaat van beleidsmatige, politieke, juridische, financiële en maatschappelijke afwegingen. De regering dient alleen dan een wetsvoorstel in als zij er van overtuigd is dat het wetsvoorstel voldragen is. Bij de besluitvorming zijn de regering en het parlement partij. Het is aan de wetgever om een afweging te maken tussen alle betrokken financiële en andere publieke belangen. De onderbouwing van het wetsvoorstel in al zijn facetten staat in de memorie van toelichting.

De leden van D66 willen weten of het tempo waarin de invoering van het sociaal leenstelsel voldoet aan de eisen van goed bestuur.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn gedragsregels die de overheid ten opzichte van burger in acht dient te nemen. De regering is van mening dat deze beginselen met dit wetsvoorstel niet geschonden worden. Als het gaat om het tempo van de invoering merkt de regering op dat het beleidsvoornemen de basisbeurs in de masterfase af te schaffen bekend is geworden in september 2010, dat er in maart 2011 een beleidsbrief naar de Tweede Kamer is gezonden met daarin een uitwerking van de maatregel en dat de maatregel ingang vindt per 1 september 2012. Daarenboven is er uitgebreid overgangrecht voor die studententen die ten tijde van de bespreking van de beleidsvoornemens in uw Kamer reeds ingeschreven waren bij een masteropleiding. De voorgestelde maatregel wordt twee jaar na aankondiging ingevoerd, dat is snel, maar niet te snel.

De leden van de D66-fractie willen weten of het niet logisch zou zijn om niet met terugwerkende kracht het sociaal leenstelsel in te voeren, maar de maatregel alleen op die studenten van toepassing te laten zijn die per 1 september 2012 aan hun masterstudie beginnen.

Het sociaal leenstelsel in de masterfase wordt niet met terugwerkende kracht ingevoerd. Wel zal de invoering van het sociaal leenstelsel in de masterfase een aantal studenten betreffen die op of na 1 september 2011 en voor 1 september 2012 aan hun master begonnen zijn. De regering meent dat er vanuit gegaan mag worden dat studenten die op of na 1 september 2011 een master zijn begonnen rekening hadden kunnen en moeten houden met de invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase. De eerste aankondiging van de maatregel was het concept regeerakkoord dat op 30 september 2010 is gepubliceerd. De beleidsnotitie is vervolgens in maart 2011 naar de Tweede Kamer gezonden. Het nu voorliggende wetsvoorstel is in grote mate de vertaling van die beleidsnotitie. Na de openbaarmaking van de beleidsnotitie is er dus nog ruim een half jaar de tijd geweest voor studenten om van de aankomende wijzigingen op de hoogte te geraken.

De leden van de D66-fractie willen weten hoe de regering voorkomt dat een studie als geneeskunde enkel voor de student met meer vermogende ouders toegankelijk blijft. Deze leden willen in het antwoord aandacht voor het feit dat de geneeskundestudent zijn studieduur niet volledig zelf in de hand heeft, als gevolg van onder andere de wachttijd tussen het theoretische gedeelte van de opleiding en de start van de coschappen en de wachttijden tussen coschappen.

De leden van de D66-fractie willen weten hoe de regering tegemoet wil komen aan geneeskundestudenten die de dupe worden van studievertraging waar zij geen schuld aan hebben.

Ook meerjarige masteropleidingen als geneeskunde kunnen volledig via het sociaal leenstelsel gefinancierd worden. Voor studenten met minder draagkrachtige ouders blijft de aanvullende beurs volledig gehandhaafd. De regering gaat ervan uit dat elke student zijn studieduur actief kan beïnvloeden door snel met succes door te studeren. Uiteraard zijn er externe omstandigheden die de studieduur langer kunnen maken, zoals de door de Kamer genoemde casus van geneeskundestudenten. Het is aan de student en de instelling om een passende manier te vinden om de wachttijden te overbruggen of andere oorzaken van studievertraging aan te pakken. De studiefinanciering is in ieder geval niet bedoeld om bijvoorbeeld lange wachttijden te financieren. De student zal door zijn studie de mogelijkheden op de arbeidsmarkt vergroten, Daarbij komt dat zijn verdiencapaciteit door zijn universitaire studie gemiddeld genomen groter is dan wanneer hij een dergelijke studie niet afgerond zou hebben.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen hoe de plannen uit het regeerakkoord gecommuniceerd zijn naar studenten. Deze leden willen weten hoe de communicatie zich verhoudt tot de vele klachten die zijn binnen gekomen over de manier waarop DUO studenten heeft ingelicht over aankomende veranderingen in de studiefinanciering.

De klachten die studentenorganisaties hebben geuit over de voorlichting waren mede de aanleiding voor het verzenden van een bijsluiter bij het Bericht Studiefinanciering in november 2011 en voor gesprekken met de studentenorganisaties. Mede op basis daarvan is besloten om ook een maatwerkapplicatie te ontwikkelen waarmee studenten individueel kunnen nagaan hoe de voorgestelde maatregelen voor hen uitpakken. Daarbij is onderschreven dat ook de voorlichtende functie van de studentenorganisaties erg belangrijk is en is de samenwerking op dat vlak versterkt. De maatwerkapplicatie verschijnt op www.duo.nl.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen de regering of zij denkt dat de gemiddelde student over voldoende middelen beschikt zelf het openbaar vervoer te bekostigen dat nodig is voor een stage indien zij meer dan één jaar vertraging hebben in hun studie en zodoende niet meer over het studentenreisrecht beschikken.

De regering verwacht dat de gemiddelde student over voldoende middelen beschikt zelf het openbaar vervoer te bekostigen dat nodig is voor een stage indien zij meer dan één jaar vertraging hebben. Studenten kunnen lenen om in deze kosten te voorzien. Wanneer een student stage loopt voorziet de stage-aanbieder mogelijk ook in de reiskosten.

De leden van de Groenlinks-fractie merken op dat op basis van eerdere en internationale ervaringen en onderzoeken geconcludeerd wordt dat hogere eigen bijdragen geen negatieve invloed op de onderwijsdeelname hebben gehad. Uit andere studies echter, blijkt dat hogere eigen bijdragen wel een negatief effect hebben op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Deze leden willen weten waarom de regering er voor heeft gekozen zich te baseren op de eerst genoemde onderzoeken.

De regering heeft zich niet alleen gebaseerd op de door de leden van de Groenlinks-fractie eerstgenoemde onderzoeken, maar op het totale beeld zoals dat mede in reactie op het advies van de Raad van State in de memorie van toelichting is verwoord. Dat beeld is aanleiding geweest om de aanvullende beurs voor masteropleidingen niet in het sociaal leenstelsel onder te brengen en de beleidseffecten goed te monitoren.

Via het sociaal leenstelsel is de toegang tot het hoger onderwijs voor alle studenten gegarandeerd. Studenten uit gezinnen met lage inkomens, kunnen een beroep blijven doen op de aanvullende beurs.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen waarom de regering kiest te bezuinigen op de aanvullende beurs. Zij willen tevens weten in welke gevallen er een uitzondering gemaakt wordt.

De aanvullende beurs blijft gehandhaafd voor studenten uit gezinnen met lagere inkomens. Daar wordt niet aan getornd. De wijze waarop de beurs wordt vastgesteld, verandert in een aantal opzichten echter wel. Die vaststelling wordt eenvoudiger, doordat het mogelijk wordt om de beurs toe te kennen op basis van het inkomen van ouders dat bij de Belastingdienst bekend is. Dit is met name van belang voor studenten, waarvan de ouders weigerachtig zijn met een lager inkomen. Deze studenten hoeven, ondanks de verstoorde relatie, niet aan hun ouders te vragen om hun inkomensgegevens. Nieuw is voorts dat het aantal minderjarige kinderen in een gezin en de studieschuld van de ouders zelf geen rol meer spelen bij de vaststelling.

