Kamerstuk 33000-VIII-173

Reactie op aangenomen moties bij de OCW-begroting 2012

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2012

Gepubliceerd: 10 februari 2012
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33000-VIII-173.html
ID: 33000-VIII-173

Nr. 173 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 februari 2012

Hierbij informeer ik u, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over de uitvoering van de moties die zijn aangenomen bij de vaststelling van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2012.1

33 000 VIII, nr. 32 – de motie Klijnsma c.s. over jong publiek

«De Kamer verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier jongeren beter in contact kunnen worden gebracht met de kunsten, verzoekt de regering voorts bij het opstellen en/of toetsen van subsidiecriteria rekening te houden met de mate waarin culturele instellingen jong publiek voor hun activiteiten weten te interesseren»

Reactie

Het kabinet vindt cultuureducatie belangrijk voor persoonlijke ontwikkeling en voor de creativiteit van onze samenleving als geheel. Educatie is daarom een criterium voor de culturele basisinfrastructuur. Instellingen moeten dan ook in hun subsdidieaanvraag hun visie op cultuureducatie geven. De staatssecretaris zal de Raad voor Cultuur vragen om alle aanvragen op dit criterium te toetsen. OCW zal verder de ontwikkelingen op het gebied van educatie in de culturele basisinfrastructuur monitoren. Daarnaast bundelt het nieuwe kennisinstituut voor cultuureducatie en amateurkunst de beschikbare kennis over cultuur en jongeren en stelt het deze gegevens actief ter beschikking aan culturele instellingen en het onderwijs.

33 000 VIII, nr. 33 – de motie Klijnsma/Peters over een mobiliteitscentrum

«De Kamer overwegende, dat in kunst- en cultuursector ook veel zzp’ers actief zijn;

verzoekt de regering om een mobiliteitscentrum te helpen inrichten voor potentiële werklozen in de cultuursector, analoog aan de mobiliteitscentra in andere sectoren tijdens de kredietcrisis»

Reactie

OCW heeft contact gelegd met het UWV om te verkennen welke rol deze organisatie kan spelen voor de toekomstige werklozen in de cultuursector. Een mobiliteitsgerichte aanpak staat daarbij voorop. Ook werkgevers en werknemers hebben een plan ingediend. De staatssecretaris zal op korte termijn besluiten welke stappen wel en niet mogelijk zijn, mede in relatie tot de frictiekostenregeling. De staatssecretaris zal de Kamer hierover in het voorjaar informeren.

33 000 VIII, nr. 34 – de motie De Liefde c.s. over kunstvakopleidingen

«De Kamer verzoekt de regering te komen tot scherpe afspraken met kunstvakhogescholen over een substantiële reductie van de instroom van opleidingen en een scherpere profilering op het niveau van de desbetreffende opleiding en instelling;

verzoekt de regering tevens om de vrijgespeelde middelen grotendeels in te zetten voor kwaliteitsverhoging, waaronder ondernemerschap en excellentie»

Reactie

Ook het kabinet is een voorstander van scherpe keuzes. Vóór 1 april 2012 stelt de HBO-raad daarom op verzoek van de staatssecretaris een inhoudelijke verdieping op van het sectorplan kunstvakonderwijs «Focus op talent». Daarin en in de prestatieafspraken per instelling die op basis hiervan voor de zomer van 2012 worden gemaakt, moet een en ander concreet worden gemaakt.

33 000 VIII, nr. 38 – de motie Biskop over overleg met Syntens

«De Kamer verzoekt de regering in overleg te gaan met Syntens over de vraag of zij zich ook kunnen toeleggen op en adviseren over cultureel ondernemerschap»

Reactie

OCW heeft een eerste contact met Syntens gelegd. Het kabinet heeft verregaande plannen om de huidige informatie-, voorlichtings- en ondersteuningsinfrastructuur op het gebied van (internationaal) ondernemerschap en innovatie grondig te moderniseren en te stroomlijnen. Hierbij is het doel om versnippering van het bestaande aanbod van publieke dienstverlening voor ondernemers tegen te gaan, de behoeftes en wensen van ondernemers (inclusief zelfstandigen zonder personeel) meer centraal te stellen en beter aan te sluiten bij de mogelijkheden die digitalisering biedt. De huidige Kamers van Koophandel en Syntens, de organisatie voor innovatiestimulering in het mkb, zullen worden samengevoegd tot één centraal bestuurde organisatie met de status van zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). (Zie de brief van de minister van EL&I over Ondernemerspleinen2). In dat licht wordt bekeken of de nieuwe organisatie een rol kan spelen bij de uitwerking van plannen om cultureel ondernemerschap te bevorderen. De staatssecretaris zal de Kamer later dit jaar informeren over de voortgang.

33 000 VIII, nr. 39 – de motie Van der Ham c.s. over het museum Oriëntalis

«De Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met museum Oriëntalis over een mogelijke eenmalige ondersteuning»

Reactie

De staatssecretaris heeft de Kamer over de uitvoering van deze motie geïnformeerd per brief van 23 december 2011.3

33 000 VIII, nr. 49 – de motie Biskop/Van der Ham over een private doorstart van de cultuurkaart

«De Kamer verzoekt de regering na te gaan of belemmeringen voor een private doorstart van de cultuurkaart weggenomen kunnen worden en scholen van voortgezet onderwijs te stimuleren hun huidige bijdrage aan de Cultuurkaart te continueren bij een eventuele doorstart»

Reactie

Na het notaoverleg van 27 juni 2011 heeft de staatssecretaris CJP (Cultureel Jongeren Paspoort) verzocht een plan te maken voor de doorstart van de Cultuurkaart zonder rijksbijdrage. De Kamer heeft dit plan inmiddels ontvangen. In het plan stelt het CJP voor de Cultuurkaart te privatiseren. Scholen kunnen de cultuurkaart kopen voor een lager bedrag dan de reële waarde (bijvoorbeeld € 10,– in plaats van € 15,–). De toegevoegde waarde wordt bijeengebracht door een combinatie van fondsenwerving, kortingen en marketing. De waarde van de kaart wordt ook verhoogd door een convenant over de Cultuurkaart tussen CJP en de cultuursector en een nog te sluiten convenant met het voortgezet onderwijs.

CJP heeft de staatssecretaris gevraagd het convenant met de cultuursector mede te ondertekenen, een btw-vrijstelling voor de cultuurkaart te realiseren en het intellectueel eigendom van de cultuurkaart over te dragen aan CJP. Bij de behandeling van de cultuurbegroting op 21 november 2011 heeft de staatssecretaris aangegeven bereid te zijn om:

  • de convenanten tussen CJP, cultuursector en voortgezet onderwijs te ondersteunen;

  • in overleg te treden met de staatssecretaris van Financiën over de door CJP gevraagde BTW-vrijstelling;

  • het intellectueel eigendom van de Cultuurkaart – met inachtneming van de vereiste juridische procedures – over te dragen aan CJP.

CJP is volop bezig om scholen en culturele instellingen in het land te informeren over de nieuwe opzet. Ze trachten een zo groot mogelijk aantal scholen ervan te overtuigen om deel te nemen.

De staatssecretaris van Financiën heeft in overleg met de Eerste Kamer aangegeven samen met de staatsecretaris van OCW te zullen bezien of het mogelijk is onder bepaalde voorwaarden het door jongeren met hun school bezoeken van een theater van btw vrij te stellen. Daarbij zou dan wel de restrictie gelden dat het theater klassikaal moet worden bezocht en dat er tijdens de voorstelling geen andere bezoekers aanwezig zijn. Dit om een verschil in fiscale behandeling te voorkomen. De staatssecretaris van OCW onderzoekt momenteel in welke mate deze vrijstelling de Cultuurkaart zal ondersteunen en is hierover met Financiën in gesprek.

33 000 VIII, nr. 73 – de motie Çelik/Biskop over de vrijwillige ouderbijdrage

«De Kamer verzoekt de regering om de scholen voor basis-, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie nogmaals nadrukkelijk te wijzen op het onverplichte karakter van de vrijwillige ouderbijdragen en de inspectie alert te laten reageren op elk signaal dat een school de vrijwillige bijdrage een verplicht karakter heeft gegeven»

Reactie

Deze motie is gerelateerd aan de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Als deze wetswijziging in werking treedt, zal een modelovereenkomst over de betaling van de ouderbijdrage niet meer verplicht zijn. Dit neemt niet weg dat de ouderbijdrage vrijwillig van karakter blijft en dat de medezeggenschapsraad op dit punt moet instemmen met het schoolbeleid. De Inspectie van het Onderwijs blijft hierop scherp toezien (o.a. dat het beleid over de ouderbijdrage goed vermeld staat in de schoolgids). De inspectie werkt momenteel uit hoe ze de komende tijd het toezicht in het kader van risicogericht toezicht gaat vormgeven. Ik verwacht dat scholen en ouders hun rol hierbij goed zullen vervullen. Ze zijn dit inmiddels al gewend met de modelovereenkomst. De medezeggenschapsraad, die instemmingsrecht heeft op beslissingen rondom de inhoud en de vormgeving van de vrijwillige bijdrage, speelt hierbij een belangrijke rol. Zoals ik heb aangegeven bij de behandeling van de WOT in de Eerste Kamer agendeer ik dit thema voor het overleg met de sectororganisaties met het oog op hun verantwoordelijkheid en met de ouderorganisaties met het oog op hun ondersteunende rol naar de medezeggenschapsraden.

De Inspectie van het Onderwijs houdt in de bve-sector risicogericht toezicht op de vrijwillige bijdrage en doet zo nodig nader onderzoek als er signalen zijn. In het mbo komen regelmatig klachten over de vrijwillige bijdrage en schoolkosten of opleidingsgebonden leermiddelen die de student volgens de school behoort aan te schaffen. Ik heb reeds aan uw Kamer toegezegd om eind maart met een heldere leidraad te komen waar het gaat om schoolkosten en de vrijwillige bijdrage. Indien nodig zal ik ook de wet aanpassen.

33 000 VIII, nr. 76 – de motie Biskop/Çelik over de keuze voor techniek

«De Kamer verzoekt de regering om ook de minister van OCW hierbij een belangrijke taak te geven en haar samen met de minister van ELI in overleg met werkgevers tot een plan te laten komen om de keuze voor techniek in aansluiting op de arbeidsmarkt te bevorderen, met resultaatverplichtingen»

Reactie

In maart 2012 stuur ik, samen met de ministers van SZW en EL&I, een beleidsreactie aan de Tweede Kamer op het Masterplan Techniek.

33 000 VIII, nr. 83 – de motie Elias over vrijheid van onderwijs

«De Kamer spreekt als haar oordeel uit dat op korte termijn gepoogd moet worden, kwalitatieve misstanden te bestrijden en te voorkomen zonder bovenbedoelde vrijheid van onderwijs (zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet) aan te tasten»

Reactie

Ik zal op deze motie reageren als ik mijn reactie geef op het advies van de Onderwijsraad over artikel 23. Dit advies wordt in maart 2012 verwacht.

33 000 VIII, nr. 84 – de motie Lucas c.s. over de onderhandelingen over de EU-begroting

«De Kamer verzoekt de regering om tijdens de onderhandelingen over de voorgestelde EU-begroting 2014–2020 te pleiten voor verlagingen van de cohesie-, landbouw- en structuurfondsen en de Europese investeringen voor onderwijs, onderzoek en innovatie te ontzien»

Reactie

Hierbij verwijs ik naar de «kwartaalbrief» over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de Europese Unie van 22 december 2011.4Hierin werd aangekondigd dat het kabinet begin 2012 zou reageren op de motie. Dit is inmiddels gebeurd als onderdeel van de geannoteerde agenda voor de Raad van Algemene Zaken van 27 januari 2012.5 Het kabinet ziet de motie Lucas als een ondersteuning van de richting die het heeft gekozen voor de MFK-onderhandelingen. Als onderdeel van de hervormingsinzet heeft het kabinet investeringen in de concurrentie- en innovatiekracht van de EU als prioritair aangemerkt. Dit betekent dat het kabinet het wenselijk acht dat binnen het nieuwe MFK een zwaarder accent komt te liggen op investeringen op deze terreinen, in het bijzonder op Horizon2020 (programma voor onderzoek en innovatie). Deze inzet is mogelijk omdat het kabinet zich inspant voor een forse verlaging van de cohesie- en structuurfondsen en een nominale bevriezing van de landbouwfondsen vanaf 2013. Een nominale bevriezing van de landbouwfondsen komt in reële termen neer op een verlaging van 9% ten opzichte van de huidige MFK-periode.

33 000 VIII, nr. 90 – de motie Van Dijk over onafhankelijke wetenschap

«De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende, dat onafhankelijkheid en transparantie van onderzoek essentieel zijn voor de wetenschap;

verzoekt de regering bij universiteiten aan te dringen op gebruikmaking van de Verklaring van Onafhankelijke Wetenschap van de KNAW, en gaat over tot de orde van de dag.»

Reactie

Bij de behandeling van de OCW-begroting heeft de staatssecretaris opgemerkt dat wetenschappelijk onderzoek onafhankelijk moet zijn, zonder onheuse belangenverstrengeling. Hij heeft verder aangegeven dat hij het werk van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) en de vereniging van universiteiten (VSNU) op dit punt wil afwachten. Het debat hierover met de Kamer wil de staatssecretaris voeren op basis van de aanbevelingen die de KNAW doet in haar advies over vertrouwen in de wetenschap. Dit advies wordt verwacht in het najaar van 2012. De staatssecretaris zal de Kamer hierover informeren.

33 000 VIII, nr. 91 – de motie Van Dijk/Lucas over onafhankelijkheid van universiteitsbladen

«De Kamer, gehoord de beraadslagingen, constaterende dat in toenemende mate sprake is van inmenging door universiteitsbestuurders in de publicaties van (digitale) universiteitsbladen;

Verzoekt de regering in het overleg met bestuurders te benadrukken dat universiteitsbladen onafhankelijk zijn en dat redactionele inmenging ongewenst is.»

Reactie

De staatssecretaris heeft in het debat met de Tweede Kamer aangegeven dat hij deze kwestie bij de universiteitsbestuurders onder de aandacht zal brengen. Dit zal hij doen tijdens het bestuurlijk overleg met de VSNU.

33 000 VIII, nr. 93 – de motie Biskop/Ortega-Martijn over minder regeldruk in het onderwijs

«De Kamer gehoord de beraadslaging, constaterende, dat de regeldruk en bureaucratie in het onderwijs nog te groot zijn; overwegende, dat hierdoor scholen te veel worden belemmerd om binnen bepaalde randvoorwaarden onderwijs in te richten naar eigen inzicht, maar tevens minder tijd aan het geven van onderwijs kan worden besteed; constaterende, dat niet alleen het Rijk, maar ook de scholen zelf en de sociale partners bijdragen aan deze regeldruk en bureaucratie;

verzoekt de regering afspraken te maken met alle betrokkenen voor een merkbare vermindering van de regeldruk en bureaucratie in het onderwijs en de Kamer hierover te informeren voor de Voorjaarsnota»

Reactie

Ik ben momenteel bezig om afspraken te maken met scholen en sociale partners met als doel de regeldruk merkbaar te verminderen. Naar verwachting zal ik u voor de Voorjaarsnota over deze afspraken kunnen informeren.

