Gepubliceerd: 8 november 2011
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32640-29.html
ID: 32640-29
Origineel: 32640-2

Nr. 29 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 8 november 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel III, onderdeel A, wordt het vierde lid van het voorgestelde artikel 6f vervangen door:

4. Ten behoeve van het verrichten van andere taken dan het verzorgen van onderwijs stelt het bevoegd gezag jaarlijks de data vast van ten hoogste negen werkdagen waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd, waarvan ten hoogste zes werkdagen onmiddellijk aansluitend en ten hoogste vijf werkdagen niet onmiddellijk aansluitend voor of na de voor de school op grond van artikel 22, tweede lid, vastgestelde zomervakantie.

B

In artikel IV, onderdeel B, ten tweede, wordt aan het slot van onderdeel i toegevoegd: en artikel 6f, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

C

In artikel IVB, onderdeel A, wordt het vierde lid van het voorgestelde artikel 12a vervangen door:

4. Ten behoeve van het verrichten van andere taken dan het verzorgen van onderwijs stelt het bevoegd gezag jaarlijks de data vast van ten hoogste negen werkdagen waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd, waarvan ten hoogste zes werkdagen onmiddellijk aansluitend en ten hoogste vijf werkdagen niet onmiddellijk aansluitend voor of na de voor de school op grond van artikel 45, tweede lid, vastgestelde grote vakantie.

D

In artikel IVC, onderdeel B, wordt «en artikel IV, onderdeel A» vervangen door: en artikel IV, onderdelen A en B.

Toelichting

Met deze nota van wijziging wordt het aantal dagen waarop leraren andere taken kunnen verrichten dan het verzorgen van onderwijs en waarop zij kunnen werken aan hun professionalisering uitgebreid ten opzichte van hetgeen was voorgesteld in het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2010/11, 32 640, nr. 2).

Onderdelen A en C

Met de onderdelen A en C wordt voorgesteld artikel 6f, vierde lid, WVO en artikel 12a, vierde lid, WVO BES van het oorspronkelijke wetsvoorstel te vervangen. Dit heeft tot gevolg dat voor respectievelijk Europees Nederland en Caribisch Nederland, op maximaal negen dagen per schooljaar ten behoeve van het verrichten van andere taken dan het verzorgen van onderwijs, geen onderwijs behoeft te worden verzorgd.

In het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel was sprake van maximaal vijf dagen die het bevoegd gezag ten behoeve van het uitvoeren van afrond- en opstartactiviteiten kon vaststellen onmiddellijk voor of na de centraal vastgestelde zomervakantie. Op deze dagen hoefde geen onderwijs te worden verzorgd. Het aantal dagen waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd, zodat op die dagen andere werkzaamheden verricht kunnen worden, wordt nu uitgebreid met vier tot een maximum van negen dagen. Maximaal zes van die dagen kunnen worden ingepland onmiddellijk aansluitend voor of na de centraal vastgestelde zomervakantie, bijvoorbeeld voor afrond- en opstartactiviteiten. Maximaal vijf dagen kunnen verspreid door het jaar worden ingezet en worden benut voor allerhande werkzaamheden van leraren. Deze dagen zijn ook beschikbaar voor professionalisering en scholing van leraren, zodat ook daarvoor meer tijd beschikbaar komt.

Hier staat ten eerste tegenover, dat feestdagen die in centraal vastgestelde vakantieweken vallen niet meer altijd volledig zullen worden gecompenseerd. Bij algemene maatregel van bestuur zal – conform de intentie bij het wetsvoorstel – geregeld worden dat feestdagen die in een centraal vastgestelde vakantieweek vallen, niet leiden tot een onderwijsvrije dag op een ander moment in het jaar. Dat is niet meer nodig nu het aantal werkdagen voor leraren waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd wordt uitgebreid tot negen: met twee van die negen dagen worden voor leerlingen feestdagen die in een centraal vastgestelde vakantie vallen al deels gecompenseerd.

Ten tweede zal het aantal roostervrije dagen in de, op grond van artikel 22, tweede lid, WVO vast te stellen, amvb worden beperkt (ten opzichte van het initiële voorstel) van vijf tot drie. De andere twee dagen worden toegevoegd aan de werkdagen waarop geen onderwijs verzorgd behoeft te worden op grond van artikel 6f, vierde lid. Op grond van het met het oorspronkelijke wetsvoorstel voorgestelde artikel 12, tweede lid, onderdeel r, van de Wet Medezeggenschap Scholen, moeten werkgevers en werknemers via de medezeggenschap afspraken maken over de invulling van roostervrije dagen op grond van artikel 22, tweede lid, WVO. Twee van deze dagen worden nu in artikel 6f, vierde lid, verankerd in plaats van in artikel 17 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. Daardoor worden dit nu ook dagen waarop leerlingen vrij kúnnen zijn en leraren altijd andere taken uitvoeren dan het verzorgen van onderwijs of professionaliseringsactiviteiten ondernemen. Daarnaast zijn er per schooljaar drie voor leerlingen roostervrije dagen, waarover werkgevers en werknemers kunnen afspreken of leraren erop al dan niet werkzaamheden dienen te verrichten. Op schoolniveau zou er ook voor gekozen kunnen worden dat ook leraren op deze dagen vrij zijn, bijvoorbeeld vanwege specifieke feest- en gedenkdagen, zoals Goede Vrijdag, Biddag en Dankdag en het Leids Ontzet.

Onderdeel B

In het oorspronkelijke wetsvoorstel was niet geregeld dat de medezeggenschapsraad inspraak zou hebben over de planning van de maximaal vijf dagen rondom de zomervakantie waarop in verband met afrond- en opstartactiviteiten geen onderwijs behoeft te worden verzorgd. Deze dagen zouden immers per definitie onmiddellijk aansluitend voor of na de zomervakantie vallen (waarvan in de praktijk doorgaans ten hoogste één of twee dagen erna); om de medezeggenschapsraad daarop instemmingsrecht te geven was niet nodig.

Nu het aantal dagen waarop geen onderwijs hoeft te worden verzorgd op grond van artikel 6f WVO echter wordt uitgebreid tot negen, waarvan er maximaal zes rondom de zomervakantie en maximaal vijf juist niet rondom de zomervakantie ingepland mogen worden, ligt het echter in de rede de medezeggenschapsraad daar wel inspraak over te geven. Zeker de planning van de vijf dagen die verspreid door het jaar kunnen worden ingezet, heeft consequenties voor ouders, leerlingen en leraren. Daarom wordt nu met onderdeel B aan artikel 10, onderdeel i, van de WMS toegevoegd dat alle geledingen van de medezeggenschapsraad instemmingsrecht hebben op de vaststelling of wijziging van de data waarop deze (maximaal negen) dagen worden gepland.

In artikel 12, eerste lid, onderdeel r, van de WMS wordt geregeld dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad ook instemmingsrecht heeft op de invulling van de dagen, bedoeld in artikel 6f, vierde lid (welke werkzaamheden verrichten zij op die dagen, of zijn zij dan vrij?). In het initiële voorstel werd daarbij alleen verwezen naar de vijf voor leerlingen roostervrije dagen «ter compensatie van de zevende week zomervakantie» (de dagen op grond van het tweede lid van artikel 22 WVO). Met de aangepaste formulering van artikel 10, onderdeel i, WMS heeft dit instemmingsrecht van de personeelsgeleding nu betrekking op de invulling van zowel de negen dagen op grond van artikel 6f, vierde lid, als op de drie roostervrije dagen, bedoeld in artikel 17 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. De ruimte voor mogelijke invullingen door leraren van de dagen waarop op grond van artikel 6f, vierde lid, geen onderwijs hoeft te worden verzorgd, is wel ingekaderd. Op de negen dagen op grond van artikel 6f moeten leraren werkzaamheden verrichten (het zijn dus voor leraren expliciet geen vrije dagen), maar welke werkzaamheden, taken of (professionalisering-)activiteiten dit zijn en hoe deze worden uitgevoerd, is onderwerp van gesprek met en instemming door de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad. Alleen over de drie voor leerlingen per definitie roostervrije dagen bedoeld in artikel 17 van het Inrichtingsbesluit, kunnen werkgevers en werknemers afspreken of deze dagen voor leraren vrij zijn of voor andere taken worden benut dan het verzorgen van onderwijs.

Onderdeel D

Dit onderdeel voorziet in de samenloop met de Wet maatschappelijke stage, die inmiddels in werking is getreden en voorziet in een juiste nummering van de artikelen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart