Gepubliceerd: 6 april 2011
Indiener(s): Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA), Frans Weekers (staatssecretaris financiƫn) (VVD), Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32618-13.html
ID: 32618-13
Origineel: 32618-2

Nr. 13 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 6 april 2011

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel C wordt artikel 7.45a als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «sedert 1991» vervangen door: sedert 1 september 1991.

b. Het achtste lid komt te luiden:

8. Voor de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een mastergraad heeft behaald, gelijkgesteld:

a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002;

b. een student die op grond van artikel 18.14 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs; en

c. een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.

2. In onderdeel C wordt artikel 7.45b als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt «bedoeld in in het eerste lid» vervangen door «bedoeld in het eerste lid»en wordt «naar boven afgerond» vervangen door «zonodig naar boven afgerond».

b. Het derde lid komt te luiden:

3. Het aantal studiejaren van een student, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door een optelling van diens inschrijvingen op de peildatum in enig jaar vanaf 1 september 1991. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de peildatum, bedoeld in de eerste volzin, vastgesteld en kunnen overige aspecten van de berekening van het aantal studiejaren worden geregeld.

3. In onderdeel D wordt in het zevende lid van artikel 7.48 «en 7.46,» vervangen door: en 7.46.

4. In onderdeel H komt artikel 18.79 als volgt te luiden:

Artikel 18.79 Vaststelling peildatum

1. In afwijking van artikel 7.45b, derde lid, wordt de peildatum voor het studiejaar 2011–2012 bij wet vastgesteld.

2. De peildatum, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 30 september.

B

In artikel II, aanhef, wordt na «(ruim baan voor talent) (32 253)» ingevoegd: met uitzondering van artikel I, onderdeel F.

C

In artikel III, aanhef, wordt na «(ruim baan voor talent) (32 253)» ingevoegd: met uitzondering van artikel I, onderdeel F.

D

Voor de tekst van artikel IV wordt na «De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:» een «A» geplaatst en na dat onderdeel wordt een onderdeel B toegevoegd, luidende:

B

Na artikel 12.1a wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 12.1a0. Afwijking van artikel 2.1

1. In afwijking van artikel 2.1 regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.

2. Het langstudeerderskrediet is een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het studiejaar 2011–2012, 2012–2013 of 2013–2014. Het langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan een iemand die:

a. voor 1 september 2011 aanspraak op studiefinanciering had;

b. op het moment van aanvraag geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en

c. het verhoogde wettelijke collegegeld verschuldigd is op grond van artikel 7.45b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3. Het langstudeerderskrediet voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het langstudeerderskrediet.

5. Hoofdstuk 6 en 10a en de artikelen 7.1 en 7.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

A, onderdeel 1.

Dit onderdeel behelst een technische aanpassing. In artikel 7.45a is geregeld in welke gevallen een student aanspraak maakt op wettelijk collegegeld. Het komt erop neer dat die aanspraak beperkt is tot studenten die nog niet eerder een graad in het hoger onderwijs hebben behaald. Dit stelsel is ingevoerd door de Wet versterking besturing. Daarbij was het de bedoeling dat, te rekenen vanaf 1991, ook de hoger onderwijs diploma’s van vóór de bachelor-master structuur zouden worden meegenomen. De desbetreffende bepaling (artikel 7.45, zevende lid) sloot op die bedoeling echter onvoldoende aan. Artikel 7.45a, achtste lid, van dit wetsvoorstel beoogde dat te corrigeren, maar ook die wijziging blijkt bij nader inzien niet correct naar de beoogde «oude gevallen» te verwijzen. Dat is in dit onderdeel alsnog gebeurd. Omwille van de duidelijkheid is er voor gekozen de datum vanaf wanneer inschrijvingen meetellen precies te duiden.

A, onderdeel 2.

In artikel 7.45b, tweede lid, staat abusievelijk 2 maal «in». Ook is de afronding van het aantal studiepunten verduidelijkt. Het is uiteraard alleen de bedoeling studiepunten naar boven af te ronden indien dat noodzakelijk is. Zestig studiepunten blijven zestig studiepunten en hoeven niet afgerond te worden. In het derde lid komt de functie van de peildatum onvoldoende tot uitdrukking. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

A, onderdeel 3.

De komma aan het einde is vervangen door een punt.

A, onderdeel 4.

Voor artikel 18.79 geldt dat de functie van de peildatum in het oorspronkelijke voorstel onvoldoende tot uitdrukking komt. De suggestie wordt gewekt dat de peildatum uitsluitend wordt toegepast in het jaar 2011. De peildatum heeft echter niet alleen betrekking op het jaar 2011, maar op alle in aanmerking komende «teljaren» als bedoeld in artikel 7.45b. Het artikel is verduidelijkt, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd.

B en C

Door een wijziging in de inwerkingtredingsbepaling van het wetsvoorstel ruim baan voor talent (32 253) zijn de samenloopbepalingen gewijzigd om materieel dezelfde samenloop te houden.

D

Deze aanvulling van het overgangsrecht betreft de tijdelijke, extra leenvoorziening voor langstudeerders die geen of onvoldoende aanspraak meer kunnen maken op collegegeldkrediet als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000, zoals aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag met betrekking tot dit wetsvoorstel. Met deze overgangsregeling kan de opslag gedurende drie extra jaren worden geleend. Het betreft geen studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinanciering 2000.

Een deel van de langstudeerders heeft met ingang van 1 september 2011 geen of onvoldoende recht op studiefinanciering en kan het verhoogde collegegeld dus niet (geheel) lenen. Om ook voor deze groep de overgang naar de nieuwe situatie (verhoogd collegegeld) te faciliteren, wordt tijdelijk een extra leenmogelijk gecreëerd. De regeling geldt voor een overgangstermijn van 3 jaar, van 1 september 2011 tot 1 september 2014. Het bedrag dat geleend kan worden, betreft het verschil tussen het wettelijk collegegeld volgens het basistarief en het verhoogd wettelijk collegegeld. Het bedrag wordt verleend op aanvraag en wordt eenmaal per jaar uitbetaald. Aanvragen kunnen gedurende het gehele studiejaar worden ingediend. Op de lening zijn voor het overige dezelfde voorschriften van toepassing als op de reguliere studieschuld (renteregeling en terugbetaling volgens draagkracht). De lening wordt toegevoegd aan een (eventuele) bestaande studieschuld. De hoofdstukken 6 en 10a van de WSF 2000 zijn van overeenkomstige toepassing verklaard zodat dezelfde regels gelden bij terugbetaling van het langstudeerderskrediet als bij terugbetaling van de studieschuld opgebouwd door studiefinanciering. Ook de artikelen 7.1 en en 7.3 zijn van overeenkomstige toepassing. Hierdoor kunnen beschikkingen met betrekking tot het langstudeerderskrediet herzien worden als beschikkingen voor studiefinanciering.

De lening is dus bedoeld voor studenten (voltijd, duaal en deeltijd) die:

  • in september 2011, 2012 en/of 2013 langstudeerder zijn en die het verhoogd wettelijk collegegeld moeten betalen;

  • die geen recht meer hebben op studiefinanciering; maar

  • dat recht in het verleden wel hebben gehad.

Naar verwachting komen in het studiejaar 2011–2012 ongeveer 40 000 studenten voor deze lening in aanmerking. De inschatting is dat 10 000 tot 15 000 langstudeerders gebruik gaan maken van de extra leenvoorziening.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra