Kamerstuk 32426-18

Amendement van het lid Van Toorenburg over de opname van een bijzondere regeling voor de uittredingsprocedure

Dossier: Aanpassing van de wetgeving aan en invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht)

Gepubliceerd: 26 september 2011
Indiener(s): Madeleine van Toorenburg (CDA)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32426-18.html
ID: 32426-18
Wijzigingen: 32426-20

Nr. 18 AMENDEMENT VAN HET LID VAN TOORENBURG

Ontvangen 26 september 2011

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I.2 worden na onderdeel X twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Xa

Artikel 343 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de derde volzin een volzin ingevoegd, luidende:

Voorts kan een vordering tegen de vennootschap of een medeaandeelhouder niet worden toegewezen indien de vennootschap of een medeaandeelhouder aan de aandeelhouder een onherroepelijk, onvoorwaardelijk en redelijk bod tot overname van de aandelen heeft gedaan, mits de vennootschap of een medeaandeelhouder zekerheid stelt of de aandeelhouder een andere waarborg geeft voor de voldoening van de prijs van de aandelen en voor de kosten van de deskundigen.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «De artikelen 336 leden 3, 4 en 5,» vervangen door: De artikelen 336 leden 3 en 5,.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. De rechter kan zijn beslissing omtrent de vordering voor een door hem te bepalen termijn aanhouden, indien ten processe blijkt dat de vennootschap of één of meer medeaandeelhouders op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de aandeelhouder lijdt zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt.

Xb

Aan artikel 343c, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt door een komma een zinsnede toegevoegd, luidende: dan wel indien een onherroepelijk, onvoorwaardelijk en redelijk bod tot overname van de aandelen is gedaan als bedoeld in artikel 343 lid 1.

Toelichting

De uittredingsprocedure is onder het huidige BV-recht berucht om haar lange duur. Een extreem voorbeeld is de al meer dan 16 jaar lopende procedure tussen de gebroeders Hooymans. Door het Wetsvoorstel Flex-BV (31 058) zal de uittredingsprocedure worden gestroomlijnd. Zo wordt het tussentijds beroep afgeschaft en zal het mogelijk worden om een uittredingsvonnis uitvoerbaar bij voorraad te laten verklaren. Deze mogelijkheden ontbeert de geschillenregeling nu nog. Het blijft echter de vraag of de uittredingsprocedure tot een snelle oplossing van de onhoudbare situatie waarin de minderheidsaandeelhouder verkeert, leidt.

Het wetsvoorstel stelt voorop dat het primaat ligt bij een door de aandeelhouders overeengekomen regeling tot oplossing van hun geschillen. Zo kunnen aandeelhouders afwijken van de rechterlijke bevoegdheid (Artikel 337 lid 2), eigen waarderingsregels overeenkomen (Artikel 339 lid 2) of overeenstemming bereiken over de overdracht van de aandelen, maar het geschil voortzetten over de prijs (Artikel 343c), de laatste mogelijkheid ook wel de flitsuittreding genoemd. Het verdient aanbeveling de deelgenoten aan het geschil zoveel mogelijk een eigen regeling te laten beproeven.

Een maatregel die voor verdere stroomlijning kan leiden, is de invoering van de wettelijke de regel dat een onherroepelijk, onvoorwaardelijk en redelijk bod op de aandelen door de vennootschap of een medeaandeelhouder de toewijzing van de uittredingsvordering in de weg staat. Met een redelijk bod wordt gedoeld op een aanbod tot overname van de aandelen tegen een prijs die een aandeelhouder redelijkerwijs zou hebben ontvangen als hij de uittredingsprocedure doorgezet zou hebben. Dit betekent een prijs, door een of meer onafhankelijke deskundige(n) te bepalen, naar de waarde van de aandelen in het economisch verkeer, in beginsel zonder toepassing van een minderheidskorting of illiquiditeitskorting. De minderheidsaandeelhouder is daarbij niet slechter af dan in het geval hij de uittredingsprocedure zou mogen voortzetten. Daarbij zou hij immers uiteindelijk zijn aandelen kunnen overdragen tegen een vergelijkbare prijs. Bovendien is zijn belang bij de vaststelling dat door gedragingen van de medeaandeelhouder (of de vennootschap) het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem gevergd kan worden, beperkt. Volgens wetsgeschiedenis en rechtspraak betekent deze vaststelling op zichzelf niet dat er sprake is van een misdraging, een onrechtmatige daad of wanbeleid.

De redelijk bod-regel geeft de gedaagde (meerderheids)aandeelhouder of de gedaagde vennootschap de mogelijkheid (zelfs een prikkel!) om het geschil onmiddellijk te beëindigen. Proceskosten, tijd en moeite worden hiermee bespaard, niet alleen van de betrokken partijen, maar ook van de rechtspraak. Mocht er desalniettemin tussen partijen een geschil ontstaan ten aanzien van de waardering van de aandelen, dan kunnen partijen (alsnog) gebruik maken van de prijsvaststellingsprocedure van art. 2:343c BW. De rechter is hierbij het vangnet. Daartoe wordt ook voorgesteld om art. 2:343c BW te wijzigen.

In diverse ons omringende landen is deze regeling al ingevoerd en lijkt deze goed te werken. Bronnen van inspiratie voor de regeling zijn de rechtstelsels van Engeland, Duitsland en Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de voormalige Nederlandse Antillen (thans Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden). Zo kan in navolging van de Engelse regeling worden aangenomen dat van een redelijk bod sprake kan zijn als de procedure al loopt, mits de medeaandeelhouder of vennootschap een redelijke termijn wordt geboden om een bod te doen, waarbij het niet de bedoeling is dat deze termijn de procedure vertraagt. Indien deze redelijke termijn voorbij is zou het bod (om te kunnen kwalificeren als redelijk bod) tevens een vergoeding van proceskosten moeten inhouden. Om waarborgen voor de uittredende aandeelhouder te scheppen, wordt bepaald dat de vennootschap of een medeaandeelhouder zekerheid moet stellen of een andere waarborg moet bieden voor de koopprijs van de aandelen en voor de kosten van de deskundige(n).

Het voorgestelde artikel 343 lid 2 verklaart onder meer art. 2:336 lid 4 BW van toepassing of van overeenkomstige toepassing op de uittredingsprocedure. Het is niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. In een uitstotingsprocedure (art. 2:336 BW) gaat het om nadeel toegebracht aan de vennootschap. In een uittredingsprocedure gaat het om nadeel toegebracht aan de individuele aandeelhouder en juist niet aan de vennootschap zelf. De vennootschap kan bij de uittredingsprocedure zelfs de gedaagde c.q. de boosdoener zijn. Het verdient daarom de voorkeur om aan art. 2:343 BW een lid 6 toe te voegen, waarin een bijzondere regeling voor de uittredingsprocedure wordt opgenomen, waarbij de rechter de procedure kan aanhouden als het nadeel voor de beknelde minderheidsaandeelhouder wordt ongedaan gemaakt of beperkt.

Van Toorenburg