Kamerstuk 33003-17

Beantwoording vragen gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober jl. over het pakket Belastingplan 2012

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012)

Gepubliceerd: 3 november 2011
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33003-17.html
ID: 33003-17

Nr. 17 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2011

Zoals toegezegd, treft u bijgaand de schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober jl. over het pakket Belastingplan 2012 aan. Bijgevoegd treft u tevens een nota van wijziging op de wetsvoorstellen Belastingplan 2012 (kamerstuk 33 003, nr. 18) en Overige fiscale maatregelen 2012 (kamerstuk 33 004, nr. 11) aan.

De beantwoording vindt in de volgende volgorde plaats:

  • Belastingplan 2012

    • Inleiding

    • Afschaffing kleine belastingen

    • Vennootschapsbelasting

      • * Overnameholding

      • * Buitenlandse AB-regeling

      • * Bestedingsreserve

      • * RDA

    • Zelfstandigenaftrek

    • Kindregelingen

    • Vitaliteitsregeling

    • Nieuwe renteregeling

    • Koopkrachtpakket

    • Tijdelijke verlaging tarief overdrachtsbelasting

    • Vrijwillige voortzetting pensioen

    • Reikwijdte afdrachtvermindering onderwijs

    • 30%-Regeling

  • Overige fiscale maatregelen 2012

    • Defiscalisering vorderingen/schulden krachtens erfrecht

    • Modernisering vrijstelling zorginstellingen

    • Vergrijpboete na verzuimboete

    • Informatieverplichting

    • Bestrijden Edelweissroute

    • Verbreding inzet automatische nummerplaatherkenning

    • Eén bankrekeningnummer

    • Maatregelen IBO-toeslagen

    • BES-wetgeving

    • Provinciale opcenten

  • Wet uitwerking autobrief

    • Algemeen

    • Maatregelen BPM

    • Maatregelen bijtelling LB/IB (en MRB)

    • Gasvormige brandstoffen, biobrandstoffen en voor groen gas geschikte auto’s

    • Overig

  • Geefwet

    • Definitie ANBI

    • ANBI-status en commerciële activiteiten en maatregelen vennootschapsbelasting

    • Giftenaftrek IB en Vpb

    • Introductie negatieve giftenaftrek

    • Multiplier giftenaftrek (IB/Vpb)

    • Transparantie, bestuurdersbeloningen en koppeling strafrechtelijke veroordeling

    • Overig

  • Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen

  • Overige vragen

    • Bosal

    • Bankenbelasting

    • Groen beleggen

    • Willekeurige afschrijving

    • Werkkostenregling

    • Eigen woning

    • Vestigingsklimaat

    • Pensioenen en lijfrenten

    • ZZP-ers in de zorg

    • Kinderopvangtoeslag

    • Dienstauto’s Belastingdienst

    • NOB-commentaar

      • * Coöperatie

      • * Reorganisatiefaciliteiten overdrachtsbelasting

      • * RDA.

Belastingplan 2012

Inleiding

De heer Koolmees vraagt waarom het kabinet kiest voor veel lastenverzwaring en niet voor hervorming. De integrale afweging tussen de hoogte van de uitgaven en lasten heeft het kabinet in het Regeer- en Gedoogakkoord gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet het inkomstenkader vastgesteld. Het kabinet houdt zich dan ook aan het inkomstenkader. Er is over de kabinetsperiode geen sprake van hogere lasten dan afgesproken bij het Regeer- en Gedoogakkoord. Daarnaast hervormt het kabinet wel degelijk. Gemakshalve verwijs ik op deze plaats naar de brief van de Minister-President over de zeventien hervormingen in onder andere bestuur, gezondheidszorg, arbeidsmarkt, huurmarkt en infrastructuur.1 De daarin besproken hervormingen leveren een op korte termijn bescheiden maar belangrijke bijdrage in het op orde brengen van de overheidsfinanciën.

De heer Koolmees vraagt naar de stand van zaken over in te stellen belastingcommissie op basis van de motie Dijkgraaf. Hij is een voorstander van de schuif van directe naar indirecte belastingen – die ook in de Fiscale agenda is opgenomen – en vraagt mij om dit aspect te betrekken bij de nieuwe commissie. Het is mijn voornemen om de Tweede Kamer eind dit jaar een brief te sturen met de taakopdracht van de commissie. Wij kunnen daarover dan spreken in het algemeen overleg over de Fiscale agenda in januari volgend jaar.

Afschaffing kleine belastingen

De heer Huizing stelt vast dat na de maatregelen in het wetsvoorstel Belastingplan 2012 nog 15 rijksbelastingen overblijven. Deze vermindering van het aantal rijksbelastingen past in het in de Fiscale agenda verwoorde kabinetsstreven om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Eén van de manieren waarop die vereenvoudiging kan worden bereikt, is het terugbrengen van het aantal rijksbelastingen. Hierdoor vermindert het aantal aangiften en daarmee ook het aantal contactmomenten met de Belastingdienst. In het wetsvoorstel Belastingplan 2012 wordt een forse stap gezet. Er verdwijnen 7 rijksbelastingen. Daar staat tegenover dat het kabinet voornemens is om een bankenbelasting in te voeren. Ondanks dat hierdoor het aantal rijksbelastingen niet met 7 maar per saldo met 6 afneemt, is nog steeds sprake van een forse vermindering en navenant duidelijke vereenvoudiging van het stelsel. Deze forse vermindering van per saldo 6 rijksbelastingen zie ik als belangrijke stap maar, dit in reactie op een vraag van de heer Huizing, hoeft zeker niet het einddoel te betekenen. Ik zal de resterende rijksbelastingen steeds op hun merites beoordelen en bezien of, en zo ja hoe het Nederlandse stelsel verder kan worden vereenvoudigd. Dat die vereenvoudiging wederom de vorm kan krijgen van de afschaffing van rijksbelastingen is zeker niet uitgesloten, al heb ik daaromtrent op dit moment geen concrete voornemens.

De heer Groot vindt het principieel onjuist dat de hogere zorgkosten voor werkgevers worden teruggesluisd via onder meer afschaffing van bepaalde belastingen. Deze zorgkosten zouden in de visie van de heer Groot uiteindelijk drukken op de werknemers. Dit kabinet maar ook vele kabinetten hiervoor, waar ook de partij van de heer Groot vaak deel van uitmaakte, gaat uit van de lastendefinitie. Hierbij wordt gekeken hoeveel de lasten afwijken van een bepaald basispad. Te hoge lasten worden gecompenseerd via lastenverlichtingen en vice versa. De zorgpremies worden 50/50 door burgers en bedrijven betaald. De inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt door de werkgever aan de werknemer vergoed en wordt tot de werkgeverslasten gerekend, niet alleen door het kabinet maar ook door het CPB, onder meer bij doorrekeningen van de tegenbegrotingen. Als deze lasten hoger zijn dan voorzien in het basispad wordt dat gecompenseerd via partiële lastenverlichting. Deze partiële lastenverlichting kan in vele vormen plaatsvinden. Het kabinet heeft ervoor gekozen om deze mede vorm te geven door het afschaffen van zeven kleine belastingen waardoor het fiscale stelsel eenvoudiger wordt.

De heer Omtzigt stelt als strikte voorwaarde dat het voordeel van de afschaffing van de leidingwaterbelasting geheel ten goede komt aan de bedrijven en burgers die het water gebruiken, en vraagt om een waarborg op dit punt. Het kabinet is van oordeel dat drinkwaterbedrijven het voordeel van de afschaffing van de belasting op leidingwater volledig moeten doorgeven aan de burgers en bedrijven aan wie zij het drinkwater leveren. Ook de koepelorganisatie VEWIN gaat hier van uit. Een garantie dat de afschaffing van de leidingwaterbelasting, en overigens ook de grondwaterbelasting, rechtstreeks ten goede komt aan de gebruikers van leidingwater, biedt artikel 11 van de Drinkwaterwet, in samenhang met artikel 10, derde lid, van het Drinkwaterbesluit. Deze bepalingen schrijven voor dat drinkwaterbedrijven kostendekkende, transparante tarieven hanteren. Jaarlijks moet het bedrijf vóór 1 december een overzicht publiceren van de tarieven in het komende kalenderjaar, waarbij wordt aangegeven hoe deze tarieven zijn afgeleid uit vier limitatief opgesomde categorieën kosten die het waterleidingbedrijf maakt, namelijk operationele kosten, afschrijvingen, vermogenskosten en belastingen. Ik ga er van uit dat hiermee voldoende waarborgen aanwezig zijn dat de afschaffing van de waterbelastingen op een inzichtelijke manier geheel zal worden doorgeleid naar de klant. Wanneer u dat echter toch wenselijk acht ben ik uiteraard bereid om, voordat de belasting op leidingwater per 1 januari 2013 daadwerkelijk wordt afgeschaft, ook expliciet nog eens met de betrokken bedrijven af te spreken dat het wegvallen van de waterbelastingen geheel ten goede zal komen aan de afnemers. Uit contacten met de VEWIN kan worden afgeleid dat deze organisatie de eventuele totstandkoming van zo’n expliciete bevestiging door de drinkwaterbedrijven voortvarend zal ondersteunen.

De heer Omtzigt vraagt of het klopt dat momenteel de verwerking van asbest in een denaturatiefabriek net iets goedkoper is dan het storten van asbest en dat dit na afschaffing weer andersom wordt. Hij vraagt hoe dat opgelost kan worden. Momenteel is storten de enige verwerkingsmogelijkheid voor asbesthoudend afval, het is derhalve niet goedkoper of duurder. Voor een deel van het asbesthoudend afval, te weten hechtgebonden asbestcement, zijn er initiatieven bij het bedrijfsleven om dit te vernietigen in een denaturatiefabriek. Dit proces is echter nog niet operationeel. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is voornemens een stortverbod voor hechtgebonden asbestcement te realiseren zodra dit proces operationeel is. Overigens blijft storten ook dan de enige verwerkingsmogelijkheid voor het overige asbesthoudende afval.

Tevens vraagt de heer Omtzigt of ik kennis heb genomen van de gezamenlijke brief van de afvalbrancheorganisaties aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, en wat ik er van vind dat zij schrijven dat door het wegvallen van de afvalstoffenbelasting een negatief effect zal ontstaan op de afval- en recyclingstructuur van Nederland. Voorts vraagt de heer Bashir naar de effecten de afschaffing van de afvalstoffenbelasting. Ik heb kennis genomen van de genoemde brief en de beantwoording ervan heeft mede namens mij plaatsgevonden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in de brief «Meer waarde uit afval»2 aangegeven hoe hij bij de afschaffing van de afvalstoffenbelasting wil voorkomen dat er meer gestort gaat worden. Zo zal de lijst van afvalstoffen waarvoor een stortverbod geldt, worden uitgebreid en kan bij afvalstoffen waarvoor al een stortverbod dan wel een hogere minimumstandaard voor verwerking geldt het storten worden tegengegaan door verscherpte handhaving. Het kabinet onderschrijft dus onverkort de ladder van Lansink. De verwachting is dat de afschaffing van de afvalstoffenbelasting per saldo niet zal leiden tot een toename van het storten van de hoeveelheid herbruikbare of verbrandbare afvalstoffen.

Daarnaast kan ik de heer Omtzigt melden dat ik ter zake van de afvalstoffenbelasting een overgangsregeling heb ontworpen voor een soepele fiscale afhandeling van de voorraden die zich op 31 december 2011 nog in de inrichting bevinden. Op 31 december 2011 zal er binnen de inrichting afval voorradig zijn dat niet is gestort omdat bij voorbaat bekend is dat het (deels) bedoeld is om het elders te verbranden, te hergebruiken of nuttig toe te passen. De regeling om op 31 december 2011 de balans op te maken van de voorraden en in één keer af te rekenen is na overleg met de sector tot stand gekomen. Hiertoe zullen de voorraden per 31 december 2011 worden geïnventariseerd en zal worden aangegeven wat er zal worden gestort en wat de inrichting zal verlaten om elders nuttig te worden toegepast, te worden hergebruikt of te worden verbrand. De overgangsregeling zal deel uitmaken van de eerstvolgende nota van wijziging.

De heren Omtzigt en Koolmees stellen vragen over de afschaffing van het Eurovignet. De heer Omtzigt merkt daarbij op dat Nederlandse vrachtwagens in met name België alsnog een Eurovignet moeten kopen nadat Nederland dit heeft afgeschaft. Wanneer de andere landen het Eurovignet ook afschaffen is dit niet het geval. Zij vragen daarom of ik de Kamer in januari kan informeren over de ontwikkelingen in deze andere landen en een evaluatiemoment kan inbouwen.

Daarover wil ik opmerken dat het streven van het kabinet er op is gericht dat naast Nederland ook andere landen stoppen met het Eurovignet. Dit zou als voordeel kunnen hebben dat Nederlandse trucks in die landen dan geen Eurovignet betalen. België en Denemarken hebben echter beide aangekondigd op betrekkelijk korte termijn een kilometerheffing voor vrachtwagens te willen invoeren en uit het Eurovignet te stappen. In dat geval zullen Nederlandse trucks in die landen dus toch blijven betalen. Over de mogelijkheid gezamenlijk uit te stappen met België en nog eventueel andere verdragslanden vindt overleg plaats met de Belgische overheid en de Nederlandse brancheorganisaties zoals TLN en EVO. Ik ben graag bereid de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van 2012 per brief te informeren over de stand van zaken naar aanleiding van dit overleg. Ik wil daaraan echter niet de consequentie verbinden dat wanneer geen van de ander landen de heffing staakt, de Nederlandse uitstap geen doorgang vindt. Ik ben van mening dat een mogelijke gezamenlijke uitstap juist dichterbij komt wanneer er van Nederlandse kant een helder signaal wordt afgegeven.

De heer Braakhuis vraagt waarom het kabinet kiest voor fiscale vergrijzing in plaats van vergroening en vereenvoudigingen zoals het afschaffen van de zorgtoeslag of lastige aftrekposten of «subsidies» op fossiele brandstoffen achterwege laat. Nederland is één van de koplopers in Europa met milieubelastingen. Nederland is dus zeker niet grijs of aan het vergrijzen. Een voorbeeld is het wetsvoorstel Wet uitwerking autobrief. Dit wetsvoorstel is er onder meer op gericht om fabrikanten te stimuleren om in de toekomst steeds zuinigere auto’s aan te bieden. Voorts komt het kabinet binnenkort met een wetsvoorstel opslag duurzame energie. Dit zal leiden tot een aanzienlijke verhoging van de energieheffingen. Vergroening heeft wel grenzen. Bij niet of nauwelijks effectieve vergroeningsmaatregelen, is een opschoning wenselijk en een eenvoudiger belastingstelsel mogelijk.

De heer Braakhuis vraagt of het eerlijk is dat energie-intensieve bedrijven een veel lager energiebelastingtarief betalen. De degressieve tariefstructuur van de energiebelasting houdt verband met de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Begin september jl. is het onderzoek van CE Delft en Ecofys «Belastingen op energieproducten, elektriciteit en CO2» naar de Tweede Kamer verzonden. In dat onderzoek is conform de toezegging die is gedaan tijdens de behandeling van het Belastingplan 2011 voor een aantal lidstaten een overzicht gegeven van de energiebelasting in de hoogste schijven. Uit dit onderzoek blijkt dat ook veel andere EU-lidstaten lage tarieven en vrijstellingen voor de energie-intensieve industrie hanteren. Met het oog op het bevorderen van een gelijk speelveld zet het kabinet op Europees niveau in op hogere minimumbelastingtarieven voor energiegebruik. In het kader van de onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de energiebelastingrichtlijn, wordt op dit moment bezien welke ruimte er is voor een verdere vergroening langs deze lijn.

De heer Braakhuis vraagt of het verdedigbaar is dat fossiele energie met € 5,8 mld. wordt «gesubsidieerd», terwijl Nederland achteraan loopt op het gebied van duurzame energie. De Europese Commissie heeft op 20 september jl. de «Roadmap to a Resource Efficient Europe» gepubliceerd. De roadmap is gericht op het omvormen van de Europese economie in 2020 tot een duurzame economie. In de roadmap is ook een paragraaf gewijd aan milieuschadelijke subsidies en het internaliseren van externe kosten. Als mijlpaal is geformuleerd dat de milieuschadelijke subsidies in 2020 moeten zijn uitgefaseerd. Lidstaten moeten in 2012 hun milieuschadelijke subsidies in kaart brengen en aangeven hoe deze worden uitgefaseerd (2012–2013). Het kabinet vindt het belangrijk dat op Europees niveau een discussie gevoerd wordt over milieuschadelijke subsidies. Het Europese traject is nodig om grenseffecten te vermijden en te voorkomen dat Nederlandse bedrijven minder goed kunnen concurreren met bedrijven uit andere Europese landen. Een internationale aanpak is te meer van belang omdat veel verlaagde tarieven en vrijstellingen voor fossiele brandstoffen rechtstreeks het gevolg zijn van communautair recht of van door Nederland gesloten verdragen. Een voorbeeld is de accijnsvrijstelling voor de luchtvaart en scheepvaart. Het kabinet kan alleen op internationaal niveau aandringen op afschaffing van deze vrijstellingen. Voor wat betreft de door de heer Braakhuis genoemde € 5,8 mld. verwijs ik graag naar het debat bij de Algemene Financiële Beschouwingen.

Vennootschapsbelasting

Overnameholding

De heren Huizing, De Groot en Omtzigt hebben een reactie gevraagd op het alternatief van de NOB voor de aftrekbeperking voor overnameholdings. De heer Huizing vraagt tevens naar de reactie van VNO hierop.

Het alternatief dat de NOB heeft voorgesteld voor de aftrekbeperking voor overnameholdings verschilt op een aantal punten van de in het Belastingplan opgenomen bepaling. Uitgangspunt bij het alternatief blijft, zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, dat de overnamerente in beginsel alleen aftrekbaar is van de «eigen» winst van de overnemende vennootschap en niet meer van de winst van de overgenomen vennootschap. Hierbij blijft een bedrag aan overnamerente van € 1 mln. ongemoeid. Een belangrijk verschil met de in het Belastingplan opgenomen renteaftrekbeperking voor overnameholdings is de wijze waarop bepaald wordt of een overname met teveel vreemd vermogen is gefinancierd en of de aftrekbeperking derhalve wel of niet van toepassing is. In het door de NOB voorgestelde alternatief wordt dit bepaald aan de hand van de overnameschuld en de overnameprijs. Dit is een meer transactiegebonden benadering. De overnameschuld mag niet meer zijn dan een bepaald percentage van de overnameprijs. In het voorstel van de NOB is dit 65%. Dit percentage neemt vervolgens elk jaar af met 5%, waardoor na 13 jaar nog 0% rente op de overnameschuld aftrekbaar is. Deze benadering komt in de plaats van de in het Belastingplan opgenomen zogenoemde thin cap-escape waarbij een teveel aan vreemd vermogen bepaald wordt aan de hand van de verhouding tussen het eigen vermogen en vreemd vermogen na de overname. Een ander verschil is dat in het alternatief de «escape» voor gezonde financiering toegepast wordt op het bedrag van de niet-aftrekbare overnamerente dat resteert nadat de overnamerente is verminderd met de «eigen» winst van de overnemende vennootschap en de drempel. Dit is een soepeler benadering dan bij de in het Belastingplan opgenomen bepaling waarin de drempel en de zogenoemde thin cap-escape separaat worden toegepast en het laagste bedrag aan niet-aftrekbare rente vervolgens niet aftrekbaar is. Het NOB-alternatief bevat verder een versoepeling van de doorschuifregeling voor in een jaar niet-aftrekbare overnamerente. Op de naar een volgend jaar doorgeschoven rente wordt in het alternatief (in ieder volgend jaar opnieuw) de drempel en de «escape» voor een gezonde financiering toegepast. In de in het Belastingplan opgenomen bepaling is dit niet het geval en kan de doorgeschoven rente in een volgend jaar alleen in aftrek worden gebracht, indien de overnemende vennootschap in een volgend jaar voldoende «eigen» winst heeft. De drempel en de zogenoemde thin cap-escape worden niet toegepast op de doorgeschoven rente, omdat anders op doorgeschoven rente meerdere malen de drempel en de thin cap-escape van toepassing zouden zijn. Het NOB-alternatief bevat derhalve een aantal versoepelingen ten opzichte van de in het Belastingplan opgenomen bepaling. Het integraal overnemen van dit alternatief zal dan ook tot een budgettaire derving leiden. Indien echter het belangrijkste idee uit het alternatief van de NOB zou worden overgenomen, namelijk de meer transactiegebonden benadering van de wijze waarop bepaald moet worden of een overname met teveel vreemd vermogen is gefinancierd en de systematiek van de bepaling voor het overige gelijk blijft, is er geen budgettaire derving. De structurele opbrengst blijft dan € 155 mln. Het alleen aanpassen van de wijze waarop bepaald wordt of een overname met teveel vreemd vermogen is gefinancierd betekent dat de zogenoemde thin cap-escape op basis van het eigen en vreemd vermogen in de huidige bepaling vervangen wordt door het bepalen van een teveel aan vreemd vermogen aan de hand van de overnameprijs en de overnameschuld. De overnameschuld mag in het jaar van de overname dan niet meer bedragen dan 60% van de overnameprijs, waarbij dit percentage vervolgens 7 jaar lang afneemt met 5% tot 25%. Er vindt derhalve, anders dan in het NOB-voorstel, geen volledige afbouw van het percentage plaats in 13 jaar van 65% naar 0%, maar een afbouw in 7 jaar van 60% naar 25%. De overnameschuld hoeft derhalve niet volledig te worden afgelost. Overnames waarbij de overnemende en overgenomen vennootschap in hetzelfde jaar gevoegd worden, worden hierbij samengenomen. Dit betekent dat de bepaling wordt toegepast op de totale overnameprijs en de totale overnameschuld van het betreffende boekjaar en niet zoals de NOB voorstelt per transactie en per 12 maanden. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven is een voordeel van een dergelijke aanpassing dat belastingplichtigen na een overname zekerheid hebben over of en in welke omvang ze door de renteaftrekbeperking zullen worden getroffen. Die zekerheid blijft bestaan zolang de aftrekbeperking voor overnameholdings van toepassing is. Hier staat tegenover dat de bepaling dan wel lastiger uitvoerbaar is, waardoor sprake zal zijn van hogere uitvoeringskosten. Een ander gevolg is dat de overnamerente niet in aftrek wordt beperkt indien op de overnameschuld voldoende is afgelost, terwijl de schuldenlast gestegen kan zijn omdat bijvoorbeeld schulden zijn aangegaan voor de financiering van andere activiteiten.

VNO en NOB hebben aangegeven een voorkeur te hebben voor de hiervoor omschreven aanpassing van de aftrekbeperking voor overnameholdings. Wat mij betreft zijn zowel de thin cap-escape die thans in het wetsvoorstel is opgenomen als de hiervoor beschreven escape die is ontleend aan het NOB-voorstel acceptabel.

De heer Huizing vindt de eerbiedigende werking voor overnames uit het verleden sympathiek maar vraagt zich af of oude overnames met een excessieve renteaftrek daardoor niet een onterecht concurrentievoordeel krijgen. Een redelijk alternatief zou volgens de heer Huizing zijn dat ook voor overnames uit het verleden een beperking van de renteaftrek geldt in combinatie met een overgangsregeling. Ook de heren Van Vliet en Bashir vragen hiernaar. Het kabinet heeft gekozen voor volledig eerbiedigende werking voor bestaande situaties vanwege het belang van bestendige wetgeving voor het vestigingsklimaat. In de ogen van het kabinet weegt dat zwaarder dan het feit dat in die situaties ook in de toekomst sprake kan zijn van excessieve renteaftrek. Ik ben dan ook niet voornemens overnames uit het verleden onder de aftrekbeperking te brengen. Overigens leidt het onder de aftrekbeperking brengen van overnames uit het verleden niet tot een hogere structurele opbrengst. Het leidt er wel toe dat die structurele opbrengst eerder wordt behaald. Dit in reactie op een vraag van de heer Bashir.

De heren Huizing, Van Vliet en Bashir hebben vragen over de drempel van € 1 mln. De heer Huizing vraagt zich af of er wel een drempel zou moeten zijn, terwijl de heer Van Vliet vraagt naar de mogelijkheden van een hogere drempel. De heer Bashir vindt de drempel te hoog. Volgens hem komt die overeen met een schuld van € 20 mln. Hij vraagt zich af of het MKB zulke grote overnames doet. Blijkbaar wordt hier zeer verschillend over gedacht. Bij de bepaling van de hoogte van de drempel is een afweging gemaakt tussen de wens om enerzijds de administratieve lasten te beperken en overnames door het MKB zoveel mogelijk te ontzien en anderzijds de budgettaire opbrengst van de maatregel op peil te houden. Het kabinet is van mening dat dit wordt bereikt met een drempel van € 1 mln.

De heer Bashir vraagt of de niet in aftrek gebrachte overnamerente onbeperkt kan worden doorgeschoven en of uiteindelijk alle rente in aftrek komt. De niet in aftrek gebrachte rente kan in de tijd onbeperkt worden doorgeschoven. Aftrek in een later jaar is mogelijk als de overnemende vennootschap in dat jaar voldoende «eigen» winst heeft. Indien de overnameschuld met betrekking tot een bepaalde overname geheel is afgelost of de overgenomen vennootschap is ontvoegd, kan de doorgeschoven rente met betrekking tot die overname bij de overnemende vennootschap in aftrek worden gebracht.

Het uitzonderen van derdenrente bij de aftrekbeperking voor overnameholdings kan inderdaad leiden tot mogelijkheden voor belastingplichtigen om de aftrekbeperking te ontlopen, de heer Groot vraagt hiernaar. Belastingplichtigen kunnen in dat geval groepsrente omzetten in derdenrente, waardoor ze niet meer onder de bepaling vallen. Hierbij is van belang dat banken het financieringsrisico meestal op groepsniveau beoordelen, waardoor op groepsniveau wel sprake kan zijn van een gezonde financieringsverhouding, maar bij een groepsvennootschap afzonderlijk niet. De aftrekbeperking voor overnameholdings zou dan ook aan effectiviteit inboeten.

De heer Van Vliet vraagt waarom bij de aftrekbeperking voor overnameholdings geen tegenbewijsregeling is opgenomen conform de concernratio bij de thin capregeling die dan simpel zou moeten worden opgeschreven. De heer Dijkgraaf vraagt ook naar een tegenbewijsregeling en tevens of de aftrekbeperking niet te rigide is en waarom voor de verhouding EV/VV van 1:2 is gekozen. Het doel van de aftrekbeperking voor overnameholdings is primair om te voorkomen dat de winst van de overgenomen vennootschap wordt uitgehold door de overnamerente die is verschuldigd door de overnemende vennootschap. Uitgangspunt bij de renteaftrekbeperking voor overnameholdings is daarom dat de overnamerente van de overnemende vennootschap na een overname niet meer verrekend kan worden met de winst van de overgenomen vennootschap. Hierop wordt vervolgens een uitzondering gemaakt ingeval na de overname sprake is van een gezonde financiering. Hiervan is sprake als de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen na de overname binnen de verhouding 1:2 blijft. Voor deze verhouding is gekozen, omdat hiermee wordt aangesloten bij de normen die banken doorgaans hanteren bij de kredietverlening. Naar de mening van het kabinet is de voorgestelde aftrekbeperking dan ook niet te rigide. Het ligt vervolgens niet voor de hand op de verhouding EV/VV van 1:2 een tegenbewijsregeling op te nemen conform de concernratio bij de thin cap-regeling of voor overnames waarin feitelijk geen sprake is van excessieve financiering, aangezien dit een uitzondering zou zijn op deze verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen die reeds een uitzondering is op de hoofdregel. Daar komt bij dat het opnemen van een tegenbewijsregeling de regeling en de uitvoering daarvan verder zou compliceren en leidt tot een budgettaire derving.

Buitenlandse AB-regeling

De heer Bashir vraagt of voor een beleggingsstructuur de voorgestelde antimisbruikmaatregel van artikel 1, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) een nieuwe regeling vormt dan wel aansluit bij de huidige uitvoeringspraktijk. De coöperatie is thans als zodanig niet als inhoudingsplichtige aangewezen voor de dividendbelasting. Daarom is bij coöperaties tot op heden geen dividendbelasting geheven. Indien een coöperatie op dit moment onderdeel uitmaakt van een internationale structuur met beleggingsinkomsten kunnen de winstuitkeringen van een coöperatie aan haar buitenlandse leden echter al wel in de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting worden betrokken op grond van de buitenlandse AB-regeling. Voor de vraag of sprake is van beleggingsinkomsten sluit de voorgestelde maatregel van artikel 1, zevende lid, van de Wet DB 1965 aan bij de met name in de APA/ATR-praktijk tot stand gekomen invulling van het beleggingscriterium in deze situaties. Door deze maatregel wordt een lid van een coöperatie in misbruiksituaties belastingplichtig voor de dividendbelasting. Deze bepaling stelt zeker dat ook na wijziging van de buitenlandse AB-regeling de winstuitkeringen van coöperaties in beleggingsstructuren in de genoemde situaties kunnen worden belast. Bij de invulling van de voorgestelde maatregel dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU inzake antimisbruikbepalingen. Dit betekent dat voor de vraag of sprake is van een ontgaansconstructie gekeken moet worden of aan de coöperatie een reële functie kan worden toegekend en of de motieven van de leden gelegen zijn in het ontgaan van Nederlandse dividendbelasting of buitenlandse belasting.

De heer Braakhuis vraagt of er geen alternatieve benadering mogelijk is voor de voorgestelde maatregel op grond waarvan een coöperatie in misbruiksituaties inhoudingsplichtige wordt voor de dividendbelasting. Ingevolge de gekozen benadering zal namelijk van geval tot geval op basis van concrete omstandigheden van het voorliggende geval moeten worden beoordeeld of sprake is van een ontgaansconstructie. Dit lijkt hem voor de Belastingdienst erg arbeidsintensief en hij vraagt hoe hiermee in de ons omringende landen wordt omgegaan. De gekozen benadering is noodzakelijk om de voorgestelde maatregel verenigbaar te laten zijn met het EU-recht. Er dient immers aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU waarin wordt gesproken van een «volstrekt kunstmatige constructie».3 Om te bepalen of hiervan sprake is, moet een vergelijkende analyse worden gemaakt of de economische realiteit overeenkomt met de juridische vorm. Dit dient te geschieden op basis van concrete omstandigheden van het voorliggende geval. Eenzelfde benadering geldt voor de toepassing van (specifieke) antimisbruikbepalingen die zijn opgenomen in de wetgeving van de andere lidstaten van de EU.4

Bestedingsreserve

De heer Omtzigt vraagt waarom maatschappelijk vastgoed cq. sociale woningbouw wordt uitgesloten van de bestedingsreserve. Dit leidt naar zijn mening tot minder investeringen en daarmee tot negatieve gevolgen voor de schatkist. De heer Groot is van mening dat de bestedingsreserve belangrijk is voor de woningcorporaties en vraagt wat de budgettaire gevolgen zijn als woningcorporaties gebruik kunnen gaan maken van de bestedingsreserve. Allereerst zou ik willen opmerken dat woningcorporaties met ingang van 2008 integraal belastingplichtig zijn gemaakt, omdat zij zich op de woningmarkt niet onderscheiden van andere professionele aanbieders van woningen. Naast de verhuur van sociale huurwoningen houden zij zich ook bezig met onder meer de verhuur van woningen in de vrije sector, aan- en verkoop van woningen, kantoorgebouwen en winkels, projectontwikkeling, beleggen, renovatie en nieuwbouw. Alhoewel woningcorporaties zich dus onder meer bezighouden met de verhuur van sociale woningen kan voor de toepassing van de faciliteit van de bestedingsreserve niet gezegd worden dat zij behoren tot de sociaal belang behartigende instellingen waarvoor de reserve is bedoeld. Daarnaast wordt opgemerkt dat op gebouwen en dus ook woningen die worden verhuurd, mag worden afgeschreven tot maximaal 100 percent van de WOZ-waarde (de zogenoemde afschrijvingsbeperking). Als woningcorporaties toegang zouden kunnen krijgen tot de bestedingsreserve, dan zouden zij vervolgens hun winst kunnen reserveren en afboeken op nieuwe woningen. Hierdoor komt toch een last tot uitdrukking terwijl afschrijving niet mogelijk is. Ten slotte geldt een budgettaire reden voor de beperking van de bestedingsreserve. Wanneer de woningcorporaties hun winsten kunnen reserveren ten behoeve van toekomstige investeringen betekent dat in de praktijk dat zij feitelijk (vrijwel geheel) vrijgesteld worden van de heffing van vennootschapsbelasting als gevolg van hun grote investeringspotentieel. De te derven opbrengsten kunnen daarbij oplopen tot € 500 mln. structureel.