33 000 VIII, nr. 101 – de motie Van der Ham/Biskop over stages in industriële omgevingen

«De Kamer (constaterende, dat het voor leerlingen van 16 en 17 jaar moeilijker is om een stage te lopen in industriële omgevingen vanwege regelgeving ten aanzien van minderjarigen);

verzoekt de regering de mogelijkheden te verkennen hoe er binnen de kaders van de Arbeidswet en de daaraan ten grondslag liggende internationale verdragen, meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd om leerlingen stage te laten lopen en kennis te vergaren in technische werkomgevingen, zoals de industrie en de resultaten mee te nemen in het Masterplan Techniek.»

Reactie

In maart 2012 stuur ik, samen met de ministers van SZW en EL&I, een beleidsreactie aan de Tweede kamer op het Masterplan Techniek.

33 000 VIII, nr. 102 – de motie Van der Ham/Biskop over (her-)invoering van de «meestertitel»

«De Kamer verzoekt de regering in samenwerking met de ambachtelijke brancheorganisaties te onderzoeken hoe de «meestertitel» voor excellent ambachtelijk vakmanschap (her-)ingevoerd kan worden»

Reactie

Ik ben hierover in overleg met de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Voor de zomer ontvangt u van mij nadere informatie.

33 000 VIII, nr. 106 – de motie Beertema c.s. over uitgaven aan overhead

«De Kamer overwegende, dat er nog altijd onderwijsinstellingen zijn die slechts 50% van het onderwijsbudget uitgeven aan het primair proces en dus 50% aan overhead;

overwegende, dat een verdeling van 80% primair proces en maximaal 20% overhead de norm zou moeten zijn;

verzoekt de regering een traject in te zetten dat tot doel heeft om uiterlijk voor eind 2014 dit te verwezenlijken, op basis van een eenduidige, landelijke definiëring waarin heldere criteria voor het contactuur zijn opgenomen»

Reactie

In de recent getekende hoofdlijnenakkoorden met de HBO-raad en de VSNU is vastgelegd hoe de staatssecretaris met hogescholen en universiteiten afspraken maakt over hun ambitie ten aanzien van de indirecte kosten in de periode 2012–2016:

  • Alle hogescholen zullen jaarlijks de verhouding tussen onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel (OP/OOP-ratio) in hun jaarverslag vermelden (zowel in fte’s als euro’s). In de prestatieafspraken geven hogescholen aan wat hun ambitie is om de indirecte kosten te beperken en welke maatregelen zij daartoe nemen.

  • Op basis van de benchmark van Berenschot en de daarbij gehanteerde invalshoeken, zullen de afzonderlijke universiteiten hun indirecte kosten openbaar maken en inzicht geven in de ontwikkeling van de indirecte kosten. In de individuele prestatieafspraken tussen de staatssecretaris en de universiteiten wordt aangegeven welke ambitie elke universiteit nastreeft op het gebied van indirecte kosten en welke maatregelen de universiteit daartoe neemt.

Ik heb er vertrouwen in dat deze aanpak de indirecte kosten bij de instellingen terug zal dringen.

In het mbo wordt op dit moment een benchmark uitgevoerd. Daarin worden vier categorieën onderscheiden, namelijk onderwijzend personeel, direct ondersteunend personeel, indirect ondersteunend personeel en directie en management. Van 2006 tot 2010 geeft dit het volgende beeld:

jaar

2006

2007

2008

2009

2010

onderwijzend personeel

67,5

66,4

66,5

67,8

68,3

direct onderwijsondersteunend personeel

12,8

13,6

13,4

13

12,9

indirect onderwijsondersteunend personeel

14,6

14,7

14,7

14,3

14

directie en management

5,1

5,3

5,4

4,8

4,7

Wat opvalt is dat vergeleken met voorgaande jaren het aandeel onderwijzend personeel toeneemt ten opzichte van de andere categorieën. Hieruit kan worden opgemaakt dat de benchmark disciplinerend werkt. Daarnaast heb ik toegezegd dat «MBO 2015» (dat de instellingen ondersteunt bij het realiseren van het actieplan), het onderwerp «overhead» meeneemt in de beoordeling van de veranderplannen van de mbo-instellingen.

33 000 VIII, nr. 107 – de motie Beertema c.s. over het nader definiëren van het begrip contactuur

«De Kamer verzoekt de regering in het hoger beroepsonderwijs het begrip contactuur nader te definiëren en daarin de drie criteria uit het voortgezet onderwijs op te nemen.»

Reactie

In het hoofdlijnenakkoord dat de staatssecretaris heeft getekend met de HBO-raad zijn afspraken gemaakt over intensivering van het onderwijs.6 Deze afspraken zijn niet vrijblijvend, maar zijn gekoppeld aan voorwaardelijke financiering. De staatssecretaris acht het daarbij primair van belang dat het doel voorop staat dat hogescholen de effectieve onderwijstijd van studenten uitbreiden. Daartoe maken zij met de staatssecretaris afspraken over intensivering van het bacheloronderwijs. Zeker in het eerste bachelorjaar is voldoende contacttijd essentieel. Instellingen moeten daarom in het eerste bachelorjaar van alle opleidingen ten minste twaalf contacturen (klokuren) per week programmeren of op andere manier een equivalente intensivering van het onderwijs realiseren die zichtbaar, meetbaar en afrekenbaar is.

De indicator «contactuur» is echter niet voor alle onderwijsconcepten een geschikte methode om de onderwijsintensiteit te bepalen. Als hogescholen daarom op grond van hun onderwijsconcept kiezen voor andere maatregelen om de onderwijsintensiteit te verbeteren, moeten zij aantonen dat het effect ten minste vergelijkbaar is met twaalf contacturen per week.

33 000 VIII, nr. 141 – de gewijzigde motie Çelik over onderadvisering

«De Kamer overwegende, dat onderadvisering een kwalijk verschijnsel is in verband met de ernstige implicaties voor de verdere schoolloopbaan van leerlingen in het voortgezet onderwijs en dat dit vaak zelf ook oorzaak is van achterstand die juist niet meer wordt ingelopen;

constaterende, dat het onderzoek dat het ITS in 2011 voor de inspectie heeft gedaan naar onderadvisering van allochtone leerlingen zich beperkt tot vergelijking van het advies met cognitieve en niet-cognitieve competenties en dat het inspectierapport Onderadvisering in beeld uit 2007 zich evenmin richt op analyse van het schooltype waar leerlingen hun middelbare schooldiploma behalen in vergelijking met het schooladvies;

van oordeel dat men het meest duidelijk kan vaststellen dat er bij het schooladvies sprake is geweest van onderadvisering als men gegevens uit de latere schoolcarrière in het voortgezet onderwijs vergelijkt met dit schooladvies;

verzoekt de regering met een plan van aanpak te komen om op grond van de onderzoeksresultaten onderadvisering te voorkomen en de Kamer hierover te informeren voor zomer 2012»

Reactie

Ik ben bereid om na het eerdere onderzoek van de inspectie naar onderadvisering bij allochtonen en van het GION naar de gevolgen daarvan in de schoolloopbanen nog eenmaal te laten uitvoeren aan de hand van meer recente gegevens (COOL 2008). Op basis van deze meer recente gegeven kan er, indien daartoe aanleiding bestaat, een advies worden opgesteld voor scholen om onderadvisering te voorkomen. Ik verwacht de Tweede Kamer in het najaar van 2012 hierover te kunnen informeren.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart