Kamerstuk 32852-98

Verslag van een algemeen overleg

Circulaire economie

Gepubliceerd: 13 november 2019
Indiener(s): Israel , Agnes Mulder (CDA)
Onderwerpen: energie natuur en milieu
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32852-98.html
ID: 32852-98

Nr. 98 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 november 2019

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 15 oktober 2019 overleg gevoerd met mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 17 juni 2019 inzake tussenrapport Grondstof of afval van de Taskforce Herijking Afvalstoffen (Kamerstuk 32 852, nr. 93);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 juni 2019 inzake eerste wijziging Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) (Kamerstuk 30 872, nr. 233);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 4 juli 2019 inzake voortgang maatschappelijk verantwoord inkopen (Kamerstuk 26 485, nr. 315);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 4 juli 2019 inzake uitwerking afspraken Klimaatakkoord over duurzame biomassa (Kamerstukken 32 813 en 31 239, nr. 375);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 september 2019 inzake aanpak kleine plastic flessen en blik in het zwerfafval (Kamerstuk 30 872, nr. 239);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 9 oktober 2019 inzake stand van zaken importplafond buitenlands afval (Kamerstuk 30 872, nr. 240);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 9 oktober 2019 inzake voortgang diverse initiatieven circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 96);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 9 oktober 2019 inzake circulair textiel (Kamerstuk 32 852, nr. 95);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 10 oktober 2019 inzake eindrapport Grondstof of afval (Kamerstuk 32 852, nr. 97);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 7 augustus 2019 inzake importplafond voor buitenlands afval (Kamerstuk 30 872, nr. 238).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Agnes Mulder

De griffier van de commissie, Israel

Voorzitter: Ziengs

Griffier: Israel

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Van Aalst, Van Brenk, Dik-Faber, Van Eijs, Kröger, Laçin, Middendorp, Von Martels, Wassenberg en Ziengs,

en mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

Aanvang 16.32 uur.

De voorzitter:

Goedemiddag. Hartelijk welkom bij de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat. Aan de orde is een algemeen overleg met als onderwerp circulaire economie. Allereerst een hartelijk welkom aan de Staatssecretaris en haar ondersteuning.

Ter rechterzijde zijn onze leden aangeschoven: mevrouw Van Eijs namens D66, mevrouw Dik-Faber namens de ChristenUnie, de heer van Aalst namens de PVV, mevrouw Van Brenk namens 50PLUS, de heer Von Martels namens het CDA, de heer Laçin namens de SP, de heer Wassenberg namens de Partij voor de Dieren en mevrouw Kröger namens GroenLinks. Ik zit hier als voorzitter maar straks ook als inspreker namens de VVD. Deze plaats zal zo dadelijk ingenomen worden door de ondervoorzitter van deze vaste Kamercommissie, de heer Middendorp, die op dit moment nog een andere bijeenkomst heeft.

Ook hartelijk welkom aan de mensen op de publieke tribune en aan de mensen die dit thuis online volgen. De spreektijd is, zoals op de convocatie genoemd, vijf minuten maximaal. We doen twee interrupties in tweeën. Ik stel voor dat mevrouw Van Eijs begint. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik begin maar meteen met het onderwerp dat deze algemeen overleggen dikwijls heeft gedomineerd: statiegeld. De Staatssecretaris heeft ons bericht dat het bedrijfsleven het reductiedoel voor kleine plastic flesjes waarschijnlijk niet gaat halen. Dat vermoedden wij al. Daarom zijn we blij met de back-upoptie van het wetgevingstraject dat ook loopt. Maar ook bij blik is ons geduld wel zo'n beetje op. We hebben eerder in een motie gevraagd om een plan, maar het bedrijfsleven zegt dat er geen apart plan komt. We hebben ook gevraagd om een reductiedoelstelling. Die is er ook niet gekomen. Daarom vraagt D66 morgen aan de Staatssecretaris om een reductiedoel voor blik vast te stellen en eenzelfde traject als voor flesjes te starten, want er moeten naast minder plastic flesjes ook echt minder blikjes in onze natuur terechtkomen.

Met de aanpak van blik is natuurlijk niet het hele zwerfafvalprobleem opgelost.

De voorzitter:

Ik moet even wennen aan deze setting van een halve cirkel. Dan kijk ik niet zo snel de andere kant op, maar ik zie twee interrupties. Ik weet niet wie het eerst was. Volgens mij was het mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De wonderen zijn de wereld nog niet uit, want nog geen halfjaar geleden hebben 50PLUS, SP, GroenLinks en de Partij voor de Dieren hierop gehamerd en gezegd: «Dit gaat niet goed. Als het niet in plastic gaat, dan komen de blikjes massaal terug.» Daar was bij de coalitie absoluut geen openheid voor. Die zei: geef nou iedereen de kans. En nu hebben we een heel andere situatie. Ik juich het toe, daar niet van, maar misschien kan er toch nog even ingegaan worden op waarom nu wel en toen absoluut niet. Waarom was men toen absoluut tegen het voorstel van de oppositie?

Mevrouw Van Eijs (D66):

Wij hebben een halfjaar geleden al een motie ingediend om te zeggen dat er een reductiedoelstelling moet komen en dat het bedrijfsleven met een apart plan moet komen. Het bedrijfsleven heeft nu aangegeven geen heil in een apart plan te zien. We zien dat er, met het plan dat we nu uitvoeren, geen significante reductie wordt bewerkstelligd. Dat betekent dat de andere opties zoals het bedrijfsleven die heeft neergelegd, niet werken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dit is precies wat de partijen toen al aangaven, maar ik ben blij dat D66 nu ook tot inkeer en dat inzicht is gekomen, en ik begrijp ook de ChristenUnie. Ik juich dat alleen maar toe.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Wij hebben statiegeld nooit uitgesloten. Wij hebben altijd gezegd dat het om het doel gaat en het doel is een reductie van zwerfafval van blikjes en flesjes. Statiegeld is daarbij altijd als optie op tafel gebleven wat D66 betreft.

De heer Laçin (SP):

Ik kan ook alleen maar met enthousiasme reageren op de drie coalitiepartijen die nu in ieder geval ook voor statiegeld op blik zijn. Ik hoor mevrouw Van Eijs eigenlijk ook een beetje het vertrouwen in het bedrijfsleven opzeggen, dat geen apart plan hiervoor wil maken. Maar begrijp ik het dan goed dat D66 net als de andere twee coalitiepartijen, ChristenUnie en CDA, hetzelfde traject wil volgen als met de kleine flesjes? Klopt dat? Ik zie mevrouw Van Eijs knikken. Waarom geven wij het bedrijfsleven dan alsnog een laatste kans om blik in het zwerfafval te reduceren, zoals we ook met de flesjes hebben gedaan? Waarom besluiten we niet direct om statiegeld op blikjes in te voeren? Waarom krijgt het bedrijfsleven weer een laatste kans? Waar is dat voor nodig?

Mevrouw Van Eijs (D66):

We hebben het er bij plastic flesjes ook over gehad dat het huidige statiegeldsysteem anders werkt en dat je ook voorbereidingen moet treffen om dat te implementeren. Ik heb liever dat het heel zorgvuldig gebeurt, dat we straks een goed werkend systeem hebben dat handig is voor de consument, dat iedereen begrijpt en waarvan duidelijk is hoe het werkt. Dat kost tijd, maar ik denk dat het heel goed is om uiteindelijk die stok achter de deur te hebben. Ik wil graag een parallel traject waarbij dingen niet per se worden uitgesteld en nog een keer worden uitgesteld, zoals in het verleden is gebeurd, maar waaraan uiteindelijk gewoon een deadline zit. Maar ik denk dat het wel goed is om een zorgvuldig traject met elkaar af te lopen.

De heer Laçin (SP):

Daar ben ik het mee eens. Dat was ook niet helemaal mijn vraag. Misschien heb ik hem niet goed gesteld. Ik ga ervan uit dat, als we hetzelfde traject volgen als bij de kleine plastic flesjes, we het bedrijfsleven nu weer een laatste kans gaan geven om zelf met een reductiedoel te komen. Nu heeft de Staatssecretaris geschreven: dat gaat ze niet lukken, dus ik ga begin 2020 beslissen over statiegeld op flesjes. Gaan wij het bedrijfsleven nog een kans geven om zelf tot een reductie te komen of gaan we ze alleen maar de ruimte geven om voorbereidingen te treffen om statiegeld op blikjes in te voeren? Dat is eigenlijk de vraag.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ik zie het zo. Het uiteindelijke doel is reductie. Of die met een magische ingreep van het bedrijfsleven gebeurt of met statiegeld maakt mij een stuk minder uit dan het uiteindelijk halen van dat doel. Dat betekent gewoon een reductie. Bij plastic flesjes hebben wij ook aangegeven: statiegeld is een fijn middel. Ik denk dat dat heel veel kan bijdragen aan de reductie, maar daarmee is niet alle zwerfafval in één keer verdwenen. Uiteindelijk gaat het om het verdwijnen van het zwerfafval. Wij denken dat dit een hele goede optie is en dat statiegeld daar een enorme bijdrage aan zal leveren, maar uiteindelijk gaat het niet om het invoeren van statiegeld maar om minder plastic flesjes en blikjes in het zwerfafval.

De heer Laçin (SP):

Dan nog één vraag, heel concreet. Geeft de D66-fractie het bedrijfsleven nogmaals een laatste kans om zelf voor elkaar te krijgen wat ze met flesjes niet is gelukt? Krijgen ze alsnog weer die kans van D66 of gaan we vandaag met z'n allen beslissen dat we statiegeld op blikjes gaan invoeren en dat ze de voorbereidingen daarvoor nu alvast kunnen gaan treffen?

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ik hecht aan een goed proces om dit met elkaar te regelen. Als zo'n zelfde reductiedoel al zou zijn bereikt op het moment dat wij het zouden invoeren, dan zou ik het heel raar vinden als wij alsnog zouden zeggen: er moet coûte que coûte statiegeld komen. Het gaat niet om coûte que coûte statiegeld. Het gaat uiteindelijk om het reductiedoel. Je kunt spreken van een tweede kans. Je kunt ook gewoon zeggen dat we een goed traject met elkaar gaan volgen en dat we die reductie uiteindelijk met elkaar gaan halen, of dat nou met statiegeld is of niet. Ik vermoed van wel, net zoals met plastic flesjes, maar dat moet dan blijken.

De voorzitter:

Meneer Laçin, wilt u nog gebruikmaken van die halve interruptie die u nog over heeft? Dan kan ik haar afstrepen. Nee? Wat vals, hè?

De heer Laçin (SP):

Ik laat me niet verleiden, voorzitter.

De voorzitter:

Dan mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Mevrouw Van Eijs doet een dappere poging om te verdedigen dat we toch nog wachten met het doorhakken van de knoop als het gaat om statiegeld op blikjes. Ik ben wel heel erg blij dat de coalitiepartijen nu aangeven: ja, statiegeld op blik moet nu echt in het vizier komen. Kennelijk is daar nog geen meerderheid voor, maar zou je bij het invoeren van statiegeld op plastic flesjes en de hele systematiek daaromheen, dan niet in ieder geval rekening ermee moeten houden dat blikjes daarna heel snel kunnen worden toegevoegd? Zou je niet al alle voorbereidingen moeten treffen waardoor je snel blikjes kan toevoegen als daarna het besluit genomen wordt zoals mevrouw Van Eijs wil via een zorgvuldig proces?

Mevrouw Van Eijs (D66):

Volgens mij lopen twee parallelle trajecten dan weer parallel met twee andere trajecten. Dat betekent dus, denk ik, dat je een overlap zal hebben om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat we niet drie verschillende inzamelsystemen hebben, maar één. Maar dat is nu ook het geval, bijvoorbeeld voor grote plastic flessen en kleine plastic flessen. Ik denk dat dat meegenomen moet worden. We hebben eerder aangegeven dat D66 graag wil dat het makkelijk is voor de burger. Dat is de enige manier om het echt goed werkend te krijgen. Aan het einde van het traject moet er dus één goedwerkend systeem liggen. Die twee trajecten zul je dus met elkaar moeten verzoenen, zal ik maar zeggen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik weet niet helemaal of dit een antwoord is op mijn vraag. Mijn vraag is de volgende. We hebben nu een traject voor plastic flesjes. Het ziet er gewoon naar uit dat er statiegeld op plastic flesjes komt. Moeten we, als supermarkten en iedereen dat statiegeldsysteem nu gaan organiseren, niet zorgen dat het qua opzet van meet af aan makkelijk is om blikjes daarna snel toe te voegen, dus dat je daarna met een simpele wetswijziging die blikjes erbij kan krijgen, zodat je daarna niet weer een aanpassing moet hebben et cetera?

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ja, dat lijkt me logisch. Als het goed is, speel je als ondernemer in het bedrijfsleven in op toekomstige vragen. Als je nu een machine koopt, kan je al bedenken dat je er voor de zekerheid ook maar voor zorgt dat daar in ieder geval blik in kan worden ingeleverd. Het lijkt me iets wat het bedrijfsleven zelf ook wel op het netvlies heeft.

De heer Van Aalst (PVV):

Laat ik eens wat nuance en verstandige woorden brengen in deze discussie. Ik hoor namelijk van alles voorbijkomen. D66 heeft geen enkel vertrouwen meer in de industrie. Wat is toch zijn probleem? De PVV heeft dat vertrouwen namelijk wel. U gaf zonet aan dat u hecht aan een zorgvuldig proces, maar waarom bent u dan zo voorbarig om eigenlijk nu al de knoop door te hakken en te zeggen: goh, de industrie gaat het toch niet regelen, dus kom maar op met het statiegeld?

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ik denk dat het wederom zorgvuldig is om een aantal dingen uit elkaar te halen. Voor plastic hebben we gewoon al enige tijd geleden met elkaar afgesproken dat we het gaan monitoren. Uit die monitoring blijkt dat er geen enorme afname is. Als ik dan gewoon het lijntje doortrek tot wanneer we zouden gaan meten, gaan we het gewoon niet redden. Het heeft dus helemaal niet per se zo veel met het vertrouwen in het bedrijfsleven te maken. Het heeft ook gewoon te maken met nuchter kijken naar de feiten zoals ze zijn. Je kan dan heel erg gaan wensdromen en hopen dat het op korte termijn is opgelost, of je kan gewoon nuchter kijken naar de feiten zoals ze zijn. Kijk om je heen in de berm. Dan kunnen we met z'n allen vaststellen dat het misschien toch slim is om ons voor te gaan bereiden op een andere oplossing.

De heer Van Aalst (PVV):

Laat ik dan zeggen dat ik in ieder geval blij ben met die laatste woorden, namelijk dat we gewoon maatregelen treffen als mensen dingen niet halen. Kan ik dan ook rekenen op de steun van D66 om de Staatssecretaris gewoon naar huis te sturen als ze haar doelen aan het eind van deze periode niet voor elkaar heeft?

De voorzitter:

Dat is een bijzondere.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ik ga ervan uit dat de Staatssecretaris het gaat lukken om wetgeving voor statiegeld in elkaar te schroeven. Ik geloof dus niet dat we haar daar überhaupt voor naar huis hoeven te sturen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat mevrouw Van Eijs doorgaat met haar inbreng. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Ja, voorzitter, waar was ik ook alweer? Met een aanpak van blik is natuurlijk niet het hele zwerfafvalprobleem opgelost, dat klopt, maar dat moet ons niet beletten om de goede stappen te nemen. Al die stapjes samen moeten ons namelijk uiteindelijk leiden naar de circulaire economie. Een zo'n stapje is de recycling van tapijten. Veel mensen staan er niet bij stil, maar jaarlijks wordt er in Europa 1,6 miljoen ton tapijtafval geproduceerd, waarvan slechts 1% tot 3% wordt gerecycled. Door het niet recyclen van al die tapijten gaan waardevolle materialen verloren, de zogenaamde critical raw materials. Het is ook wel leuk om te weten dat zo'n 45% van de Europese markt op tapijten in handen is van Nederlandse en Belgische spelers. Het zou mooi zijn om met hen de hele tapijtbranche een stuk circulairder te maken. Ik vraag de Staatssecretaris dan ook of zij weet hoe ver de branche hier zelf mee is. Zou een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid hierbij kunnen helpen, vooral als ook de CO2-productie wordt meegewogen?

Een ander onderwerp dat inmiddels wel veel meer op het netvlies van mensen staat, is textiel. Het is een flink vervuilende industrie, die de verkeerde kant op lijkt te gaan met de enorme groei die fast fashion doormaakt. Ik heb veel respons gehad op mijn idee voor een eerlijkekledingetiket. Veel mensen zeiden: ja, dit zoek ik, want ik wil graag die verantwoorde keuze maken. Maar ook veel mensen zeiden: dit gaat niet werken, want al die productieketens zijn veel te ondoorzichtig; er is geen goede controle. Ik denk dat het idee van een eerlijkekledingetiket ons juist kan dwingen om productieketens transparant te maken. Ik ben dan ook blij om te horen dat de Staatssecretaris dit idee ook in Europees verband heeft ingebracht en probeert om dit in de Europese strategie voor textiel opgenomen te krijgen. Omdat textiel zo internationaal is, moeten we dit ook Europees aanpakken. Maar wat kunnen wij als Nederlandse politiek doen om hier stappen op te zetten of om het proces in Europa te versnellen, vraag ik de Staatssecretaris. Ik hoor dat er ook modellen zijn om de duurzaamheid van textiel te meten en te kwantificeren en dat die ook in Nederland ontwikkeld zijn. Komen al deze ontwikkelingen op een logische plek bij elkaar? Weet men elkaar te vinden, bijvoorbeeld in het Textiel Pact, dat de sector zelf wil sluiten?

Voorzitter. Het lijken allemaal losse onderwerpen en dat zijn het natuurlijk ook. Het zijn allemaal stapjes, onderdeel van de puzzel van de circulaire economie. Wat het eigenlijk aangeeft, is dat onze wet en ons economisch en financieel systeem nog niet passen op die circulaire economie. Onze Fatma Koşer Kaya, hier niet onbekend, heeft in haar praktijk als wethouder van Amersfoort een hele reeks voorbeelden verzameld van initiatieven die tegen hoge drempels oplopen. Dat is doodzonde van alle energie die daarin gaat zitten. Ik som ze hier gewoonweg even op. Wormen die compost kunnen produceren, maar waarvan het voer moet voldoen aan dezelfde eisen als die voor koeien. Lokaal gekapte bomen, stadshout, die zonder FSC-keurmerk niet in reguliere aanbestedingen passen. Circulaire nieuwbouw, waarvoor geen garantstelling en dus geen hypotheek te vinden is. Gerecycled metaal, waarvoor geen garantie van oorsprong is af te geven en waardoor dit energiebesparende proces niet kan worden gebruikt. Btw, enkel of dubbel geheven, die gerecyclede materialen uit de markt prijst in vergelijking met virgin materials. En een veel te slappe MPG, die geen zoden aan de dijk zet voor circulair aanbesteden en circulair bouwen.

Ik heb drie vragen voor de Staatssecretaris. Kunnen we zorgen voor meer experimenteerruimte, dus ontheffing van regels, voor echte living labs? Hoe worden de knellende regels nu opgepakt en op welke termijn worden die gewijzigd? En wat kan de Staatssecretaris voor deze initiatieven betekenen?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. De ChristenUnie vindt het belangrijk dat we goed zorgen voor de natuur, voor onze leefomgeving, voor Gods schepping. We zien dat dat beter moet. De gemiddelde Nederlander gebruikt veel meer grondstoffen dan de aarde kan voortbrengen. Ik maak het even beeldend: bijna drie aardbollen. We stelen van volgende generaties. Daarom is de circulaire economie voor mijn fractie zo'n belangrijk onderwerp. Het gaat namelijk over recht doen aan onze medemens en recht doen aan Gods schepping. Vandaag wil ik daar drie onderwerpen uit lichten. Allereerst de recycling van kleine flesjes en blik, dan textiel en tot slot biomassa.

Voorzitter. Deze week had ik een gesprek met de grote frisdrankproducenten. Ze willen hun verpakkingen in 2025 helemaal circulair maken. Dat betekent dat de stroom pet en blik terug moet naar de producent. Nu verdwijnt veel pet en blik in de pmd-container, waar het geen hoogwaardige toepassing kan krijgen door recycling, of verdwijnt heel veel in het zwerfafval, wat nog erger is. De monitoring van Rijkswaterstaat laat zien dat het aantal kleine plastic flesjes in het zwerfafval toeneemt, ondanks de grote inspanningen van het bedrijfsleven. Daarmee komt de introductie van statiegeld op kleine flesjes in beeld. Ik heb gelezen dat het beslismoment wordt vervroegd naar het voorjaar van 2020, zodat ook het bedrijfsleven de tijd heeft om het systeem te introduceren. De ChristenUnie is al jarenlang een fervent pleitbezorger van statiegeld, omdat wij denken dat dit het enige middel is dat ook écht werkt. We zijn dan ook heel blij met de voortvarendheid van deze Staatssecretaris op dit dossier.

Voorzitter. Als het gaat om blik heb ik moeten vaststellen dat de VNG en het verpakkende bedrijfsleven geen actieplan en geen reductiepercentage voor blik in het zwerfafval hebben kunnen vaststellen. Mijn fractie vindt dat heel zorgelijk, omdat er bijna drie keer zoveel blikjes als kleine plastic flesjes in het zwerfafval zitten. Er is natuurlijk het risico van verschuiving als we alleen statiegeld op kleine flesjes invoeren. Jaarlijks overlijden ten minste 4.000 koeien als gevolg van scherp-in. Een paar weken geleden was ik met collega Von Martels op werkbezoek bij een melkveehouder in Leusden. Er was ook een dierenarts bij, die ons een toelichting gaf op het een en ander.

Voorzitter. Nu blijkt dat er een ruime Kamermeerderheid is voor wettelijke maatregelen voor blik. De Staatssecretaris heeft zelf in haar brief ook al gehint op die wettelijke maatregelen. Daarom willen we de Staatssecretaris nu vragen om voor blik eenzelfde traject in gang te zetten als voor plastic flesjes. Laten we hierover ook gewoon helder zijn naar het bedrijfsleven, zodat bedrijven bij het inrichten van hun logistieke processen rekening kunnen houden met statiegeld op kleine flesjes én op blik. Statiegeld is geen doel op zich, maar we weten dat dit hét instrument is om van pet en blik circulaire stromen te maken.

Voorzitter. Ik ga over naar het onderwerp textiel. We zien in de kledingindustrie en in onze kledingkast dat er een race to the bottom plaatsvindt. In de kledingkast hangen gemiddeld 173 kledingstukken. Die kledingstukken dragen we steeds minder vaak; 50 zelfs helemaal niet. Als we kleding weggooien, belandt amper een van de drie kledingstukken in de goede bak voor hergebruik of recycling. Intussen kopen we elk jaar 46 nieuwe kledingstukken, die van steeds slechtere kwaliteit zijn.

Voorzitter. De kledingindustrie is, na olie, de meest vervuilende industrie ter wereld. Kledingwinkels wisselen steeds vaker van collecties. Het hele jaar door is er uitverkoop. Dit alles gaat ten koste van de mensen die werken in de kledingfabrieken, ten koste van de natuur en ten koste van goedwillende mkb'ers die niet meer kunnen opboksen tegen de veel grotere fastfashionketens. Ik ben dan ook blij dat de Staatssecretaris later dit jaar komt met een beleidsprogramma. Ik denk dat Nederland met de Dutch Circular Textile Valley koploper en toonaangevend in de wereld kan zijn.

Vorig jaar is de motie-Dik-Faber/Van Eijs aangenomen, die vraagt om meer textiel in te zamelen en afspraken te maken over percentages recyclaat in nieuwe kleding. Ik zie dat dat bij bedrijfskleding al best heel goed gaat, maar bij consumententextiel zie ik dat niet. Er worden eigenlijk alleen bij denim, spijkerstof, stappen gezet. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om per stof in kaart te brengen wat er mogelijk is qua percentage recyclaat? Ik merk dat de kledingbranche wel wil, maar iedereen zit op elkaar te wachten en naar elkaar te wijzen. Een andere vraag is: hoe kunnen we die goedwillende mkb'ers ondersteunen of verleiden om duurzame keuzes te maken als het gaat om het assortiment?

Voorzitter. Het laatste onderwerp is biomassa – als ik nog even tijd heb, behandel ik dat heel kort. Dit is een onderwerp dat we binnen de commissie EZK met elkaar bespreken, maar er staat vandaag ook een brief van deze Staatssecretaris over op de agenda. De ChristenUnie is altijd heel kritisch geweest op biomassa, zeker als het gaat om houtige biomassa. Het is goed dat er begin 2020 een duurzaamheidskader beschikbaar komt voor alle biomassa. Onlangs is er een advies verschenen van een Europese wetenschapskoepel, waarvan de letters «EASAC» luiden – ik weet even niet waar het voor staat, maar dat is ongetwijfeld even op te zoeken. Die wetenschapskoepel concludeert dat er bij de verbranding van hout zelfs meer broeikasgassen vrijkomen dan bij de verbranding van steenkool. Op korte termijn komt er een grote hoeveelheid CO2 in de atmosfeer terecht, omdat er in een heel hoog tempo hout verstookt wordt en nieuwe bomen niet snel genoeg groeien om de CO2 die vrijkomt op korte termijn weer op te vangen. Op dit moment is het zo dat Europa geen CO2-emissies toekent aan biomassa. Maar als we dit soort adviezen lezen en als ik kijk naar wat er op dit gebied wordt gepubliceerd, dan denk ik dat dat heel snel zal veranderen. Mijn vraag aan dit kabinet is: hoe gaan ze daarmee om? Wordt het niet tijd dat we de daadwerkelijke emissie van CO2 uit biomassacentrales gaan meten, ook omdat er steeds meer kleinere biomassacentrales worden gerealiseerd in woonwijken?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dat was uw laatste zin. Dank u wel. De heer Van Aalst... O, neem me niet kwalijk, de heer Wassenberg heeft een interruptie.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dank aan mevrouw Dik-Faber, ook vanwege haar statiegeldverhaal. Er is een mooi spreekwoord: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Ik ben blij dat de coalitie zich ook helemaal schaart achter statiegeld op flessen en blik.

Maar ik heb even een vraag over biomassa. Wat mevrouw Dik-Faber zegt, klinkt me namelijk als muziek in de oren. Partij voor de Dieren vindt het ook een papieren werkelijkheid, want wetenschappers zeggen al heel lang dat het eigenlijk veel meer CO2 uitstoot dan kolen. Maar ik heb al een aantal keer moties ingediend om ervoor te zorgen dat Nederland niet inzet op biomassa. Ik zou mevrouw Dik-Faber willen vragen: kunnen we hier samen in optrekken? Ik vind het namelijk heel belangrijk dat de coalitie zich erachter schaart en zegt: we moeten niet naar papieren of politieke werkelijkheden kijken, maar gewoon naar wat de wetenschap hierover zegt.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Laat ik hier gewoon heel eerlijk over zijn. Toen het vorige energieakkoord – niet het huidige Klimaatakkoord, maar het vorige energieakkoord – gepresenteerd werd, toen zat daar al een groot aandeel biomassa in. Toen heeft mijn fractie direct gezegd: «Dit is niet de goede weg. Houtige biomassa is niet wat we moeten willen met elkaar. Rol de rode loper uit voor wind en zon!» Dat was letterlijk de kop van een artikel van mijn hand dat in een van de dagbladen heeft gestaan. De tijd is voortgeschreden, en u mag van mij geloven dat de ChristenUnie nog net zo kritisch is als het gaat om houtachtige biomassa. Er zijn heel veel kritische vragen bij te plaatsen. We weten ons daar ook in gesteund door de wetenschap, en nu ook door deze Europese wetenschapskoepel.

Tegelijkertijd zijn er in het regeerakkoord afspraken gemaakt. Ik ben heel blij dat we in het regeerakkoord de afspraak hebben kunnen maken dat er geen nieuwe subsidies worden gegeven voor biomassabijstook in kolencentrales. Dat is wat we hebben kunnen bereiken met elkaar. Verder is de ChristenUnie ook een partij die zich aan de afspraken wil houden die in het regeerakkoord gemaakt zijn.

Tegelijkertijd zie ik, zoals ik al zei, het maatschappelijke debat doorgaan. Ik zie de wetenschap doorgaan. We moeten met elkaar wel blijven nadenken. Ik vind dat er serieus gekeken moet worden naar dit soort kritische kanttekeningen vanuit Europese koepels, ook omdat dit er wellicht toe leidt dat de Europese systematiek gaat veranderen. Europa staat ons nu toe om nul CO2 te rekenen voor biomassaverbranding, maar dat kan weleens veranderen. En als dat zo is, dan zullen we ons daar in de Nederlandse politiek ook rekenschap van moeten geven.

Dat was een heel lang antwoord, maar daarmee vermijd ik misschien een vervolgvraag.

De voorzitter:

Zullen we proberen om in ieder geval de interrupties kort en krachtig te doen, maar ook de beantwoordingen? Ik liet het even lopen, maar als straks de ondervoorzitter hier aanschuift, dan wordt hij heel erg boos als ik het heb laten uitlopen. En ik heb een goede naam hoog te houden, zeg ik altijd – ten minste, dat denk ik in ieder geval!

De heer Wassenberg (PvdD):

Dank aan mevrouw Dik-Faber. Zij dacht: ik hou een heel lang verhaal, want dat scheelt misschien een vervolgvraag. Maar vaak komen er juist bij lange verhalen vervolgvragen. Dat is hier ook zo.

De voorzitter:

En uw vraag is?

De heer Wassenberg (PvdD):

Ik ben, ook in de vorige periode, inderdaad vaak samen met mevrouw Dik-Faber opgetrokken als het ging om biomassa. Daar waren we allebei heel kritisch op. Er was alleen één verschil: toen zat de ChristenUnie nog in de oppositie, en nu in de coalitie. Ik ben dus heel erg blij dat er nu ook vanuit de coalitie een kritisch verhaal klinkt.

Ik maak me vooral heel veel zorgen over het volgende. Op dit moment liggen er nog overal plannen klaar voor houtstookcentrales. Er zijn er al tientallen, en er komen gigantische houtstookcentrales die echt 25 of meer vrachtwagens hout per dag gaan opstoken. Ik wil dat er daarvoor een moratorium komt. Ik vraag mevrouw Dik-Faber: kunnen we hierin samen optrekken? Want we kunnen wel zeggen dat we op Europa wachten, maar dat kan nog jaren duren en dan zijn die houtstookcentrales er al. Dan heb je een lock-in, want als je die eenmaal hebt...

De voorzitter:

De vraag is helder.

De heer Wassenberg (PvdD):

Mijn vraag aan mevrouw Dik-Faber is: zullen we samen optrekken om te proberen om die houtstookcentrales tegen te houden en om te voorkomen dat er telkens nieuwe worden gebouwd en er plannen voor nieuwe houtstookcentrales komen?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

In de politiek werkt het zo dat mijn coalitiegenoten de eerste partners zijn met wie ik samen zal optrekken. Wellicht stel ik de heer Wassenberg dus teleur. Wat deze coalitie wél op de agenda heeft gezet, en daar ben ik ook heel erg blij mee en daar zie ik de Staatssecretaris ook voortvarend mee aan de slag gaan, is het duurzaamheidskader voor biomassa. Dat gaat er komen, en dat biedt wel weer haakjes om er echt voor te zorgen dat de houtstook zo veel mogelijk in goede banen wordt geleid. Intussen blijven we gewoon kijken wat er in Europa gebeurt en wat wetenschappers hierover publiceren.

De heer Wassenberg (PvdD):

En ik keek nog wel zo vriendelijk!

De voorzitter:

Ik zit me nu even af te vragen of ik dat als derde interruptie moet gaan noteren, maar dat zullen we maar niet doen!

De heer Van Aalst namens de PVV.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank je wel, voorzitter. Ik had aan het begin van dit overleg al het gevoel dat ik de vreemde eend in de bijt was, en dat idee krijg ik nu steeds meer. Dat blijkt vast uit mijn tekst vandaag.

Voorzitter. Graag zou ik de volledige aandacht willen hebben van alle linkse groenfetisjisten die deze zaal op het moment rijk is, om het laatste nieuws over biomassa in de lege hoofdjes van de deughippies te prenten. Nederland gooit namelijk miljarden weg aan subsidies voor biomassa. De Nederlandse overheid zou er goed aan doen om te stoppen met het uittrekken van miljardensubsidies voor de komst van biomassacentrales. Het zal namelijk weggegooid geld zijn, concludeert de EASAC, zoals mijn collega net al zei – ik heb eventueel de hele naam wel als ze die zou willen. Europese onderzoekers oordelen dus negatief over biomassa. «Het duurt jaren, soms zelfs decennia, voordat dezelfde hoeveelheid CO2 weer is opgenomen door nieuwe bomen», zegt hoogleraar Louise Vet tegen de krant. «Biomassa is een hele slechte energiebron. Verbranding van hout levert weinig energie op, waardoor er netto meer CO2 uit de schoorsteen komt dan bij kolen en gas.»

Voorzitter. Hoewel de Tweede Kamer eind 2016 al opriep om een einde te maken aan de subsidie voor biomassa als brandstof in kolencentrales, gaat dit kabinet gewoon door met het verbranden van miljarden euro's belastinggeld op het altaar van de groene kerk: 11,4 miljard euro, om precies te zijn.

Voorzitter. Hele bossen in Estland verdwijnen omdat de leugen van links regeert in dit land. Onschuldige dieren die hun thuis in deze bossen vonden, worden weggevaagd omdat de boskapbrigades van GroenLinks hun kapitalistische vriendjes in de duurzaamheidssector aan geld moeten helpen. De subsidies waar zij voor pleiten, richten onherstelbare schade aan voor mens en milieu. Hoe durven jullie? Kap met deze subsidie. Laat de kolencentrales weer gewoon werken zoals ze horen te werken.

Voorzitter. De PVV was laatst te gast bij Twence. Dit prachtige bedrijf uit Twente gebruikt afval als grondstof voor elektriciteit voor de omliggende gemeenten. Daarbij wordt de CO2 die hierbij vrijkomt, gebruikt voor de kassen van de boeren, want zoals we hier allemaal weten, hebben planten en bomen CO2 nodig om te groeien. Het is voedsel en leidt tot een mooie, groene planeet. Twence ziet zichzelf alleen voor een probleem gesteld: de importheffing. Want de afvalwerkingscentrale is zo efficiënt dat er sprake is van overcapaciteit. Daarom wordt er afval uit andere landen geïmporteerd om het tekort aan te vullen. Deze landen betalen daar zelfs geld voor. Daar wordt gebruikt van gemaakt, voor de omzet, de banen en de energie. En als wij het niet verwerken, wordt het in die landen gedumpt. Er komt geen omgekapte boom aan te pas. Dat zijn allemaal positieve punten. Waarom is er dan toch sprake van die importheffing op buitenlands afval? Bedrijven als Twence komen erdoor in de problemen, dus wat heeft deze Staatssecretaris tegen deze bedrijven te zeggen?

Voorzitter. Dan tot slot, het statiegeld. Het kwam net al voorbij. Het is te gênant voor woorden dat we de sector de ruimte geven om zelf met een initiatief te komen en dat de overheid nu vervolgens met allerlei actieplannen komt. Het zwerfafvalprobleem wordt er niet mee opgelost, en flesjes en blikjes drinken worden alleen maar duurder. Asociaal gedrag moet je ontmoedigen en keihard aanpakken, in plaats van heel Nederland met nog meer recycledogma's op te zadelen. Als de Staatssecretaris zo graag wil dat bedrijven verantwoordelijk worden voor het opruimen van de rommel die een ander maakt, wijzen wij haar graag op de puinhopen die zij op haar ministerie achterlaat. Wie gaat die opruimen?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Ik zie één, twee, drie vingers, maar volgens mij was mevrouw Van Eijs eerst.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Het lijkt wel een soort spel. Inmiddels is het de vierde ronde. Dat spel heet: probeer aan de PVV, en in het bijzonder aan de heer Van Aalst, te ontlokken wat hij dan wel wil doen. In dit geval vraag ik hem wat hij dan wél wil doen aan het aanpakken van zwerfafval.

De heer Van Aalst (PVV):

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik geen statiegeld wil. We hebben wel vertrouwen in de sector en vertrouwen erop dat het goed gaat komen. Het verbaast mij dat D66 dat niet doet. We maken afspraken met elkaar. Ik zie D66 als een partij die zich juist altijd aan de afspraken probeert te houden. Maar blijkbaar is dat, als het gaat om de industrie of bedrijven, vies. Dan doen we dat dus lekker niet en gaan we gelijk allerlei actieplannen maken. Maar wij hebben dus vertrouwen in de sector. Laat die sector zijn werk doen. Dat hebben we ook afgesproken met elkaar. Het verbaast mij dat D66 blijkbaar halverwege wat anders wil doen. Het was volgens mij ook onderdeel van mijn betoog net dat u dan consequent moet zijn.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Dan ga ik consequent zijn en nog een keer vragen wat het bedrijfsleven volgens de PVV zou moeten doen om zwerfafval aan te pakken.

De heer Van Aalst (PVV):

Daar komt het communisme van D66 weer naar voren. Wij hebben juist gezegd: wij maken afspraken met de sector, dus laat die dan ook plannen maken. Laat de sector met iets komen. «Nee», zegt D66, «PVV, kauw effe voor wat ze moeten doen.» Nee, dat doen we dus niet. Dat is juist het punt dat ik net gemaakt heb: kauw het niet voor en laat de sector zijn werk doen.

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijs? Nee? Dan zou het een derde interruptie zijn en kon ik weer gaan strepen. Dat hoort natuurlijk niet zo. Dan mevrouw Dik-Faber. U bent aan de beurt.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb een vraag over precies hetzelfde punt. We hebben afspraken gemaakt met het bedrijfsleven. Het zou het zelf gaan fixen. Statiegeld hadden we in de broekzak. Mocht het niet lukken, dan zou dat geïntroduceerd worden. Dat was toch een heel heldere afspraak? Dus waarom zegt de PVV-fractie nu dat we afspraken moeten maken met het bedrijfsleven en dat we die niet nakomen? We komen de afspraken wel na.

De heer Van Aalst (PVV):

Nee, mijn punt is dat de sector er volop mee bezig is. U heeft nu al het vertrouwen opgezegd in die sector. De PVV kiest daar niet voor. De PVV heeft wel vertrouwen in de sector en vertrouwt erop dat het goed komt. Dat is een totaal andere insteek bij dit punt. Ik begrijp niet waarom u nu al alles opgeeft. Natuurlijk snap ik het wel. Ik snap wel dat de ChristenUnie en D66 het liefst gelijk alles willen opleggen. Maar wij hebben wel vertrouwen in die sector. Ik begrijp niet zo goed waarop u mij daarop aanvalt. Ik vind het jammer van de interrupties.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

We hebben vertrouwen gegeven aan het bedrijfsleven. Het heeft ook echt heel erg hard zijn best gedaan, maar het aantal plastic flesjes in het zwerfafval is gewoon toegenomen. Dat moet ik ook constateren. Ik heb ook heel goed geluisterd naar het betoog van de heer Van Aalst. Hij zei ook dat het gedrag van mensen die spullen in de berm gooien, keihard moet worden aangepakt. Wat stelt de PVV dan voor? Achter elke boom een politieagent? Is dat wat de PVV wil?

De heer Van Aalst (PVV):

Voordat we direct concrete maatregelen noemen, stel ik in ieder geval voor dat de ChristenUnie vanaf morgen stopt met biomassa. Dan maken we 11,4 miljard vrij. Dan hebben we een heel mooi budget om maatregelen te treffen. Vind ik u dan aan mijn kant?

De heer Von Martels (CDA):

Mijn vraag ligt natuurlijk in het verlengde van die van mijn twee collega's van de ChristenUnie en D66. Misschien kan ik het anders proberen. De heer Van Aalst geeft nog niet echt aan waar de oplossingen liggen om het zwerfafval terug te dringen. Maar ziet hij bijvoorbeeld een rol weggelegd voor de consument? Of ziet hij een rol weggelegd voor de VNG? Want die is tot nu toe ook nog niet echt in beweging gekomen om het zwerfafval terug te dringen. Waar ligt dan de echte oplossing?

De heer Van Aalst (PVV):

Wij hebben vertrouwen in de sector. Anderzijds vind ik dat je wat moet doen aan gedrag. Daarom verbaast het me ook dat de heer Von Martels in de afgelopen weken op de een of andere manier gedraaid is. Het is een stukje opvoeding. Je gooit geen dingen in de berm. Dat doe je niet. We hebben bijvoorbeeld de bobcampagne gezien. Ik zie hier ook heel veel kansen om zwerfafval tegen te gaan. Dit soort dingen doe je gewoon niet. Als ik mijn kinderen dat zie doen, krijgen ze van mij een schop onder hun hol. Dat moeten we volgens mij met elkaar uitdragen. Dan ga je het probleem oplossen. Dat doe je niet met statiegeld. Dat verandert namelijk helemaal niets.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ben in ieder geval blij dat de heer Van Aalst brood ziet in het invoeren van bijvoorbeeld een campagne. Ik heb zelf het idee om de aso-campagne in te voeren, de «afval stoort ons»-campagne, en om grote borden langs de kant van de weg te plaatsen. Als die motie over de aso-campagne wordt ingediend, zal die dus ongetwijfeld gesteund worden door de PVV. Daar ben ik blij om.

De heer Van Aalst (PVV):

Er zat geen vraag in. Ik heb het voorstel van de heer Von Martels nog niet gezien. Het is wat tricky om nu al mijn steun toe te zeggen. Ik moet altijd even oppassen met het CDA en voorstellen. Maar ik sta zeker niet onwelwillend tegenover het starten van een campagne om zwerfafval tegen te gaan. Een stukje opvoeding hoort erbij. Rotzooi gooi je niet op straat, maar netjes in de afvalbak. Volgens mij hebben we vroeger ook dat soort campagnes gehad. Ik zie er wel heil in om die opnieuw op te starten.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk nog even naar de heer Van Aalst: volgens mij was uw inbreng al afgerond. Ja, dat heb ik dan goed begrepen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Eindelijk is het rapport van de Taskforce Herijking Afvalstoffen er. Ik heb er met belangstelling kennis van genomen. Ik weet dat veel mensen in het land, met name de waterschappen, hiernaar uitkeken. Je zou denken dat het een simpele vraag is: wat is afval? In Europa hebben we de Kaderrichtlijn afvalstoffen; in Nederland hebben we de afvalwet en -regelgeving. Beide stammen uit een tijd dat we nog niet bezig waren met circulariteit. Hier ligt nu het advies van de taskforce over hoe we de belemmeringen moeten wegnemen.

Het kabinet heeft heel hoge ambities: 50% minder primaire grondstoffen met een negatief milieu-impact in 2030 en Nederland circulair in 2050. Er zijn al veel initiatieven om dit doel te halen, maar volgens de taskforce zijn er extra stappen nodig. Zo moet het begrip «afval» in de regelgeving veranderd worden en moet de uitvoeringspraktijk worden verbeterd. De taskforce pleit voor een centrale regie, net zoals bij de energietransitie. Gaat de Staatssecretaris dat ook doen? Gaat zij, gaat het Rijk, kaders stellen en geeft zij daarna de regierol aan de provincies? Het is mooi dat inzichtelijk gemaakt is hoe de praktijk werkt en wat de knelpunten zijn. Gaat de Staatssecretaris dit snel en adequaat oppakken? Wat is dan de definitie van afval in wetgeving? Hoe zit het met het tijdig afgeven van vergunningen? Is duidelijk wie het bevoegd gezag is op welk moment?

Voorzitter: Middendorp

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Wie is verantwoordelijk voor de handhaving? En wie zorgt dat alles overzichtelijk is en dat er wordt stilgestaan bij de overige knelpunten, zoals de btw-plicht als afval weer een product wordt om te verkopen?

De Staatssecretaris spreekt in haar brief over een verkenning naar productregelgeving en andere normering, met als focus de aansluiting op het afvalstoffenrecht. Ook de bijproductencriteria worden erbij betrokken, om de sector duidelijkheid te geven over wanneer iets geen afvalstof is. Dat is mooi, maar wanneer is dit dan gereed? Het voelt alsof we niet verder komen en alsof we opnieuw blijven onderzoeken. Alleen noemen we het nu: verkenning. Wanneer is het klaar en wanneer is er duidelijkheid?

Wij verwachten dat de Staatssecretaris zich ook op EU-niveau blijft inzetten voor een correcte definitie van afval. Het doorzetten van het programma Ruimte in Regels binnen het Versnellingshuis om de belemmeringen snel en adequaat door te geleiden en ambtelijk uit te werken klinkt ons verstandig. Gaat dit ook gebeuren? De Staatssecretaris lijkt er in haar brief nogal terughoudend over. Kan zij er wat meer over vertellen?

Voorzitter. Ik zei het net al tegen de collega's: het lijkt erop dat een meerderheid van de Kamer nu pleit voor wetgeving voor statiegeld op blikjes. Dat is bijzonder, maar gaat het nu ook gebeuren? Graag een reactie van de Staatssecretaris.

Vorige week stuurde de Staatssecretaris een brief over het instellen van een importplafond voor buitenlands afval. Dit vanwege de voortdurende afvalcrisis in Amsterdam. De Staatssecretaris kan wel blijven wijzen naar het lokaal bestuur en naar de markt, die verantwoordelijk is voor het afvalverbrandingsproces, maar deze situatie duurt natuurlijk al veel te lang. De gemeente heeft er nu opnieuw 45 miljoen euro ingestoken, maar wanneer komt er echt een oplossing voor het probleem? Wat kan de Staatssecretaris doen? Deze situatie kan niet zo voortduren.

Als laatste sluit ik mij aan bij de opmerkingen van mevrouw Faber over kleding en textiel. Kan de Staatssecretaris aangeven wat de stand van zaken is rondom recycling van kleding en textiel? Hoe kunnen we verdere stappen maken? Wat kleding en textiel betreft hebben we volgens ons nog een wereld te winnen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik neem het hierbij over van collega Ziengs, die, zoals ik heb gezien, zo fideel is geweest om twee interrupties in tweeën te doen. Dat houd ik dan ook aan. Ik geef het woord aan de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Er staat een aantal onderwerpen op de agenda. Laat ik beginnen met een algehele blik erop te werpen. Ik moet constateren dat we te vaak achteraf worden geconfronteerd met vervelende verrassingen. Er wordt nieuw beleid bedacht, maar als het op de uitvoering aankomt, blijken er toch veel praktische bezwaren te zijn. Soms vraag je je weleens af wat de kwaliteit is van de invoeringstoets. Laat die niet vaak te wensen over? Laat ik als voorbeeld de PFAS nemen, waarmee onlangs in de praktijk enorme problemen zijn ontstaan. Is de uitvoeringstoets van tevoren dus wel goed doorvlochten zodat iedereen weet waar hij aan toe is?

Een aantal collega's heeft het al over het onderwerp statiegeld gehad. Ik voel me verantwoordelijk om er ook iets over te zeggen, omdat we ook binnen het CDA dit onderwerp enkele keren hebben besproken. Over de petflesjes hebben wij altijd gezegd dat als het bedrijfsleven niet in staat is om de reductiedoelstelling te realiseren, er vanaf 2021 statiegeld wordt geheven. We hebben ook gekeken hoe we het moeten doen met statiegeld op blik. Tot nu toe hebben we altijd het standpunt ingenomen dat we er in principe geen voorstander van zijn. Maar we moeten wel zo realistisch zijn om te beseffen dat de reductiedoelstellingen die wij voor ogen hadden, de afgelopen jaren op geen enkele wijze zijn behaald. In het zwerfafval staan er 2,6 of 2,7 blikjes tegenover één petflesje. Er is helemaal geen tendens te bespeuren dat daar een oplossing voor komt. Dan is er ook nog het onderwerp van scherp-in bij koeien. Veel koeien sneuvelen doordat ze metalen of aluminium snippers in hun maag krijgen en bloedingen krijgen. Dat levert veel ellende op. Hoe kunnen we dat terugdringen? Het zou ons een groot ding waard zijn als we ervoor zouden kunnen zorgen dat in 2021 het zwerfafval dusdanig is gereduceerd dat we helemaal geen statiegeld hoeven in te voeren. We willen het bedrijfsleven dus heel graag in staat stellen om dit nog te bewerkstelligen, maar het ligt niet alleen aan het bedrijfsleven.

De voorzitter:

Meneer Laçin zat keurig te wachten, maar toen noemde u het woord «bedrijfsleven»! Ik wil de heer Laçin nu dus het woord geven voor een interruptie.

De heer Laçin (SP):

Ik volg de inbreng van de coalitiepartijen niet helemaal, moet ik eerlijk zeggen. Enerzijds hoor ik dat op dit punt het vertrouwen in het bedrijfsleven een beetje wordt opgezegd: ze leveren niet bij de plasticflesjes; de trend is stijgend in plaats van dalend. Maar tegelijkertijd zetten deze partijen eigenlijk weer een soortgelijk traject neer, waarin het bedrijfsleven alsnog weer een kans krijgt om de reductiedoelstellingen, die ze dus gewoon niet halen, toch te halen. Waarom zeggen wij hier vandaag niet gewoon met z'n allen dat ze het met flesjes niet hebben gered en dat ze het met blik ook niet zullen redden? De kans op verschuiving is juist veel groter. Laten we vandaag met z'n allen beslissen dat we ook statiegeld op blik gaan introduceren. Dat moet allemaal zorgvuldig en noem maar op, maar waarom krijgt het bedrijfsleven weer een laatste kans, terwijl ze gewoon keer op keer niet leveren?

De heer Von Martels (CDA):

Jammer, die eenzijdige blik van de heer Laçin op dit onderwerp. Het gaat natuurlijk om veel meer dan het bedrijfsleven. Het gaat ook om de consument, die natuurlijk als eerste de taak heeft om te zorgen dat het niet in het zwerfafval terechtkomt. Ten tweede zijn er ook heel veel organisaties waarvan je zou kunnen zeggen dat ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Dan noem ik ook de VNG, die wat dit betreft de afgelopen jaren ook stilgezeten heeft. Dan noem ik de fastfoodketens, die ook een zorgplicht hebben rond hun gebouwen die ook niet goed wordt nageleefd. Er zijn veel meer zaken die een rol spelen. Bovendien zijn we dan te geïsoleerd bezig met alleen statiegeld op blik en op petflesjes. Het gaat natuurlijk ook om peuken, om luiers, om zoveel meer. Zwerfafval is veel breder dan alleen blik en petflesjes.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Von Martels (CDA):

Meestal krijg ik dan een tweede interruptie van de heer Laçin, maar die blijft deze keer achterwege.

De voorzitter:

Ik heb al gezegd dat het een gelukkige omstandigheid is dat de heer Laçin sowieso vier interrupties kon gebruiken, want normaal is dat niet zo. Maar mevrouw Kröger...

De heer Von Martels (CDA):

Het CDA heeft dus het volgende standpunt ingenomen: statiegeld op blik invoeren in 2022, tenzij we met z'n allen – met z'n allen, zeg ik dan – in staat zijn om de reductiedoelstellingen te behalen. Dat betekent dan dat er bijna geen blikjes meer zijn te bespeuren in het zwerfafval.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Mijn vraag is wat de harde deadline is die de heer Von Martels het bedrijfsleven nog steeds geeft om dit probleem op te lossen. Ik hoor nu dat dat dus kennelijk in 2021 is, zodat het in 2022 ingevoerd kan worden. Dan blijft toch de vraag staan die ook de heer Laçin net stelde. Als we nou zien dat het echt van geen ene kant lukt om dat blik in het zwerfafval terug te dringen, waarom wil het CDA, net zoals met de plasticflesjes, het bedrijfsleven toch nog de tijd gunnen om nog steeds door te emmeren op dezelfde weg in plaats van gewoon helderheid te verschaffen? We kunnen statiegeld op plasticflesjes en op blik in één keer invoeren. Dat is het helderste voor iedereen.

De voorzitter:

Een heldere vraag.

De heer Von Martels (CDA):

Als ik nou de indruk had gehad dat alle verantwoordelijken hun verantwoordelijkheid hadden genomen, dan zou ik zeggen: ja. Maar dat is gewoon niet gebeurd. De afgelopen jaren hebben te veel partijen stilgezeten en is er te weinig gebeurd. We hebben ook niet goed gehandhaafd. We hadden eventueel zwaardere straffen kunnen invoeren. We kunnen alles bedenken om het zwerfafval terug te dringen. Ik weet zeker dat als we statiegeld op blik hebben ingevoerd, dat dan het volgende weer komt. Laten we nou zorgen dat we de komende jaren benutten om dat zwerfafval terug te dringen en om iedereen in actie te laten komen, want daar schort het wat mij betreft aan. Daarom zou het niet realistisch zijn om alles op het bedrijfsleven af te schuiven omdat dat de grote boosdoener zou zijn. Ze hebben een rol, maar niet de hoofdrol.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Nu verwart de heer Von Martels me echt volledig. Het is nu 2019. In 2021 wil hij het «go/no go»-moment hebben. En dan zegt hij: daartussen moeten we nog van alles proberen, zoals zwaardere straffen invoeren. Dus nu wil de heer Von Martels de komende twee jaar eerst proberen zwaardere straffen voor zwerfafval in te voeren om te kijken of dat effect heeft. Dat kost toch ongelofelijk veel tijd? Dan kunnen we toch beter nu de conclusie trekken dat statiegeld op blikjes en op plasticflesjes tegelijk ingevoerd worden, wat het meest kostenefficiënt en het helderst is voor het bedrijfsleven?

De heer Von Martels (CDA):

Nogmaals, ik zie allerlei mogelijkheden om het zwerfafval terug te dringen. Daar moet aan gewerkt worden. Daar hebben we inderdaad twee jaar de tijd voor. Ik vind dat een reëel tijdspad. Het is dan ook realistisch om te zeggen dat we in 2022 statiegeld op blik invoeren, als alle pogingen die zijn ondernomen geen soelaas hebben geboden. Dus: 2022.

De voorzitter:

Ik hoor u al een aantal keren hetzelfde antwoord geven. Dat helpt. De heer Wassenberg heeft een interruptie.

De heer Wassenberg (PvdD):

De heer Von Martels wil vanaf 2021 mogelijk statiegeld op blik. Hij verwijst dan naar de 4.000 koeien die per jaar sterven doordat er scherven van blik in hun voer zitten. Ik vraag me af wat er dan is gebeurd bij het CDA. Want anderhalf jaar geleden, op 3 april 2018, heb ik een motie ingediend waarin ik ook constateerde dat naar schatting 4.000 koeien per jaar sterven doordat scherven van blikafval via gemaaid gras in hun voer terechtkomen. Die motie is mede ingediend door mevrouw Kröger, de heer Laçin, mevrouw Van Brenk en de heer Gijs van Dijk. Die heeft het CDA toen niet gesteund. Wat is er bij het CDA gebeurd in de laatste anderhalf jaar, dat het CDA nu met exact dezelfde overweging opeens zelf kritisch op blik is? Want toen was dat niet het geval.

De heer Von Martels (CDA):

Een aantal aspecten spelen daarbij een rol, onder andere het voorbeeld van de koeien die sterven, maar ook de cijfers die ons ter ore zijn gekomen, niet alleen die van Rijkswaterstaat maar ook van de Zwerfinator. Wat dat betreft hebben een aantal factoren samen ons overtuigd dat er toch echt iets moet gebeuren. We zien dit eigenlijk ook als een pressiemiddel om het zwerfafval terug te dringen.

De voorzitter:

Dat leidt tot een korte vervolgvraag van de heer Wassenberg.

De heer Wassenberg (PvdD):

Een zeer korte vervolgvraag. Er is niets nieuws, want anderhalf jaar geleden was ook al bekend dat er 4.000 koeien per jaar stierven. Dat is het cijfer dat ik nu ook van de heer Von Martels hoor. Er is niets nieuws. Wat is er nu veranderd – dus niet dezelfde informatie – waardoor het CDA nu wel voor statiegeld op blik is?

De heer Von Martels (CDA):

Voorzitter, u gaf net al aan dat ik vaak hetzelfde antwoord geef. Dat zal ook nu weer gebeuren. Ik zei al dat dit één van de factoren is, maar daarnaast zijn er de cijfers van Rijkswaterstaat, waaruit alleen maar gebleken is dat het aandeel blikjes in zwerfafval relatief gezien is toegenomen. Het is dus en-en, dat alles tezamen, en niet alleen het argument dat u gebruikt. Ik ben blij dat u dit destijds ook naar voren heeft gebracht, maar deze factoren tezamen hebben ons doen besluiten om dit naar voren te brengen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan vervolgt u uw betoog.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, dank u wel. Dan moet ik even kijken waar ik gebleven ben. In de beantwoording van de interrupties heb ik al heel veel onderwerpen besproken die ik naar voren had willen brengen. Ik wil niet in herhaling vallen. Voor de amusementswaarde is dat natuurlijk niet goed.

De voorzitter:

Ik wilde eigenlijk aangeven dat de vragenstellers continu dezelfde vraag stelden. Het was dus niet gemeen bedoeld ten opzichte van u. Gaat uw gang.

De heer Von Martels (CDA):

Goed, dan ga ik nu over naar circulair bouwen, want dat is ook hard nodig. Het zou mooi zijn als onze bouwbedrijven koploper zijn in circulair bouwen. In het verlengde hiervan kunnen bouwbedrijven ook al bouwen met een lage stikstofuitstoot. Door prefabricage en elektrische kranen ter plekke wordt zo veel mogelijk stikstofuitstoot voorkomen. Dit geeft kansen om de bouwopgave snel en met zo weinig mogelijk uitstoot te realiseren. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat we koploper worden in circulair bouwen? Misschien kunnen andere regio's leren van de noordelijke provincies, bijvoorbeeld van de Bouwcampus Fryslân in Noordoost-Friesland, BuildinG in Groningen of het Noordelijk Innovatielab Circulaire Economie in Meppel. Zeker daar wordt dagelijks gewerkt aan circulaire bouwprojecten.

Dan heb ik nog iets over de inzamelstructuur bij gemeenten, want die is nogal ingewikkeld. Bovendien zijn de verschillen per gemeente groot. Hoe kunnen producenten nu simpel en duidelijk aangeven hoe verpakkingen het beste ingezameld kunnen worden, terwijl de inzamelsystemen per gemeente verschillen? Het moet eenvoudiger en gemeenten moeten meer met één geluid naar buiten kunnen treden. Wil de Staatssecretaris hier werk van maken?

Dan over matrassen. Die zijn nog niet aan bod gekomen. Matrassen moeten ook in de circulaire economie terechtkomen. Ik begrijp dat er al afspraken zijn met de grote matrassenfabrikanten om in de toekomst maar liefst 700.000 matrassen te recyclen. Dat is 75% van de verkochte hoeveelheid. Hoever wil de Staatssecretaris hierin gaan? Welke doelstellingen wil zij formuleren?

Ten slotte, voorzitter, nog één onderwerp, namelijk de importheffing. Ik ben nieuwsgierig waarom die importheffing eventueel ingevoerd gaat worden. Bij mij is daar namelijk nog steeds enige onduidelijkheid over. Wat is nou de belangrijkste reden van een eventuele invoering? De milieuwinst is namelijk nihil. Enerzijds wordt er misschien een lichte CO2-reductie gerealiseerd, maar aan de andere kant is de methaanemissie in het buitenland veel en veel groter. Als het dus gaat om de broeikasgassen die ontsnappen, is dat veel groter. Ik heb ook nog even informatie ingewonnen bij Urgenda. Het is niet een van de 40 voorstellen van Urgenda. Ik heb daar nog contact over gehad omdat ik dacht «dat is nou de motivatie om het in te voeren», maar ik kreeg een negatief antwoord. Zijn er misschien nog alternatieven denkbaar? We hebben nu een verbrandingstoeslag van € 32. Kunnen we die misschien verhogen als het gaat om het genereren van inkomsten? Waar liggen de mogelijkheden en wat is de exacte reden van het eventueel invoeren van de importheffing?

Tot zover, voorzitter.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik ben wel nieuwsgierig hoe het CDA tegenover die importheffing staat. Ik krijg een wat wisselend beeld. Is het CDA nu voor of tegen die importheffing? Ik hoor dat u de afvalcentrales bezocht heeft. Ik kan me voorstellen dat die niet allemaal erg positief waren. Staat het CDA nu positief of negatief tegenover de importheffing?

De heer Von Martels (CDA):

Dat is wat ons betreft nog veel te vroeg. Wij zijn nog op zoek naar het antwoord. De heer Wassenberg en ik hebben een technische briefing georganiseerd, waarin we veel vragen hebben kunnen stellen. Ik ben niet voor niks gisteren ook nog bij Attero geweest. Ik ben dus nog steeds op zoek naar het antwoord waarop ik zit te wachten. Wat is nou de exacte reden voor het invoeren van die importheffing? Daar ben ik naar op zoek. Als ik daar een goed en realistisch antwoord op krijg, dan kunnen we daar een standpunt over innemen, maar daar is het op dit moment nog te vroeg voor.

De voorzitter:

Dat leidt tot een korte vervolgvraag van de heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Ja, mijn laatste vraag inderdaad. Ik vind het bijzonder. Ik mag toch hopen dat het CDA zelf een mening heeft en niet alleen een antwoord wil hebben van de Staatssecretaris op de vraag waarom zij iets invoert. Nogmaals, het CDA heeft toch wel een mening? Vindt het CDA dat de importheffing wel of niet ingevoerd moet worden? Ik heb namelijk ook geconstateerd dat de afvalverwerkers hier niet op zitten te wachten. Het is een hartstikke mooi verdienmodel, dat ook nog wat oplevert.

De heer Von Martels (CDA):

Ja, maar van een partij die heel genuanceerd is, kun je zo'n antwoord verwachten als ik net gegeven heb. We zijn ons nog aan het beraden. In uw betoog hoorde ik net dat de PVV genuanceerd naar voren wil komen, maar dat was al snel vervaagd, jammer genoeg. Ik probeer op dit onderwerp toch bij de les te blijven. Laten we eerst goede antwoorden krijgen op de vragen die we nu gesteld hebben.

De voorzitter:

Oké, dat leidt tot een interruptie van mevrouw Dik-Faber. Ga uw gang.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Goed dat de CDA-fractie hier vragen over stelt, maar volgens mij is het wel degelijk zo dat de Nederlandse rijksoverheid te voldoen heeft aan een uitspraak van de rechter in de Urgendazaak, wat we daar ook van vinden. Dat is een uitspraak van de rechter, dus die moeten we met elkaar uitvoeren. Met het binnenhalen van een grote stroom afval uit het buitenland, halen we ook twee megaton CO2 binnen. Is het CDA daarmee bekend?

De heer Von Martels (CDA):

Met alles wat naar voren gebracht is, ben ik bekend. Waar ik antwoord op wil hebben is mijn vraag over het Urgendavonnis. Is dat wel of niet zo? Dat kunnen we heel makkelijk nagaan. Ik heb ook informatie ingewonnen en daaruit blijkt dat het niet het geval is en dus geen deel uitmaakt van het 40 puntenplan. Als het gaat over de milieuwinst weten we dat er een onderzoek geweest is. Daarin komt die 0,2 megaton als milieuwinst naar voren. Maar er is ook een contraexpertise van PricewaterhouseCoopers, waarin die milieuwinsten veel kleiner bleken te zijn. Als je naar de methaanemissies kijkt, blijken die alleen maar groter te worden, omdat die niet in afvalverbrandingsovens terechtkomen, als het gaat om Engels afval.

De voorzitter:

Wilt u nog een korte vervolgvraag stellen? De heer Von Martels heeft eigenlijk gewoon geantwoord dat hij ermee bekend is en daarna nog een toelichting gegeven.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik wacht op het antwoord van de Staatssecretaris.

De voorzitter:

Oké, dank u wel. Dan wil ik het woord geven aan de heer Laçin.

De heer Laçin (SP):

Dank, voorzitter. Ik zal ook beginnen met het statiegeld en de uitbreiding ervan naar kleine flessen én naar blikjes wat ons betreft. We hebben daar vorig jaar felle debatten over gehad met de Staatssecretaris, maar ook als Kamer onderling. Het is daarom goed om te lezen dat de Staatssecretaris wil doorpakken met het invoeren van statiegeld op kleine flesjes, omdat het aantal kleine flesjes in het zwerfafval niet daalt, maar stijgt. Wij waren al langer overtuigd van het feit dat het bedrijfsleven dit niet zou gaan oplossen, maar dat is nu ook weer bevestigd. De Staatssecretaris schrijft wel dat de metingen over de tweede helft van 2019 doorslaggevend zullen zijn. Maar waarom wachten we daarop? We zien de trend nu al. Het stijgt in plaats van dat het daalt. Waarom moeten we dan het moment van beslissen nog een maand of vier, vijf, zes uitstellen? Waarom kunnen we dat nu niet gewoon doen? Als we het nu doen als Kamer, kan dan ook het moment van invoeren van kleine flesjes vervroegd worden? Dat is een vraag waar ik graag antwoord op wil hebben. Dat het uitbreiden van het statiegeldsysteem onvermijdelijk is, is wat ons betreft geen onderdeel van discussie meer. Dat gaan we doen. Laten we dat zo vroeg mogelijk doen, zou ik zeggen.

Dan de blikjes, die een veel groter probleem in het zwerfafval zijn, zoals ook door andere partijen al benoemd is, vooral qua dierenwelzijn. Wat ons betreft is en blijft het een gemiste kans dat we statiegeld op blikjes niet gelijktijdig met het statiegeld op kleine flesjes invoeren, vooral nu de VNG ook heeft aangegeven daar geen apart reductieplan voor te gaan maken. Als blikjes nu meteen worden meegenomen, is een apart wetstraject overbodig en krijgt het bedrijfsleven geen kans om in de tussentijd de productie van blik op te schalen en die van kleine flessen te verminderen. Dat zal voor een periode voor veel grotere problemen in het zwerfafval kunnen zorgen, maar ook voor de dieren problemen geven. Ziet de Staatssecretaris dit probleem ook? Welke mogelijkheden ziet zij nog om blikjes toch mee te nemen in het wetsvoorstel over kleine flessen dat in voorbereiding is, zonder dat het huidige wetstraject wordt vertraagd? Zijn de voorbereidingen voor statiegeld op blikjes al dusdanig dat automaten ook voorbereid zijn op het innemen van blik voor het geval dat gaat komen? Mevrouw Kröger vroeg dat net ook in een interruptie. Dan is er niet weer een heel apart traject voor het bedrijfsleven nodig. Kan de Staatssecretaris daar wat over zeggen?

Dat nu inmiddels drie van de vier coalitiepartijen statiegeld op blikjes willen, beschouwen wij als enorme winst. Welkom bij de club, zou ik dan ook willen zeggen. Maar die overwinning is niet alleen van ons. Die is vooral ook van mensen die zich buiten de Kamer heel hard hebben ingezet voor uitbreiding van het statiegeldsysteem. Ik noem The Plastic Soup Surfer, Merijn Tinga en de Zwerfinator, Stichting GoClean De Liemers, de Statiegeldalliantie en vele anderen. Die wil ik hierbij feliciteren met hun inzet en overwinning.

Dan een ander onderwerp waarover we het nog lang niet eens zijn met het kabinet, namelijk biomassa. De Staatssecretaris schrijft in haar brief van 4 juli dat dit kabinet volop inzet op duurzame biomassa. Maar er is helemaal niks duurzaam aan het kappen en verbranden van bomen. Honderden wetenschappers schreven een noodkreet aan het Europees Parlement. Andere wetenschappers noemen het een ramp voor het klimaat, zoals net al werd gezegd. De gemeente Diemen en buurgemeenten willen het niet. Heel veel mensen in Arnhem komen in actie tegen de biomassacentrale. Niemand die het wil, bij wijze van spreken, behalve dit kabinet, maar toch gaat het allemaal door. Hoe kan dit? Ik wil dat de Staatssecretaris daarop reageert. Vindt de Staatssecretaris net als haar collega Wiebes dat wetenschappers maar zo veel beweren en zo veel zeggen? Of hecht zij wel waarde aan wat de wetenschap zegt? Daarbovenop komt nog dat de overheid hier miljarden subsidie aan geeft. Wat ons betreft moet het subsidiëren van biomassacentrales onmiddellijk stoppen. Die centrales moeten er helemaal niet komen. Wat kan de Staatssecretaris hierover zeggen? Hoe stoppen we deze waanzin?

Voorzitter. Dan de afvalimport en de importheffingen daarop. Die juichen wij toe. Die maken in ieder geval de import van afval uit het buitenland even duur als Nederlands afval. Dat zou de PVV toch heel erg moeten aanspreken, denk ik. Het probleem hierbij is dat we hele woonwijken hebben aangesloten op afvalcentrales. Uit de hoorzitting, die mede door de heer Wassenberg en de heer Von Martels is georganiseerd, bleek ook dat duurzame alternatieven daarvoor eigenlijk niet direct voorhanden zijn. Ik wil heel open van deze Staatssecretaris horen wat de plannen daarvoor zijn, en hoe we woonwijken kunnen afkoppelen van die afvalcentrales en toch kunnen koppelen aan duurzame energie. Op welke termijn kan dat? Kan de Staatssecretaris daar iets meer over zeggen?

Dan specifiek over AEB in Amsterdam.

De voorzitter:

Ik wil u vragen tot een afronding te komen.

De heer Laçin (SP):

Ik heb nog één kort punt hierna, voorzitter.

De voorzitter:

Heel kort.

De heer Laçin (SP):

De problemen bij AEB. Er is een tekort ontstaan aan opslagruimte voor bijvoorbeeld rioolzuiveringsslib. Dat is tijdelijk opgeslagen in Delfzijl en Terneuzen, maar dit vraagt om een definitieve oplossing. Kan de Staatssecretaris daarover wat zeggen?

Dan het allerlaatste punt: kunstgras en de recycling daarvan. Ik heb in een vorig debat ook al aandacht gevraagd hiervoor. De Staatssecretaris zei toen dat er initiatieven zijn om tot recycling in Nederland te komen. We zijn nu een jaar verder na de brand in Dongen, bij Tuf, en er is eigenlijk nog steeds niks. Wanneer gaat die capaciteit er komen en wanneer gaan we ophouden met tijdelijk opslaan en exporteren? Wanneer gaan we dat gewoon hier in Nederland regelen?

De voorzitter:

Dank u wel. Ik wil het woord geven aan de heer Wassenberg. Ga uw gang.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de Staatssecretaris voor haar brief over statiegeld. Zij vindt dat de stijging van het aantal flesjes in het milieu niet zonder consequenties kan blijven en wil dus geen uitstel van de invoering van het statiegeld. Dat is echt een compliment waard. Omdat de sector geen actieplan krijgt opgesteld voor blikjes, gaat de Staatssecretaris met eigen maatregelen komen. Het is goed om te zien dat daarmee een einde komt aan jarenlang meestribbelen; het zou alleen voor ons net nog iets sneller kunnen. Dat is goed nieuws. Ik sluit me overigens aan bij de woorden van de heer Laçin, die een compliment gaf aan de Plastic Soup Surfer en aan de Zwerfinator. Ik wil daar nog Recycling Netwerk Benelux aan toevoegen.

Voorzitter. Over de invoering van statiegeld op blikjes heb ik nog wel een paar vragen, want het is van belang dat daar duidelijkheid over komt; de heer Laçin en mevrouw Kröger hebben daar ook aandacht aan besteed. Want ook als het een gefaseerde invoering betreft, moeten er nog wat vragen worden beantwoord. Het is duurder om eerst een systeem op te zetten voor plastic flesjes, dat dan later moet worden aangepast voor blik. Je kunt dan beter een systeem bedenken dat meteen alvast de potentie heeft om ook blik in te zamelen. Zou de Staatssecretaris kunnen aangeven hoe zij de invoering van statiegeld op blik voor zich ziet?

Dat werpt ook de vraag op wat we gaan doen met afval waar géén statiegeld op zit, want afgelopen week konden we lezen dat in Nederland jaarlijks 26 miljard – een miljard is 1.000 miljoen – plastic verpakkingen worden verbruikt. Dat neemt alleen maar toe. Graag hoor ik van de Staatssecretaris hoe zij dit veelkoppige plasticmonster gaat verslaan.

Voorzitter. Dan mijn tweede onderwerp. Nog een compliment, en daar laat ik het bij, want je moet de Staatssecretaris ook niet overvoeren met complimenten. De Staatssecretaris kondigde een importplafond aan toen de verbrandingscapaciteit in Nederland tekortschoot. Er komt nu ook een importheffing waardoor het verbranden van buitenlands afval niet langer goedkoper is dan het verbranden van Nederlands afval. Ik hoop dat die importheffing recycling verder aanjaagt – dat is volgens mij ook de bedoeling – en dat die voorkomt dat Nederland het afvalputje van Europa wordt, ook om te voorkomen dat we voor de komende decennia ons vastketenen aan verbranding van afval voor onze warmtevoorziening. De heer Laçin sprak daar ook al over. Dat is de gevreesde lock-in. Laat ik dat akelige woord hier maar een keer gebruiken.

Voorzitter. Dan wou ik nog iets zeggen over de duurzaamheidskaders voor biomassa. Daarover is de Partij voor de Dieren uiterst kritisch. Fijn ook dat de ChristenUnie nu erg kritisch is. Er is nog niets van te merken dat de regering biomassa zo beperkt mogelijk in wil zetten, want het wordt nu al overvraagd, en we staan nog maar aan het begin van die verduurzamingsopgave. Het hele gebruik van biomassa leunt op internationale politieke afspraken dat we die uitstoot niet meerekenen, maar het zijn geen wetenschappelijke afspraken. Dat zijn politieke afspraken. Het is een soort papieren werkelijkheid. Die uitstoot ligt in werkelijkheid namelijk veel hoger dan bij het verstoken van kolen. Recentelijk kwamen de Europese academies voor wetenschappen met een publicatie die stelde dat het verstoken van biomassa niet alleen een verspilling van gemeenschapsgeld is, maar dat het het behalen van de klimaatdoelstellingen in de weg zit. Graag een reactie van de Staatssecretaris op die publicatie in relatie tot haar alinea over de veronderstelde klimaatneutraliteit van biomassa.

Een vraag is nog wat de Staatssecretaris verder onderneemt op het gebied van luchtkwaliteit, want met het massaal verstoken van biomassa en biobrandstoffen gaat de luchtkwaliteit, die nog altijd niet aan de EU-normen voldoet, waarschijnlijk sterk achteruit. Hoe gaat de Staatssecretaris dat voorkomen?

De Staatssecretaris onderneemt ook een onderzoek naar het draagvlak voor het duurzaamheidskader. Dat snap ik niet heel goed, want volgens mij moeten alleen inhoudelijke redenen aan de basis staan van een duurzaamheidskader. Als je gaat zoeken naar draagvlak voordat zo'n kader er is, dan zet je deur open voor marchanderen en voor ongewenste invloeden. We zagen dat al eerder bij de hele statiegelddiscussie. We zagen waar dat toe leidt: tot jarenlang uitstel en al die tijd een groei van de problemen.

Voorzitter. Voor de Partij voor de Dieren is het verbranden van biomassa niet duurzaam.

De voorzitter:

De heer Von Martels heeft, voordat dat punt wordt afgemaakt, een interruptie op, denk ik, het vorige punt. Ga uw gang.

De heer Von Martels (CDA):

De heer Wassenberg komt indirect nogal op voor de bomen en voor de bossen. Nou is de constatering dat in Nederland de afgelopen jaren enorme ontbossing heeft plaatsgevonden. Dat komt met name doordat heel veel Natura 2000-gebieden omgezet zijn in kwetsbare natuur. Er is dus 38% ontbossing in Nederland. Wat vindt de heer Wassenberg daar eigenlijk van?

De heer Wassenberg (PvdD):

De Partij voor de Dieren vindt dat de natuurgebieden in Nederland flink moeten worden uitgebreid. De weg daarnaartoe is niet door bomen te kappen en bossen om te vormen, maar door op een andere manier gebieden te kopen die je kunt omvormen voor natuur. Bomen kappen en bossen vernietigen is nooit de goede weg naar meer natuur in Nederland. We moeten meer natuur hebben, want we zitten nu op 30%. Dat is veel te weinig. We zijn daarmee echt de hekkensluiter in Europa. Dus graag meer natuur, ook kwetsbare natuur, ook heidegebieden bijvoorbeeld, maar niet ten koste van het bosareaal, want dat is er al te weinig.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Ik ben blij dat we op hetzelfde spoor zitten. Maar welke mogelijkheden ziet de heer Wassenberg dan om inderdaad te voorkomen dat bossen in Natura 2000-gebieden worden omgezet in kwetsbare natuur? Welk stokje kunnen we daarvoor steken?

De heer Wassenberg (PvdD):

We hebben ook een hele discussie over de PAS waaruit blijkt dat bij kwetsbare natuurgebieden veehouderijen zullen moeten wijken. Je zou kunnen kijken of je de gebieden die dan vrijkomen – dat kunnen grote gebieden zijn – kunt betrekken bij de natuur. Er zijn mogelijkheden zat om te zorgen dat de kwetsbare natuur in Nederland versterkt wordt. Het areaal moet worden uitgebreid, maar, zoals ik zei, niet ten koste van bomen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Wassenberg (PvdD):

Ik wilde nog wat vragen over biomassa. Dat is dus niet duurzaam. Om richting te geven aan het gebruik van biomassa, wil het kabinet zo hoogwaardig mogelijke toepassingen, door middel van die zogenaamde cascadering. Kort gezegd: als je een boom kapt, kun je er beter planken of meubels van maken dan houtkorrels voor de kolencentrale. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe zij dat gaat regelen? Want zowel nationaal als internationaal weten we dat Nederland zwaar leunt op biomassa en nog zwaarder gaat leunen op de import van houtkorrels, bijvoorbeeld uit de Baltische staten of uit Amerika. Dan koop je op een open markt houtkorrels en je koopt er geen planken of meubels. Hoe gaat de Staatssecretaris zorgen dat de bomen die daar gekapt worden, hoogwaardiger benut worden?

Voorzitter, mijn allerlaatste punt. Ik wil nog iets weten over mijn aangenomen motie over het regelmatig informeren van de Kamer rondom vraag en aanbod van biomassa. De Staatssecretaris stelt dat het PBL met een jaarlijkse rapportage gaat komen. Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer wij de eerste rapportage kunnen verwachten?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Van mij een inbreng met een heleboel vragen, waarschuw ik alvast. Ik wil met plastics beginnen. Iedereen schrikt van de groeiende berg plastics, met name in verpakkingen. In de Verpakkingsrichtlijn is vastgelegd dat er zo min mogelijk verpakkingsmateriaal gebruikt moet worden: de essentiële eisen. Maar helaas zijn er ontsnappingsclausules. Wat is de beleidsvrijheid om deze richtlijn beter handhaafbaar te maken voor Nederland? Is de Staatssecretaris bereid om in het Besluit beheer verpakkingen de doelstelling voor recyclen te verhogen, zodat we ook al die partijen die nu niet in het Plastic Pact zitten, in beweging krijgen? Wil zij normering met een oplopend percentage recyclaat overwegen? Kunnen we producenten verplichten tot recyclebaar verpakkingsmateriaal? Zouden we de bewijslast kunnen omdraaien, waarbij je moet kunnen aantonen dat een verpakking hoogwaardig te verwerken is? Waarom exporteren we toch nog steeds zo veel plastic afval naar Azië, in plaats van het zelf goed te verwerken? De Staatssecretaris schrijft dat dit onwenselijk is, maar hoe gaat ze het voorkomen en hoe houden we er zicht op dat dit afval in Azië daadwerkelijk wordt gerecycled zolang het daar nog heengaat? Waar ligt de bewijslast?

Dan een volgend onderwerp: zeer zorgwekkende stoffen in afval. Bij het onderzoek naar de afvalstroom van Chemours zien we toch echt dat we hier veel en veel meer grip op moeten krijgen. Bedrijven zouden in principe op grond van hun zorgplicht moeten rapporteren over ZZS-stoffen in afval, dat lezen we ook in LAP3, maar dit gebeurt in de praktijk niet. Hoe zit het bijvoorbeeld met PFAS-stoffen in afgedankte kleding of in de bodemas bij de vuilverbranding? Hoe houden we ZZS-stoffen in beeld na gebruik en vooral bij hergebruik van afval als secundaire grondstof? Ik vraag de Staatssecretaris om speciale aandacht voor dit onderwerp, speciaal voor bioaccumulerende persistente stoffen zoals PFAS in afvalstromen.

Dan het statiegelddossier. Ik ben heel erg blij dat de Staatssecretaris vaart wil maken met statiegeld op plastic flesjes. Er lijkt eindelijk ook politieke ruimte te zijn voor statiegeld op blik. Dat is heel goed nieuws. Waarom kan dat niet gelijk worden ingevoerd met het statiegeld op plastic flesjes? Op z'n minst kan bij het invoeren van statiegeld op plastic flesjes al rekening worden gehouden met het toevoegen van blik, zodat we niet dubbel werk hoeven te doen. Ik wil echt voorkomen dat de industrie de hele productie omschakelt naar blik en dan weer twintig jaar gaat dwarsliggen.

Dan de financiering in circulaire economie. Een veelgehoorde zorg, ook bij Duurzame Dinsdag, is dat het moeilijk is voor innovatieve bedrijven om een activiteit met een hoog risico gefinancierd te krijgen door bijvoorbeeld banken. We horen ook dat er onduidelijkheid is over financiering door Invest-NL. Kan de Staatssecretaris ons verzekeren dat Invest-NL juist bedoeld is voor mkb'ers in de circulaire economie? Hoe maken we dat makkelijk toegankelijk?

Ik ben heel blij dat de textielindustrie hoog op de politieke agenda staat. Hoe staat het met het onderzoek naar vernietiging van onverkochte goederen dat vorig jaar is toegezegd? De fast fashion is een risico-industrie en de online retail ook. Heel graag hoor ik hoe dit wordt aangepakt.

De doelstelling in het sectorplan is 20% gerecyclede fibers in 2030, maar dat is niet in lijn met de doelstellingen van de Staatssecretaris voor de circulaire economie. Dat moet echt hoger en dat hoop ik hier ook van de Staatssecretaris te horen. Een verplichte uitgebreide producentenverantwoordelijkheid lijkt ons cruciaal om deze doelen te halen. Producenten moeten verantwoordelijk worden voor het inzamelen en hoogwaardig verwerken van al dat textiel. Dat zou bijvoorbeeld goed in winkels kunnen. Nu lijkt dat ingewikkeld te zijn en is een ontheffing van dat inzamelverbod wellicht nodig. Is dat een optie? Een andere mogelijkheid is dat mensen oude textiel terug kunnen geven aan de pakketbezorger die een nieuw kledingstuk komt brengen. Goede ideeën te over volgens mij.

Ten slotte een onderwerp dat ik vandaag liever niet had behandeld, namelijk het duurzaamheidskader biomassa, een groot onderwerp wat mij betreft. Ik onderstreep de vraag die door collega Dik-Faber is gesteld naar de noodzaak om meer wetenschappers met een brede ecologische achtergrond, bijvoorbeeld van de Europese KNAW, te betrekken bij de studie naar die duurzaamheidscriteria. Staat de Staatssecretaris daarvoor open? We begrijpen ook dat er een doorrekening zou zijn van de klimaatwinst van biomassa en van de kosten daarvan. Wanneer kunnen we deze doorrekening verwachten?

Dan kijk ik naar de voorzitter om te zien of er nog een beetje tijd is.

De voorzitter:

Ik moet u vragen om tot een afronding te komen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dan heb ik een allerallerlaatste vraag, die gaat over duurzaam aanbesteden. De overheid kan een ongelofelijke macht en kracht zijn met duurzaam aanbesteden, maar dat blijkt in de praktijk nog onvoldoende een rol te spelen. Hoe gaan we dit bevorderen? Hoe gaan we circulariteit echt belonen bij aanbesteden? Heel graag een reactie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Ziengs.

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter, dank u wel. We hebben al een paar keer een algemeen overleg gehad over circulaire economie. Dat wordt vaak helemaal ingevuld met allerlei teksten over statiegeld op flesjes of blikjes, dus daar wilde ik maar niet mee beginnen. Ik wilde beginnen met het LAP3 en dan wil ik vaststellen dat als we gaan naar een circulaire economie, storten altijd nodig blijft. Hoe je het ook wendt of keert, er wordt uiteindelijk ook afval verbrandt en het residu zal dan nog giftiger zijn dan het residu dat tegenwoordig gestort wordt.

In dit geval wil ik de Staatssecretaris wijzen op een kwestie in Groningen. Er is destijds onder LAP3 met de sanering van alle voorafgaande stortplaatsen, dus onder LAP1 en LAP2, een fout gemaakt op het ministerie, waarbij de capaciteit die over was in Veendam er in Groningen niet bijgeplust is. Ik zie de Staatssecretaris al schudden, maar ik wil toch dat deze zaak verhelderd wordt, want volgens het stuk dat mij is toegestuurd, zijn er in 2015 meermaals toezeggingen gedaan dat die ruimte beschikbaar wordt gesteld. Daar komt bij dat de provincie Groningen anders met het afval op stap moet. Dat zou heel veel kilometers kosten, want in de omliggende provincies willen ze het ook niet. Wellicht kan de Staatssecretaris mij daar antwoord op geven.

Mijn tweede punt is dat in Duitsland een exportverbod voor plastic aangekondigd is, zoals ook door mevrouw Kröger is genoemd. De Staatssecretaris gaf aan er toch een halt moet worden toegeroepen aan export naar Azië en dergelijke. Het bijzondere is dat we kunnen vaststellen dat een groot gedeelte van het plastic naar Duitsland gaat, daar kennelijk rechtstreeks in een zogenaamde mix belandt en dan alsnog in Maleisië, Indonesië, Thailand en Vietnam terechtkomt. Wie zitten we nou voor de gek te houden? Mijn concrete vraag is of we kunnen kijken, als er een Duits exportverbod ingesteld gaat worden, of dat ons gaat raken. Zijn we daarop voorbereid? Dan kunnen we dat in ieder geval circulair maken.

Mijn derde punt is de kwaliteit van de inzameling van het afval. Dat heb ik al eerder aan de orde gesteld. We zien dat al die wethouders rode koontjes krijgen als ze merken dat er steeds minder restafval ingezameld wordt. Een keer in de maand wordt dat spul nog een keer opgehaald. Wat voor effect zien we dat dat heeft? Dat de groene containers gevuld worden met groen afval, met daarin dapper verstopt luiers, en weet ik veel. Je ziet dat de hoeveelheid compost die destijds geproduceerd werd, afneemt in plaats van toeneemt, terwijl het groenafval wel meer opgehaald wordt, dus dat is een hele verkeerde prikkel. Ik heb deze vraag al eerder gesteld: zou het niet beter zijn om recyclingdoelstellingen voor gemeentes te benoemen in aanvulling op de bestaande restafvaldoelstelling? Ik heb anders de indruk dat we elkaar stevig voor de gek houden.

Als het gaat om de milieuheffing hebben we ons altijd op het standpunt gesteld: gelijke monniken, gelijke kappen. Ook mij kwam ter ore dat de maatregel gekoppeld was aan een CO2-doelstelling. Ik heb de indruk gekregen dat die nooit met de branche besproken is, maar wellicht kan de Staatssecretaris mij daarover duidelijkheid verschaffen. Ik begreep ook dat de branche een onderzoek heeft laten doen door PwC. De heer Von Martels heeft daarover ook het een en ander gezegd. Ik vraag me dan af of er een ander effect zou zijn als dat spul uiteindelijk toch in het buitenland gestort zou worden. Ik wil daar graag wat helderheid over van de Staatssecretaris. Het is prima dat we de kas proberen te spekken met een bedrag, maar het moet ook helder zijn dat de daaraan ten grondslag liggende doelstelling daarmee ook gediend wordt.

Ik moet snelheid maken. In een vorig debat heb ik iets gevraagd over WEEELABEX-certificering van het shredderen van materiaal, waar grote bedrijven wel aan kunnen voldoen en kleine bedrijven vaak niet. De Staatssecretaris heeft in het antwoord aangegeven dat het wel meevalt en dat er mogelijkheden zijn voor ontheffing. Ik wil graag weten wat die mogelijkheden voor ontheffing zijn, zodat die kleine bedrijven dat wel degelijk kunnen doen, want uit de branche krijgen we een ander geluid.

Ik kreeg net een stuk over matrassen aangereikt vanuit het publiek. Ik had het niet gelezen, maar wellicht kan de Staatssecretaris ons per brief informeren over de stand van zaken, want ik begrijp dat er een fantastisch vrijwillig initiatief is om dit op te lossen. Overigens heb ik ook begrepen dat dit geldt voor de luierbranche. Kan de Staatssecretaris daarover iets zeggen of ons per brief informeren?

Ik houd het hierbij, voorzitter.

De voorzitter:

Meer tijd was er ook niet. Dank u wel. Ik schors de vergadering tot 18.10 uur, maar dan zijn we er ook allemaal, dus dan gaan we uit van 18.07 uur en om 18.10 uur beginnen we weer.

De vergadering wordt van 17.52 uur tot 18.10 uur geschorst.

De voorzitter:

Goedenavond. Ik stel voor om verder te gaan. Welkom aan de mensen die er ook na de break bij zijn. Dat geldt niet voor collega Laçin, maar wij weten heel zeker dat zijn medewerkers meekijken, meeschrijven, et cetera. Hij is zeer benieuwd naar de beantwoording. Ik wil beginnen en de Staatssecretaris het woord geven voor haar eerste termijn. Qua interrupties wil ik, ook gezien de tijd, voorstellen om te starten met één interruptie en een vervolg, en dan nog een interruptie en weer een vervolg, in plaats van vier losse interrupties. Meestal gaat het in deze groep heel goed. Ik zie de heer Ziengs, die er niet altijd bij is, kritisch kijken. U heeft een opmerking?

De heer Ziengs (VVD):

Nee, nee, ik ben het er volstrekt mee eens, maar die lijn heb ik eerder hier ook ingezet. De heer Laçin had nog een halve interruptie over, omdat we iets meer ruimte gaven om de streepjes snel weg te werken. Maar het is inderdaad normaal om twee keer een interruptie te doen, met een vervolg. Zo doe ik het ook altijd. Dank.

De voorzitter:

Ik zal niet veel zeggen over de heer Laçin en zijn interruptiestrategie, want hij is er nu niet bij. Maar het gaat er vooral om dat we één interruptie doen en dan direct een vervolg. We sparen dus niet. Anders moeten wij een kasboek bijhouden. Bovendien duurt het dan ook allemaal veel langer. Graag ook een korte aanloop en een snelle vraag. Ik geef het woord aan de Staatssecretaris. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter. Zoals altijd in dit volle AO, met veel deelnemers en veel interessante onderwerpen, zijn er een hoop vragen gesteld. Ik heb het ingedeeld in een aantal mapjes. Daar wil ik de Kamerleden even in meenemen. Ik begin met de aanpak van flessen en blik in zwerfafval. Dan de afvalstoffenheffing en de relatie die werd gelegd met het Urgendavonnis. Dan het AEB. Vervolgens de Taskforce Herijking Afvalstoffen en andere afvalstoffenregelgeving. Dan biomassa, textiel, recyclingdoelstellingen en verpakkingen. Dan hebben we ook altijd nog een mapje overig of algemeen. Daar komen alle andere vragen, onder andere die over de matrassen, in terug.

Voorzitter. De aanpak van flessen en blik in het zwerfafval is een onderwerp dat lang en uitgebreid besproken is in deze Kamer. Twee jaar geleden hebben we gezegd dat we die plastic flesjes gaan aanpakken, linksom of rechtsom. We zetten het doel voorop, niet het middel. We hebben ook gemonitord in hoeverre de doelstelling die we met elkaar hebben gesteld, binnen bereik komt. In het bestuurlijk overleg van 11 september hebben we moeten vaststellen dat de huidige meetcijfers van RWS een stijgende lijn laten zien in plaats van een dalende lijn. Er resteert echt nog een aanzienlijke afstand tot het beoogde doel voor plastic flessen. Die ontwikkeling baart mij zorgen. De metingen over de tweede helft van 2019 zullen duidelijk maken of het doel redelijkerwijs wel of niet zal worden gehaald.

Dan was er zo'n tussenvraagje: waarom hakken we nu niet meteen de knoop door? Als je een afspraak hebt gemaakt en met elkaar een soort tijdpad hebt uitgezet, loop je dat ook af, vind ik. Het bedrijfsleven heeft een heel onderzoek uitgevoerd naar de inrichting en implementatie van een statiegeldsysteem. Dat was ook onderdeel van de afspraken. Dat heeft het netjes gedaan. Ik heb ook een review laten uitvoeren op dat onderzoek. Die concludeert dat het voorstel van het bedrijfsleven grondig is onderzocht. Dat onderzoek laat zien dat er één jaar nodig is voor de implementatie van het statiegeldsysteem. Daarom hebben we in overleg met het bedrijfsleven gezegd dat we gewoon eerder de knoop moeten doorhakken, zodat die implementatie ook zorgvuldig kan plaatsvinden. We handhaven het afgesproken tijdpad, conform de afspraken. We volgen dus netjes de afspraken die we met elkaar hebben gemaakt. Die leiden er op dit moment toe dat we de knoop eerder zullen doorhakken. Dat doen we volgend voorjaar. Dat over de flesjes.

Dan de blikjes. Meteen vanaf het begin heeft de Kamer duidelijk uitgesproken – en ik heb dat zelf ook altijd duidelijk gezegd – dat blikjes net zo min als plastic flesjes in de natuur horen. De motie-Dik-Faber, die denk ik al zeker een jaar oud is, vraagt om een actieplan en een reductiepercentage voor blik in 2020. Dat was ook een verzoek aan zowel de VNG als aan het verpakkende bedrijfsleven, zeg ik er even bij. Beide partijen werden gevraagd om daaraan een bijdrage te leveren. Ik heb daar dus ook in de verschillende bestuurlijke overleggen met deze partijen op aangedrongen. Uiteindelijk is het niet van zo'n actieplan gekomen, omdat beide partijen er de voorkeur aan geven om blik mee te laten lopen in de brede aanpak van zwerfafval. Want naast blik en flesjes hebben we natuurlijk ook nog ander zwerfafval. De partijen willen een en ander dus liever meenemen in de brede aanpak. Maar de meetcijfers van RWS laten zien dat de huidige inzet op blik geen neerwaartse trend met zich meebrengt. We hebben dus die brede aanpak, maar die levert voor blik niet op wat we willen. Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling.

Daarom heb ik in het afgelopen bestuurlijke overleg aangegeven dat ik maatregelen ga nemen om de reductie van blikjes in het zwerfafval zeker te stellen. Daar heb ik u over geïnformeerd in een brief. In deze brief aan de Kamer zeg ik dat ik verschillende maatregelen zal bekijken, waaronder ook wettelijke maatregelen. Ik proef ongeduld hier in de Kamer en dat ongeduld deel ik. Ik hoor aan de andere kant vandaag niet de vraag om statiegeld meteen in te voeren. Ik hoor wel de vraag om het meteen uit te werken. Dat is wat ik hoor. Ik ga dat dan ook doen. Ik denk dat de kosten en de uitvoeringsvraagstukken ook snel in kaart gebracht moeten worden.

De voorzitter:

Ik zie een interruptie van de heer Ziengs. Gaat uw gang.

De heer Ziengs (VVD):

Is het niet heel erg bijzonder dat, ik meen, 80% van de gemeenten, van de VNG, dat statiegeldalliantiedocument heeft ondertekend en dat die gemeenten vervolgens kennelijk aangeven dat ze het willen laten meelopen in een brede aanpak van zwerfafval? Ik weet niet helemaal of het de juiste zin is, maar eigenlijk laat je daarmee de slager zijn eigen vlees een beetje mee keuren. Ik weet niet of dat hierop van toepassing is, maar ik vind het wel heel erg vreemd. Hoe kijkt de Staatssecretaris ertegen aan dat een partij, 80% van de gemeenten, heel nadrukkelijk aangeeft dat zij gewoon statiegeld wil, maar vervolgens nog een doelstelling voor dat zwerfafval moet halen en daar ook aan mee moet werken? De signalen zijn voor mij redelijk helder dat ze dan op dat moment niet al te veel meer doen aan dat soort acties.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

De realiteit is dat zowel het bedrijfsleven als de gemeenten nodig zijn als partners om het aantal blikjes in het zwerfafval tegen te gaan. Daarom snap ik heel goed dat in de motie van de Kamer beide partijen zijn opgeroepen om mee te werken zodat, net als bij de flesjes, linksom of rechtsom dat doel gehaald wordt, namelijk dat we ook op blikjes een reductiepercentage laten zien. We moeten ook niet ontkennen dat er weinig voortgang is geweest. Dat is precies de reden waarom ik in mijn brief heb gezet dat we dan toch naar andere maatregelen moeten kijken. Dat de gemeenten zich in groten getale achter de Statiegeldalliantie hebben geschaard, heeft daarin meegespeeld, denk ik. Voor het milieu betekent het dat die blikjes er liggen. Voor ons allemaal betekent dit dat we niet datgene bereiken wat we willen bereiken. Daarom heb ik in mijn brief gezegd dat we naar andere maatregelen gaan kijken.

Ik hoor vandaag in de Kamer: werk in die context ook statiegeld voor blikjes uit. Ik ga verschillende dingen uitwerken, dus ik ga dit ook uitwerken, als dat het verzoek van de Kamer is. Ik denk dat er nog een aantal uitvoeringsvraagstukken aan zitten. Daar kom ik nog wat specifieker op terug. Het is ook goed om die uitgewerkt te hebben. Dat was mijn antwoord op de vraag van de heer Ziengs.

De voorzitter:

Dat leidt toch tot een korte vervolgvraag. Gaat uw gang.

De heer Ziengs (VVD):

Daar moet u wel op rekenen, voorzitter. Kennelijk, zo kun je constateren, wordt zo'n partij ook geraadpleegd. Die heeft vervolgens ook een verantwoordelijkheid, voor het plaatsen van vuilnisbakken dan wel voor het handhaven. Daar heb ik het in het verleden ook over gehad. Maar ik heb niet echt de indruk dat daar veel actie in ondernomen is. Ik snap dat ook wel, want met onwillige honden is het slecht hazen vangen. Ik gooi er nog maar weer een spreekwoord in. Als 80% van die gemeenten heeft gezegd dat zij statiegeld willen, gaan zij natuurlijk niet meewerken met andere plannen op dat gebied. Is de Staatssecretaris dat met me eens?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik kan alleen maar constateren dat er in de afgelopen jaren inderdaad niks is gebeurd. In de bestuurlijke overleggen heb ik dat soort voorstellen ook nog een keer gedaan, ook op de punten die de heer Ziengs nu naar voren brengt. Vanuit het ministerie hebben we gekeken welke ondersteuning we nog kunnen bieden, bijvoorbeeld bij de handhaving. Wanneer kun je een bestuurlijke boete wel toepassen en wanneer niet? Om allerlei redenen is de uitvoering van de motie zoals die door de Kamer is neergelegd, namelijk om de VNG en het bedrijfsleven te vragen om samen met een plan te komen, niet gelukt. Ik denk dat de ondertekening van een andere beleidsrichting door de gemeenten daarin heeft meegespeeld. Dan moeten wij met elkaar constateren wat daarvan het resultaat is. Met een vrijwillig plan komt er dus geen reductie in blik. Dat betekent dat we andere maatregelen zullen moeten treffen. Ik hoor hier in de Kamer ook duidelijk het verzoek om daarbij ook een bepaalde maatregel uit te werken, maar ik hoor ook dat het doel vooropstaat. Ik heb in mijn brief al aangekondigd dat ik maatregelen ga uitbrengen, waaronder wettelijke. Daarbij zal ik deze ook bekijken. Dat is duidelijk het verzoek van de Kamer, hoor ik. We hebben ook allemaal gezien dat dit een verandering is in de verzoeken van de Kamer. Dat heeft de Kamer ook onderling geconstateerd. Volgens mij staat het doel van de motie van een jaar geleden nog steeds overeind, namelijk dat de ontwikkeling voor blik de goede kant op moet gaan. De cijfers laten op dit moment gewoon zien dat dit niet zo is.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Voorzitter. In het kader van de haken en ogen vroeg een aantal leden of dat niet meteen kan worden meegenomen in de regelgeving voor statiegeld op flesjes. Nee, dat kan niet. Blikjes kunnen daar niet meteen in mee, want het voorstel voor flesjes is bijna afgerond. Ik hoop dat 1 januari en uiterlijk 1 april te publiceren. Als blikjes daarin zouden moeten worden meegenomen, dan gaat er grote vertraging optreden in het wetsvoorstel zoals het er nu ligt. Wat er wel voor nodig is, zal ik aan u laten weten in de brief. Ik heb aangegeven dat ik een aantal dingen ga uitwerken. Dit zal ik daarin meenemen. Ik zal in de brief ook terugkomen op de juridische en de kostenkant ervan. Ik zal dan ook het punt van het investeren in automaten meenemen. Een aantal van u heeft daarnaar gevraagd. Er is niemand gebaat, het bedrijfsleven natuurlijk het allerminst, bij een slecht investeringsplan. Op al deze punten kan ik nu niet meer zeggen dan: ik zal er in de brief op terugkomen. Er zitten gewoon een aantal haken en ogen aan en het is goed om die allemaal in kaart te brengen. Voor haken en ogen zijn er ook weer oplossingen. Ik kom in een brief op het geheel terug.

Voorzitter. Ik ga over naar Urgenda en de afvalstoffenheffing. Daar zijn vragen over gesteld, maar ik zie non-verbale bewegingen...

De voorzitter:

Er wordt mij ingefluisterd dat het goed is om te vragen wanneer die brief komt.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik zal me daar even op moeten beraden. De Kamer doet hier vandaag een duidelijke oproep. Ik zal een inschatting moeten maken van hoeveel tijd dat kost. We spreken elkaar morgen bij de begroting. Laat ik proberen dan een inschatting te geven.

De voorzitter:

Dank u wel.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Voorzitter. Dan Urgenda en de afvalstoffenheffing op buitenlands afval. Onder anderen de heren Ziengs en Von Martels hebben daar vragen over gesteld. Het Nederlands afval dat in Nederland wordt verbrand of gestort, wordt belast via de afvalstoffenbelasting. Wat je recyclet, blijft buiten die heffing. Alleen al het hebben van die belasting, is een stimulans voor recycling. Het maakt recycling relatief gezien aantrekkelijk en daar willen we natuurlijk naartoe, want we hebben met elkaar de doelstellingen voor de circulaire economie gedefinieerd.

Wat apart is, is dat buitenlands afval dat hier wordt verbrand, een uitzondering heeft op die heffing. Dat trekken we met deze maatregel gelijk. Het is logisch dat we dat gelijktrekken, want de CO2-uitstoot en de andere vervuiling die gepaard gaat met verbranding, vindt dan ook hier in Nederland plaats. Waarom zou je een Engelse vuilniszak, die hetzelfde effect heeft, een korting geven? Dat is wat hier speelt. Mevrouw Dik-Faber zei dat we ongeveer 2 megaton importeren. Waarom zou je een korting geven op geïmporteerde CO2-uitstoot? Dat is de vraag die hier voorligt.

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van de heer Van Aalst. Ga uw gang.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik heb het idee dat de Staatssecretaris de helft van het verhaal vertelt. Misschien dat de andere kant nog komt, maar de heer Von Martels en ik gaven al aan – volgens mij zijn er meerdere partijen die er zo in staan – dat het een gekke situatie is. Ik ben bij Twence in Hengelo geweest. Het is een fantastisch mooi verhaal. Het gaat er aan de ene kant in en aan de andere kant levert het CO2 voor de tuinbouw op en energie voor hele grote bedrijven in de omgeving en voor gemeenten met hun stadsverwarming. Als ze dat niet hadden, dan zou dat betekenen dat ze daar fossiele brandstof voor zouden moeten verstoken. Wij hebben minder moeite met fossiele brandstof, maar deze Staatssecretaris pleit om dat minder te gaan doen. Ik vind het mooi dat we enerzijds iets roepen tegen al die tonnen CO2-uitstoot die we meenemen, maar anderzijds besparen we heel veel. Volgens mij is dat vele malen meer dan andersom.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Het is een trap die ik met u af wilde lopen. Deze aspecten komen erin terug. Natuurlijk moet je, als je een warmtenet hebt dat is aangesloten op de verbranding van huishoudelijk afval, in de winst die je jezelf toerekent rekening houden met de eventuele inzet van andere brandstoffen. Dat moet je allemaal meerekenen om uiteindelijk tot een nettowinst te komen. Ook dit soort stukjes van de puzzel zijn reëel. Blijft de vraag of je tot het einde der tijden, als je naar een circulaire economie toe wil, kunt blijven inzetten op de verbranding van grondstoffen als de primaire bron voor de verwarming van je huis. Dan zul je ook daar op een gegeven moment naar een alternatief toe moeten. Je kunt mensen natuurlijk niet in de kou laten zitten. Voor die tussenperiode moet het dus een rol spelen.

Blijft de vraag: waarom zou je die Engelse vuilniszak een korting geven als je die Nederlandse vuilniszak die korting niet geeft? Waar het afval ook vandaan komt, we vinden allemaal dat we zo veel mogelijk grondstoffen moeten recyclen. Het gelijktrekken van die heffing zorgt ervoor dat ook voor dat buitenlandse afval die recycling op orde gaat komen. We moeten ons realiseren dat we met die import van dat buitenlandse afval CO2 importeren, maar ook NOx-uitstoot en bodemas. Ongeveer 25% à 30% van alles wat we importeren blijft in Nederland achter als bodemassen. Het is dus de uitstoot, maar ook letterlijk de asla van de verbrandingsinstallatie die we daarmee importeren. Dan geven we buitenlands afval dus een korting ten opzichte van Nederlands afval. Wat doen we? Met deze maatregel trekken we die korting in en wordt het in gelijke mate belast. Als je alle andere punten meeweegt waaraan de heer Van Aalst refereerde, maar ook de heren Ziengs en Von Martels, dan levert het nog steeds een netto CO2-winst op.

Daarnaast willen we er natuurlijk voor zorgen dat er inderdaad meer gerecycled wordt. Als onderdeel van het Urgendapakket trekken we 80 miljoen uit voor het stimuleren van allerlei maatregelen om ook recycling te verbeteren. We helpen de sector bij het verbeteren van de recycling, waardoor we meer grondstoffen buiten die verbrandingsoven houden. Dat is wat we hier ook allemaal willen.

Ten slotte, het vonnis van de rechter in de Urgendazaak zegt dat de CO2-uitstoot op Nederlands grondgebied gereduceerd moet worden. Als het oordeel van de rechter niet zo was, dan had het kabinet in reactie op het vonnis van de rechter eventueel andere maatregelen kunnen betrekken bij de lijst van het halen van de doelstelling. Maar de rechter zei expliciet: het gaat om reductie op Nederlands grondgebied. Dat betekent dat je met die import van afval in één keer het halen van die doelstelling moeilijker maakt. Het punt van de heer Von Martels was: er is een Urgendalijst met 40 maatregelen en daar staat deze niet op. De organisatie Urgenda heeft aan het kabinet een lijst met suggesties overhandigd voor het halen van de doelstelling van Urgenda. Daar staan ook dingen op als: verbied het eten van vlees één dag in de week, verlaag de maximumsnelheid, haal een deel van de veestapel weg. Het kabinet heeft die lijst natuurlijk niet overgenomen, maar heeft zelf een pakket samengesteld. Als onderdeel van dat pakket wordt de korting op de Engelse vuilniszak geschrapt. Zo zit die hele trap in elkaar.

Daarnaast moeten we voor de toekomst gaan inzetten op meer recycling. Daar steken we ook geld in. We moeten er ook voor zorgen dat er op de lange termijn alternatieven komen voor die warmtenetten, zodat we een lock-in voorkomen.

Voorzitter. Het was nogal een complex verhaal, maar ik hoop er een heel aantal vragen mee te hebben beantwoord.

De voorzitter:

Ik ook. Ik vermoed dat er al een stukje van de voorbereide antwoorden in zat. Maar de heer Van Aalst heeft toch nog een korte vervolgvraag.

De heer Van Aalst (PVV):

Het was een heel lang antwoord van de Staatssecretaris op mijn eerste vraag. Ik kom tot de conclusie dat de hoeveelheid afval niet afneemt. Er is een importheffing, maar de afvalverwerking heeft overcapaciteit en gaat het afval toch wel halen. Ze gaan het geld betalen. Uiteindelijk gaat het dus ten koste van de belastingbetaler. Als ze het niet ophalen, wordt het afval elders gestort, wat nog slechter is. Dat zou deze Staatssecretaris ook niet moeten aanspreken. Door het invoeren van de diftar zijn alle stromen alleen maar vervuilder zijn geworden. Ze leveren alleen maar meer ellende op bij al die afvalverwerkingscentrales. Dus het enige wat ik constateer, is dat het beleid dat de Staatssecretaris voorstaat alleen maar negatieve dingen oproept. Je gooit er aan de ene kant afval in en aan de andere kant komen er energie en CO2 voor de tuinbouw uit. Circulairder wordt het volgens mij niet. Is de Staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Het is een hele zak met vragen tegelijk. Ik constateer dat de heer Van Aalst graag de korting op een buitenlandse vuilniszak wil handhaven. Dat is niet het beleid van dit kabinet. Wij willen recycling stimuleren. Wij willen veel liever dat grondstoffen niet eenmalig verbrand worden en dan omgezet worden in energie, maar dat ze worden hergebruikt. Dat is echt de circulaire economie in tegenstelling tot de lineaire economie, waarin je grondstoffen verbrandt, waardoor je eenmalig energie hebt, maar dan ben je ze wel kwijt.

De voorzitter:

De heer Van Aalst houdt zijn vinger bij de knop, maar ik denk dat het antwoord was dat de Staatssecretaris het niet met de heer Van Aalst eens is. Dit begint te raken aan een tweede interruptie.

De heer Van Aalst (PVV):

Dat klopt, die ga ik ook inzetten. Ik constateer dat de Staatssecretaris over een utopie spreekt waarin het afval minder wordt. Ik ben er geweest en ik zie dat de afvalstroom alleen maar groter wordt. Dat komt doordat de economie beter draait en er meer geconsumeerd wordt. Een situatie waarin afval minder wordt, is absoluut niet aan de orde. De utopie dat we zo meteen geen afval meer hebben en niet meer hoeven te verbranden, is echt totaal onjuist. Het klopt gewoon niet. Ik wil dat de Staatssecretaris dat in die zin even rechtzet. Als we al iets willen met inzameling... Ik noemde al de diftar. Het worden alleen maar vervuilder stromen. De stromen zijn nog nooit zo slecht en vervuild geweest, dus het kan steeds minder gerecycled worden. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat het ingezette beleid eigenlijk helemaal niet werkt?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik hoor dat de heer Van Aalst en ik het eigenlijk met elkaar eens zijn dat het goed zou zijn als we hoogwaardiger weten te recyclen. We weten ook allebei dat daar nog uitdagingen zijn. Maar als dat ons gezamenlijke doel is, om eigenlijk meer grondstoffen hoogwaardig te hergebruiken, dan moet je dus vooral inzetten op zoveel mogelijk scheiden. We zullen nog een hele tijd een restfractie hebben die we moeten verbranden. Laten we hopen dat die steeds kleiner wordt omdat we steeds meer grondstoffen uit de vuilniszak weten te halen voordat het restje dan nog de verbrandingsoven in gaat en om te zorgen dat we die materialen ook hoogwaardig kunnen hergebruiken. Ik vind het fijn om te constateren dat ik met de heer Van Aalst op deze positieve noot kan afsluiten.

De voorzitter:

Maar die heeft misschien nog een vervolgvraag, dus ik weet niet of dat het geval is. Ga uw gang.

De heer Van Aalst (PVV):

Volgens mij moest ik van u interrupties in tweeën afmaken, dus ik ben gebonden aan deze interruptie.

De voorzitter:

Zeker. Maar het hoeft niet!

De heer Van Aalst (PVV):

Het hoeft niet, maar ik laat hem niet voorbijgaan. Ik constateer gewoon dat mensen best willen scheiden. Alleen, wat we nu doen is allerlei dingen opleggen. Dat leidt op dit moment alleen maar juist tot vervuilde stromen. Dat betekent dat er minder uit gerecycled kan worden door die afvalcentrales. We constateren dat van het plastic slechts 20% hergebruikt kan worden. Dus ik vind het allemaal mooi dat de Staatssecretaris allerlei maatregelen wil invoeren, maar volgens mij moeten we nu constateren dat bijvoorbeeld de diftar alleen maar leidt tot overlast in wijken, want het is één grote pleurisbende. Het levert qua recycling niets op, want die stromen worden alleen maar meer vervuild. Dus ik vraag nogmaals aan de Staatssecretaris of zij bereid is om dit soort vormen van inzameling tegen te gaan.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

De heer Van Aalst zegt: we zouden eigenlijk al die stromen hoogwaardig willen gebruiken maar er zijn nu nog uitvoeringsproblemen. Als we met elkaar nu eens goed gaan kijken naar die uitvoeringsproblemen, zal ik niet zeggen dat ik ze allemaal deel zoals de heer Van Aalst het nu opsomt. Maar er zijn zeker uitvoeringsproblemen. We hebben ook nog een hele weg te gaan naar die totale circulaire economie. Daarvoor moeten we nog heel veel met elkaar doen; we kunnen ook maar van zoveel plastic bermpaaltjes maken. We willen naar hoogwaardig hergebruik zodat je van plastic echt hoogwaardige nieuwe producten kunt maken. Het is ook mooi om te zien dat er bedrijven zijn in Nederland die daar heel veel innovatie op zetten en die daarvoor hele mooie, nieuwe bedrijven opstarten. Dus ik signaleer met de heer Van Aalst dat we echt nog een lange weg te gaan hebben. Maar ik signaleer ook dat er heel veel bedrijven zijn die hele mooie kansen bieden en dat dit een goede ontwikkeling is voor de Nederlandse economie.

De voorzitter:

De heer Von Martels heeft een interruptie.

De heer Von Martels (CDA):

Is dit blokje voorbij? Ik wacht even tot de Staatssecretaris klaar is met dit onderwerp. Dan kan ik daarna de vraag stellen.

De voorzitter:

Ja, meneer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Dan kan ik in één zin bijna doorgaan; hartelijk dank. Het gaat nog even over dat rapport, over die onderbouwing van die 0,2. Ik zei al tijdens mijn eerste inbreng dat er ook een ander rapport van PwC verschenen. Hoe verhouden die rapporten zich tot elkaar en kunnen wij ook inzage krijgen in met name het rapport van het ministerie?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik weet dat er een uitgebreider antwoord is, maar ik zeg even uit mijn hoofd dat het uiteraard is doorgerekend. Ik geloof dat het verschil tussen het rapport van de afvalsector en het rapport van het ministerie was dat zij uitgingen van een andere hoeveelheid biogene fractie, dus dat wil zeggen biomassa die in dat afval zou zitten. Het andere rapport was van PricewaterhouseCoopers. Wij hebben Rijkswaterstaat laten kijken naar de specifieke samenstelling van de afvalstromen, afkomstig uit het buitenland die hier worden verbrand. Het fossiele aandeel in het buitenlandse afval blijkt veel groter dan in het Nederlandse afval. Daaruit blijkt dat buitenlandse afvalstromen veel minder goed gescheiden worden aangeleverd dan Nederlands afval. Het Nederlandse afval heeft een biogeen deel – daar kom ik aan bij de biomassa – van gemiddeld ongeveer 63%, terwijl buitenlands afval een biogeen deel heeft van gemiddeld 57%. Voor het biogene afval geldt de discussie of biomassa nou wel of niet CO2-neutraal is; dus dat doet iets met de winst die je boekt. In de berekeningen van PricewaterhouseCoopers is met het gemiddelde voor Nederlands afval gerekend. Daarom valt de besparing in de berekeningen van PwC lager uit. Maar de berekening die wij hebben gemaakt is dus gebaseerd op de daadwerkelijke samenstelling van dat afval, dat dus minder biogeen is dan het Nederlandse afval.

De voorzitter:

Dat leidt toch nog tot een vervolgvraag.

De heer Von Martels (CDA):

Ja. We concentreren ons nu heel erg op de CO2-uitstoot, maar is er is ook nog zoiets als methaanemissie. Dat schijnt nogal sterk te verhogen als we door die importheffing daartoe overgaan. Hoe is het met de methaanemissie gesteld?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Er zijn twee dingen. Als we vinden dat wij alle verantwoordelijkheid van het VK moeten overnemen, dan is er nog wel meer afval dat we kunnen gaan importeren. Gelukkig heeft ook het Verenigd Koninkrijk duidelijke doelstellingen waar het gaat om de klimaatemissies. Dus ook het Verenigd Koninkrijk zal zowel op het punt van de methaanemissies, afvalscheiding en dergelijke een heel duidelijke eigen agenda moeten opstellen. In de context van de Urgenda-uitspraak zijn wij eraan gebonden om op Nederlands grondgebied de reductie teweeg te brengen. Nogmaals, als die uitspraak anders in elkaar had gezeten, had dat ook weer tot andere keuzemogelijkheden geleid in de maatregelen die we daarvoor kunnen opnemen. Blijft dat het gelijktrekken, dus het schrappen van de korting op buitenlands afval, gewoon betekent dat we ook dat afval op een goeie manier gaan scheiden. Er is dus een prikkel om ook dat afval dan goed te scheiden en alleen het echte restafval te verbranden. Dat is precies de richting die we met elkaar op willen; vandaar het schrappen van die korting op dat buitenlandse afval. Waarom zouden we die laten bestaan als dat daarnaast ook nog eens leidt tot die CO2-reductie op Nederlands grondgebied en ook nog kan voorkomen dat desnoods Nederlands afval ergens gestort zou worden wanneer onverhoopt af en toe een krapte ontstaat op de verbrandingsmarkt.

Voorzitter, dan kan ik naadloos...

De voorzitter:

Voordat we dat gaan doen zag ik nog een interruptie van de heer Ziengs

De heer Ziengs (VVD):

Ik ga mijn tweede interruptie daarvoor gebruiken, want in tweede termijn probeer ik op de rest nog wat te reageren. Ik was inderdaad wat verrast dat die uitspraak van Urgenda zich verhield tot een reductie op Nederlands afval verbranden op Nederlands grondgebied; tenminste, zo heb ik het begrepen. Maar misschien hoor ik zo dadelijk wel van de Staatssecretaris of het anders is. Voor mij was het iedere keer de doelstelling die daar gesteld werd, met de hoeveelheid 0,2 huppeldepup-ton CO2-uitstoot. Dat was het uiteindelijke doel en daar was deze maatregel eigenlijk voor bedoeld. Want economisch gezien zou je kunnen veronderstellen dat hetgeen wat uit Engeland komt natuurlijk een langere keten heeft en daardoor ook andere kosten met zich meebrengt, en dat daardoor de maatregel – waarvan ik overigens altijd verondersteld heb dat die een gelijk speelveld creëerde – misschien ook wel een ongelijk speelveld creëerde. De recyclingsector heeft volgens mij in het begin ook behoorlijk bij mij op de deur geklopt, zo van: moeten we dit wel gaan doen? Want straks hebben we geen materiaal meer dat we kunnen recyclen; straks gaan ze in het buitenland dit soort dingen bouwen en dan gaan ze daar de boel verbranden. Het geval dat door de heer Van Aalst aangehaald werd, veronderstelt ook dat in Duitsland juist het recyclen is toegenomen doordat het restafval naar Enschede toe kon om daar verbrand te worden en vervolgens weer nut had. Dus ik raak wat verward in de complexiteit van al deze factoren. Om te voorkomen dat we straks denken dat het alleen maar een belastingmaatregel is, wil ik toch wel graag weten of het echt doelmatig is.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dat zijn natuurlijk van alle leden heel terechte vragen. Wat is het doel van deze maatregel en waar komt die vandaan? We beginnen met de Urgenda- uitspraak: Nederland moet op Nederlands grondgebied CO2reduceren. Wat is dan het eerste waar je naar gaat kijken? Dat is de CO2die je op dit moment op dagelijkse basis aan het importeren bent vanuit het buitenland. Dat is dus onder andere dat afval dat wij importeren.

Ik weet dat wij er een discussie over hebben gehad, ook in de Kamer. Als wij België zouden moeten helpen in de context van hun energievoorziening door een gascentrale in Nederland aan te zetten, dan betekent dat extra uitstoot op Nederlands grondgebied. Dat wordt dan wel spannend met de Urgenda- doelstelling, die ons verplicht om op Nederlands grondgebied die CO2te reduceren. Dát is zoals de uitspraak van de rechter is.

Dan gaan we alle maatregelen af en dan zien we dat er op dit moment afval vanuit het buitenland naar Nederland wordt gebracht om hier te worden verbrand, wat hier tot uitstoot leidt. En dat dat ook nog eens gebeurt doordat dat afval een korting krijgt op de verbrandingsheffing die wél geldt voor Nederlands afval. Die verbrandingsheffing is een stimulans om te gaan scheiden en recyclen. Dat is precies wat wij willen.

Dus waarom zou je een vuilniszak uit Engeland een korting geven waardoor die prikkel wegvalt om ook dat afval goed te scheiden? Het gaat dan om bijna een kwart van het afval in Nederland. Waarom zou je een kwart van dat afval niet gescheiden de verbrandingsoven in laten gaan? Door het gelijktrekken van die prikkel wordt ook dat afval beter gescheiden. Dat draagt dus bij aan de richting die we in willen, naar die circulaire economie.

We helpen de sector daar ook bij, want er is 80 miljoen beschikbaar in de context van datzelfde Urgendavonnis om maatregelen te nemen om tot een meer circulaire economie te komen. Dus we kunnen structureel de verwerking van dit afval verbeteren en een CO2-opbrengst in Nederland realiseren.

Om ook nog even in te gaan op het storten in het buitenland, het wordt ook niet zomaar zo makkelijk in het buitenland meteen gestort. Want in het VK wordt momenteel een belasting van ruim 90 per ton afval geheven. Dus het is nog steeds heel erg duur, ook om het daar te storten. Dus bij de vraag of het daar dan meteen op de stortbelt gaat kun je flinke vraagtekens zetten. Maar als het hiernaartoe komt, is het gelijktrekken van die prikkel in ieder geval een reden waarom ook dit afval goed gescheiden zal worden, en dat is precies wat we willen.

De voorzitter:

Een kort vervolg.

De heer Ziengs (VVD):

Ja, het wordt een hele korte vraag. Hoe verhoudt dit zich tot het Europees recht? Want ik kreeg signalen dat dat kennelijk niet zou mogen, omdat daar verdragen over zijn, maar ik ben er niet goed in thuis. Wellicht kan de Staatssecretaris mij daarover wat opheldering verschaffen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Als er hele specifieke juridische vragen gesteld worden, is het altijd belangrijk om die ook zorgvuldig juridisch te beantwoorden.

De heer Ziengs (VVD):

Dat is heel verstandig.

De voorzitter:

Dat is misschien iets voor de tweede termijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik kom er zo meteen even op terug, zodat ik precies kan aangeven hoe daarnaar gekeken is, want het is natuurlijk gecheckt.

De heer Ziengs (VVD):

Dat mag later ook.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Prima, daar komen we dan op terug. Uiteraard moet alles wat we doen ook altijd netjes conform de Europese regels zijn. Daar zorgen we dan ook voor.

De voorzitter:

De Staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Daar komen we ook op bij het volgende onderwerp: AEB. De afgelopen peridode heeft er, als gevolg van het wegvallen van AEB, continu overleg plaatsgevonden tussen de sector, de provincie, het IPO, de gemeente Amsterdam en het ministerie, dat er heel nadrukkelijk bij betrokken is. De situatie bij AEB heeft ertoe geleid dat er in juli, augustus en september Nederlands brandbaar afval is gestort, terwijl er nog buitenlands afval werd geïmporteerd. Als we het hebben over methaanuitstoot: er vond toen dus echt verdringing plaats, waardoor Nederlands afval gestort werd om buitenlands afval te kunnen verbranden. Vanwege deze verdringing van Nederlands afval heb ik een importplafond ingesteld conform het Landelijk Afvalbeheerplan; daarvoor hebben we precies de Europese regels gevolgd, want volgens die regels mag je zoiets doen op het moment dat er sprake is, maar ook alleen zolang er sprake is, van verdringing. Hierdoor is de import van buitenlands afval afgebouwd, waardoor er ruimte is gecreëerd in de Nederlandse AVI's voor de verbranding van het Nederlandse afval. Ik vind het goed dat de betrokken partijen hiermee hun verantwoordelijkheid hebben genomen om onnodig storten te voorkomen en de continuïteit van de afvalinzameling voor burgers en bedrijven te borgen. We hebben dat, denk ik, allemaal goed gevolgd afgelopen zomer.

AEB heeft aan het ministerie laten weten dat de stilgelegde verbrandingslijnen vanaf week 40 stapsgewijs weer in bedrijf worden genomen. Op basis van de monitoringsresultaten heb ik geconcludeerd dat er niet langer sprake is van verdringing. Daarom is het plafond per 9 oktober niet meer van kracht, want volgens Europese regelgeving kun je zo'n plafond instellen als er verdringing is, maar moet je het ook weer opheffen als die verdringing er niet meer is. Dat volgen we dus netjes.

Mevrouw Van Brenk en ook een paar anderen, geloof ik, hebben gevraagd: wat heeft dit nou blootgelegd en hoe komen we nou tot een toekomstbestendig afvalbeheer? Dat vind ik inderdaad een terechte vraag. We hebben het afvalbeheer gedecentraliseerd, maar de casus van AEB heeft ons wel laten zien dat er kwetsbaarheden zitten in het systeem dat we met elkaar hebben gecreëerd. Als systeemverantwoordelijke vind ik het belangrijk om daarnaar te kijken. Naar aanleiding van de situatie bij AEB heb ik gezegd: laten we met elkaar verkennen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om het afvalbeheersysteem op de langere termijn toekomstbestendiger te maken. Ik zal daarbij in het bijzonder ingaan op de risico's op schaarste aan verwerkingscapaciteit, maar ook op calamiteiten en verduurzaming van de afvalketen in zijn geheel. Daarbij zal ik ook kijken naar de prikkels die er op dit moment zijn voor storten en verbranden.

De heer Laçin had een heel specifieke vraag gesteld over rioolzuiveringsslib. Het is aan de waterschappen om een goede verwerking van het slib te verzorgen. De Unie van Waterschappen heeft aangegeven dat de waterschappen momenteel een tekort aan verwerkingscapaciteit hebben om fluctuaties op te vangen. De Minister heeft de waterschappen gevraagd om een plan op te stellen voor een robuuste en duurzame manier om het rwzi-slib te verwerken. De waterschappen zijn hier al mee bezig en zullen hiermee verdergaan. Aan het eind van dit jaar zullen de bestuurders van de waterschappen hierover een beslissing nemen.

Dat waren, denk ik, de vragen over AEB.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De Staatssecretaris geeft aan dat er op dit moment onvoldoende capaciteit is. Dat betekent dat de waterschappen worden opgezadeld met extra kosten omdat ze dat slib moeten opslaan. Dat moet zodanig opgeslagen worden dat de troep niet zomaar wegloopt. Mijn vraag is: voor wiens rekening komen die extra kosten nou?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Die kosten zijn gewoon voor de waterschappen zelf, neem ik aan, tenzij zij daar specifieke contractuele afspraken over hebben gemaakt met de afvalverwerker met wie zij een contract hadden voor het verwerken van dat afval. Maar daar durf ik natuurlijk niet in te kijken.

Overigens zet AEB sinds week 40 weer meer verbrandingslijnen in, waarmee waarschijnlijk ook weer zuiveringsslib van Waternet zal worden verbrand. Daarnaast kijken de waterschappen dus zelf naar een structurele oplossing. Zij hopen daarover voor het eind van het jaar een beslissing te kunnen nemen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik had ook een opmerking gemaakt over de kosten waar de gemeente Amsterdam voor stond. Kan de Staatssecretaris daar nog iets in betekenen? Ik kan me namelijk voorstellen dat de gemeente daar niet op gerekend heeft en dat het ten koste gaat van haar begroting. Is het Rijk daar ook medefinancier voor, of is dat pech voor de gemeente Amsterdam?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Het gemeentelijk afvalbeheer is gemeentelijk afvalbeheer. Elke gemeente kijkt zelf hoe dat wordt ingericht. Amsterdam heeft daarin bepaalde keuzes gemaakt en was ook 100% aandeelhouder van dit bedrijf, dus de consequenties van wat er met zo'n bedrijf gebeurt, zijn ook voor de gemeente zelf. Maar ik begrijp natuurlijk heel goed dat dit een enorme worsteling is voor de gemeente. Dat hebben we ook allemaal kunnen volgen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, ik vervolg mijn betoog met een aantal andere vragen van onder anderen mevrouw Van Brenk en mevrouw Van Eijs over het rapport van de Taskforce Herijking Afvalstoffen. Dat was ook een van de onderdelen van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. Afgelopen donderdag heb ik het eindrapport «Grondstof of afval» mogen ontvangen van de taskforce. Weet je wat mooi was? Toen mevrouw Sorgdrager het mij kwam toelichten, zei ze: we hebben echt heel breed gekeken; we hebben informatie in de praktijk opgehaald en we hebben met heel veel mensen gesproken, dus we hebben het gevoel dat we de zaken nu echt wel zo'n beetje boven water hebben. Dat vond ik heel mooi. Ze zei ook: dat betekent ook dat we erachter zijn gekomen dat het niet altijd een kwestie is van knellende regelgeving, maar soms ook van een gebrek aan kennis over wat er wel en niet kan. Daar refereerde mevrouw Van Brenk ook aan. Ze zei er ook bij dat het heel soms, wanneer we het even niet meer weten, een mantra is dat gebruikt wordt: het ligt aan de regelgeving. Maar waar ligt het nou precies aan? Dat er knelpunten zijn, is waar, maar die komen niet altijd door de regelgeving; soms knelt het door een gebrek aan toepassing of kennis van de regelgeving. Het was dus eigenlijk een oproep om niet alleen met de regelgevingsknelpunten, maar ook met andere knelpunten, zoals een gebrek aan kennis, aan de slag te gaan.

Ik wil heel graag mijn waardering uitspreken voor het rapport. Er is bij ik geloof wel 50 vertegenwoordigers van overheden, brancheorganisaties en bedrijven informatie opgehaald. De taskforce constateert een aantal dingen: de afvaldefinitie is onduidelijk en men ervaart knelpunten met experimenteerruimte. Daar refereerde mevrouw Van Brenk ook aan. Op basis van het advies zet ik een aantal stappen. Ik verken voor welke stromen het wenselijk is om generiek te regelen dat ze uit het afvalrecht worden gehaald. Daarnaast bekijk ik welk instrumentarium voor welke stroom het meest geschikt is. Soms is dat productregelgeving, soms is dat ministeriële regelgeving voor bijvoorbeeld eindeafval- of bijproductcriteria en soms is dat een handreiking voor de manier waarop je hiermee om moet gaan in deze casus. Waar mogelijk zet ik mij er ook op Europees niveau voor in om de discussie over de afvaldefinitie te blijven voeren. Mevrouw Van Brenk zei: we willen graag tempo, we willen graag haast. Dat willen we allemaal, maar u beseft, zoals u in uw eigen bijdrage aangaf, dat sommige dingen Europees moeten gebeuren. We weten dat dat tijd kost, maar laten we er met elkaar zo veel mogelijk vaart achter zetten. Dat deel ik van harte met mevrouw Van Brenk.

Ik bekijk ook of de ruimte in de huidige en toekomstige juridische kaders om experimenten mogelijk te maken voldoende bekend is en benut wordt, of dat het ergens knelt. Ik zal aanvullende acties die voortvloeien uit het eindrapport, opnemen in de actualisatie van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie. Zo zorgen we ervoor dat al deze punten onderdeel worden van de integrale aanpak en dat we de follow-up daarvan kunnen monitoren. Straks kom ik op één puntje terug. Dat laat alweer zien hoe belangrijk het is dat we dat ook doen.

Mevrouw Van Eijs vroeg of het punt van de knellende regels nu wordt opgepakt. Ja, dat doen we op verschillende manieren. Ondernemers kunnen zich melden bij het loket Ruimte in Regels, maar dat programma loopt af. Ik ga kijken of het versnellingshuis wellicht een rol kan spelen om de loketfunctie te laten voortbestaan. In plaats van een soort algemeen mantra dat de regelgeving knelt, willen we juist snel horen waar men concreet tegen aanloopt, om een concrete oplossing te kunnen bieden voor probleem A of B. Waar dan? Hoe dan? Laten we kijken wat we ermee kunnen doen. Dat doen we dus als onderdeel van het Uitvoeringsprogramma CE.

Dan duurzaam bouwen. De Minister van BZK en ik hebben een brief gestuurd over circulair bouwen waarin we aangeven hoe we de regels aanpassen om circulair bouwen te stimuleren. Dat was een punt van de heer Von Martels, volgens mij. Wij zullen ervoor zorgen dat alle informatie, zoals de beleidslijn in LAP3, rechtsoordelen en de webtoets, goed beschikbaar is via de website van Rijkswaterstaat, inclusief een helpdesk, want soms weten mensen niet waar ze moeten beginnen. De omgevingsdiensten hebben hun eigen digitale kanalen, zoals het kennisnet en Inspectieview Milieu. Dus we zorgen er op allerlei punten voor dat die informatievoorziening op orde is.

De voorzitter:

Ik zie een interruptie van mevrouw Van Brenk. Ga uw gang.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik heb nog een stuk of zes vragen op dit punt. Misschien zit de vraag van mevrouw Van Brenk daar nog bij.

De inzet in Europa. Nederland heeft twee jaar geleden ingezet op het verkrijgen van meer duidelijkheid over de afvaldefinitie, maar andere lidstaten waren hier destijds helaas geen voorstander van. De nieuwe Europese Commissie wil zeker voortgang ten aanzien van de circulaire economie. We zullen ook zeker met de Commissie bespreken of ze in dat kader ook bereid zijn om die Kaderrichtlijn afvalstoffen ten aanzien van de afvaldefinitie aan te passen. Die besprekingen gaan we dus aan. Ik heb onlangs in mijn gesprek met Frans Timmermans al aangegeven dat een herziening van die afvaldefinitie belangrijk is, omdat de onduidelijkheid erover een belemmering vormt voor de circulaire economie. Daarnaast blijf ik inzetten op het geven van meer duidelijkheid over de toepassing van die afvaldefinitie, via Make it Work en het internationale IMPEL-netwerk.

Overigens spreekt de taskforce natuurlijk niet alleen mij aan, maar ook andere partijen. Daarom is dat rijksbrede programma, met al die partners erbij, zo belangrijk. Voor sommige dingen staan we namelijk ook echt samen aan de lat om het op te pakken. Die oproep ondersteun ik van harte. Ik zal met die andere partijen zeker gewoon aan de slag gaan.

Over het Versnellingshuis heb ik volgens mij al iets gezegd.

Ik kom nu bij een paar vragen die wel betrekking hebben op afval, maar niet op het rapport van de taskforce. Misschien kunnen we dan nu naar mevrouw Van Brenk om even te kijken of zij nog een openstaande vraag heeft.

De voorzitter:

Dat heeft ze. Ga uw gang.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik ben gewoon blij om te horen dat het Versnellingshuis blijft. Dat is belangrijk.

Maar ik had ook nog heel specifiek gevraagd of er nu centrale regie komt vanuit de Staatssecretaris. Ik vind het altijd zorgelijk als er onduidelijkheid is over wie het bevoegd gezag is en wie er over de handhaving en dergelijke gaat. Dat zijn zaken die volgens mij niet lang kunnen wachten. Ik ben dus blij dat u de toezegging heeft gedaan dat we dingen monitoren en dat we dan de stand van zaken weten, maar ik denk dat dit zaken zijn die wél heel snel geregeld moeten worden.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik denk dat ik met de hele totstandkoming van het Rijksbrede programma Circulaire Economie heb laten zien dat ik absoluut de regie voer op de opschaling, versnelling en structurering van de ontwikkeling van de circulaire economie in Nederland. Wij hebben daarin heel veel pijlers met allemaal acties. Ik ben degene die er voor de rijksoverheid als geheel op stuurt dat we die acties ook allemaal nakomen. Van al die acties die we moeten doen, zijn een aantal punten meer horizontaal. Dan gaat het over monitoring, waarvoor we het PBL nu van alles laten opzetten. Voorts betreft het financiering, en de opzetting van het Versnellingshuis. Voor wat betreft regelgeving heeft de taskforce nu een belangrijk rapport neergelegd.

Het onderwerp «vergunningverlening en handhaving» is precies een van de knelpunten die de taskforce ook signaleert. De kwestie daarbij is niet alleen dat het knelt, maar ook dat mensen niet weten hoe ze ermee om moeten gaan. Daarbij moeten we dus aan kennisontwikkeling doen.

Kennisontwikkeling is ook een onderdeel van een andere discussie, die ik ook nog graag een keer met u voer, namelijk de discussie over het VTH-stelsel. Als je kijkt naar hoe het hele stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving op dit moment in elkaar zit, dan is kennis daarin natuurlijk ook ontzettend belangrijk om op de juiste manier vergunningen te kunnen verlenen, toe te kunnen zien en te kunnen handhaven. Dat doen we niet allemaal op nationaal niveau, want de omgevingsdiensten hebben daar ook een belangrijke rol in. Aan de ene kant kan dat in het beheersen van de risico's een aandachtspunt zijn, maar dat kan ook zo zijn in het pakken van de kansen. Want iemand die een vergunning moet verlenen, moet wel weten welke ruimte hij heeft. Nou, met rechtsoordelen en dergelijke kunnen we daar als ministerie vaak een rol in spelen. Ook via het Versnellingshuis kunnen we daar een bepaalde rol in spelen. Ik heb nu een heel aantal punten genoemd, maar het is volgens mij sowieso een thema waar we het met elkaar nog eens een keertje over moeten hebben. Ook daarover kom ik zeker met een brief richting uw Kamer.

Dan...

De voorzitter:

Ik zie een interruptie van mevrouw Van Eijs. Ga uw gang.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Qua regelgeving vind ik het goed om te horen dat er waarschijnlijk veel meer ruimte in het systeem zit dan we nu denken of in ieder geval meer dan nu het beeld is. Maar ik kom ook veel initiatiefnemers of ondernemers tegen die zeggen: ik loop hierop stuk en ik kan niet vinden waar ik het kan regelen. Daarnaast ken ik ook een wethouder, toch ook niet van de kleinste gemeente van Nederland, die blijkbaar ook niet de ruimte ziet in de regels zoals ze er nu zijn. Dat baart mij toch wel zorgen. Blijkbaar kan er dus veel meer, maar mensen weten ofwel niet waar ze de informatie kunnen vinden, ofwel er circuleert verkeerde informatie. Ik zoek dus toch wel een beetje naar een manier waarop we die drempels en muurtjes gaan slopen om ervoor te zorgen dat je bijvoorbeeld gewoon lokaal gekapte bomen kan toepassen in een lokale aanbesteding. Of denk aan die rare regels voor wormen. Op een gegeven moment moet gewoon duidelijk worden dat die niet gelden. Dat soort dingen bedoel ik. Nu lukt het niet. Dus mijn vraag is eigenlijk: hoe gaan we dat echt doorbreken?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Veel van de milieuwetgeving die we hebben, is bedacht voor een lineaire economie. Dat past dus gewoon niet automatisch bij een circulaire economie. Niet alle wetgeving is al helemaal toegerust op circulaire economie. Daarom kijken we structureel ook steeds met elkaar naar waar het knelt. En als het ergens evident knelt, dan kunnen we inzetten op een aanpassing van regelgeving. Soms moet dat Europees. Dan kost dat tijd et cetera, maar er kan op heel veel plekken ook iets wél. Dat betreft de toepassing van regelgeving. Dan is het punt dat ik net met mevrouw Van Brenk besprak belangrijk, namelijk dat we ervoor zorgen dat de kennis over wat er wel kan, makkelijk te ontsluiten is. Het Versnellingshuis hebben we natuurlijk juist ook ingezet om dat soort knelpunten waar mensen tegenaan lopen, op tafel te krijgen en dan te kijken waar het knelt. Is het de regelgeving? Is het de financiering? Wat is er nou voor nodig om dingen los te trekken? De websites die ik u heb genoemd, zijn natuurlijk ook ontzettend belangrijk. Bij Rijkswaterstaat is er een hele goede, toegankelijke website, waar ook heel veel kennis op staat. Er is ook een helpdesk. Je gaat namelijk niet altijd naar het Versnellinghuis. Sommige dingen zijn gewoon een kwestie van: hoe moet ik dit aanpakken en waar moet ik zijn? Die helpdesk helpt dan ook. De omgevingsdiensten hebben ook hun digitale kanalen. Er is ook het kennisnet en Inspectieview Milieu. Dat zijn allemaal instrumenten die we kunnen inzetten om de boel los te trekken. Dat hoor ik namelijk heel duidelijk in het pleidooi van mevrouw Van Eijs: laten we alsjeblieft geen dingen onnodig laten stranden. Die oproep deel ik. We zullen dit dus ook als aandachtspunt meenemen in dat bestuurlijke overleg, ook naar aanleiding van het rapport van de taskforce, over het uitvoeringsprogramma circulaire economie. Alle partners zitten daarbij. Dan kunnen we met elkaar kijken of iedereen doorheeft welke rol hij of zij kan spelen om voor al die ondernemers en al die mensen met goede plannen de maximale ruimte op te zoeken. Het blijft zo dat er altijd dingen zullen zijn die op dit moment niet kunnen met de regelgeving zoals die er nu is. Nou, dan komen we met elkaar bij de afweging: vinden we dat de regelgeving moet worden aangepast, of niet?

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijs heeft een korte vervolgvraag.

Mevrouw Van Eijs (D66):

De Staatssecretaris geeft een aantal stukjes van de puzzel: de website van Rijkswaterstaat, de helpdesk, het Versnellinghuis et cetera. Ik kan me voorstellen dat we bestuurlijk iedereen nog wel bij elkaar aan tafel kunnen krijgen. Dan zeg je tegen iedereen: kijk, we hebben dit, we hebben dat, we hebben zus en zo, dus hiermee kun je aan de slag. Maar er zijn natuurlijk heel veel mensen in Nederland die helemaal niet zijn aangehaakt bij de overheid, en die dit al helemaal niet volgen – dat kan ik overigens begrijpen. Dan is het toch een beetje de vraag hoe je al die professionals goed kunt bereiken. Ik denk dus dat het ook goed is om aandacht te besteden... Ik was bijvoorbeeld donderdagavond in Eindhoven in het Fair Fashion Café. Daar zei ik: ja, Versnellingshuis! Dan krijg je allemaal blanco blikken. Niemand kent dat. Dan denk ik: ik zeg wel dat je daarnaartoe moet. Dat denk ik dan. Dus ik zou willen dat het op de een of andere manier toch veel vanzelfsprekender wordt dat er zo'n ingangspunt is waarover mensen zeggen: o ja, ik wil iets circulairs, dus dan moet ik daar zijn. Dus niet alleen bestuurlijk.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik snap het punt van mevrouw Van Eijs heel goed. We zouden het liefst hebben dat iedereen meteen weet waar men moet zijn en dat er één loket is voor alles. Dat blijft altijd een soort struggle. Maar ik zie het aandachtspunt heel duidelijk, dus laten we kijken hoe we het met elkaar zo helder mogelijk kunnen maken. Ik zal zeker ook het bestuurlijk overleg benutten om te kijken hoe we er nou voor kunnen zorgen dat mensen die iets willen, zo makkelijk mogelijk op de plek komen waar ze moeten zijn. Daar kunnen we ook samen aan bijdragen. Ik zou dus zeggen: spread the word over het Versnellinghuis en over de site van RVO Nederland, maar ook over de site van Rijkswaterstaat. Daar is ontzettend veel kennis te vinden. Maar ik zal na deze oproep van mevrouw Van Eijs ook in dat bestuurlijk overleg met al die partners ook heel specifiek dat punt van die complexiteit, oftewel of men weet waar men moet zijn en hoe we dat zo makkelijk mogelijk maken, als apart aandachtspunt nog eens bespreken.

De voorzitter:

Dank u wel. U vervolgt uw betoog, maar niet voordat... O, het was een schijnbeweging van mevrouw Kröger! Het hoeft niet.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Ik weet even niet hoe het zit met alle vragen over ZZS-stoffen in afval. Komt dat allemaal nog?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dat komt allemaal nog, ja.

De heer Von Martels vroeg: burgers vinden afvalscheiding lastig, dus hoe kan dit worden verbeterd? We werken met het bedrijfsleven en de gemeentelijke afvalbedrijven aan nieuwe afspraken voor de raamovereenkomst. Het doel daarvan is inderdaad eenduidigheid. Daarin wordt pmd de standaard. Ik denk dat dat toe te juichen is, omdat de burger dan niet al te lang hoeft na te denken over wat waarin moet. Aan de andere kant weten we met elkaar natuurlijk ook dat we in de kwestie voor- en nascheiding ook gemeentelijke ruimte hebben, omdat er gewoon een groot verschil is tussen verschillende gemeenten. Maar we werken toe naar eenduidigheid over pmd.

Meneer Van Aalst vroeg ook nog wat IenW doet aan afval op het ministerie. Het doel van de rijksoverheid is 35% restafval in 2020. Daarom doen we ook aan afvalscheiding op het ministerie. Ik nodig de heer Van Aalst graag een keer uit om de afvalbakken te komen bekijken. Daarnaast printen we zo min mogelijk. We hebben ook allemaal water en glazen flessen op tafel staan. Ik heb u ook al eerder laten weten dat we single-use plastics eruit halen bij de catering op het ministerie. Ik geloof dat dat voor het eind van het jaar geregeld is.

De heer Ziengs had nog een vraag over Groningen en de stortcapaciteit. Ik heb hier inderdaad ook al een aantal keren contact over gehad met Groningen. We hebben sinds 2002 een moratorium als hoeksteen van ons afvalbeleid, namelijk dat je eigenlijk niet meer zou moeten storten. We hebben dus met elkaar afgesproken dat we de stortcapaciteit niet meer zouden uitbreiden. De stortcapaciteit die de heer Ziengs bedoelt, is bij LAP1 niet opgevoerd en valt dus niet binnen de ruimte die er in het moratorium is geboden. Dat moratorium zei eigenlijk: we zien met elkaar dat er voor Nederland als geheel op basis van deze, deze en deze locaties voldoende ruimte is. Daarbij is er bij het moratorium ook van uitgegaan dat dit niet altijd, tot het einde der tijden, zou betekenen dat iedereen zijn eigen plaatsen had, maar dat er gezamenlijk voor Nederland voldoende capaciteit zou zijn. Andere partijen hebben op basis van dat moratorium investeringen gedaan in de stortplaatsen die er wél onder vallen. Dat kunnen we dus niet zomaar aanpassen. Wij hebben vernomen dat de stortplaats in Groningen overgenomen wordt of is door een partij met stortcapaciteit op de plank, dus dat er voor Groningen stortcapaciteit beschikbaar zou zijn. Dat is de laatste informatie die ik hierover heb, zeg ik tegen de heer Ziengs. Maar we zijn met Groningen daarover in overleg, dus de problematiek is bekend.

Voorzitter, dan biomassa. Er zijn veel vragen gesteld, maar ik ga proberen om daar recht aan te doen en toch ook tempo in de beantwoording te houden. Biomassa is voor een belangrijk gedeelte ook de portefeuille van mijn collega van EZK, dus ik zal u op een aantal punten op hoofdlijnen een antwoord geven. Voor de rest, waar het gaat om de energie-inzet, is het zoals u ook allemaal weet echt het beleid van de collega. Ik ben verantwoordelijk voor het duurzaamheidskader biomassa. Waarom hebben we nou, als onderdeel van het Klimaatakkoord, besloten om tot dat biomassakader te komen? Dat komt doordat we zien dat vanuit heel veel pijlers van het Klimaatakkoord een beroep wordt gedaan op biomassa. Tegelijkertijd realiseren we ons ook dat de hoeveelheid biomassa die duurzaam beschikbaar is, beperkt is. Daarom is het dus belangrijk om de vraag over de hele breedte van het Klimaatakkoord goed in beeld te hebben en criteria te hebben die ook over de breedte van het Klimaatakkoord kunnen worden benut. Biomassa is van belang voor bijvoorbeeld biotische reststromen, als grondstoffen voor de chemie. Voor biobrandstoffen wordt er een beroep op gedaan, en er wordt een beroep op gedaan voor de energievoorziening. We zien dus in de breedte dat daar een beroep op wordt gedaan. Daarom hebben we als kabinet gezegd dat er een duurzaamheidskader moet komen. Duurzame productie en herkomst van de biomassa, de randvoorwaarden daarvan, moeten goed geborgd zijn. Voor zover duurzaamheid nog niet wettelijk is geregeld, komt er daarom dus het duurzaamheidskader. Die actie is opgenomen in het Klimaatakkoord. PBL en het bureau dat duurzaamheidscriteria opstelt, zijn aan de gang, conform de actie uit het Klimaatakkoord. Het rapport over de criteria komt eind dit jaar en de beschouwingen van PBL eind januari 2020. Deze rapporten zijn weer input voor het SER-traject. Het SER-traject zal dan met een voorstel komen voor zo'n kader. Ik heb u daarover geïnformeerd in de biomassabrief die ik recent gestuurd heb.

Mevrouw Dik-Faber vroeg hoe we omgaan met de daadwerkelijke emissies. Op basis van mondiale en Europese afspraken geldt dat de inzet van biomassa klimaatneutraal is, dus geen CO2-uitstoot. Dat heeft u zelf ook geconstateerd. Sommigen van u stellen daar vragen bij, maar het Europese kader, de Europese regels zijn op dit moment zo dat dat de rekenmethode is. Nederland stelt strenge eisen voor alle biomassa die met overheidsmiddelen wordt gestimuleerd. Als Europese afspraken wijzigen, dan gaan wij daar uiteraard ook in mee. Duidelijk uitgangspunt voor het kabinet is dat aan het verduurzamen van de economie en de klimaatopgave alleen duurzame biomassa bijdraagt. We weten dat dat schaars is. De inzet van duurzame biomassa voor energie geldt op basis van de afspraken in EU- en VN-verband als klimaatneutraal. Nieuwe beschikkingen voor energiecentrales waarbij subsidie wordt gegeven, moeten voldoen aan de huidige, geldende wettelijke duurzaamheidseisen. Deze zijn de strengste ter wereld en hebben onder andere ook betrekking op de koolstofschuld – dat is het punt dat er vertraging optreedt op het moment dat je een boom kapt en een nieuwe boom plant – en indirect landgebruik. Totdat het nieuwe duurzaamheidskader er is, gaat het kabinet terughoudend om met het afgeven van nieuwe subsidiebeschikkingen. Op die manier werpt dat duurzaamheidskader zijn schaduw dus vooruit.

Dan is gevraagd hoe wordt omgegaan met wetenschappers die vraagtekens zetten bij biomassa. Een van u refereerde aan de Europese afspraken en de VN-afspraken als politieke afspraken, maar die zijn natuurlijk ook gemaakt op basis van wetenschappelijke publicaties. De Commissie maakt van allerlei voorstellen die ze doet altijd een impactassessment. De Minister van EZK heeft uw Kamer ook al toegezegd in te gaan op de wetenschappelijke onderbouwing van deze afspraken, dus die kunt u tegemoetzien.

Dan was er nog de vraag of we openstaan voor het betrekken van de wetenschappers die door u genoemd zijn bij het vormgeven van het duurzaamheidskader. Jazeker, en ik zal vragen om het internationale rapport bij de totstandkoming van dat duurzaamheidskader te betrekken.

De heer Wassenberg had nog een vraag over luchtkwaliteit en biomassa. Volgens mij weet de heer Wassenberg ook dat op basis van de evaluatie van de ISDE besloten is dat de stimulering van de kleinschalige verbranding in pelletkachels en kleine installaties komt te vervallen, juist om aan dit punt tegemoet te komen. Waar toepassing van biomassa voor energie leidt tot verslechterde luchtkwaliteit en waar mogelijk, wil het kabinet de emissienormen voor kleine installaties vanaf 2022 aanscherpen, zodat we dan wel de voordelen maar niet de nadelen hebben van de toepassing hiervan.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dat gaat inderdaad om, ik zou bijna zeggen, de kleine gebruiker: de pelletkachels. Dat is prima; dat is al enige winst. Maar het gaat er ook om dat er steeds meer hele grote biomassacentrales komen, waar tientallen vrachtwagens hout per dag naartoe gaan. Die stoten natuurlijk ook heel veel uit. Dat kan voor een deel worden gefilterd, maar de lucht wordt daar niet beter van en dat is ook vaak in gebieden met veel zware industrie. Ik wil weten of daar rekening mee is gehouden, dus niet alleen met kleine installaties, maar vooral ook met de grote installaties, waarvan er steeds meer bij komen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Voor alle industriële installaties zijn er natuurlijk gewoon normen waaraan deze zich moeten houden. Dat geldt dus ook voor die installaties.

De heer Wassenberg (PvdD):

Laat ik de vraag dan anders stellen. Die normen waren er ook allemaal voor de PAS-uitspraak van de Raad van State, dus ik wil weten of het allemaal PAS-proof is, als ik het zo mag noemen. Zoals ik al zei, bevinden ze zich vaak in gebieden waar de luchtkwaliteit sowieso al slecht is. Heeft de PAS-uitspraak hier nog invloed op?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Volgens mij heeft u morgenavond een debat over de PAS – ik hoor net dat het donderdagavond is – dus dat lijkt me de plek om nog eens na te vragen in welke mate dit expliciet is meegenomen in de PAS. In de PAS zijn natuurlijk een heleboel maatregelen tegen het licht gehouden, dus dat lijkt me de gelegenheid om die vraag nog een keer aan de orde te stellen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dan textiel. Als ik de inbreng van de Kamer hoor de laatste tijd, denk ik dat je bijna kunt zeggen dat textiel het nieuwe plastic is. We hebben plastic als eerste grote stroom gezien waarvan we dachten: daar willen we echt met elkaar beweging creëren. We zien dat we ook veel kleding en textiel verspillen. De productie gaat gepaard met het gebruik van veel energie, water en chemicaliën. Ik geloof dat mevrouw Kröger zei dat dit na de olie-industrie de meest vervuilende sector is; of misschien was het mevrouw Dik-Faber die dat aangaf. Het is dus terecht dat mevrouw Dik-Faber daar ook al een tijd aandacht voor heeft gevraagd, net als mevrouw Van Eijs trouwens in dit opzicht.

Veel kleding bereikt de consument niet eens door het systeem van fast fashion. Ik heb allemaal leuke feitjes, maar ik kwam laatst ook het feit tegen dat we de meeste kleding maximaal één week dragen. Zelfs als je dat niet achter elkaar doet, lijkt me dat toch behoorlijk kort. Veel van die kleding wordt gemaakt in landen met een schaarste aan water en onder arbeidsomstandigheden die we hier niet zouden tolereren, dus er ligt hier een flinke voetafdruk, op allerlei manieren. Aan de andere kant zien we dat het steeds moeilijker wordt voor ondernemers in kleding en textiel om te ondernemen. In het mkb – daar refereerde mevrouw Dik-Faber ook al aan – zijn de marges klein en is de druk om steeds een nieuwe collectie te hebben hoog. De transitie naar een duurzame circulaire keten is dus hard nodig, maar ook complex. Dat moeten we eerlijk met elkaar vaststellen. De ketens zijn heel internationaal en grootschalig, en dat maakt het niet per se makkelijk om voortgang te bereiken, maar er zijn wel heel veel initiatieven. Ook hier – daarom ook de analogie met plastic – heb ik het gevoel dat wereldwijd wel het besef begint te ontstaan dat het anders moet en dat we in actie moeten komen. Ik wil mij hard maken voor die transitie naar een circulaire textielsector en daarom kom ik voor het einde van het jaar met een beleidsprogramma. In de brief van 9 oktober heb ik alvast een klein doorkijkje gegeven naar de elementen die daarin terugkomen.

Mevrouw Van Eijs vroeg of er modellen worden ingezet om de duurzaamheid van textiel te meten en te kwantificeren. De meeste cijfers zijn gebaseerd op het onderzoek van FFact uit 2014. Het is natuurlijk belangrijk om bij te houden waar ons textiel terechtkomt om vast te stellen of we de goede kant opgaan. Ik laat deze cijfers dus updaten en verwacht begin volgend jaar de resultaten. Dat is ook belangrijk voor een monitoringssysteem en een EPR-systeem, want dat wil je op een gegeven moment ook gaan monitoren.

Wat doet Nederland precies om een en ander in de EU te versnellen? Wij hebben het geagendeerd en ik blijf hier aandacht voor vragen. We hebben dit ingebracht in de Raadsconclusies. Gelukkig is het voornemen van de Commissie-Von der Leyen om met een nieuw circulaire-economieplan te komen, als onderdeel van de green deal. Dat verwachten we volgend jaar.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of ik mogelijkheden zie om voor meer stoffen dan denim in kaart te brengen wat de mogelijkheden zijn voor het percentage recyclaat. Het streven is om in het voorjaar te komen tot een denimdeal. Het zou mooi zijn als we dat kunnen uitbreiden naar andere stoffen dan denim. We zullen onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Mogelijk kan EPR hierin een rol spelen.

Mevrouw Dik-Faber vroeg ook hoe we het mkb in de textielsector kunnen verleiden om duurzamere keuzes te maken. Onder andere via de 80 miljoen die beschikbaar is voor circulaire economie. Dat biedt allerlei mogelijkheden voor circulaire projecten. We zijn ook aan het kijken hoe we producentenverantwoordelijkheid voor textiel kunnen instellen. Dan wordt door tariefdifferentiatie groen ondernemen gestimuleerd. Aan de andere kant speelt ook de vraagkant een belangrijke rol, dus de consumentenkant. Hierop kom ik terug in het beleidsprogramma.

Is Invest-NL ook voor mkb'ers toegankelijk? Invest-NL is nog niet opgericht. Wel verkent de voorloper van Invest-NL, het NIA, de mogelijkheden om een investeringsplatform voor circulaire economie op te zetten, ook bedoeld voor kleinere projecten.

Mevrouw Kröger vroeg naar het onderzoek naar fast fashion. De resultaten van dit onderzoek komen begin volgend jaar. Dan zal ik de Kamer ook informeren over de aanpak. Wat betreft de doelstelling van het sectorplan: ik heb het net in ontvangst genomen, dus ga ik het eerst even bestuderen, ook in de context van deze complexe keten. Ik kom daar nog op terug. Ik heb er notitie van genomen dat mevrouw Kröger hoopt dat er nog een tandje bij kan.

Mevrouw Kröger vroeg ook nog naar zeer zorgwekkende stoffen, waaronder PFAS, in afgedankte kleding en bodemassen. PFAS zit in tal van producten, onder andere in kleding. Ik laat op basis van de beschikbare kennis over producten met PFAS een overzicht opstellen. Ik zie dat deze vraag in het mapje textiel was beland, maar hij hoort misschien meer thuis bij overig.

Ik beantwoord eerst een vraag over de stand van zaken omtrent het onderzoek naar kleding verbranden. Ik heb hierover met verschillende betrokkenen gesproken. Wij hebben geen concrete aanwijzingen dat het gebeurt, maar willen het toch goed uitgezocht hebben. Goed nieuws is dat op verzoek van verzekeraars nu een platform wordt opgezet om de bedoelde goederen te recyclen, zodat er geen sprake hoeft te zijn van vernietiging. Maar we kijken ook naar de Franse regelgeving. Ik zal kijken wat dat juridisch betekent en of dat eventueel iets is wat we ook in Nederland willen overwegen. Want ik denk dat we het allemaal onzin vinden dat iets wat één keer naar iemand toe is gestuurd vervolgens vernietigd wordt. De verzekeraars, die dat eigenlijk ook niet willen, zijn misschien een mooie steun in de rug. Maar ik kom nog met een brief hierover naar de Kamer.

Ik kom bij het laatste blokje... O nee, ik heb nog recycledoelstellingen en verpakkingen. Daarna kom ik bij het laatste blokje, waarin ik terugkom op de PFAS-vraag van mevrouw Kröger.

De voorzitter:

Voor we daarnaartoe gaan is er een interruptie van mevrouw Van Eijs.

Mevrouw Van Eijs (D66):

De Staatssecretaris gaf over duurzaamheidsmodellen aan dat er een onderzoek uit 2014 is en dat ze de cijfers laat updaten. Dat is heel interessant, maar ik doelde op het volgende. In Nederland worden er naar ik heb begrepen modellen ontwikkeld om vast te stellen hoe schadelijk een individueel kledingstuk is. Oftewel: wat is de betere keuze als ik hier twee truien heb? Aan de consumentenkant, de vraagkant, moeten we ook sleutelen. Buiten het macro-effect van textiel is het immers ook belangrijk om te weten wat de betere keuze is. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat dit soort modellen aansluiting vinden bij bijvoorbeeld het sectorplan of de algemene agenda voor de circulaire economie?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Volgens mij vraagt mevrouw Van Eijs hoe we ervoor kunnen zorgen dat de duurzaamheidskenmerken van trui A en trui B duidelijk zichtbaar zijn voor een consument die in de winkel staat en niet weet welke hij moet kopen. Daar komen we denk ik op terug in de brief over de duurzaamheidskenmerken en het label. Het wordt meegenomen in het beleidsprogramma textiel, begrijp ik.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger wilde interrumperen, maar wacht nog even. De Staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

In het beleidsprogramma textiel komen we op dit punt terug.

Dan de recycledoelstellingen verpakkingen. In het Verpakkingenbesluit staan wettelijke doelstellingen die het bedrijfsleven moet halen. Ik ga de doelstellingen in het besluit aanpassen. Dat moet ik omdat er een nieuwe Europese rekenmethode wordt ingevoerd, maar ook omdat ik wil komen tot ambitieuze doelstellingen waarmee Nederland koploper blijft. Ik heb WUR gevraagd voor mij te onderzoeken welke effecten de nieuwe meetmethode heeft, zodat we echt naar een reële omzetting kunnen gaan. Daarnaast laat ik onderzoeken welke ontwikkelingen er in de keten zijn om te bepalen welke percentages ambitieus maar wel realistisch zijn. Voor plastic wil ik kijken of een doelstelling die hoger is dan het EU-minimum van 50% haalbaar is en op welke termijn dat kan. Ik kan nog geen exact percentage noemen. Ik ga u daarover eind dit jaar informeren. In de breedte willen we met elkaar zien dat we naar een circulaire economie toegaan en dat we steeds stapjes blijven nemen. Ik denk dat dat de algemene lijn is. Ik ga u daar nog nader over informeren. Daar gebruik ik onder andere het WUR-onderzoek voor. Dat geeft mij aan wat het verschil in meetmethodes is, wat hetzelfde cijfer volgens de oude methode en volgens de nieuwe methode is en wat onze ambitie moet zijn om steeds stappen te blijven zetten richting een circulaire economie. Dat gaan we met elkaar in het besluit vastleggen. Dit was overigens ook een vraag van de heer Wassenberg. De richtlijn Single-Use Plastics die dit jaar wordt geïmplementeerd, zal hieraan ook bijdragen.

Recyclaat in de wetgeving? Vanuit de SUP-richtlijn wordt voorgeschreven om in 2025 25% recyclaat in flessen toe te passen en in 2030 30%. Die gaan we implementeren. Daarnaast hebben we ook afspraken gemaakt in het Plastic Pact NL. Ik ben hard bezig met mijn collega's om ook tot een Europees plastic pact te komen. We hopen in de eerste helft van volgend jaar tot zo'n pact te komen.

Dan de essentiële eisen. Mevrouw Kröger vroeg naar de ruimte bij de implementatie. De essentiële eisen stellen dat verpakkingen zodanig moeten worden vervaardigd dat volume en gewicht van de verpakking worden beperkt tot de minimale hoeveelheid die nodig is om het vereiste niveau van veiligheid, hygiëne en aanvaardbaarheid voor het verpakte product en de consument te handhaven. Dat is een letterlijk citaat uit de essentiële eisen. Ze moeten zodanig worden ontworpen, vervaardigd en in de handel worden gebracht dat hergebruik of nuttige toepassing met inbegrip van recycling in overeenstemming met de afvalhiërarchie mogelijk is en dat het resteffect bij het verwijderen van verpakkingsafval of reststoffen van afvalbeheerverrichtingen zo veel mogelijk wordt beperkt. Hieraan moeten alle verpakkingen voldoen; hierop zijn geen uitzonderingen. Er zijn natuurlijk duizenden verpakte producten. Elke producent moet daar gewoon aan voldoen. Per verpakt product in de nationale wetgeving voorschrijving wat het bedoelde minimale niveau is, is niet te doen. Als mevrouw Kröger vraagt of de essentiële eisen wel scherp genoeg zijn, is mijn antwoord dat we ze op Europees niveau moeten zien aan te scherpen, een generieke aanscherping dus. Je kunt immers niet voor al die duizenden verpakkingen apart gaan voorschrijven hoe dik het deksel mag zijn. Daarom zijn er generieke essentiële eisen gesteld. Ik wil wel kijken wat we eventueel op Europees niveau kunnen doen om tot een verdere aanscherping te komen.

Ik zie dat mevrouw Kröger een vraag wil stellen, maar ik ben nog niet helemaal door de beantwoording heen. Ik heb nog twee vragen van mevrouw Kröger. De eerste is of we de essentiële eisen beter gaan handhaven. De producenten moeten aantonen dat ze aan de eisen voldoen. Ik ben met de ILT in gesprek over hoe de eisen beter gehandhaafd kunnen worden, bijvoorbeeld via een meldpunt bij de ILT. Ook wil ik de verslaglegging aanscherpen. Ik kom dit jaar met een voorstel daarvoor.

De heer Ziengs had het over het benoemen van de recyclingdoelstelling als aanvulling op de restafvaldoelstelling. Ik snap het punt van de heer Ziengs. Hij wil gewoon naar een betere kwaliteit. Dat is volgens mij de reden waarom hij deze vraag stelt. Maar dit blijkt heel lastig te zijn, omdat het een indirecte doelstelling voor gemeenten is. De gemeenten zijn niet zelf de partij die recyclet. Dus een recycledoelstelling is voor gemeenten een heel moeilijk stuurbare doelstelling. Het is voor een gemeente ook heel moeilijk om daar grip op te hebben. Je tuigt dan een ingewikkeld administratief systeem op. Ik ben bang dat dat veel administratieve lasten met zich mee zal brengen, terwijl we niet weten wat het effect zal zijn.

Maar in de doelstelling en het punt dat de heer Ziengs daar aansnijdt, kunnen denk ik alle partijen zich vinden: je wilt kwalitatief hoogwaardige deelstromen. De kwaliteit van de deelstromen moet worden verhoogd. Tot nu toe ging het alleen maar om het naar beneden brengen van de hoeveelheid afval, maar we willen ook allemaal de kwaliteit van wat we inzamelen omhoogbrengen. De heer Van Aalst vroeg hier eigenlijk ook aandacht voor. Bij een hogere kwaliteit kan er ook beter gerecycled worden. Samen met RWS, de NVRD en de Vereniging Afvalbedrijven zet ik hier ook op in. Ik verwacht dat ingezette acties zullen leiden tot betere kwaliteit. Daar zullen we u natuurlijk ook over informeren. Maar met die recycledoelstelling wordt volgens mij dus het afrekenmoment bij de verkeerde instelling gelegd, want gemeenten recyclen niet zelf, en het is voor gemeenten dus heel moeilijk om daar zelf aan te voldoen.

Voorzitter. Ik ga naar het laatste blokje. Daarin zitten een aantal andere vragen.

De voorzitter:

Maar voordat u dat doet, wil mevrouw Kröger nog interrumperen. Gaat uw gang, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een tijd moeten wachten, maar dan heb je de antwoorden ook. Het ging mij er eigenlijk om in hoeverre we die essentiële eisen nou echt kunnen handhaven. De Staatssecretaris zegt eigenlijk dat er duizenden soorten verpakkingen zijn. Het klinkt goed dat de ILT nu een mogelijkheid krijgt om dat hard te gaan handhaven. Ik vraag me wel het volgende af. Op papier ligt de verantwoordelijkheid eigenlijk bij de producent. Hij moet kunnen aantonen dat de verpakking is zoals hij moet zijn. Hij moet eigenlijk ook kunnen aantonen dat zijn verpakking recyclebaar is. Maar wij weten volgens mij allemaal dat dat in de praktijk absoluut niet het geval is. Dus hoe kunnen we nou eens echt tanden geven aan dit stukje wetgeving, dat bijzonder nuttig in de oren klinkt als je plasticvervuiling wilt terugdringen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Alle verpakkingen moeten voldoen aan de essentiële eisen, maar daarin staat dat het moet worden beperkt tot de minimale hoeveelheid die nodig is om het vereiste niveau van veiligheid, hygiëne en aanvaardbaarheid te handhaven. De verpakking moet ook zo worden ontworpen dat hergebruik of een nuttige toepassing, met inbegrip van recycling, in overeenstemming met de afvalhiërarchie mogelijk is et cetera, et cetera. Dus die essentiële eisen laten ook nog enige afwegingsruimte bij de producent. Dat is ook logisch, want het maakt nogal wat uit of je een medicijn verpakt of een wortel. Dat vraagt nogal een andere verpakking. Daar sluiten dus die essentiële eisen bij aan. Juist omdat het over duizenden verpakkingen gaat, moeten producenten aantonen dat ze aan die essentiële eisen voldoen. Dat is gewoon de regel. Ik wil met de ILT in gesprek gaan over de vraag hoe we dat nou ook beter handhaafbaar zouden kunnen maken. Want we kennen allemaal eigenlijk wel de voorbeelden van de rolletjes stickers die dan in enorme dozen worden ingepakt, vooral rond Sinterklaas. Daarvan vragen we ons allemaal af of dat nou aan de essentiële eisen volgens dit besluit voldoet. Daar kun je misschien wel vraagtekens bij zetten. En hoe wordt daar dan op gehandhaafd? Juist omdat de ILT in de praktijk deze regel, die er gewoon is en die ook moeilijk anders in te richten lijkt, moet kunnen handhaven, wil ik met de ILT in gesprek gaan over de vraag wat men daar dan nodig heeft om dat op een betere manier te doen. Ik snap dus het aandachtspunt van mevrouw Kröger, maar de regel veranderen lijkt me niet zinvol. In de eerste plaats zijn het Europese regels en in de tweede plaats gaat het om duizenden producten; je kunt dat niet allemaal gaan voorschrijven. Het uitgangspunt moet dus gewoon helder zijn.

En misschien kan ik ook een positieve noot aanbrengen. Bij het Plastic Pact zie je dat grote bedrijven op vrijwillige basis zeggen: wij zien dit ook en wij willen ermee aan de slag. Ik zet dus niet alleen in op de regelgeving en de handhaving daarvan, die een vangnet moeten zijn, maar ook op het meenemen van al die partijen die graag willen. En grondstoffen besparen is ook kosten besparen, dus uiteindelijk is het gelukkig ook iets wat zijn eigen logica heeft.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger wil een korte vervolgvraag stellen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Er was de verkiezing van #Mispaksel, een verkiezing van producten. Daarbij zie je de ongelofelijke verpakkingen die op de markt komen. Als een verpakking uit meer materialen bestaat, is zij alweer heel moeilijk te recyclen. De crux lijkt toch wel te zijn dat er een loophole zit in het feit dat consumentenacceptatie een grond kan zijn om een verpakking toch op de markt te brengen terwijl zij eigenlijk helemaal niet te recyclen is en ook niet aan die minimale vereisten voldoet. Ik ben heel benieuwd of de Staatssecretaris ruimte ziet om die grond, dus van consumentenacceptatie, minder te laten gelden en om in Nederland op de een of andere manier het recyclebaar maken en de minimale hoeveelheid materiaal gebruiken, gronden te laten zijn die leidend zijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

De essentiële eisen zijn de essentiële eisen en daar kan ik niks aan veranderen. Daarom heb ik daarnet het citaat letterlijk voorgelezen. Consumentenacceptatie staat daar niet in. Maar natuurlijk is de verpakking een heel belangrijk onderdeel van je product en bij het aan de man brengen van je product. Maar al die verpakkingen moeten voldoen aan die essentiële eisen. Ik vond eigenlijk het voorbeeld van die mispakselverkiezing wel heel mooi. Het is een voorbeeld van hoe je niet alleen maar aan wettelijke maatregelen hoeft te denken om op een gegeven moment dingen echt heel duidelijk onder de aandacht te brengen. Consumenten kunnen letterlijk met hun voeten en met hun portemonnee stemmen. Ik weet zeker dat als jouw verpakking tot «mispaksel van het jaar» is verkozen, er een hele groep consumenten is die dat echt als een nadeel van het product zal beschouwen. Dus ook dat soort elementen kunnen onderdeel zijn van een aanpak om te komen tot gewoon bewuster verpakken en het met elkaar zorgen voor minder verspilling van grondstoffen. Daarbij zijn de mogelijkheid om te recyclen en design for recycling natuurlijk ook heel belangrijke onderdelen van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. Op allerlei manieren zetten we daar ook op in, omdat je wilt dat de verpakkingen die je gebruikt, gewoon heel goed recyclebaar zijn. Dan word je, denk ik, ook minder snel uitgekozen voor de prijs van #Mispaksel.

De heer Ziengs heeft nog een antwoord van mij te goed op de vraag over de afvalstoffenbelasting. Hoe zit dat met de Europese regelgeving? Er is geen probleem met de Europese regelgeving zolang nationaal maar dezelfde regels gelden. Als je dus buitenlands afval zwaarder zou belasten, zou er een handelsbarrière zijn, maar omdat wij alleen een uitzondering schrappen, is er geen sprake van een handelsbarrière.

Mevrouw Kröger vroeg nog of we zicht houden op PFAS-stoffen in afgedankte kleding en bodemassen. PFAS-stoffen zitten in tal van producten, onder andere in kleding. Ik laat daarom nu een overzicht opstellen van producten met PFAS, want we zien allemaal ook de effecten die dit product heeft. Dat betekent ook dat we natuurlijk zorgvuldig moeten zijn en ons moeten afvragen of we goed doorhebben waar dat PFAS allemaal in zit. Op basis van de kennis van producten kunnen we dan bepalen in welke afvalstromen PFAS terecht kan komen. Dat geldt ook voor andere zeer zorgwekkende stoffen. We moeten ook weten wat er met PFAS gebeurt bij verbranding. Worden PFAS door die verbranding bijvoorbeeld onschadelijk gemaakt, of niet? Komen ze terecht in bodemas, vliegas, emissies? We staan eigenlijk aan het begin van deze kennisontwikkeling, maar we moeten wel echt actief op zoek gaan naar die kennis. Dat doen we dus ook. De taak om uit te zoeken wat er in die bodemas zit, ligt natuurlijk bij de AVI, want die produceert die bodemas. In mijn brief van 9 oktober jongstleden ga ik in op het duidelijker verplicht stellen aan bedrijven om ook op dit punt informatie te geven over die zeer zorgwekkende stoffen. Dit is door mevrouw Kröger eerder aangebracht. Ze heeft een motie daarover aangehouden. Ik ga zorgen dat we dat ook verankeren door aanpassing van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Het komt dus in dit besluit.

De heer Von Martels (CDA):

Het woordje PFAS is gevallen. Daarmee is een heel acuut probleem ontstaan. De hele economie ligt er bijna door stil, of althans een groot deel van de waterbouwwerken. En ook transportbedrijven hebben het er moeilijk door. Ik weet ook dat de Staatssecretaris een gesprek gehad heeft met de sector. Waar ligt nou de oplossing om de boel weer aan de gang te krijgen? Kan de Staatssecretaris daarop reflecteren?

De voorzitter:

Dat is een heldere vraag. De Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Die vraag is een beetje aan de rand van dit debat, als ik heel eerlijk ben. Ik kan er kort nu iets over zeggen.

De voorzitter:

Misschien is het wel over de rand.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

We willen niet met elkaar het hele PFAS-debat gaan voeren als we een debat voeren over circulaire economie. Ik kijk even naar de voorzitter.

De voorzitter:

Ik vond het wel een heel heldere vraag, maar volgens mij komt er een debat over PFAS.

De heer Von Martels (CDA):

Het woord «PFAS» is gevallen en heel veel mensen zitten gewoon te wachten op een antwoord. Als dat antwoord vandaag gegeven kan worden, dan is dat natuurlijk altijd beter dan dat we daarvoor weer tot morgen moeten wachten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Voorzitter, ik ga het nu niet per se uit de weg, maar ik heb nu natuurlijk niet alle details daarover bij me. Dit valt ook onder een ander onderdeel van het ministerie en ik wil de Kamer graag zo goed mogelijk antwoord geven. Als er nu plotseling een beroep wordt gedaan op een aantal mensen die nu niet klaarstaan voor de beantwoording, dan zou ik de Kamer wellicht tekortdoen, en dat zou ik niet willen.

We hebben, denk ik, afgelopen vrijdag een heel goed gesprek gehad met een aantal vertegenwoordigers van verschillende onderdelen van de branches, dus zowel baggeraars als grondverzetters en Bouwend Nederland. Met elkaar hebben we geconstateerd dat de gezondheidsnorm die door het RIVM gesteld wordt, natuurlijk voor ons allemaal het kader moet zijn waarbinnen we werken. Want die zeer zorgwekkende stoffen zijn niet voor niks zeer zorgwekkende stoffen. Blijft dat we binnen de ruimte die de norm biedt wel echt willen voorkomen dat dingen onnodig stilliggen. Dus wij hebben geconstateerd dat we actief met elkaar op zoek moeten naar welke ruimte dat kader biedt. Dat blijkt ook op een aantal plekken meer ruimte te bieden. Wanneer bijvoorbeeld een gemeente duidelijk maakt waar in de gemeente sprake is van de functie wonen en industrie, dan mag tot aan de grens van die 3-7-3, om maar even heel technisch te worden, die grond gewoon worden toegepast. Als gemeenten die woningkaarten niet aanpassen, dan moet je eerst een aantal tussenstappen nemen voordat je weet of je de grond mag toepassen.

Zo zitten we in een samenwerking die nodig is tussen verschillende partijen: de gemeenten, het RIVM, om soms duidelijkheid te geven over wat hier wel of niet kan, en de baggeraars. Ik vind het belangrijk dat al die partijen samen om de tafel gaan – ik zal er ook een actieve rol in spelen om te zorgen dat dat gebeurt – om per gebied te kijken wat hier wel kan en hoe wordt voorkomen dat dingen onnodig stil komen te liggen. Dat misschien als algemeen punt en algemene inzet.

Ik denk dat dit echt om een gebiedsgerichte, specifieke aanpak vraagt, waarbij alle partijen kijken: wat zijn de projecten waar we het hier over hebben, wat zegt het kader hierover, welke dingen kunnen we allemaal wel en nemen we daarvoor ook allemaal zo snel mogelijk de stappen die nodig zijn? Want die mensen staan elke dag letterlijk met hun poten in de modder en vragen zich af of ze morgen nog werk hebben voor hun mensen en waar ze volgende week aan de slag gaan. Dus met die urgentie zijn we hiermee aan de slag.

De voorzitter:

Het woord Europa is bijvoorbeeld ook gevallen. Als we hierop doorgaan, dan ben ik een beetje bang dat ook die deadline van 31 oktober voor een schriftelijk overleg dat hierover gaat... Dus ik zou het eigenlijk hier nu even bij willen houden. Ik vind dat de Staatssecretaris al een heel stuk in haar beantwoording is gegaan. U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter, maar gezien de urgentie en aangezien zo veel partijen zich elke dag afvragen of ze door kunnen gaan en wat er nog eigenlijk wel en niet kan, snap ik dat om deze korte toelichting werd gevraagd.

Dan waren er nog een aantal vragen onder het blokje divers. De export van plasticafval. Tijdens mijn bezoek aan de G20 heb ik ook aangegeven dat het eigenlijk heel logisch zou zijn als Europa zorgt dat we ons eigen plasticafval kunnen verwerken. Het plasticafval wordt verscheept naar Azië, omdat het idee is dat daar een betere recyclings- en verwerkingscapaciteit is dan in Europa. Wij weten allemaal dat ze daar zelf ook een grote hoeveelheid plastic te recyclen hebben. Dat kunnen we als Nederland niet alleen. Het voorbeeld van Duitsland, dat het dan misschien via Duitsland naar Maleisië gaat, geeft precies aan waarom het hier van belang is dat we als Europa als geheel stappen nemen. Ook zo'n Europees Plastic Pact draagt natuurlijk bij aan het gezamenlijk zorgen dat we zo veel mogelijk zelf oppakken hier in Europa. Dus dat als algemeen punt.

De ILT en de Douane monitoren de export naar buiten de EU. Een deel lijkt inderdaad verschoven te zijn van China naar andere landen in Zuidoost-Azië, maar landen als Maleisië, Indonesië en Vietnam weigeren inmiddels ook containers en sturen deze terug. Als het niet goed recyclebaar is, wordt het op een gegeven moment gewoon teruggestuurd. Dat kan ook, omdat op 10 mei jongstleden meer dan 180 landen tijdens de COP14 van het Verdrag van Bazel een voorstel hebben aangenomen om de administratieve eisen aan het transport van plasticafval aan te scherpen. Dat betekent dat vanaf 1 januari 2021 alleen nog eenvoudig te recyclen plasticafval mag worden geëxporteerd vanuit de EU naar niet-OESO-landen. Het blijft echter zo dat als we naar een circulaire economie willen, we eigenlijk moeten zorgen dat we voldoende recyclingcapaciteit in Europa opbouwen. Daar moeten we gezien de interne markt ook als Europa met elkaar mee aan de slag gaan.

Dat heb ik al onder de aandacht gebracht bij Commissaris Timmermans. Ik heb hem opgeroepen tot meer recyclingcapaciteit in Europa. We gaan de wijze van meten en monitoren van recycling aanscherpen op basis van de nieuwe EU-voorschriften, want het moet inzichtelijk zijn waar het afval blijft en hoeveel er daadwerkelijk wordt gerecycled. Voor het eind van het jaar stuur ik u de nieuwe regeling van verslaglegging waarin de nieuwe methode wordt meegenomen.

Duitsland heeft de publiciteit gezocht in verband met de aanscherping van het Verdrag van Bazel ten aanzien van exportplastic. Dat was denk ik hetgeen waar de heer Ziengs op doelde toen hij het had over het Duitse exportverbod. Dat gaat dus over de implementatie van dat punt van het Verdrag van Bazel dat ik u net heb genoemd over alleen nog goed verwerkbare plastics.

Dan kom ik bij de matrassen. Ik heb nog een stuk of tien vragen.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger heeft ook nog een vraag. Gaat uw gang.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Vanaf 2021 is er dat Verdrag van Bazel, maar kennelijk zijn er nu al gronden voor Maleisië en Indonesië om containers te weigeren en terug te sturen op het moment dat het niet goed recyclebaar plastic is. Kunnen wij dan niet ook gewoon aan deze kant zorgen dat die containers überhaupt niet die kant op gaan? Als er kennelijk regelgeving is op basis waarvan zij het kunnen weigeren, dan kunnen wij het wellicht ook gewoon niet die kant op sturen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Voor elk internationaal transport wordt natuurlijk een EVOA-vergunning afgegeven. Of laat ik het zo zeggen: elk transport moet aan de internationale regelgeving voldoen. Als het plastic bijvoorbeeld sterk is vervuild, dan kan het worden teruggestuurd, maar er zijn bepaalde stromen die wel zijn toegestaan. Als die niet aan de criteria voldoen, dan kunnen de landen het terugsturen. Dus het is niet zo dat er een onderdeel van de regelgeving is waar die landen wel gebruik van maken en wij niet.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger wilde weten of we het ook kunnen tegenhouden.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Precies. Ik zou heel graag willen dat wij die verantwoordelijkheid nemen en dat we het niet overlaten aan Indonesië en Maleisië om het te moeten constateren en het te moeten weigeren. Dus laten wij zorgen dat we onze Douane en ILT op orde hebben, zodat die containers daar überhaupt niet terechtkomen. Dus ik vraag eigenlijk aan de Staatssecretaris om Indonesië en Maleisië te ontlasten en te zorgen dat we het gewoon echt goed controleren.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Mevrouw Kröger vraagt eigenlijk of alles voldoende wordt gecontroleerd om te voorkomen dat er iets risicogerichts die kant opgaat. De ILT controleert risicogericht. De ILT heeft een bepaalde capaciteit. Er zijn een heleboel taken waar de ILT aan moet voldoen. Die kan nooit honderdprocentscontrole op alles uitvoeren, dus de ILT controleert risicogericht. Daarbij maakt de ILT gebruik van hetzelfde kader als Maleisië, Indonesië en Vietnam gebruiken om terug te sturen wanneer dat nodig is.

In de berichten over terugsturen stond dat ook containers uit Nederland waren teruggestuurd. We hebben dat toen nagevraagd. Dat bleek overigens niet het geval te zijn, dus wellicht haalt de risicogerichte controle, zoals de ILT deze nu al uitvoert, juist al die rotte appels eruit waar mevrouw Kröger eigenlijk op doelt. Maar we gebruiken dus wel dezelfde regelgeving als die landen, om ook die transporten die daar niet heen zouden moeten gaan eruit te halen. De slag om de arm van de honderdprocentscontrole is natuurlijk wel de realiteit waar we met elkaar rekening mee moeten houden.

Dan vroeg meneer Von Martels naar de 1 miljoen matrassen die we weggooien en naar het belang van het sluiten van de keten richting de circulaire economie. Ik wil toe naar 75% recycling van matrassen en zet daarom in op een producentenverantwoordelijkheid. Daarover ben ik met producenten en andere ketenpartijen in gesprek. Ik heb ook van hen daarvoor een voorstel ontvangen. Ik bekijk dat nu en zal daar verder met hen over spreken. Dan zal ik daarover met een brief naar uw Kamer komen. We willen natuurlijk freeriders voorkomen en borgen dat de afspraken ook echt worden nagekomen. Dat zijn belangrijke uitgangspunten. Ik zie de heer Von Martels daar ook bij knikken, dus dan werken we allebei in dezelfde richting.

De fractie van D66 vroeg naar de tapijtsector. Koplopers in de tapijtsector willen inderdaad ook een stap zetten richting producentenverantwoordelijkheid. Dat ondersteun ik ook. Het is inderdaad interessant om te zien hoe groot het aandeel in de markt is van Nederlandse en Belgische partijen. Dat betekent ook dat als we hier samen met de Belgische buren stappen weten te maken, we ook echt een grote impact hebben. Dus dat is denk ik echt iets om mee te nemen. Er zit dus veel potentieel in een betere inzamelstructuur, meer recycling en productie-innovatie voor tapijt. We kennen natuurlijk allemaal de voorbeelden van bedrijven die hier ook al forse stappen hebben gezet. Daar mogen we als Nederland ook echt trots op zijn. Ik zal op korte termijn nagaan hoe we in Nederland tot een goed proces kunnen komen, waarbij we de sector betrekken. Ik denk ook dat het goed is om te kijken hoe we onze Belgische collega's daarbij kunnen betrekken. Het staat er niet bij, maar daarop komen we vast weer terug in een brief aan de Kamer. We proberen zo veel mogelijk van deze onderwerpen straks weer voor u in een verzamelbrief mee te nemen, zodat we periodiek met elkaar op al deze vlakken de voortgang kunnen bekijken.

Ik heb daarstraks al even iets gezegd over circulair bouwen. De Minister van BZK en ik hebben recent een brief aan de Kamer gestuurd. Daarnaast hebben het Rijksvastgoedbedrijf, Rijkswaterstaat, ProRail en decentrale aanbesteders ook een voorbeeldrol als opdrachtgever. Het kabinet heeft klimaatmiddelen beschikbaar gesteld om CO2-reductie te realiseren door het nemen van circulaire maatregelen in de woning- en wegenbouw.

De heer Laçin stelde een vraag over kunstgras. De initiatiefnemers voor recycling geven aan zich te richten op de start van recycling in Nederland voor de zomer van 2020. Dat zou dan voldoende zijn voor de Nederlandse hoeveelheid.

De heer Ziengs vroeg nog naar luiers. Op het gebied van luierrecycling lopen verschillende initiatieven. Het RIVM heeft onlangs een stappenplan gepubliceerd aan de hand waarvan verwerkers kunnen komen tot veilig hergebruik van deze materialen. Er zijn een aantal bedrijven die kijken naar de praktische haalbaarheid. Ik hoop uiteraard dat dit tot heel succesvolle plannen zal leiden.

De heer Ziengs had ook nog een vraag over WEEELABEX. Hij vroeg heel concreet wat die uitzonderingen zijn. Bij de toepassing van WEEELABEX wordt onderscheid gemaakt tussen de kleinere bedrijven die bijvoorbeeld een product alleen schoonmaken of repareren en bedrijven die het product demonteren en de materialen daaruit recyclen of anders verwerken. De eerste groep valt niet onder de certificeringsplicht van WEEELABEX, de tweede wel. Voor de audits op de naleving van WEEELABEX voor kleinere bedrijven zijn uitzonderingen gemaakt op de omvang van de vereiste testen. Dit beperkt dan ook de lasten. Dat waren de concrete voorbeelden waar de heer Ziengs om vroeg.

Voorzitter, er zijn veel vragen gesteld. Ik heb mijn best gedaan om ze zo veel mogelijk te noteren en te beantwoorden.

De voorzitter:

Geweldig. Ik kijk even of er behoefte is aan een tweede termijn. Sterker nog, de heer Wassenberg heeft al een vraag voordat de tweede termijn begint en die kan niet in de tweede termijn. Dus gaat uw gang.

De heer Wassenberg (PvdD):

Een vraag is nog niet beantwoord of ik heb het antwoord gemist. Als dat zo is, excuus daarvoor. Maar ik heb het nog gehad over biomassa. Ik heb gezegd dat het kabinet het gebruik van biomassa zo hoogwaardig mogelijk wil toepassen door middel van cascadering. Ik had gevraagd hoe je zeker in het buitenland – het is een open markt – voorkomt dat de bomen worden gebruikt voor houtpellets om op te stoken en niet voor hoogwaardige toepassing. Dus hoe voorkom je dat bomen worden gebruikt als brandstof in plaats van grondstof?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

We gaan in de context van het duurzaamheidskader in op cascadering, maar we kunnen natuurlijk niet beïnvloeden wat er in andere landen gebeurt. Dus wij hebben er geen invloed op of ze in Finland een houtpellet of een plank van een boom maken. Dat duurzaamheidskader gaat over de biomassa die wij benutten en hoe we daarin zorgvuldig kunnen omgaan met het meest hoogwaardige gebruik eerst, maar we hebben geen invloed op wat de Finnen daarin aan beleid maken.

De voorzitter:

De hand gaat naar de knop.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dat is inderdaad wel een antwoord op de vraag. De Staatssecretaris zegt dat het gaat om biomassa die wij gebruiken, maar als wij houtpellets uit de Baltische staten kopen om hier te verbranden, dan is dat biomassa die wij hier gebruiken. Dus ik vraag of de cascadering dan niet daarop van toepassing is.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dat lijken mij allemaal vragen die horen bij de bespreking van het duurzaamheidskader, als dat er eenmaal is, en waarin ook zal worden ingegaan op hoe het kabinet cascadering wil invullen. Dan kunnen we dat op dat moment met elkaar bespreken.

De voorzitter:

Meneer Wassenberg, u gaf aan dat u nog behoefte hebt aan een tweede termijn. Dat blijft ook zo en dat geldt voor iedereen. Dan stel ik voor anderhalve minuut. Dan wil ik het woord geven aan mevrouw Van Eijs. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Eijs (D66):

Dank u wel, voorzitter. Voordat ik het vergeet, want ik vergeet dat nogal eens, vraag ik meteen een VAO aan. Dan hebben we dat gehad. Mijn collega Paternotte komt morgen terug op statiegeld. Ik ben blij dat de Staatssecretaris de goede inspanningen van de tapijtbranche ziet en dat zij daarmee in overleg wil, dus ik kijk uit naar de update die daaruit zal volgen. Ik ben ook heel blij – ik denk ook meerdere collega's, want die vragen allemaal naar textiel – met het beleidsprogramma dat er gaat komen. Wat ik heb gehoord over het model ga ik doorverwijzen naar het ministerie, want misschien kan dat een stukje van de puzzel zijn.

Over ruimte voor regels. Ik ben blij dat het Versnellingshuis waarschijnlijk nog steeds het meldpunt kan worden waar mensen kunnen aangeven waar zij tegenaan lopen. Het is ook goed dat de kennis over regels wordt verspreid, maar vooral de ruimte binnen en buiten die regels met betrekking tot experimenteerruimte moet denk ik nog bij heel veel mensen bekend worden. Dat is natuurlijk ook nieuw, dus ik snap ook wel dat dit niet altijd bij iedereen bekend is. Maar ik denk dat het echt veel mensen kan helpen die met mooie initiatieven komen om te weten dat er wel degelijk heel veel kan, ook met circulaire economie.

De voorzitter:

Geweldig. Dank u wel. Ik constateer dat er een VAO is aangevraagd. Ik geef het woord aan mevrouw Dik-Faber. Gaat uw gang.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van alle vragen. Ik ben blij met de route die de Staatssecretaris en de commissie in meerderheid willen bewandelen als het gaat om de reductie van het zwerfafval voor flesjes en blik. Ik denk dat dit inderdaad in de komende dagen bij de begroting ook nog wel onderwerp van bespreking zal zijn.

We hebben het ook gehad over textielrecycling. De Staatssecretaris heeft in haar brief die vandaag op de agenda staat ook wel alle punten benoemd die daarbij aan de orde komen. De vraag die bij mij blijft hangen is of we die race to the bottom die in het hele systeem zit, kunnen ombouwen. Het is misschien niet helemaal een-op-een te vergelijken, maar ik ben ook woordvoerder Landbouw en ik zie dat er ook in de landbouw een race to the bottom is. Kunnen we uit het beleid dat we nu in gang zetten voor onze voedselproductie lessen leren voor de kledingindustrie? Want ook voedselproductie is een internationale markt.

Een onderwerp dat ik nog even wil onderstrepen, is ingebracht door mevrouw Kröger. Dat gaat over verpakkingen. Ik had er Kamervragen over gesteld. Die zijn nog niet beantwoord. Dat zal ongetwijfeld een keer komen. Dat is geen punt, maar een van mijn meest prangende vragen was dat heel veel verpakkingen gewoon niet recyclebaar zijn. De consument heeft dus ook niet een aanduiding op een verpakking welk pak hij moet kiezen. Esthetische eisen zijn vaak een escape om onder de essentiële eisen uit te komen. Bijvoorbeeld de broodzak met plastic en papier; die willen we niet meer.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal het compenseren door het heel kort te houden. Voor mij blijft één ding spelen: ik begrijp niet waarom de Staatssecretaris niet onmiddellijk stopt met het subsidiëren van biomassa. Ik begrijp werkelijk waar niet dat we bomen kappen in Estland en die hier verbranden.

Verder ben ik blij dat er een VAO is. Morgen hebben we de begroting; het komt ongetwijfeld terug. Ook aan het eind van dit debat heb ik nog steeds het gevoel dat ik de vreemde eend in de bijt ben. Maar goed, dat zal dan zo zijn. Dat is mijn conclusie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dat was denk ik meer een overweging dan een vraag. Toch? Anyway, mevrouw Van Brenk, aan u het woord.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Ik ben blij met de toezegging van de Staatssecretaris. Zij heeft toegezegd, als ik het goed formuleer, dat er een brief komt waarin de actualisatie staat van de activiteiten rondom het rapport Taskforce Herijking Afvalstoffen. Ik ben ook blij dat de meerwaarde van het Versnellingshuis blijft. Mag ik ervan uitgaan dat de Staatssecretaris verantwoordelijk blijft en zorgt dat er een overzicht komt van de overige knelpunten die nog in dat rapport staan, zoals de btw-plicht voor afval? Er zijn best veel zaken die ook bij andere ministeries horen en ik neem aan dat zij de regiefunctie houdt en daarvoor zorgdraagt.

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Dank u wel. Ik wil ook graag de Staatssecretaris danken voor de heldere antwoorden. Fijn dat er nog even een antwoord is gekomen op de PFAS-vragen. Dat was een klein uitstapje.

Over statiegeld ben ik volgens mij duidelijk geweest. Het is mooi dat het CDA in dit statiegeld-op-blikdossier voor een doorbraak heeft kunnen zorgen. Toch blijft bij ons de reductie van zwerfafval uiteindelijk het doel. Statiegeld kan een mooi middel zijn om dat te bereiken. Ik zou nog wel graag van de Staatssecretaris willen horen hoe zij aankijkt tegen die aso-campagne die ik voorstelde. Ziet zij mogelijk nog andere mogelijkheden om dat zwerfafval verder terug te dringen?

Sigarettenpeuken en kauwgom zijn vandaag nauwelijks aan de orde geweest, maar waarom is er nog steeds geen producentenaansprakelijkheid voor deze producten geregeld?

Over de importheffing, de CO2-berekening. Is het mogelijk dat de Staatssecretaris zo spoedig mogelijk de onderbouwing, de berekening, naar de Kamer stuurt?

De vraag die ik aan de heer Wassenberg heb gesteld, ging over wat de Staatssecretaris vindt van de grootschalige bomenkap in Natura 2000-gebieden.

Dan heb ik nog twee punten. Leiden heeft bij het Leidens Ontzet op 3 oktober statiegeldglazen gebruikt. Er was daardoor veel minder afval. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om dit soort initiatieven in de toekomst verder te stimuleren?

Ten slotte is het mooi om te horen dat de ambitie ten aanzien van de recycling van matrassen goed wordt opgepakt en niet onder het tapijt wordt geschoven.

De voorzitter:

Dank u wel. Er zat ook wel een mooie interruptie in ex ante voor de heer Wassenberg, dus die geef ik graag het woord.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dank, voorzitter. Ik heb een vraag aan de Staatssecretaris over de lock-in. Ze zei letterlijk: tegelijk moeten we zorgen dat we een lock-in voorkomen. Het ging over het verbranden van afval. Daar had ik het in mijn eerste termijn ook over gehad. In gewonemensentaal: we moeten voorkomen dat we straks afval blijven verbranden, alleen maar om in warmte van huishoudens te voorzien. Maar ik zou graag van de Staatssecretaris willen weten hoe het kabinet gaat proberen om die lock-in te vermijden, want we zitten al op weg daarnaartoe. Dus ik wil echt van de Staatssecretaris weten hoe we dit gaan voorkomen.

Dan heb ik nog een vraag over biomassacentrales. De heer Van Aalst zei een beetje triest: ik ben de vreemde eend in de bijt. Nou, op het gebied van het verzet tegen biomassasubsidies vinden we elkaar. Dat wil ik toch even gezegd hebben. Daar gaat dus 11,4 miljard naartoe. Ik heb het even uitgerekend, maar dat betekent € 670 per Nederlander. Als we hier met de hele zaal bij elkaar zitten – ik heb even heel snel geteld dat het een man of 60 is – dan is dat zo'n € 40.000. Het gaat dus om gigantisch grote bedragen. Misschien zit ik er een beetje naast, maar dan maximaal een paar duizend euro. We creëren ook hier een heel grote lock-in, want we zetten vol in op biomassa. De Staatssecretaris weet ook dat dit tijdelijk is. Realiseert de Staatssecretaris zich dat die grote subsidies voor biomassa een lock-in creëren? Hoe voorkomen we dat we dadelijk bossen kappen in Nederland en in het buitenland om die op te stoken?

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dan laat ik het daarbij, voorzitter.

De voorzitter:

Mevrouw Kröger, ga uw gang.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Een goed debat. Ongelofelijk veel onderwerpen zijn de revue gepasseerd. Veel brieven zijn toegezegd. Ik ben heel benieuwd naar het handhaven op de mispaksels, om ze zo maar te blijven noemen. Ik wil niet dat het overgelaten wordt aan naming-of-shamingcampagnes van milieuorganisaties, maar dat we echt gaan handhaven, want er is regelgeving voor. Ik ben erg benieuwd hoe dat gaat uitpakken, vooral als het gaat om hoe recyclebaar een product is. Zou je niet eigenlijk de bewijslast moeten omdraaien? Moet een producent niet kunnen aantonen dat een product recyclebaar is voordat hij het zomaar op de markt kan brengen? Wat zijn daar de mogelijkheden voor?

Dan een vraag over de export van dat plastic naar Indonesië. Ik hoor de Staatssecretaris zeggen dat het geen containers uit Nederland waren. Ik hoop dat ze ons op de hoogte blijft houden van hoe dat verdergaat.

Dan een onderwerp waarvoor ik vaak aandacht heb gevraagd: ZZS in afvalstromen. Als we van afval secundaire grondstoffen maken, moeten we dit onderwerp echt beter in het vizier hebben. Ik hoop dat de Staatssecretaris kan aangeven op welke termijn ze komt met de brief over een wettelijk kader of sterkere verplichtingen voor het rapporteren over ZZS-stoffen in afvalstromen. Ze heeft aangegeven dat die brief er komt, maar ik zou graag de termijn weten.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Ziengs.

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter. Allereerst wil ik ingaan op de beantwoording van mijn vraag over WEEELABEX. Dat was exact het antwoord dat in de brief staat die we gehad hebben. Daar zat ik niet op te wachten. Ik zat te wachten op het antwoord op de vraag hoe men vrijstelling kan krijgen. Daar zit namelijk het probleem.

Mijn tweede punt is het zicht op het aantal beboete overtredingen omdat afval op straat werd gegooid. Daar ben ik benieuwd naar. Wellicht dat de Staatssecretaris daar eens naar kan informeren via Justitie en Veiligheid. Of misschien wordt dat via de gemeentes beboet. Dat is mij niet helemaal helder. Als dat laatste het geval is, zijn die cijfers vast boven tafel te krijgen.

Dan de berekeningen van PwC en van het ministerie. Ik zou graag willen dat er een stuk over naar de Kamer komt, om dat even exact te kunnen nakijken en te kunnen zien waar dat verschil ’m precies in zit.

Ik vraag me nog af hoe zich dat verhoudt tot de brief van Wiebes destijds over klimaatmaatregelen die zijn genomen en die niet tot significante weglekeffecten van CO2 en banen hebben geleid. Ik heb de indruk dat er wel degelijk sprake zou kunnen zijn van weglek. Is daar onderzoek naar gedaan?

Tot slot zou ik graag op de hoogte worden gehouden over de kwestie Groningen en de opslagcapaciteit.

Fijn dat er op het punt van matrassen en luiers initiatieven zijn. Het zou fijn zijn als dat op vrijwillige basis gaat in het kader van upv, oftewel de uitgebreide productverantwoordelijkheid.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Op de valreep de heer Van Aalst. Ga uw gang.

De heer Van Aalst (PVV):

Een korte vraag aan mijn collega van de VVD. Ik gaf net aan dat ik een vreemde eend in de bijt ben, maar desondanks proef ik dat er geen steun meer is voor het subsidiëren van biomassa met al die miljarden. Is de VVD inmiddels ook zover dat ze zegt: we stoppen met subsidiëren en met die 11 miljard kunnen we heel andere dingen doen?

De heer Ziengs (VVD):

Ik kan mij niet heugen dat ik daarvoor steun heb uitgesproken in dit debat. Sterker nog, volgens mij heb ik er geen woord aan vuilgemaakt.

De heer Van Aalst (PVV):

Dan ben ik blij met die conclusie. Ik zou niet weten wie hier aan tafel nog blij is met het subsidiëren van biomassa. Volgens mij is dit dus breaking news.

De heer Ziengs (VVD):

Maar dan zou het wel gaan om de overige mensen aan deze tafel. Zij kunnen voor zichzelf spreken.

De voorzitter:

Oké. Er zijn in ieder geval drie eenden in diezelfde bijt, als ik goed heb geteld, maar dat was niet uw doel.

Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Kunnen we meteen doorgaan? Nee. Ik schors daarom even.

De vergadering wordt van 19.57 uur tot 20.00 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik wil graag weer beginnen, want voor je het weet verplaatst het debat zich naar de publieke tribune dan wel wordt er een korte afslag genomen en verplaatst de Staatssecretaris zich naar de leden. Ik wil de Staatssecretaris het woord geven voor haar tweede termijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter. Hartelijk dank aan de leden voor hun vragen in de tweede termijn. Op een aantal punten zijn er brieven toegezegd. Ik zei net al dat we gaan proberen om het zo veel mogelijk te bundelen, want dat is handig voor u. Dan kunnen we gestructureerd een voortgangsoverleg hebben met elkaar. In de hele breedte van het Uitvoeringsprogramma circulaire economie zijn er vele punten die we aanraken, ook de punten die uit de taskforce komen. We proberen het te bundelen, zodat u in de breedte ziet waar allemaal aan gewerkt wordt.

Dank aan mevrouw Van Eijs en aan anderen voor hun steun op bepaalde punten.

Er zijn nog een aantal vragen. Ik beantwoord ze niet per se in de volgorde waarin ze gesteld waren. Ik heb geprobeerd ze een beetje handig te clusteren. We hebben gesproken over de aanpak van zwerfafval, in het bijzonder de aanpak van flesjes en blikjes. Maar er is natuurlijk nog meer zwerfafval. De heer Von Martels vroeg daar aandacht voor. Hij had het over de ASO-campagne. Dat is inderdaad een goed initiatief, want gedrag is een heel bepalende factor. We moeten onze rotzooi gewoon niet op straat gooien. Gooi het gewoon in de prullenbak. Dat moet heel normaal zijn. Of het nou gaat om een flesje of een blikje, kauwgom of een sigarettenpeuk, een hamburgerbakje of wat dan ook, gooi het gewoon in de prullenbak! Aan zo'n campagne zullen wij zeker meedoen. We bereiden een gedragscampagne in 2020 voor, zoals we beloofd hebben in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie. Dat kan mooi samengaan.

De SUP-richtlijn schrijft voor dat de producentenverantwoordelijkheid voor sigarettenpeuken in een regeling wordt vastgelegd. Daarin wordt geregeld dat de kosten voor het opruimen en verwerken van zwerfafval voor rekening zijn van de producenten. Daarnaast worden via de producentenverantwoordelijkheid kosten voor bewustwordingsmaatregelen bij producenten in rekening gebracht. Nederland zal de richtlijn binnen de gestelde termijn implementeren. Dat betekent dat er in januari 2023 een regeling moet zijn. Die moet dan ook ingaan. Vanaf 2021 komt op de verpakking te staan dat er plastic in zit. Dat helpt hopelijk ook. We weten dat we niet zomaar afspraken kunnen maken met de sector, dus het is goed dat dit via de SUP-richtlijn geregeld is.

De heer Ziengs vraagt of ik bereid ben om zware boetes in te stellen voor het veroorzaken van zwerfvuil. Over boetes hebben we in het bestuurlijk overleg een paar keer gesproken. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwijderen van zwerfafval en het voorkomen ervan. Zij leggen regels hierover vast in de afvalstoffenverordening. Op het niet op juiste wijze aanbieden van huishoudelijk afval of het veroorzaken van zwerfafval staat een standaardboete van € 140. Dat is toch een duur kauwgompapiertje, zou je zeggen. Dit is vastgelegd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In een aantal gemeenten, ook in Rotterdam en Amsterdam, is via de gemeentelijke verordening een bestuurlijke boete ingevoerd. Daar is de boete voor zwerfafval hoger. Ik wil de ervaringen van het veld bezien en onder de aandacht brengen, ook via het bestuurlijk overleg dat we uiteraard blijven voeren met al deze partijen. Zo'n hoge boete kan wel degelijk een afschrikwekkende werking hebben. Er zijn dus al gemeenten die deze boete hebben ingevoerd.

De voorzitter:

Daar heeft de heer Ziengs een vraag over.

De heer Ziengs (VVD):

Voordat we elkaar verkeerd begrijpen een vraag. Hier gaat het om huishoudelijk afval, maar bij mijn weten staat er ook een boete van € 130 op als iemand een blikje of een flesje op straat gooit. Ik wil weleens inzichtelijk hebben of de toezichthouders die hiervoor verantwoordelijk zijn, wegkijken als er iets gegooid wordt of dat ze ook echt gaan beboeten. Daar zou ik graag cijfers van zien.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Er is inderdaad een standaardboete van € 140 op het veroorzaken van zwerfafval. Het is natuurlijk aan gemeenten om te bepalen hoeveel capaciteit zij inzetten op het handhaven van de verschillende onderdelen. Dat is iets waar we niet heel direct in kunnen treden. Maar er is dus een forse boete. In Rotterdam hebben we een mooie presentatie gehad. We hoorden hoe in Rotterdam-Noord de handhaving op dit punt is geïntensiveerd en dat dit resultaten oplevert. In een andere stad leverde het niet het gewenste resultaat op. De ervaringen wisselen dus. We kunnen kijken wat voor informatie we hierover hebben en deze met de Kamer delen. Het is een voor de hand liggende vraag, die ook al eerder is gesteld in de Kamer: op welke manier kunnen boetes bijdragen aan het stimuleren van het gewenste gedrag, namelijk je zooi gewoon in de prullenbak gooien? We zullen de informatie die we hierover kunnen vinden dus opnemen in de volgende brief.

Mevrouw Kröger vroeg of ik de Kamer op de hoogte blijf houden van de ontwikkelingen op het gebied van de internationale export van plastic. Jazeker, dat zullen we doen. Ze refereerde hierbij nog specifiek aan Indonesië. Als daar nieuwe dingen te melden zijn, zullen we de Kamer daarvan op de hoogte houden.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Het ging om Indonesië, Maleisië, eigenlijk dat hele rijtje landen waar tonnen plasticafval naar verdwijnen. We begrijpen uit de rapportage van De Monitor dat het ging om export van een container uit een Belgische haven waar een Nederlands bedrijf bij betrokken was. Ik ben erg benieuwd of de Staatssecretaris hier nog schriftelijk op terug kan komen. Hoe monitoren wij of Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de export van vervuild plastic naar Aziatische landen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik ben graag bereid om daar in de brief op terug te komen, maar ik denk dat dit alleen maar onderstreept hoe belangrijk het is dat wij hier als EU maatregelen nemen. We hebben een interne markt, ook voor stromen, en onze ILT kan natuurlijk alleen in onze eigen havens toezicht houden. Op wat er in Belgische havens gebeurt kunnen wij geen toezicht houden. Daarom zijn Europese afspraken zo belangrijk. Dit is wat ik u zo uit het hoofd hierover kan vertellen. Mochten daar nog nadere kanttekeningen bij te maken zijn, dan zullen we die zeker in de brief aan de Kamer opnemen.

Mevrouw Kröger vroeg verder wat ik ga doen aan recyclebaarheid. Daarvoor worden instrumenten ingezet als tariefdifferentiatie. Die maakt het financieel gezien aantrekkelijker om een goed recyclebare verpakking op de markt te brengen in plaats van een slecht recyclebare verpakking. Door het aanpassen van de meetmethode voor recycling wordt het voor het bedrijfsleven nog belangrijker om de recyclebaarheid te verbeteren, want anders halen ze de doelen niet. Zo zijn er verschillende instrumenten die bijdragen aan het creëren van goede verpakkingen.

Biomassasubsidie per Nederlander. De biomassasubsidies die worden gegeven voor duurzame energie zijn echt de bevoegdheid van mijn collega. Het duurzaamheidskader gaat in op hoe we gaan monitoren hoeveel biomassa er beschikbaar is.

De heer Van Aalst (PVV):

Ik vind dit iets te makkelijk, naar de collega van EZK verwijzen als het gaat om subsidies op biomassa. Ik wil een uitspraak van deze Staatssecretaris, die zich altijd zo groen voordoet. Hoe zit het nou? Iedereen is het er volgens mij zo langzamerhand wel over eens dat we dat niet meer moeten doen. Is de Staatssecretaris bereid om dit ook uit te spreken richting haar collega van EZK?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

De heer Van Aalst weet heel goed dat het kabinet altijd met één mond spreekt. Dit kabinet heeft vanuit het besef dat er een beperkte hoeveelheid duurzame biomassa voor Nederland beschikbaar is, besloten dat het goed is om een duurzaamheidskader te hebben dat toepasbaar is op alle toepassingen van biomassa in Nederland om oneerlijke concurrentie tussen sectoren te voorkomen en om te kunnen inzetten op een zo hoogwaardig mogelijke benutting van de biomassa. Daar staan de collega van EZK en ik beiden achter. Dat is wat ik hierover op dit moment kan zeggen.

De voorzitter:

Een vervolg van de heer Van Aalst.

De heer Van Aalst (PVV):

Betekent dit dat we vanaf morgen geen bossen meer verbranden in biomassa-installaties; heb ik dat goed begrepen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Nee.

De heer Wassenberg (PvdD):

Toch nog even over die biomassacentrales. Begin deze maand schreef het Algemeen Dagblad dat er op dit moment 628 biomassacentrales in Nederland zijn en dat er in rap tempo centrales bijkomen. Er zijn tientallen aanvragen. We zijn dus echt een joekel van een lock-in aan het creëren als we hier niet meteen paal en perk aan stellen. De Staatssecretaris kan zeggen «dat hoort bij mijn collega van EZK», maar ik wil toch van de Staatssecretaris weten wat Nederland gaat doen om die lock-in te stoppen. Dat is een woord dat een paar keer is gevallen vandaag.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Zoals het kabinet bij het Klimaatakkoord al heeft aangegeven, zullen we hangende de ontwikkelingen van het biomassakader terughoudend zijn met nieuwe beschikkingen. Dat heeft betrekking op de vraag van de heer Wassenberg.

De voorzitter:

Maar de heer Wassenberg heeft nog een hele korte vervolgvraag, zonder citaten uit de krant.

De heer Wassenberg (PvdD):

Extreem kort, zonder citaat. Betekent dit dat we nu gewoon moeten inzetten op een moratorium, dat we zeggen: totdat er duidelijkheid is, gaan we geen nieuwe centrales vergunnen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik heb u net de zinsnede gegeven die het kabinet daarvoor heeft gekozen in de brief die we aan de Kamer hebben gestuurd over het Klimaatakkoord, dus daar houd ik het liever even bij.

Mevrouw Dik-Faber vroeg hoe we een race to the bottom voorkomen, net als bij voedselverspilling. Hoe voorkomen we dat er in de kleding hetzelfde gebeurt? Ik denk dat het goed is om bij het ontwikkelen van de plannen voor deze sector te kijken wat we kunnen leren van andere sectoren. Dat was volgens mij de vraag die mevrouw Dik-Faber stelt. We komen hier graag op terug in het beleidsprogramma. Ik dank haar voor het leggen van sommige links, want het is weleens belangrijk om te kijken wat je nou eigenlijk uit andere sectoren kunt leren.

De heer Von Martels vroeg naar de bomenkap in Natura 2000-gebieden. Dan moet ik echt verwijzen naar mijn collega van LNV. Soms kan het voor het beschermen van specifieke natuur juist belangrijk zijn om de bomen uit een bepaald gebied te verwijderen, maar laat ik het debat over de beheersmaatregelen specifiek in Natura 2000-gebieden aan de collega laten.

Dan de Taskforce Herijking Afvalstoffen. Ik zei al tegen mevrouw Van Brenk dat we in die ene brief en in het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie terug zullen komen op de punten. Zij zei dat een deel van de punten bij de collega's zit en vroeg of ik daarover met ze in gesprek ga. Dat zal ik uiteraard doen. Dat wil niet zeggen dat alle punten daarmee kunnen worden overgenomen, maar ik ga in ieder geval wel het gesprek aan over de verschillende punten zodat de Kamer er in ieder geval een reactie op kan krijgen.

Dan de CO2-berekeningen rondom het schrappen van de uitzondering voor het voordeeltje voor Engelse afval. De heer Von Martels en de heer Ziengs vroegen allebei of zij de berekeningen daarvan kunnen krijgen. Die zijn gemaakt door Rijkswaterstaat in overleg met RVO. Die zijn inmiddels gedeeld met de vertegenwoordigers van de sector. In het voorjaar zijn alle Urgendamaatregelen ter validatie voorgelegd aan externe bureaus. Voor deze maatregel werd door het onderzoeksbureau een korte validatieberekening aangeleverd die op eenzelfde besparing uitkwam als de berekening die RWS had opgesteld. Ik verwacht dat we die gegevens nog voor het plenaire debat over het Belastingplan openbaar kunnen maken. Ik zal daar de meest recente berekeningen aan toevoegen.

De heer Ziengs vroeg naar de lagere lasten voor WEELABEX bij kleinere bedrijven. Excuses dat we de vraag niet goed hadden begrepen. Ik hoop dat we met het antwoord dat ik nu geef de vraag wel goed hebben begrepen en anders vraag ik gewoon even aan de heer Ziengs om aan te geven waar hij nog concreet naar op zoek is. Specifiek hoeft een kleinere hoeveelheid producten te worden getoetst plus de tijdsduur waarbinnen de toets moet plaatsvinden is korter. Die toets is dan een vereiste om aan te WEELABEX te voldoen. Kleinere bedrijven hoeven dus maar een kleinere hoeveelheid in een kortere tijdsduur te toetsen en dat geeft ze een voordeel boven grotere bedrijven. Mochten er nog meer specifieke vragen zijn, dan kunnen we verdere technische details leveren. Laten we vooral zorgen dat u op dit specifieke punt een antwoord op uw vraag krijgt, meneer Ziengs.

Blijven we in contact met Groningen? Uiteraard. Volgens mij heb ik u geschetst hoe het er nu voorstaat, maar het is natuurlijk altijd goed om daar met elkaar over in contact te blijven.

Op welke termijn ontvangt de Kamer een brief over ZZS in afval? We hopen dat we de aanpassing van wetgeving, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen – het gaat dus in wetgeving vervat worden – in het najaar van 2020 kunnen realiseren. We doen nu al een beroep op bedrijven en omgevingsdiensten om hiervan werk te maken, maar we gaan ook met de aanpassing van dat besluit aan de gang. Dat zou dan in het najaar 2020 geregeld moeten kunnen zijn.

Wanneer komt de brief met uitwerkingen van de maatregelen over het verder beperken van het zwerfafval inclusief de verschillende maatregelen, waaronder statiegeld? In het eerste kwartaal van 2020 komen we met een brief daarover naar uw Kamer.

Voorzitter. Ik hoop dat ik daarmee de vragen heb beantwoord.

De voorzitter:

Geweldig. Er was nog een vraag van de heer Von Martels.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Er was nog één vraag over Leiden, het Leids Ontzet. Er zijn nog heel veel meer festivals die hard aan de slag zijn. Met de Green Deal Afvalvrije Festivals is een circulair bekersysteem ontwikkeld waarbij je afhankelijk van de situatie of een hardcup gebruikt of een recyclebare softcup. Dit systeem gaan we verder testen en doorontwikkelen, onder andere in samenwerking met buitenlandse festivals. Een jaar geleden kreeg ik nog prachtige gumshoes van de Nederlandse festivals toen ik met hen de green deal tekende en boden ze mij een prachtige gerecyclede vaas aan vol pledges van onder andere de festivalsector. We zien nu dat zij dit zelfs gaan uitbreiden naar internationale festivals. Ik ga heel binnenkort naar een mooi evenement daarover. Die festivals timmeren dus echt heel hard aan de weg. Ze zijn niet alleen op plastic, maar in de hele breedte enorm bezig met verduurzamen. Ze zien zichzelf ook wel als een soort van experimenteerruimte, heb ik weleens het idee, voor dingen die misschien later opschaalbaar zijn. Er zijn verschillende complimenten uitgedeeld en ik wil ook zeker die sector een compliment uitdelen voor de manier waarop ze dit allemaal oppakken. Ik zou bijna zeggen dat het een feestje is om daar te zijn en de betrokkenheid van deze sector bij deze hele ontwikkeling naar circulaire economie te zien.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Maar de vraag van de heer Von Martels ging niet over festivals, dus die heeft nog steeds een vraag. Kort, meneer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):

Het is mooi om te horen over deze ontwikkeling, maar ik had nog een vraag over de sigarettenpeuken en kauwgum en de producentaansprakelijkheid. Als die al beantwoord is, is mij dat ontgaan. Sorry dan. Fijn dat die beantwoord is. Dan hoop ik op een positief antwoord daarop.

De voorzitter:

Ik kan zeggen dat dit debat ook terug te kijken is, voor degenen die daar behoefte aan hebben.

De heer Von Martels (CDA):

Heel fijn. Ik heb een hele avond voor me. Heel mooi.

De voorzitter:

Oké. Ik constateer dat er een VAO is aangevraagd door mevrouw Van Eijs. Dan de toezeggingen.

  • De Staatssecretaris gaat de Kamer een brief sturen waarin zij de mogelijkheden uitwerkt voor reductie van blik en zwerfaval, inclusief de wettelijke mogelijkheden.

  • Voor het einde van dit jaar komt de Staatssecretaris met een beleidsprogramma voor recycling van textiel en reductie van textielafval.

  • In het voorjaar ontvangt de Kamer actuele cijfers over de fast fashion en zal de Staatssecretaris haar ook informeren over het beleid ten aanzien van fast fashion.

  • De Kamer ontvangt een brief over het terugdringen van de vernietiging van ongebruikt textiel en betrekt daarin de Franse aanpak.

De vraag die opkwam, was wanneer die brief zou komen. Ik weet niet of daar iets over te zeggen is door de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik begrijp dat we daar in het voorjaar meer over kunnen zeggen. We willen zo veel mogelijk dingen proberen te bundelen voor u, zoals ik al heb aangegeven. We kijken dus ook even naar een logische timing van de brief.

De voorzitter:

We gaan dus voor het voorjaar. Mevrouw Kröger wil daar nog wat over zeggen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Zeker. Dit was namelijk een toezegging die al eerder gedaan was. Die ging over het in kaart brengen van het probleem van vernietiging van onverkochte goederen. Die was breder dan alleen textiel toen de toezegging indertijd werd gedaan en nu is die geformuleerd als alleen textiel. Breder en in het voorjaar, hoor ik. Oké.

De voorzitter:

Er staat hier ongebruikt textiel, maar daar gaan we dan het woord goederen tussenin zetten.

  • In het kader van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie komt de Staatssecretaris in een brief terug op de vragen over de recyclebaarheid van verpakkingen, waarin zij ook de handhaafbaarheid van de essentiële eisen opneemt.

  • De Staatssecretaris koppelt tevens de Kamer de uitkomsten terug over haar overleg met de branche over recycling van matrassen.

  • Ook op het punt van recycling van tapijt komt de Staatssecretaris terug in brief. We hebben geconstateerd dat dat dezelfde brief kan zijn – het wordt gecombineerd – waarin zij de Belgische aanpak betrekt.

  • De Kamer ontvangt nadere informatie over de actualisatie van de Taskforce Herijking Afvalstoffen en de punten van deze taskforce.

  • De Kamer ontvangt een brief de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen in afvalstromen. Dat zal gebeuren in het najaar van 2020.

  • De Staatssecretaris gaat na welke informatie zij kan vinden over de handhaving van het verbod op het veroorzaken van zwerfafval. Dat neemt zij op in de verzamelbrief die reeds genoemd is.

  • De Staatssecretaris zal in dezelfde brief nadere informatie opnemen, als zij die heeft, over het voorkomen van onjuiste transporten naar Azië van plastic afval.

Ik heb een nieuw woord geleerd vandaag, namelijk meestribbelen. Ik dank iedereen die hier aanwezig is geweest. Voordat ik de Staatssecretaris bedank, geef ik haar het woord.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Hartelijk dank, voorzitter. Een paar heel kleine puntjes bij de toezeggingen die u oplas.

Eerst de Belgische aanpak. Wij gaan zeker terugkomen op tapijt en heb gezegd dat ik wil kijken of we de Belgen kunnen betrekken bij die aanpak, maar dat is wat anders dan dat we de Belgische aanpak betrekken.

Dan de brief over ZZS. Ik gaf aan mevrouw Kröger aan dat we hopen dat het besluit in het najaar in werking zou kunnen treden.

Dan het verbieden van zwerfafval. Dat ging volgens mij over de brede aanpak voor het tegengaan van zwerfafval, inclusief de campagne waar onder andere de heer Von Martels aandacht voor vroeg. Daar komen we dus ook op terug.

De voorzitter:

Daar kan iedereen mee leven. Dan bedank ik... Ik ga zo toch weer eerst de Staatssecretaris bedanken, want elke keer als ik mensen wil bedanken dan hebben ze een vraag. Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):

Volgens mij zijn er vanuit de hele commissie vragen gesteld over het proces rond dat duurzaamheidskader voor biomassa. De Staatssecretaris heeft geschetst dat die rapporten er komen en dat daar wat mee wordt gedaan, dat het bij de SER wordt neergelegd en dat het dan bij de Kamer terugkomt. Is er daarvoor, dus voordat dat eindproduct er is, een moment waarop wij als Kamer geïnformeerd worden over waar het proces staat en waarop we ook de kans hebben om dat duurzaamheidskader nog te beïnvloeden?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

De Kamer heeft alle kans om het duurzaamheidskader te bespreken met het kabinet, maar dan wel als het pakket er ligt. Anders heb je of alleen het ene onderzoek of alleen het andere. Daarom hebben we de SER en ook het PBL gevraagd. Het is een heel proces dat er juist op is gericht om in ieder geval de input van alle kanten mee te kunnen nemen voordat we als kabinet met een voorstel daarvoor naar de Kamer komen op basis van dat SER-rapport. Dan is er uiteraard alle kans om met de Kamer daarover te spreken. Dat is de procedure zoals we die met elkaar hebben afgesproken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan dank ik de Staatssecretaris en de leden voor hun inbreng. Ik wens iedereen wel thuis en een goede avond. De mensen die het live hebben gevolgd, wens ik een goede avond.

Sluiting 20.22 uur.