Kamerstuk 32500-VIII-180

Lijst van vragen en antwoorden inzake de beleidsreactie op het Onderwijsverslag 2009-2010 van de Inspectie van het Onderwijs

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2011

Gepubliceerd: 10 juni 2011
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32500-VIII-180.html
ID: 32500-VIII-180

Nr. 180 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2011

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 20 april 2011 inzake de beleidsreactie op het Onderwijsverslag 2009–2010 van de Inspectie van het Onderwijs (Kamerstuk 32 500 VIII, nr. 163).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2011. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

De griffier van de commissie,

De Kler

1

Hoe garandeert u de onderwijskwaliteit wanneer reboundvoorzieningen of opvangprojecten niet meer bestaan? Waar verwacht u dat deze leerlingen terecht komen?

Ook in de toekomst blijft de mogelijkheid bestaan voor de inrichting van bijvoorbeeld reboundvoorzieningen.

De reboundmiddelen gaan naar de nieuwe samenwerkingsverbanden passend onderwijs voortgezet onderwijs en maken onderdeel uit van het zorgbudget. Daarnaast worden ook de middelen voor het project Herstart en een deel van de middelen voor het project Op de rails toegevoegd aan het zorgbudget voor de samenwerkingsverbanden.

2

Waarom wordt er in plaats van een dag per week, slechts zes uur per maand besteed aan begeleiding van startende leraren?

Op basis van de beschikbare gegevens is op deze vraag geen antwoord te geven. Wat bekend is, is dat in het primair onderwijs een beginnende leraar per maand gemiddeld zes uren wordt begeleid. Dat aantal uren varieert wel sterk per school: van 1 uur per maand tot 30 uur per maand. De cijfers in het onderwijsverslag hebben uitsluitend betrekking op het primair onderwijs. In het voortgezet onderwijs heeft de startende leraar recht op extra uren voor begeleiding en voorbereiding. Sociale partners hebben dat in de CAO vastgelegd. Deze lesvrije uren zijn niet alleen bestemd voor begeleiding – dat wil zeggen voor contacturen met een coach of mentor – maar ook voor zelfstandige voorbereiding.

3

Waarom slagen scholen in het noorden en in de grote steden er niet in om hun kwaliteit te verbeteren, terwijl juist hier leerlingen zitten die goed onderwijs nodig hebben?

Vooropgesteld wordt dat goed onderwijs voor alle leerlingen belangrijk is, ongeacht hun woonplaats. En het is goed om te constateren dat ook in het noorden en de grote steden steeds meer scholen tenminste voldoende kwaliteit weten te realiseren. De trend in deze regio’s is positief. Toch zijn scholen daar nog altijd vaker dan gemiddeld zwak of zeer zwak. Overigens is het niet zo dat het om een statische groep scholen gaat. Zwakke en zeer zwakke scholen weten zich over het algemeen binnen de gestelde termijnen te verbeteren, maar er ontstaan in deze regio’s steeds «nieuwe» (zeer) zwakke scholen.

Het is onmogelijk om één reden aan te wijzen waarom scholen in deze regio’s een grotere kans hebben om (zeer) zwak te worden; het gaat altijd om complexen van factoren. Zo kan er sprake zijn van gebrekkige onderwijskundige aansturing, hebben leraren te lage verwachtingen van leerlingen of is de leerlingenzorg niet goed georganiseerd.

Hoe dit ook zij, uit de cijfers en analyses van de inspectie blijkt telkens weer dat scholen in vergelijkbare omstandigheden heel verschillend presteren. Sommige scholen doen het goed, andere weer minder. En dat betekent dat er zeker op deze laatste groep scholen ruimte is voor verbetering. Die verbetering kan gerealiseerd worden als scholen meer opbrengstgericht gaan werken. Niet alleen de zwakke of zeer zwakke scholen, maar ook de scholen die nu al een voldoende hebben van de inspectie.

4

Hoe komt het dat het niveau daalt, ook al is hier de laatste jaren meer aandacht voor?

Is deze daling in prestatie dankzij, of ondanks de extra aandacht voor deze kernvakken?

Welke initiatieven rondom deze kernvakken hebben wel resultaat gehaald, welke niet?

De inspectie constateert een geringe daling bij de centrale examens van de kernvakken. Het algemene niveau van de examenuitslagen is echter relatief constant.

De daling van de cijfers van de centrale examens van de kernvakken heeft niets te maken met de

extra aandacht voor de kernvakken, maar zijn mogelijk het gevolg van een andere instroom van leerlingen.

Extra aandacht voor de kernvakken zal eerst effect hebben op de examenleerlingen in het jaar 2012, omdat de maatregelen in dat kader vanaf het jaar 2010 zijn gestart voor de bovenbouw leerlingen. Deze leerlingen hebben tot heden nog geen examen gedaan en zitten niet in de telling van de inspectie.

5

Hoe gaat u strategisch gedrag voorkomen bij scholen die ermee rekening houden dat de opbrengsten voor de basisvaardigheden taal en rekenen verscherpt in de gaten worden gehouden en daartoe de overige vaardigheden die wel degelijk tot het kerncurriculum worden gerekend, verwaarlozen?

In het basisonderwijs heeft de inspectie bij het beoordelen van opbrengsten altijd alleen gekeken naar prestaties voor taal en rekenen. De inspectie beschikt ook niet over prestatiegegevens over andere vakgebieden. De inspectie let wel op de breedte van het curriculum en maakt daar zo nodig opmerkingen over. En zo nodig wordt gekeken naar het rendement (zittenblijven, uitstroom) en de opbrengsten van zorgleerlingen.

In het voortgezet onderwijs kijkt de inspectie naar het rendement van de onderbouw, het rendement van de bovenbouw, het gemiddeld examencijfer en het verschil tussen de cijfers voor het centraal examen en het schoolexamen. Het gemiddeld examencijfer is dus veel breder dan alleen de vakken wiskunde en Nederlands.

Het is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen dat het onderwijsaanbod de kerndoelen omvat. De inspectie ziet er op toe dat hier voldoende aandacht aan wordt besteed. Dat gebeurt door niet alleen prestaties, maar ook andere opbrengstindicatoren zoals het rendement te onderzoeken.

6

Welke rol ziet u voor de onderwijsinspectie weggelegd bij de beoordeling van de onderwijshuisvesting en het binnenklimaat in de scholen?

De beoordeling van de (bouwtechnische) kwaliteit van het schoolgebouw en het binnenklimaat, of in bredere zin de arbeidsomstandigheden binnen de school, is geen taak van de onderwijsinspectie maar van de arbeidsinspectie.

7

Wat zijn de bevindingen en conclusies met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief in het speciaal basisonderwijs?

De bevindingen zijn positief. De scholen voor speciaal basisonderwijs hebben laten zien dat zij de kwaliteit van hun onderwijs met behulp van het ontwikkelingsperspectief snel hebben kunnen verbeteren. Wel is het zaak de vinger aan de pols te houden. Eenderde van de scholen die in 2005/2006 voldoende kwaliteit lieten zien, heeft namelijk sindsdien te weinig vorderingen gemaakt. Daarmee wordt het belang van een zorgvuldige introductie en begeleiding van scholen voor (v)so bij de implementatie van het ontwikkelingsperspectief onderstreept.

8

Hoe gaat u voorkomen dat het accent op speciale trajecten ten koste gaat van de reguliere programma's?

Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het stellen van prioriteiten en dus ook voor de mate waarin ze het accent leggen op speciale trajecten en welke keuzes ze maken – binnen de grenzen van rechtmatigheid en doelmatigheid – bij de interne verdeling van rijksbijdrage. Via het system van accreditatie wordt de basiskwaliteit van de reguliere programma’s geborgd. Verder zijn er de meerjarenafspraken met de VSNU en de HBO-raad, waaronder de afspraak dat in 2014 10% van de bachelorstudenten deelneemt aan opleidingstrajecten die aanmerkelijk meer van studenten vragen dan de doorsnee opleidingen, gepaard gegaan met extra investeringen in studiesucces.

9

Wat zijn criteria om deel te nemen aan een excellentieprogramma?

Scholen bepalen zelf in overleg met de leerling en ouders of een leerling deelneemt aan een excellentieprogramma. Er zijn geen landelijke criteria. Er zijn grote verschillen tussen individuele excellente leerlingen en hun excellentie kan zich op veel verschillende manieren openbaren. Landelijke criteria zouden scholen beperken in de mogelijkheid excellente leerlingen het maatwerk te bieden dat noodzakelijk is voor de versterking van hun leerprestaties.

10

Zal de introductie van de reken- en taaltoets binnen de slaag/zak-regeling voor het voortgezet onderwijs zodanig plaatsvinden dat leerlingen vanaf hun start in de bovenbouw hierop kunnen anticiperen? Zo nee, waarom niet?

Het antwoord op deze vraag is bevestigend, maar er wordt alleen een rekentoets ingevoerd.

Bij de eerste afname van de rekentoets in 2014 is rekening gehouden met het feit dat leerlingen vanaf de bovenbouw hierop kunnen anticiperen. Leerlingen in het vwo starten hun bovenbouw per 1 augustus 2011 en leggen de toets af in 2014 en voor vmbo en havo is dit 1 augustus 2012 in verband met de tweejarige bovenbouw. Bovendien zullen vóór 1 oktober 2011 de voornemens rondom de nadere bepalingen voor de rekentoets bekend worden gemaakt.

11

Vormen de excellentieprogramma’s een apart programma, bovenop het reguliere programma en komt dit tot uiting in het vo-diploma?

De daadwerkelijke invulling van de excellentie programma’s is aan de scholen zelf. Maatwerk voor de leerlingen is hierbij een belangrijke factor.

De programma’s kunnen zich richten op verdieping/verrijking van het reguliere programma (bijvoorbeeld extra opdrachten) en/of op aanvullende programma’s zoals pre-university trajecten. Leerlingen die een pre-university traject volgen krijgen naast het reguliere vo-diploma, een aanvullend getuigschrift.

12

Hoe wordt voorkomen dat vo-leerlingen die niet deelnemen aan een excellentieprogramma, worden uitgesloten van goed onderwijs?

Uitgangspunt is en blijft goed onderwijs voor iedereen. Het actieplan Beter presteren dat ik op 23 mei jl. naar uw Kamer heb gestuurd, zet in op versterking van de ambitie en betere prestaties van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Daarnaast gaat extra aandacht uit naar de 20% in potentie best presterende VWO leerlingen.

13

Gaan de excellentieprogramma’s in het vo niet ten koste van het reguliere onderwijstraject?

Nee, het gaat om een verdieping/verrijking van het reguliere onderwijstraject en/of een aanvulling op het reguliere programma.

14

Hoe wordt het interne toezicht versterkt?

In het actieplan mbo 2011–2015 «Focus op vakmanschap» is aangegeven dat door de samenwerking met het Platform raden van toezicht mbo-instellingen worden aangespoord om periodiek de stand van het interne toezicht op te maken, ontwikkelingen in de sector te bespreken en het Platform te ondersteunen bij de professionalisering van de leden van raden van toezicht. Voorts is er een voornemen om individuele raden van toezicht direct aan te spreken als een situatie daarom vraagt. In 2011 wordt de branchecode «Goed bestuur in de bve-sector» geëvalueerd. Mede op basis van de uitkomsten van deze evaluatie en de aanbevelingen van de Commissie Onderwijs en Besturing BVE wordt eind 2011 een voorstel gepresenteerd om de (positie van) raden van toezicht wettelijk te versterken. Bijvoorbeeld door het college van bestuur te verplichten bepaalde informatie zoals inspectierapporten en verbeterplannen ongevraagd aan de raad van toezicht aan te bieden en de raad van toezicht te verplichten in het geïntegreerd jaarverslag aan te geven hoe het interne toezicht wordt uitgeoefend. Daarnaast ben ik voornemens voor leden van raden van toezicht een vorm van certificering toe te passen.

De inspectie zal het overleg aangaan met de raad van toezicht van een instelling als de continuïteit van de instelling in gevaar komt of ernstige tekortkomingen hardnekkig blijken te zijn.

15

Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat ook ervaren docenten in voldoende mate onderwijs geven in het wetenschappelijk bacheloronderwijs, in relatie tot hetgeen wordt gesteld in het Onderwijsverslag2 op pagina 141?

De inspectie refereert hiermee aan een kanttekening van de NVAO dat universiteiten het bacheloronderwijs (in vergelijking met het masteronderwijs) soms aan minder ervaren docenten overlaten.

De wijze waarop docenten in het wetenschappelijk onderwijs worden ingezet, wordt bepaald door de universiteiten zelf.

De Nederlandse universiteiten hebben in 2007 de kwaliteit en het studiesucces van studenten in de bachelorfase tot prioriteit benoemd. In de meerjarenafspraken op basis van «Het Hoogste Goed», de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek-, en wetenschapsbeleid zijn hierover afspraken gemaakt. De inzet van goed onderwijspersoneel is daarbij een vereiste: om dit te bevorderen zijn in het wetenschappelijk onderwijs op succesvolle wijze de basis- en senior (of uitgebreide) kwalificatie geïntroduceerd om ervoor te zorgen dat beginnende en zittende docenten goed geëquipeerd zijn voor hun onderwijstaak. Het aantal behaalde basis- en senior kwalificaties onderwijs wordt jaarlijks gemonitord. Op deze aandacht voor onderwijs (naast onderzoek), met name ook in de bachelorfase, wordt in de nieuwe Strategische Agenda die u binnenkort zult ontvangen, voortgebouwd.

16

Hoe zal er worden bijgedragen aan verdere kwaliteitsverbetering van onderwijspersoneel binnen het hbo-onderwijs?

Dit zal worden uiteengezet in het Actieplan Leraar 2020 – een krachtig beroep!, dat 23 mei jl. aan uw Kamer is aangeboden.

17

Hoe verklaart u dat de beroepspraktijkvorming en de intake bij het middelbaar groen beroepsonderwijs (dus bij de AOC's3) zoveel beter kunnen zijn dan bij de andere instellingen (dus bij de ROC's4)?

Naast de vele andere kwaliteitsindicatoren heeft de inspectie in de sectoren economie en groen ook de intake en de beroepspraktijkvorming beoordeeld. Uit de scores blijkt dat voor beide indicatoren 3% meer groene opleidingen een voldoende beoordeling kregen dan de economische opleidingen. Dit kleine verschil in scores is niet nader geanalyseerd.

18

Wat zegt de constatering van de inspectie dat de examenkwaliteit van het mbo-groen «zwaar onvoldoende» is, over de civiele waarde van de diploma’s die daar worden uitgereikt? Op welk termijn is het haalbaar dat de uitgereikte diploma’s wel waard zullen zijn wat erop staat?

De inspectie stelt in haar Onderwijsverslag dat de examens van het groen MBO in 2009 van onvoldoende kwaliteit waren. De tekortkomingen lagen in de sfeer van toetstechnische gebreken en het niet voldoen aan de inhoudelijke uitstroomeisen. De onvoldoende kwaliteit was het gevolg van een onjuiste toepassing van «De Groene Standaard» als standaard examenproduct voor de AOC. De examentoetsen van «De Groene Standaard» waren namelijk in de meeste gevallen kadertoetsen, die AOC zelf nog moesten aanvullen. AOC zijn er echter vanuit gegaan dat ze complete toetsen hadden ingekocht en gebruikten deze dus zonder eigen aanpassingen. Daardoor kregen de AOC in die gevallen een onvoldoende voor de examinering.