RDA

De heer Omtzigt vraagt of twee belastingplichtigen die voor gezamenlijke rekening en risico middels een vof onderzoek doen in aanmerking komen voor de Research & Development aftrek (RDA). Indien beide belastingplichtigen beschikken over een S&O-verklaring komen zij in aanmerking voor de RDA.

De heer Huizing vraagt of de RDA kan worden meegenomen naar volgende jaren indien een onderneming na aftrek van de RDA een negatieve fiscale winst heeft. Ook de heer Omtzigt en de heer Koolmees vragen hiernaar, in het bijzonder ten aanzien van kleine innovatieve bedrijven. Voor bedrijven, waaronder startende ondernemers die (nog) geen winst maken, loopt de RDA mee in de reguliere verliesverrekening voor de winstbelasting. Hierdoor kunnen zij hun RDA te gelde maken via de achterwaartse dan wel, als nog niet eerder winst is gemaakt, de voorwaartse verliesverrekening. De RDA kan daardoor in theorie vergolden worden tegen winsten uit ten minste elf kalenderjaren. Het kabinet gaat ervan uit dat dit voor gezonde bedrijven voldoende mogelijkheden biedt om de prikkel te laten werken. In de evaluatie van de regeling zal meegenomen worden in hoeverre ondernemingen de RDA kunnen verzilveren.

De heer Huizing vraagt naar de verwachte spreiding van het profijt van de RDA over de verschillende winstniveaus. De RDA is een generieke regeling die toegankelijk is voor alle innovatieve bedrijven, van kleinbedrijf tot multinational. Verwacht wordt dat, net als bij de S&O-afdrachtvermindering en de S&O-aftrek, alle grootteklassen kunnen profiteren van de RDA. Van de RDA is geen onderverdeling naar verwachte verschillende winstniveaus beschikbaar. De RDA heeft geen drempel en geen plafond. Het RDA aftrekpercentage is voor elke bedrijf gelijk. Het absolute bedrag aan RDA-aftrek wordt dus groter naarmate een innovatieve bedrijf meer gekwalificeerde R&D kosten maakt. In samenhang met de uikomsten van de WBSO-evaluatie over de periode 2006–2010 zal in het voorjaar van 2012 bezien worden hoe de voordelen van de RDA verdeeld zijn over het MKB en de grote ondernemingen.

De heer Omtzigt vraagt of ook een concept van de ministeriële regeling aan de Tweede Kamer kan worden gezonden. De vrees dat de Amvb veel delegeert naar een ministeriële regeling kan ik wegnemen: de ministeriële regeling ziet op slechts twee elementen. In de ministeriële regeling kan, om zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de belastingderving en het budget van de RDA, het percentage worden verlaagd of verhoogd (artikel 6 van de Amvb). Voorts kan de regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling (artikel 9 van de Amvb). Deze mededeling door bedrijven is erop gericht de beschikking in overeenstemming te brengen met de werkelijk gemaakte kosten in het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft. De regeling zal na de dialoog met de Tweede Kamer en het advies van de Raad van State over de Amvb worden opgesteld.

De heer Dijkgraaf vraagt om in het vervolg in de memorie van toelichting per individueel voorstel tot wijziging ook de effectiviteit aan te geven. Het kabinet onderschrijft dat van maatregelen de beoogde effectiviteit moet worden beschreven. Het is niet altijd mogelijk dit kwantitatief te doen, bijvoorbeeld omdat een kwantitatief beleidsdoel ontbreekt of gegevens ontbreken. Wel is het dan vaak mogelijk om de effectiviteit in kwalitatieve termen te duiden, bijvoorbeeld door het geven van inzicht in het gebruik van de regeling en het geven van een plausibele indruk van de effecten van het ingezette instrument. De beoogde effectiviteit van de introductie of de wijziging van een fiscale regeling wordt over het algemeen in de memorie van toelichting weergegeven. In elk geval worden belastinguitgaven vervolgens ook ex post op hun effectiviteit geëvalueerd.

Zelfstandigenaftrek

De heer Dijkgraaf heeft gevraagd naar mogelijkheden om op korte termijn de samenloop van de zelfstandigenaftrek met de toeslagen te beperken. Aftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek verlagen het verzamelinkomen en werken dus door naar de toeslagen. Door de uniformering van de zelfstandigenaftrek wordt het door de heer Dijkgraaf geschetste probleem al minder groot. Het maximum van de huidige zelfstandigenaftrek wordt namelijk afgevlakt. Deze doorwerking kan geheel worden voorkomen door de zelfstandigenaftrek uit het verzamelinkomen te halen, bijvoorbeeld door deze om te zetten in een heffingskorting of in een lager tarief in een aparte winstbox. Heffingskortingen hebben geen invloed op het verzamelinkomen. Bij een dergelijke heffingskorting is wel de vraag of deze net als de overige heffingskortingen ook moet kunnen worden verrekend met de belasting in box 2 en box 3. Voorts heeft het omzetten van de zelfstandigenaftrek in een heffingskorting in principe tot gevolg dat ondernemers de heffingskorting bij een te lage winst (dat wil zeggen de te betalen belasting is lager dan de heffingskorting) niet kunnen verzilveren. Dit doet zich niet voor bij een winstbox. De ondernemersfaciliteiten worden dan omgezet in een lager en meer proportioneel tarief voor ondernemers.

De heer Dijkgraaf heeft gevraagd naar de inkomensgevolgen van het Belastingplan 2012 voor alleenverdienende ondernemers (dat wil zeggen ondernemers met een partner zonder inkomen). Hieronder zijn, in aanvulling op de betreffende tabellen uit de nota naar aanleiding van het verslag, de gevraagde gegevens weergegeven.

Tabel: Te betalen belasting en bijdrage ZVW, te ontvangen toeslagen voor voltijdondernemers en werknemers zonder het Belastingplan 2012, euro’s per jaar (– = teruggaaf van belasting, ontvangen toeslag)1

Winst

10 000

15 000

20 000

40 000

60 000

te betalen belasting over de winst/het loon zonder Belastingplan 2012

     

ondernemer (alleenverdiener)2

0

0

0

5 289

13 521

te betalen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

         

Ondernemer (w.o. alleenverdiener)

18

300

627

1 621

1 889

te ontvangen zorgtoeslag (per jaar)

         

ondernemer (alleenverdiener)

– 1 752

– 1 752

– 1 752

– 1 308

– 336

te ontvangen huurtoeslag (per jaar; huur € 350, servicekosten € 50 per maand)

   

ondernemer (alleenverdiener)

– 2 124

– 2 124

– 2 124

– 60

0

te ontvangen kindgebonden budget (per jaar; twee kinderen 10–12 jaar oud)

   

ondernemer (alleenverdiener)

– 1 464

– 1 464

– 1 464

– 1 464

0

X Noot
1

Bij het berekenen van de toeslagen is gebruik gemaakt van het systeem 2011.

X Noot
2

Bij de te betalen belasting van alleenverdieners is de aan de partner uitbetaalde heffingskorting in mindering gebracht.

Net als bij de in de nota naar aanleiding van het verslag weergegeven groepen, is de te betalen belasting bij ondernemers lager dan bij werknemers met een vergelijkbaar inkomen. Bij de toeslagen doen de verschillen bij alleenverdienende ondernemers en werknemers zich pas voor bij winsten van € 40 000.

In de tweede tabel zijn de effecten van het Belastingplan op de koopkracht van alleenverdienende ondernemers toegevoegd.

Tabel Effecten van het Belastingplan 2012 op de koopkracht van ondernemers (alleenverdieners) via te betalen belasting, inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en toeslagen, € per jaar (-/- = koopkrachtverlagend)1

winst/belastbaar loon

10 000

15 000

20 000

40 000

60 000

ondernemer (alleenverdiener)

         

via te betalen belasting

0

0

0

22

785

via IAB-ZVW

– 98

– 30

84

225

– 361

via mutatie zorgtoeslag

0

0

0

0

84

via mutatie huurtoeslag

0

0

0

– 24

0

via mutatie kindgebonden budget (2 kinderen 10–12 jaar)

0

0

0

0

132

totaal

– 98

– 30

+ 84

+ 223

+ 640

X Noot
1

Bij het berekenen van de effecten via de toeslagen is gebruik gemaakt van het systeem 2011.

De heer Groot vraagt of de premies en de grondslag voor de zorgverzekering voor ondernemers in de winstbox gelijk worden getrokken met die voor werknemers. De invulling van de winstbox is nu nog niet bekend. Eén van de vragen die nog moeten worden beantwoord is hoe het winstinkomen doorwerkt naar de premies voor de volksverzekeringen en de zorgverzekering. Daarbij zal ook worden gekeken naar de positie van ondernemers ten opzichte van werknemers.

De heer Braakhuis heeft gevraagd waarom het kabinet het advies van de SER niet overneemt om het urencriterium om te zetten in een winst- of omzetcriterium. Het urencriterium zorgt er thans voor dat de zelfstandigenaftrek gericht wordt op ondernemers voor wie ondernemen de hoofdactiviteit is. Het criterium voorkomt bijvoorbeeld dat marginale zelfstandige activiteiten in aanmerking komen voor de zelfstandigenaftrek en daarmee de facto zouden worden vrijgesteld van belasting. Tegelijkertijd is het criterium bewerkelijk voor de ondernemer en moeilijk controleerbaar voor de Belastingdienst. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de ondernemersfaciliteiten in een breder perspectief te bezien en de mogelijkheden van een winstbox te onderzoeken. Daarbij worden faciliteiten omgezet in een lager en meer proportioneel tarief voor ondernemers. Bij een winstbox is er dus geen sprake meer van een omvangrijke vaste aftrekpost als de zelfstandigenaftrek. Eén van de voordelen daarvan is dat geen toegangsdrempels meer nodig zijn. Dus noch een urencriterium, noch een winst- of omzetcriterium.

Kindregelingen

De heer Dijkgraaf heeft gevraagd of in de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting een uitzondering kan worden opgenomen voor mensen die wel willen, maar niet kunnen werken omdat zij bij voorbeeld informele zorg verlenen aan een huisgenoot. Deze situatie – gerelateerd aan de mantelzorgers – is ook bij de Algemene Politieke Beschouwingen naar voren gebracht. De Minister-President heeft toegezegd dat de Staatssecretaris van VWS een brief zal sturen over de effecten van kabinetsmaatregelen in de Rijksbegroting 2012 op de (financiële) positie van mantelzorgers. Graag verwijs ik naar de uitkomst hiervan.

De heer Dijkgraaf wijst erop dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) als participatie-instrument een dead weight loss heeft en stelt om die reden vraagtekens bij de verhoging van de IACK. De verhoging van de IACK maakt onderdeel uit van het koopkrachtpakket. Het is een gerichte en effectieve maatregel om de koopkracht van tweeverdieners met kinderen onder de 12 jaar en werkende alleenstaande ouders met kinderen in deze leeftijdscategorie te bevorderen. Op de achtergrond speelt mee dat een aanzienlijk deel van de tweeverdieners en alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar te maken heeft met bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag. De drempel die de zorg voor kinderen kan zijn bij het aanvaarden of uitbreiden van betaalde arbeid kan hierdoor toenemen. Een verhoging van de IACK helpt de koopkrachtgevolgen van de bezuiniging op de kinderopvangtoeslag te beperken. Zowel voor huishoudens die gebruik maken van kinderopvang als voor huishoudens die dat niet doen, maakt de verhoging van de IACK verder ook werken lonender. Uit een studie van het CPB komt naar voren dat de IACK, door de gerichtheid op groepen wier arbeidsaanbod relatief gevoelig is voor financiële prikkels, effectiever is in het beïnvloeden van arbeidsaanbod en werkgelegenheid dan generieke lastenmaatregelen.8 Het exacte effect van de maatregel is op basis van de genoemde studie niet te bepalen. Zoals de heer Dijkgraaf voorrekent, zou het positieve effect op de werkgelegenheid omgerekend inderdaad in de orde van zevenduizend banen kunnen liggen. Dit is een veel beter resultaat dan het nuleffect dat op basis van de studie mag worden verwacht van een verlaging van het tarief in de eerste schijf. Dit bewijst de relatieve effectiviteit van de IACK als participatie-instrument.

Vitaliteitsregeling

De heer Dijkgraaf stelt, onder verwijzing naar de Fiscale agenda en naar artikel van prof. Dr. Stevens9, vraagtekens bij de effectiviteit van de werkbonus. De heer Koolmees vraagt naar de effecten van de werkbonus op de arbeidsparticipatie, en dan in het bijzonder de effecten voor lage inkomens. Bovendien vragen deze leden naar de effecten die de doorwerkbonus heeft gehad op de arbeidsparticipatie van ouderen.

In het kader van discussie rond het pensioenakkoord heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd dat het CPB gevraagd zal worden om de effecten van het vitaliteitspakket op arbeidsparticipatie en houdbaarheid in kaart te brengen. Deze doorrekening ontvangt de Tweede Kamer in november, voor afronding van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW in de Tweede Kamer.10 De vervanging van de doorwerkbonus en de arbeidskorting voor ouderen door de werkbonus leidt tot een vereenvoudiging van het fiscale stelsel en tot een meer effectieve aanwending van middelen. De ouderenregelingen worden in de werkbonus toegespitst op de waarneembare trend van verhoging van de gemiddelde uittreedleeftijd, dit ter ondersteuning van die trend. Een kwalitatieve inschatting is daarom nu wel te geven. Ten eerste wordt met de introductie van de werkbonus de ingangsleeftijd van de stimulering van doorwerken verhoogd van nu 58 jaar (arbeidskorting voor ouderen) naar 61 jaar. Hiermee worden de middelen beter gericht op de groep mensen die uittreedt. Daardoor zal het effect op de arbeidsparticipatie groter zijn. Ten tweede worden de middelen meer gericht op mensen met lagere inkomens. Aangezien de werkbonus voor lagere inkomens een grotere financiële prikkel vormt dan voor hogere inkomens neemt de effectiviteit naar verwachting toe. Ten derde wordt doorwerken direct in de portemonnee gevoeld doordat de werkbonus al in de loonbelasting doorwerkt in tegenstelling tot de huidige doorwerkbonus die alleen in de inkomstenbelasting doorwerkt. Hierdoor wordt de prikkel krachtiger.

Net als de heren Dijkgraaf en Stevens is het kabinet van mening dat arbeidsparticipatie niet alleen draait om financiële prikkels. Dat is waarom het kabinet samen met de sociale partners een breed vitaliteitspakket heeft opgesteld, waarbij niet alleen aandacht is voor financiële prikkels maar ook bijvoorbeeld voor duurzame inzetbaarheid van de werknemer. Belangrijke verantwoordelijkheid ligt ook bij de sociale partners. Het kabinet heeft daarom ook met instemming kennisgenomen van de voorgenomen aanpak door de Stichting van de Arbeid, verwoord in de «Beleidsagenda 2020: investeren in participatie en inzetbaarheid. Hierin streeft de Stichting van de Arbeid ernaar dat de arbeidsparticipatie van mensen boven de 55 jaar niet meer fundamenteel verschilt van de arbeidsparticipatie onder de 55 jaar (normalisering van de arbeidsmarktpositie van ouderen). Mede in het licht van de veranderende arbeidsmarktpositie van ouderen en het borgen van effectiviteit van het instrumentarium zal er in 2019 een integrale evaluatie van regelingen gericht op ouderen plaatsvinden. Om hierbij aan te sluiten, is de horizonbepaling voor de werkbonus op 7 jaar gezet.

De heer Dijkgraaf vraagt naar de overweging achter de grens van € 10 000 bij opname vanaf het jaar dat belastingplichtige 62 jaar wordt. Doel van het vitaliteitspakket is het bevorderen van arbeidsparticipatie van onder andere ouderen. De grens van € 10 000 is hier een ondersteuning van. Met een opname van het brutobedrag van € 10 000 per jaar is financieren van voltijdspensioen de facto niet mogelijk, maar financieren van deeltijdpensioen wel. Deze bepaling sluit daarmee aan bij afspraken uit het Regeerakkoord over het vitaliteitspakket.

De heer Omtzigt vraagt of het vrijvallen van spaarloon in combinatie met het vervallen van de kindertoeslag op het heffingsvrije vermogen in box 3 niet ertoe leidt dat men recht op toeslagen verliest, omdat men boven de vermogensgrens komt. De heer Omtzigt vraagt vervolgens of dit voorkomen kan worden in een overgangsregeling. Voor spaarloon is een overgangregeling getroffen die ertoe leidt dat voor spaarloontegoeden in beginsel de vrijstelling in box 3 blijft gelden in de periode tot en met het jaar 2015. De vrijstelling wordt – net als onder de huidige regeling – navenant verminderd met de bedragen die langer op de spaarloonregeling staan dan de afgesproken blokkeringsperiode. Dit betekent dat de vrijval van het spaarloon in 2012 ten behoeve van de grondslagvaststelling voor box 3 gedoseerd wordt en dat niet ineens het volledige spaarloontegoed bij de grondslag voor box 3 wordt opgeteld. De afschaffing van de kindertoeslag op het heffingsvrije vermogen in box 3 kan ertoe leiden dat naar schatting enkele duizenden gevallen die thans net binnen het heffingsvrije vermogen vallen, boven die grens uitkomen, hetgeen ook gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld de huurtoeslag. Het kabinet begrijpt dat dit als onwenselijk ervaren kan worden, maar aan de andere kant geldt ook dat de kindertoeslag in box 3 nooit tot doel had een hogere norm te stellen in de toeslagensfeer. Het laatste geldt uiteraard ook voor de box 3 vrijstelling voor spaarloon.

De heer Omtzigt vraagt om een reactie op brief van CNV over vitaliteitssparen. Kern van de brief van de CNV is dat de voordelen van het vitaliteitssparen ten opzichte van normaal sparen beperkt zijn en dat vitaliteitssparen soms zelfs negatieve financiële gevolgen kan hebben, omdat bij opname van vitaliteitssparen een hoger belastingtarief van toepassing kan zijn dan bij inleg. De redenering van CNV klopt theoretisch. Het mogelijke nadeel is inherent aan de keuze voor de systematiek waarbij inleg aftrekbaar is en opname belast. Dezelfde systematiek geldt overigens ook in het kader van de huidige levensloopregeling waar dit nadeel mogelijk ook kan ontstaan. Uitgangspunt is echter dat vitaliteitssparen aangewend wordt in de situaties waarin sprake is van inkomensachteruitgang, bijvoorbeeld vanwege het opnemen van studie- of zorgverlof of in perioden van inkomensterugval bij ZZP’ers. Het hierboven geschetste nadeel doet zich dan niet voor. Dit sluit aan bij de doelen die het kabinet met vitaliteitssparen voor ogen heeft. Juist in tijden van inkomensterugval is deze regeling fiscaal aantrekkelijk wanneer dat gepaard gaat met belastingheffing tegen een lager belastingtarief. Een ander voordeel van vitaliteitssparen is dat IB-ondernemers ook mee kunnen doen. Juist deze groep kent een volatiel inkomen.

De heer Omtzigt vraagt ook of de grens van € 20 000 voor vitaliteitssparen wel voldoende stijgt en wat de gevolgen zijn van het overschrijden van de grens van € 20 000 door behaalde rendementen. Allereerst merk ik op dat het bedrag van € 20 000 jaarlijks wordt geïndexeerd met de tabel correctiefactor. Ten tweede geldt dat als door behaalde rendementen het spaarsaldo boven de geïndexeerde grens van € 20 000 uitkomt er voor het volledige bedrag een box 3 vrijstelling geldt. Wel is het zo dat zodra de geïndexeerde grens van € 20 000 wordt bereikt – hetzij door inleg hetzij door oprenting – er niet meer fiscaal voordelig mag worden ingelegd in vitaliteitssparen.

De heer Van Vliet vraagt onder welke voorwaarden de levensloopregeling afgeschaft kan worden. Uit de evaluatie van de levensloopregeling blijkt dat deze niet aan de verwachtingen voldoet. Het kabinet is het eens met deze leden dat afschaffen van de levensloopregeling een belangrijke vereenvoudiging betekent. Vanuit dat oogpunt ligt het voor de hand om dit zo snel mogelijk plaats te laten vinden. Tegelijkertijd dient het kabinet ook rekening te houden met opgebouwde rechten en het vertrouwen dat mensen aan bestaande wetgeving ontlenen. Evenwicht tussen deze twee doelstellingen heeft het kabinet proberen te bereiken door de vormgeving van de overgangsregeling. Deelname aan de overgangsregeling is alleen mogelijk als de waarde in het economische verkeer van de aanspraak ingevolge levensloopregeling op 31 december 2011 € 3 000 of meer bedraagt. Tevens wordt de levensloopverlofkorting afgeschaft. Vooral de laatste aanpassing zorgt ervoor dat het verschil tussen de levensloopregeling en vitaliteitssparen kleiner wordt, waardoor deelnemers aan de overgangsregeling worden gestimuleerd om over te stappen naar vitaliteitssparen. In 2013 kan het opgebouwde levenslooptegoed zonder maximum fiscaal geruisloos worden omgezet in vitaliteitssparen. Na 2013 geldt dat voor levenslooptegoeden tot het dan voor vitaliteitssparen geldende totale maximum (van € 20 000 in cijfers 2012).

De heer Braakhuis vraagt waarom de in het Regeerakkoord genoemde bestedingsdoelen van vitaliteitssparen zijn losgelaten. Het kabinet kiest met vitaliteitssparen voor een brede, eenvoudige en goed uitvoerbare fiscale regeling. Met deze regeling geeft het kabinet burgers meer vrijheid en verantwoordelijkheid hun carrière zelf vorm te geven. Door de regeling niet scherp toe te snijden op bepaalde doelen, kiest het kabinet ervoor om mensen de ruimte te geven om geheel zelf te bepalen waaraan en wanneer ze het in het kader van vitaliteitssparen gespaarde geld uitgeven. Daarnaast zijn er praktische redenen om de regeling niet toe te spitsen op enkele doelen. De Belastingdienst kan de controle op opnamedoelen niet uitvoeren. Het neerleggen van de uitvoering van de controle bij werkgevers of financiële instellingen heeft twee belangrijke nadelen. Ten eerste gaat een adequate controle van opnamedoelen gepaard met een forse stijging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Ten tweede is een regeling die wordt uitgevoerd door werkgevers niet toegankelijk voor IB-ondernemers en resultaatgenieters met arbeidsinkomen.

Nieuwe renteregeling

De heren Van Vliet en Koolmees vragen waarom er niet aangesloten wordt bij de marktrente in plaats van de hogere wettelijke rente. Om misverstanden te voorkomen: de belastingrenteregeling is gebaseerd op een marktrente. De wettelijke rente is namelijk afgeleid van de herfinancieringsrente van de ECB. De keuze voor de wettelijke rente is in de eerste plaats ingegeven door de wens om zoveel mogelijk aan te sluiten op de renteregeling van de Algemene wet bestuursrecht. Deze renteregeling gaat uit van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties die momenteel 4% bedraagt. Er is overigens ook een wettelijke rente voor handelstransacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties, die aanzienlijk hoger is en momenteel 8,25% bedraagt. De basisrente die de banken rekenen voor zakelijke kredieten ligt momenteel op een hoger niveau dan de wettelijke rente (in de orde van 4,25%–4,75%). Ten slotte is er ook een budgettair belang. De nieuwe renteregeling levert met het huidige rentepercentage van de wettelijke rente (4%) een besparing op van € 400 mln. Daarmee kan de taakstelling uit het Regeer- en Gedoogakkoord gerealiseerd worden. Met een lager rentepercentage lukt dat niet. Een verlaging van het huidige wettelijke rentepercentage met één procentpunt leidt namelijk tot een minderopbrengst van € 135 mln.

De heer Omtzigt vraagt om een heroverweging binnen de budgettaire kaders van de maatregel om geen invorderingsrente te vergoeden als sprake is van een gehonoreerd bezwaar of beroep tegen een aanslag die inmiddels betaald is en van de maatregel om belastingrente in rekening te brengen over de betalingstermijn van de aanslag. Hij vraagt voorts of budgettaire kaders wel worden bereikt als rechters een onkostenvergoeding gaan geven voor renteverlies. Een heroverweging van deze maatregelen in de zin dat invorderingsrente wel zou worden vergoed over het te veel betaalde bedrag op de belastingaanslag en dat belastingrente slechts in rekening zou worden gebracht tot aan de dagtekening van de belastingaanslag leidt tot een minderopbrengst van circa € 100 mln. De taakstelling uit het Regeer- en Gedoogakkoord zou daarmee niet gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast heeft de belastingplichtige het zelf in de hand om de gevolgen van deze maatregelen te voorkomen. Belastingplichtigen die bezwaar maken tegen hun aanslag hebben een keuzemogelijkheid: betalen vooruitlopend op het bezwaar of vragen om uitstel van betaling. Uitstel van betaling kan op een makkelijke manier worden verkregen. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, hoeft er niet betaald te worden en wordt er geen rentenadeel geleden. Als het bezwaar niet wordt gehonoreerd moet er alsnog worden betaald met invorderingsrente. Dit is een uitvloeisel van het procesrisico dat inherent is aan het maken van bezwaar tegen de aanslag. Mocht de Belastingdienst uitstel van betaling weigeren, hetgeen slechts bij uitzondering zal voorkomen, dan wordt wel rente vergoed als achteraf blijkt dat de aanslag te hoog was. Voor wat betreft het rekenen van belastingrente over de betalingstermijn: belastingplichtigen kunnen voorkomen dat er überhaupt belastingrente wordt gerekend. Als zij op tijd hun aangifte inkomstenbelasting indienen krijgen zij een aanslag voor 1 juli na afloop van het belastingjaar en wordt er helemaal geen rente berekend. Om het rekenen van belastingrente te vermijden kunnen belastingplichtigen bovendien vragen om een voorlopige aanslag of vragen om een herziening van hun voorlopige aanslag teneinde betalen van de belasting na 1 juli volgend op het belastingjaar te voorkomen.

Naar aanleiding van de vraag van de heer Omtzigt over de onkostenvergoeding het volgende. De nieuwe renteregeling levert in de ogen van het kabinet geen onrechtmatigheid op in die zin dat rechters in verband daarmee zouden kunnen besluiten tot het toekennen van een schadevergoeding. Er wordt namelijk een uitputtende wettelijke renteregeling tot stand gebracht. De jurisprudentie van de Hoge Raad geeft geen aanleiding om te vrezen voor risico’s met betrekking tot de budgettaire kaders.

De heer Koolmees vraagt hoeveel van de bezuinigingen bij het midden- en kleinbedrijf neerslaat. Hij vraagt tevens of rentebetaling mogelijk is als de Belastingdienst te veel uitbetaalt of te weinig geeft. Het is niet aan te geven welk deel van de bezuinigingen neerslaat bij het midden- en klein bedrijf omdat de inkomsten- en uitgaven in de sfeer van de heffings- en invorderingsrente uitsluitend per belastingmiddel worden geregistreerd. In het algemeen kan worden gesteld dat de lagere rentekosten met name worden bereikt door niet meer automatisch bij teruggaven rente te vergoeden, maar dat alleen te doen in situaties waarbij het aan de Belastingdienst te wijten is dat de teruggave te laat ter beschikking van de belastingplichtige komt. Momenteel zijn veel belastingplichtigen bereid om geen of een te lage voorlopige teruggave te ontvangen of een te hoge voorlopige aanslag te betalen omdat zij daarvoor met een relatief hoge rentevergoeding gecompenseerd worden zodra zij hun aangifte ingediend hebben. Dit zogenoemde sparen bij de fiscus leidt tot ongewenste effecten. In de nieuwe renteregeling wordt niet meer standaard invorderingsrente vergoed vanaf 1 januari na het belastingjaar indien de belastingplichtige naar aanleiding van zijn aangifte een teruggaaf ontvangt omdat hij in het belastingjaar zelf een te hoge voorlopige aanslag heeft gekregen en betaald. Deze situatie doet zich meestal voor bij bedrijven. Als de Belastingdienst een fout maakt waardoor per ongeluk een te groot bedrag wordt uitbetaald dan zal het herstel hiervan geen gevolgen hebben in de rentesfeer. De beschikking tot terugbetaling zal in dit geval niet gepaard gaan met het rekenen van rente. Als de Belastingdienst een fout maakt waardoor een te laag bedrag wordt uitbetaald kan het herstel daarvan wel leiden tot rentevergoeding.

De heer Braakhuis vindt het erg onredelijk dat belastingplichtigen belastingrente in rekening gebracht krijgen over de betalingstermijn van de aanslag terwijl ze geen rentevergoeding krijgen als zij teveel belasting hebben betaald. Hij vraagt om een nieuwe renteregeling. Ik betreur het dat ik de heer Braakhuis nog niet heb kunnen overtuigen van de evenwichtigheid en de redelijkheid van de voorgestelde renteregeling. De renteregeling betekent een forse vereenvoudiging voor het overgrote deel van de IB-plichtigen. De maatregelen van de renteregeling zoals die nu wordt voorgesteld zijn ook niet onredelijk. De nieuwe renteregeling stelt belastingplichtigen in staat om te voorkomen dat er überhaupt belastingrente wordt gerekend, dit in tegenstelling tot de huidige heffingsrenteregeling. Als zij op tijd hun aangifte inkomstenbelasting indienen krijgen zij een aanslag voor 1 juli na afloop van het belastingjaar en wordt er helemaal geen rente berekend. Om het rekenen van belastingrente te vermijden kunnen belastingplichtigen bovendien vragen om een voorlopige aanslag of op eenvoudige wijze om een soepele herziening van hun voorlopige aanslag vragen teneinde betalen van de belasting na 1 juli volgend op het belastingjaar te voorkomen. Alleen belastingplichtigen die pas na de termijn die daarvoor staat voldoen aan hun wettelijke verplichtingen, kunnen bij een te betalen aanslag geconfronteerd worden met rente. Daarnaast zijn er belastingplichtigen die uitstel vragen voor het doen van aangifte. Door gebruik te maken van deze faciliteit zullen ook zij in beginsel met rente te maken kunnen krijgen. In die gevallen kan de inspecteur de aanslag en de daaraan gekoppelde betalingsverplichting door toedoen van de belastingplichtige pas op een laat moment vaststellen en rekent hij om die reden ook belastingrente tot het eind van de betalingstermijn. Daarnaast is één van de uitgangspunten van de nieuwe renteregeling dat het vergoeden van rente bij een teruggave van belasting na afloop van het belastingjaar niet automatisch meer plaats vindt. Het vergoeden van rente wordt voortaan gekoppeld aan het niet nakomen van de wettelijke behandeltermijnen door de Belastingdienst. Voor de vaststelling van een belastingteruggaaf is de Belastingdienst afhankelijk van de informatie van de belastingplichtige in de vorm van een aangifte of een (herzienings-)verzoek. Vervolgens heeft de Belastingdienst een bepaalde verwerkingstijd nodig. In de regeling belastingrente wordt de vergoeding van rente gekoppeld aan de 13 weken c.q. 8 weken termijn voor de inspecteur om een teruggaafbeschikking vast te stellen. Die termijn gaat echter pas lopen na indiening van de aangifte c.q. het verzoek. Als de belastingplichtige op een laat tijdstip zijn aangifte of een verzoek indient, is er geen aanleiding om tot rentevergoeding over te gaan. Zou dat wel zo zijn, dan zou dat het sparen bij de fiscus weer stimuleren omdat het dan weer aantrekkelijk wordt om op een laat tijdstip een teruggaafbeschikking te krijgen van de inspecteur. Het kabinet is daarom van mening dat de nieuwe renteregeling wel evenwichtig is en hoopt de heer Braakhuis hiervan alsnog te kunnen overtuigen.

Koopkrachtpakket

De heer Braakhuis vraagt of het wenselijk is als werkenden en zelfstandigen minder belasting zouden hoeven te betalen in verband met koopkracht, en dient een amendement in met verlaging van de eerste en tweede schijf te financieren uit een sterke vergroening van het belastingstelsel.

Uiteraard ben ik met de heer Braakhuis eens dat het wenselijk zou zijn om de koopkracht van huishoudens te bevorderen. Het kabinet heeft binnen de beschikbare budgettaire ruimte een evenwichtig koopkrachtbeeld bewerkstelligd. De voorstellen van de heer Braakhuis staan haaks op het kabinetsbeleid, met name op het punt van het afschaffen van kleine belastingen. Afgezien daarvan is sprake van forse lastenverzwaringen voor het bedrijfsleven. Dit leidt enerzijds tot een verslechtering van de concurrentiepositie en anderzijds via afwenteling tot een hogere inflatie die het gewenste koopkrachteffect weer grotendeels teniet doet.

De heer Dijkgraaf vraagt of het kabinet bereid is om maatregelen met betrekking tot de koopkracht van een horizonbepaling te voorzien. Het kabinet is van mening dat een horizonbepaling in dat geval niet effectief is. Koopkrachtmaatregelen zijn in de regel bedoeld om binnen de budgettaire randvoorwaarden het volgend jaar te komen tot een activerend en evenwichtig koopkrachtbeeld. Dit is een jaarlijks proces. Maatregelen uit eerdere jaren die door een horizonbepaling zouden vervallen, zouden dit proces doorkruisen.

De heer Bashir is van mening dat de verkorting van de eerste schijf geen belasting voor de rijken oplevert en vraagt zich af waarom het kabinet geen extra hoog toptarief instelt, zoals in andere landen. In het Belastingplan 2012 wordt de derde schijf ceteris paribus met € 150 verkort. Mensen met een belastbaar inkomen boven de € 56 641 betalen over deze € 150 niet langer 42%, maar 52% belasting. Deze maatregel is onderdeel van het koopkrachtpakket dat tot doel heeft te streven naar een evenwichtig koopkrachtbeeld. Het kabinet is niet van plan om een extra verhoging van het toptarief in te voeren. Over dergelijke voorstellen wordt veel gesproken, maar zij worden niet altijd ingevoerd. Zo heeft het voorstel van president Obama om miljonairs extra belasting te laten betalen, schipbreuk geleden. In andere landen waar wel een extra belasting voor hogere inkomens is ingevoerd, zoals in het Verenigd Koninkrijk, is het verhoogde tarief nog steeds lager dan het Nederlandse toptarief van 52%. Verder moet worden bedacht dat hoge inkomens ook bijvoorbeeld een lagere kinderopvangtoeslag ontvangen, aspecten die ook een rol spelen voor wat er onder aan de streep overblijft.

Tijdelijke verlaging tarief overdrachtsbelasting

De heer Koolmees en de heer Bashir vragen waarom niet is gekozen voor een structurele oplossing voor de woningmarkt in plaats van de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting. De heer Koolmees vraagt wat er na 1 juli 2012 gebeurt met het tarief overdrachtsbelasting. Het kabinet is bezig met een structurele aanpak van de woningmarkt door middel van de hervorming van de huurmarkt. Voor de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting isgekozen om de doorstroming te bevorderen. Daar ligt nu een acuut probleem dat het kabinet met die maatregel heeft willen aanpakken. Juist door de tijdelijkheid van de maatregel wordt een impuls gegeven om nú een huis te kopen.

Vrijwillige voortzetting pensioen

De heer Omtzigt vraagt of het kabinet een onderbouwing kan geven van de raming van de verlengde vrijwillige voortzetting, met name gelet op ramingen van het vorige kabinet. Het vorige kabinet heeft het budgettair belang dat is gemoeid met de uitbreiding van de faciliteit voor vrijwillige voortzetting van drie naar tien jaar na ontslag geraamd op € 25 mln. Dat bedrag is bij een tweetal gelegenheden aan de Tweede Kamer gecommuniceerd.11 Het bedrag is gebaseerd op een extrapolatie van de raming van de kosten van de huidige mogelijkheid (gedurende drie jaar) van de vrijwillige voortzetting. Bij de huidige raming van de verlengde vrijwillige voortzetting wordt een budgettair beslag verondersteld van € 15 mln. Het verschil ten opzichte van de eerdere raming kan worden verklaard door het feit dat bij de door het kabinet voorgestelde verlengde vrijwillige voortzetting, in afwijking van hetgeen bij de raming van € 25 mln. is verondersteld, een wijziging zal worden aangebracht in de begrenzing van het pensioengevend loon. Uitgangspunt is dat het pensioengevend loon niet hoger mag zijn dan het loon dat voorafgaand aan het ontslag werd genoten (het « «laatstverdiende» pensioengevend loon»). Het ligt bij een voortzetting van de pensioenregeling namelijk niet in de rede een hogere pensioengrondslag te hanteren dan gedurende de dienstbetrekking. In aanvulling op dit uitgangspunt wordt bij de verlengde vrijwillige voortzetting vanaf het vierde kalenderjaar na het jaar van ontslag bij de bepaling van het maximum pensioengevend loon voorts een koppeling aangebracht met een actueel inkomensgegeven van de belastingplichtige. Vanaf het vierde kalenderjaar na het jaar van ontslag wordt daarom tevens aansluiting gezocht bij de inkomensbestanddelen die bij het bepalen van de fiscale premiegrondslag in de derde pijler worden gehanteerd. Het gaat daarbij – kort gezegd – om het gezamenlijke bedrag van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de gewezen werknemer. Deze dubbele maximering van het pensioengevend loon heeft tot gevolg dat het budgettair beslag van de verlengde vrijwillige voortzetting kon worden teruggebracht van € 25 mln. naar € 15 mln.

Reikwijdte afdrachtvermindering onderwijs

De heer Groot vraagt of hard te maken is dat het uitzendbureau het voordeel van de afdrachtvermindering onderwijs in eigen zak steekt. Er zijn signalen uit de praktijk dat niet in alle gevallen bij de prijsafspraken tussen intermediaire werkgever en leerbedrijf rekening gehouden wordt met het in aanmerking nemen van de afdrachtvermindering onderwijs bij de intermediaire werkgever in plaats van bij het erkende leerbedrijf. Het zou hier vooral om de kleinere leerbedrijven gaan die niet of niet voldoende bekend zijn met de afdrachtvermindering onderwijs. Er zijn geen concrete aantallen bekend.

De heer Koolmees vraagt te reageren op de berichten van mogelijk verlies van leerwerkplaatsen bij invoering van de maatregel binnen de afdrachtvermindering onderwijs. Dezelfde vraag is onderwerp van Kamervragen van de leden Çelik en Hamer aan de ministers van OCW en SZW van 28 oktober jl.12 Als reactie verwijs ik naar de antwoorden op die Kamervragen die nog vóór de plenaire behandeling van onderhavig wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zullen worden toegezonden.

De heer Omtzigt verzoekt om overleg te voeren met de uitzendbranche over de uitwerking van de maatregel binnen de afdrachtvermindering onderwijs. Afgelopen woensdag heeft een overleg plaatsgevonden met een vertegenwoordiging van de uitzendbranche (ABU, STOOF en FNV Bondgenoten) over de maatregel. Daaruit is naar voren gekomen dat we gelijke doelen dienen met de maatregel, namelijk het behouden van leerwerkplaatsen en de kwaliteit daarvan en het terecht laten komen van de afdrachtvermindering onderwijs daar waar de kosten van de beroepspraktijkvorming worden gemaakt. Er bestaat geen discussie dat het leerbedrijf de beroepspraktijkvorming als onderdeel van de mbo-opleiding verzorgt, inhoudende het aanbieden van de bpv-plaats met bijbehorende vakinhoudelijke begeleiding, en daarvoor ook via de afdrachtvermindering onderwijs gecompenseerd moet worden. Ingeval er sprake is van inschakeling van een intermediaire werkgever blijkt in de huidige praktijk overige begeleiding door de intermediaire werkgever te worden verricht. Om uitzendorganisaties mogelijk te maken deze begeleiding ook in de toekomst op zich te blijven nemen, is in overleg met de uitzendbranche gekomen tot een enigszins andere invulling van de voorwaarden rondom het gebruik van de afdrachtvermindering onderwijs door intermediaire werkgevers. Bij de invulling van de bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden zal een strikte doorgeleiding van de afdrachtvermindering onderwijs door de intermediaire werkgever aan het leerbedrijf niet langer aan de orde zijn. Voldoende is dat het partijen kenbaar is dat recht bestaat op afdrachtvermindering onderwijs en dat dit in de overeenkomst van opdracht tot uitdrukking komt door te vermelden dat partijen in onderling overleg tot een transparante aanwending van de afdrachtvermindering zullen komen, rekening houdend met de onderling overeengekomen taakverdeling in relatie tot waarvoor de afdrachtvermindering onderwijs compensatie bedoeld te bieden. Op deze wijze wordt de benodigde duidelijkheid gecreëerd, wordt recht gedaan aan doel en strekking van de afdrachtvermindering en wordt de uitvoeringspraktijk niet onnodig belast. De uitwerking in de ministeriële regeling zal worden afgestemd met de vertegenwoordiging van de uitzendbranche. Overigens hebben zij ook aangegeven voorstander te zijn van het stellen van de eis dat, indien de intermediair een uitzendbureau is, deze over een SNA-keurmerk beschikt. Deze gedachte spreekt mij aan. Indien de Kamer daarmee in kan stemmen ben ik bereid nader te bezien of die nadere eis kan worden gesteld. Bezien moet worden of daarvoor een aanvullende wetswijziging nodig is.

30%-Regeling

Verschillende leden hebben gevraagd naar de gevolgen van de salarisnorm voor werknemers in de wetenschap in het bijzonder de jonge onderzoekers. Zo vragen de heer Huizing en de heer Omtzigt of de salarisgrens voor deze groepen niet te hoog is. Ook de heer Dijkgraaf vraagt naar de gevolgen voor jonge onderzoekers en daarnaast naar de gevolgen voor groepen als de net gepromoveerden.

De salarisnorm is geïntroduceerd enerzijds om duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer iemand specifiek deskundig is en anderzijds om de budgettaire houdbaarheid van de regeling te waarborgen. In de meeste gevallen is het salaris een goede indicatie voor schaarse en specifieke deskundigheid. Echter, zoals dat voor iedere absolute norm geldt, kent ook de salarisnorm een zekere grofheid. Met name het wetenschappelijk onderzoek is een sector gebleken, waarbij het loon in verhouding tot het opleidingsniveau lager ligt waardoor een relatief groter aandeel van de huidige gebruikers van de 30%-regeling niet zou voldoen aan de salarisnorm. Zo blijkt het merendeel van de werknemers dat wetenschappelijk onderzoek doet aan universiteiten en dat ouder is dan 30 jaar niet te voldoen aan de salarisnorm van ruim € 50 000 exclusief vergoeding. Ook de salarisnorm voor promovendi en net gepromoveerden van ruim € 26 000 exclusief vergoeding blijkt voor deze sector in de meeste gevallen te hoog. Het is dan ook denkbaar om voor deze groep, die wel goed past binnen het karakter van de 30%-regeling, een uitzondering te maken op de salarisnorm. Dit zou consistent zijn met de kennismigrantenregeling waar ook specifiek voor deze groep een uitzondering op de salarisnormen wordt gemaakt. In aansluiting bij de kennismigrantenregeling zou ervoor kunnen worden gekozen om in de 30%-regeling geen salarisnorm te stellen voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen aan universiteiten of bij van overheidswege gesubsidieerde onderzoeksinstellingen en voor artsen in opleiding. Een dergelijke uitzondering voor de wetenschap leidt tot een budgettaire derving van € 7 mln. structureel. Het heeft mijn sterke voorkeur om de dekking voor deze uitzondering binnen de 30%-regeling zelf te zoeken.

Het is niet wenselijk om ook andere sectoren of beroepen specifiek uit te zonderen van de salarisnorm. Allereerst omdat iedere uitzondering ten koste gaat van de eenvoud en de eenduidigheid van de regeling. Ten tweede zou het bij andere sectoren of beroepen dan de wetenschap meer arbitrair worden voor wie wel en wie geen uitzondering zou moeten worden gemaakt, met het risico van uitholling van de regeling. Met alleen een uitzondering voor de wetenschap wordt bovendien aansluiting behouden met de uitzonderingen op de salarisnorm in de kennismigrantenregeling.

Overigens geldt ook voor werknemers die niet in aanmerking komen voor de 30%-regeling dat zij nog steeds de werkelijke extraterritoriale kosten vrij van loonbelasting vergoed kunnen krijgen.

De heer Bashir vraagt of alle tweeduizend Nederlanders die nu onder de 30%-regeling vallen door de aanpassingen uit de 30%-regeling vallen. De 30%-regeling wordt aangepast om onbedoeld gebruik in te dammen. Een van deze soorten onbedoeld gebruik betreft werknemers die meer dan 10 jaar geleden Nederland hebben verlaten om bijvoorbeeld in het buitenland te werken. Bij terugkeer kan nu onder omstandigheden recht op de 30%-regeling bestaan, dit terwijl voor deze werknemers niet gezegd kan worden dat zij in dezelfde mate extraterritoriale kosten hebben, Nederland was en wordt immers weer hun thuisland. Met de verlenging van de termijn uit de kortingsregeling voor perioden in het buitenland wordt bereikt dat bij terugkeer in Nederland men minder snel in aanmerking komt voor de 30%-regeling. Deze kortingsregeling is alleen van toepassing op nieuwe gevallen en zorgt niet voor een verkorting van de looptijd van bestaande beschikkingen.

De heer Groot vraagt naar de budgettaire gevolgen van een verdere verlaging van de salarisnorm voor jonge promovendi en gepromoveerden met € 2000 of € 4 000 euro. Dit effect is minder dan € 1 mln.

De heer Huizing vraagt naar een ongelijkheid in de regeling van de 150 kilometergrens. Hij wijst daarbij enerzijds op de buitenlandse werknemer die 100 km van de grens woont en 60 km in Nederland moet reizen en anderzijds op de buitenlandse werknemer die 151 km van de grens woont en 9 kilometer in Nederland moet reizen. Beiden reizen 160 kilometer. De eerstgenoemde werknemer valt niet in de 30%-regeling en de als tweede genoemde werknemer wel. Ook heeft de heer Omtzigt op dit punt gevraagd naar een reactie op een opmerking van het NOB. Bij de 150 kilometergrens is het de bedoeling om grenswerkers die binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen voorafgaand aan hun dienstbetrekking in Nederland uit te sluiten van de 30%-regeling. Achtergrond hiervan is dat die grenswerkers in het algemeen veel lagere of geen extraterritoriale kosten hebben. Doordat deze werknemers onder de 30%-regeling vallen zijn zij veel goedkoper voor werkgevers dan Nederlandse werknemers die op een vergelijkbare reisafstand in Nederland wonen. Die ongelijkheid wil ik wegnemen. Zoals bij elke absolute grens kent ook de 150 kilometergrens echter een zekere grofheid. Het aansluiten bij de afstand tussen de woonplaats voorafgaand aan de tewerkstelling en de plaats van tewerkstelling in Nederland – zoals de NOB voorstelt – zou lastig uitvoerbaar en handhaafbaar zijn voor de Belastingdienst. Denk bijvoorbeeld aan een werknemer die per werkweek werkzaam is op verschillende kantoren in het land. Wat is dan de werkplaats in Nederland? Hierin schuilt bovendien een risico van oneigenlijk gebruik.

De heer Huizing vraagt of de 150 kilometergrens hemelsbreed of op basis van een normaal te nemen route wordt bepaald. De 150 kilometergrens is hemelsbreed. Het gaat erom of de woonplaats van de buitenlandse werknemer voorafgaand aan zijn dienstbetrekking in Nederland buiten een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens ligt. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat die werknemer extraterritoriale kosten heeft en mag de werkgever die kosten onbelast vergoeden tot maximaal 30% van het loon (inclusief de 30%-vergoeding, maar exclusief overige eindheffingsbestanddelen).

De heer Omtzigt wijst erop dat een Vlaamse Europarlementarier de Europese Commissie gevraagd heeft naar de 150 kilometergrens, en stelt voor om de Europese Commissie het beslissende antwoord te laten geven op de vraag of de 150 kilometergrens in overeenstemming is met het Europese recht. Er is geen reden om aan te nemen dat de 150 kilometergrens in strijd is met het Europese recht, zie hiervoor ook de argumentatie van het kabinet in de nota naar aanleiding van het verslag. Voorts moet worden opgemerkt dat, als het gaat om deze regeling, alleen de rechter in staat is definitieve uitspraken over de verenigbaarheid met het Europese recht te doen. De Europese Commissie kan hierover niet beslissen. Een antwoord van de Europese Commissie op dit punt biedt daardoor geen enkele extra zekerheid.

De heer Bashir vraagt of werknemers die voor de tewerkstelling in Nederland woonachtig waren binnen 150 kilometer van de Nederlandse grens, zoals Belgische werknemers of werknemers uit westelijk Duitsland, niet kunnen beschikken over specifieke deskundigheid. Verder vraagt hij of het niet mogelijk is om voor kenniswerkers die binnen de grens van 150 kilometer wonen toch de 30% regeling toe te passen als zij naar Nederland verhuizen. Het is niet zo dat werknemers die voorafgaand aan hun tewerkstelling binnen 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden niet over specifieke deskundigheid beschikken. Wel is het zo dat deze werknemers geen of zeer weinig extraterritoriale kosten hebben waardoor het 30%-forfait naar mening van het kabinet voor deze groep te ruim uitpakt. Daarom wordt voorgesteld om deze groep door middel van de 150 kilometergrens buiten het 30%-forfait te houden. Zij kunnen nog wel steeds de daadwerkelijk gemaakte extraterritoriale kosten vrij van loonbelasting vergoed krijgen. Het is niet mogelijk om voor deze groep toch de 30%-regeling toe te passen als zij naar Nederland verhuizen, omdat dit in strijd zou zijn met het Europese recht. Het Europese recht staat het niet toe om onderscheid te maken tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, tenzij zij zich objectief in een niet-vergelijkbare situaties bevinden. Het voorstel van de heer Bashir zou beteken dat iemand die vanuit bijvoorbeeld Zuid-België naar vlakbij de grens met Nederland verhuist (bijvoorbeeld het Belgische Lanaken) om in Maastricht te gaan werken niet in aanmerking komt voor de 30% regeling, terwijl iemand die vanuit Zuid-België naar een plaats net over de grens in Nederland verhuist (bijvoorbeeld het Nederlandse Eijsden), en in Maastricht gaat werken, wel in aanmerking komt. Voor dit onderscheid zijn geen goede redenen te bedenken. Overigens kunnen de verhuiskosten los van de 30%-regeling vrij van loonbelasting worden vergoed door de werkgever aan de werknemer.

De heer Van Vliet vraagt of bepaalde categorieën uitgesloten moeten worden van de 30%-regeling, hij noemt profvoetballers. Ook de heer Omtzigt vraagt naar de gevolgen voor de voetballers in de eredivisie. De 30%-regeling sluit geen specifieke beroepsgroepen uit. In elke beroepsgroep kan sprake zijn van specifieke deskundigheid. Wel is het zo dat het in beperkte mate voorkomt dat bij bepaalde beroepsgroepen iedere werknemer voldoet aan de salarisnorm. Voor dat beperkte aantal, speciale gevallen zal naast de toets voor specifieke deskundigheid ook nog worden getoetst op de schaarste van deze specifieke deskundigheid. Ik acht het namelijk onwenselijk dat in die beroepsgroepen iedere werknemer die vanuit het buitenland in Nederland komt werken automatisch in aanmerking komt voor de 30%-regeling. Een voorbeeld van een dergelijke beroepsgroep zijn de profvoetballers. Zo zullen bij profvoetballers slechts diegenen die voldoen aan een bijzonder hoog niveau kunnen voldoen aan de schaarste-eis. Onder de huidige 30%-regeling heeft de Belastingdienst met de KNVB een afspraak gemaakt welke voorwaarden hierbij gelden. Deze afspraak kan onder de aangepaste regeling worden voortgezet.

Verder vraagt de heer Van Vliet wat precies het effect is van de 30%-regeling bij een salaris van € 1 mln. Bij een fiscaal loon van € 1 mln. is de vrije vergoeding € 428 571. Als het brutoloon inclusief het maximale forfait van 30% € 1 mln. bedraagt, dan is het fiscale loon € 700 000 en de forfaitaire vergoeding € 300 000.

De heer Omtzigt vraagt verder om de uitwerking in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 van de aanpassingen in de 30%-regeling. Een concept van deze aanpassingen is bij deze brief gevoegd1.

Overige fiscale maatregelen 2012

Defiscalisering vorderingen/schulden krachtens erfrecht

De heer Omtzigt geeft aan dat hij blij is met een goedkeuring bij besluit dat de langstlevende die verwerpt en daardoor een testamentair vruchtgebruik verkrijgt, niet onder de heffing van artikel 10 van de Successiewet 1956 valt. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik aangegeven dat ook in de situatie dat verwerping plaatsvindt door de echtgenoot en de echtgenoot in plaats daarvan een testamentair vruchtgebruik krijgt, de mogelijkheid bestaat dat artikel 10 van de Successiewet 1956 van toepassing is. Of artikel 10 van toepassing is, is namelijk afhankelijk van een aantal factoren, zoals de testamentaire bepalingen en de wijze waarop een eventuele huwelijksgoederengemeenschap die tussen de erflater en zijn echtgenoot bestond, wordt verdeeld. Als daarbij eigendomsrechten die de echtgenoot had, worden omgezet in vruchtgebruik, dan is artikel 10 in overeenstemming met doel en strekking daarop van toepassing. In het licht van het vorenstaande kan ik de stelling dat verwerpen terugwerkende kracht heeft en dat daardoor geen sprake kan zijn van een omzetting die voor artikel 10 is vereist, niet in zijn algemeenheid onderschrijven. Omdat een en ander genuanceerder ligt en het gevaar bestaat dat een strikte wetstoepassing tot een ongewenste beperking van bepaalde keuzemogelijkheden in een keuzetestament kan leiden, overweeg ik daarom hierover een beleidsbesluit uit te brengen waarin voor bona fide gevallen de werking van artikel 10 wordt beperkt.

De heer Omtzigt stelt voorts nog een vraag over defiscalisering van vorderingen en schulden in de relatie grootouders/kleinkinderen in situaties van vooroverlijden. Hij spreekt de vrees uit dat in die gevallen defiscalisering niet beoogd zou zijn en in de praktijk dit met een testamentaire bepaling opgelost zou moeten worden. Ik kan de heer Omtzigt op dit punt geruststellen. Er zijn mij over dit onderwerp geen specifieke uitvoeringsproblemen bekend. In de defiscaliseringsbepaling in de Wet IB 2001 is al opgenomen dat de defiscalisering ook geldt ten aanzien van een natuurlijk persoon die bij plaatsvervulling tot een nalatenschap is geroepen. Een testament is daarvoor niet nodig.

Modernisering vrijstelling zorginstellingen

De heer Omtzigt vraagt of het scheiden van wonen en zorg kan worden bezien bij de herziening van de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de zorg, waar ik een vergezicht van heb geschetst. De zorgsector is onderhevig aan veel veranderingen, financieel en inhoudelijk. De zorgvrijstelling in de Wet Vpb 1969 lijkt niet voldoende meer aan te sluiten bij deze ontwikkelingen. Daarom heb ik aangegeven in het Wetsvoorstel overige fiscale maatregelen, dat ik voornemens ben om nog eens goed te kijken naar die ontwikkelingen ten opzichte van de vrijstelling van vennootschapsbelasting. Dat staat los van de aanpassingen die nu in dit voorstel zijn opgenomen. De daarin voorgestelde aanpassingen zijn technisch van aard en geheel in overeenstemming met doel en strekking van de tekst zoals die al vanaf het midden van de vorige eeuw in de wet is opgenomen. Immers woorden als «onmaatschappelijke en onvolwaardige personen» horen niet meer thuis in het hedendaagse taalgebruik. Dit geldt ook voor de aanpassing van de term «het verschaffen van een onderkomen aan bejaarden, gebrekkigen of wezen». Voor alle genoemde groepen geldt dat het om een zorgvrijstelling gaat voor kwetsbare personen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarbij draait het om de feitelijke zorg, «de handen aan het bed», waar de vrijstelling op is gebaseerd. Bij de voorgestelde aanpassing van de verouderde terminologie is daar uitdrukkelijk rekening meegehouden, door in plaats van «het verschaffen van een onderkomen aan bejaarden, gebrekkigen of wezen» te kiezen voor « genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen». Daarmee wordt de bedoeling van de vrijstelling duidelijk en aangepast aan het hedendaags taalgebruik weergegeven. In de praktijk hebben de zogenoemde zorgcorporaties een beroep gedaan op de vrijstelling op basis van de letterlijke tekst van de Wet Vpb 1969. Een tekst uit de tijd dat een bejaardenhuis een huis was waar men naar toe ging als een bejaarde niet meer in staat was om voor zichzelf te zorgen; het bejaardenhuis bood die zorg. Daarbij speelde de beperkte huisvesting die aan de bejaarde ter beschikking stond een ondergeschikte rol, het ging immers om de zorg die de bejaarde nodig had. «Zorgcorporaties» houden zich niet bezig met de zorg van bejaarden in de zin van feitelijke zorg en «handen aan het bed». Het zijn woningcorporaties die vastgoed aanbieden, dat is ook hun taak. Voor deze activiteiten zijn woningcorporaties vanaf 2008 integraal belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De voorgestelde aanpassing van de regeling maakt duidelijk dat een zorgvrijstelling voor zogenoemde «zorgcorporaties» die als feitelijke werkzaamheden de verhuur van woonruimte hebben, niet past binnen doel en strekking van de vrijstelling.

Vergrijpboete na verzuimboete

De heer Omtzigt spreekt zijn zorgen uit over de rechtsonzekerheid die zou voortkomen uit het voorstel om na een verzuimboete een vergrijpboete voor hetzelfde feit te kunnen opleggen. Hij vraagt in dit verband of er een waarschuwing op de beschikking tot het opleggen van een verzuimboete geplaatst wordt dat er een vergrijpboete kan volgen. De thans voorgestelde maatregel kan uitsluitend belastingplichtigen treffen die een verzuimboete hebben gekregen, terwijl zij grof schuldig of opzettelijk een aangiftebelasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig hebben voldaan. Zoals eerder aangegeven, is alleen dan de wettelijke omschrijving van het beboetbare feit voor de verzuim- en vergrijpboete hetzelfde. Daarnaast is de aanwezigheid van grove schuld of opzet een voorwaarde om een vergrijpboete op te leggen. Opzet impliceert wetenschap van het plegen van het beboetbare feit, grove schuld het aanvaarden van de aanmerkelijk kans daarop. Met andere woorden, naar de mening van het kabinet kan de belastingplichtige aan wie achteraf bezien ten onrechte een verzuimboete is opgelegd, niet verrast zijn dat hij alsnog een passende en geboden straf krijgt in de vorm van een vergrijpboete. Hij is zich per definitie bewust van de ernstige onjuistheid van zijn handelen en van het feit dat de verzuimboete dit niet dekt. Gelukkig is het aantal belastingplichtigen dat grof schuldig of opzettelijk zijn betaalverplichting niet nakomt beperkt. Het aantal belastingplichtigen dat voldoet aan de voorwaarden om alsnog een vergrijpboete opgelegd te krijgen komt niet in de buurt van een duizendste percent. Juist omdat het om zo weinig belastingplichtigen gaat, vindt het kabinet het een overkill om op elke beschikking tot het opleggen van een verzuimboete een waarschuwing te plaatsen. Om aan de zorgen van de heer Omtzigt tegemoet te komen, kan ik wel toezeggen dat op de site van de Belastingdienst en in handboeken zoals het Handboek Loonheffingen aandacht besteed zal worden aan het feit dat een verzuimboete onder specifieke voorwaarden gevolgd kan worden door een vergrijpboete.

De heer Omtzigt vraagt verder een reactie op het opiniestuk «Dubbel straf is een slecht plan» in het Financieel Dagblad van 13 oktober jl. In dit stuk wordt met name de aansluiting bij het strafrecht bekritiseerd, omdat het om twee totaal verschillende situaties zou gaan. Het kabinet is het daarmee niet eens. Anders dan de auteurs stellen, geldt de regeling van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) niet alleen voor het opnieuw instellen van strafvervolging na buitenvervolgingstelling, na de beschikking «einde zaak», of na de kennisgeving van niet verdere vervolging. Op grond van artikel 255 van het WvSv is ook strafvervolging na een eerder ter zake van hetzelfde feit opgelegde verzuimboete mogelijk. Daarom kiest het kabinet ook voor aansluiting bij die regeling. Onder de voorwaarden waaronder na een verzuimboete strafvervolging mogelijk is voor hetzelfde feit, kan dan ook voor het opleggen van een vergrijpboete geopteerd worden. Daarnaast is het kabinet altijd transparant geweest over de geautomatiseerde oplegging van verzuimboeten. Dit is een bewuste keuze die noodzakelijk is voor een effectieve handhaving. Alleen dankzij automatisering kunnen overtreders van fiscale normen op de vingers getikt worden. Tegelijkertijd kent het kabinet de beperkingen van automatisering. Daarom worden alleen verzuimboeten waarvoor een schuldonderzoek niet nodig is geautomatiseerd opgelegd.

Informatieverplichting

Voor wat betreft de sanctie op het niet nakomen van de informatieverplichting heeft het kabinet eerder gezegd het geheel met de heer Omtzigt eens te zijn dat voorschriften inzake sancties – zoals het is geformuleerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving – zoveel mogelijk in de wet opgenomen moeten worden. In lijn daarmee is de informatieverplichting naar de mening van het kabinet volledig kenbaar uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), inclusief de sanctie bij het niet nakomen daarvan. Voor de voorgestelde vormgeving van de informatieverplichting is om louter wetstechnische redenen gekozen. Belastingadviseurs, in het bijzonder de NOB, hebben eerder hun bezorgdheid uitgesproken over de potentiële reikwijdte van de informatieverplichting. Deze bezorgdheid zag er met name op dat zij zouden worden verplicht fiscale constructies te melden. Desgevraagd heb ik geantwoord niet voornemens te zijn binnen afzienbare termijn meer gevallen onder de informatieverplichting te brengen. Ook de bezorgdheid van de heer Omtzigt voor de uitwerking van de informatieverplichting hoop ik weg te nemen met de toezegging om de desbetreffende uitvoeringsbesluiten in concept voorafgaand aan de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer toe te zenden. De Kamer kan zich dan ervan vergewissen dat deze concept-besluiten de concrete gevallen waarin de wettelijke informatieverplichting gaat gelden slechts preciseren. Vanzelfsprekend is het kabinet verheugd de heer Omtzigt blij te hebben gemaakt met de toezegging om de informatieverplichting voorlopig niet voor andere gevallen te gaan laten gelden. De toevoeging dat een belastingplichtige daaraan in bezwaar en beroep geen vertrouwen kan ontlenen, kan het kabinet echter helaas niet plaatsen. In ieder geval staat tegen de sanctie op het niet nakomen van de informatieverplichting bezwaar en beroep open. De sanctie kan uitsluitend worden opgelegd in de gevallen waarvoor de informatieverplichting geldt. Vertrouwen dat de informatieverplichting niet voor andere gevallen geldt, lijkt het kabinet in dat kader geen relevant verweer.