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of studenten met een chronische ziekte of handicap langer recht hebben op een prestatiebeurs.

Inderdaad blijft het recht op een jaar langer prestatiebeurs bij chronische ziekte of handicap gehandhaafd en kan deze – voor zover niet nodig voor de bacheloropleiding – ook worden ingezet voor een masteropleiding.

5. Gevoerd overleg

De leden van de PvdA-fractie hebben in de memorie van toelichting het overleg met de studentenorganisaties en -vakbonden gemist. Deze leden vragen of de regering zich niet de moeite heeft getroost om te horen wat de meest betrokken c.q. getroffen groep in onze samenleving van deze plannen vindt.

Het kan de leden van de PvdA-fractie niet ontgaan zijn dat ook met de studentenorganisaties en -vakbonden gesproken is over de maatregelen zoals in de Beleidsnotitie Studeren is Investeren verwoord. Deze maatregelen zijn vervolgens in dit wetsvoorstel neergeslagen. Studentenorganisaties hebben onder andere in de Studentenkamer laten weten geen voorstander te zijn van hetgeen hier op basis van het regeerakkoord wordt voorgesteld. Naast inhoudelijk overleg vindt ook regelmatig overleg over de voorlichting plaats. Studentenorganisaties en OCW hebben hierin een eigen rol, maar afstemming en samenwerking zijn erg belangrijk om studenten goed te informeren. Onlangs (9 maart jl.) heeft nog een bestuurlijk overleg met de studentenbonden plaatsgevonden.

De leden van de PvdA-fractie willen weten wat de visie van de regering is op de verdeling van publieke en private bijdragen aan het hoger onderwijs. Deze leden ontvangen graag een reactie van de regering op de stelling van de Onderwijsraad dat er met dit wetsvoorstel gesuggereerd wordt dat de private en publieke investering niet in evenwicht zouden zijn. Zij vragen welke argumenten er zijn om dit te veronderstellen en hoe dit wetsvoorstel leidt tot een evenwichtigere verdeling.

Zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven, blijkt uit de economische theorie dat uitgangspunt voor de bekostiging zou moeten zijn dat het individu en de samenleving als geheel op evenwichtige wijze profiteren van investeringen in het hoger onderwijs.

Er is een aantal redenen voor de overheid om over te gaan tot het subsidiëren van hoger onderwijs. Te weten het wegnemen van de onwil om te investeren in onderwijs doordat de latere baten (het inkomen van de afgestudeerde) worden belast, het feit dat de baten van het volgen van onderwijs het individu overstijgen en het feit dat moet worden omgegaan met aspecten als leenaversie. Deze aspecten beïnvloeden de beslissing om te gaan studeren en bepalen zo ook de maatschappelijke uitkomsten van hoger onderwijs.

In het rapport «Studeren is investeren» van de Commissie Brede Heroverweging Hoger Onderwijs wordt op basis van onderzoek van het Centraal Planbureau geconcludeerd dat er enige ruimte is voor verhoging van de private bijdragen in de bekostiging van hoger onderwijs door de toegankelijkheid doelmatiger via een sociaal leenstelsel vorm te geven16. Het advies van de Onderwijsraad was voor de regering aanleiding om het CPB te vragen nogmaals de verdeling van publieke en private bijdragen onder de loep te nemen. De studie zal op korte termijn gereed zijn.

II. ARTIKELSGEWIJS

De leden van de SGP-fractie vragen of bij het bepalen van de hoogte van de studiefinanciering het woonlandbeginsel wordt toegepast.

Voldoen aan het woonplaatsvereiste is een vereiste voor het ontvangen van studiefinanciering. Het vereiste heeft geen invloed op de hoogte van de uitkering.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, H. Zijlstra