Voldoende examenkwaliteit is een waarborg voor de waarde van het diploma. Onvoldoende examenkwaliteit impliceert daarentegen niet noodzakelijkerwijs dat de individuele diploma’s van minder waarde zijn. Bij onvoldoende examenkwaliteit kán een student immers wel aan de eisen voldoen, alleen is niet goed vast te stellen óf dat daadwerkelijk zo is.

De civiele waarde van de diploma’s in de groene sector, dat wil zeggen de civiele waarde op de arbeidsmarkt, staat overigens niet ter discussie. Verbetering van de examenkwaliteit is essentieel, om de waarde van het diploma te blijven garanderen. Hiervoor is voortdurende inspanning van de instellingen en «De Groene Standaard» (als examenleverancier) nodig. De AOC werken momenteel hard aan een verbetertraject met tot doel om de examenkwaliteit op orde te krijgen. Nog dit jaar zal de inspectie de examenkwaliteit opnieuw beoordelen en hierover rapporteren. De verwachting is dat door de ingezette verbetermaatregelen de examenkwaliteit van voldoende niveau zal zijn.

19

Als uit het verslag van de inspectie blijkt dat er veel onbevoegden voor de klas staan en dat door deze onbevoegden de kwaliteit van het onderwijs er niet beter op wordt, welke beperkingen gaat u, anders dan de toezegging die in de beleidsbrief wordt vermeld, invoeren om de uitzonderingen op de bevoegdheidseisen in de wet in te perken?

Onbevoegdheid in het onderwijs levert een zeker risico op voor de kwaliteit van het onderwijs. Drie interventies zijn nodig om de onbevoegdheid in het onderwijs terug te dringen:

In de beleidsreactie heb ik reeds aangegeven het derde lid van artikel 33 WVO aan te gaan scherpen. De bedoeling van de aanscherping is dat de inzet van een onbevoegde docent maximaal een jaar mag duren. Na dat jaar moet de docent in opleiding en krijgt hij nog maximaal twee jaar de tijd om aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen te voldoen.

Daarnaast is meer toezicht door de inspectie nodig, zowel risicogestuurd kwaliteitstoezicht als nalevingstoezicht. Met de inspectie overleg ik over de op handen zijnde wijziging van de Wet op het Onderwijstoezicht en het toezicht van de inspectie op onbevoegdheid van docenten en de onbevoegd gegeven lessen. Dit jaar vinden pilots plaats met het toezicht op het leraarschap; na vaststelling van het toezichtkader zal de inspectie in 2012 hiermee gaan werken.

Ten derde wordt overleg gevoerd met de VO-raad en de inspectie over de mogelijkheden voor horizontale verantwoording, georganiseerd door de sector zelf. Bezien wordt of via de website van de VO-raad, www.venstersvoorverantwoording.nl aandacht kan worden besteed aan bevoegdheidscijfers op schoolniveau.

20

Kunt u een overzicht geven per LA-trede van de leerkrachten die in schooljaar 2010–2011 zijn gepromoveerd van LA naar LB? Kunt u per LA-trede het aantal docenten aangeven dat een LB-functie heeft gekregen?

Deze gegevens zijn een half jaar na afsluiting van het genoemde schooljaar 2010–2011 bekend (dus voorjaar 2012). In dit verband wordt ook verwezen naar de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Dijsselbloem van uw Kamer over de financiering van de functiemix van leraren (ingezonden op 22 maart 2011, kenmerk 2011Z05839).

21

Deelt u de mening, dat het logischer is dat een medewerker met meer ervaring eerder in aanmerking komt voor promotie dan een medewerker met minder ervaring? Zo ja, kunt u aangeven hoe u het financieel kader voor de functiemix hierop gaat aanpassen? Zo nee, graag een toelichting.

Ik deel die mening niet. De functiemix beoogt een kwaliteitsimpuls te geven aan het onderwijs door leraren op basis van kwalitatieve promotiecriteria te bevorderen naar een hogere schaal. Dat betekent dat bijvoorbeeld het uitvoeren van specifieke taken, het excellent functioneren, het om kunnen gaan met leerlingen met specifieke behoeften of het op zich nemen van meer verantwoordelijkheden aanleiding kunnen zijn voor promotie in het kader van de functiemix. Leraren met uiteenlopende jaren ervaring kunnen daarom in aanmerking komen voor promotie. Ervaring (anciënniteit) als zodanig telt niet als mogelijk kwalitatief promotiecriterium.

22

Kunt u aangeven wanneer u de Kamer kunt informeren over hoeveel de gemiddelde personeelslasten in 2010–2011 zijn toegenomen? Kan daarbij ook een overzicht worden verstrekt van de verschillende soorten schoolbesturen (grote en kleine)?

Een inschatting van de ontwikkeling van de (gerealiseerde) personeelslasten kan worden gegeven wanneer alle gegevens over salarisberekening binnen zijn. De financiële gegevens worden op basis van kalenderjaren verwerkt. De Dienst Uitvoering Onderwijs verwerkt momenteel de door salarisverwerkers (Raet, ADP, Merces, Centric, etc.) aangeleverde definitieve financiële gegevens over het kalenderjaar 2010. Een inschatting van de gerealiseerde personeelslasten voor 2010 is in september 2011 beschikbaar. Bij deze inschatting is een onderscheid te maken tussen grote en kleine schoolbesturen.

23

Kunt u aangeven of de stijging van de gemiddelde personeelslasten volledig gedekt wordt door de bedragen die vastgesteld zijn voor de bekostiging van het Convenant LeerKracht? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, deelt u de mening dat het voor de schoolbesturen moeilijk wordt uitvoering te geven aan het Convenant LeerKracht als het gaat om de invoering van de functiemix?

Het antwoord op vraag 22 betekent dat er in september 2011 een antwoord gegeven kan worden op uw vraag of de stijging van de gemiddelde personeelslasten volledig wordt gedekt door de extra middelen op basis van het convenant. De hoogte van de bekostigde gemiddelde personeelslast (gpl) en de financiële ruimte voor scholen wordt bepaald door een reeks van factoren, waaronder (maar niet uitsluitend) de functiemix in samenhang met inkorting van de carrièrepatronen.

24

Kunt op grond van de huidige afspraken een overzicht geven van de bekostiging van de functiemix in meerjarig perspectief, zodat schoolbesturen hierop kunnen anticiperen in hun meerjarenbegroting? Zo ja, wanneer? Zo nee, kunt u dit toelichten?

Op macroniveau loopt de bekostiging van het Convenant (functiemix, kortere salarislijnen, schaaluitloopbedrag, verbetering salarispositie adjunct-directeuren, toelage directeuren) op: in 2010 € 176 miljoen, in 2015 € 257 miljoen, oplopend tot € 311 miljoen vanaf 2019. Deze bedragen zijn hoger dan de bedragen die zijn opgenomen in het convenant in verband met loonbijstellingen tot en met 2009. Het gaat hierbij om het financieel kader voor alle maatregelen in het convenant met betrekking tot het primair onderwijs.

Het bedrag dat een bestuur daarvoor ontvangt, is een percentage van de gpl waarbij het absolute bedrag dat beschikbaar is vanuit het convenant afhangt van de hoogte van de gpl van dat specifieke bestuur.

Het is aan een schoolbestuur zelf om een goede meerjarenbegroting op te stellen en daarbij de consequenties te bezien van het personeelsbeleid waaronder uitvoering van de functiemix.

25

Wordt in het Actieplan «Leraar 2020» ook het tekortschieten van de lerarenopleidingen meegenomen? Op wat voor manier?

Op dit punt wordt verwezen naar het antwoord op vraag 113 over het Onderwijsverslag.

26

Kan de uiterste consequentie van de toegezegde aanpassing van artikel 33 lid 3 WVO (Wet op het Voortgezet Onderwijs) worden dat een school die moeite heeft om een bevoegde docent voor een vak te werven een vacature moet verkiezen boven de inzet van een onbevoegde docent die het nalaat om zijn bevoegdheid te behalen? Welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag?