De heer Omtzigt maakt voorts enkele opmerkingen over de boete bij het niet nakomen van de informatieverplichting. De informatieverplichting is een nieuwe verplichting met een eigen boete. Bij het niet nakomen van meerdere verplichtingen kan een belastingplichtige meerdere boeten krijgen. In het voorbeeld van de heer Omtzigt betaalt de belastingplichtige te weinig belasting én verzwijgt hij dit opzettelijk of grof schuldig nadat hij daarmee bekend is geworden. Hij kan dan inderdaad tweemaal een boete krijgen, niet omdat er strenger gestraft wordt, maar omdat de belastingplichtige bewust meerdere beboetbare feiten heeft begaan. Dat is nu niet anders indien de belastingplichtige bijvoorbeeld niet tijdig aangifte doet én de verschuldigde belasting niet betaalt. Met het opleggen van een boete bij het niet nakomen van de informatieverplichting beoogt het kabinet het belang te benadrukken dat het hecht aan het delen van voor de belastingheffing relevante informatie. Het gaat bovendien om gevallen waarin de informatie bij uitstek beschikbaar is bij de belastingplichtige. Het kan dan niet zo zijn dat die belastingplichtige de Belastingdienst die informatie onthoudt. Het bestrijden van belastingfraude, dus het bevorderen van compliance, staat hoog op mijn fiscale agenda. De informatieverplichting is daarbij onmisbaar.

Bestrijden Edelweissroute

De heer Omtzigt vraagt of er geen sprake is van overkill bij de hoofdelijke aansprakelijkheid van de executeur. Zoals de heer Bashir terecht opmerkte, is de hoofdelijke aansprakelijkheid van de executeur niet nieuw. Aansprakelijkheid komt pas aan de orde nadat de belastingschuldigen zoals de erfgenamen in gebreke zijn te betalen. Door de onbeperkte navorderingstermijn over verzwegen buitenlands vermogen van de erflater wordt het risico op aansprakelijkstelling in de tijd onbeperkt, maar neemt het risico op niet betalen door de erfgenamen niet toe. Het kabinet benadrukt dat het in eerste instantie de wens van de Tweede kamer is geweest om de Edelweissroute op deze wijze te bestrijden. De Edelweissroute veronderstelt dat de executeur op de hoogte is van buitenlandse vermogensbestanddelen, deze zowel voor de erfgenamen als in de aangifte erfbelasting verzwijgt en deze vervolgens na het verstrijken van de huidige navorderingstermijn alsnog openbaart. De casus die de heer Omtzigt en belangenorganisaties zoals de KNB, de NOVEX, de EPN en ook de SRA schetsen, is een andere, namelijk dat de erfgenamen de kwade genius zijn. In het amendement van de leden van de fractie van de ChristenUnie is voor een dergelijke situatie een tegenbewijsregeling voor de executeur opgenomen. Het kabinet heeft geen bezwaren van juridische, uitvoeringstechnische of andere aard tegen deze beperking van de aansprakelijkheid van de executeur.

Verbreding inzet automatische nummerplaatherkenning

De heer Omtzigt vraagt naar concrete resultaten van het gebruik van automatic number plate recognition (ANPR). In de praktijk wordt ANPR gebruikt voor twee vormen van toezicht. In de eerste plaats wordt het middel toegepast bij concrete acties die gericht zijn op het betalen van belastingschulden. Deze acties worden meestal gecombineerd met acties van politie en andere handhavingsdiensten, zodat het effect groter is. Er gaat dan ook meer preventieve werking van uit. Bij iedere actie is er een zeker resultaat dat wordt gevormd door een bedrag aan belastingschulden dat kan worden geïnd. Het gaat dan meestal om bedragen rond de 100 000 euro per invorderingsactie. Jaarlijks worden tientallen van dit soort acties gehouden. De acties worden georganiseerd in de regio’s. De Belastingdienst beschikt centraal niet over gegevens hoeveel al deze bedragen samen opleveren op jaarbasis. Het gaat hierbij primair om de zichtbaarheid van toezicht. Belastingplichtigen zien dat er feitelijk toezicht plaatsvindt en dat is bevorderend voor de compliance in het algemeen. Ik verwacht daarom ook een effect wanneer bij acties ook andere belastingschulden dan MRB-schulden worden betrokken, zoals ik voorstel. In de tweede plaats speelt ANPR een steeds belangrijker rol in het «heffingstoezicht». De Belastingdienst heeft in de afgelopen jaren ingezet op toezicht door middel van camerabeelden in plaats van toezicht op de weg. Dit is vooral van toepassing op de motorrijtuigenbelasting, het eurovignet en het privé gebruik auto. Voor auto’s die zijn geschorst is geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Zodra het kenteken van een dergelijke auto wordt geflitst is er sprake van ontduiking van belasting en wordt nageheven. Op deze manier kan ook eenvoudig worden vastgesteld dat voor vrachtauto’s geen eurovignet is aangeschaft. Bij het privé gebruik auto vormen camerabeelden interessante contra-informatie om vast te stellen of de rittenregistratie klopt met de werkelijkheid. De pakkans is hierdoor toegenomen en dat is tot uiting gekomen in een stijging van het aantal auto’s waarvoor een bijtelling wordt toegepast. Iemand die in strijd met zijn verklaring toch regelmatig privé ritten maakt loopt ooit tegen de lamp. Ik ben van mening dat het gebruik van ANPR het mogelijk maakt om effectief toezicht te houden tegen geringere kosten. Naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en eurovignet worden nu zelfs geautomatiseerd opgelegd nadat is vastgesteld dat de camerabeelden voldoende duidelijkheid verschaffen.

Eén bankrekeningnummer

De heer Van Vliet (PVV) vraagt waarom het verplicht gebruik van één bankrekeningnummer niet geldt voor betalingen aan de fiscus. Dit heeft te maken met de achtergrond van de maatregel, te weten bestrijding van systeemfraude. Systeemfraude richt zich op het verstrekken van onjuiste gegevens aan de Belastingdienst teneinde een uitbetaling te verkrijgen. Betalingen aan de Belastingdienst zijn altijd bevrijdend, ongeacht vanaf welk rekeningnummer dit plaatsvindt. Ik zie geen voordeel voor de uitvoeringslasten van de Belastingdienst of de fraudebestrijding om hier verandering in te brengen.

De heren Omtzigt, Groot en Huizing hebben mij gevraagd naar de mogelijkheden om voor kinderopvanginstellingen en woningcorporaties een uitzondering te maken op het verplichte ene bankrekeningnummer. De heer Omtzigt heeft mij bovendien gevraagd of er al overleg met de kinderopvangsector heeft plaatsgevonden, omdat hij signalen heeft ontvangen van de kinderopvanginstellingen dat zij als gevolg van de invoering van het ene rekeningnummer door een groeiende groep wanbetalers met liquiditeitsproblemen zullen worden geconfronteerd. Hij doet de suggestie of de g-rekening hier uitkomst zou kunnen bieden. Ik ga graag nader in op de door de leden gevraagde mogelijkheden. Zoals ik in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel heb aangegeven, is de achtergrond van het verplicht gebruik van één bankrekeningnummer bestrijding van systeemfraude en vereenvoudiging van het uitvoeringsproces. Het verplichte ene bankrekeningnummer levert daar een belangrijke bijdrage aan. Het creëren van uitzonderingen op dat verplichte rekeningnummer maakt het systeem uitvoeringstechnisch complexer en heeft gevolgen voor de fraudebestrijding. Gelet op het belang dat ik aan die twee doelstellingen hecht, ben ik zeer terughoudend in het creëren van uitzonderingen.

Ik heb echter goede kennis genomen van de wensen van deze leden, en in het bijzonder van die van de heer Omtzigt die al sinds geruime tijd aandacht voor deze problematiek vraagt. Ik wil bij de zoektocht naar het creëren van een uitzondering het onderscheid benadrukken tussen woningcorporaties en kinderopvanginstellingen. Voor woningcorporaties speelt rechtstreeks uitbetalen een steeds minder belangrijke rol, getuige het feit dat de belangstelling voor geclusterd betalen de afgelopen jaren duidelijk is afgenomen. Het aantal aan geclusterd betalen deelnemende verhuurders is geleidelijk afgenomen met een kwart. Bij huurders is een sterkere afname van de belangstelling waar te nemen van bijna 40% in de periode december 2005 tot en met juni 2011. Van een directe noodzaak voor een uitzonderingspositie is mij niet, overigens ook niet vanuit de sector, gebleken. Een verklaring hiervoor vormen de administratieve verplichtingen die geclusterd betalen voor woningcorporaties met zich meebrengt. Al met al kies ik er niet voor om voor woningcorporaties een uitzondering te creëren.

Bij kinderopvanginstellingen ligt dit anders. Bij de maandelijkse kinderopvangtoeslag kan het om omvangrijke bedragen gaan. Voor mensen met een laag inkomen en een relatief hoge kinderopvangtoeslag kan uitbetalen aan de belanghebbende problemen veroorzaken. De kinderopvanginstelling heeft in geval van een betalingsachterstand behalve de kinderopvangtoeslag in deze situaties geen verhaal. Voor kinderopvanginstellingen kan daarom een uitzondering op het verplicht gebruik van één rekeningnummer worden overwogen. Deze uitzondering zou dan moeten worden gericht op het mogelijk maken om de kinderopvangtoeslag direct aan de kinderopvanginstelling, niet zijnde het gastouderbureau, over te maken. Aan het creëren van deze uitzonderingspositie zouden dan wel drie voorwaarden moeten worden verbonden. Een eerste voorwaarde is dat de kinderopvanginstelling hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de met de ontvangen toeslag samenhangende terugvorderingen die niet op een andere manier zijn terug te halen. De heer Omtzigt heeft in dit verband gesuggereerd gebruik te maken van het systeem van g-rekeningen. De g-rekening zoals wij die kennen in de sfeer van de inleners- en ketenaansprakelijkheid, leent zich echter alleen voor te betalen belastingschulden en niet voor te ontvangen toeslagen. Een tweede voorwaarde betreft de terugbetaling van voorschotten die na stopzetting van het opvangcontract ten onrechte nog zijn uitbetaald op rekening van de kinderopvanginstelling. Deze bedragen komen toe aan de vraagouder omdat die hiervoor inmiddels een terugvorderingsbeschikking van de Belastingdienst/Toeslagen heeft gekregen. Om te voorkomen dat voorschotbetalingen bij een ander dan de rechthebbende achterblijven, zou aan de kinderopvanginstelling een inspanningsverplichting moeten worden gevraagd om de bedragen aan de vraagouder terug te betalen. De Belastingdienst/Toeslagen zou hiervoor een signalering richting de vraagouder kunnen geven gelijktijdig met de terugvorderingsbeschikking. Een derde voorwaarde is dat de kinderopvanginstelling een sluitende administratie bijhoudt van ontvangen toeslagbetalingen per belanghebbende. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het burgerservicenummer van de aanvrager van de toeslag, waardoor de Belastingdienst/Toeslagen een koppeling in het centraal rekeningnummerbestand kan maken. Om in aanmerking te komen voor de uitzondering zouden kinderopvanginstellingen (dus niet de gastouderbureaus) die zijn opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang, een convenant met de Belastingdienst/Toeslagen moeten afsluiten voor rechtstreekse uitbetaling van de kinderopvangtoeslag. Registratie in het Landelijk Register Kinderopvang waarborgt de betrouwbaarheid van de deelnemende instellingen en is objectief toetsbaar voor de Belastingdienst/Toeslagen. In het convenant worden bovengenoemde voorwaarden opgenomen. De Belastingdienst/Toeslagen kan op de website een overzicht van toegelaten kindercentra publiceren zodat voor ouders duidelijk is bij welke kindercentra welk incassobeleid hoort. Het door de kinderopvanginstelling niet naleven van de voorwaarden leidt tot schrappen van de lijst met aangewezen instellingen door de Belastingdienst/Toeslagen.

Een dergelijke uitzondering vergt een delegatiebepaling in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) die het mogelijk maakt om onder nader te stellen voorwaarden af te wijken van het ene bankrekeningnummer. De genoemde voorwaarden kunnen verder worden uitgewerkt op het niveau van een ministeriële regeling. Deze systematiek biedt de mogelijkheid de hiervoor genoemde uitzonderingssystematiek desgewenst ook te volgen voor andere gevallen waar het verplicht gebruik van één rekeningnummer rigide uitwerkt. Te denken valt aan situaties waarin mensen geen eigen bankrekening hebben vanwege een geestelijke handicap of omdat zij dementerend zijn. Ook voor minnelijke schuldhulpverlening kan dit soelaas bieden als de uitvoeringspraktijk niet op het ene bankrekeningnummer kan worden aangepast. Tot slot benadruk ik dat het beschreven systeem tot extra implementatie- en beheerskosten leidt en de besparing op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst vermindert. Om deze kosten tot een minimum te beperken zou een uitzondering moeten worden vormgeven zoals ik hiervoor heb aangegeven. De extra uitvoeringskosten van deze voorziening ten behoeve van kinderopvanginstellingen bedragen incidenteel € 3,6 mln. en structureel € 3,6 mln. Naar mijn mening zouden deze uitvoeringskosten voor rekening van de kinderopvanginstellingen moeten komen, nu de overheid het debiteurenrisico van deze instellingen (gedeeltelijk) overneemt. Hierover zal met de kinderopvanginstellingen in overleg worden getreden.

De komende periode ga ik samen met de minister van SZW in overleg met de kinderopvangsector. Daarbij zal ik het hiervoor geschetste samenstel van rechten en plichten aan de sector voorleggen en daarbij de vraag aan de orde stellen, of dit samenstel een handreiking biedt voor de door de sector geconstateerde toename van het risico op wanbetaling. Met het oog op het zo laag mogelijk houden van de uitvoeringskosten wil ik een zorgvuldige inschatting van het toekomstig gebruik maken. Ook daarover wil ik met de sector van gedachten wisselen. Vanzelfsprekend zal ik de Kamer informeren over de uitkomst van dit overleg.

De beantwoording van de vragen van 10 augustus jl. van de leden Omtzigt, Neppérus, Van vliet, Koolmees, Braakhuis en Schouten over het rechtstreeks overmaken van kinderopvangtoeslag zal ik in lijn met deze brief per ommegaande aan uw Kamer toezenden, dit in reactie op de vraag van de heer Omtzigt.13

Maatregelen IBO-toeslagen

De heer Omtzigt vraagt of het afschaffen van de 10%-regeling kan worden teruggedraaid en of 10% eventueel kan worden bijgesteld naar 20% in verband met de gevolgen voor echtscheidingssituaties. Van de 10%-regeling wordt in de praktijk weinig gebruik gemaakt. Een deel van de gevallen die gebruik maakt van de regeling, bestaat uit toeslaggerechtigden waarbij het inkomen wordt herleid na het overlijden van de partner of de medebewoner en die de gevolgen van dit herleiden van het inkomen willen verzachten door middel van een beroep op de 10%-regeling. Omdat voorgesteld wordt het herleiden van het inkomen bij overlijden voor deze situaties af te schaffen, neemt het belang van de 10%-regeling verder af. In het IBO-onderzoek naar Toeslagen is voorgesteld om deze regeling af te schaffen om de regelgeving minder complex te maken. Het kabinet heeft daar gevolg aan gegeven, omdat de 10%-regeling voor zowel de uitvoering als degenen die er een beroep op moeten doen erg complex is. Het klopt inderdaad dat in echtscheidingsgevallen geen beroep meer gedaan kan worden op de regeling. Gezien het streven naar een eenvoudig en robuust stelsel en het afgenomen belang ervan door het afschaffen van het herleiden van het inkomen bij overlijden in bepaalde situaties is het kabinet van mening dat het gerechtvaardigd is de regeling af te schaffen. Het kabinet waardeert het dat meegedacht wordt over een oplossing. Echter, het percentage van het lagere toetsingsinkomen op 20% stellen zou niet de gewenste vereenvoudiging bewerkstelligen omdat het niet afdoet aan de complexiteit van de regeling. Bovendien levert het niet doorgaan van het afschaffen van de 10%-regeling een budgettaire derving van € 4,9 mln. op.

De heer Bashir vraagt of er naast het overlijden nog andere situaties zijn waarbij het inkomen wordt herleid, bijvoorbeeld indien studerende kinderen met inkomsten een deel van het jaar bij hun ouders wonen. Hij vraagt of het afschaffen van het herleiden bij overlijden ook een oplossing voor deze situatie is. Het herleiden van het inkomen vindt plaats bij overlijden in het geval van partner- of medebewonersituaties. Er is sprake van een fictie. Het jaarinkomen is immers niet daadwerkelijk genoten, maar wordt berekend, oftewel herleid. Bij de introductie van de Awir is hier bewust voor gekozen. Het fictieve jaarinkomen wordt opgeteld bij het toetsingsinkomen van de achterblijvende partner of bewoner en heeft daarmee gevolgen voor de bepaling van de draagkracht. Omdat de achterblijver in veel gevallen niet over dit herleide inkomen kan beschikken, kan dit leiden tot schrijnende situaties. In die gevallen wordt het herleiden afgeschaft. In de situatie die de heer Bashir aanhaalt, waarbij een studerend kind inwoont bij zijn of haar ouders en tevens inkomsten heeft, wordt de draagkracht anders vastgesteld en is er geen sprake van een fictie. Het kind is voor de periode dat hij of zij inwonend is, voor de huurtoeslag medebewoner. Het inkomen van dit kind telt dan ook mee voor de bepaling van de draagkracht van het huishouden voor de huurtoeslag. Het jaarinkomen van het kind wordt bij dat van de ouders opgeteld in de maanden dat het kind bij zijn of haar ouders heeft ingewoond. Dit bedrag vormt de draagkracht voor de huurtoeslag. In artikel 7, vijfde lid van de Awir is overigens bepaald dat het inkomen van kinderen die bij de aanvang van het berekeningsjaar jonger dan 23 zijn, slechts wordt meegeteld voor zover het meer bedraagt dan € 4451. De inwoning van een studerend kind heeft geen invloed op de bepaling van de draagkracht voor de overige toeslagen. Zoals hierboven is uitgelegd, wordt er bij inwonende studerende kinderen niet herleid zoals bij het overlijden van een toeslagpartner of een medebewoner. Het afschaffen van het herleiden bij overlijden heeft dan ook geen invloed op deze situatie. Het is overigens wel van belang dat de wijziging van de huishoudsamenstelling wordt doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen.

BES-wetgeving

De heer Braakhuis heeft enkele vragen gesteld over de in het nieuwe fiscale stelsel voor Caribisch Nederland opgenomen vestigingsplaatsfictie. Deze vestigingsplaatsfictie is opgenomen in artikel 5.2 van de Belastingwet BES. Uitgangspunt van deze fictie is dat alle op de BES eilanden gevestigde lichamen onder de Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting vallen tenzij deze lichamen aan een of meer van de in die fictie opgenomen criteria voldoen en deze lichamen van de belastinginspecteur een daartoe strekkende beschikking hebben ontvangen. In dat geval vallen deze lichamen volledig onder het fiscale stelsel van Caribisch Nederland. In de vestigingsplaatsfictie zijn diverse criteria opgenomen. Zo kunnen kleine bedrijven met een omzet van maximaal USD 80 000 en een balanstotaal van maximaal USD 200 000 buiten de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting blijven, mits deze bedrijven zich niet bezighouden met financiële dienstverlening. Hetzelfde geldt voor lichamen waarvan de bezittingen doorgaans voor ten hoogste 50 percent bestaan uit beleggingen en voor lichamen met ten minste drie gekwalificeerde voltijds werknemers die in Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonen in combinatie met het voor een periode van ten minste 24 maanden beschikbaar hebben van (een deel van) een onroerende zaak op Bonaire, Sint Eustatius of Saba met een waarde van ten minste USD 50 000. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat bij deze beoordeling wordt gekeken naar de activiteiten die de lichamen in Caribisch Nederland verrichten en niet naar de aard of naar de woonplaats van de aandeelhouders. Overigens is er, dit in antwoord op een vraag van de heer Braakhuis, op dit moment nog geen informatie beschikbaar over de ontwikkeling sinds 1 januari 2011 van het aantal in Caribisch Nederland gevestigde lichamen.

Wat betreft de door de heer Braakhuis bedoelde situatie dat er drie op Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtige mensen voltijds voor een vennootschap werken en deze mensen vervolgens diensten verrichten ten behoeve van 80 overige vennootschappen, geldt het volgende. De vennootschap waar deze drie mensen voor werken, zal dan kunnen kwalificeren op grond van het in de vestigingsplaatsfictie opgenomen criterium inzake het aantal werknemers. Voor de overige 80 vennootschappen geldt dat niet. Willen ook zij kwalificeren als lichaam dat via het nieuwe fiscale stelsel van Caribisch Nederland in de belastingheffing kan worden betrokken, dan dient elk van die lichamen aan een of meer van de in de vestigingsplaatsfictie opgenomen criteria te voldoen.

De heer Omtzigt vraagt of de voorgestelde wijzigingen van het nieuwe fiscale stelsel voor Caribisch Nederland op dit moment voldoende zijn en of deze de gewenste gevolgen hebben gehad, merk ik het volgende op. Via een beleidsbesluit van 23 september 201114 heb ik met ingang van 1 oktober 2011 diverse wijzigingen doorgevoerd in het nieuwe fiscale stelsel voor Caribisch Nederland. Deze wijzigingen zullen, vooruitlopende op parlementaire instemming, via het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012 met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2011 wettelijk worden vastgelegd. Naar mijn oordeel zijn deze maatregelen op dit moment voldoende. Door deze maatregelen is het netto inkomen van belastingplichtigen die meer verdienen dan de belastingvrije som met ingang van 1 oktober jl. gestegen in verband met een «vervroegde» toepassing van de jaarlijkse inflatiecorrectie voor de belastingvrije som, die is aangevuld met een additionele verhoging met 5%. Voor ouderen zijn aanvullende maatregelen getroffen. Ook in de ABB zijn maatregelen getroffen, met name om de belastingdruk met betrekking tot diensten te beperken. Ook laatstgenoemde maatregelen zijn veelal reeds per 1 oktober 2011 geëffectueerd. Volledigheidshalve merk ik nog op dat er op dit moment een interdepartementaal onderzoek loopt waarin de economische situatie van Caribisch Nederland in kaart zal worden gebracht, evenals de oorzaken van de prijsstijgingen, de koopkrachtontwikkeling en de omvang van de handelsstromen met de landen Curaçao en Sint Maarten. De resultaten van dat onderzoek worden begin volgend jaar verwacht en zouden voor mij aanleiding kunnen vormen om ten behoeve van het volgende belastingplan nadere aanpassingen van het belastingstelsel voor Caribisch Nederland voor te stellen. Bij die afweging zal ook de gerealiseerde opbrengst van het nieuwe fiscale stelsel van Caribisch Nederland over 2011 worden betrokken.

Provinciale opcenten

De heer Bashir vraagt waarom het kabinet ervoor gekozen heeft de provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting te maximeren op 105% en bijvoorbeeld niet op 95% of 100%. De heer Koolmees sluit zich bij de vraag van de heer Bashir aan en vraagt of het acceptabel is dat provincies daardoor nog ruimte hebben om hun provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting te verhogen tot 105%. Voorts vraagt de heer Koolmees om te monitoren hoe de lasten van de medeoverheden zich ontwikkelen. De door het kabinet voorgestelde aanscherping van de wettelijke normering van de provinciale opcenten maakt integraal onderdeel uit van de bestuursafspraken 2011–2015 die met het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn gemaakt. Het betreft een aantal belangrijke afspraken over onder meer de decentralisatie van rijkstaken naar provincies (inclusief een decentralisatiekorting op de bijbehorende budgetten) en over het leveren van een evenredige bijdrage door de provincies aan de noodzakelijke bezuinigingen via de zogenoemde systematiek van «trap op, trap af». Het nieuwe maximum van 105% voor de provinciale opcenten betekent een aanzienlijke inperking van de huidige ruimte van het provinciaal belastinggebied. Zonder de voorgestelde wetswijziging zou het maximum in 2012 geen 105% maar 123% hebben bedragen. Bovendien wordt de ruimte van het provinciaal belastinggebied vanaf 2012 uitsluitend nog reëel constant gehouden, dat wil zeggen alleen nog gecorrigeerd voor de van jaar op jaar optredende inflatie. Ook dat betekent een niet geringe beperking van de (toekomstige) ruimte van het provinciaal belastinggebied. In de huidige systematiek groeit deze ruimte, naast de correctie voor inflatie, ook nog mee met de groei van het BBP. De keuze van een wettelijk maximum van 105% is onder meer ingegeven om bijvoorbeeld een provincie als Zuid-Holland die thans op een maximum zit van 95% in de komende jaren nog enige ruimte te bieden voor verhoging van de provinciale opcenten voor het geval zich onvoorziene tegenvallers voordoen (de zogenoemde bufferfunctie van het eigen belastinggebied). Het zijn overigens de democratisch gekozen Provinciale Staten die uiteindelijk over de jaarlijkse tariefstelling van de provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting beslissen. Daarnaast is het zo dat in de bestuursafspraken 2011–2015 met de provincies niet alleen de afspraak is opgenomen over verlaging van het wettelijke maximum in 2012 van 123% naar 105%, maar ook de bestuurlijke afspraak dat provincies tot en met 2015 terughoudend zullen zijn met het verhogen van de provinciale opcenten. Indien de feitelijke stijging hoger is dan op basis van een terughoudend beleid mag worden verwacht, zal hierover bestuurlijk overleg plaatsvinden. Het kabinet is van oordeel dat de in het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2012 opgenomen aanscherping van de wettelijke normering van de provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting, in combinatie met de bestuurlijke afspraak over terughoudendheid bij het verhogen van de provinciale opcenten, voldoende waarborgen biedt om – conform de afspraak in het Regeer- en Gedoogakkoord – afwenteling van bezuinigingen door provincies via hogere lasten voor automobilisten te voorkomen. Het kabinet acht zich gebonden aan de met de provincies gemaakte afspraken over de provinciale opcenten, zowel uit een oogpunt van ordentelijke bestuurlijke verhoudingen als vanwege het belang van de gemaakte afspraken voor het realiseren van de in het Regeer- en Gedoogakkoord opgenomen (financiële) doelstellingen. Het kabinet zal, zoals door de heer Koolmees gevraagd, de ontwikkeling van de provinciale opcenten per provincie ieder jaar monitoren en indien de feitelijke ontwikkeling zich niet verhoudt met de afgesproken terughoudendheid dit bestuurlijk aan de orde stellen. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling van de lokale lasten van gemeenten en waterschappen waarover met de VNG, respectievelijk de Unie van Waterschappen de afspraak is gemaakt dat de komende jaren wordt ingezet op een gematigde ontwikkeling van deze lasten.

Wet uitwerking autobrief

Algemeen

De heer Huizing vraagt wanneer de nieuwe EU-testmethode voor CO2-uitstoot van kracht wordt. Hij wijst hierbij mijns inziens terecht op de huidige imperfectie van de testcyclus, die geen goede afspiegeling vormt van de huidige praktijk. Deze test is onderdeel van de volledig geharmoniseerde Europese toelatingsprocedure voor motorvoertuigen. Nederland kan daar niet eenzijdig van afwijken. Voor zover de problemen het gevolg zijn van een onjuiste toepassing van de huidige testmethode kan Nederland samen met de Europese Commissie en de andere lidstaten wel optreden tegen die onjuiste toepassing. Over de consequenties en conclusies van deze imperfectie is de Tweede Kamer geïnformeerd bij de beleidsbrief Verkeersemissies.15 Het voorgaande wil overigens niet zeggen dat wij helemaal niets kunnen doen. Mede na lang aandringen van onder meer Nederland is in 2009 in Genève en Brussel het ontwikkelen van een nieuwe, meer representatieve testcyclus gestart. Momenteel wordt in UN-ECE-kader gewerkt aan deze herziening van de testmethode, waarbij niet alleen een wereldwijd toe te passen rijcyclus wordt geambieerd, maar ook een precisering van de overige testcondities, juist om de ongewenste effecten van de huidige methode te beperken. Nederland neemt actief deel in de werkgroepen van UN-ECE die aan de nieuwe methode werken. De werkzaamheden van UN-ECE leiden volgens de vigerende planning tot een vastgestelde nieuwe methode in het laatste kwartaal van 2015.

Tot die tijd zal het beleid ten aanzien van de CO2-uitstoot van auto's worden gebaseerd op gegevens van de volledig geharmoniseerde Europese toelatingsprocedure voor motorvoertuigen. Deze officiële testwaarde is overigens zoals ook blijkt uit TNO-onderzoek een goede methode voor het onderling vergelijken van het brandstofverbruik van auto’s.16 In de praktijk liggen verbruikswaarden weliswaar dichter bij elkaar maar auto’s die volgens de norm zuiniger zijn, blijken ook in de praktijk zuiniger. In de toekomst kan dan worden aangesloten bij de nog te ontwikkelen nieuwe, meer representatieve testcyclus.

De heer Huizing vraagt naar mijn visie om de huidige stimulering via vier belastingmiddelen (accijns, BPM, MRB en bijtelling) waar mogelijk te integreren tot één stimuleringsinstrument. Ik deel op dit punt de visie van de heer Huizing. Daar waar mogelijk moet worden gekozen voor stimulering met behulp van het belastingmiddel dat zich daar het beste voor leent. Verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat consumenten het meest gevoelig zijn voor prikkels op het moment van aankoop, prikkels die rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van de prijs. Om die reden wordt de nadruk van de stimulering gelegd bij de BPM door deze geheel afhankelijk te maken van de CO2-uitstoot. De tot op heden geldende vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor zeer zuinige auto’s schaft dit kabinet af, voornamelijk vanuit de gedachte dat iedereen die gebruik maakt van de weg ook MRB verschuldigd dient te zijn, maar ook vanwege de hiervoor beschreven visie dat het aantal stimuleringsmaatregelen beperkt dient te zijn. We maken een uitzondering voor de zeer zuinige auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km. Voor deze auto’s acht het kabinet tijdelijk een extra duwtje gewenst om deze een kans te geven zich te ontwikkelen tot een concurrerend alternatief. In de bijtelling ligt een differentiatie wel voor de hand, zelfs naast een differentiatie in de BPM. Deze is maximaal effectief als het gaat om het prikkelen van de zakelijke rijder met de auto van de zaak om te kiezen voor de meest zuinige auto. Uiteraard wordt de hoogte van de bijtelling ook beïnvloed door de hoogte van de BPM, maar dat effect is slechts beperkt. Deze zakelijke rijder wordt maximaal bereikt door de hoogte van zijn bijtelling mede afhankelijk te maken van de mate van zuinigheid van de aan hem ter beschikking gestelde auto.

Maatregelen BPM

De heer Groot wijst op de verlaging van de BPM in de jaren 2008, 2009 en 2010 in het kader van de introductie van de kilometerheffing. Hij vraagt om het terugdraaien van die verlaging nu de kilometerheffing niet doorgaat. De BPM is in genoemde jaren met in totaal ongeveer 15% verlaagd. Macro betekent dat in totaal een verlaging met ongeveer € 500 mln. Tegelijkertijd is echter de MRB verhoogd met (macro) een vergelijkbaar bedrag (de zogenoemde vluchtheuvel). Het terugdraaien van de verlaging van de BPM zou derhalve gepaard moeten gaan met het eveneens terugdraaien van de verhoging van de MRB. Het kabinet is daar geen voorstander van.

De heer Bashir vraagt hoeveel het tarief van de vierde schijf verhoogd moet worden om te zorgen dat de Porsche Cayenne niet goedkoper wordt. Ik hecht eraan in dit verband op te merken dat in 2015 de BPM-druk van de Porsche Cayenne ook bij voortzetting van het huidige beleid zou zijn gedaald, en wel tot € 34 780 (nieuw beleid € 33 896), mede als gevolg van de door de SP ondersteunde wens tot een BPM-heffing op basis van de CO2-uitstoot (motie Cramer c.s.17). De BPM van de deze auto bedraagt onder het huidige beleid in 2011 € 40 478, bij een tarief van € 471 in de derde schijf. Om de BPM op hetzelfde niveau te houden moet het tarief van de vierde schijf verhoogd worden van € 559 naar € 743 in 2012, van € 539 naar € 875 in 2013, van € 456 naar € 644 in 2014 en van € 411 naar € 533 in 2015.

De heer Koolmees vraagt of de voorstellen tot een structurele lastenverlichting in de BPM leiden. In 2008 heeft mijn ambtsvoorganger een beleid ingezet tot stimulering van (zeer) zuinige auto’s. Indien de nieuw verkochte auto’s per jaar meer dan 2,8% zuiniger zouden worden zou dat, zo werd toentertijd verondersteld, een gevolg zijn van een gedragseffect van bijvoorbeeld de consument. Dat zou tot gevolg hebben dat de opbrengst van de BPM zou dalen, maar dat zou niet gecorrigeerd worden in de BPM-tarieven, juist vanwege het feit dat dat gedrag nadrukkelijk werd beoogd. Bij verschillende gelegenheden heeft mijn ambtsvoorganger deze toezegging herhaald. Ik sluit om die reden dan ook niet aan bij de belastingopbrengst van een aantal jaren geleden of bij het gemiddelde van een aantal voorgaande jaren. In de door mijn voorganger vastgestelde tariefstructuur was een jaarlijkse (opwaartse) correctie van 2,8% in de tarieven opgenomen.Deze correctie sloot aan bij het zuiniger worden van nieuw te verkopen auto’s op basis van de verwachte autonome technische ontwikkelingen. Dit was mede gebaseerd op berekeningen van het Plan Bureau voor de Leefomgeving (PBL). Een snellere daling van de CO2-uitstoot dan met genoemde 2,8% zou, zo was toen de veronderstelling, een gevolg zijn van een beoogd gedragseffect en geen aanleiding mogen geven tot een verhoging van de BPM. De omzetting van de BPM-grondslag naar de CO2-uitstoot zou lastenneutraal moeten plaatsvinden. Zoals gezegd, dit is verschillende malen door mijn voorganger toegezegd, bijvoorbeeld in het spoeddebat in de Tweede Kamer18 dat heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009 naar aanleiding van een rapport (MKBA) van ANWB, BOVAG, RAI en VNA naar de ombouw van de BPM van een heffing op catalogusprijs naar een volledig op de CO2-uitstoot gebaseerde heffing. In dat debat heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën diverse malen gewezen op de beoogde lastenneutraliteit van deze omzetting en daarbij ook aangegeven dat niet zal worden «bijgeheven» als de automobilist zou kiezen voor de zuinige auto. Daarbij is ook onderkend dat de schatkist daar iets minder van zou kunnen worden.19

De heren Koolmees, Bashir en Braakhuis hebben aangegeven moeite te hebben met het feit dat zuinige auto’s zoals de Renault Twingo en de Volkswagen Polo Bluemotion duurder worden, terwijl een Porsche Cayenne goedkoper wordt. De Renault Twingo is op dit moment vrijgesteld, maar volgend jaar door het aanscherpen van de CO2-grenzen in de BPM niet meer. Aanscherping van deze CO2-grenzen is noodzakelijk om het aantal vrijgestelde auto’s in de BPM niet verder te laten oplopen maar terug te brengen tot de allerzuinigste auto’s. De Volkswagen Polo Bluemotion is zo zuinig dat hij ook de komende jaren vrijgesteld blijft van CO2-heffing. Voor deze auto is vanaf volgend jaar echter wel een dieseltoeslag verschuldigd die dient ter compensatie van het accijnsverschil tussen benzine en diesel. Dat een deel van de zuinige auto’s duurder worden is derhalve niet te vermijden. De Porsche Cayenne wordt inderdaad de komende twee jaar goedkoper als gevolg van de ombouw van de BPM naar een op CO2-uitstoot gerelateerde heffing waardoor het aan de catalogusprijs gerelateerde deel van de BPM vervalt. Zoals de heer Groot terecht constateert is dat het gevolg van het feit dat een grondslag op basis van CO2-uitstoot kan betekenen dat heel luxe auto's die naar verhouding niet zo veel CO2 uitstoten, goedkoper worden. Dat is een consequentie die logischerwijs voortvloeit uit de keuze om de BPM te gaan heffen op basis van CO2-uitstoot in plaatst van de catalogusprijs.

De heer Groot vraagt een oplossing voor de hogere BPM voor personenbusjes en wat er wordt bedoeld met het handelingsperspectief voor de kopers. De consument kan in het totale assortiment personenbusjes kiezen voor een zuiniger model waar de vierde schijf niet op van toepassing is. Een voorbeeld is het verschil in CO2-uitstoot tussen een Mercedes Sprinter en een busje met een veel lagere uitstoot zoals de Volkswagen Transporter Kombi. De uitstoot van deze Volkswagen Kombi is slechts 193 gr/km en wordt daardoor niet getroffen door de progressiviteit van de vierde schijf. De BPM van dit busje bedraagt in 2015 ongeveer € 17 999. De BPM voor een Mercedes Sprinter met een CO2-uitstoot van 252 gr/km bedraagt daarentegen meer dan het dubbele, namelijk € 39 352 in 2015. Door de introductie van de vierde schijf en het voorhanden zijn van alternatieven voor de busjes die door de vierde schijf worden geraakt, draagt deze wijze van herziening van de BPM bij aan de prikkel om te kiezen voor de zuinigste personenbus. Dit is tevens in tegenspraak met de eerder genoemde motie Cramer. Ik ben er dan ook geen voorstander van om voor personenbusjes een bijzondere regeling te treffen, een regeling die de vergroeningsprikkel vermindert en daarmee het uitgangspunt dat alleen de CO2-uitstoot bepalend is voor de hoogte van de BPM.

De heer Bashir pleit voor een vrijstelling van BPM voor personenbusjes die worden gebruikt voor ANBI’s. Op dit moment worden de bestaande vrijstellingen in de BPM tegen het licht gehouden. Het kabinet heeft dit aangekondigd in de autobrief. Een dergelijke heroverweging past in het streven naar een meer robuuste, eenvoudige en fraudebestendige belastingheffing. Vanuit dat uitgangspunt ligt het niet voor de hand om het aantal vrijstellingen in de BPM uit te breiden.

De heer Braakhuis vraagt zich af hoe de voorstellen in de BPM matchen met de milieudoelstellingen en hij verwijst daarbij naar een berekening van PBL waaruit zou blijken dat wij 15% achterliggen op de doelstelling wat betreft CO2-uitstoot. Ik kan deze opmerking van de heer Braakhuis niet helemaal plaatsen. De kabinetsaanpak klimaatbeleid op weg naar 2020 kondigt maatregelen aan in vrijwel alle niet-ETS sectoren en juist in de sector verkeer treedt het grootste reductie-effect op. Dit is vooral te danken aan de voorgenomen aanscherping van de Europese CO2-normering voor personenauto’s en de recent vastgestelde Europese CO2-norm voor bestelauto’s. Dit blijkt ook uit rapport van PBL en ECN ten behoeve van de uitvoering van de motie Halsema20, waarin op verzoek van het kabinet het lopende en het door het kabinet nieuw aangekondigde milieu- en klimaatbeleid is doorgerekend. In deze notitie Effecten van het kabinetsbeleid voor milieu en klimaat21 is, naast het vigerende beleid, ook rekening gehouden met de maatregelen die in het voorjaar zijn aangekondigd in de kabinetsaanpak klimaatbeleid op weg naar 2020 en met de fiscale maatregelen die zijn aangekondigd in de autobrief. Volgens de EU-afspraken moet de niet-ETS broeikasgasemissie in Nederland in 2020 met 16% zijn gereduceerd ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een plafond van 105 Mton CO2-equivalenten. Dit concrete doel heeft het PBL afgeleid uit de EU-regels en moet als indicatief worden beschouwd. De EU zal dit doel pas in 2012 formeel vaststellen. In bovengenoemd rapport wordt door PBL en ECN geconcludeerd dat – mede met inachtneming van de aangekondigde maatregelen in de autobrief – de emissie van broeikasgassen door de niet-ETS sectoren in Nederland in 2020 93 tot 109 Mton CO2-equivalenten bedraagt en Nederland daarmee dus op koers ligt voor het behalen van de Europese doelstellingen.

Maatregelen bijtelling LB/IB (en MRB)

De heren Huizing, Van Vliet en Omtzigt vragen mij of een bijtelling van 0% (korting op het bijtellingspercentage met 25%-punt) niet beter vervangen kan worden door een percentage van bijvoorbeeld 7% (korting van 18%-punt). In het wetsvoorstel heeft het kabinet als uitgangspunt genomen dat de zuinigste auto’s het meest moeten worden gestimuleerd. Het doel daarbij is om de prikkel om deze auto’s als auto van de zaak te gebruiken zo sterk moet zijn, dat nieuwe technieken die zeer zuinige auto’s mogelijk maken in relatief korte tijd kunnen doorbreken. Daarnaast is ervoor gekozen om de systematiek van de bijtelling niet verder te compliceren door bij de bestaande bijtellingspercentages aan te sluiten. De introductie van een nieuw bijtellingspercentage acht ik dan ook niet gewenst. Het kabinet heeft er voor gekozen om de thans al in de wet opgenomen korting op het bijtellingspercentage met 25% voor nulemissieauto’s tot 1 januari 2015, te handhaven. Dit heeft geleid tot het wetsvoorstel waarin wordt voorgesteld om per 1 januari 2012 het recht op de hoogste korting op het bijtellingspercentage met 25% uit te breiden tot auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 50 gram per kilometer. Daarnaast wordt de periode waarin een nieuwe auto kan worden aangeschaft die recht heeft op de hoogste korting op de bijtelling uitgebreid met 1 jaar tot 1 januari 2016. Voor het overige geldt voor de auto’s met een uitstoot van niet hoger dan 50 gram per kilometer dezelfde systematiek als voor andere auto’s.

De introductie van een bijtellingspercentage van 7% (korting van 18%-punt) zoals de heren Huizing, Van Vliet en Omtzigt vragen, brengt naar mijn mening dan ook met zich mee dat de huidige nihilbijtelling (korting van 25%-punt) dient te vervallen. Anders zou er immers naast de nihilbijtelling een bijtellingspercentage bijkomen. Voor de bestaande nulemissieauto’s zou dan wel tot 1 januari 2015 een nihilbijtelling van toepassing moeten blijven.

Vanaf 1 januari 2012 zou dan tijdelijk (tot 1 januari 2016) het door de heren Huizing, Van Vliet en Omtzigt gevraagde bijtellingspercentage van 7% van kracht kunnen worden voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 50 gr/km. Conform het wetsvoorstel geldt ook voor deze nieuwe auto’s dat de korting op de bijtelling gedurende de gebruikelijke leaseperiode (60 maanden) van kracht blijft. Samenvattend komt dit op het volgende neer:

  • alle nieuwe auto’s die op of na 1 januari 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld, met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 50 gr/km, komen voor de gebruikelijke leaseperiode van 60 maanden in aanmerking voor een bijtelling van 7% (korting van 18%-punt);

  • het bijtellingspercentage vervalt op 1 januari 2016, dat wil zeggen dat auto’s die op of na die datum voor het eerst op naam worden gesteld niet meer voor die bijtelling van 7% in aanmerking komen; voor hen geldt dan het bijtellingspercentage van 14% (korting van 11%);

  • nulemissieauto’s die vóór 1 januari 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld behouden tot 1 januari 2015 het recht op een nihilbijtelling (korting van 25%-punt); hiermee wordt dan recht gedaan aan de toezegging van mijn ambtsvoorganger om de rechten van bestaande gevallen te eerbiedigen.

De opbrengst van een dergelijk alternatief loopt in de eerste jaren op tot zo’n 24 mln, langzaam aflopend tot nihil in de jaren daaropvolgend.

De heer Groot wijst op de vermeende ongelijkheid tussen de termijn van 60 maanden waarbinnen mensen met een auto van de zaak hun verlaagde bijtelling behouden en het beëindigen van de vrijstelling MRB voor zeer zuinige auto’s. Het kabinet is van mening dat een dergelijke ongelijkheid niet aanwezig is. Er is een verschil in karakter tussen de onderhavige belastingen. De MRB is een jaarlijks terugkerende belasting en om de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s van die belasting enige inhoud te geven, dient deze voor een aantal jaren van toepassing te zijn. Mijn ambtsvoorganger heeft mede om die reden toegezegd dat deze vrijstelling niet vóór 2013 zou worden afgeschaft. Wijzigingen in de MRB hebben overigens weinig direct effect omdat er niet of nauwelijks een handelingsperspectief is als de belastingplichtige niet de middelen heeft om een andere auto aan te schaffen. Dit kabinet handhaaft de huidige vrijstelling in de MRB tot 1 januari 2014. Hiermee wordt in voldoende mate tegemoetgekomen aan de belangen van de mensen die op basis van de huidige regels een auto met vrijstelling van MRB hebben aangeschaft.

De termijn waarbinnen de verlaagde bijtelling van toepassing is, is gebaseerd op de gemiddelde leaseperiode voor een personenauto/bestelauto. Het is voor de duur van de gemiddelde leaseperiode dat het kabinet de gebruiker van de auto van de zaak zekerheid wil bieden. Dat is overigens een inperking ten opzichte van de huidige wetgeving, in ieder geval voor de auto’s die na 1 juli 2012 worden gekocht. Op basis van die huidige wetgeving was in het geheel geen beperking vastgesteld voor de duur van de verlaagde bijtelling. Op basis van de voorgestelde wetgeving is de termijn voor auto’s die voor 1 juli 2012 ter beschikking zijn gesteld beperkt tot het moment dat de auto overgaat in andere handen en voor auto’s die na die datum ter beschikking zijn gesteld tot 60 maanden. Voor de MRB is op basis van de huidige wetgeving vrijstelling voorzien voor zeer zuinige auto’s. Voor deze vrijstelling was geen einddatum voorzien. In de toelichting op het Belastingplan 2011 is toegezegd dat vóór 2013 geen wijziging in de vrijstelling zou worden aangebracht. Ingevolge het huidige wetsvoorstel eindigt de vrijstelling MRB voor zeer zuinige auto’s op 1 januari 2014. Dat is één jaar later dan de datum waar op grond van de toezegging in het Belastingplan 2011 op kon worden gerekend.

Gasvormige brandstoffen, biobrandstoffen en voor groen gas geschikte auto’s

De heer Huizing vraagt waarom er een aparte regeling moet komen voor groen gas. In dit verband vraagt hij waarom niet wordt gekeken naar de uitstoot in plaats van naar de brandstofsoort om een gelijke behandeling van brandstoffen te bereiken. Wat betreft de accijns en energiebelasting wordt groen gas voor het wegverkeer op dezelfde wijze behandeld als aardgas. De zogenoemde tank-to-wheel CO2-uitstoot (het op dit moment enig objectief meetbare gegeven) van groen gas is, in tegenstelling tot de zogenoemde well-to-wheel uitstoot, gelijk aan die van aardgas, dus ook in die zin is er sprake van gelijke behandeling. Onlangs heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor herziening van de Richtlijn energiebelasting.22 Onderdeel hiervan is om energieproducten te belasten deels op basis van energie-inhoud en deels op basis van CO2-uitstoot. De onderhandelingen over dit voorstel zijn gaande. Op dit moment is de uitkomst nog ongewis.

Ook in de BPM, de MRB en de bijtelling wordt momenteel geen onderscheid gemaakt tussen groen gas en aardgas. De CO2-uitstoot van groen gas auto’s wordt bepaald op grond van de hiervoor beschreven volledig geharmoniseerde Europese toelatingsprocedure voor motorvoertuigen. Dit heeft tot gevolg dat voor het bepalen van de CO2-uitstoot van groen gas de tank-to-wheel CO2-uitstoot leidend is, waardoor de CO2-uitstoot gelijk is aan die van aardgas. Zoals ook geschetst in de autobrief ligt het niet in de rede dat Nederland daar eenzijdig van gaat afwijken door over te gaan op een «well to wheel-benadering» in BPM, MRB en bijtelling.

De heer Braakhuis vraagt hoe de verhoging van de accijns en energiebelasting op groen gas valt te rijmen met het innovatieve karakter van groen gas en hoe de verhoging zich verhoudt met investeringen van het bedrijfsleven in groen gas. Groen gas wordt al in ruime mate gestimuleerd, enerzijds via de SDE (+) (voor 2011 een budget van € 1 miljard), via de TAB (subsidieregeling Tankstations Alternatieve Brandstoffen) en via landelijke en provinciale subsidieregelingen voor de aanschaf van aardgasvoertuigen. Daarnaast is de huidige energiebelasting op (bio-)CNG extreem laag, vergeleken met de accijns op benzine (op basis van energie-inhoud) zelfs 25 keer lager. Een product als LBG (vloeibaar biogas, ook wel bio-LNG genoemd) is belast met accijns en is drie keer zwaarder belast dan (bio-) CNG. Door de aanpassing van de tarieven wordt beoogd de diverse gasvormige producten (gecomprimeerd of vloeibaar) ongeveer gelijk te belasten. Ook na de voorgestelde verhogingen van de tarieven blijven de gasvormige brandstoffen zeer laag belast ten opzichte van benzine en diesel.

De heer Groot vraagt of de Total Cost of Ownership (TCO) van groen gas auto’s hoger is dan die van andere voertuigen en of er alternatieven zijn voor de verhoging van de accijns en energiebelasting. De heer Omtzigt vraagt of de verhogingen niet dodelijk zijn voor de ontwikkeling van groen gas en of een geleidelijke ingroei mogelijk is. Ik hecht eraan op te merken dat er geen specifieke groen gas auto’s zijn; het gaat altijd om auto’s die zowel op benzine, aardgas als groen gas kunnen rijden. De aanschafprijs van een aardgasauto is enkele duizenden euro’s hoger dan die van een vergelijkbare benzineauto. Daar staat tegenover dat de brandstofkosten aanzienlijk lager zijn. Per saldo is de TCO van een aardgasauto lager dan die van een vergelijkbare benzine- of dieselauto. Na de tweede stapsgewijze verhoging van het energiebelastingtarief zullen de brandstofkosten voor een aardgasauto met een jaarkilometrage van 15 000 ongeveer € 100 per jaar stijgen op een TCO van ongeveer € 10 000 per jaar. Daarbij moet worden bedacht dat de afzet van groen gas voor het wegverkeer vooral is gericht op bestelauto´s. Voor bestelauto´s op aardgas/groen gas gelden diverse subsidieregelingen. Vanuit de Proeftuin duurzame mobiliteit kan een subsidie van € 3 000 per voertuig worden verkregen. Daarnaast is er nog een groot aantal provinciale subsidieregelingen, variërend van € 1 000 tot € 3 000 per aardgasvoertuig (vaak ook personenauto’s). Ook komen aardgasauto’s voor zakelijk vervoer in aanmerking voor toepassing van de MIA (milieu-investeringsaftrek) en de Vamil (willekeurige afschrijving). Door al deze regelingen is de TCO van een aardgasauto aanzienlijk lager dan die van een benzine- of dieselauto. De verhogingen van de accijns en energiebelasting beogen gasvormige brandstoffen ongeveer gelijk te belasten indien wordt gekeken naar de energie-inhoud van de producten. Hiermee wordt de huidige ongelijkheid tussen de gasvormige brandstoffen waar mogelijk weggenomen. Om hierop voor groen gas in de vorm van CNG (gecomprimeerd) een uitzondering te maken is, mede gezien de geringe stijging van de TCO, niet wenselijk. Ook een geleidelijke ingroei geeft slechts een marginaal voordeel. Nadeel daarbij is dat dan opnieuw een verschil met LBG (vloeibaar biogas, vooral gebruikt door het vrachtverkeer) ontstaat, dat is belast met accijns. LBG is nu drie keer zo zwaar belast als (bio)CNG. Bovendien wordt de productie van groen gas gesubsidieerd via de SDE (+). Voor het jaar 2011 gaat het om een budget van ongeveer € 1 miljard. De inzet van groen gas als motorbrandstof is overigens aanzienlijk lucratiever dan wanneer het wordt afgezet aan huishoudens, omdat de pompprijs een stuk hoger ligt dan de particuliere gasprijs voor huishoudens. Bovendien kan (groen) gas in het wegverkeer qua pompprijs zeer concurrerend worden aangeboden ten opzichte van bijvoorbeeld benzine en diesel.

De heer Omtzigt vraagt naar de mogelijkheid om voor auto’s die op groen gas rijden eenzelfde bijtellingspercentage van toepassing te laten zijn als voor plug-in hybrides. De in dit wetsvoorstel opgenomen stimuleringsmaatregelen zijn alle volledig gebaseerd op CO2-uitstoot van het voertuig. Dat geldt voor zowel de BPM als voor de bijtelling. In beide gevallen bepaalt de CO2-uitstoot de hoogte van de belasting. Zoals hiervoor al is aangegeven in reactie op een vraag van de heer Huizing vindt de vaststelling van de CO2-uitstoot van alle auto’s plaats met behulp van een volledig geharmoniseerde Europese toelatingsprocedure. De aldus vastgestelde CO2-uitstoot vormt in alle landen van de Europese Unie de basis voor een eventueel op die uitstoot gebaseerde belastingheffing. Ook de Nederlandse bijtelling van een groen gasauto (net als overigens de BPM) wordt berekend met behulp van die in Europees verband vastgestelde CO2-uitstoot. Als het kabinet het voorstel van de heer Omtzigt zou willen volgen, dient dat uitgangspunt te worden losgelaten, omdat in plaats van de uitstoot van de auto dan ook de kenmerken van de gebruikte brandstof, i.c groen gas, in de beschouwing zou moeten worden betrokken. Dat komt neer op de zogenoemde well to wheel benadering, een benadering die het kabinet niet kan volgen omdat daar simpelweg onvoldoende gegevens voor voorhanden zijn. Daarnaast speelt mee dat een bijtelling dan volledig afhankelijk zou worden van de getankte brandstof. Een verlaagde bijtelling zou namelijk alleen van toepassing mogen zijn indien ook daadwerkelijk op groen gas gereden wordt. Indien op benzine of zelfs maar op grijs gas zou worden gereden, zou de verlaagde bijtelling ten onrechte zijn verleend. Tegelijkertijd zou in een dergelijke benadering worden afgeweken van het uitgangspunt dat een stimulering techniekonafhankelijk dient te worden vastgesteld, namelijk door alleen te kijken naar de uitstoot zoals die in Europees verband wordt vastgesteld. Rekening houden met de gebruikte brandstof zou ook afbreuk doen aan dat uitgangspunt.

De heer Omtzigt vraagt of er mogelijkheden zijn om puur plantaardige olie (PPO) minder zwaar te belasten dan diesel, bijvoorbeeld tegen het EU-minimumtarief voor diesel. PPO wordt doorgaans in het geheel niet belast. Als PPO wordt gebruikt voor verwarmingsdoeleinden is het vrijgesteld van accijns. Gebruik van PPO als motorbrandstof is een minder gebruikelijke toepassing. Daarvoor moeten motoren worden aangepast. Als PPO toch wordt gebruikt als motorbrandstof kan het in aanmerking komen voor gedeeltelijke teruggaaf van accijns op grond van de in de Wet uitwerking autobrief voorgestelde teruggaafregeling voor biobrandstoffen en mengsels van biobrandstoffen, mits de PPO duurzaam is geproduceerd. De meeste PPO wordt verwerkt tot biodiesel en daarna bijgemengd in diesel. Een apart tarief voor PPO ligt dan ook niet in de rede.

Overig

De heer Van Vliet vraagt om een tegemoetkoming voor oldtimers nu de kilometerheffing niet doorgaat. Ingevolge een amendement van het lid Cramer c.s. op het Belastingplan 2009, zou de vrijstelling MRB voor oldtimers vanaf 2012 beperkt worden tot auto’s die vóór 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen. Deze beperking was blijkens de toelichting op het amendement mede ingegeven om een eventueel verstorend effect op de invoering van de kilometerbeprijzing te voorkomen. Vanuit dat gezichtspunt zou het niet doorgaan van de kilometerbeprijzing aanleiding kunnen zijn de beperking van de vrijstelling MRB te heroverwegen. Het amendement kende echter nog een tweede motivering, namelijk de toegenomen rijwaardigheid van moderne auto’s, waardoor grotere aantallen oudere auto’s, op reguliere basis, van de weg gebruik maken, terwijl ze minder energie-efficiënt zijn dan nieuwere auto’s. Deze constatering rechtvaardigt een aanscherping van het vrijstellingsregime in de MRB voor oldtimers, wellicht in een andere vorm dan die welke door voornoemd amendement wordt bewerkstelligd. Zoals ik ook al heb aangegeven in het AO over de autobrief op 30 juni 2011, nodig ik de heer Van Vliet uit te komen met een voorstel voor een versoepeling van de in meergenoemd amendement opgenomen maatregel. Indien daar een meerderheid voor bestaat in de Tweede Kamer, ben ik bereid daar welwillend naar te kijken.

De heer Omtzigt wil graag cijfers zien van de import van oldtimers en vraagt naar de mogelijkheid om de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting te beperken tot oldtimers vanuit de EU. Volgens gegevens van de RDW zijn in de periode 2009–2010 in totaal ruim 29 000 personenauto’s en circa 2 200 motoren van 25 jaar en ouder vanuit andere landen overgebracht naar Nederland. Zo’n driekwart van deze voertuigen is afkomstig uit andere Europese landen. De onderverdeling naar land van herkomst is echter bij de Belastingdienst niet bekend. Alleen al om die reden is het, los van de wenselijkheid, niet mogelijk om bij de fiscale faciliteiten voor oldtimers een onderscheid te maken tussen enerzijds oldtimers afkomstig uit andere EU- en EER-landen, en anderzijds oldtimers afkomstig uit derde landen. Zo’n onderscheid zou in de praktijk overigens ook eenvoudig te omzeilen zijn, omdat auto’s vanuit derde landen eerst in een ander Europees land geregistreerd zouden kunnen worden en van daaruit naar Nederland zouden kunnen worden overgebracht.

De heer Omtzigt stelt vragen over het betalen van belasting door buitenlanders die in Nederland verblijven en met hun auto gebruik maken van ons wegennet. Iedereen die in Nederland woont en die houder is van een motorrijtuig moet motorrijtuigenbelasting betalen. Als iemand zijn hoofdverblijf overbrengt naar Nederland en een auto meeneemt waarvoor hij niet voldoet aan de voorwaarden voor de verhuisgoedvrijstelling, moet voor de auto ook BPM worden betaald. Bij vertrek uit Nederland kan er overigens weer BPM worden teruggevraagd.

De Belastingdienst houdt geen gegevens bij van aantallen auto’s die hier binnenkomen vanuit een ander land en dientengevolge een Nederlands kenteken krijgen. De Belastingdienst baseert zich primair op de gegevens van de RDW, maar beperkt zich daar niet toe. Het toezicht is erop gericht om, waar mogelijk, elk voertuig dat daarvoor in aanmerking komt in de heffing te betrekken. Dit is geen eenvoudige opgave voor deze busjes. Wanneer de houder zijn hoofdverblijf niet overbrengt naar Nederland en evenmin een langere aaneengesloten periode in Nederland verblijft, is namelijk geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. In de omgekeerde situatie geldt dat ook, als een inwoner van Nederland zijn Nederlands gekentekende auto tijdelijk gebruikt in een ander land, zonder zijn hoofdverblijf naar dat andere land over te brengen. De Belastingdienst heeft de beschikking over contra-informatie waaruit blijkt dat buitenlandse voertuigen lange tijd in Nederland worden gebruikt en om die reden mogelijk in de heffing moeten worden betrokken. Ook in de voorlichting aan MOE-landers wordt aandacht besteed aan de fiscale verplichtingen rond voertuigen. Zodra bekend is dat een voertuig fiscaal relevant is voor het toezicht kan het kenteken van dat voertuig worden opgenomen in het bestand van kentekens dat wordt vergeleken met camerabeelden. Ook buitenlandse kentekens kunnen daarin worden betrokken. In totaal wordt volgens de Belastingdienst voor 1 000 à 1 500 niet in Nederland geregistreerde voertuigen motorrijtuigenbelasting betaald.

De heer Koolmees vraagt hoe de afbouw van de fiscale stimulering van onder meer rode diesel wordt vormgegeven. Rode diesel wordt onder meer gebruikt als motorbrandstof voor binnenvaartschepen. Op grond van de Akte van Mannheim is dit vrijgesteld van accijns. Vooralsnog wordt hierin geen wijziging voorzien. In de afgelopen jaren is het gebruik van rode diesel al enigszins afgebouwd. Een groot aantal voertuigen, dat voorheen op rode diesel mocht rijden (zogenaamde mobiele werktuigen), is inmiddels hiervan uitgezonderd. Ook de zogenoemGrootverbruikersregeling (gedeeltelijke teruggaaf van accijns bij gebruik boven een bepaalde hoeveelheid) is inmiddels nagenoeg afgebouwd.

De heer Koolmees wijst op de in de autobrief genoemde verkenning naar de mogelijkheden om langs fiscale weg een bijdrage te kunnen leveren aan de filebestrijding. Hij vraagt waarom deze verkenning zolang duurt en wat de Kamer voor het zomerreces kan verwachten. Eventuele fiscale maatregelen dienen te passen in het streven naar eenvoud, robuustheid en fraudebestendigheid. Daarnaast dienen zij daadwerkelijk bij te dragen aan het terugdringen van de files zonder dat dit gepaard gaat met een stijging van de administratieve lasten voor de burger en het bedrijfsleven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Op dit moment vindt een inventarisatie plaats van de maatregelen die aan het vorenstaande voldoen. In de eerste helft van het komende jaar zullen een aantal van deze maatregelen op hun verschillende effecten worden doorgerekend. Op de uitkomst daarvan kan ik nu niet vooruitlopen en om die reden kan ik op dit moment ook niet aangeven wat de Kamer voor het zomerreces kan verwachten.

Geefwet

Definitie ANBI

Met het opnemen van het ANBI-begrip in de AWR wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd. De heer Groot vraagt in het verlengde hiervan waarom woningcorporaties dan wel worden uitgesloten van de ANBI-status. Het beleid ten aanzien van woningcorporaties is steeds geweest dat zij niet kunnen kwalificeren als ANBI. In 1997 heeft de Staatssecretaris van Financiën dit standpunt in een beleidsbesluit23 uitgedragen. Dit beleid is sindsdien ongewijzigd. Van een inhoudelijke wijziging is – met het niet opnemen van woningcorporaties in de definitie van de ANBI – dan ook geen sprake.

De heer Omtzigt vraagt om de voorwaarden waaronder een steunstichting voor een SBBI als ANBI kan kwalificeren, te codificeren. Een «vrienden van»-stichting zou volgens de heer Omtzigt nu al als ANBI aangemerkt kunnen worden. Om misverstanden te voorkomen wil ik graag opmerken dat een steunstichting voor een individuele SBBI nooit als ANBI kan kwalificeren. Die stichting kan immers nooit (nagenoeg) geheel een algemeen belang beogen, omdat de SBBI dat ook niet doet.24 Een instelling die de belangen van meerdere SBBI’s behartigt kan wel als ANBI worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als die instelling in zijn doel en feitelijke werkzaamheden het lokale belang ontstijgt en daarmee niet langer een particulier belang nastreeft. Ook kan worden gedacht aan een stichting die regionaal of landelijk opereert en die ter bestrijding van de armoede de contributie van de sportvereniging voor minderbedeelden voor zijn rekening neemt. Ik sta eveneens welwillend tegenover de vraag te bekijken welke mogelijkheden er zijn voor faciliteiten voor steun-stichtingen/verenigingen die geld inzamelen voor grote investeringen door SBBI’s zoals een clubgebouw. Steunstichtingen van SBBI’s kwalificeren als SBBI en hebben daarom alleen de vrijstelling van schenk- en erfbelasting. Zij kunnen op dit moment alleen kwalificeren als ANBI als haar werkzaamheid in het belang van meerdere SBBI’s strekken. In dat geval kunnen donateurs wel gebruik maken van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting. Voor steunstichtingen die geld inzamelen ten behoeve van één specifieke SBBI zouden extra faciliteiten gezocht moeten worden in de giftenaftrek IB. Ervan uitgaande dat voor grote investeringen over meerdere jaren geld wordt ingezameld, valt te denken aan een maatregel in de sfeer van periodieke giften. Dat zou neerkomen op de aftrek niet alleen voor verenigingen met meer dan 25 leden toe te staan maar de mogelijkheid ook toe te staan voor periodieke giften aan steunstichtingen van SBBI’s. Een meer op de vraag toegesneden faciliteit zou echter zijn om de ANBI-status te verlenen aan een steunstichting die in het bijzonder is opgericht met het oog op het inzamelen van geld voor een groot project of een grote investering van een SBBI. Ik ben desgevraagd bereid te onderzoeken wat hiervan de gevolgen zijn op budgettair gebied en op het terrein van uitvoeringskosten.

De heer Bashir vraagt hoe het algemeen nuttige doel van een ANBI zich verhoudt tot de wens van het kabinet dat ANBI’s meer commerciële activiteiten gaan ontplooien. Ook vraagt hij hoe de Belastingdienst het 90%-criterium blijvend gaat controleren. De door het kabinet voorgestane ruimhartigheid met betrekking tot commerciële activiteiten staat los van het vraagstuk of een instelling (nagenoeg geheel) het algemeen nuttige doel beoogt en derhalve aangemerkt dient te worden als ANBI. Bij dit laatste vraagstuk wordt bezien of de doelstelling van een instelling en de activiteiten die de instelling ontplooit om dat doel te verwezenlijken als algemeen nuttig dienen te worden aangemerkt. In de AWR zijn de doelen opgenomen die in dat kader als algemeen nuttig worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat de instelling dat algemeen nuttige doel (nagenoeg) geheel beoogt, dat wil zeggen voor ten minste 90%. De wijze van toetsing van het 90%-criterium is afhankelijk van de doelstelling van een instelling en de wijze waarop de instelling dat doel verwezenlijkt, maar de nadruk ligt hierbij doorgaans op de bestedingen van een ANBI. De verruiming in het beleid met betrekking tot commerciële activiteiten ziet op activiteiten die een ANBI onderneemt ter financiering van het algemeen nuttige doel van de instelling en van de activiteiten ter verwezenlijking van dat doel. Door een ruimhartiger beleid met betrekking tot deze activiteiten zal meer geld worden gegenereerd voor het algemeen nut, dus in die zin verhoudt de doelstelling van een ANBI zich goed tot de wens van het kabinet dat de filantropische sector meer ondernemend wordt.

De heer Dijkgraaf heeft zijn twijfel uitgesproken of het wel mogelijk is de begrippen «hoogwaardige cultuur» en «culturele instelling» te definiëren. Ook de heer Huizing vraagt of het niet beter is om tot een meer duidelijk afgebakende definitie te komen. De heer Bashir vraagt vervolgens of het kabinet niet bang is dat meer instellingen dan alleen de beoogde het label «cultureel» zullen willen krijgen, in verband met de multiplier als grote stimulans voor belastingplichtigen om (meer) te geven. Ook vraagt hij of deze afbakening niet tot onnodig veel werk gaat leiden voor de Belastingdienst. In overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt gezocht naar een praktisch hanteerbaar toetsingskader waardoor weinig of geen problemen in de uitvoeringssfeer hoeven te worden verwacht. Het begrip «hoogwaardig» wordt dan ook ingevuld door aan te sluiten bij materiële kenmerken. In grote lijnen geldt dat een «culturele instelling» een instelling is die statutair en feitelijk (nagenoeg) uitsluitend activiteiten ontplooit die gericht zijn op de realisatie van, of het doen realiseren van een – voor het publiek toegankelijk – cultureel aanbod, het verspreiden van cultuur of het beheren en behouden van cultuur. Verder is denkbaar dat een belangrijke rol zal zijn weggelegd voor relevante brancheorganisaties, waarbij de hiervoor bedoelde instellingen zijn aangesloten. Deze organisaties worden momenteel in kaart gebracht.25 Het meest voor de hand ligt dat de brancheorganisaties voor (een deel van) de bij hen aangesloten leden de status van culturele instelling via een groepsbeschikking aanvragen. Culturele instellingen zijn dan instellingen, die actief zijn in beeldende kunst, bouwkunst, erfgoed (musea, archieven, archeologie, monumentenzorg), dans, film, letteren, (pop)muziek, (muziek)theater, nieuwe media of vormgeving. Hieronder vallen bijvoorbeeld theatergroepen, schouwburgen, bibliotheken, filmhuizen, (pop)podia, letteren-, pop- en filmfestivals, architectuurcentra en presentatie-instellingen. Ook bepaalde verenigingen die het particulier belang overstijgen en instellingen die de cultuursector versterken komen in aanmerking, zoals kenniscentra cultuur en private cultuurfondsen, zoals het Prins Bernhard Cultuurfonds, het VSBfonds en het SNSreaalfonds. Hierbij is van belang of deze instellingen (nagenoeg) geheel de hiervoor genoemde activiteiten ontplooien.

ANBI-status en commerciële activiteiten/maatregelen vennootschapsbelasting

De heer Dijkgraaf en de heer Omtzigt vragen of het mijn bedoeling is om winsten boven de € 15 000, in het voorbeeld van de heer Dijkgraaf gesteld op € 50 000, te belasten, zelfs als de winst volledig wordt aangewend of uitgekeerd aan het goede doel. Ook vraagt de heer Omtzigt of de grens van € 15 000 niet belemmerend werkt voor het vestigingsklimaat voor internationale goededoelenorganisaties en waarom verliezen in het ene jaar niet verrekend kunnen worden met winsten uit het andere jaar. Ik zou graag voor de beantwoording van de specifieke vragen van de gelegenheid gebruik willen maken om enige verwarring, die ik tijdens het WGO van 31 oktober jl. bespeurde, uit de wereld te helpen met betrekking tot de belastingplicht van ANBI’s. Gevraagd wordt waarom ik vanaf 2012 de vrijstelling voor ANBI’s afschaf als de winst behaald met ondernemingsactiviteiten boven de € 15 000 uitkomt. Hier constateer ik een misverstand. ANBI’s zijn in beginsel niet vrijgesteld van vennootschapsbelasting wanneer zij winst behalen. Dat is nu niet het geval en dat zal ook straks niet het geval zijn. Dat komt omdat in de vennootschapsbelasting het uitgangspunt geldt dat ondernemingswinsten moeten worden belast. Zoals bekend gelden er in de wet wel meerdere uitzonderingen op dit uitgangspunt, waaronder een aantal faciliteiten die (mede) gelden voor ANBI’s. Eén van die faciliteiten betreft de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor ANBI en SBBI-achtige lichamen waarvan de jaarlijkse winst niet boven de € 7 500 uitkomt. Deze grens is relatief laag, mede omdat het ANBI’s en SBBI’s momenteel maar op beperkte schaal is toegestaan commerciële activiteiten te ontplooien. Omdat ik graag zie dat ANBI’s en SBBI’s ondernemender worden sta ik vanaf 2012 commerciële activiteiten op ruimere schaal toe bij deze instellingen en verdubbel ik daarnaast de winstgrens, zodat meer ANBI’s en SBBI’s van deze vrijstelling gebruik kunnen (blijven) maken. Een hogere winstgrens is niet wenselijk omdat daarmee een te grote inbreuk zou worden gemaakt op het level playing field. Wanneer deze instellingen met hun commerciële activiteiten boven het vrijstellingsbedrag uitkomen vind ik het, met het oog op andere belastingplichtigen op dezelfde markt, dan ook niet meer dan redelijk dat deze instellingen over hun winsten vennootschapsbelasting verschuldigd blijven. Vooral ook omdat niet is vereist dat de commerciële activiteiten in het verlengde liggen van de doelstelling van de ANBI. Voor lichamen die fondsen werven voor een ANBI of voor ANBI’s die winsten boven de winstgrens behalen geldt een aftrek als zij de winsten, behaald met fondswerving, volledig uitkeren of aanwenden voor het goede doel. Deze fiscaal fondswervende instellingen faciliteit (hierna: FFI) is in 2002 onder meer in het leven geroepen om te voorkomen dat over de winsten, behaald met een benefietconcert of een kledinginzameling ten behoeve van het goede doel, eerst belasting moet worden betaald voordat het kan worden uitgekeerd aan het goede doel. Ik vind dit een goede faciliteit die ik ook in 2012 in stand wil houden. Wat ik echter tegen wil gaan is de constructievorming die momenteel plaatsvindt via de FFI-faciliteit. Als gevolg van een gerechtelijke uitspraak26 is de toepassing van de FFI-faciliteit veel ruimer geworden dan was beoogd. Hierdoor kunnen winsten behaald met commerciële activiteiten – ongeacht de aard en omvang – volledig buiten de heffing van de vennootschapsbelasting blijven. De FFI-faciliteit is daardoor een interessant fiscaal besparingsinstrument geworden. Waar het gebruik van de FFI-regeling voor die gerechtelijke uitspraak beperkt was, zowel in het aantal organisaties dat er gebruik van maakte als in de omvang van de bedragen, heeft het gebruik na de uitspraak een enorme vlucht genomen. Steeds vaker en in steeds grotere omvang maken professionele commerciële ondernemingen, waarvan de activiteiten naar hun aard niets met fondswerving gemeen hebben, gebruik van de aftrek. Voorbeelden hiervan zijn parkeergarages, familiebedrijven, taleninstituten en uitzendbureaus die via winstuitkeringen aan verbonden «eigen» ANBI’s hun winsten terugbrengen tot nihil en op deze wijze in het geheel geen vennootschapsbelasting betalen. Ik vind het zeer onwenselijk dat dit soort organisaties gebruik kunnen maken van de faciliteit omdat dit leidt tot oneerlijke concurrentie ten opzichte van wel belastingbetalende ondernemers die actief zijn op dezelfde markt. Juist vanwege dit aspect vind ik het heel belangrijk dat met het verlenen van een faciliteit prudent wordt omgegaan. Dit is dan ook de reden dat ik de regeling, zoals reeds aangekondigd in een onderschrift27 bij eerder genoemde gerechtelijke uitspraak, per 1 januari 2012 aanpas.

Met de aanpassing heb ik gezocht naar kenmerken waarin een fondswerver zich onderscheidt van een niet-fondswerver. De inzet van vrijwilligers springt daarbij in het oog. Immers, organisaties die zich echt inzetten voor het goede doel vinden makkelijker vrijwilligers die hen willen ondersteunen bij de commerciële fondswerving dan bijvoorbeeld uitbaters van een parkeergarage of een uitzendbureau. Het voorbeeld dat de heer Dijkgraaf aandraagt over een ANBI die producten verkoopt ten bate van het goede doel zonder enige vrijwilliger zal zich naar mijn mening in de praktijk dan ook niet vaak voordoen. Internationale goededoelenorganisaties zoals het internationale Rode Kruis of Unicef maken voor hun inzamelingsacties ook gebruik van vrijwilligers. Ik ga er dan ook van uit dat deze fondswervende organisaties gebruik kunnen blijven maken van de FFI-regeling, alhoewel dit uiteraard in elke situatie weer afhankelijk zal zijn van de individuele feiten en omstandigheden. Het vestigingsklimaat verslechtert naar mijn mening dan ook niet door de verhoging van de winstgrens naar € 15 000 of door het feit dat verliezen en winsten in beginsel niet verrekenbaar zijn voor deze organisaties, nu deze internationale stichtingen naar verwachting van de FFI-faciliteit gebruik kunnen blijven maken. Met bovenstaande voorbeelden meen ik in antwoord op de vraag van de heer Dijkgraaf voldoende te hebben aangegeven dat ik enerzijds de doelstelling uit de vennootschapsbelasting, te weten het stimuleren van ondernemerschap onderschrijf, maar dat ik anderzijds ook oog heb voor een fiscaal level playing field.

De heer Omtzigt vraagt naar de reden achter een algehele vrijstelling voor stichtingen en verenigingen en wil weten waarom dit niet beperkt wordt tot alleen ANBI’s en SBBI’s. Tevens vraagt hij of dit niet zal leiden tot oprichting van stichtingen door BV’s die hun winst in deze stichtingen wegsluizen. De generieke vennootschapsbelastingvrijstelling voor stichtingen en verenigingen waarvan de winst de grens van € 15 000 niet overschrijdt is met name ingestoken vanuit pragmatische redenen. De administratieve en financiële lasten die verbonden zijn aan het doen van aangifte vennootschapsbelasting en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten van de Belastingdienst wegen bij deze veelal kleine stichtingen en verenigingen niet op tegen de belastingopbrengst. Bovendien verwacht ik niet dat deze generieke vrijstelling zal leiden tot een explosieve toename van stichtingen, waar bv’s hun winstgevende activiteiten in onderbrengen, omdat stichtingen geen winstuitkeringen aan de oprichters mogen doen. Daarnaast is het voordeel dat behaald wordt bij een winstgrens van € 15 000, te weten een vennootschapsbelasting voordeel van € 3 000, zowel relatief als absoluut gezien laag.

Giftenaftrek IB en Vpb

De heer Omtzigt vraagt mij een visie te geven op het «maatschappelijk middenveld» en de verschillen tussen ANBI’s en niet-ANBI’s in de sfeer van de giftenaftrek. In het bijzonder vraagt hij nog in te gaan op de vraag hoe deze verschillen in de praktijk gebracht gaan worden. Zowel ANBI’s als SBBI’s vervullen een belangrijke maatschappelijke rol en leveren een bijdrage aan veel maatschappelijke thema’s zoals sociale cohesie, algemene ontwikkeling of het verbeteren van de gezondheid van leden. Omdat het motief voor een gift aan een SBBI doorgaans echter minder altruïstisch zal zijn dan het motief voor een gift aan een ANBI, is het kabinet van mening dat het bestaande onderscheid in de giftenaftrek gerechtvaardigd is. Anderzijds zijn giften en legaten aan SBBI’s – net als voor ANBI’s – wel vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. Doordat ANBI’s bij beschikking als zodanig zijn aangemerkt, is voor een donateur aan de hand van het ANBI-register zeer goed te onderscheiden of een gift aftrekbaar is of niet. Indien de begunstigde instelling geen ANBI is, maar wel een vereniging met ten minste 25 leden, staat de mogelijkheid van periodieke giftenaftrek open voor de donateur. De ervaring leert, dit onderscheid geldt immers thans ook, dat dit in de praktijk goed uitvoerbaar is.

De heer Omtzigt vraagt verder naar de situatie dat de Belastingdienst de giftenaftrek bij een vennootschap beperkt, met het argument dat feitelijk sprake is van een gift met een aandeelhoudersmotief. Daarbij wordt een winstuitdeling van die vennootschap aan de DGA geconstateerd en vervolgens een gift van de DGA aan de begunstigde instelling. De heer Omtzigt stelt daarbij dat de gift voor de DGA vervolgens niet aftrekbaar zou zijn, omdat hij niet alsnog een notariële akte op kan laten maken. Daarmee zou de giftenaftrek van de DGA onnodig worden tegengewerkt. In de eerste plaats komt het mij voor dat de Belastingdienst niet op grote schaal de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting blokkeert om bovenstaande redenen. Daarnaast is het zo dat als werkelijk sprake is van een aandeelhoudersmotief, en de Belastingdienst derhalve terecht een winstuitdeling constateert, de gift vervolgens bij de DGA in de inkomstenbelasting kan worden opgevoerd als aftrekbare gift. Voor aftrek van eenmalige giften is immers geen notariële akte nodig.

De heer Omtzigt stelt de voorwaarde ter discussie dat een periodieke gift moet vervallen bij het overlijden van de schenker. Hij noemt het voorbeeld van een lening die aan een instelling wordt verstrekt, waarbij de schuldeiser tegelijkertijd de verplichting aangaat tot het doen van periodieke giften (door middel van kwijtschelding) aan die instelling. De jaarlijkse aflossingen op de schuld worden dan met die – jaarlijks aftrekbare – giften verrekend. Overlijdt de schuldeiser/schenker in de vijfjaarsperiode, dan blijft de instelling met een resterende schuld zitten, waartegenover geen te ontvangen giften meer staan. De ruimere faciliteit voor periodieke giften ten opzichte van eenmalige giften (geen drempel en plafond in de aftrek) is gebaseerd op de destijds algemeen gevoelde wenselijkheid van een regelmatige inkomstenstroom voor de instelling. In het praktijkvoorbeeld waarin een schenking van een schilderij aan een museum in de vorm van een verkoop tegen een schuldig gebleven koopsom gevolgd wordt door jaarlijkse kwijtscheldingen, is de vorm zodanig dat de instelling er in feite vanuit meent te kunnen gaan het volle bedrag al direct na het aangaan van de overeenkomst te hebben ontvangen. De schenker gaat echter ervan uit dat hij een schenking in termijnen doet, en heeft dan ook gedurende de looptijd van de schenking elk jaar voor het geschonken deel recht op giftenaftrek. Als de schenker onverhoopt voor afloop van de termijn overlijdt wordt het museum geconfronteerd met de juridische werkelijkheid dat het ging om jaarlijkse giften en dat het museum nog wel een deel van de koopsom verschuldigd is. In de praktijk wordt het probleem van de restschuld opgevangen doordat de schenker in zijn testament een legaat aan de instelling opneemt ter grootte van die restschuld. Ik acht het volkomen legitiem dat partijen de mogelijkheid tot het doen van periodieke giften op de geschetste wijze opzetten. Het daarmee samenhangende probleem van de eventuele restschuld bij overlijden kan nu al opgelost worden door in het testament een legaat aan de instelling ter grootte van de restschuld op te nemen. Hierdoor kan de gever van de gunstige voorwaarden van de periodieke giftenaftrek (geen drempel en geen plafond) gebruik maken en wordt voorkomen dat de instelling met een restschuld overblijft. Om te zorgen dat er geen legaat nodig is om een eventuele restschuld te voorkomen zou het verschil tussen periodieke giften en eenmalige giften moeten vervallen.

De heer Omtzigt heeft gevraagd of ik bereid ben om met de beroepsorganisatie van de notarissen (KNB) contact op te nemen om te overleggen over een standaardtarief voor de akten voor een periodieke gift. Ik ben zelf meer gecharmeerd van het idee om te bezien of het mogelijk is naast de eis van de notariële akte een andere keuze in te bouwen. Ik denk hierbij aan een standaardakte die van de website van de Belastingdienst te downloaden zal zijn, hierbij zal wel de fraudebestendigheid in het oog gehouden moeten worden. Ik zal deze mogelijkheid nader onderzoeken en hier tijdens de plenaire behandeling op terugkomen. In dat geval zal het overleg met de KNB niet meer nodig zijn. Overigens worden binnen het notariaat geen vaste tarieven meer worden gehanteerd, zodat het schenkers en ANBI’s vrij staat om de goedkoopste notaris te nemen. Op internet zijn er diverse sites te vinden waarop de tarieven kunnen worden vergeleken. Veel ANBI’s bieden overigens aan zelf de kosten van de akte voor hun rekening te nemen vanaf een bepaald bedrag per jaar.

De heren Dijkgraaf en Koolmees zetten vraagtekens bij de noodzaak van het plafond in de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting. Voorts vraagt de heer Dijkgraaf of door het plafond grote bedrijven minder bereid zijn te geven en of het mogelijk is om een hogere grens dan € 100 000 te financieren met een verruiming van de aftrek van 10% naar 20% in plaats van naar 50% en naar de voor- en nadelen daarvan. Vooropgesteld zij dat ik het gevoel deel dat het bedrijfsleven een belangrijke rol kan spelen binnen de filantropische sector. Daar waar het bedrijfsleven uit vrijgevigheid wil schenken aan goede doelen acht ik een tegemoetkoming in de fiscale sfeer dan ook wenselijk. Bij het eventueel verhogen van het plafond in de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting, thans gesteld op € 100 000, is echter voorzichtigheid geboden. Deze voorzichtigheid houdt verband met het risico dat het karakter van de giftenaftrek – vrijgevigheid – overschaduwd wordt door de mogelijkheid de faciliteit primair in te zetten als fiscaal besparingsinstrument. Naarmate het plafond voor de giftenaftrek wordt verhoogd of zelfs wordt afgeschaft neemt de aantrekkingskracht rondom deze aftrek toe. Daar waar momenteel met toepassing van de huidige FFI-faciliteit – naar mijn mening ten onrechte – winsten van bijvoorbeeld parkeergarages, familiebedrijven, taleninstituten en uitzendbureaus geheel buiten de heffing van vennootschapsbelasting worden gehouden, zou dan de situatie ontstaan dat diezelfde winsten als gift aan een gelieerde ANBI op deze wijze opnieuw geheel buiten de heffing kunnen worden gehouden. Los van de vraag in hoeverre je hier kunt spreken van vrijgevigheid – een essentiële voorwaarde voor de toepassing van de giftenregeling – zou dit leiden tot een zeer ongewenste verstoring van het level playing field. De heer Koolmees vraagt hoe groot het budgettaire effect zal zijn wanneer het plafond wordt afgeschaft. Dit effect is mede als gevolg van de te verwachten aanzuigende werking geraamd op € 300 mln. De voorgestelde maatregel, om het maximale aftrekpercentage voor giften te verhogen van 10% naar 50% van de winst en de drempel van € 227 te laten vervallen, beoogt het geefgedrag van ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf te bevorderen. Verlaging van dit percentage naar 20% zou deze stimulans gedeeltelijk ongedaan maken. Verlaging van het percentage naar 20% levert € 5 mln. op. Hiermee kan een verhoging van het plafond van € 100 000 naar € 200 000gedekt worden. Het substantieel meer verhogen van het plafond heeft een ongewenste aanzuigende werking, zoals hiervoor reeds door mij is toegelicht.

De heer Omtzigt vraagt in dit kader of je het plafond niet kunt omzeilen door een gift om te zetten in zakelijke sponsoring of dat sponsoring straks deels wordt aangemerkt als gift. Hierover wil ik graag opmerken dat de grens tussen sponsoring en giften soms vaag kan zijn. Het is afhankelijk van feiten en omstandigheden of en in hoeverre kosten zakelijk zijn. Hierbij is van belang dat bij een gift sprake zal moeten zijn van vrijgevigheid.

Verder vraagt de heer Omtzigt of een dividenduitkering van een BV (dochter) aan een ANBI (moeder) als gift in aanmerking kan worden genomen. Een BV (dochter) kan een aftrekbare gift aan een ANBI (moeder) doen, maar niet in de vorm van een dividenduitkering. Op het moment dat vaststaat dat er sprake is van een dividenduitkering kan deze nooit als gift kwalificeren en zal deze daarmee niet aftrekbaar zijn. Een dividenduitkering is immers naar haar aard een vergoeding aan de aandeelhouder en niet aftrekbaar ingevolge artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Vpb 1969.

Ook vraagt de heer Omtzigt of de giftenaftrek van artikel 16 van de Wet Vpb 1969 van toepassing is op giften van de BV aan de ANBI. Hierover kan ik opmerken dat de giftenaftrek ook in gelieerde verhoudingen van toepassing kan zijn. Een vereiste om in aanmerking te komen voor de giftenaftrek is uiteraard de aanwezigheid van vrijgevigheid (geen aandeelhoudersmotief).

Introductie negatieve giftenaftrek

De heer Omtzigt geeft te kennen blij te zijn met de introductie van de negatieve giftenaftrek. Hij vraagt zich hierbij echter wel af of deze negatieve aftrek mogelijk te omzeilen is door een schenking niet onder een potestatieve, maar een ontbindende voorwaarde te doen. Daarnaast is hij benieuwd wanneer een gift onder opschortende voorwaarde aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, nu deze gift civielrechtelijk tot stand komt op een moment dat (ver) gelegen kan zijn voor het moment dat de transactie daadwerkelijk plaatsvindt. De redactie van de negatieve giftenaftrek is aldus dat een gift die ten gevolge van herroeping of ontbinding terugvloeit in het vermogen van de donateur, onder de negatieve giftenaftrek valt. Hieronder valt dus ook ontbinding van een gift als gevolg van een vervulde ontbindende voorwaarde. De negatieve giftenaftrek is derhalve niet op die manier te omzeilen. In antwoord op de vraag wanneer een gift onder opschortende voorwaarde aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, kan ik antwoorden dat de Wet IB 2001 bepaalt dat een gift aftrekbaar is op het moment dat deze worden betaald, verrekend of ter beschikking gesteld. Bij een gift onder opschortende voorwaarde zal dat dus zijn op het moment dat de opschortende voorwaarde wordt vervuld.

Multiplier giftenaftrek (IB/Vpb)

De heer Dijkgraaf vraagt een wetenschappelijke en kwantitatieve onderbouwing waarom de multiplier in het wetsvoorstel Geefwet effectief zal zijn. De bedoeling van de multiplier is dat culturele instellingen meer donateurs en meer giften kunnen gaan werven. Door de kosten van een gift op het niveau van de donateur te verlagen, kan een donateur eerder worden bewogen te geven en bovendien een grotere gift te doen. Als de prijs van het geven lager wordt, mag worden aangenomen dat er meer wordt gegeven. Het is niet bekend hoe hoog de specifieke prijselasticiteit voor culturele giften is. Om meer giften voor culturele instellingen te werven is echter ook – geheel in lijn met het kabinetsbeleid met betrekking tot stimulering van cultureel ondernemerschap – een inspanning van die instellingen nodig. Of de maatregel effectief zal blijken te zijn voor de culturele instellingen is daarom vooral afhankelijk van de culturele instellingen zelf. De effectiviteit zal ook ex-post worden geëvalueerd op effectiviteit.

De heer Dijkgraaf vraagt verder of ik het belang van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden erken en, zo ja, of ik dan bereid ben de versobering in die aftrek alsmede en de multiplier terug te draaien. Ik erken ten volle het belang van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden. Deze aftrek is in 2009 geëvalueerd en uit die evaluatie is gebleken dat de aftrek bijdraagt aan de instandhouding van rijksmonumenten. De faciliteit wordt dan ook effectief en efficiënt geacht. Dat wil echter niet zeggen dat aanpassing van de faciliteit schadelijk is voor de effectiviteit van de regeling. Ik ben van mening dat het pakket wijzigingen in de faciliteit, met daarbij een verruiming door de drempel te laten vervallen en een versobering door de aftrek van lasten en uitgaven af te schaffen en de aftrek van onderhoudskosten te maximeren, een evenwichtige keuze is. De faciliteit blijft, ook na de onderhavige wijzigingen, effectief.

De heer Groot vraagt de multiplier vooral te concentreren in de vennootschapsbelasting en in ruil daarvoor bijvoorbeeld de multiplier in de inkomstenbelasting te verlagen, dan wel af te schaffen. Een intensievere samenwerking tussen het bedrijfsleven en de culturele sector is een ontwikkeling die ik toejuich. Het voorstel van de heer Groot zou daar een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren. Ik sta dan ook open om te zoeken naar mogelijkheden om de grens van het maximaal in aanmerking te nemen bedrag aan giften voor de multiplier in de vennootschapsbelasting te verhogen. Bij het eventueel verhogen van het plafond in de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting, thans gesteld op € 100 000, is echter voorzichtigheid geboden. Deze voorzichtigheid houdt, zoals ik hiervoor reeds heb aangegeven, verband met het in potentie aanwezige risico dat de giftenaftrek in gelieerde verhoudingen gebruikt gaat worden als fiscaal besparingsinstrument. Ik zal hierna enkele mogelijkheden schetsen die budgettair neutraal uitgevoerd kunnen worden als de multiplier in de inkomstenbelasting verlaagd wordt naar 25%, dan wel afgeschaft wordt. Dat laatste zou ik betreuren want culturele instellingen zijn met deze maatregel wel degelijk geholpen. Uit voorgaande blijkt dat dit laatste niet mijn voorkeur heeft. Een verlaging van de multiplier in de inkomstenbelasting naar 25% levert € 5 mln. op. Dit bedrag kan op verschillende manieren ingezet worden. Als dit volledige bedrag ingezet zou worden voor de multiplier in de vennootschapsbelasting zou het percentage waartegen de gift kan worden afgetrokken, kunnen worden verhoogd tot 200%. Daarnaast zou de multipliergrens van € 5 000 kunnen worden verdubbeld naar € 10 000. Een tweede optie is om deze € 5 mln. in te zetten in de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting ter verhoging van het maximaal in aanmerking te nemen bedrag aan aftrekbare giften van € 100 000. Met de opbrengst uit de inkomstenbelasting zou deze grens kunnen worden verhoogd tot € 200 000. Ten slotte zou ook gedacht kunnen worden aan een combinatie van bovenstaande verruiming. Bij een verhoging van het percentage tot 175% en een verhoging van de multipliergrens tot € 7 500 zou het maximaal in aanmerking te nemen bedrag aan giften in de vennootschapsbelasting kunnen worden verhoogd tot € 150 000. Als de multiplier in de inkomstenbelasting volledig afgeschaft zou worden, dan levert dit in totaal € 10 mln. op. Deze additionele opbrengst van € 5 mln. zou bijvoorbeeld ingezet kunnen worden om de drempel uit de eenmalige giftenaftrek in de inkomstenbelasting te laten vervallen voor culturele ANBI’s.

Transparantie, bestuurdersbeloningen en koppeling strafrechtelijke veroordeling

Graag ga ik in op het verzoek van de heren Bashir, Huizing en Omtzigt, om mijn visie te geven op de door hen gestelde vragen over het toezicht op de ANBI’s, over transparantie en over toegankelijkheid voor het publiek van relevante informatie. Ik sta namelijk, net als deze fracties, maximale transparantie voor. Goededoelenorganisaties hebben op velerlei wijze baat bij overheidsmaatregelen als subsidies, fiscale faciliteiten of voorgeschreven uitkeringen van de goededoelenloterijen. Daarnaast doen zij een beroep op de vrijgevigheid van de burger en het bedrijfsleven. Daartegenover hoort een plicht tot verantwoording te staan, niet alleen jegens de overheid maar ook jegens de gulle gevers en – omdat het om belastinguitgaven en uitkeringen uit de algemene middelen gaat – elke belastingbetaler. Maximale transparantie houdt in dat de ANBI’s een jaarverslag publiceren, met daarin opgenomen hun winst- en verliesrekening, een balans en een specificatie van bepaalde posten, waaronder de beloningen. Deze verslaggeving moet kosteloos kunnen worden ingezien door het publiek. In het Convenant «Ruimte voor geven»28 is vastgelegd dat het kabinet samen met de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) een moderne visie zal ontwikkelen op transparantie en toezicht in de goededoelensector. Vooruitlopend hierop kan ik aankondigen dat ik met de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heb afgesproken een eerste stap te zetten op de weg naar volledige transparantie. Zo zal het conceptwetsvoorstel dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie in voorbereiding heeft en waarin de publicatieplicht voor stichtingen wordt geregeld, worden uitgebreid met een specifieke plicht voor ANBI’s om een financiële verantwoording in de vorm van een balans en een staat van baten en lasten te deponeren bij de Kamers van Koophandel. Het is de bedoeling dat die gegevens niet alleen voor de overheid, maar voor een ieder gratis toegankelijk zijn. In aansluiting op genoemd wetsvoorstel zal ik in de fiscale regelgeving aan de ANBI-status nadere voorwaarden verbinden die verband houden met de transparantie en de publieke toegankelijkheid van die informatie. Ik zal daarover, zoals afgesproken in het Convenant, contact opnemen met de SBF. Het streven is om dit volgend jaar in een wetsvoorstel naar uw Kamer te versturen. De heer Huizing noemde al enkele onderwerpen die zeker aan de orde moeten komen. Zo is het belangrijk dat het publiek kan nagaan wat de doelstelling is van de ANBI, of die doelstelling ook bereikt wordt en of de organisatie wel op de juiste wijze omgaat met de aan haar toevertrouwde middelen. De informatie moet ook meer specifiek inzage geven in de inkomsten en de uitgaven, onderverdeeld in huisvestingskosten, salarissen van bestuurders en ander personeel en overige kosten. Deze informatie zal dan ook in het bij de Kamers van Koophandel gehouden register moeten worden opgenomen. Wat het toezicht betreft zijn de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en ik nog in overleg met de branche. Dit overleg verloopt zeer constructief. Verschillende scenario’s zijn denkbaar en zullen nader worden uitgewerkt. Partijen zijn het in elk geval eens dat het een doeltreffend onafhankelijk toezicht moet zijn, zonder te verworden tot een bureaucratische misstand.

De heer Van Vliet vraagt naar de visie van het kabinet op de verhouding tussen het zijn van een goededoeleninstelling enerzijds en het belonen van bestuursleden met salarissen boven de Balkenendenorm anderzijds. De heer Van Vliet is van mening dat bij een dergelijke hoge beloning, de ANBI-status en bijbehorende fiscale faciliteiten niet van toepassing zouden moeten zijn.

Het kabinet is van mening dat bij beloningen in de goededoelensector terughoudendheid moet worden betracht. Naast het feit dat het filantropie betreft, waarbinnen de voornaamste drijfveer voor handelen vanuit het hart moet komen, hebben ANBI’s de beschikking over veel publieke middelen die optimaal voor het algemeen nut moeten worden aangewend. Het spreekt hierbij voor de filantropische sector dat de koepel voor fondswervende goede doelen (de Vereniging van Fondswervende Instellingen of VFI) een «Code voor Goed Bestuur» heeft uitgevaardigd, beter bekend als de «Code Wijffels». Daarnaast is het kabinet – zoals hiervoor is aangegeven – groot voorstander van meer transparantie in deze sector, in het bijzonder ook over salarissen van bestuurders en medewerkers van ANBI’s. Als ANBI’s transparant zijn over hun beloningsstructuur, kunnen donateurs zelfstandig beslissen of zij de beloningsstructuur al dan niet gepast vinden bij de ANBI en of zij derhalve een gift willen doen aan die instelling. Ik vind het echter ongewenst om een salarisnorm voor te schrijven voor ANBI’s, met name ook omdat de grote verscheidenheid binnen goede doelen zich niet verhoudt tot één norm. Zo is er een wezenlijk verschil tussen een grote, internationaal opererende goededoeleninstelling met duizenden medewerkers en een lokaal of regionaal opererende stichting met slechts enkele medewerkers. Het spreekt voor zich dat bij deze laatste categorie een ander salaris past dan bij de eerste categorie.

In de huidige ANBI-definitie is een bepaling opgenomen dat de ANBI-status vervalt wanneer de instelling, een bestuurder of een gezichtsbepalende persoon van de instelling in de voorgaande vier kalenderjaren onherroepelijk is veroordeeld wegens aanzetten tot haat, aanzetten tot geweld of gebruik van geweld. Ik kan de vraag van de heer Bashir of dit wettelijk is geregeld, derhalve positief beantwoorden. De heren Huizing en Van Vliet informeren of ik bereid ben deze bepaling uit te breiden, bijvoorbeeld door te bepalen dat een veroordeling wegens een wetsovertreding leidt tot het verloren gaan van de ANBI-status. Het spreekt vanzelf dat een criminele organisatie geen ANBI kan zijn. Het spreekt evenzeer vanzelf dat het geen taak van de Belastingdienst is om te beoordelen of een instelling of een daaraan verbonden persoon crimineel is. Er moeten concrete handvatten zijn voor de Belastingdienst op grond waarvan de ANBI-status kan worden ontnomen aan een instelling die zelf (of een bestuurder of feitelijk leidinggevende dan wel gezichtsbepalende persoon) over de schreef is gegaan. Indien uitbreiding van de bepaling de wens is, zal aangesloten moeten worden bij concrete feiten, zoals een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de instelling of persoon. Dan ligt verder nog de vraag ter beantwoording voor, welke strafbare feiten in aanvulling op de reeds in de wet opgenomen delicten zo ernstig van aard zijn dat aan een veroordeling daarvoor de gevolgen van het ontnemen van de ANBI-status moet worden gekoppeld. Sommige misdrijven zijn zo ernstig dat die op zichzelf al in de weg staan aan de kwalificatie als ANBI, omdat een instelling die dergelijke activiteiten ontplooit geen algemeen nut kan beogen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan witwassen of mensenhandel. Maar er is ook een meer grijs gebied. Ik sta open voor suggesties, met dien verstande dat een en ander wel uitvoerbaar moet zijn en dat voorkomen dient te worden dat een relatief licht vergrijp van een bestuurder, een leidinggevende of een gezichtsbepalend persoon kan leiden tot verlies van de ANBI-status.

Overig

De heer Koolmees en de heer Omtzigt vragen waarom in het wetsvoorstel Geefwet geen plaats is ingeruimd voor nieuwe vormen van filantropie, zoals revolving funds. Een revolving fund bestaat op zichzelf beschouwd uit niets anders dan een som geld waaruit leningen worden verstrekt of investeringen worden gedaan, waarbij de terugbetaling respectievelijk de opbrengst weer terugvloeit naar het fonds. De wijze waarop het revolving fund tot stand is gekomen, dan wel in stand blijft – hetzij door giften hetzij door het verwerven van commerciële inkomsten – is niet bepalend voor de ANBI-status. Het uitlenen van geld of het doen van investeringen, een en ander onder marktconforme voorwaarden, lijkt mij een normale, zakelijke activiteit die er toe leidt dat het fund niet in aanmerking komt voor de ANBI-status. In het geval een revolving fund de leningen verstrekt of de investeringen doet tegen niet markt-conforme voorwaarden ten behoeve van een algemeen nuttig doel, zal onder de geldende voorwaarden uiteraard wel gebruik gemaakt kunnen worden van de fiscale faciliteiten. Ik zie derhalve geen aanleiding om in de Geefwet nieuwe ruimte te creëren voor dergelijke initiatieven.

De vraag van de heer Omtzigt waarom er geen oog is voor beleggen in de wetenschap, begrijp ik als de vraag waarom in het kader van de faciliteiten voor maatschappelijke beleggingen niet ook een faciliteit is opgenomen die specifiek is toegespitst op het beleggen in de wetenschap. In het kader van het wetsvoorstel Geefwet, is immers wel een plaats ingeruimd voor de wetenschap, omdat dit een van de terreinen is die is gedefinieerd als zijnde algemeen nuttig. In het kader van de maatschappelijke beleggingen ligt het echter niet voor de hand een nieuwe categorie voor wetenschappelijk beleggen in het leven te roepen. De bestaande faciliteiten voor groen, sociaal-ethische en culturele beleggingen worden, conform het Regeer- en Gedoogakkoord, aangepast. In dat licht zou uitbreiding door introductie van een nieuwe faciliteit een tegenstrijdige beweging zijn. Graag verwijs ik hierbij naar de discussie die vorig jaar bij de behandeling van het Belastingplan 2011 heeft plaatsgevonden.

De heer Omtzigt vraagt om de SBBI-definitie over te hevelen naar de AWR. De SBBI-definitie komt momenteel in meerdere belastingwetten voor. Zo wordt deze definitie uitgewerkt in de Successiewet 1956. In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt voor de teruggaaf energiebelasting ook verwezen naar de SBBI, maar in die wet wordt de omschrijving van de SBBI aangevuld met criteria die voor de energiebelasting relevant zijn. Ook de Wet Vpb 1969 kent een lichaam dat een sociaal belang behartigd. Doordat het SBBI-begrip nu in diverse belastingwetten verschillend gedefinieerd is, zal ik eerst de consequenties van het opnemen van één SBBI-definitie in de AWR moeten bezien. Ik ben bereid om de mogelijkheden hieromtrent te onderzoeken.

De heer Omtzigt vraagt of alle maatregelen met betrekking tot goede doelen in het wetsvoorstel Geefwet kunnen worden opgenomen. Hoewel ook ik in principe voorstander ben van het opnemen in één wetsvoorstel, is dat in dit geval niet wenselijk. De aanpassing van de FFI-faciliteit en de bestedingsreserve betreffen primair reparatiewetgeving. Ten aanzien van de FFI-faciliteit heb ik eind 2010 in een onderschrift bij een gerechtelijke uitspraak deze reparatie reeds aangekondigd om een verdere derving te voorkomen. De aanpassing van de bestedingsreserve houdt verband met een uitspraak van de Hoge Raad die eind dit jaar dan wel begin volgend jaar wordt verwacht. Het budgettaire belang dat hiermee mogelijk gemoeid is, is geraamd op € 500 mln. Dit is dermate groot, dat aanpassing van de regeling per 1 januari 2012 noodzakelijk is. Beide aanpassingen zouden ook zonder de Geefwet zijn meegenomen in respectievelijk het wetsvoorstel Belastingplan 2012 en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Beide maatregelen passen, omdat sprake is van reparatiewetgeving en gezien het budgettair belang, qua karakter ook veel beter in deze beide wetsvoorstellen.

De heer Omtzigt vraagt mij na te gaan of voedselbanken ook de vrijstelling kunnen krijgen die ondernemers hebben voor de BPM op de auto's. De heer Omtzigt wijst er op dat een aantal voedselbanken die vrijstelling wel heeft gekregen, maar een aantal niet. In 2005 is de vrijstelling BPM voor bestelauto’s beperkt tot ondernemers in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 die de bestelauto meer dan bijkomstig gebruiken voor de onderneming. Ik neem aan dat de voedselbanken die thans vrijstelling BPM genieten dat doen omdat zij aan deze voorwaarden voldoen. Een nieuwe afzonderlijke vrijstelling voor voedselbanken ligt mijns inziens niet voor de hand. Op dit moment worden de bestaande vrijstellingen in de BPM tegen het licht gehouden. Het kabinet heeft dit aangekondigd in de autobrief. Een dergelijke heroverweging past in het streven naar een meer robuuste, eenvoudige en fraudebestendige belastingheffing.

Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen

De heer Bashir vraagt wat de dwangsomrisico’s zijn indien er bij de Belastingdienst/Toeslagen massaal fouten worden gemaakt en of deze kunnen worden uitgesloten. Bij fouten in de massale processen is het dwangsomrisico het grootst. Een massaal proces is bijvoorbeeld het massaal automatisch continueren van de voorschotbeschikking aan het eind van het jaar. In zeer korte tijd moeten er dan miljoenen beschikkingen de deur uit. Als er iets mis gaat en al deze toeslaggerechtigden de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke zouden stellen en een dwangsom zouden vragen, dan is het potentiële dwangsomrisico € 9,8 miljard. Dit is een worst case scenario, maar omdat zo’n verstoring in het massale proces heel veel toeslaggerechtigden tegelijk treft, en omdat een beroep doen op de dwangsomregeling erg laagdrempelig is, is het scenario niet uit te sluiten. Dat geldt in het bijzonder voor de automatisch gecontinueerde voorschotbeschikkingen voor het toeslagjaar 2012 die met het binnenkort in gebruik te nemen nieuwe toeslagensysteem zullen worden verzonden. Dit risico wordt in het voorstel van wet grotendeels weggenomen door de voorgestelde bepaling in het nieuwe derde lid van artikel 12 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Overigens heeft het kabinet dit idee min of meer overgenomen van de heer Bashir, die tijdens het Algemeen Overleg Belastingdienst op 15 juni jl. zeer terecht aandacht besteedde aan de grote financiële consequenties die massaverstoringen kunnen hebben.

Overige vragen

Bosal

De heer Bashir vraagt naar de uitvoering van de motie Bashir/Van Vliet.29 In deze motie wordt het kabinet verzocht om een einde te maken aan de aftrek van financieringskosten die samenhangen met de verwerving van een deelneming in een buitenlandse dochtermaatschappij. In het zogenoemde Bosalarrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het in strijd is met het Europese recht dat een belastingplichtige de financieringskosten die samenhingen met de verwerving van een deelneming in een buitenlandse dochtermaatschappij niet in aftrek kon brengen terwijl de financieringskosten die samenhingen met de verwerving van een deelneming in een binnenlandse dochtermaatschappij wel aftrekbaar waren. Een onverkorte uitvoering van de motie is dus niet mogelijk vanwege het Europese recht.

Met betrekking tot de aftrekbaarheid van deelnemingsrente heeft het kabinet de voorzitter van het Topteam hoofdkantoren gevraagd een opinie te formuleren. Het Topteam hoofdkantoren heeft het behoud van een generieke aftrek voor deelnemingsrente bepleit maar stelt tegelijkertijd dat de renteaftrek kan worden beperkt bij onbedoeld gebruik dat de proporties van misbruik heeft aangenomen. In reactie hierop heeft het kabinet geschreven dat het de richting van dit advies zal overnemen. Een maatregel die de gevolgen van Bosalarrest geheel zou wegnemen, zou kunnen inhouden dat de deelnemingsrente ter zake van zowel binnenlandse als buitenlandse deelnemingen niet meer aftrekbaar zou zijn. Het kabinet zal een dergelijke maatregel niet voorstellen vanwege de grote schade die hiermee zou worden toegebracht aan het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat en omdat een dergelijke maatregel onevenwichtig kan uitpakken in binnenlandse situaties. Niettemin deel ik de zorgen die ten grondslag hebben gelegen aan de motie. Ik bereid daarom een maatregel voor om de onwenselijke uitholling van de belastinggrondslag door het in aftrek brengen van deelnemingsrente tegen te gaan. Een dergelijke maatregel vereist een zorgvuldige maatvoering om onwenselijke constructies te treffen zonder het vestigingsklimaat onnodige schade toe te brengen. Een voorbeeld van een dergelijke onwenselijke constructie is een interne verhanging waarbij de belastingplichtige vennootschap een verbonden dochtermaatschappij koopt van haar tophoudster. De belastingplichtige financiert de koopsom met een lening. De rente over deze lening verlaagt de belastinggrondslag. De verkoopopbrengst die de tophoudster realiseert, wendt zij elders aan ten behoeve van het concern. In dit geval is sprake van een financieringsbehoefte elders waaraan wordt voldaan door in Nederland een financieringslast te creëren. Naast dit voorbeeld is er nog een aantal andere gevallen denkbaar. Gezien het belang van een zorgvuldige normstelling met betrekking tot dit soort onwenselijke constructies en de gebruikelijke procedure die voorafgaat aan het indienen van een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer zal dat wetsvoorstel eerst in de loop van 2012 aan de Tweede kamer kunnen worden verzonden.

De heer Bashir vraagt hoeveel een maatregel die ziet op de deelnemingsrente, zal opleveren. De opbrengst van de maatregel hangt af van de maatvoering. Een deel van de opbrengst zal worden aangewend voor de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting. Het bedrag van € 700 mln. dat is genoemd in de nota naar aanleiding van het verslag ziet op de herrekening tegen het huidige vpb-tarief van de raming die in 2003 is gemaakt van de derving als gevolg van het Bosalarrest op grond van welk arrest de rente die samenhangt met buitenlandse deelnemingen ook in aftrek moet worden toegelaten. Het is niet bekend hoe groot op dit moment het bedrag is aan rente die samenhangt met buitenlandse deelnemingen. Een herziene raming van de omvang van het Bosalgat is daarom niet voorhanden.

De heer Bashir vraagt om in te gaan op het voorstel van dr. J. Vleggeert. Het idee van dr. J. Vleggeert houdt in dat Nederlandse activiteiten met arm’s length bedragen aan eigen en vreemd vermogen moeten worden gefinancierd. Bij het bepalen welke verhouding arm’s length is, neemt hij in beginsel de financieringsratio van het concern waartoe de belastingplichtige behoort, als referentiepunt. Wanneer de belastingplichtige te veel schuld heeft, is de rente in zoverre niet aftrekbaar. Heeft de belastingplichtige daarentegen naar verhouding minder schulden dan het concern, dan heeft de belastingplichtige recht op een extra aftrek. Het idee van dr. J. Vleggeert heeft op het eerste gezicht de charme van de eenvoud en behelst een brede aanpak van de renteproblematiek. Bij nadere beschouwing roept het echter wel een aantal vragen op. Zo zal het in de praktijk lastig kunnen zijn om tot een goede afbakening tussen het eigen en vreemd vermogen op concernniveau te komen. Het systeem van een beperkte aftrek bij onderkapitalisatie en een extra aftrek bij overkapitalisatie draagt het gevaar in zich dat geen recht wordt gedaan aan de functie(s) en de activiteiten van afzonderlijke belastingplichtigen. Daardoor zou het voorstel nogal rigide en grofmazig kunnen uitwerken waarbij het risico op dubbele belastingheffing reëel is. De budgettaire, Europeesrechtelijke en uitvoeringsaspecten van het voorstel zijn niet bekend, maar deze zouden uiteraard ook grondig in ogenschouw moeten worden genomen bij de beoordeling ervan. Daarnaar zou eerst uitvoerig onderzoek moeten worden gedaan. Dit zou betekenen dat er in de komende jaren grote onzekerheid zou blijven bestaan over de vennootschapsbelasting. Dat staat op gespannen voet met het streven van het kabinet naar rust en duidelijkheid in de vennootschapsbelasting.

De heer Koolmees vraagt om een reactie op het voorstel van de studiecommissie Herziening belastingstelsel voor een gelijkwaardige behandeling van eigen en vreemd vermogen waarbij hij opmerkt dat dit voorstel op korte termijn weliswaar budgettair nadelig is, maar aantrekkelijk is voor de lange termijn. Zoals ik ook in de Fiscale agenda uiteen heb gezet, streef ik naar rust en duidelijkheid op het gebied van de vennootschapsbelasting. Dit kan worden bereikt door nu een aantal onevenwichtigheden aan te pakken, hetgeen ik voorstel in het wetsvoorstel Belastingplan 2012 en in het wetsvoorstel over de deelnemingsrente dat ik in 2012 zal indienen waarna rust het uitgangspunt zal zijn op het gebied van de vennootschapsbelasting. Een nadere uitwerking van het idee van de Studiecommissie past niet bij dit uitgangspunt. Als het advies van de Studiecommissie zou worden gevolgd en een nader onderzoek naar de gevolgen van de vermogensaftrek en -bijtelling zou worden ingesteld, leidt dit ertoe dat er voorlopig geen zekerheid zou zijn voor het bedrijfsleven. Dat is niet goed voor het vestigingsklimaat. Verder staat vast dat de invoering van een vermogensaftrek en -bijtelling zou leiden tot een structurele budgettaire derving waarvoor dekking zou moeten worden gezocht, bijvoorbeeld door een tariefverhoging. De voorkeur van het kabinet gaat uit naar tariefverlaging. Een grondslagversmalling en tariefverhoging is niet in overeenstemming met het Regeerakkoord, waarin een grondslagverbreding en tariefverlaging in de vennootschapsbelasting is aangekondigd.

De heer Braakhuis vraagt of het Bosalgat niet via de verdragen gerepareerd kan worden. Het zogenaamde Bosalgat bestaat eruit dat bij in Nederland gevestigde vennootschappen de voordelen uit een deelneming vrijgesteld zijn terwijl de rente ter zake van die deelneming wel aftrekbaar is. Voor het oplossen van deze «mismatch» zijn de verdragen geen geschikt instrument. Op basis van de internationale uitgangspunten bij die verdragen heeft Nederland het volledige heffingsrecht over die vennootschappen. De verdragen laten het in beginsel aan het nationale recht van Nederland over om te beslissen in hoeverre de voordelen uit deelnemingen zijn vrijgesteld en in hoeverre rente aftrekbaar is.

Bankenbelasting

De heer Koolmees vraagt aandacht voor de bankenbelasting die ter gedeeltelijke dekking van de verlaging van het overdrachtsbelastingtarief voor woningen wordt ingevoerd. In het verlengde hiervan wil de heer Koolmees weten hoe deze bankenbelasting eruit komt te zien. Ik streef ernaar dat het wetsvoorstel bankenbelasting nog voor de stemmingen over het wetsvoorstel Belastingplan 2012 bij de Tweede Kamer kan worden ingediend. Na indiening van het wetsvoorstel bestaat vervolgens nog meer dan voldoende tijd om inhoudelijk met de Tweede Kamer van gedachten te wisselen over de bankenbelasting. De vormgeving van de bankenbelasting kan dan ook nog aan veranderingen onderhevig zijn. Om die reden volsta ik dan ook met een beschrijving op hoofdlijnen zoals ik ook heb gedaan in het nader verslag van een schriftelijk overleg naar aanleiding van de Fiscale agenda30 en op donderdag 6 oktober jl. tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen. De bankenbelasting zal in beginsel worden geheven over het balanstotaal van een bank. Daarop komen het toetsingsvermogen, de daadwerkelijk gedekte deposito’s onder het depositogarantiestelsel, de verzekeringspassiva en een zogenoemde doelmatigheidsvrijstelling in mindering. Grosso modo resteren daarna de ongedekte schulden. Op deze manier is in hoofdlijnen aangesloten bij de systematiek die ook wordt gehanteerd door de meeste lidstaten van de Europese Unie die een bankenbelasting of resolutiefondsheffingen kennen of in ontwikkeling hebben. Hierdoor wordt het level playing field in het oog gehouden. Doordat de bestanddelen van de balans die worden geraakt door Basel III, het depositogarantiestelsel en Solvency II niet in de heffing van de bankenbelasting worden betrokken, waarborgt deze systematiek dat tevens geen sprake is van stapeling van maatregelen. Vervolgens worden de ongedekte schulden onderverdeeld in een deel dat ziet op kortlopende ongedekte schulden en een deel dat ziet op langlopende ongedekte schulden. Het tarief over de kortlopende ongedekte schulden zal hoger zijn dan het tarief over de langlopende ongedekte schulden. Op deze manier wordt, net als in de in het Verenigd Koninkrijk geldende bank levy, via het fiscale instrumentarium een stimulans gecreëerd waardoor bij een bank eerder dan voorheen de voorkeur zal ontstaan voor langlopende ongedekte schulden boven kortlopende ongedekte schulden. Dit komt de financiële stabiliteit ten goede. Daarnaast hebben de Minister van Financiën en ik bij brief van 26 oktober 201131 een maatregel aangekondigd die eveneens gevolgen kan hebben voor de hoogte van de tarieven van de bankenbelasting. Bij die maatregel is gebruik gemaakt van de norm uit de Code Banken die voorschrijft dat een variabele beloning van een bestuurder niet meer dan 100% van de vaste beloning mag bedragen. Wij hechten er sterk aan dat deze, uit zelfregulering voortvloeiende, norm niet wordt overschreden. In de bankenbelasting is hierom vastgelegd dat wanneer een bestuurder de norm overschrijdt, het tarief over zowel de kortlopende als de langlopende ongedekte schulden wordt verhoogd waardoor de bank dus meer bankenbelasting zal moeten betalen. Bij de vaststelling van de hoogte van de tarieven speelt, naast het level playing field, voornamelijk de kredietverlening een grote rol. De Minister van Financiën heeft in een algemeen overleg op 16 maart jl.32 gesteld dat de bankenbelasting geen substantieel negatieve impact mag hebben op de kredietverlening. Om die reden heb ik, zoals ik tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heb laten weten, De Nederlandsche Bank (DNB) gevraagd of zij inzicht kunnen verschaffen in het geïsoleerde effect van de bankenbelasting op de kredietverlening om zo behulpzaam te kunnen zijn bij de uiteindelijke afweging. De input van DNB op dit punt zal ik meenemen in het nog in te dienen wetsvoorstel.

Voorts vraagt de heer Koolmees of de budgettaire opbrengst van de bankenbelasting in 2012 wel voldoende is om de verlaging van het overdrachtsbelastingtarief voor woningen te financieren.

Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heb ik benadrukt dat het kabinet uitgaat van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel bankenbelasting per medio 2012. Omdat de bankenbelasting wordt vormgegeven als een tijdstipbelasting kan in 2012 de opbrengst van de bankenbelasting worden gerealiseerd. Voorwaarde daarvoor is wel dat het tijdstip waarop de verschuldigdheid van de bankenbelasting in 2012 ontstaat na de inwerkingtredingsdatum is gelegen. Gegeven de nagestreefde inwerkingtreding medio 2012 zal in het nog in te dienen wetsvoorstel bankenbelasting de verschuldigdheid in de tweede helft van het kalenderjaar ontstaan. In het door het kabinet nagestreefde scenario, zal het budgettaire gat van € 300 mln. waar de heer Koolmees naar vraagt dan ook niet ontstaan.

Groen beleggen

De heer Omtzigt en de heer Koolmees vragen naar de ontwikkelingen in de markt van groen beleggen en een reactie op het voorstel van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) om die heffingskorting vanaf 1 januari 2012 te fixeren op 0,7%, waarbij het volume van de inleg wordt gemaximeerd op € 4,1 mld. Vooraf merk ik op dat de fiscale stimulering van maatschappelijk beleggen niet wordt afgeschaft maar op termijn slechts wordt gehalveerd. De substantiële vrijstelling in voor maatschappelijke beleggingen in box 3 tot een vermogen van € 55 476 euro (2011), blijft immers bestaan. Voorts ben ik van mening dat een fiscale subsidie niet voor eeuwig kan blijven bestaan. Indien een markt, na jaren van substantiele ontwikkeling en fiscale subsidiering, volwassen is geworden, kunnen deze subsidies worden worden afgebouwd. Anders ontstaat er fiscale overstimulering. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2011 heb ik in de Eerste Kamer toegezegd dat het kabinet de gevolgen van de afbouw van heffingskortingen voor maatschappelijk (groen, sociaal-ethisch en cultureel) beleggen zal blijven monitoren en zal evalueren. Voorts heb ik toegezegd dat het kabinet het gesprek met de sector zal aangaan over een alternatieve invulling voor de stapsgewijze afbouw van de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen, gegeven de budgettaire kaders. Naar aanleiding van deze toezeggingen is regelmatig overlegd gevoerd, zowel met vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken als met vertegenwoordigers van afzonderlijke (groot)banken. Ook het Ministerie van Infrastructuur & milieu en het AgentschapNL waren hierbij vertegenwoordigd. In dit overleg is de huidige ontwikkeling aan de orde geweest. De vertegenwoordigers van de banken gaven aan dat de markt om spaargeld aan te trekken in zijn algemeenheid werd bemoeilijkt door de algemene terughoudendheid onder spaarders om gelden in langerlopende deposito’s onder te brengen, in verband met de verwachting van een stijgende rente. De markt van groen beleggen is ook onderhavig aan deze trend, dus de ontwikkelingen op deze markt zijn niet enkel toe te rekenen aan de stapsgewijze afbouw van de heffingskortingen. Hierbij komt het effect van de meer algemene moeilijke situatie op de financiele markten. Aan de kant van de projecten was er wel belangstelling om te investeren, maar waren de banken terughoudend in afwachting van de uiteindelijke uitkomst van het overleg over de groenregeling. Met de sector is gesproken over het voorstel tot alternatieve invulling van de (stapsgewijze) afschaffing van de heffingskortingen. In haar brief van 30 juni jl. heeft de NVB als alternatief voorgesteld om de heffingskorting structureel te handhaven op het verlaagde niveau per 1 januari 2012 van 0,7%. Om de beoogde bezuiniging op een alternatieve wijze te realiseren zou een maximaal uitstaand marktvolume door de overheid moeten worden vastgesteld. Het thans uitstaande volume zou geleidelijk worden afgebouwd naar het beoogde maximum. Daarbij zou voor groen beleggen jaarlijks ruimte bestaan om voor ongeveer € 400 mln. aan nieuwe leningen te verstrekken. Bij grotere interesse dan beschikbare ruimte zou overgegaan moeten worden tot aanscherping van de voorwaarden van de «groenregeling». De NVB heeft mij nog niet overtuigd van de levensvatbaarheid van het door haar geschetste alternatief. Het voorgestelde maximum volume betekent jaarlijks een risico op voortijdige sluiting van het loket voor groenverklaringen, dus in de loop van het jaar. Op 23 augustus jl. is aan de NVB daarom meegedeeld dat er grote twijfel bestaat over de levensvatbaarheid van het aangedragen alternatief en dat vooralsnog wordt vastgehouden aan het Regeer- en Gedoogakkoord en de afbouw van de heffingskortingen conform het amendement Slob. Het voorstel is mede lastig uitvoerbaar omdat dit mogelijk zou moeten gebeuren volgens impliciete marktverdeling door de overheid en de banken van de markt voor maatschappelijk beleggen. De verantwoordelijkheid van het AgentschapNL tot budgetbeheersing zou daarbij gebaseerd moeten worden op een verantwoordelijkheid voor de banken om de daadwerkelijke aanvragen te beperken tot de overeengekomen limiet. Ten slotte is het voorstel van de banken minder goed verenigbaar met de vereenvoudigingsagenda van het kabinet.

Willekeurige afschrijving

De heer Omtzigt vraagt of het mogelijk is om de willekeurige afschrijving nog in afgezwakte vorm voort te zetten naar aanleiding van een brief van de energiebranche.In principe ben ik een voorstander van maatregelen die investeringen in onze economie stimuleren. Dat is ook de reden geweest dat deze willekeurige afschrijving als tijdelijke maatregel in 2009 is geïntroduceerd. Echter, zoals de heer Omtzigt ook zelf al aangeeft, is het kaseffect van een verlenging van de tijdelijke maatregel met één jaar enorm. Dit geldt in iets mindere mate als de willekeurige afschrijving in een afgezwakte vorm wordt voortgezet, bijvoorbeeld bij afschrijving in minimaal vier jaar, alhoewel ook dan de kaseffecten nog steeds groot zijn. Deze kaseffecten passen niet bij de doelstellingen van het kabinet met betrekking tot het EMU-saldo. Bovendien zal deze afgezwakte variant vooral investeringen met lange afschrijvingstermijnen stimuleren, die een lange aanloopperiode kennen en op de korte termijn minder effectief zijn. Voor investeringen met een gemiddelde afschrijvingstermijn van zeven jaar zal deze variant namelijk niet meer veel voordeel opleveren.

Werkkostenregeling

Met genoegen neem ik kennis van het feit dat de heer Van Vliet het nieuwste idee op het gebied van de werkkostenregeling steunt. Daarbij ga ik ervan uit dat hij doelt op de in mijn brief van 24 oktober 201133 verwoorde optionele andere mix tussen de forfaitaire ruimte en de gerichte vrijstellingen. Een dergelijke keuzemogelijkheid binnen de werkkostenregeling laat het aan de werkgever over of hij meer waarde hecht aan administratieve eenvoud (hogere forfaitaire ruimte zonder gerichte vrijstellingen) of meer detaillering (huidige forfaitaire ruimte in combinatie met gerichte vrijstellingen). In het laatste geval blijft het dus mogelijk dat een beperkt aantal categorieën vergoedingen en verstrekkingen gericht is vrijgesteld en niet ten laste komt van de forfaitaire ruimte. Uit de tussenevaluatie kwamen positieve signalen over een dergelijke keuzemogelijkheid. De heer Van Vliet vraagt naar het tijdstip van definitieve overgang naar de werkkostenregeling. Tot 1 januari 2014 kan de werkgever kiezen of hij gebruik maakt van de met ingang van 2011 geïntroduceerde werkkostenregeling of van de overgangsregeling om de tot 2011 bestaande wettelijke bepalingen voor vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen toe te passen. Vanaf 2014 bestaat die keuzemogelijkheid niet meer en is de werkkostenregeling de enige regeling voor (onbelaste) vergoedingen en verstrekkingen.

Eigen woning

De heer Van Vliet vraagt waarom de rente op een eigenwoningschuld op een Belgische woning in Nederland in aftrek mag worden gebracht in de inkomstenbelasting. Nederland verleent al jaren onder bepaalde voorwaarden hypotheekrenteaftrek aan alle EU-inwoners en inwoners van landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft, ook al staat hun woning in het buitenland. Nederland is hier op grond van Europees recht toe gedwongen als de buitenlandse belastingplichtige zijn inkomen voor 90% in Nederland haalt. Het is vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, dat personen door het land waar zij ten minste 90% van hun inkomen verdienen, voor hun persoonlijke situatie en gezinssituatie op gelijke wijze moeten worden behandeld als binnenlandse belastingplichtigen. De aftrek in Nederland voor niet inwoners is gerechtvaardigd omdat zij over nagenoeg hun gehele inkomen belasting betalen in Nederland. Zij zouden zonder de aftrek slechter worden behandeld dan binnenlands belastingplichtigen aangezien zij in hun woonland vaak te weinig of geen inkomen hebben om de aftrekposten waar zij in hun woonland recht op hebben, te kunnen effectueren. Nederland heeft een keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen in de wet opgenomen om aan de hier bedoelde Europeesrechtelijke verplichting te voldoen. Voorwaarde voor het verlenen van hypotheekrenteaftrek is dat de in het buitenland woonachtige belastingplichtige met inkomen in Nederland moet kiezen om voor zijn gehele inkomen als binnenlandse belastingplichtige te worden behandeld. Dit is in de praktijk vrijwel alleen maar gunstig als ook het grootste deel van het inkomen in Nederland belast is waardoor er een nauwe aansluiting bestaat met het 90% criterium uit de Europese jurisprudentie.

De heer Braakhuis vraagt of de hypotheekrenteaftrek zou kunnen worden afgeschaft als de belastingdruk gelijk wordt gehouden. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van de Minister van Financiën tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen. De Minister van Financiën heeft toen gezegd dat de aftrek de facto een tariefverlaging is, ook bezien vanuit het feit dat de belastingtarieven op arbeid hoog zijn, en dat niet kan worden gezegd dat de hypotheekrente wordt afgeschaft zonder de belastingtarieven te verlagen. Deze uitspraak is in een andere context gedaan, en kan niet à contrario worden gelezen. Zoals bekend gaat het kabinet geen voorstellen doen voor wijziging van de hypotheekrenteaftrek.

De heer Van Vliet vraagt naar de gevolgen van de dalende huizenprijzen voor het verhoogde eigenwoningforfait voor woningen boven de € 1 mln. Vanaf 1 januari 2009 wordt het percentage van het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde boven de grens van € 1 mln jaarlijks stapsgewijs verhoogd. Per 1 januari 2011 ligt het percentage op 1,05%. Het uiteindelijke percentage van 2,35% wordt bereikt in 2016. Dit percentage geldt voor het deel van de WOZ-waarde van de woning dat boven de grens uitkomt. De grens van € 1 mln. is in 2010 en 2011 reeds geïndexeerd. De grens ligt per 1 januari 2011 op € 1,02 mln. en zal per 2012 uitkomen op ongeveer € 1,04 mln. na indexatie. De indexatie gebeurt op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI). Er zijn perioden dat de huizenprijzen minder sterk stijgen dan de consumentenprijsindex (zoals het afgelopen decennium), maar er zijn ook perioden dat stijging enigszins hoger ligt. Een daling van de huizenprijzen in combinatie met een stijgende CPI leidt ertoe dat een aantal huizen met een waarde die ligt rond de grens van het verhoogde eigenwoningforfait daar na indexatie niet meer onder vallen. Het effect hiervan op de omvang van het eigenwoningforfait van dergelijke woningen is overigens beperkt aangezien alleen op het deel van de waarde boven de grens het hogere forfaitpercentage wordt toegepast. In de omgekeerde situatie waarin de stijging van de huizenprijzen hoger ligt dan de stijging van de CPI, zal het aantal huizen dat valt onder het verhoogde eigenwoningforfait weer wat toenemen. Ook voor andere afzonderlijke goederen en diensten waarop belasting wordt geheven fluctueren de prijzen.

Vestigingsklimaat

De heer Bashir heeft gesteld dat het een publiek geheim is dat Nederland een belastingparadijs is, dat dit blijkt uit het feit dat 80 van de 100 grootste multinationals een financieringsvennootschap in Nederland hebben, dat Nederland hier slechts één mld. euro aan overhoudt en dat dit slechts 1% van het doorstromende geld is. Hij heeft gevraagd om een reactie daarop. In het verlengde daarvan heeft de heer Bashir gevraagd wanneer de Nederlandsche Bank (DNB) nieuwe gegevens heeft over geldstromen door Nederland en de opbrengst daarvan en waarom de Belastingdienst deze gegevens niet zelf bijhoudt en daarover rapporteert. Ook de heer Braakhuis noemt Nederland een belastingparadijs en vraagt waarom de motie Vendrik niet wordt uitgevoerd. Laat ik allereerst herhalen dat Nederland volgens de internationale normen van de OESO en het Global Forum on Transparency geen belastingparadijs is. Ik heb bij meerdere gelegenheden duidelijk gemaakt dat Nederland op geen van de vier criteria (substantiële belastingheffing, transparantie over regelgeving, uitwisseling van informatie en substance eisen) tekort schiet. Die conclusie is nog eens bevestigd met de verschijning van het peer review rapport over Nederland van het Global Forum on transparency waarover ik u bij brief van 26 oktober informeerde. Nederland is dankzij het bestaan van de deelnemingsvrijstelling en de verdragen een aantrekkelijke vestigingsplaats voor financierings- en houdstermaatschappijen van internationale concerns. Als gevolg daarvan stroomt er veel geld door Nederland. Het is niet juist te stellen dat over deze geldstroom slechts 1% belasting wordt geheven. Het is zaak bij de beoordeling van die geldstroom en de eventuele belastingheffing daarover goed onderscheid te maken tussen vermogenstransacties en inkomenstransacties. Bij vermogenstransacties gaat het om gestort en terugbetaald (aandelen)kapitaal en uitgeleende en afgeloste geldsommen. Deze bedragen beïnvloeden de belastbare winst niet. Binnen de inkomenstransacties gaat het om ontvangen en uitbetaalde dividenden en rente. Inkomende dividenden vallen onder de deelnemingsvrijstelling en over uitgaande dividenden mag Nederland vaak niet heffen op grond van belastingverdragen. Inkomende rente en royalty’s zijn wel belast maar daartegenover zijn uiteraard betaalde rente en royalty’s aftrekbaar. Per saldo komt het erop neer dat Nederland, overeenkomstig internationale beginselen, slechts een heffingsrecht heeft over het saldo van inkomende en uitgaande rente en royalty’s.

DNB houdt gegevens bij over bruto geldstromen die via zogenoemde bijzondere financiële instellingen (BFI's) door Nederland gaan. Dat betreft zowel vermogens- als inkomenstransacties. Daarnaast is in het kader van de evaluatie van de Wet toezicht Trustkantoren een inschatting gemaakt van het economische belang van deze sector. Dat heeft geleid tot een geschatte economische bijdrage van € 1,5 mld. per jaar. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag schreef is DNB op dit moment bezig met het opzetten van een waarneming van de toegevoegde waarde van BFI's, inclusief belastingen, op basis van directe waarnemingen. DNB verwacht die rapportage in de loop van 2012 te kunnen publiceren. De Belastingdienst houdt beide gegevens niet bij omdat deze voor de heffing van belasting niet relevant zijn.

Over de motie Vendrik34 heb ik al diverse keren, zowel schriftelijk als mondeling, aangegeven waarom deze motie niet uitvoerbaar is. Ik heb die redenen daarvoor tijdens het AO over de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 herhaald en er daarbij op gewezen dat ik mijn schaarse middelen niet wil inzetten voor een project dat om genoemde redenen weinig kans op een nuttig resultaat biedt. Ik voeg daar nog aan toe dat onder leiding van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken de afgelopen maanden gewerkt is aan een notitie over de ontwikkelingsdimensie van prioritaire internationale publieke goederen als reactie op de moties van de leden Ferrier/Dikkers en El Fassed. Deze notitie zal eerstdaags naar u toegaan waarbij ook ingegaan wordt op de meetbaarheid van de positieve en negatieve gevolgen van het beleid van één ontwikkeld land voor individuele ontwikkelingslanden. De notitie zal een aantal acties bevatten die de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en ik samen willen gaan uitvoeren om ontwikkelingslanden bij te staan in het verhogen van hun belastinginkomsten, onder meer in lijn met de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011.

De heer Braakhuis vraagt waarom de Belastingdienst nauwelijks gebruik maakt van de afgesloten TIEA’s en of ik bereid ben aan het gebruik daarvan prioriteit te geven. Ook de heer Bashir vraagt daarnaar. Het ligt niet aan Belastingdienst dat er nog weinig verzoeken om inlichtingen zijn gedaan op basis van afgesloten TIEA's. In de eerste plaats kan de Belastingdienst uitsluitend gebruikmaken van in werking getreden en toepasbare TIEA's. Lang niet alle afgesloten TIEA's zijn toepasbaar op jaren waarover de belastingaangiftes op dit moment in behandeling zijn. In de tweede plaats kan niet verwacht worden dat op grote schaal inlichtingen over bijvoorbeeld zwart spaargeld zullen worden uitgewisseld op grond van TIEA's. Het afsluiten van TIEA's met zoveel mogelijk jurisdicties moet er toe leiden dat het onaantrekkelijk wordt in die jurisdicties zwart geld te hebben en daardoor tot het verantwoorden ervan in Nederland. Voorts is met het oog op de uitwisseling van inlichtingen de Regiegroep Belastingparadijzen gestart. Dit betreft een samenwerkingsverband binnen de belastingdienst van verschillende disciplines en onderdelen om het gebruik van TIEA's en wijzigingsprotocollen met (voormalige) bankgeheimlanden zo goed en volledig mogelijk te benutten.

De heer Braakhuis vraagt welke substance eisen andere landen stellen, hoe die zich verhouden tot de Nederlandse en of de gevolgen van die substance eisen in Nederland wel eens geëvalueerd worden. Eenzelfde vraag heeft de heer Bashir gesteld. Substance eisen worden gesteld binnen de context van de toepassing van een verdrag. In de eerste plaats om vast te stellen of een belastingplichtige (vennootschap) inwoner is van een van de verdragstaten en daarmee toegang heeft tot het verdrag. Voor het antwoord op die vraag is beslissend of zo'n vennootschap in Nederland onbeperkt belastingplichtig is. Dat is in beginsel het geval bij naar Nederlands recht opgerichte besloten en naamloze vennootschappen. Op grond van het verdrag is de bronstaat meestal, zakelijk weergegeven, verplicht op uitgaande dividenden, rente of royalty's tegen een verlaagd tarief of in het geheel geen bronbelasting in te houden. Recht op zo'n voorkeursbehandeling heeft de ontvangende vennootschap uitsluitend als deze aangemerkt kan worden als de «beneficial owner» van die geldstromen. De beslissing of dat het geval is, ligt in eerste plaats bij het bronland. In het kader van de zekerheid vooraf heeft Nederland daarom, met het oog op de goede verdragstrouw en om volstrekt kunstmatige constructies tegen te gaan, zelfstandig in de Wet Vpb 1969 en in een besluit over dienstverleningslichamen35 eisen gesteld aan het eigen vermogen en het gelopen risico in Nederland.

Impliciet worden deze eisen geëvalueerd aan de hand van reacties van verdragspartners en van ontwikkelingen rond (aanpassingen van) het commentaar bij het OESO Modelverdragen, waarop de meeste verdragen geënt zijn. Geen van beide wijzen erop dat Nederland met deze eisen tekort schiet in zijn verplichtingen tegenover zijn verdragspartners. In dat kader is ook van belang te beseffen dat veel buitenlandse bedrijven die nu van grote betekenis zijn voor de Nederlandse economie, met een veel kleinere aanwezigheid, bijvoorbeeld met slechts een financieringsmaatschappij, begonnen zijn. Zo zoekt het Nederlandse kabinet, net als die in andere landen, bij het maken van fiscaal beleid naar een balans tussen enerzijds de wil een fiscaal aantrekkelijk vestigingsklimaat te behouden en anderzijds het belang van een fiscaal onkreukbaar imago. Ik meen dat het kabinet daarin een juiste balans heeft gevonden.

De heer Bashir heeft gevraagd hoe de aangenomen motie Bashir en Braakhuis over country by country reporting uitgevoerd gaat worden. Zoals ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 18 oktober36 heb geschreven, zie ik die motie als ondersteuning van beleid. Nederland is voorstander van transparantie en streeft naar internationale afspraken die gelden voor alle internationaal opererende bedrijven. Voor landen met een relatief internationaal georiënteerd bedrijfsleven, zoals Nederland, is een gelijk speelveld immers van groot belang. Bovendien komt het de effectiviteit van een maatregel ten goede indien zij op zo breed mogelijke schaal wordt ingevoerd. Deze twee kenmerken komen terug in het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI), dat succesvol is doordat grondstofrijke landen samenwerken met bedrijven en NGO’s om op een geleidelijke en gezamenlijke wijze financiële informatie publiek te maken, rekening houdend met de omstandigheden in elk gastland. Dit betekent dat gastlanden rapporteren wat zij ontvangen en alle daar actieve bedrijven moeten rapporteren wat zij aan belasting betalen aan de overheid. Door deze tweezijdige rapportage worden transparantie en goed bestuur bevorderd en wordt corruptie tegengegaan. Nederland ondersteunt het EITI, onder meer via een nieuwe meerjarige bijdrage aan het secretariaat van het EITI voor de periode 2011–2014.

Op dit moment zijn diverse internationale transparantie-initiatieven (country-by-country reporting) aan de orde, zoals de aanpassingen die de Europese Commissie in oktober 2011 heeft voorgesteld in de EU Transparency and Accounting Directive en de toepassingsregels van de paragrafen 1 502 en 1 504 van de Dodd-Frank Act waar de Securities and Exchange Committee (SEC) momenteel aan werkt. Ook in de OECD Informal Task Force on Tax and Development staat het onderwerp country-by-country reporting op de agenda als één van vier speerpunten in het kader van het bevorderen van belastingheffing in ontwikkelingslanden («domestic resource mobilization»). Onder meer wordt in een werkgroep, waarin naast overheden ook NGO’s en het bedrijfsleven participeren, gekeken naar cost-benefit-inschattingen rond grotere fiscale transparantie. Nederland hecht waarde aan een coherent beleid dat rekening houdt met de belangen van ontwikkelingslanden en zal de voorstellen van de EU op dit punt met een positieve grondhouding analyseren. Dit lijkt me voor het moment de juiste volgorde. Het is niet efficiënt en verwarrend als de EU landen vooruitlopend op hun analyse van de voorstellen van de Europese Commissie al met eigen initiatieven zouden komen. Dit zou de consensus vorming kunnen verstoren, terwijl Nederland nu juist streeft naar een internationale aanpak op dit terrein.

Pensioenen en lijfrenten

De heer Omtzigt vraagt aandacht voor een discussie die afgelopen zomer heeft plaatsgevonden over een antimisbruikbepaling bij zogenoemde pre-BredeHerwaarderingslijfrenten. Aanleiding voor de vraag is de discussie die voorafging aan het beleidsbesluit dat medio augustus is uitgevaardigd.37 De heer Omtzigt refereert onder meer aan de column van professor L.G.M. Stevens in het Financieel Dagblad van 18 augustus 2001 («Oneigenlijk gebruik belastingfaciliteit lijfrenten»). In deze column wijst professor Stevens erop dat het via een listige wetsinterpretatie (wellicht) mogelijk leek de anti-misbruikbepaling, die beoogt tariefsvoordelen door inkomensoverheveling tussen echtgenoten te voorkomen, te ontlopen. Dit was, aldus professor Stevens, duidelijk niet de bedoeling van de wetgever en hij spreekt in zijn column de hoop uit dat de strekking van de lijfrentefaciliteit zwaarder zal wegen dan de listige pogingen om de anti-misbruikbepaling te ontgaan. Naar aanleiding daarvan vraagt de heer Omtzigt of het niet wenselijk is de wet verder te verduidelijken. Ik acht het door de heer Omtzigt gedane verzoek opportuun en heb daarom besloten bij nota van wijziging op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012 conform de in het beleidsbesluit gegeven uitleg een verduidelijking op de bestaande regelgeving aan te brengen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat mogelijke onduidelijkheid over de werking van het overgangsrecht voor pre BH-lijfrenten en het toepassingsbereik van de antimisbruikbepaling wordt weggenomen. Het kabinet wijst erop dat het in de rede ligt de door de heer Omtzigt bepleite verduidelijking in werking te laten treden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van het overgangsregime. Het kabinet hecht er verder aan te benadrukken dat met de in de nota van wijziging opgenomen maatregelen geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd. Overigens zal het genoemde beleidsbesluit onverkort blijven gelden, ook wat betreft de daarin opgenomen honorering van het opgewekte vertrouwen.

De heer Omtzigt vraagt of tot een regeling kan worden gekomen die het mogelijk maakt dat pensioenuitkeringen over in eigen beheer opgebouwde aanspraken worden verlaagd indien de vermogenspositie in de vennootschap ontoereikend is om de gedane pensioentoezegging na te komen. Deze door de heer Omtzigt gestelde vraag is eerder aan mijn departement voorgelegd.38 Meest recentelijk nog via Kamervragen door de leden Remkes en Blok.39 Bij deze gelegenheden is de door Omtzigt gedane suggestie steeds afgewezen. De door mijn ambtsvoorgangers gekozen beleidslijn wordt door mij onderschreven. Op het moment dat een pensioenaanspraak wordt prijsgegeven, wordt in feite ook definitief afstand gedaan van een potentiële belastingclaim waarvoor in de opbouwfase fiscale faciliëring is verleend (belastingafstel). Daarnaast zijn aan het verder belastinguitstel budgettaire gevolgen verbonden. Het zou uitvoeringstechnisch een zeer bewerkelijke aangelegenheid worden als de vermogenspositie van het eigenbeheerlichaam geregeld door de Belastingdienst beoordeeld zou moeten worden. Het zou dit een toezicht op de vermogenspositie van eigenbeheerlichamen impliceren, op soortgelijke wijze als de DNB toezicht uitoefent op pensioenfondsen. Het betreft hier vele tienduizenden belastingplichtigen.

ZZP-ers in de zorg

De heer Omtzigt vraagt om een brief met de stand van zaken over contractering van zzp’ers in zorg. De Staatssecretaris van VWS heeft namelijk ten tijde van het stellen van onderhavige vraag tijdens dit wetgevingsoverleg, een brief (31 oktober j.l.) aan de Tweede Kamer gestuurd betreffende de voortgangsrapportage Hervorming Langdurige Zorg. In deze brief wordt onder andere ingegaan op de stand van zaken van de contractering van zelfstandige zorgverleners en bericht tevens over de pilot die mede naar aanleiding van de motie van de heer Omtzigt wordt uitgevoerd.40 Tegelijkertijd zond de Staatssecretaris van VWS de antwoorden op Kamervragen over dit onderwerp gesteld door onder meer de heer Omtzigt.41 Ik ga ervan uit dat de informatie uit deze brief en antwoorden op de Kamervragen voldoen.

De heer Groot constateert dat steeds meer gebruik wordt gemaakt van ZZP-ers in de zorg en vraagt of als gevolg daarvan rekening is gehouden met lagere belastingopbrengst door zelfstandigenaftrek en dergelijke. De inzet van ZZP-ers in de zorg betreft geen beleid van het kabinet maar een keuze van zorginstellingen. Indien zorginstellingen ombuigingen de facto invullen door werknemers te vervangen door zzp’ers kan dat mogelijk leiden tot lagere belastingontvangsten of hogere uitgaven aan toeslagen (ceteris paribus). In het algemeen geldt dat er bij het inboeken van ombuigingen of intensiveringen geen rekening wordt gehouden met mogelijke inverdien- of weglekeffecten bij de belastingontvangsten. Mocht het aantal ZZP-ers in de zorg fors toenemen en mocht dat leiden tot tegenvallende belastingontvangsten of tegenvallende uitgaven (toeslagen), dan dienen tegenvallers bij de uitgaven te worden omgebogen. Voor de belastingontvangsten geldt automatische stabilisatie waardoor tegenvallers daarin doorwerken door in het saldo.

Kinderopvangtoeslag

De heer Omtzigt vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot de achterstand bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag. In de toekenning van voorschotten voor de kinderopvangtoeslag is sprake geweest van enige voorraadvorming. Deze had te maken met geïntensiveerd toezicht om fraude en oneigenlijk gebruik van de kinderopvangtoeslag tegen te gaan. De Tweede Kamer is hier over geïnformeerd per brief van 13 mei 2011, de zogenoemde fraudebrief.42 De aanvragen die nader onderzoek vergden zijn intussen beoordeeld en Belastingdienst/Toeslagen is daarin nagenoeg bij.

Dienstauto’s Belastingdienst

De heer Van Vliet stelt het gebruik van dienstauto’s bij de Belastingdienst aan de orde. De Belastingdienst heeft te maken met een forse taakstelling en hier zou, aldus de heer Van Vliet, een flinke bezuiniging kunnen worden gerealiseerd. Uitgangspunt is dat managers van de Belastingdienst gebruikmaken van het openbaar vervoer. In bepaalde situaties waarin managers veel reistijd kwijt zijn en daarbij veel locaties moeten bezoeken, is dit echter niet efficiënt. Om die reden wordt voor een beperkt aantal managers een uitzondering gemaakt. Het gebruik van dienstauto is functiegebonden. De toedeling van dienstauto’s wordt periodiek herzien door de directeur-generaal van de Belastingdienst. Gemakshalve verwijs ik hier ook naar mijn antwoorden op de schriftelijke vragen die over dit onderwerp zijn gesteld door de leden Van Vliet en Braakhuis. Deze antwoorden heb ik heden naar de voorzitter van de Tweede Kamer gestuurd.

NOB-commentaar

Naar aanleiding van de vraag van de heer Omtzigt wordt hierna ingegaan op het nadere commentaar van de NOB voor zover daar in het voorgaand nog niet op in is gegaan.

Coöperatie

In reactie op het voorstel van de NOB om voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling in de Wet IB 2001 (box 2) een lidmaatschapsrecht in een coöperatie gelijk te stellen met een aandeel in plaats van – zoals thans het geval is in artikel 4.5a van de Wet IB 2001 – met een winstbewijs wordt het volgende opgemerkt. Met ingang van 1 januari 2001 wordt een lidmaatschapsrecht in een coöperatie voor de inkomstenbelasting gelijkgesteld met een winstbewijs. De reden waarom lidmaatschapsrechten in een coöperatie voor de inkomstenbelasting niet gelijkgesteld zijn met aandelen is dat een dergelijke gelijkstelling zou leiden tot aanzienlijke complicaties bij de invulling van de kwantitatieve criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een aanmerkelijk belang aanwezig is. Anders dan bij aandelen, is bij lidmaatschapsrechten van een coöperatie geen sprake van een nominale waarde en evenmin van een geplaatst kapitaal. Een bruikbare kwantitatieve toets is in dit kader niet goed te ontwikkelen.43

Reorganisatiefaciliteiten overdrachtsbelasting

De NOB vraagt naar de stroomlijning van de reorganisatiefaciliteiten in de overdrachtsbelasting en de uitbreiding tot fusies van pensioenfondsen. Het bezien van de mogelijkheden hiertoe was in het vooruitzicht gesteld naar aanleiding van schriftelijke Kamervragen over fiscale belemmeringen bij het fuseren van pensioenfondsen. Als uitvloeisel hiervan zal de juridische fusiefaciliteit in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer worden opgenomen. Deze maatregel loopt mee met het Verzamelbesluit 2012.

RDA

De NOB geeft in overweging om de grondslagbepaling en het percentage in de wettelijke bepaling op te nemen. Daarbij vraagt de NOB om duidelijkheid te bieden over het proces van het verkrijgen van de RDA-beschikking. In het nader rapport en de nota naar aanleiding van het verslag is de keuze voor de huidige vormgeving gemotiveerd. Op verzoek van de leden van de fractie van het CDA is de concept algemene maatregel van bestuur naar de Tweede Kamer verzonden. Daarin wordt tevens voorzien in overgangsrecht voor de opstartperiode (inclusief RDA-beschikkingen die zijn gerelateerd aan S&O-aanvragen ingediend voor 30 november 2011). Vanaf 1 juli 2012 is de aanvraagprocedure van de RDA synchroon met de aanvraag voor een S&O-verklaring.

De RDA-beschikking wordt herzien als deze te hoog is vastgesteld. Er volgt dan een correctie-RDA-beschikking. Een te laag vastgestelde RDA-beschikking wordt niet herzien. De NOB geeft in overweging de regeling zodanig aan te passen dat ook de mogelijkheid wordt geboden de RDA-beschikking in het voordeel van belastingplichtige bij te stellen. Bij de vormgeving van de RDA is zoveel mogelijk gezocht naar aansluiting bij het systeem van de S&O-afdrachtsvermindering en S&O-aftrek (ook wel «WBSO» genoemd). Zo ook op dit punt. De benadering dwingt de belastingplichtige een nauwkeurige inschatting te maken van de kosten en uitgaven. Voorts hoeven er naar verwachting minder correctie-RDA-beschikkingen te worden opgemaakt, hetgeen in de uitvoering tot meer eenvoud leidt. Tot slot draagt deze systematiek bij aan de budgettaire beheersbaarheid van de regeling.

De NOB vraagt meer uitleg bij de eerder gegeven antwoorden in de nota naar aanleiding van het verslag over het uitsluiten van uitbesteed onderzoek in relatie tot de uitwerking van de RDA bij fiscaal transparante samenwerkingsverbanden. Terecht merkt de NOB op dat indien twee belastingplichtigen hun speur- en ontwikkelingsactiviteiten onderbrengen in een fiscaal transparant samenwerkingsverband zij beiden kunnen opteren voor de RDA met betrekking tot de direct toerekenbare kosten en uitgaven. Wel is vereist dat zij beiden in het bezit zijn van een S&O-verklaring met betrekking tot dat onderzoek en komen kosten en uitgaven alleen in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op het «eigen onderzoek» van elk van de belastingplichtigen. Dezelfde kosten of uitgaven komen dus niet twee keer voor RDA in aanmerking. Dit is overigens een andere situatie dan de situatie waarnaar de leden het CDA en de ChristenUnie in het schriftelijke verslag vroegen. Die vragen gingen over de uitwerking van de RDA bij belastingplichtigen die samen speur- en ontwikkelingswerk uitbesteden aan derden. In dat geval bestaat geen recht op RDA, maar wellicht wel, zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag, op de RDA+. Die is gericht op samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Op dit moment wordt de precieze vormgeving van een RDA+ bezien.

De NOB doet de suggestie het urencriterium dat wordt gehanteerd voor de S&O aftrek in artikel 3.77 van de Wet IB 2001 niet toe te passen op de RDA omdat hierdoor ongelijkheid zou ontstaan met de S&O inhoudingsplichtige voor de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. In de huidige situatie bestaat dit verschil in behandeling ook voor de S&O-aftrek. Dit is gedaan om de regels uitvoerbaar te houden en om te zorgen dat de S&O-aftrek (een vast bedrag van € 12 104 in 2011) alleen wordt toegepast als sprake is van S&O-activiteiten van enige omvang. In de praktijk blijkt dit criterium overigens niet tot grote problemen te leiden. Van de 1 481 zelfstandigen die een S&O-verklaring aanvroegen in 2010, waren er slechts 75 die het urencriterium van 500 uur niet haalden.

De NOB geeft voorts in overweging om de RDA-beschikking los te koppelen van de S&O-verklaring voor zover het de eis betreft dat arbeidsuren moeten worden gemaakt. Bij fiscaal transparante samenwerkingsverbanden is het denkbaar dat een belastingplichtige enkel kapitaal inbrengt en vanwege het ontbreken van S&O-arbeidsuren, geen recht heeft op een S&O-verklaring en derhalve ook niet op de RDA. De NOB ziet dat als een knelpunt. Zoals gezegd is bij de vormgeving van de RDA zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het systeem van de WBSO. Onder die regeling ligt een stevig toetsingskader dat kan worden gebruikt voor de vraag of bepaalde kosten en uitgaven direct toerekenbaar zijn aan verricht speur- en ontwikkelingswerk. De eis dat er arbeidsuren moeten worden gemaakt ligt besloten in de WBSO. Het loslaten van deze eis voor de RDA brengt het gevaar met zich mee dat kosten en uitgaven onder de RDA komen te vallen, zonder dat de belastingplichtige zelf speur- en ontwikkelingswerk verricht. Het kabinet acht dit niet wenselijk. Overigens zijn contractpartijen vrij om een eventueel fiscaal voordeel met elkaar te verrekenen.

De NOB vraagt tevens aandacht voor mogelijke samenloop van de RDA met de innovatiebox. Conform het verzoek van de NOB kan ik bevestigen dat de in te lopen drempel van artikel 12b, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 die bestaat uit de voortbrengingskosten van een immaterieel activum, niet wordt verhoogd door toepassing van de fictieve kostenpost RDA. Verder kan ik bevestigen dat het de bedoeling is dat de RDA direct het uiteindelijke belastbare bedrag vermindert. Om dit te verduidelijken is in de vierde nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2012 een negende lid met die strekking toegevoegd aan de wettelijke bepaling van de innovatiebox (artikel 12b van de Wet Vpb 1969).

Bij RDA is er voor gekozen om aan te sluiten bij de definitie van speur- en ontwikkelingswerk in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. De NOB vraagt om een faciliteit binnen de RDA voor octrooieerbare immateriële activa. De concrete afbakening van het voorstel van de NOB is niet geheel duidelijk, mogelijk is er een overlap met het reeds bestaande kader. Het lijkt in dit stadium daarom verstandiger voor de uitvoerbaarheid van de regeling om aan te sluiten bij een bekend toetsingkader voor het AgentschapNL.

De NOB vraagt hoe om zal worden gegaan met de RDA indien een vennootschap wordt gevoegd of ontvoegd in een fiscale eenheid. In het wetsvoorstel Belastingplan 2012 is op dit punt opgenomen dat de afgegeven beschikking ten laste van de winst komt op de dag van dagtekening van die beschikking. De standaardsituatie is dat de belastingplichtige op wiens naam de RDA-beschikking wordt afgegeven het bedrag dat op RDA-beschikking is opgenomen ten laste van de winst kan brengen. Echter, maakt de belastingplichtige op wiens naam de RDA verklaring wordt afgegeven op die dag onderdeel uit van een fiscale eenheid dan zal het bedrag dat op RDA-beschikking is opgenomen ten laste van de winst van deze fiscale eenheid komen. Ook voor de correctiebeschikking zal worden gekeken naar de feitelijke situatie ten tijde van de dagtekening van de RDA-beschikking. Dit betekent al met al dat de dagtekening van doorslaggevend belang is om te bepalen welke belastingplichtige in fiscale eenheid situaties het bedrag van de RDA-beschikking ten laste van de winst mag brengen. Ook betekent dit dat er op moment van voeging of ontvoeging van een vennootschap er geen sprake kan zijn van het overgaan van een RDA-beschikking.

De NOB vraagt om een bevestiging dat de omvang van de RDA wordt vastgesteld door AgentschapNL. Voor de werkverdeling tussen het AgentschapNL en de Belastingdienst wordt verwezen naar hetgeen daar eerder over is gezegd in de toelichting bij de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2012.

De NOB vraagt naar een toelichting op de kosten die helemaal niet gefacilieerd worden. Het kabinet deelt de mening van de NOB dat de regeling is gediend met een zo gering mogelijk aantal categorieën uitgesloten kosten en uitgaven. Naar het oordeel van het kabinet gaat het dan ook om een beperkt aantal voor de hand liggende categorieën kosten, zoals uitbesteed onderzoek, kosten van afschrijving en financiering en uitgaven voor bedrijfsmiddelen die reeds kwalificeren voor de EIA en/of MIA. In de toelichting op de algemene maatregel van bestuur wordt uitvoerig ingegaan op de vraag waarom deze kosten worden uitgesloten.

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers