Gepubliceerd: 25 oktober 2011
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33004-6.html
ID: 33004-6
Origineel: 33004-2

Nr. 6 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 25 oktober 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het in artikel I, onderdeel H, onder 1, opgenomen artikel 5.4, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «geldvorderingen» vervangen door: niet opeisbare geldvorderingen.

2. Onderdeel c komt te luiden:

c. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van die ouder, of.

2

In artikel II wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

In artikel 31a wordt na het achtste lid, onder vernummering van het negende lid tot tiende lid, een lid ingevoegd, luidende:

9. Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 13, zesde lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.

3

In artikel VIII wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt «de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de afschrijving» vervangen door «de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving». Voorts worden twee volzinnen aan het lid toegevoegd, luidende: Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.

2. Aan het achtste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.

4

In artikel X wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

Artikel 51, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 1o, wordt «onttrokken of, in geval van onregelmatige onttrekking» vervangen door: onttrokken en, in geval van onregelmatige onttrekking.

2. In onderdeel b wordt «voorhanden heeft of enig andere persoon» vervangen door: voorhanden heeft en enig andere persoon.

3. In onderdeel c wordt «produceert, of in geval van onregelmatige productie» vervangen door: produceert, en in geval van onregelmatige productie.

4. In onderdeel d wordt «aangegeven of, in geval van onregelmatige invoer» vervangen door: aangegeven en, in geval van onregelmatige invoer.

5

Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL Xa

De Wet op de accijns wordt met ingang van 1 juli 2012 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h wordt geletterd i.

2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

h. 3811;.

B

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot derde, vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Onverminderd het eerste lid worden minerale oliën van GN-code 3811 voor de toepassing van het tarief gelijkgesteld met de motorbrandstof waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op minerale oliën van GN-code 3811 die aan meer dan een soort motorbrandstof kunnen worden toegevoegd.

C

Artikel 64, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als additief in motorbrandstoffen;.

6

Na artikel XIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIIIa

In de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt in artikel 4a, eerste lid, onderdeel e, «richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (Pb EG L 375)» vervangen door: Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L 302).

7

Artikel XIV wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 6.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5a

1. Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager.

2. Indien van een overgang als bedoeld in het tweede lid deel uitmaakt de levering van goederen die de overdrager als producent heeft voortgebracht, worden deze goederen voor de overdrager geacht te zijn belast als bedoeld in artikel 6.3, aanhef en slot.

3. Degene op wie de goederen overgaan als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de volgende levering van goederen, die door de overdrager als producent zijn voortgebracht, aangemerkt als producent van die goederen en voor zover van toepassing als vervaardiger van die goederen in de zin van artikel 6.4, eerste lid.

b. In het in onderdeel D opgenomen artikel 6.10a, eerste lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES wordt «5%» vervangen door: 5 percent.

c. Na onderdeel E wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ea

Artikel 6.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt onderdeel e onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt voor accijnsgoederen in de zin van hoofdstuk 4 van de Douane- en Accijnswet BES als invoer van goederen aangemerkt:

a. uitslag in de zin van artikel 4.4 van de Douane- en Accijnswet BES;

b. invoer in de zin van artikel 4.5 van de Douane- en Accijnswet BES.

d. Na onderdeel F worden zeven onderdelen ingevoegd, luidende:

Fa

Artikel 8.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «en kan daarbij voorwaarden stellen».

2. In het tweede lid wordt «de belastingplichtige die de BES eilanden metterwoon voornemens is te verlaten» vervangen door: de belastingplichtige die voornemens is de BES eilanden metterwoon te verlaten.

Fb

Artikel 8.11, zesde lid, vervalt.

Fc

In artikel 8.12, tweede lid, wordt «naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek» vervangen door: naar aanleiding van een gedaan verzoek.

Fd

In artikel 8.22, tweede lid, wordt «de ingevolge artikel 8.11, eerste lid, gestelde termijn» vervangen door: de ingevolge artikel 8.5, tweede lid, gestelde termijn.

Fe

Na artikel 8.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.24a Verzuim indienen jaarrekening

1. Indien een lichaam dat op grond van artikel 5.10 gehouden is een jaarrekening in te dienen de jaarrekening niet of niet tijdig indient, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste USD 14 000 kan opleggen.

2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de jaarrekening, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, had moeten worden ingediend.

Ff

Artikel 8.34, vierde lid, vervalt.

Fg

Artikel 8.74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van de onderdelen d tot en met k tot c tot en met j.

2. In het eerste lid, onderdeel f (nieuw), wordt «en deze in valse of vervalste vorm» vervangen door: en deze niet of in valse of vervalste vorm.

3. In het derde lid wordt «het eerste lid, onderdelen e tot en met k» vervangen door: het eerste lid, onderdelen d tot en met j.

e. Na onderdeel G worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ga

Artikel 8.93 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt de tweede volzin.

2. In het vijfde lid wordt «een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan,» vervangen door: een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte de vereiste aangifte niet is gedaan.

Gb

Artikel 8.94, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt «de Raad» vervangen door: het Gerecht in eerste aanleg.

2. Onderdeel f vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel e door een punt.

f. In onderdeel I wordt » In de artikelen 8.94, eerste lid, onderdeel c, 8.101, eerste lid, 8.103, eerste lid» vervangen door: In de artikelen 8.101, eerste lid, 8.103, eerste lid.

g. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

O

Artikel 8.137 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «om een schuldvordering aan BES belasting in te vorderen alsof het aan laatstgenoemde ontvanger verschuldigde belasting betrof» vervangen door: om een schuldvordering van eerstgenoemde ontvanger in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.

2. In het tweede lid wordt »een schuldvordering aan belasting ontstaan in Nederland, in te vorderen alsof het aan laatstgenoemde ontvanger verschuldigde belasting betrof» vervangen door: een schuldvordering ontstaan in Nederland, in te vorderen alsof het een schuldvordering van laatstgenoemde ontvanger betrof.