Zoals in het antwoord op vraag 19 is aangegeven, vind ik het met het oog op de kwaliteit van het onderwijs noodzakelijk de voorwaarden van artikel 33, derde lid, WVO aan te scherpen. Een school moet de mogelijkheid houden tijdelijk een onbevoegde docent in te zetten; lesuitval moet voorkomen worden. Het onbevoegd lesgeven door een docent moet wel zo kort mogelijk duren Door de bedoelde wetswijziging kan een docent maximaal een jaar onbevoegd lesgeven op een school. Verlenging daarvan, kan dat slechts indien de docent in opleiding gaat om binnen twee jaar te voldoen aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen.

27

In hoeverre komt er een gericht nascholingsaanbod dat leraren beter in staat moet stellen om te gaan met onderlinge verschillen tussen leerlingen? Hoe gaat u het gebruik van dit nascholingsaanbod stimuleren?

Er is momenteel al sprake van een opleidingsaanbod dat zich richt op het omgaan met zorgleerlingen en verschillen tussen leerlingen. Bijvoorbeeld de master Special Educational Needs (SEN), korte opleidingen voor intern begeleider, voor remedial teacher en op het terrein van dyslexie en autisme. Het is echter niet duidelijk of dit aanbod voldoende aansluit (kwantitatief en kwalitatief) bij de opleidingsbehoefte van leraren en scholen. Dit jaar wordt daarom een onderzoek gedaan naar mogelijke discrepanties tussen vraag naar en aanbod van nascholing, ook op het terrein van differentiëren. In dit kader wordt ook onderzocht welke mogelijkheden er zijn om – indien nodig – de ontwikkeling van een specifiek opleidingsaanbod te stimuleren en hoe de vraagzijde (leraren, scholen) en aanbodzijde (aanbieders van scholing) beter op elkaar afgestemd kunnen worden.

28

Hoeveel scholen voor voortgezet onderwijs verzorgen meer dan 27 uur te weinig onderwijstijd en worden daarom voor die uren gekort op hun budget? Welk deel daarvan vormen de «recidivisten»?

Uit het onderzoek over de gerealiseerde onderwijstijd 2009/2010 komen 20 scholen die volgens hun eigen opgave in één of meer leerjaren meer dan 27 uur te weinig onderwijstijd gerealiseerd hebben. Van die scholen staan er 9 reeds onder verscherpt toezicht (2 scholen vanuit uit het onderzoek 2006/2007, 3 scholen uit het onderzoek 2007/2008, 4 scholen uit het onderzoek 2008/2009). Van de 20 komen er 11 uit het onderzoek 2009/2010.

In de maanden mei en juni van dit jaar voert de inspectie op deze 20 scholen verificatieonderzoek uit. Na dit verificatieonderzoek wordt duidelijk bij welke scholen terugvordering van een deel van de bekostiging zal plaatsvinden.

29

Gaat u instellingen die de wetgeving voor de ouderbijdrage niet correct naleven ook op enigerlei wijze sanctioneren? Zo ja, hoe dan? Zo neen, waarom niet?

Ja. Allereerst wordt het bestuur van de instelling opgedragen te voldoen aan de wettelijke vereisten waarbij aangekondigd wordt dat bij het niet voldoen een sanctie kan volgen. Wanneer de vastgestelde overtreding na de hersteltermijn niet is opgeheven, wordt de aankondiging van de sanctie na vier weken omgezet in een besluit tot een bekostigingsmaatregel (de sanctie).

30

In hoeverre doet de invalshoek van een juiste balans tussen ruimte en regels voor onderwijsinstellingen tevens recht aan de ruimte voor docenten en leraren die als professional voor de klas staan? Met andere woorden: wat schiet een docent ermee op als zijn of haar professionele ruimte niet door regels van het ministerie maar door regels van de onderwijsinstelling wordt ingesnoerd?

Dit is een terechte vraag en een van de redenen om het wetsvoorstel versterking positie leraar in te dienen.