3. In het derde lid wordt «verschuldigde rijksbelasting onderscheidenlijk BES belasting» vervangen door: een schuldvordering.

8

Na artikel XX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXa

In de Wegenverkeerswet 1994 vervalt in artikel 36, zevende lid, de tweede volzin.

9

Artikel XXIII wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. de wijzigingen ingevolge artikel XIV, onderdelen Fe en Fg, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot feiten die zijn begaan op of na 1 januari 2012.

b. Het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid worden vernummerd tot vierde, vijfde, zevende, achtste, negende en tiende lid.

c. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Artikel X, onderdeel Ca, werkt terug tot en met 1 april 2010.

d. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:

5. Artikel I, onderdeel I, artikel V, onderdeel A, artikel XIV, onderdelen B, E, Fa, Fd, Ff en Ga, artikel XVI, onderdelen A en C, en artikel XVIII, onderdeel B, werken terug tot en met 1 januari 2011.

e. Na het vijfde lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

6. Artikel XIIIa werkt terug tot en met 1 juli 2011.

f. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

7. Artikel XIV, onderdelen C, D en F, artikel XV, onderdeel B, en artikel XVIII, onderdeel A, werken, met uitzondering van de in artikel XIV, onderdelen D en F, opgenomen wijzigingen van de tarieven voor de levering en de invoer van auto’s, terug tot en met 1 oktober 2011, met dien verstande dat de wijzigingen van de tarieven ter zake van verzekeringen bij verzekeringen waarbij de laatste prolongatiedatum of datum van stilzwijgende verlenging, of bij afwezigheid van die datum de ingangsdatum van de verzekering voor 1 oktober 2011 ligt, van toepassing zijn op de premies die na 30 september 2011 vervallen.

g. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

8. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIII, onderdelen G, H en I, in werking met ingang van 1 juli 2012, met dien verstande dat de verhoogde boetes voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot overtredingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 juli 2012.

h. In het tiende lid (nieuw) wordt «artikel XIV, onderdelen A, G, H, I, J, K, L, M en N» vervangen door: artikel XIV, onderdelen A, G, Gb, onder 1, H, I, J, K, L, M en N.

Toelichting

I. Algemeen

Algemeen

Deze nota van wijziging brengt enkele wijzigingen aan op het terrein van de werkkostenregeling, de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en de Belastingwet BES. Daarnaast worden voornamelijk wijzigingen van meer technische aard aangebracht.

Werkkostenregeling

Eén van de kernpunten van de werkkostenregeling, die op 1 januari 2011 in werking is getreden, is dat er bij aanwijzing van een verstrekking als eindheffingsbestanddeel geen individuele vastleggingen per werknemer meer zijn vereist. De huidige regels omtrent de wijze van verwerken van een eigen bijdrage van werknemers in de situatie dat loon in natura wordt verstrekt, verhindert thans een dergelijke werkwijze. Daarom wordt voorgesteld dat bij als eindheffingsbestanddeel aangewezen verstrekkingen het totaal van de eigen bijdragen van de werknemers in mindering wordt gebracht. Deze maatregel is een uitvloeisel van de in de tussenevaluatie gesignaleerde knelpunten en leidt tot een vereenvoudiging van de werkkostenregeling.

Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

Naar aanleiding van de wijziging in het onderhavige wetsvoorstel van de vergunningsregeling om achteraf per tijdvak BPM-aangifte te doen, heeft de Belastingdienst aandacht gevraagd voor een verwant probleem bij de individuele aangifte voor gebruikte motorrijtuigen. Ook in die situatie speelt namelijk dat het niet mogelijk is om een op individuele basis vastgestelde afschrijving achteraf te controleren. In de praktijk komt het echter voor dat bij de aangifte een evenwichtige afschrijvingsmethode wordt gebruikt die niet noodzaakt tot het instellen van een nadere controle, waarna in de bezwaar- of beroepfase wordt overgestapt op een dan niet meer controleerbare andere afschrijving. Daarom wordt expliciet in de wet opgenomen dat gegevens die niet zijn gebruikt voor het vaststellen van de aangegeven afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, in een later stadium niet alsnog kunnen worden gebruikt voor het wijzigen van de aangegeven afschrijving. In het verlengde van deze aanpassing wordt verder expliciet in de wet opgenomen dat bij ministeriële regeling een termijn kan worden vastgesteld waarbinnen de auto in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden met het oog op de controle van de toegepaste afschrijving. Dit is alleen van belang indien aangifte wordt gedaan op basis van de individuele afschrijving van de auto. Gedacht kan worden aan enkele dagen tot, in uitzonderlijke gevallen, een week, te rekenen vanaf het tijdstip van de aangifte.

Belastingwet BES

In de Belastingwet BES (BelBES) wordt een aantal onvolkomenheden gecorrigeerd. Het gaat daarbij enerzijds om tekstuele onjuistheden, zoals een onjuiste verwijzing of een minder goed lopende formulering, en anderzijds om wijzigingen ten gevolge van een veranderd inzicht over de toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet, de naheffing bij ambtshalve verleende teruggaven, de handhaving van de verplichting om een jaarrekening tijdig in te dienen en de gronden om de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar te verlengen. Daarnaast worden de mogelijkheden tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de invordering verruimd.

Voorts wordt in de BelBES een wijziging aangebracht in de heffing van de Algemene Bestedingsbelasting (ABB) ter zake van invoer van accijnsgoederen op de BES-eilanden. Dat zijn benzine op alle BES-eilanden en daarnaast tabak en alcoholproducten op Bonaire. Het voorstel houdt in dat voor deze goederen het tijdstip van verschuldigdheid van ABB ter zake van invoer gelijk wordt geschakeld met het tijdstip van verschuldigdheid van accijns. In de voor deze wijziging geldende wettelijk regeling zijn ABB en accijns gelijktijdig verschuldigd wanneer een product rechtstreeks uit het buitenland of uit douane-entrepot in het vrije verkeer wordt gebracht. De ABB wordt dan berekend over de waarde van het goed inclusief accijns. Wanneer het goed wordt overgebracht naar een accijnsgoederenplaats is de accijns echter pas later verschuldigd. De ABB wordt dan over een lagere waarde berekend. Ook leidt dit tot meer administratie en bemoeilijkt het de controle. Het voorstel bestrijdt deze problemen effectief. Een uitzondering blijft bestaan voor leveringen van accijnsgoederen door binnenlandse producenten. Deze binnenlandse producten kunnen slechts hun recht op aftrek van betaalde ABB over de gebruikte grondstoffen gebruiken wanneer er ook sprake is van een belastbare levering. Daarom wordt in de belastbaarheid van deze leveringen geen wijziging aangebracht. In de praktijk zal het belastbare feit voor de ABB en de accijns zich veelal tegelijk voordoen. Wanneer de producent zijn goederen levert voor de ABB slaat hij ze ook uit zijn accijnsgoederenplaats en treedt voor beide belastingen verschuldigdheid op.

Tot slot wordt in de BelBES een regeling ingevoerd die voorkomt dat bij overdracht van een onderneming of een deel van een onderneming en voortzetting daarvan algemene bestedingsbelasting wordt geheven. Dit om mogelijke cumulatie van belasting en betalingen ter zake tussen overdrager en overnemer te voorkomen. De wijziging treedt in werking op 1 januari 2012.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel I, onderdeel H (artikel 5.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In het in artikel I, onderdeel H, van het wetsvoorstel opgenomen eerste lid van artikel 5.4 van de Wet IB 2001, worden twee wijzigingen aangebracht. Dit lid strekt er kort gezegd toe dat een niet-opeisbare geldvordering van een kind op een ouder die verkregen is krachtens erfrecht bij dat kind niet als bezitting in box 3 in aanmerking wordt genomen. In de in het voorstel van wet opgenomen tekst was niet expliciet tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een niet-opeisbare geldvordering. Met deze nota van wijziging wordt de tekst op dit punt aangepast.

Tevens wordt met deze nota van wijziging de in het voorstel van wet opgenomen tekst van artikel 5.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 opnieuw geformuleerd. De in het voorstel van wet opgenomen tekst suggereerde door het gebruik van het woord «overbedeling» dat dit onderdeel alleen van toepassing zou zijn bij vorderingen die zijn ontstaan bij een verdeling van een nalatenschap. Met de in deze nota van wijziging voorgestelde formulering wordt de bedoeling van het onderdeel beter tot uitdrukking gebracht. Met name is daarmee buiten twijfel dat ook testamenten waarbij ongehuwd samenwonenden elkaar tot enig erfgenaam benoemen en aan hun kinderen een niet opeisbaar legaat van een geldsom toekennen (nagebootste wettelijke verdeling) onder de werking van dit onderdeel vallen. Verder wordt verwezen naar wat hierover in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt.

Onderdeel 2

Artikel II, onderdeel Ca (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964)

Voorgesteld wordt in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) een nieuw negende lid in te voegen, waarin wordt bepaald dat bij de vaststelling van de waarde van als eindheffingsbestanddeel aangewezen en aan meerdere werknemers gedane verstrekkingen het totaal van de eigen bijdragen van die werknemers in mindering wordt gebracht (maar net als thans uiteraard niet verder dan tot nihil). Hierbij is uitgegaan van de tekst zoals die komt te luiden na inwerkingtreding van de Fiscale verzamelwet 2011.

Bij de invoering van de werkkostenregeling is beoogd dat bij als eindheffingsbestanddeel aangewezen verstrekkingen geen vastleggingen op werknemersniveau meer nodig zijn. Artikel 13, zesde lid, van de Wet LB 1964, dat regels stelt ten aanzien van de wijze waarop bij de vaststelling van de in aanmerking te nemen waarde van de verstrekking rekening wordt gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer, verhindert echter het getotaliseerd verwerken van de eigen bijdragen van de verschillende werknemers.

Een voorbeeld ter verduidelijking:

Een cateraar verzorgt in een bedrijfskantine het aanbod voor maaltijden voor het personeel van de werkgever, variërend van heel eenvoudig tot zeer uitgebreid. De werkgever brengt niet het normbedrag van € 2,90 in rekening maar hanteert prijzen conform een prijslijst. Dat betekent dat er soms meer, soms minder in rekening wordt gebracht dan het normbedrag.

De thans voorgestelde maatregel maakt het mogelijk het aantal maaltijden te vermenigvuldigen met het normbedrag en het totaal dat aan werknemers in rekening wordt gebracht in een enkele boeking in mindering te brengen.

Onderdeel 3

Artikel VIII, onderdeel Ba (artikel 10 van de Wet belasting van personenauto´s en motorrijwielen 1992)

Het in onderdeel 3 opgenomen nieuwe onderdeel Ba van artikel VIII strekt tot wijziging van artikel 10 van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992).

Uitgangspunt voor de BPM-heffing van gebruikte motorrijtuigen is de afschrijving van het individuele motorrijtuig op het moment van registratie in Nederland. Ter wille van de leesbaarheid wordt hierna gesproken van auto’s, maar het navolgende geldt evenzeer voor gebruikte motoren.

De Wet BPM 1992 biedt belastingplichtigen de ruimte om de afschrijving voor gebruikte auto’s op verschillende manieren vast te stellen. Dit kan gebeuren op basis van de individuele waarde, bijvoorbeeld aan de hand van een in de handel gebruikte koerslijst of een taxatierapport, maar de afschrijving kan desgewenst ook worden vastgesteld aan de hand van een forfaitaire tabel. Uitgangspunt van de regeling is, dat bij de aangifte een keus wordt gemaakt uit de verschillende opties om de afschrijving te onderbouwen. Deze keus bepaalt mede op welke wijze de aangifte wordt gecontroleerd. Om de juistheid van een aangifte op basis van de individuele afschrijving te kunnen beoordelen is het van belang, dat op het moment van de aangifte alle gegevens worden overgelegd waarop de aangifte is gebaseerd. De inspecteur kan zich aan de hand daarvan een oordeel vormen of een realistisch afschrijvingspercentage wordt gebruikt en eventueel besluiten de aangifte nader te controleren. Zo nodig kan hij op dat moment de auto ook fysiek laten opnemen of laten taxeren.

De Belastingdienst wordt sinds kort echter regelmatig geconfronteerd met de situatie, dat bij de aangifte een realistisch afschrijvingspercentage wordt toegepast op basis van de forfaitaire tabel, een koerslijst of een solide taxatie, maar in de bezwaar- en beroepfase alsnog een hogere afschrijving wordt geclaimd aan de hand van gegevens die bij de oorspronkelijke aangifte niet zijn gebruikt. Binnen de opzet van de BPM-heffing is het niet mogelijk een dergelijke claim achteraf te beoordelen op juistheid. De auto is inmiddels in gebruik genomen en uit het zicht van de inspecteur. Bovendien zou schouwen van de auto geen zin meer hebben, omdat de afschrijving op het moment van registratie bepalend is en niet de afschrijving op een later tijdstip.

Gezien het voorgaande wordt voorgesteld om in de wet op te nemen dat gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en ook niet op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, door de belastingplichtige niet op een later tijdstip alsnog kunnen worden ingebracht om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat dit ook geldt voor gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt maar zich wellicht wel ergens in of tussen de overgelegde stukken bevonden. De inspecteur kan zich dus volledig richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving.

In het zevende lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 wordt nader bepaald dat de bij de aangifte te overleggen gegevens de gegevens betreft die zijn gebruikt bij de vaststelling van de in het tweede lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde afschrijving, dan wel voor de toepassing van de in het zesde lid van dat artikel 10 bedoelde forfaitaire tabel. Daarnaast worden aan het zevende lid van dat artikel 10 twee volzinnen toegevoegd. De eerste volzin bepaalt dat op verzoek van de inspecteur ontbrekende gegevens worden toegevoegd die naar zijn oordeel van belang zijn voor de in het eerste lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde vermindering. De tweede volzin bepaalt dat gegevens die niet zijn gebruikt bij vaststelling van de afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, niet in een later stadium alsnog door de belastingplichtige kunnen worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Voorts wordt nog het achtste lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 aangevuld. Aan de in dit lid opgenomen delegatiebepaling wordt expliciet toegevoegd dat bij ministeriële regeling een termijn kan worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving bedoeld in het tweede lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992. Deze bepaling is dus niet van belang voor de situatie dat de afschrijving wordt bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel, als bedoeld in artikel 10, zesde lid, Wet BPM.

Onderdeel 4

Artikel X, onderdeel Ca (artikel 51 van de Wet op de accijns)

De Nederlandse taalversie van artikel 8 van de Accijnsrichtlijn 20081 verschilt op enkele onderdelen van de andere taalversies. Dit artikel 8, in de Wet op de accijns geïmplementeerd in artikel 51, bepaalt welke persoon is gehouden tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns. In de Nederlandse taalversie van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder i, alsmede in de onderdelen b, c en d, van de Accijnsrichtlijn 2008 wordt gesproken van «of enig ander persoon», terwijl in de andere taalversies wordt gesproken van «en enig ander persoon». Bedoeld is om in de in deze onderdelen genoemde situaties elke persoon te kunnen aanspreken voor de voldoening van de verschuldigd geworden accijns. Hoewel volgens de aanwijzingen voor de regelgeving het woord «of» ook «en/of» inhoudt, zou uit het gebruik van het woord «of» kunnen worden afgeleid, dat er een keuze moet worden gemaakt uit de verschillende personen. Om elk misverstand hierover te voorkomen, is door Nederland, hierin gesteund door België, verzocht om een rectificatie van de Nederlandse taalversie van artikel 8 van de Accijnsrichtlijn 2008. Deze rectificatie is gepubliceerd op 6 oktober 2011 (PbEU 2011, L 261). Als gevolg van deze rectificatie wordt artikel 51, eerste lid, van de Wet op de accijns aangepast. Door de wijzigingen in onderdeel a, onder 1°, alsmede die in de onderdelen b, c, en d is het nu duidelijker dan voorheen dat van elke persoon in de in deze onderdelen bedoelde situaties accijns kan worden geheven. De wijziging van genoemd artikel 51 werkt terug tot en met 1 april 2010, de datum waarop de Accijnsrichtlijn 2008 in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en in werking is getreden.

Onderdeel 5

Artikel Xa (artikel 5 van de Wet op de accijns)

Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn uitspraak van 18 december 2008, zaaknummer C-517/07, bepaald dat additieven van GN-code2 3811 aan belastingheffing zijn onderworpen. Het gaat hierbij om producten, die worden toegevoegd aan motorbrandstoffen. In de visie van het Hof van Justitie is ook over additieven die als zodanig, bijvoorbeeld in blikjes, worden verkocht, accijns verschuldigd naar het tarief van de brandstof waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd. GN-code 3811 is echter niet opgenomen in artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn energiebelasting3, waardoor de producten van deze GN-code niet onder de controlebepalingen van de Accijnsrichtlijn 2008 vallen. Voor het produceren, voorhanden hebben en vervoer zijn daarom geen formaliteiten vereist. Ondanks de uitspraak van het Europese Hof van Justitie is het niet mogelijk om aan heffing van accijns toe te komen zonder aanpassing van de regelgeving. Daarom heeft Nederland ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Richtlijn energiebelasting, aan de Europese Commissie verzocht om GN-code 3811 toe te voegen aan artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn energiebelasting. Dit verzoek is voorgelegd aan de lidstaten en heeft de instemming gekregen van het merendeel van de lidstaten. Ter versnelling van de procedure heeft de Europese Commissie besloten om niet artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn energiebelasting aan te passen, maar via een Uitvoeringsbesluit te bepalen dat producten van GN-code 3811 onder de controlebepalingen van de Accijnsrichtlijn 2008 vallen. Dit is gebeurd via het Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 september 2011, nr. 2011/545/EU (PbEU 2011, L 241). Dit Uitvoeringsbesluit is van toepassing met ingang van 1 juli 2012.

In artikel 5, vierde lid, van de Wet op de accijns is bepaald welke producten van welke GN-codes onder de controlebepalingen vallen. In verband met het hiervoor genoemde uitvoeringsbesluit moet ook GN-code 3811 voor additieven hieraan worden toegevoegd. Daartoe wordt deze GN-code opgenomen in onderdeel h, waarbij het huidige onderdeel h wordt verletterd tot onderdeel i. De wijziging treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.

Artikel Xa (artikel 28 van de Wet op de accijns)

Producten van GN-code 3811 (additieven) zijn minerale oliën en daarom opgenomen in artikel 25 van de Wet op de accijns. In artikel 26 van de Wet op de accijns zijn GN-codes en producten opgenomen voor de toepassing van het tarief. Hierin ontbreekt GN-code 3811. Voor zover een product is opgenomen in artikel 26 is het van toepassing zijnde tarief opgenomen in artikel 27 van de Wet op de accijns. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de accijns worden andere minerale oliën dan die waarvoor in artikel 27 van die wet een accijnstarief is vermeld, onder meer indien zij zijn bestemd voor gebruik of worden gebruikt als motorbrandstof, aan de accijns onderworpen naar het voor de gelijkwaardige motorbrandstof geldende tarief. Blijkens de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 maart 2006, nummer BK-04/01770, zijn additieven als zodanig niet geschikt als motorbrandstof, waardoor ze niet op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de accijns kunnen worden belast. Om gevolg te geven aan de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 18 december 2008, zaaknummer C-517/07, en het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 16 september 2011, nr. 2011/545/EU (PbEU 2011, L 241) wordt in artikel 28 van de Wet op de accijns, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd. Hierin wordt bepaald, dat onverminderd het eerste lid minerale oliën van GN-code 3811 voor de toepassing van het tarief worden gelijkgesteld met de motorbrandstof waaraan zij bestemd zijn te worden toegevoegd. Indien een product van GN-code 3811 reeds als zodanig zou kunnen dienen als motorbrandstof is accijns verschuldigd op grond van het eerste lid naar het tarief van de gelijkwaardige motorbrandstof. Om elk misverstand te voorkomen wordt tevens een nieuw zesde lid toegevoegd waarin het huidige vierde, vernummerd tot vijfde lid van overeenkomstige toepassing wordt verklaard voor minerale oliën van GN-code 3 811 die kunnen worden toegevoegd aan meer soorten motorbrandstof. Een additief kan bijvoorbeeld dienen voor toevoeging aan zowel benzine als diesel. In dat geval wordt het product gelijkgesteld met de soort minerale olie, die in artikel 26, eerste lid, van de Wet op de accijns als eerste wordt genoemd, in het voorbeeld benzine.

Artikel Xa (artikel 64 van de Wet op de accijns)

In artikel 64, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de accijns is bepaald dat vrijstelling van accijns kan worden verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming. Deze bepaling kan van toepassing zijn op additieven, die als zodanig niet bestemd zijn om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming. Door de in deze nota van wijziging voorziene aanpassingen van de Wet op de accijns is ter zake van de uitslag tot verbruik van additieven voor motorbrandstoffen altijd accijns verschuldigd. Daarom wordt artikel 64, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de accijns herzien. Vrijstelling van accijns is daardoor niet van toepassing indien het gaat om additieven voor motorbrandstoffen.

Onderdeel 6

Artikel XIIIa (artikel 4a van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen)

Met ingang van 1 juli 2011 is richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (Pb EGL 375) ingetrokken. Deze richtlijn is met ingang van de eerstgenoemde datum vervangen door Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L 302). De verwijzing in artikel 4a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen naar de eerstgenoemde richtlijn dient derhalve te worden aangepast met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011, de datum waarop de oude richtlijn is vervangen door de nieuwe richtlijn.

Onderdeel 7, onder a

Artikel XIV, onderdeel Ba (artikel 6.5a van de Belastingwet BES)

Het ingevolge dit onderdeel 7, onder a, in te voegen artikel 6.5a van de BelBES strekt ertoe de systematiek van en het heffingsbeleid voor de ABB te verduidelijken en aan te vullen met een regeling voor de overdracht van een onderneming of van een deel daarvan aan degene die de onderneming voortzet. Dit mede ter voorkoming van mogelijke cumulatie van ABB. Bij een dergelijke overdracht zal het veelal gaan om de levering van goederen, maar deze overdracht kan ook gepaard gaan met prestaties die in de zin van de ABB kwalificeren als dienst. Hoewel het mogelijk is dat zo’n dienst op zal gaan in de als één prestatie te beschouwen levering van goederen, zullen ook overdrachten mogelijk zijn waarbij als afzonderlijke prestaties te beschouwen diensten overgaan. In de systematiek van de ABB vormen, afgezien van leveringen door producenten van hun eindproducten, binnenlandse leveringen van goederen als zodanig geen belastbaar feit; het verrichten van diensten echter wel. In het geval bij een overdracht van een algemeenheid van goederen ook diensten worden verricht, zou dat voor die diensten tot een heffing van ABB leiden. Dat is bij een dergelijke overdracht ongewenst. Onder algemeenheid van goederen wordt in dit verband verstaan hetgeen daar onder wordt verstaan voor toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Het tweede en derde lid van het in de BelBES in te voegen artikel 6.5a bevatten een regeling voor de gevallen dat van de overdracht deel uitmaakt de levering van goederen die de overdrager als producent heeft voortgebracht. Uitgangspunt is dat de overdrager, als producent, zijn recht op aftrek behoudt en degene op wie de goederen overgaan voor een volgende levering van die goederen (als «opvolgend» producent) de belasting is verschuldigd. Aldus worden complicaties en verrekeningen tussen overdrager en overnemer voorkomen.

Onderdeel 7, onder b

Artikel XIV, onderdeel D (artikel 6.10a van de Belastingwet BES)

In artikel 6.10a, eerste lid, onderdeel b, van de BelBES wordt «5%» vervangen door «5 percent». Dit is slechts een tekstuele aanpassing, om de tekst in lijn te brengen met de overige artikelen van de ABB.

Onderdeel 7, onder c

Artikel XIV, onderdeel Ea (artikel 6.17 van de Belastingwet BES)

De in onderdeel 7, onder c, opgenomen wijziging van het in artikel XIV opgenomen artikel 6.17 van de BelBES, bewerkstelligt dat de heffing van ABB op de BES eilanden voor ingevoerde accijnsgoederen altijd gelijktijdig plaatsvindt met de heffing van de accijns. Dit wordt bereikt door voor accijnsgoederen het tijdstip van verschuldigdheid niet meer te bepalen op grond van genoemd artikel 6.17, eerste en tweede lid, maar invoer van goederen voor accijnsgoederen gelijk te stellen met de belastbare feiten van de accijns op de BES-eilanden: invoer en uitslag.

De reden voor deze aanpassing van de heffingssystematiek is om eenheid en eenvoud in de belastingheffing van accijnsgoederen te bereiken. De eenheid is ermee gediend dat de ABB ter zake van invoer altijd over de waarde inclusief accijns wordt geheven. Op dit moment worden accijnsgoederen die op de BES-eilanden worden ingevoerd in de regel tegelijkertijd in de heffing betrokken voor de ABB en de accijns. De wettelijke regeling laat echter de mogelijkheid bestaan dat deze goederen worden ingevoerd voor de ABB, waardoor de ABB verschuldigd raakt, maar voor de accijns eerst worden opgenomen in een accijnsgoederenplaats, waardoor de accijns nog niet verschuldigd raakt. Deze regeling geeft daardoor ruimte voor constructies om de ABB te minimaliseren. Dit is schadelijk voor de opbrengst en de eenheid in de belastingheffing. De eenvoud is daarnaast gediend doordat over deze goederen niet op twee verschillende momenten geheven wordt. Dit scheelt administratieve handelingen en controlehandelingen.

Nadat de wijziging is doorgevoerd treedt voor ingevoerde accijnsgoederen verschuldigdheid van de ABB ter zake van invoer pas op wanneer de goederen de gecontroleerde stroom verlaten en in het vrije verkeer worden gebracht, zoals dat bij de accijns al sinds inwerkingtreding van het nieuwe systeem het geval is. Voor op de BES-eilanden geproduceerde accijnsgoederen wijzigt er niets in de belastbaarheid voor de ABB. De wijziging treedt op 1 januari 2012 in werking.

Onderdeel 7, onder d

Artikel XIV, onderdeel Fa (artikel 8.6 van de Belastingwet BES)

Artikel 8.6, eerste lid, van de BelBES bepaalt dat de inspecteur uitstel kan verlenen voor het indienen van de aangifte. Daarbij kan de inspecteur voorwaarden stellen. In de huidige redactie is de bevoegdheid om voorwaarden te stellen dubbel opgenomen. De onderhavige wijziging strekt er toe dit te corrigeren.

Op grond van artikel 8.6, tweede lid, van de BelBES moet terstond aangifte gedaan worden voor bepaalde belastingen bij – kort gezegd – emigratie. Ingevolge deze wijziging van artikel 8.6, tweede lid, wordt de redactie daarvan verbeterd.

Artikel XIV, onderdeel Fb (artikel 8.11 van de Belastingwet BES)

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen die in artikel 8.11 van de BelBES gesteld worden. Dit is niet wenselijk. Het is op de BES gebruikelijk dat de aangifte op het belastingkantoor wordt afgegeven en tegelijkertijd daar betaald wordt. Indien de termijn daarvoor bijvoorbeeld op een zaterdag of een algemeen erkende feestdag eindigt, is het belastingkantoor gesloten en kan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige op die dag niet (meer) aan zijn verplichtingen voldoen. Door het zesde lid van artikel 8.11 van de BelBES te laten vervallen, wordt de Algemene termijnenwet wel van toepassing en wordt de termijn in het gegeven voorbeeld verlengd tot en met de eerstvolgende werkdag.

Artikel XIV, onderdeel Fc (artikel 8.12 van de Belastingwet BES)

Voorgesteld wordt om in artikel 8.12 van de BelBES de voorwaarde te laten vervallen dat het verzoek naar aanleiding waarvan vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting, dan wel teruggaaf van belasting is verleend, moet zijn gedaan ingevolge de belastingwet. In alle gevallen waarin naar aanleiding van een verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten onrechte vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting, dan wel teruggaaf van belasting is verleend, is dan naheffing mogelijk. Dezelfde wijziging is bij Overige fiscale maatregelen 2010 doorgevoerd in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), welk artikel nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 8.12 van de BelBES. Reden voor deze wijziging was jurisprudentie van de Hoge Raad volgens welke het niet (in alle gevallen) mogelijk is om ter zake van een ten onrechte verleende ambtshalve vermindering na te heffen.4 Volgens het hoogste rechtscollege vloeit een ambtshalve vermindering namelijk niet voort uit een «ingevolge de belastingwet gedaan verzoek».

Als gevolg van deze rechtspraak is toen in elk geval in Nederland een ongewenste situatie ontstaan. Het gebeurt namelijk regelmatig dat een verzoek om teruggaaf van een aangiftebelasting, bijvoorbeeld omzetbelasting, niet aan alle formele vereisten voldoet, met name dat het buiten de wettelijke termijn wordt gedaan. In dergelijke gevallen komt de Belastingdienst toch veelal aan het verzoek tegemoet. Dit geschiedt dan ambtshalve en met het oog op de belangen van de belastingplichtige nagenoeg per omgaande, dus zonder onderzoek. Wanneer op een later tijdstip geconstateerd wordt dat de belastingplichtige geen recht had op een ontvangen teruggaaf of dat de teruggaaf tot een te hoog bedrag is verleend, moet de Belastingdienst de teruggegeven belasting kunnen naheffen. Het kan immers niet zo zijn dat een juiste belastingheffing wordt gefrustreerd, omdat de Belastingdienst de belastingplichtige ten dienste wil zijn.

Omdat ook op de BES eilanden ambtshalve vermindering verleend moet kunnen blijven worden, zonder dat de Belastingdienst daarmee zijn rechten verspeelt, is het gewenst om ook artikel 8.12 van de BelBES op dit punt te wijzigen.

Artikel XIV, onderdeel Fd (artikel 8.22 van de Belastingwet BES)

In artikel 8.22, tweede lid, van de BelBES wordt voor de termijn voor het doen van aangifte abusievelijk verwezen naar artikel 8.11, eerste lid, van de BelBES. Dit artikel ziet namelijk op de termijn voor het betalen van de overeenkomstig de aangifte verschuldigde belasting. De termijn voor het doen van die aangifte volgt uit artikel 8.5, tweede lid, van de BelBES. Met de onderhavige wijziging wordt de onjuiste verwijzing hersteld.

Artikel XIV, onderdelen Fe en Fg (artikelen 8.24a en 8.74 van de Belastingwet BES)

Artikel 5.10 van de BelBES verplicht de in artikel 5.2, tweede en derde lid, van die wet bedoelde lichamen jaarlijks binnen negen maanden na afloop van het boekjaar een door de bestuurder van het lichaam gewaarmerkt afschrift van hun jaarrekening, bestaande uit een balans, winst- en verliesrekening en toelichting op deze stukken, bij de inspecteur in te dienen. Het niet of niet tijdig indienen van die jaarrekening is aangemerkt als een strafbaar feit. In de praktijk blijkt enerzijds dat de verplichting tot het indienen van een jaarrekening slecht wordt nagekomen en anderzijds dat handhaving via het strafrecht niet effectief is, mede vanwege de beperkte vervolgingscapaciteit van het Openbaar Ministerie. Daarom wordt voorgesteld om het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting beboetbaar te stellen in het nieuwe artikel 8.24a van de BelBES.

Omdat het niet of niet tijdig indienen van een jaarrekening thans is aangemerkt als een overtreding, wordt voorgesteld om daarop het bestuurlijke boete-equivalent van een verzuimboete te stellen. Deze verzuimboete bedraagt ten hoogste USD 14 000 ofwel een gelijk bedrag als de huidige maximale geldboete. Daarnaast is dan vanzelfsprekend geen gevangenisstraf meer mogelijk; het niet of niet tijdig indienen van de jaarrekening wordt geschrapt uit artikel 8.74 van de BelBES en dus niet langer aangemerkt als een strafbaar feit. Daarnaast wordt in artikel 8.74, eerste lid, onderdeel g, van de BelBES ook het niet voor raadpleging ter beschikking stellen van gegevensdragers of de inhoud daarvan door degene die tot het geven van inzage verplicht is, strafbaar gesteld conform artikel 68, eerste lid, onderdeel b van de AWR.

Artikel XIV, onderdeel Ff (artikel 8.34 van de Belastingwet BES)

In artikel 8.34, vierde lid, van de BelBES is geregeld dat de inspecteur een boete ambtshalve vermindert, indien de grondslag voor die boete wordt verminderd. Omdat artikel 8.36 van de BelBES hetzelfde regelt, kan artikel 8.34, vierde lid, van de BelBES vervallen.

Onderdeel 7, onder e

Artikel XIV, onderdeel Ga (artikel 8.93 van de Belastingwet BES)

De zogenoemde omkering van de bewijslast in de bezwaarfase is neergelegd in artikel 8.93, vijfde lid, van de BelBES. De redactie van dit artikel wijkt af van de redactie van artikel 8 114, waarin de omkering van de bewijslast in de beroepsfase is opgenomen, en is ook minder juist. Het geen aangifte doen is namelijk begrepen in het niet doen van de vereiste aangifte. De wijziging van genoemd artikel 8.93 strekt ertoe de redactie van artikel 8.93, vijfde lid, van de BelBES aan te passen overeenkomstig artikel 8 114 van de BelBES.

Artikel XIV, onderdeel Gb (artikel 8.94 van de Belastingwet BES)

In artikel 8.94, eerste lid, van de BelBES zijn de gevallen opgenomen, waarin de inspecteur de bevoegdheid heeft om de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar te verlengen. Onderdeel f van dat lid betreft het geval dat het bezwaarschrift niet is gemotiveerd en de belanghebbende het verzuim niet binnen twee maanden na het indienen van het bezwaarschrift heeft hersteld. Het ligt dan echter niet in de rede dat de inspecteur de termijn voor het doen van uitspraak verlengt, maar dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart. Daarom wordt voorgesteld om dit onderdeel f te laten vervallen. De wijziging van onderdeel c was reeds opgenomen in het voorstel van wet.

Onderdeel 7, onder f

Artikel XIV, onderdeel I (artikel 8.94 van de Belastingwet BES)

Artikel 8.94, eerste lid, van de BelBES wordt geschrapt uit de opsomming in onderdeel I. Nu er een tweede wijziging plaatsvindt in hetzelfde lid (zie het in onderdeel 7, onder e, opgenomen artikel XIV, onderdeel Gb, onder 2), is ervoor gekozen om deze samen met de wijziging in dat lid ten gevolge van de invoering van het hoger beroep in belastingzaken op de BES onder te brengen in één onderdeel.

Onderdeel 7, onder g

Artikel XIV, onderdeel O (artikel 8.137 van de Belastingwet BES)

In artikel 44 van de Belastingregeling van het Koninkrijk (BRK) is geregeld dat de artikelen over de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen van overeenkomstige toepassing zijn op schoolgelden en premies ingevolge sociale zekerheidswetten. De BRK is sinds 10 oktober 2010 echter niet meer van toepassing op de verhouding tussen Nederland en de BES eilanden. Daarom is in artikel 8.137 van de BelBES een afzonderlijke regeling getroffen voor de bijstand bij invordering tussen Nederland en de BES eilanden. Daarmee is een voorziening getroffen voor het geval belastingschuldigen Nederland of de BES eilanden verlaten en vertrekken naar de BES eilanden, respectievelijk naar Nederland, zonder voldoening van hun schuldvorderingen aan de ontvanger van de Belastingdienst. Deze voorziening is nu echter beperkt tot belastingen. Door de onderhavige wijziging van artikel 8.137 gaat dit artikel ook zien op andere schuldvorderingen van de ontvanger dan schuldvorderingen aan belastingen. Dit betreft in elk geval schuldvorderingen aan sociale premies en schoolgelden. Ook andere schuldvorderingen kunnen daaronder vallen. In het bijzonder gelet op de nauwe band tussen Nederland en de BES eilanden moet de ontvanger alles wat hij in zijn deel van het Rijk kan invorderen ook moeten kunnen (laten) invorderen in het andere deel van het Rijk.

Onderdeel 8

Artikel XXa (artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994)

De in het nieuw ingevoegde artikel XXa opgenomen wijziging van artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 zorgt ervoor dat het BPM-bedrag niet meer op het kentekenbewijs van een voertuig hoeft te worden opgenomen. Dit zorgt ervoor dat wanneer het BPM-bedrag wijzigt nadat het kenteken is verstrekt, er geen vervangend kentekenbewijs hoeft te worden afgegeven. Het komt voor dat dit bedrag wijzigt sinds de Belastingdienst haar werkwijze met betrekking tot de BPM heeft veranderd. Zoals in antwoord op vragen van de Tweede Kamer reeds is aangegeven5 geeft de Belastingdienst bij import van een auto haar zogenaamde fiscaal akkoord wanneer het aangegeven BPM-bedrag is voldaan. Dan wordt een kenteken afgegeven. Wanneer daarna, bijvoorbeeld naar aanleiding van een taxatierapport, blijkt dat het BPM-bedrag hoger had moeten zijn legt de inspecteur een naheffingsaanslag op en wijzigt dus het BPM-bedrag. Dat in de toekomst in deze gevallen geen nieuw kentekenbewijs meer zou hoeven te worden verstrekt, omdat het BPM-bedrag er niet meer op vermeld staat, is een vereenvoudiging in de uitvoering.

Het vermelden van het BPM-bedrag is daarnaast verouderd geraakt. De catalogusprijs van het voertuig en vele andere kenmerken van het voertuig worden tegenwoordig goed digitaal ontsloten waardoor de, soms ook verwarrende, vermelding van het BPM-bedrag op het papieren kentekenbewijs geen doel meer dient.

Onderdeel 9

Artikel XXIII (inwerkingtreding)

Onderdeel 9 bevat de wijzigingen van artikel XXIII van het wetsvoorstel, zijnde het inwerkingtredingsartikel daarvan.

Met de in onderdeel 9, onder a, opgenomen wijziging van artikel XXIII, eerste lid, wordt bewerkstelligd dat de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van de BelBES met betrekking tot het als een beboetbaar feit in plaats van als een strafbaar feit aanmerken van het niet of niet tijdig indienen van een jaarrekening, pas geldt voor feiten die zijn begaan op of na 1 januari 2012. Degenen die hun jaarrekening dus moesten indienen vóór 1 januari 2012, kunnen voor het niet of niet tijdig indienen alleen strafrechtelijk vervolgd worden. Voor het niet of niet tijdig nakomen van die verplichting indien deze ontstaat op of na 1 januari 2012 kan uitsluitend een (verzuim)boete opgelegd worden.

Het in onderdeel 4 opgenomen artikel X, onderdeel Ca, werkt terug tot en met 1 april 2010, de datum waarop de Accijnsrichtlijn 2008 in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en in werking is getreden. Hiertoe wordt in artikel XXIII een nieuw derde lid ingevoegd (onderdeel 9, onder c).

Met de in onderdeel 9, onder d en f, opgenomen wijzigingen van artikel XXIII, vijfde en zevende lid (nieuw), wordt enerzijds bewerkstelligd dat het in deze nota van wijziging opgenomen herstel van enkele tekstuele onjuistheden in de BelBES terugwerkt tot en met 1 januari 2011, de datum van inwerkingtreding van de BelBES, en wordt anderzijds bewerkstelligd dat de genoemde leden in een logische volgorde komen te staan.

De ingevolge onderdeel 6 van deze nota van wijziging in artikel XIIIa op te nemen aanpassing van artikel 4a van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen werkt ingevolge het zesde lid (nieuw) van artikel XXIII terug tot en met 1 juli 2011. Dit is toegelicht in de toelichting op het in onderdeel 6 opgenomen nieuwe artikel XIIIa.

In overeenstemming met het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 16 september 2011, nr. 2011/545/EU (PbEU 2011, L 241) treedt het in onderdeel 5 opgenomen artikel Xa in werking met ingang van 1 juli 2012. Hiertoe wordt het achtste lid (nieuw) aangevuld met een verwijzing naar artikel Xa.

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers