Kamerstuk 32360-XIV-3

Jaarverslag over Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Dossier: Slotwet en jaarverslag Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2009

Gepubliceerd: 19 mei 2010
Indiener(s): Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32360-XIV-3.html
ID: 32360-XIV-3

32 360 XIV
Slotwet en jaarverslag Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) 2009

nr. 3
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT (XIV)

Aangeboden 19 mei 2009

Uitgaven verdeeld over de (beleids)artikelen (bedragen x € 1 mln.)

kst-32360-XIV-3-1.gif

Ontvangsten verdeeld over de (beleids)artikelen (bedragen x € 1 mln.)

kst-32360-XIV-3-2.gif

INHOUDSOPGAVE blz

A. ALGEMEEN 6
1.1 Aanbieding en dechargeverlening 6
1.2. Leeswijzer 9
     
B. HET BELEIDSVERSLAG 11
1.3.1 De Beleidsprioriteiten 11
1.3.2 De Beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen 66
  ILG-overzicht begrotingsmutaties 2009 66
  21 Duurzaam ondernemen 68
  22 Agrarische ruimte 78
  23 Natuur 82
  24 Landschap en Recreatie 88
  25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid 93
  26 Kennis en Innovatie 98
  27 Reconstructie 105
  28 Nominaal en onvoorzien 108
  29 Algemeen 109
1.3.3 De Bedrijfsvoeringsparagraaf 113
     
C. JAARREKENING 118
1.4.1 Departementale verantwoordingsstaat 118
1.4.2 Departementale saldibalans 119
1.4.3 Samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-lastendiensten 128
1.4.4 Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-Lastendiensten 129
  Algemene Inspectiedienst (AID) 129
  Dienst ICT Uitvoering (DICTU) 134
  Dienst Landelijk Gebied (DLG) 137
  Dienst regelingen (DR) 142
  Plantenziektenkundige dienst (PD) 148
  Voedsel en Warenautoriteit (VWA) 153
     
D. BIJLAGEN 159
  1. Toezichtsrelaties en ZBO’s/RWT’s 159
  2. EU-bijlage 165
  3. Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijke personeel 2009 172
  4. Lijst van afkortingen 173

A. ALGEMEEN

1.1 Aanbieding en dechargeverlening

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag van het jaar Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV ) over het jaar 2009 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit decharge te verlenen over het in het jaar 2009 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in het jaarverslag:

d. de betrokken saldibalans:

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag: opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2009;

b. het voorstel van de slotwet over het jaar 2009 die met het onderhavige jaarverslag samenhangt:

c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2009 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2009, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2009 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is: aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. Leeswijzer

Medio mei 2007 heeft het kabinet Balkenende IV haar beleidsprogramma voor de periode 2007–2011 «Samen werken, Samen leven» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 070, nr. 1) gepresenteerd. Hierin zijn ook op de beleidsterreinen van LNV een aantal grote en belangrijke opgaven verwoord. Deze beleidsdoelstellingen vormen als het ware de kapstok van het beleidsverslag en zullen ook tijdens deze kabinetsperiode worden gemonitored. Aan de hand van deze beleidsdoelstellingen is het beleidsverslag opgesteld. Aan het eind van het beleidsverslag is een overzichtstabel opgenomen waarin de relatie wordt gelegd per doelstelling uit het beleidsprogramma met het betreffend begrotingsartikel en operationele doelstelling.

Experiment verantwoording nieuwe stijl

Dit jaarverslag is evenals het jaarverslag over 2008 opgemaakt onder de condities en doelstellingen vanuit het experiment verantwoording nieuwe stijl.

Tijdens het verantwoordingsdebat over het Rijksjaarverslag 2006 hebben de Kamer en het kabinet de wens geuit om te komen tot meer politieke focus van de verantwoording. Hiertoe zijn door de minister van Financiën voorstellen ontwikkeld in overleg met de Algemene Rekenkamer en de Commissie voor de Rijksuitgaven. Deze voorstellen zijn opgenomen in de brief van de minister van Financiën van 20 december 2007 inzake het begrotings- en verantwoordingsproces, tolerantiegrenzen en uitvoering van subsidies (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 031, nr. 19). LNV is één van de experimentdepartementen naast de ministeries van VWS, Jeugd en Gezin, Buitenlandse Zaken, VROM en WWI.

Met de Kamer is op 6 februari 2008 reeds gesproken over de impact en betekenis van het experiment verantwoording nieuwe stijl. De Kamer heeft ingestemd met het experimenteel karakter. Overigens is afgesproken dat het jaarverslag inzake het Diergezondheidsfonds (Begroting F) buiten de scope van het experiment valt.

De belangrijkste veranderingen op een rij zijn:

• Meer politieke focus wordt verkregen door het beleidsverslag in te delen volgens de beleidsdoelstellingen van het kabinet en door alleen opmerkelijke resultaten te rapporteren. Als niet wordt ingegaan op de voortgang van een bepaalde doelstelling, komt de voortgang dus overeen met hetgeen in de begroting 2008 is aangekondigd.

• In de nieuwe opzet staat het beleidsprogramma «Samen werken, Samen leven» van het kabinet centraal. In het verslag wordt de stand van zaken verantwoord met betrekking tot de doelstellingen en projecten die betrekking hebben op LNV beleidsterreinen.

• In het beleidsverslag is een tabel opgenomen waarin staat welke operationele doelstellingen corresponderen met de nu opgenomen doelstellingen uit het beleidsprogramma. Per beleidsartikel wordt ingegaan op de financiële verantwoording. De opmerkelijke verschillen tussen begroting en realisatie worden toegelicht evenals de belangrijkste slotwetmutaties. Aan het eind van elk artikel wordt ingegaan op de uitgevoerde evaluatie-onderzoeken.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van het voorgaand jaarverslag 2008 zijn de volgende verbeteringen doorgevoerd als gevolg van voorschrijdend inzicht experiment en toezeggingen van de minister van LNV bij de behandeling van het jaarverslag 2008 in de Kamer en als bestuurlijke reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het LNV jaarverslag 2008:

• Er is gericht aandacht geweest voor het formuleren van beleidsconclusies bij elk kabinetsdoel; meer gericht op de voortgang in relatie tot de afgesproken doelen. Daarnaast heb ik de relatie gelegd tussen de begroting 2009 en het jaarverslag 2009, door de kabinetsdoelen en de afgeleide LNV doelen terug te laten komen in het jaarverslag 2009 en bij elk kabinetsdoel aan te geven op welk beleidsartikel deze betrekking heeft. Hierbij is het jaarverslag 2009 spiegelbeeldig opgesteld aan de begroting 2009. Dit is conform mijn toezeggingen zoals verwoord in mijn bestuurlijke reactie bij het rapport Algemene Rekenkamer over het jaarverslag LNV 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 924 XIV, nr.4);

• Ik heb gericht aandacht gegeven aan verwijzingen naar relevante Kamerstukken ter ondersteuning van de verantwoording inzake geleverde prestaties. Daarnaast heb ik relevante praktijkvoorbeelden aangehaald ter illustratie van de geleverde prestaties en beoogde effecten van mijn beleid;

• Er is explicieter ingegaan op de bereikte tussenresultaten per kabinetsdoel die ten grondslag liggen aan het gewenst eindresultaat verder in de tijd;

• Er is per kabinetsdoel expliciet aangegeven welk coördinerend ministerie/minister primair vanuit het Beleidsprogramma verantwoordelijk is voor de doelrealisatie (in de voetnoot opgenomen per kabinetsdoel).

Conform de RBV 2010 is in dit jaarverslag ook een overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel opgenomen binnen LNV.

Op grond van artikel 8, 1e lid van de Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) (Stb. 2008, 0000055709) dient een overzicht te worden opgenomen van medewerkers die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare loon van de minister. Dit gemiddelde belastbare jaarloon is voor 2009 vastgesteld op € 188 000. Er zijn geen functionarissen die in aanmerking komen voor deze publicatie. Derhalve is er geen bijlage topinkomens LNV toegevoegd.

Gelijktijdig met het indienen van dit jaarverslag doe ik de Kamer ook de beleidsdoorlichting op begrotingsartikel 21, Duurzaam Ondernemen, toekomen.

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2009 hanteer ik een ondergrens van € 3,0 mln. In sommige gevallen, waar politiek relevant, licht ik ook posten toe onder deze ondergrens.

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 De Beleidsprioriteiten

Algemeen deel

Landbouw wordt door steeds meer actoren gezien en erkend als deel van de oplossing voor de mondiale crises van dit moment. De landbouw kan helpen de groeiende wereldbevolking te voeden. Landbouw zorgt voor meer en ander, duurzaam voedsel. Landbouw draagt bij aan de aanpassing aan extremere situaties zoals een warmer en meer variabel klimaat. En landbouw kan bijdragen aan de reductie van de uitstoot van broeikasgassen.

De erkenning van landbouw als deel van de oplossing vormt één van de belangrijkste boodschappen van de succesvolle 17e vergadering van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling van de VN, voorgezeten door de minister van LNV. Vanuit dit perspectief is extra geïnvesteerd in duurzame landbouw en rurale bedrijvigheid in ontwikkelingslanden langs de in de Notitie Landbouw, Rurale bedrijvigheid en Voedselzekerheid1 genoemde vijf sporen. Ook is extra inzet gepleegd in de verschillende «round tables» op het gebied van duurzame productie van grondstoffen (palmolie, soja, cacao e.d.) alsmede op duurzaam bosbeheer in het kader van het VN Bossenforum en het stimuleren van handel in duurzaam hout via het FLEGT-proces (Forest Law Enforcement, Governance and Trade). LNV zet ook in op nieuwe samenwerkingsvormen, die moeten leiden tot een cultuur van aanspreekbaarheid en gedeelde verantwoordelijkheid over economie en ecologie. Vanuit die overtuiging is ingezet op het stoppen van de afname van de biodiversiteit via de installatie van de Taskforce Biodiversiteit.

Verduurzaming van de landbouw en innovatie bieden veel oplossingen. En Nederland heeft hierbij nationaal en internationaal veel te bieden. Nederland is de tweede agro-exporteur van de wereld en loopt in economisch opzicht en op kennisgebied voorop: het agro food- en nonfoodcomplex is sterk en de positie van Wageningen Universiteit en Researchcentrum vooraanstaand in de wereld.

Tegelijkertijd gaan de financieel-economische problemen ook aan ons land niet voorbij. Het Nederlandse agro food- en nonfoodcomplex zorgt in deze crisistijd bij een oplopende werkloosheid nog steeds voor één op de tien arbeidsplaatsen en voor ca. 10% van het nationale inkomen2, maar de crisis treft mensen en gezinnen soms heel persoonlijk, ook in de agrosector. Het is dan ook van groot belang om deze sector te stimuleren de moeilijke situatie van het moment het hoofd te bieden. Daartoe is in 2009 onder andere een garantstelling geopend voor overbruggingskredieten; zijn de toeslagrechten eerder en voor 100% uitbetaald; is de garantstelling voor duurzame investeringen verhoogd en heeft het kabinet gezorgd voor exportkredietfaciliteiten en versnelde afschrijvingsmogelijkheden. Crises dwingen tot bezinnen, maar maken bovenal nieuwe keuzes mogelijk.

LNV heeft zich ingezet voor een modern en toekomstbestendig Europees landbouw en visserijbeleid, waarin de focus ligt op ondernemerschap, innovatie en duurzaamheid. Op basis van de Houtskoolschets over de toekomst van het Europese Landbouwbeleid3 heeft de minister van LNV in 2009 in het kader van de implementatie van de Health Check GLB in Nederland eerste concrete en betekenisvolle stappen gezet in de verdere vermaatschappelijking van het Europese Landbouwbeleid.

Ook voor de toekomst van het Europees Visserijbeleid na 2012 is in 2009 een Nederlandse visie «Vis als duurzaam kapitaal»1 tot stand gebracht. De drie pijlers van deze visie zijn duurzaam gebruik van het ecologische kapitaal, sterkere marktwerking en afstemming van besluitvorming op lange termijn doelstellingen.

Met trots kan worden geconstateerd dat de land- en tuinbouwsector de enige sector is, die goed op koers ligt om de doelstellingen van het Project Schoon & Zuinig inzake CO2 en broeikasgassenreductie te realiseren. Verduurzaming van onze planeet gaat beter als ondernemers er de voordelen van ondervinden. Dit is het geval bij de verminderde milieubelasting in de land- en tuinbouwsector als gevolg van de succesvolle introductie van mestverwerking die woonwijken verwarmt en de verwerking van mest tot kunstmest, waaraan in de rest van de wereld grote behoefte is. Maar ook de aardwarmte en warmtekrachtkoppeling in de tuinbouw is een goede ontwikkeling. In de glastuinbouw zijn de doelen ten aanzien van de energie-efficiency voor 2010 reeds bereikt en is het doel ten aanzien van de CO2-emissie in zicht. De tuinbouw is hiermee netto-energieleverancier!

Verduurzaming is ook terug te zien in de biologische keten, die ook in 2009 blijft groeien in omvang (areaal) en consumentenbestedingen. De uitvoeringsagenda duurzame veehouderij is in samenwerking met de convenantpartijen ten uitvoer gebracht, met specifieke aandacht voor mogelijke knelpunten. Het Convenant duurzame gewasbescherming heeft draagvlak gecreëerd bij partijen voor geïntegreerde gewasbescherming, resulterende in de ontwikkeling van middelen die minder milieurisico’s veroorzaken. En tenslotte laat het nationale fosfaatoverschot en het nationale stikstofoverschot na de invoering van maatregelen van de afgelopen jaren een stevige dalende lijn zien.

LNV zet zich ervoor in het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie verder te versterken Zo blijkt de financiële ondersteuning door middel van de innovatieregeling een belangrijke hefboom voor het realiseren van risicovolle innovatieprojecten. Met visionaire programma’s, zoals Food and Nutrition Delta en Topinstituut Food and Nutrition, blijft Nederland bij de internationale top van innovatieve ontwikkelingen in agro en food in de komende jaren. Nederland ontwikkelt zich daardoor tot hotspot voor innovatie op het gebied van gezonde voeding. Daarnaast is ingezet op transitie naar een duurzame visserij. In 2009 is de maatschappelijke innovatieagenda Duurzame Agro- en Visserijketen (MIA DAV) aangeboden aan de Tweede Kamer.2 Enkele concrete innovatietrajecten zoals nieuwe technieken voor energiebesparing en milieuwinst in de zeevisserij zijn geïntroduceerd. Met deze projecten groeit ook de interesse in verdere samenwerking en vernieuwing in de sector.

2009 was het jaar van de Agrologistiek. Via het Platform Agrologistiek is bijgedragen aan een duurzame, innoverende en vervoersefficiënte agrologistiek voor behoud en versterking van economisch krachtige en maatschappelijk verantwoorde agroketens. In een aantal regio’s is een gebiedsgerichte aanpak tot stand gekomen om logistieke efficiency na te streven. Een Small Business Innovation Research Programm (SBIR)-tender voor «Agrologistiek en Biomassa» heeft een succesvolle aanzet geleverd om nieuwe initiatieven te steunen. Met de Europese Commissie is samenwerking gezocht teneinde agrologistiek ook op de internationale agenda te krijgen.

Het Innovatieplatform LNV heeft in 2009 een advies voorbereid, waarin de inzet van biomassa in de biobased economy als zeer kansrijke route voor Nederland wordt beoordeeld. Ontwikkelingen zouden kunnen leiden tot een jaaromzet nationaal van vele miljarden euro’s. De doelstelling van de biobased economy is het inzetten van duurzaam geproduceerde biomassa als alternatief voor aardolie, aardgas en steenkool. De jaren 2008 en 2009 zijn gebruikt om de basis te leggen voor het programma biobased economy. Er is een interdepartementaal samenwerkingsprogramma in oprichting. Diverse subsidieprogramma’s zijn gestart. Hiermee is een basis gelegd voor de overheidsinzet in de transitie naar een biobased economy. De nadere invulling en interdepartementale verantwoordelijkheidsverdeling hiervan is met de Tweede Kamer gecommuniceerd.1 De inzet van LNV in het internationale spectrum is voornamelijk gericht op innovatie, welke onder andere wordt vormgegeven via het Programma groene grondstoffen in de Innovatieagenda energie.

In 2009 is onverminderd ingezet op een krachtig groen onderwijs, dat aansluit op de behoeften die in de samenleving leven. Kenmerkend voor het groene onderwijs is de sterke koppeling van onderwijs, onderzoek en praktijk. Mede hierdoor is binnen het groen onderwijs de kwaliteit gemiddeld hoog en de ongediplomeerde uitval relatief klein. Vooral het groen-MBO scoort goed ten opzichte van het landelijke beeld. LNV focust zich op handhaving van een relatief kleinschalig stelsel met een goede zorgstructuur en toegankelijkheid voor zorgleerlingen, hetgeen met name in het VMBO leidt tot een lagere uitval. Vakinhoudelijke vernieuwing en aansluiting op de praktijk moeten daarbij zorgen dat het onderwijs uitdagend blijft. De huidige arbeidsmarktontwikkeling bevestigt deze noodzaak. Door de huidige inzet wordt tijdig ingespeeld op de verwachte personeelstekorten in de primaire sectoren en de voedingsindustrie. De Groene Kenniscoöperatie vormde ook in 2009 de spil in het schakelen van onderwijs, onderzoek en praktijk. De groene onderwijsinstellingen zijn doorontwikkeld tot kenniscentra om de aansluitingsfunctie te realiseren. Het succes van de groene maatschappelijke stages zorgt dat leerlingen al in een vroegtijdig stadium in aanraking komen met de sector en potentiële werkgevers. Als Nederland zijn positie in de top 5 van meest innovatieve agrolanden wil behouden en het concurrerend vermogen van de groene sectoren wil verstevigen, dan zal blijvende aandacht hiervoor nodig zijn.

De «Query»-koorts (Q-koorts) vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Q-koorts is een infectieziekte, die kan overgaan van dieren op mensen. LNV en VWS namen vergaande maatregelen ter bestrijding van de ziekte. Er is met alle inzet getracht de volksgezondheid te beschermen en de gevolgen voor de geiten- en schapensector beheersbaar te houden. Tevens is het fusietraject van de LNV-inspectiediensten VWA, AID en PD voortgezet. Dit moet resulteren in een geïntegreerde inspectiedienst per 1 januari 2012.

LNV is er voor iedereen en zet zich daarom in voor groen in (groot)stedelijke gebieden. Dit levert een bijdrage aan de sociale cohesie in krachtwijken. Zo kwamen stadsjongeren via het project «Scharrelkinderen in de proeftuinen van Amsterdam» in contact met natuur, landschap en voedsel. Jongeren worden zo bewuster en de activiteiten dragen bij aan de cohesie tussen plattelands- en stadse, autochtone en allochtone Nederlanders. De activiteiten van LNV op het vlak van goed en duurzaam voedsel, verankerd in de Nota Duurzaam Voedsel en de beleidsagenda duurzame voedselsystemen, dragen bij aan een gezonde en verduurzamende samenleving. LNV zet zich daarmee in om bij te dragen aan het oplossen van de bredere maatschappelijke vraagstukken.

In sommige regio’s zet de ongewenste bevolkingskrimp onverminderd door. Daarom heeft LNV bijdragen geleverd om deze gebieden vitaal te houden en geïnvesteerd in het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling. De verbinding wordt actief gezocht tussen stad en platteland en tussen landbouw, natuur, recreatie en landschap. Daartoe heeft LNV in 2009 een nieuw concept, het «topdorp» geïntroduceerd.

LNV zet zich in voor dierenwelzijn. Voor het eerst in de geschiedenis is een beleidsnota op dit onderwerp, de «Nota Dierenwelzijn», aan de Tweede Kamer gezonden. In 2009 kreeg dierenwelzijn een extra impuls via de implementatie van de health check GLB. In dit kader zijn bovenwettelijke dierenwelzijnmaatregelen afgesproken. De Nota Dierenwelzijn en de Nationale agenda Diergezondheid leidden tot afspraken over aanvullende dierenwelzijneisen bovenop de nieuwe Vleeskuikenrichtlijn, verdoofd castreren in varkenshouderijen en de introductie van «comfort class» stallen. Ook richten meer retailers zich sneller op duurzame voeding en diervriendelijke producten. Binnenkort gaat de consument dit merken. Het in 2009 gelanceerde Platform Verduurzaming Voedsel, gaat dit stimuleren. In dit Platform is voor het eerst de gehele voedselketen vertegenwoordigd.

Het platform heeft afgesproken om het aanbod duurzame producten te vergroten, waaronder binnen twee jaar 15% meer duurzaam geproduceerd vlees. Daarnaast streeft het Platform naar bewustwording van consumenten via het informatiesysteem duurzaam voedsel. Via dit systeem zullen consumenten bewust worden gemaakt van de duurzaamheidsaspecten van producten.

Economie en ecologie kunnen door één deur. LNV draagt ervoor zorg dat de verbinding tussen beiden tot stand komt. Hierdoor worden integrale afwegingen en betere oplossingen mogelijk. LNV zoekt daartoe bijvoorbeeld actief naar rek en ruimte om bijvoorbeeld de gevolgen van Natura 2000 voor andere sectoren, zoals landbouw en verkeer, te beperken, met inachtneming van de natuurdoelen. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de Crisis-en Herstelwet welke in november 2009 door de Tweede kamer is aangenomen. Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van een samenhangende Nederlandse toekomstvisie voor het Europees Visserijbeleid in samenwerking met de visserijsector en natuur- en milieuorganisaties. Een ander succes is het Convenant «transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee», waarbij LNV, natuurorganisaties en de mosselsector samenwerken aan natuurherstel en mosselzaadvisserij. Resultaat: een aantal nieuwe locaties voor alternatieve mosselzaadinvang met behulp van mosselzaadinvanginstallaties. Ook het concept Natuurherstelprogramma «Rijke Zee in 2030» kwam in 2009 tot stand. Het Waddengebied is bovendien in 2009, mede door inzet van LNV, door UNESCO aangewezen als Werelderfgoed. In de Zuid-Westelijke Delta worden economie en ecologie op vergelijkbare wijze gekoppeld: na een intensief proces is een definitief besluit genomen over het natuurherstelprogramma Westerschelde, met ontpolderingen van de Hedwigepolder en het Zwin en de verdieping van de Westerschelde conform het verdrag met Vlaanderen.

Bovenstaande voorbeelden vormen slechts een bloemlezing uit alle activiteiten en resultaten uit 2009. Hieronder worden per relevant kabinetsdoel de belangrijkste resultaten over 2009 gepresenteerd. Het ministerie van LNV draagt de primaire verantwoordelijkheid voor de kabinetsdoelen 24 Landschap, recreatie en natuur en 25 Verbetering dierenwelzijn en 5% integraal duurzame en diervriendelijke stallen. LNV is medeverantwoordelijk voor de realisatie van de kabinetsdoelen 1 Draagvlak Europa; 6 Millennium Ontwikkelingsdoelen en armoedebestrijding; 11 Hoger onderwijs en minder schooluitval ; 14 Innovatieve economie; 16 Vermindering regeldruk; 22 Stimuleren duurzame productie en consumptie; 29 Nationale ruimtelijke opgaven en 41 Maatschappelijke stages.

Resultaten per kabinetsdoelstelling

Kabinetsdoelstelling 1

Eén Europa met een stevig draagvlak onder de burgers, dat zich richt op de terreinen waar het meerwaarde levert en zich niet begeeft op terreinen waar lidstaten het beter zelf kunnen regelen.

Doelstelling minister LNV

Bij de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn de Europese inkomenstoeslagen voor een groot deel gekoppeld aan het realiseren van maatschappelijke waarden als voedselveiligheid, het in stand houden van landschap en natuur en de zorg voor milieu en dierenwelzijn.

LNV levert een belangrijke bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 1.1 Het draagvlak in de Nederlandse samenleving voor het Europese beleid voor landbouw natuur, voedselkwaliteit, diergezondheid, dierenwelzijn en visserij volgt uit onze bijdrage aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB) en bij het totstandbrengen van Groenboeken van de Europese Commissie. Deze bijdrage komt voort uit maatschappelijke consultatie en afstemming met de sectoren en belangenorganisaties.

Resultaten van beleid

In 2008 werd een Europees akkoord bereikt over de health check van het GLB2, 2009 stond in het teken van de implementatie daarvan.

Voor de herziening van het GLB zijn maatschappelijke consultatiebijeenkomsten georganiseerd, gewijd aan het Europese landbouwbeleid voor de periode 2010–2020. Deelnemers waren agrarische natuurverenigingen, maatschappelijke organisaties, agrarische ondernemers, decentrale overheden en actieve burgers. Tijdens de bijeenkomsten werden prioriteiten in de samenleving verbonden aan oplossingen die het Europees beleid kan bieden. De resultaten zijn aangeboden aan de Tweede Kamer3 en worden gebruikt bij de vernieuwing van het Europees Landbouwbeleid.

Binnen de grenzen die Europese staatssteunkaders daarvoor stellen, heeft Nederland in 2009 de volledige GLB-steun aan boeren eerder uitbetaald en een garantstellingregeling voor land- en tuinbouwbedrijven in nood opengesteld. Verder zijn als gevolg van afspraken in Europees verband de melkquota verder uitgebreid waardoor in economisch slechte tijden minder superheffing is betaald dan zonder quotum stijging. Zodoende is vanuit het GLB een positieve bijdrage geleverd aan de inkomenssituatie in de melkveehouderij, in een periode waarin deze inkomens onder druk stonden. In 2009 is een EU-High Level Group opgericht om met voorstellen te komen die de zuivelmarkt toekomstbestendig moeten maken.

Eind 2009 heeft de Europese Commissie het aan de health check aangepaste Nederlandse Plattelandsontwikkelingsplan goedgekeurd.1 Daarmee komt in de komende jaren circa € 150 mln. extra (deels nationaal, deels EU-budget) beschikbaar voor verhoging van maatschappelijke waarden van de natuur, het landschap en het water. De provincies voeren dit voornamelijk uit.

Met de gepleegde inzet in 2009 is een goede basis gelegd voor een impuls in de komende jaren op het Nederlandse platteland voor:

• het stimuleren van de bouw van dier- en milieuvriendelijke stallen;

• bovenwettelijke dierenwelzijnmaatregelen;

• een brede weersverzekering voor alle open teelten en alle weerrisico’s;

• een centrale database voor een I&R-systeem voor schapen en geiten;

• een vaarvergoeding voor agrariërs in waterrijke gebieden;

• verbetering van waterkwaliteit en -kwantiteit;

• reductie van milieuverliezen uit de landbouw;

• ondersteuning van agrariërs in maatschappelijk waardevolle gebieden.

In de aanloop naar de herziening van het GVB heeft LNV met de visserijsector en natuur- en milieuorganisaties een Nederlandse visie, genaamd «Vis als duurzaam kapitaal» ontwikkeld.2 De visie bevat ecologische en economische ambities, zoals de verduurzaming van de visserij om vissoorten niet te laten uitsterven. De drie speerpunten van de visie zijn duurzaam gebruik van het ecologische kapitaal, sterkere marktwerking en afstemming van besluitvorming op lange termijn doelstellingen.

De kansen die nieuwe technologieën bieden voor verduurzaming van de landbouw moeten verantwoord worden benut. In 2009 heeft Nederland zich ingezet voor een slagvaardigere EU-besluitvorming voor toelatingen van genetisch gemodificeerde gewassen (ggo’s), met behoud van de huidige goede praktijk van risicobeheersing. Een door LNV ingestelde Taskforce moet voor draagvlak bij de Europese Commissie en lidstaten zorgen om een nationale teeltbevoegheid te realiseren. Daarnaast heeft LNV zich via het organiseren van conferenties in de EU sterk gemaakt voor een discussie over een beoordelingskader voor de bijdrage van ggo’s aan verduurzaming op basis van sociaal economische criteria.

Beleidsconclusies en consequenties

De implementatie van het in 2008 genomen health checkbesluit GLB was een betekenisvolle stap. Doel is meer marktgerichtheid en sterkere sturing op maatschappelijke doelen. Nederland heeft via de kabinetsvisie «Houtskoolschets Europees landbouwbeleid 2020»3, waarin de versterking van maatschappelijke waarden centraal zijn gesteld een bijdrage geleverd aan de Europese discussie. Met de implementatie van de health check wordt de komende jaren een impuls gegeven aan innovatieve en duurzame productie. Met de inzet op het gebied van genetisch gemodificeerde gewassen blijft Nederland bij de internationale top van agro- en foodinnovatie behoren.

Kabinetsdoelstelling 6

Duurzame economische ontwikkeling bevorderen en armoedebestrijding met kracht voortzetten en uitwerken in het project de Millennium Ontwikkelingsdoelen Dichterbij.

Doelstellingen minister LNV

1. Als voorzitter van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling van de VN zorgen dat er internationale afspraken worden gemaakt over concrete maatregelen op het gebied van duurzame landbouwontwikkeling.

2. Bijdrage leveren aan armoedebestrijding op het platteland in ontwikkelingslanden via kennisoverdracht gericht op verbetering productiviteit, winstgevendheid en duurzaamheid.

LNV levert een bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 6.1 De Millennium Ontwikkelingsdoelstelling om het aantal mensen dat in armoede leeft en het aantal mensen dat lijdt aan honger en ondervoeding in 2015 te halveren, is crucialer dan ooit: ontwikkelingslanden hebben hoge voedsel- en brandstofprijzen, landen kampen met competing claims op landgebruik, het klimaat verandert en natuurlijke hulpbronnen raken op. De notitie «Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid» (2008)2 is leidend voor de LNV-inzet.

Resultaten van beleid

Commissie voor Duurzame Ontwikkeling

De 17e bijeenkomst van de VN Commissie Duurzame Ontwikkeling (CSD) werd voorgezeten door minister Verburg en was een succes. Voor het eerst in de geschiedenis van de CSD hebben de deelnemende landen een gemeenschappelijke visie ontwikkeld, waarin landbouw geldt als deel van de oplossing van de voedsel-, klimaat- en economische crisis. Het belangrijkste resultaat was dan ook de verandering in het denken over de rol van de landbouw. Daarbij hebben de deelnemende landen afgesproken om nieuwe en extra middelen beschikbaar te zullen stellen voor innovatie en verduurzaming van de landbouw. Het beleid, zoals nationaal uiteen gezet in de gezamenlijke notitie «Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid» is via de bijeenkomst CSD-17 internationaal ingebed. De uitkomsten zijn nationaal en internationaal onder de aandacht gebracht, onder andere tijdens Wereldvoedseldag en bij de Voedseltop van de Food and Agricultural Organization (FAO). Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit recent in «Minder pretentie, meer ambitie» voor landbouw als effectief instrument van ontwikkelingshulp.3

Vervolgactiviteiten richten zich op het betrekken van nationale en internationale partners en het ontwikkelen van kennis voor een duurzame landbouw in met name ontwikkelingslanden.

Praktijkvoorbeeld Internationale klimaatconferentie 2010

Nederland organiseert in 2010, als follow up van de CSD-17, samen met de Wereldbank, Noorwegen en Ethiopië een internationale conferentie rond landbouw, voedselzekerheid en klimaat. Voorafgaand wordt in juni 2010 een voorbereidende regionale bijeenkomst georganiseerd in Ethiopië. Het doel van de internationale bijeenkomst is het concretiseren van het motto: «Landbouw als deel van de oplossing van het klimaatprobleem». De landbouw en voedselagenda raken één derde deel van de klimaatproblematiek, zodat de oplossing, investeren in de landbouw, veel kan bijdragen. LNV wil vooral inzetten op het gericht samenbrengen en «matchen» van projectvoorstellen aan investeerders en donoren.

Investeren in duurzame landbouwontwikkeling

Er is € 50 mln. extra geïnvesteerd in de vijf-sporenaanpak uit de notitie «Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid». De voortgangsrapportage1 is begin 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden.

1. Productiviteitsverbetering: om de productiviteit in een veranderende klimatologische context te verbeteren is geïnvesteerd in internationaal onderzoek en zijn innovatieve activiteiten uitgevoerd in samenwerking met Consultative Group on International Agricultural Research, het Forum for Agricultural Research in Africa, het International Center for Agricultural Research in the Dry Areas, de International Foundation for Production Research, de Wageningen Universiteit en partners voor landbouwonderwijs in Afghanistan en in Afrikaanse landen. Nederland heeft zich ingezet voor het hervormingsproces van de FAO.

2. Enabling environment: landbouw- en rurale private sectorontwikkeling is ondersteund via ambassadeprogramma’s. Voor de ontwikkeling en uitvoering van het landbouwbeleid is bijgedragen aan het Comprehensive Africa Agriculture Development Program en de follow-up van CSD-17. Daarbij is gebruik gemaakt van bedrijfslevengeoriënteerde instrumenten (o.a. subsidies via het Programma Samenwerking Opkomende Markten);

3. Duurzame ketenontwikkeling: er is uitvoering gegeven aan World Summit on Sustainable Development-partnerschappen en aan het Initiatief Duurzame Handel. Nederland ondersteunt de door het bedrijfsleven en NGO’s opgezette Round Tables om de palmolie en sojasector te verduurzamen. Ook is bijgedragen aan Standard and Trade Development Facility.

4. Verbeterde markttoegang: LNV heeft zich ingezet voor Economische Partnerschap Akkoorden (EU) met ontwikkelingslanden. Met de World Trade Organisation zijn activiteiten uitgevoerd rond de capaciteitsopbouw om de positie van ontwikkelingslanden in de WTO te versterken, effectief deel te nemen aan internationale handels- en ontwikkelingsonderhandelingen en in te haken op problemen rond productstandaarden. Ook voor handelsfacilitatie zijn diverse initiatieven ontwikkeld.

5. Voedselzekerheid en overdrachtsmechanismen: LNV heeft in 2009 extra bijgedragen aan Safety Net Programma’s (Ethiopië) en het VN Wereldvoedselprogramma.

Beoogde effecten en resultaten

Productiviteitsverbetering

Ten behoeve van de landbouwontwikkeling in Afghanistan zijn met de Afghaanse counterparts afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het landbouwpraktijkonderwijs. Afghaanse trainers in opleiding zijn gestart met hun studie bij de Wageningen Universiteit en Research Center. Tevens zijn voorbereidingen getroffen voor de selectie van trainers voor de praktijkscholen. Daarnaast is de implementatie van het nieuwe multidonor Partnerschapprogramma met de Food and Agriculture Organisation (FAO) in 2009 van start gegaan.

Duurzame ketenontwikkeling

Nederland ondersteunt de door het bedrijfsleven en NGO’s opgezette Round Tables om de palmolie, cacao en sojasector te verduurzamen. In de cacaosector heeft dit geleid tot een intentieverklaring van bedrijfsleven en NGO’s om in 2025 in Nederland 100% duurzame cacao te gebruiken. Wegens het succes zijn in 2009 initiatieven genomen om te komen tot Round Tables voor de productgroepen koffie en thee. Ook is bijgedragen aan Standard and Trade Development Facility.

Verbeterde markttoegang

Nederland heeft partnerschappen met vier landen(groepen), zijnde Vietnam, Indonesië, West Afrika en Oost Afrika. In het kader van het Publiek Private Partnerschap met Vietnam ondersteunt Nederland onderzoek naar de ecologische gevolgen van de pangavisproductie op de Mekong en bij het verkrijgen van het lidmaatschap van de regionale visserij beheersorganisatie. Daarnaast helpt Nederland Vietnam in samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven en NGO’s (o.a. WWF) bij de verduurzaming van cacao en de verbetering van de kwaliteit en verduurzaming van koffie.

De Publiek Private Partnerschappen met Oost-Afrika waren in Kenia het meest effectief voor de intensivering van de tuinbouwsector en in Tanzania voor het bij elkaar brengen van overheid en bedrijfsleven en het ontwikkelen van een gezamenlijke agenda gericht op de verder uitbouw van de bloemen- en groentesector. In Ethiopië is vooral de bloemensector ondersteund op het gebied van innovatie.

Beleidsconclusies en consequenties

Het Nederlands voorzitterschap van de CDS-17 heeft brede erkenning opgeleverd voor duurzame landbouw als deel van de oplossing voor de armoede en honger. Met name de ontwikkeling van de landbouwsector en de groei in landbouwproductiviteit in ontwikkelingslanden dragen daar aanzienlijk aan bij. LNV heeft een nadrukkelijke bijdrage geleverd aan de kabinetsdoelstelling middels concrete afspraken over landbouwontwikkeling en -investeringen, gemaakt tijdens de 17e bijeenkomst van de CSD en middels de intensivering van vijftig miljoen euro uit de notitie «Landbouw, rurale ontwikkeling en voedselzekerheid» van Koenders/Verburg voor duurzame landbouwontwikkeling in ontwikkelingslanden.

Kabinetsdoelstelling 11

Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval.

Doelstelling minister LNV

In overeenstemming met de Lissabon-doelstelling moet het vroegtijdig schoolverlaten in 2012 ten opzichte van 2002 met 50% worden teruggedrongen. Voor het groen onderwijs leidt dit tot een maximaal voortijdig schoolverlaten van 15% in 2012. In lijn met de realisatie en dit streefpercentage wordt het maximum voor 2009 op 21% gesteld.

LNV levert een bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 11.1 LNV volgt het algemeen onderwijsbeleid van OCW, teneinde de afgesproken harmonisatie van groen onderwijs ten opzichte van het regulier onderwijs te realiseren. Gelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor studenten in alle onderwijssectoren zijn cruciaal. Als vakministerie, verantwoordelijk voor de inhoudelijke ontwikkeling en een voldoende en actueel aanbod van groene opleidingen, stuurt LNV op de inzet en functies van het groen onderwijs voor de sector en effectieve samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijk, onder andere via de Groene Kenniscoöperatie.

LNV heeft in 2009 in het bijzonder ingezet op realisatie van de Lissabon-afspraken (vermindering voortijdig schoolverlaten, verhoging opleidingsniveau, deelname aan leven lang leren, stimuleren bètastudies); implementatie van het rapport LeerKracht! (Commissie Leraren)2 en uitvoering van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs1. De nieuwe kaderbrief kennisverspreiding en groen onderwijs, afgeleid van «LNV-beleid in 2009», is uitgebracht.

Resultaten van beleid

Kwaliteit van het (hoger) onderwijs

In het algemeen is het groen onderwijs van goede kwaliteit. Voortdurende aandacht gaat naar het bewaren van de kwaliteit en de examens. Er is een platform groen hoger onderwijs ingesteld dat zich gaat bezig houden met ondermeer verdere kwaliteitsverbetering in het groen HBO in het licht van de Lissabon-ambities. De naleving van de voorgeschreven onderwijstijd bij de Agrarische Opleidingscentra (AOC’s) is een punt van zorg.

De rendementscijfers (2008) voor het hoger onderwijs zijn goed. Wageningen Universiteit (WU) scoort op de verblijfsduur van afgestudeerden 4,2 jaren en heeft een verwacht slagingspercentage van 80%. Ook HBO-groen presteert met een verblijfsduur afgestudeerden van 3,9 jaren en een slagingspercentage van 63% goed.

Het onderwijsbeleid is gericht op het creëren van meer transparantie in kwaliteitsgegevens. Dit moet de schoolkeuze van leerlingen, studenten en hun ouders vergemakkelijken. Een goede kwaliteitsindicatie voor onderwijsinstellingen zijn de studiekeuzegidsen. Wageningen Universiteit is in de Keuzegids Hoger Onderwijs 2010 wederom verkozen tot beste Nederlandse Universiteit; Hogere Agrarische School (HAS) Den Bosch staat net als vorig jaar op de tweede plaats bij het HBO. De Onderwijsinspectie heeft een lijst met zwakke MBO-opleidingen over 2009 gepubliceerd2. De groene opleidingen komen volgens de Inspectiedienst verhoudingsgewijs erg goed uit de bus. De streefwaarde van 87% VMBO-vestigingen met voldoende kwaliteit is echter nog niet gehaald.

Er is een tekort aan hoog opgeleide arbeidskrachten, en in sommige branches ook productiekrachten. Het Economisch Instituut voor Midden- en kleinbedrijf verwacht, na het wegebben van het dempende effect van de huidige crisis, personeelstekorten in de primaire sectoren en de voedingsindustrie. Mede daarom is extra ingezet op een verbeterde aansluiting op de arbeidsmarkt. Met de productschappen is daartoe een intentieverklaring ondertekend. Daarnaast is voor de Maatschappelijke Innovatie Agenda Agro3 een arbeidsmarktonderzoek verricht dat samen met de scholen wordt vertaald naar een opleidingsaanbod.

Het groen onderwijs vernieuwt zich om het kennissysteem nog beter te benutten en kennis te delen. De vraaggestuurde programmering van de Groene Kenniscoöperatie is verbeterd en uitgebreid. Het concept «School als Kenniscentrum» is verder ontwikkeld. Nieuwe kennistransferpunten zorgen voor zichtbare scholen, toegankelijke onderzoeksresultaten en studenten die krijgen wat ze wensen.

De groene kennisinfrastructuur in de Randstad werd met geld van LNV versterkt: er werden drie kenniscentra voor voedsel en groen in de omgeving van Amsterdam, Rotterdam en Almere ontwikkeld. Hiermee krijgt de Randstad een sterk groen onderwijs dat vakinhoudelijk kan innoveren en opleidingen heeft die passen bij de stedelijke omgeving. Dit trekt ook stadsjongeren aan.

Praktijkvoorbeeld: Beste leerbedrijf Nederland 2009 is groen.

Tuinland Zwolle is verkozen tot beste leerbedrijf 2009 van Nederland. De jury koos in unanimiteit uit drie genomineerden voor Tuinland, welke was voorgedragen door kenniscentrum Aequor. Volgens de jury onderscheidt het «Beste Leerbedrijf van Nederland 2009» zich door het vinden van de juiste balans tussen economisch belang, maatschappelijke verantwoordelijkheid en competentiegericht opleiden. Naast een fraaie beker en een «cheque» van € 2 500,–, mag het bedrijf zich het hele jaar presenteren als «Beste Leerbedrijf van Nederland 2009». Bron: AOC-Raad

Specifiek VMBO/MBO

Er is geïnvesteerd in nieuwe, competentiegerichte, examenprogramma’s voor het groen VMBO. Met de AOC-Raad zijn afspraken gemaakt over de kwaliteit van de examens, met name in de gemengde leerweg. Het groen MBO loopt voorop bij de ontwikkeling van competentiegerichtheid: het had in 2009 al het hoogste percentage competentiegerichte opleidingen.

In het Actieplan Kies Kleur in Groen (2008)1 van de AOC’s, Stoas Hogeschool en Aeqor ging het om meer culturele diversiteit binnen de instellingen. LNV financierde het daarop volgende uitvoeringsplan 2009–2010. Vanaf 2010 moet diversiteit integraal onderdeel zijn van de strategische beleidsplannen van de deelnemende onderwijsinstellingen.

Specifiek HBO/WO

LNV heeft de Wageningen Universiteit extra middelen ter beschikking gesteld voor meerexcellentie en een flexibeler onderwijsaanbod in het kader van de strategische agenda Hoger onderwijs. De agenda draagt bij aan de transparantie in het Europees hoger onderwijs, uitgaande van het bachelor-mastersysteem. In Bologna zijn daarover Europese afspraken gemaakt. Wageningen Universiteit en Research centrum vormen de kern van één van de weinige echt succesvolle «innovatieve campussen» in Nederland, namelijk Food Valley Wageningen.2

Voor de beleidslijn professionalisering en leraren 2009–2011 stonden het Actieplan Leerkracht (2007)3 en de Kwaliteitsagenda Leraren «Krachtig meesterschap»4 model. Groencompetente docenten en onderwijsondersteuners krijgen de ruimte: LNV kende negen groen-plus lectoraten toe. Doel is vraaggestuurd praktijkgericht onderzoek uit te voeren, docenten te professionaliseren, het onderzoekend vermogen van studenten te vergroten en via kenniskringen meer kennis tussen onderwijs, onderzoek en praktijk te laten circuleren. Verder heeft de verbinding tussen het groen onderwijs en beleidsondersteunend onderzoek van Wageningen Universiteit een extra impuls gekregen.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Raming 2010 Streefwaarde Planning Bron
Positie WU volgens citatie-impactscores (2003–2006) t.o.v. 13 NLse Universiteiten 8e plaats 2003–06 8e plaats 8e plaats 8e plaats 6e plaats 7e plaats of beter 6e plaats beter 2011 NOWT/CWTS
Percentage vestigingen vmbo van voldoende kwaliteit* 73% 2007 73% 73% 71% 70% 87% ≥ 70% 89% 2012 Onderwijs Inspectie
Percentage vestigingen mbo van voldoende kwaliteit 71% 2007 71% 71% 87% 88% 79% ≥ 87% stijgend 2012 Onderwijs inspectie

* De Onderwijsinspectie gebruikt ingaande 2009 niet meer de indicator «vestiging» maar de indicator «opleiding». Eind 2009 waren er 7 zeer zwakke opleidingen bij 2 AOC’s. Dat is vergelijkbaar met de situatie bij de ROC. In de begroting 2011 zal deze indicator worden aangepast.

Aantal einddiploma’s * (bron: CFI)

kst-32360-XIV-3-3.gif

* Eén MBO-instelling heeft een deel van de diploma’s schooljaar 2008–2009 niet doorgegeven aan de organisatie die deze heeft registreerd. Het aantal diploma’s 2009 komt hierdoor uiteindelijk ca. 233 hoger te liggen op ca. 7283.

Vermindering van uitval in het (hoger) onderwijs

Het tussendoel voor 2009 ten aanzien van het percentage voortijdig schoolverlaters (VSV) was 21%. De realisatiecijfers laten echter een lichte stijging van het uitvalspercentage ten opzichte van 2008 zien. Dit heeft te maken met de gehanteerde norm voor voortijdig schoolverlaten, welke afwijkt van de nu door OCW gebruikte norm.1 Volgens de nu door OCW gehanteerde norm is het percentage nieuwe VSV-ers vanuit de bovenbouw VMBO-groen en het groen MBO gunstiger dan in het overig VMBO en MBO.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator / outcome LNV norm Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Raming 2010 Streefwaarde Planning Bron
Percentage VSV (% leerlingen t.o.v. uitstroom dat lager diploma behaalt dan mbo-2 niveau) 26,3% 2005 26,3% 26,8% 23,9% 24,7% 21% 20% 15% 2012 Cfi
Indicator / outcome OCW norm Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2008/2009 Streefwaarde Bron
Percentage VSV (t.o.v. leerling-populatie) LWOO 3–4*: 5,3%VMBO 3–4: 4,3% MBO: 7,4% Schooljaar 2005/2006 LWOO 3–4: 3,1% (-41,5%)VMBO: 2,2% (-48,8%)MBO: 6,5% (-12,2%) – 50% in 2011 LNV

* Leerwegondersteunend onderwijs.

Beleidsconclusies en consequenties

De koppeling van onderwijs, onderzoek en praktijk werkt. Binnen het groen onderwijs is de kwaliteit gemiddeld hoog en de ongediplomeerde uitval relatief klein. LNV focust op het behoud van een relatief kleinschalig stelsel met een goede zorgstructuur en toegang voor zorgleerlingen dat vooral in het VMBO leidt tot lagere uitval. Inhoudelijke vernieuwing en aansluiting op de praktijk moeten het onderwijs uitdagend houden.

Kabinetsdoelstelling 14

Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie.

Doelstelling minister van LNV

Innovatiekracht van de agrosector stimuleren zodat in 2009 bij minimaal 13% van de bedrijven in de agrosector product- en procesinnovaties plaatsvinden.

Innovatiekracht van de agrosector stimuleren door te streven naar een kennisbenutting in 2009 van minimaal 80% door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

LNV levert een belangrijke bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 14.2 Verduurzaming en innovatie zijn daarbij de speerpunten. Onder andere via het faciliteren en stimuleren van kennisontwikkeling en via projectsubsidies kan de innovatie in het bedrijfsleven worden bevorderd.

Resultaten van beleid

Innovatieregelingen

De Regeling Innovatieprojecten en de Regeling Samenwerking bij innovatie werden open gesteld. Het leidde tot veertig innovatieprojecten in de agrosector, waar in totaal 7,8 miljoen euro subsidie aan is verleend, waaronder projecten voor nieuwe bedrijfssystemen of nieuwe oogst- en verwerkingssystemen. Deze bieden oplossingen voor vraagstukken uit de innovatieagenda’s voor de tuinbouw, melkveehouderij, varkenshouderij en pluimveehouderij. Eind 2009 had het InnovatieNetwerk 115 innovatieve concepten in portefeuille, 65 concepten zijn afgesloten.

Uit de in 2009 gepubliceerde effectevaluatie van de innovatieregeling intensieve veehouderij1 blijkt dat subsidies een springplank zijn voor risicovolle innovatieprojecten. De meeste geënquêteerden gaven aan dat zonder de regeling de projecten niet zouden zijn doorgegaan of kleinschaliger of minder goed zouden zijn uitgevoerd. Het betreft projecten met relatief hoge technische en commerciële risico’s en projecten waarbij de opbrengsten voor de initiatiefnemers zelf relatief beperkt zijn, maar wel van groot belang zijn voor een hele (deel)sector.

Praktijkvoorbeelden uit effectevaluatie 2009:

• Bedrijfssystemen met een beter dierenwelzijn

• Betere luchtwassers voor ammoniak- en fijnstofemissies

• Een RFID-systeem dat het mogelijk maakt het aantal ingrepen bij varkens te verminderen

• Een nieuw topkwaliteitssegment in de varkenshouderij.

Vanuit de tuinbouw-innovatieagenda «Winnen aan Waarde»2 is een analyse gemaakt van de logistieke versplintering door ICT-systemen. Het vormt een basis voor convergentie van en afstemming rond nieuw te bouwen systemen. Er is veel energie voor verdere samenwerking en ontwikkeling.

Fiscale regelingen voor verduurzaming, waaronder de energie-investeringsaftrek, de milieu-investeringsaftrek, vervroegde afschrijving op milieu-investeringen zijn met beperkte aanpassingen van kracht geweest in 2009. Toegezegd is dat ondernemers die in 2007 of 2008 hebben geïnvesteerd in duurzame kassen en stallen worden gecompenseerd voor het niet kunnen toepassen van de verruimde Vamil-regeling voor investeringen in duurzame kassen en stallen, indien en voor zover zij daardoor schade hebben geleden. Ondernemers die in aanmerking willen komen voor compensatie konden zich tot 28 februari 2010 melden bij de Dienst Regelingen.

Ontwikkeling van expertise, kennisontwikkeling en kennisverspreiding

Met 11 grote en 73 MKB-bedrijven, groeide in 2009 de participatie in Food and Nutrition Delta-projecten (FND) tot 233. De bedrijven nemen aan projecten deel en er is een netwerk van bedrijven die betalen voor informatie. De deelname groeide met 38 procent naar 718 deelnemers. De bijdrage aan het Topinstituut Food and Nutrition (TIFN) werd verlengd met veertig miljoen euro. Vijf grote internationale voedingsbedrijven willen zich hierbij aansluiten. De combinatie van bedrijfsprojecten en wereldwijd voedselonderzoek typeert de kracht van Nederland op het gebied van innovatie en gezond eten. De overheid financiert FND en TIFN-projecten uit het Fonds Economische Structuurversterking (aardgasbaten), LNV en EZ zijn inhoudelijk betrokken.

Praktijkvoorbeeld kracht agro food- en nonfoodbusiness: Food & Nutrition Delta

Food & Nutrition Delta is onderdeel van het Innovatieprogramma Food & Nutrition. Op initiatief van het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen is, in dialoog met de ministeries van Economische Zaken, LNV en VWS, het innovatieprogramma Food & Nutrition opgezet om van Nederland de leidende food & nutrition innovatieregio in Europa te maken. Een voorbeeld: Vleesverwerker VION en melkverwerker FrieslandCampina kwamen elkaar tegen bij een project op het Top Institute Food and Nutrition en startten samen met onderzoeksinstituut NIZO een project met de vraag: «Hoe kan ik zout verlagen in mijn product zonder smaakverlies?» Ze kregen daarop een FND subsidie om dit te onderzoeken. VION wil aan het einde van het project een aantal producten op de markt hebben met 40% minder zout. FrieslandCampina mikt op een zoutverlaging van 30% in enkele kaasproducten. Daarnaast participeert de zuivelaar in het convenant zoutverlaging dat een aantal voedingsmiddelenbedrijven met de overheid heeft afgesloten.

Het concept «School als kenniscentrum» werd nader ingevuld door in circa tien regio’s de groene instellingen aan het lokaal bestuur en ondernemers te koppelen, uitgaande van de positieve ervaringen van het regionale kennisarrangement in de Veenkoloniën. Studenten van AOC’s, groene HBO-scholen, andere HBO-scholen, MBO-scholen, Universiteit Groningen en onderzoekers van de Wageningen UR werken samen met gemeenten, waterschappen, ondernemers en burgers aan maatschappelijke vraagstukken.

Met de transitie naar een innovatieve en duurzame visserij participeert LNV in het kabinetsproject «Nederland ondernemend innovatieland». De maatschappelijke innovatieagenda Duurzame Agro- en Visserijketen (MIA DAV) werd aan de Tweede Kamer aangeboden.1 Er lopen al enkele concrete innovatietrajecten. Voor de zeevisserij werden al nieuwe technieken voor energiebesparing en milieuwinst geïntroduceerd, waarmee ook de interesse in meer samenwerking en vernieuwing in de sector groeit.

Het jaar van de Agrologistiek en het Platform Agrologistiek gaven een impuls aan de agrologistiek, essentieel voor innovatieve, sterke en maat schappelijk verantwoorde agroketens. Begin 2009 kwamen uit het congres «Winst uit Agrologistiek» een aantal actiepunten. Vooral de gebiedsgerichte aanpak voor logistieke efficiency in de agroregio’s Loppersum, Betuwe, Terneuzen en Veenweidegebieden leverde veel op. Discussie is gestart over een logistiek systeem voor houtresten en snoeiafval. Via een Small Business Innovation Research Programm (SBIR)-tender voor «Agrologistiek en Biomassa» werd een succesvol begin gemaakt om nieuwe initiatieven te steunen. Voor in totaal 24 uiteenlopende innovatieve projecten wordt in 2010 een haalbaarheidsonderzoek gedaan op kosten van LNV. Om «massa» te maken en agrologistiek op de internationale agenda te krijgen is samenwerking met de Europese Commissie gezocht.

TNO heeft in samenwerking met Nederland Distributieland een studie uitgevoerd naar de agrologistieke kracht van Nederland.2 Dit onderzoek leverde een positief doch te algemeen beeld. Daarom is besloten om in 2010 opnieuw een monitoring te laten verrichten, welke moet resulteren in eerste, concrete realisatiecijfers met betrekking tot de ambitie van de reductie van 14 miljoen wegkilometers (ofwel 12000 ton CO2).

Praktijkvoorbeeld: «Champost verwaarden»

Jaarlijks komt in Nederland ca. 800 000 ton champost vrij, het restmateriaal van de champignonsector. Via het door LNV gesubsidieerde innovatieproject «Champost verwaarden» wordt de haalbaarheid onderzocht van een scheidingsmethodiek voor champost en (hergebruik van) de zogenaamde dekaarde waarop de champignons groeien. Door hergebruik van dekaarde kan 150 000 m3 veen in de potgrondsector en 300 000 m3 veen in de championsector worden bespaard. Met de inzet van compost met antagonisten heeft de akkerbouw een alternatief voor bestrijdingsmiddelen.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator / outcome Peilwaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Begroting 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. % innoverende agrarische bedrijven* 11,6% 2006 11,6% 11,5% 18,4% ** 13% 13% 15,0% 2012 LEI
2. % agrobedrijven in top 100 van innovatieve bedrijven*** 28% 2008 22% 26% 28% 16% ≥ 28% n.v.t.*** stijgend 2011 Bizz-Syntens
3. Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties 78% 2008 71% 69% 78% 77% ≥80% ≥80% stijgend 2011 Prosu BV

* Betreft het percentage van de bedrijven dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd in het betreffende jaar. Het gaat hierbij om: 1) bedrijven die als eerste iets nieuws hebben doorgevoerd; 2) innovatieve volgers die bij de eerste groep behoren die vernieuwingen hebben doorgevoerd; en 3) innovatieve volgers die bij de (eerste) groep behoren die vernieuwingen hebben doorgevoerd die al eerder door andere zijn ingevoerd. De indicator is conjunctuurgevoelig en daarmee gebonden aan behaalde bedrijfsresultaten. De goede score voor 2008 is deels een reflectie van de goede conjunctuur in 2007 en de eerste helft van 2008.

** Realisatiecijfers komen jaarlijks 10 maanden na afloop van het jaar beschikbaar. Het jaar 2008 geeft derhalve de meest actuele realisatie weer. De beleidsconclusie ziet derhalve op het realisatiecijfer 2008. Realisatie 2009 wordt opgenomen in het Jaarverslag 2010.

*** Betreft een vergelijking met andere sectoren in Nederland. Ten opzichte van al deze hoog innovatieve sectoren is de doelstelling dat de agro-sector minimaal even innovatief zal zijn. Het percentage agrobedrijven in de top 100 van innoverende bedrijven is echter geen relevante maatstaf gezien de zeer beperkte invloed van LNV hierop. Vanaf de begroting 2010 is deze indicator vervallen.

Beleidsconclusies en consequenties

LNV draagt succesvol bij aan het innovatieve vermogen van de economie. Dat blijkt onder meer uit het groeiend aantal innoverende bedrijven dat in 2008 met ruim 18% boven de verwachte 13% steeg, als gevolg van de gunstige economische omstandigheden in 2007 en de eerste helft van 2008.

Beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties benutten kennis zoals beoogd. Veel innovaties zijn het resultaat van intelligente combinaties van product- en procestechnologie, marketing, financieringsvormen of systeemvernieuwing. Netwerken van belanghebbenden, die LNV faciliteert, vormen een goed instrument voor innovatie. De innovatieregeling blijkt springplank voor risicovolle innovatieprojecten. Met vernieuwingsagenda’s als de Maatschappelijke Innovatie Agenda Agro- en Visserijketen, visionaire programma’s als Food and Nutrition Delta en het Topinstituut Food and Nutrition, blijft Nederland bij de internationale top van agro- en foodinnovatie.

Kabinetsdoelstelling 16

Minder regels, minder instrumenten, minder loketten

Doelstelling minister LNV

Administratieve lasten: in 2011 18,5% minder administratieve lasten voor bedrijven.1

Dienstverlening: in 2011 wordt 100% van de dienstverlening digitaal aangeboden en loopt 70% daadwerkelijk via het elektronische kanaal.

Toezicht: kwaliteit toezicht met 25% verbeteren in 2011.

LNV levert een bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 16.2 Minder regels en meer dienstverlening bevorderen economische groei en versterken de innovatieve kracht van ondernemingen en burgers. LNV wil een toegankelijke organisatie zijn.

Resultaten van beleid

Doelrealisatie vindt plaats in Europees verband. Dat geldt met name voor het terugdringen van de administratieve en toezichtlasten in de vleesketen. In het voorjaar 2009 heeft LNV daar aanzienlijk toe bijgedragen via de kabinetsvoorstellen aan de Europese Commissie voor minder regels. Dit is maar ten dele zichtbaar in het LNV reductiepercentage administratieve lasten, omdat een deel van de LNV inspanningen formeel niet als administratieve lastenverlichting telt. Zo vallen alle inspanningen voor een minder bureucratische toekenning van bedrijfstoeslagen buiten de definitie van administratieve lasten, omdat dit subsidies betreft. De Europese Commissie heeft een plan gepresenteerd waarin op een aantal regelgevingdomeinen in het agrobereik, een vermindering van 36% mogelijk is in 2012.

Vermindering regelgeving/vergunningen

De regelgeving is in aantallen gedaald van 500 in 2007 tot 363 in 2009, een reductie van 27,4%.

De Wet dieren is aangenomen door de Tweede Kamer. Als de wet in 2011 in werking treedt, zijn zes afzonderlijke wetten op het terrein van het dier geïntegreerd. Dat is het begin van de vermindering van regeldruk op dit terrein. Ter voorbereiding daarop is de vormgeving van de uitvoeringsregelingen onder de Wet dieren ter hand genomen. Met het voorstel voor een Crisis- en herstelwet wordt bestaand gebruik met gevolgen voor Natura 2000 gebieden in beginsel vrijgesteld van de vergunningplicht. Op vier regelingen is de Lex Silencio van toepassing verklaard, zodat bijvoorbeeld de vergunning IJsselmeervisserij automatisch verleend wordt na verloop van de beslistermijn.

Administratieve lasten

De administratieve lasten in de agrosector zijn in 2009 gedaald met 1,8% (ca. €  4,0 mln.) mede door aanpassing van de preventieregeling. Door af te zien van de invoering van een watersportbijdrage is een registratieverplichting – en dus een administratieve last – voor een groot aantal pleziervaartuigen vermeden.

Dienstverlening

LNV wil een benaderbare organisatie zijn. Dienst Regelingen (DR) vormt hierin een centrale spil. In het dienstverleningsconcept DR en de bijbehorende servicenormen staan basisprincipes als servicegericht, transparant en toegankelijk centraal. De prestaties van DR worden op basis van de servicenormen gemeten, waardoor continue kwaliteitsverbetering van de dienstverlening wordt gerealiseerd. Concreet resultaat: een hoge waardering door ondernemers. Dienst Regelingen behoort met het rapportcijfer 7 tot de Top 3 van non-profit dienstverleners1.

Het gebruik van digitale dienstverlening vertoont een sterk stijgende lijn. Naast toenemed gebruik van e-applicaties, waaronder E-GDI (elektronische gecombineerde data-inwinning), neemt ook het gebruik van de elektronische voorzieningen binnen«Mijn Dossier» en informatievoorziening via de website «Het LNV-Loket» fors toe. De doelstelling voor 2011 voor het feitelijk gebruik van niet-complexe formulieren via internet is verhoogd. In 2009 is de digitale «bezwarenassistent» geïntroduceerd, waarmee klanten kunnen vaststellen of het in hun situatie zinvol is bezwaar te maken. De toegenomen digitalisering heeft als positief neveneffect een forse afname van het aantal fouten in de aanvragen van klanten. Digitalisering leidt daarmee tot hogere klanttevredenheid en efficiencywinst. Het programma Elektronische Dienstverlening is succesvol afgesloten en met nieuwe ambities voortgezet als het programma Digitale Dienstverlening.

Bezoekersaantallen (x 1 000) digitale dienstverlening

kst-32360-XIV-3-4.gif

Nalevinglasten en toezichtlasten

De toezichtlast voor bedrijven in de land- en tuinbouw is met 29% afgenomen, door meerdere types controles met elkaar te combineren en door de inzet effectiever te organiseren. In beginsel krijgen bedrijven in de primaire land- en tuinbouw maximaal twee AID-inspecties per jaar. Voor het toezicht in de vleesketen geldt dat de toezichtlasten met circa 1% zijn afgenomen.

De gedragscode Bouw en ontwikkelsector is afgesloten, en de eerste bedrijven hebben een abonnement genomen op de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), waardoor onderzoek ten behoeve van een ontheffingsaanvraag wordt gefaciliteerd.

Europese Unie

Van de reductievoorstellen die het kabinet aan de Europese Commissie heeft voorgelegd zijn onder andere aangenomen:

• Het verzachten van de verplichting een verzamelaanvraag in te dienen voor landbouwers (er is een drempel ingevoerd van € 500).

• Het laten vervallen van de jaarlijkse novembertelling van het aantal schapen en geiten.

• Het verlichten van de registratie- en controleverplichting voor de recreatieve visserij.

• Het vervangen van een vergunningplicht voor de handel in bioproteïnen door toezicht achteraf.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator / outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2009 Streefwaarde Planning Bron
1. Administratieve lasten 205 mln 2007 – 2,9%* – 18,5% 2011 Beleidsprogramma
2. Nalevingskosten 294 mln 2009 0% – 20% 2011 Rapportage Regeldruk Bedrijven
3. Toezicht 62,6 mln 2007 – 2,4%** – 25% 2011 Programma Vernieuwing toezicht

* Dit betreft de cumulatieve realisatie in de periode 2007–2009, waarvan 1,7% in 2009.

** dit betreft de (gewogen) som van de reducties behaald in de toezichtdomeinen «land- en tuinbouw» (-29%) en «vleesketen» (– 1%).

Beleidsconclusies en consequenties

Er komen steeds minder regels. LNV realiseert de streefwaarde voor vermindering van de administratieve lasten, toezichtlasten en nalevingkosten niet voor het streefjaar 2011 omdat dit een Europese dimensie heeft. Dit geldt voor de Wet dieren (herziening van het onderdeel diergezondheid hangt af van de EU «Animal Health Law», die pas na 2011 tot stand komt) en de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Europese afhankelijkheid belemmert ook de afname van een relatief groot deel van de toezichtlasten voor het streefjaar 2011. Daarom worden de inspanningen in Brussel nog meer aangezet, en wordt nationaal naar een alternatieve invulling gezocht. De digitalisering via DR werkt. Er is efficiencywinst en meer klanttevredenheid.

Kabinetsdoelstelling 22 1

Het stimuleren van duurzame consumptie en productie.

Doelstelling minister LNV

Schoon en zuinig

Bijdrage LNV-sectoren aan de doelstellingen uit Schoon en Zuinig voor 2020:

+ 3,5–4,5 Mton CO2-reductie in 2020 t.o.v 1990;

+ 4,0–6,0 Mton reductie overige broeikasgassen (methaan/lachgas) in 2020 t.o.v. 1990;

+ circa 212 PJ duurzame energieproducten in 2020 (dit is circa 40% van de doelstelling).

Energietransitie glastuinbouw

+ In de glastuinbouw bedraagt de energie-efficiency in 2010 65 % t.o.v 1980.

+ Het aandeel duurzame energie in de glastuinbouw t.o.v. totaal energieverbruik in de glastuinbouw bedraagt in 2010 4%.

Bio based economy

Ambitie voor 2020:

+ 20% hernieuwbare energie (waaronder biomassa) in 2020;

+ 5,75% biobrandstoffen in het wegtransport in 2010, daarna verder oplopend naar minimaal 10% in 2020 (dit laatste onder voorwaarde van duurzaamheid, kosteneffectiviteit en het beschikbaar komen van een tweede generatie);

+ onderzoek naar 20% verplichte bijmenging in 2020;

+ circa 500 MW extra vermogen elektriciteit/warmte [1] door gebruik van biomassa;

+ tweede generatie technologie wordt op ruime schaal toegepast.

Biologische landbouw

+ In 2009 stijgen de consumentenbestedingen voor biologische producten met 10%.

+ In 2009 stijgt het areaal biologische landbouw met 5%.

Verduurzaming veehouderij

+ Verduurzaming veehouderij in 15 jaar vanaf 2008.

+ In 2011 is 5 % van de houderijsystemen integraal duurzaam en diervriendelijk.

Mestbeleid

+ Voor 2009 wordt gestreefd naar een nationaal fosfaatoverschot van maximaal 34 mln. kg en een nationaal stikstofoverschot van 400 mln. kg.

Gewasbescherming

+ In 2010 moet het aantal milieubelastingspunten t.o.v. 1998 verminderd zijn met 95 % en in 2009 met circa 90% t.o.v. 1998.

+ In 2010 moet de overschrijding van residunormen in voedselproducten zijn afgenomen met 50 % t.o.v. 2003.

Transitie Noordzeevisserij

+ Conform Operationeel Programma bij het Europees Visserijfonds maken in 2010 minimaal 5 Nederlandse kotters op de Noordzee gebruik van duurzame visserijtechnieken.

+ In 2010 wordt minimaal 30% van de vis en visproducten gecertificeerd.

+ In 2010 wordt minimaal 8 000 ton mosselzaad op een alternatieve manier gewonnen.

Bewustwording consumenten

In 2009 worden op 1500 basisscholen smaaklessen gegeven en in 2012 op 3000 basisscholen.

SCHOON & ZUINIG

Resultaten van beleid

Het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren bepaalt dat jaarlijks tot en met 2020 een jaarwerkprogramma per deelsector wordt opgesteld. In 2009 zijn programma’s opgesteld en uitgevoerd voor de glastuinbouw, de bloembollen, de paddenstoelen, de intensief en extensieve veehouderij en de voeding- en genotmiddelenindustrie.1 Voor bos, natuur, landschap, de houtsector, en de open teelt zijn stappen gezet voor een goede organisatiestructuur, opdat jaarwerkprogramma’s voor 2010 kunnen worden opgesteld. Agentschap NL kreeg opdracht om de agrosectoren intensief bij het maken van de energie- en klimaatplannen te begeleiden. Zo groeit het bewustzijn dat de land- en tuinbouw bij kan dragen aan de biodiversiteit en aan het oplossen van klimaatproblemen, voedseltekorten en armoede in de wereld.

Reductie CO2 glastuinbouw

De CO2-emissie van de teelt is in 2008 uitgekomen op 5,2 Mton. De totale CO2-emissie inclusief de CO2 voor stroomlevering aan derden is in 2008 uitgekomen op 7,2 Mton. Die resultaten liggen binnen het bereik van de doelstellingen van het Convenant Schoon en Zuinig voor 2020. Hierbij is de doelstelling dat de glastuinbouw in 2020 een totale nationale reductie van CO2-emissie bereikt van minimaal 3,3 Mton t.o.v. 1990.

De ontwikkeling van het CO2-vereveningssysteem voor de glastuinbouwsector wordt afgerond.

Reductie broeikasgassen

Het programma Emissiearm Veevoer (reductie uitstoot overige broeikasgassen in de veehouderij) is met de Nederlandse Vereniging voor diervoederindustrie (Nevedi), Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en Nederlandse zuivelorganisatie (NZO) in 2009 tot stand gekomen. Het wordt deels door het Rijk gefinancierd via de Maatschappelijke Innovatieagenda Energie en gaat in 2010 van start.

Duurzame energieproducten

De land- en tuinbouw maken ondanks de economische crisis veelvuldig gebruik van het subsidie-instrumentarium voor energie en klimaatbeleid (SDE, Mia/Vamil, EIA, Groen Beleggen, Marktintroductie Energie-innovaties en IRE).

LNV heeft samen met EZ eind 2009 een aardwarmtegarantieregeling opengesteld, waarmee het onvermijdbare geologische risico op misboren wordt afgedekt.

Het transport van duurzame elektriciteit, waaronder stroom van tuinbouw-Warmte Kracht Koppeling (WKK) krijgt vanaf 1 januari 2010 voorrang op het hoogspanningsnet.

In 2009 zijn in de veehouderij sectorale pilots gestart zodat er in 2010 meerjarenafspraken kunnen worden gemaakt met betrekking tot energiebesparing.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Begroting 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. Aandeel duurzame energie in glastuinbouw t.o.v. totaal energieverbruik > 0,5% 2003 0,6% 0,8% 1,2% * 1,2% 4% 4% 2010 LEI
2. Energieefficien-cyverbetering (t.o.v. 2005) bloembollen 0% 2005 21,1% ** ** ** 4% 4,4% 11% 2011 Senter
3. Energieefficien-cyverbetering (t.o.v. 2005) paddenstoelen 0% 2005 0,2%*** 10,5%*** 7,6% * 4% 12% 14,5% 2011 Senter
4. Energieefficien-cyverbetering (t.o.v. 2001) Voeding- en genotsmiddelenindustrie 4,94% 2006 4,94 10,1 11% * 8,3% 12% 15% 2012 Senter

* Realisatiecijfers lopen een jaar achter als gevolg van het niet parallel kunnen lopen van de onderzoeksprogrammering van externe partijen met de verantwoordingscyclus conform de Rijksbegroting. Realisatiecijfers over 2009 zullen in het Jaarverslag 2010 worden opgenomen.

** Een vergelijking van de realisatie van het energieverbruik in 2008 met het energieverbruik in 2006 of in 2007 is door de afwijkende samenstellingen van de verschillende databases voor 2008 lastig en weinig zinvol. De berekende energieverbruikcijfers per gewas van 2008 zijn wel goed bruikbaar als referentiewaarden voor de verdere monitoring t/m 2011. De Energie-Efficiëntie-Index van 2008 wordt dan op 100 gesteld. Hoewel Energie-Efficiëntieverbetering t.o.v. voorgaande jaren moeilijk vast te stellen is, is het wel aannemelijk dat de energie-efficiëntie in de sector als geheel vermoedelijk licht verbeterd is.

*** Voor de paddenstoelensector zijn gecorrigeerde cijfers gepubliceerd over de jaren 2006 en 2007.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2009 is de uitvoering van het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren succesvol op gang gekomen. Een groot deel van de convenantpartners heeft met ondersteuning van het Agentschap NL concrete jaarwerkprogramma’s opgesteld en in uitvoering genomen. Uit referentieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving en Energieonderzoekscentrum Nederland blijkt dat de land- en tuinbouwsector zeer goed op koers ligt voor het behalen van de Schoon en Zuinig doelen in 2020.

Om de realisatie van het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren te volgen komt in het voorjaar van 2010 een monitoringsprogramma gereed. Evaluatieresultaten van het Schoon en Zuinig-beleid kunnen aanleiding zijn te bezien of aanpassing van beleidsmaatregelen noodzakelijk zijn om de gestelde doelen te behalen.

ENERGIETRANSITIE GLASTUINBOUW

Resultaten van beleid

De glastuinbouw is goed voor ongeveer 10% van het Nederlandse gasgebruik. Het glastuinbouwaandeel van het energiegebruik van de land- en tuinbouw als geheel is ongeveer 94%. De sector en de overheid voeren al jaren een ambitieus energiebeleid, onder meer via het convenant Glastuinbouw en Milieu1, dat tot en met 2010 loopt en het agro-convenant (tot 2020). Sinds 2003 wordt gewerkt aan een klimaatneutrale glastuinbouw in nieuwe kassen vanaf 2020. LNV en de sector werken daarnaast aan een gezamenlijk programma, de Kas als Energiebron.

Programma Kas als Energiebron

Sinds de subsidieregeling Marktintroductie Energie-innovaties werd open gesteld zijn vier semi-gesloten kassen gehonoreerd voor 1,8 miljoen euro. Het budget voor de overige energiesystemen ging van 4 naar 14,5 miljoen euro. Het betreft zeven aardwarmteprojecten en vijf biobrandstofprojecten. De beoordeling van de tweede openstelling loopt; er zijn 25 aanvragen voor ruim 20 miljoen euro binnen.

De Energienetwerkenregeling is vertraagd. Overleg over de inpasbaarheid binnen EU-kaders wordt voortgezet. De nieuwe pilot garantieregeling aardwarmte van EZ en LNV is in november opengegaan. De regeling dekt het onvermijdbare geologische risico op misboren af.

Het versnellingsprogramma implementatie semi-gesloten kas bracht het concept het «nieuwe telen». Dit concept combineert de kennis die met het innovatieve semi-gesloten telen is opgedaan stapsgewijs met de traditionele kennis. Dit kan de tuinbouw 40 tot 50% energiebesparing opleveren en maakt investeren en leren mogelijk.

Warmtekrachtkoppeling (WKK)

Het vermogen van WKK-installaties van tuinders is met ruim 2000 MW in vier jaar, zeer sterk toegenomen. Eind 2008 bedroeg het vermogen circa 2800 MW. Dat komt overeen met het vermogen van vijf grote elektriciteitscentrales. De glastuinbouw levert met de efficiënte WKK’s 20% van het elektriciteitsverbruik van de huishoudens. De beoogde 3000 MW in 2020 met de bijbehorende 2,3 Mton CO2-reductie op nationaal niveau is bijna gerealiseerd. De keerzijde van de groei van WKK, dat niet onder duurzame energie valt, is dat het aandeel duurzame energie in 2008 is uitgekomen op 1,2 %. Het doel van 4% in 2010 lijkt daarmee nog ver weg.

Meerjarige Afspraken energie-efficiency 3

De voeding- en genotmiddelenindustrie is toegetreden tot de Meerjaren Afspraken Energie-efficiëncy 31 en werkt aan voorstudies voor meer energie-efficiency in 2030. Deze industrie en LNV brengen de feitelijke beschikbaarheid van groene grondstoffen in kaart. Voor de open teeltsector zijn onderzoeksprojecten gestart om energie te kunnen besparen en duurzame energie mogelijk te maken. LNV is cofinancier.

Praktijkvoorbeeld Plan van aanpak LED

De glastuinbouw heeft een breed gedragen plan van aanpak LED2 opgesteld voor LED-lampen. Steeds meer tuinders experimenteren met LED-verlichting ter vervanging van de zogenoemde SON-T-lampen, die nu de markt beheersen. Tot op heden is LED-verlichting nog relatief duur en op zichzelf niet energie-efficiënter. Onderzoek van Philips in samenwerking met de sector leidt tot de mogelijkheden die het gebruik van LED wel interessant maken. Eén van de voordelen is dat de lamp warmte niet direct richting de plant afgeeft, waardoor de verlichting dicht bij de plant kan worden geplaatst, wat energiewinst oplevert. Dit komt bijvoorbeeld van pas in de tomatenteelt. Ook is de kleur van LED-verlichting beter te sturen, wat goed is voor de plant, en om lichtvervuiling tegen te gaan. Philips denkt dat de omzet in de glastuinbouw via LED-verlichting 15% kan stijgen.

Bron: www.philips.nl

Beoogde effecten en resultaten

De energie-efficiëntie van de glastuinbouw is sterk verbeterd, van 36% in 2007 naar 30% in 2008. De glastuinbouw gebruikte in 2008 dus 70% minder brandstof per eenheid product dan in 1980. De in het convenant Glastuinbouw en Milieu afgesproken 65% besparing in 2010 is dus in 2008 al gehaald, mede door het toenemende gebruik van WKK’s en minder energiegebruik per m2. De doelstelling van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren voor CO2-uitstoot door de teelt in 2020 is 5,8 Mton terwijl de CO2 uitstoot door de teelt in 2008 is uitgekomen op 5,2 Mton zodat de doelstelling voor 2020 al is gehaald. De totale CO2 uitstoot inclusief de CO2 voor stroom aan derden kwam in 2008 uit op 7,2 Mton. Die resultaten liggen binnen het bereik van het Convenant Schoon en Zuinig voor 2020. Bij dit convenant is de doelstelling een reductie van CO2 uitstoot van € 3,3 Mton tot 2020. Hiervan moet 1 Mton worden gerealiseerd binnen de sector via de teelt en 2,3 Mton nationale reductie via Warmte Kracht Koppeling (WKK).

De monitorgegevens over de energietransitie 2009 worden in het derde trimester van 2010 gepubliceerd.

Energie-efficiency (%)

kst-32360-XIV-3-5.gif

CO2-emisie (Mton)*

kst-32360-XIV-3-6.gif

Beleidsconclusies en consequenties

In de glastuinbouw zijn de doelen voor de energie-efficiency voor 2010 al bereikt, en het doel voor minder CO2-uitstoot is in zicht. Voor het aandeel duurzame energie in de glastuinbouw wordt het doel in 2010 niet bereikt, enerzijds vanwege de concurrerende werking van warmtekrachtkoppeling en anderzijds omdat veel duurzame energieopties nu nog niet rendabel zijn en er weinig ervaring mee opgedaan is. Met het programma Kas als Energiebron wordt inzet van duurzame energie gestimuleerd.

BIOBASED ECONOMY

De doelstelling van de bio-based economy is het inzetten van duurzaam geproduceerde biomassa als alternatief voor aardolie, aardgas en steenkool. De chemie heeft zich forse doelstellingen gesteld om binnen 25 jaar de helft van haar fossiele grondstoffen door biomassa te vervangen.

Resultaten van beleid

Het Innovatieplatform heeft in 2009 een advies voorbereid, waarin de inzet van biomassa in de biobased economy als zeer kansrijke route voor Nederland wordt beoordeeld. De Highlevel Stuurgroep Bio-based economy wil komen tot een bijdrage van € 20 miljard op jaarbasis aan het BNP. Een macro-economische studie omschrijft een internationaal hightech scenario als optimaal voor Nederland.1 Internationaal richt LNV zich voornamelijk op innovatie, onder andere via het Programma groene grondstoffen in de Innovatieagenda energie.

LNV stelde vanuit het Small Business Innovation Researchprogramm (SBIR) de tenders biomassa en bioraffinage open. Twaalf MKB-bedrijven startten een haalbaarheidsonderzoek voor biomassa en er kwam tien miljoen euro vrij voor pilots en demonstratieprojecten voor bioraffinagetechnologie. Bij pilots worden technieken op laboratoriumschaal ontwikkeld, die in een latere fase op grotere schaal worden getest. Er kan 10 tot 15 jaar tussen de eerste en tweede fase zitten. Dit vereist ondersteuning vanwege de risico’s. De tender voor hoogwaardige toepassingen zit in de tweede fase. Vijf bedrijven startten een op de markt gericht ontwikkelingstraject.

De biomassa importregeling werd opengesteld voor in totaal tien miljoen euro. EZ voert de regeling uit. Hierbinnen wordt gewerkt aan duurzame biomassastromen. LNV financierde met acht miljoen euro het onderzoeksprogramma Bio-based Performance Materials. Ruim 30 MKB-ers, industriële partijen en onderzoeksinstellingen starten in 2010 met onderzoek naar biokunststoffen.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2008 en 2009 werd de basis voor de bio-based economy gelegd. Een interdepartementaal samenwerkingsprogramma is in oprichting, subsidieprogramma’s zijn gestart. De nadere invulling en interdepartementale verantwoordelijkheidsverdeling zijn aan de Tweede Kamer gecommuniceerd.2

BIOLOGISCHE LANDBOUW

Resultaten van beleid

Biologisch in verbinding

De biologische en de gangbare landbouwketen werken samen in de ketenaanpak aanbodskrapte, bij het functioneren van bedrijfsnetwerken en door kennis uit te wisselen en onderzoek te doen. Via regionale projecten en professioneel georganiseerde open dagen, zoals «Lekker naar de boer!»,is er een sterk contact met de samenleving. In de zomer van 2009 stelden biologische boeren en tuinders hun bedrijf open om mensen kennis te laten maken met het landschap, de dieren, biologische producten en de herkomst van voedsel. Aansluitend zijn de «Lekker van de boer!» restaurantweken georganiseerd.

Verzelfstandiging

Er is hard aan de verzelfstandiging van de biologische keten gewerkt, zowel op het gebied van vraagstimulering als van kennis. Dit draagt bij aan een zelfstandige, zichtbare en robuuste biologische sector. Om de infrastructuur van de biologische keten te verankeren, stelde LNV het innovatieprogramma Groene Veredeling op.

Praktijkvoorbeeld: «Lekker naar de boer!» trekt 70 000 bezoekers

Ruim 70 000 mensen maakten in juni gebruik van de gelegenheid om «Lekker naar de boer!» te gaan. Voor de 12e keer organiseerde Biologica, de landelijke organisatie ter promotie van o.a. biologische consumptie, «open dagen». Het «Lekker naar de boer!»-weekend kent een duidelijke groei in het aantal bedrijven en organisaties dat bij wil dragen aan de promotie van dit podium voor de biologische boer en tuinder.

Met inbreng van de Taskforce Marktontwikkeling Biologische Landbouw werd een speciale website en Magazine gerealiseerd. Daarnaast werd de campagne, behalve door een belangrijke bijdrage van de Rabobank, op verschillende manieren ondersteund door het natuurvoedings- èn supermarktkanaal, de bedrijfscatering, grootleveranciers en andere betrokkenen. Parallel vonden de «Lekker van de Boer»-restaurantweken plaats, waarbij mensen konden genieten van culinaire hoogstandjes van eerlijke producten uit de streek.

bron: www.lekkernaardeboer.nl

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begro- ting 2009 Begro- ting 2010 Streef- waarde Planning Bron
1. Jaarlijks 10% groei consumentenbestedingen € 520 mln. 2007 € 457,9 mln. € 518,9 mln. (+13%) € 583,4 mln. (+12%) € 646,6 mln. (10,8%) € 629 mln. € 705,9 mln. € 760 mln. 2011 Biologica
2. Jaarlijks 5% groei in biologisch areaal 47 000 ha. 2007 48 425 ha. (+3%) 47 019 ha. (– 3%) 50 435 ha. (+7%) 51 911 ha. (+3%) 51 800 ha. 54 400 ha. 57 100 ha. 2011 SKAL

Beleidsconclusies en consequenties

Ondanks de recessie blijft de biologische keten groeien, zowel in areaal als in consumentenbestedingen. Hoewel de biologische keten in 2009 minder groeide dan in 2008, liggen streefdoelen voor 2011 binnen bereik. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig.

VERDUURZAMING VEEHOUDERIJ

Resultaten van beleid

Duurzame houderijsystemen

Ten behoeve van de verduurzaming veehouderij is ingezet op de ontwikkeling en operationele toepassing van nieuwe integraal duurzame houderijsystemen. Dit heeft in 2009 geleid tot de realisatie van 2,2% duurzame stallen.1

Nota Dierenwelzijn en Nationale Agenda Diergezondheid

Met de sector is overeenstemming bereikt over aanvullende dierenwelzijneisen bovenop de nieuwe vleeskuikenrichtlijn. Daarnaast is verdoofd castreren in varkenshouderij geïntroduceerd en zijn de eerste comfort class stallen opgeleverd. Tevens is sprake van een toenemende tendens om castratie van beren achterwege te laten.

Praktijkvoorbeeld: comfort class stallen en ‘Kracht van koeien‘

• In Ommen is een zogenaamde familiestal voor vleesvarkens gerealiseerd. Hier worden biologische varkens gehouden. De zeugenstal, kraamstal, biggenstal en vleesvarkensstal zijn met elkaar verbonden. In de zeugenstal wonen zeugen in groepen met een bed van stro en een uitloop naar buiten. Het gebruik van antibiotica is er minimaal. In het Overijsselse Langeveen staat een Canadese strooiselstal. Dat is een stal waar varkens hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen: er kan gewroet worden in het zaagsel. Ook is er een luchtwasser, zodat de stal weinig milieu-effect heeft. De Dierenbescherming heeft de stal in het sterrensysteem opgenomen en supermarktketen Jumbo-bewust verkoopt het vlees.

• «Kracht van koeien», een herontwerp van de melkveehouderij, is in 2009 aan de Minister van LNV aangeboden. In de ontwerpen de Meent (XL), de Bronck en Amstelmelk is rekening gehouden met behoeften van koe, veehouder, burger en milieu. Het dierenwelzijn wordt verbeterd door 360 m2 per dier op een huiskavel te bieden, waar ook beschutting is. De ontwerpen zijn klimaatneutraal en minder milieubelastend doordat melkveehouderijbedrijven energie produceren en mest en urine onmiddellijk scheiden. Zo kan dierlijke mest kunstmest vervangen. Kracht van Koeien gaat van meerdere praktijkexperimenten uit, die elkaar versterken. Andere stalontwerpen zijn de Familiekudde en de Vrijloopstallen. De eerste stallen zijn al gebouwd.

Uitwerking convenanten

De agrosector ligt in het behalen van de gestelde Schoon en Zuinig doelen ruimschoots op koers.

In 2009 is de uitvoeringsagenda Duurzame veehouderij2 ondertekend door de convenantpartijen en is een start gemaakt met de uitvoering. Daarnaast is het Convenant Marktontwikkeling Verduurzaming Dierlijke Producten («Tussensegmenten»)3 afgesloten. Dit convenant moet resulteren in een omzetgroei van duurzame dierlijke producten van 15% per jaar. Inmiddels zijn diverse subsidieprojecten in dit kader ingediend en gehonoreerd.

Vergroening fiscale instrumenten

Per 1 april 2009 is een nieuwe versie van de Maatlat duurzame veehouderij (MDV)4 in werking getreden. De MDV is uitgebreid met een maatlat voor diergezondheid en energie. Stringentere eisen zijn vastgesteld voor dierwelzijn en diergezondheid op de MDV voor grote en zeer grote bedrijven.

De regeling Groenfinanciering is herzien en wordt per begin 2010 uitgebreid met de Melkveehouderij.

In 2009 is bovendien de Health Check geïmplementeerd. In 2009 zijn afspraken gemaakt over de toekenning van extra GLB-middelen voor de verdere verduurzaming van de veehouderij.

Praktijkvoorbeelden verduurzaming pluimveehouderij:

• Terrasstal in Gemert: een scharrelvleeskuikenbedrijf in Gemert heeft via een warmte-koude opslag in de bodem een innovatief systeem voor stalklimaat (zomer-koel, winter-warm) geïntroduceerd, dat tot 60% op de energiekosten kan besparen. Het systeem is diervriendelijker omdat het minder snel leidt tot brandplekken of voetzoolleasies en het geeft minder ammoniakuitstoot doordat de stal veel droger blijft.

• Stalontwerpen «de Plantage» en «het Rondeel»: In 2004 hebben Wageningen UR , het bedrijfsleven, de Dierenbescherming en burgers twee nieuwe stalontwerpen gemaakt voor het duurzaam houden van legkippen voor bedrijven met 30 000 legkippen: de Plantage en het Rondeel. De stallen voldoen aan de natuurlijke behoeften van de kippen en voldoen aan wettelijke milieueisen en passen in het landschap. In de stallen is er contact met buiten, via een overkapping of echt buiten scharrelen. Tal van maatregelen gaan uitstoot van stof en stank tegen. Om de ammoniakuitstoot te beperken wordt de mest gedroogd op mestbanden. De stallen zijn extra geïsoleerd en de warmte van de dieren wordt gebruikt om de mest te drogen, waarmee fors op energie wordt bespaard. Dat is goed voor het milieu, het dier en de pluimveehouder. Het prototype van de Plantage is in 2007 gerealiseerd op een biologisch legpluimveebedrijf en wordt op dit moment verder ontwikkeld. In april 2010 wordt de eerste Rondeelstal geopend. De komende twee jaar worden nog vier Rondeelstallen gebouwd. Om burgers en consumenten te laten zien hoe legkippen leven en eieren leggen, hebben de stallen een bezoekerscentrum.

Beleidsconclusies en consequenties

Samen met de convenantpartijen is gestart met de uitvoeringsagenda duurzame veehouderij. Specifieke aandacht ging naar regiethema’s om projecten te versnellen en knelpunten te voorkomen. LNV en betrokken partijen kunnen de veehouderij zo goed verduurzamen.

MESTBELEID

Resultaten van beleid

LNV voerde het beleid zoals vastgelegd in het derde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2006–2009) uit en bereikte met de Europese Commissie een akkoord over het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn voor de periode 2010–2013. De afspraken zijn in een gewijzigde Meststoffenwet en onderliggende regelgeving opgenomen. Op basis van het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn heeft de Europese Commissie wederom een derogatie toegekend voor 250 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare voor de periode 2010–2013.

Praktijkvoorbeeld: elektriciteit en verwarming op koeienmest

Het Leeuwarder stadsdeel Techum wordt sinds 2009 verwarmd via gas uit mest. Met een mestvergistingsinstallatie produceert praktijkcentrum Nij Bosma Zathe biogas van de drijfmest van de 200 melkkoeien op het bedrijf. Dit biogas wordt door een warmtekrachtkoppeling (wkk) op het bedrijf omgezet in elektriciteit, dat aan het net wordt geleverd. Bij dit proces komt warmte vrij, dat bij een vergistingsinstallatie meestal grotendeels onbenut blijft. Nij Bosma Zathe heeft echter samen met de stad Leeuwarden een oplossing bedacht om deze restwarmte wel te kunnen benutten. In Techum wordt dit gas, dat sinds juni 2009 door ruim 5 km pijpleiding wordt getransporteerd, via een 2e wkk omgezet in elektriciteit, dat daar direct aan het net wordt geleverd. De warmte die vrij komt wordt gebruikt voor het verwarmen van de woningen. De melkkoeien van Nij Bosma Zathe zorgen dus voor warmte en elektriciteit in de woningen van Techum!

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Begroting 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. Nationaal fosfaatoverschot* 78 mln. kg. 2002 85 mln. kg 55 mln. kg 48 mln. kg.** *** 34 mln. kg 55 mln. kg Evenwicht* 2015 CBS
2 Nationaal stikstofoverschot 420 mln. Kg. 2002 419 mln. kg 388 mln. kg 374 mln. kg.** *** 400 mln. kg 390 mln. kg 360 mln. kg. 2013 CBS

* Op basis van nieuwe inzichten heeft het CBS een herberekening uitgevoerd over de gehele reeks.

** Het betreffen voorlopige cijfers over 2008.

*** Over realisatie 2009 zijn cijfers in het najaar 2010 beschikbaar en deze zullen in het jaarverslag 2010 worden opgenomen.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2008 bleef het nationale fosfaatoverschot dalen. De doelstelling voor 2010 is hierdoor al ruim gehaald. Met het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn wordt een verdere daling van het bodemoverschot voor fosfaat beoogd. Ook het nationale stikstofoverschot daalde na de invoering van het gebruiksnormenstelsel stevig. Ook hier is in 2008 de beleidsdoelstelling voor 2010 al bereikt, zij het dat externe en moeilijk beïnvloedbare factoren, zoals weersomstandigheden, bij stikstof forse verschillen tussen opeenvolgende jaren kunnen opleveren.

Het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn is gericht op beter gebruik van mineralen, zodat het bodemoverschot voor stikstof, en daarmee het nitraatgehalte in het grondwater, daalt. Dit speelt met name in zandgebieden. Ook moeten de bodemoverschotten voor fosfaat dalen om in 2015 evenwichtsbemesting voor fosfaat te krijgen.

De gebruikers en de producenten van (dierlijke) mest worden beperkt in het gebruik van meststoffen. Dat heeft gevolgen. Gebruikers, zoals akker- en tuinbouwers en melkveehouders, moeten aan strengere gebruiksnormen voldoen. Veehouders moeten nadenken over verantwoorde mestafzet want de markt voor dierlijke mest wordt door de strengere gebruiksnormen krapper. Nederland produceert veel dierlijke mest en heeft door de strengere gebruiksnormen minder milieugebruiksruimte. Dat werkt fraude in de hand en vraagt om blijvende aandacht voor het mestbeleid. Maar het mestbeleid stimuleert ondernemers ook naar oplossingen te zoeken. LNV faciliteert dit met experimenteerruimte, waaronder de in 2009 gestarte pilotprojecten mestverwerking, onderzoek en kennisverspreiding.

GEWASBESCHERMING

Er is gewerkt aan het Convenant Duurzame Gewasbescherming (2003)1 waarin afspraken met ketenpartijen en maatschappelijke organisaties zijn opgenomen over milieukwaliteitdoelen. LNV bood hiervoor financiële ondersteuning. Het Milieu en Natuur Planbureau constateerde in een tussenevaluatie2 dat de verduurzaming van de gewasbescherming de afgelopen jaren is voortgeschreden.

Resultaten van beleid

Handhaving, monitoring en verantwoording

Een certificeringstelsel aangaande de handel in gewasbeschermingsmiddelen is algemeen verbindend verklaard per 1 januari 2010. De waterschappen zijn medio 2009 toezichthouder geworden van de wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Daarnaast zijn per 1 januari 2010 de beoordelingsmethoden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) als bijlage opgenomen in de Regeling Gewasbescherming en Biociden (Rgb). Daarmee is formeel bepaald dat het Rijk de beoordelingsmethoden vaststelt op basis waarvan het Ctgb de beoordeling uitvoert.

Het systeem van vakbekwaamheidbewijzen (spuitlicenties) is succesvol geëvalueerd en fase drie van het project Schone Bronnen is afgerond.

Duurzaam en effectief pakket geïntegreerde gewasbeschermingsmiddelen

In 2009 zijn diverse dringend vereiste middelen toegelaten door het Ctgb en zijn vrijstellingen verleend door LNV bovenop het effectieve middelenpakket. Om de noodzaak van geïntegreerde gewasbescherming extra onder de aandacht te brengen van telers, wordt begin 2010 een communicatieproject uitgevoerd.

Communicatie gezamenlijke aanpak

Begin 2009 zijn de laatste stoffen beoordeeld voor plaatsing op Annex I van de huidige richtlijn 91/414. De nieuwe verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en een richtlijn voor duurzaam gebruik van pesticiden zijn gepubliceerd. De nationale implementatie van deze regelgeving is in 2009 gestart en heeft geresulteerd in een wetsvoorstel dat eind 2009 voor advies aan de Raad van State is gestuurd. De aangepaste wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden dient begin 2011 in werking te treden.

Naar aanleiding van de nieuwe verordening hebben de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie (Nefyto) en de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) het initiatief genomen tot het oprichten van een expert centrum voor specialty crops, waarmee wordt beoogd de kleine toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland te waarborgen.

Praktijkvoorbeeld: Weken van de Gewasbescherming

Strateeg, het project dat geïntegreerde gewasbescherming in de bloemisterij stimuleert, organiseerde in november 2009 de Weken van de Gewasbescherming. Doel was de mogelijkheid te scheppen om duurzaam, maar ook economisch rendabel, nu en in de toekomst, te telen. Er waren vijf bijeenkomsten op diverse locaties. Leveranciers lichtten de mogelijkheden tijdens rondleidingen toe. Ook kennisuitwisseling stond centraal. Volgens het Vakblad voor de Bloemisterij en LTO Groeiservice trokken de Weken zo’n 600 belangstellenden.

Bron: Productschap Tuinbouw

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Begroting 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. % afname aantal milieubelastingspunten t.o.v. 1998 (in NMI) 86% 2006 86% * * * 90% 95% 95% 2010 NMP
2. % afname overschrijdingen residunormen voedselproducten t.o.v. 2003.** 30% 2006 30% * * * 35% n.v.t.** 50% 2010 NMP

* De tussenevaluatie gewasbescherming heeft plaatsgevonden over de periode t/m 2006, de eindevaluatie vindt plaats in 2011 over de periode t/m 2010. Over de jaren 2007, 2008 en 2009 vinden geen tussenmetingen plaats.

** Deze indicator is vanaf de begroting 2010 vervallen als gevolg van het Programma Beleidsinformatie (PBI-traject).

Beleidsconclusies en consequenties

Uit de cijfermatige voortgang van de doelstellingen en de tussenevaluatie van het Milieu- en Natuur Planbureau blijkt dat LNV op koers ligt om de gewasbeschermingsdoelen te realiseren. Het Convenant duurzame gewasbescherming heeft draagvlak gecreëerd bij de betrokken partijen voor geïntegreerde gewasbescherming. De druk op het middelenpakket heeft geresulteerd in de ontwikkeling van middelen die minder milieurisico’s veroorzaken. Ook andere stakeholders worden daardoor gestimuleerd voor een meer duurzame aanpak te kiezen.

TRANSITIE NOORDZEEVISSERIJ

Resultaten van beleid

LNV heeft met steun van het Europese Visserij Fonds ingezet op voorspelbaar langetermijnbeleid en vernieuwing in de vissector. Ondernemers in de visketen zien vaker dat verduurzaming, opbrengstverhoging en maatschappelijke acceptatie onmisbaar zijn voor de toekomst. Dit bracht veel in beweging. Het gaat daarbij om techniek, verbetering van ondernemerschap, onderlinge samenwerking en samenwerking met natuurorganisaties in het Maatschappelijk Convenant Noordzeevisserij.1 Vissers moeten nadenken over de vraag waar zij met hun bedrijf over vijf of tien jaar willen staan. Ook de uitwisseling van kennis en ervaring is van groot belang. In samenwerking met de visserijsector en natuur- en milieuorganisaties is de Nederlandse toekomstvisie GVB «Vis als duurzaam kapitaal» ontwikkeld.2

Er is grote belangstelling voor de innovatieregelingen. Het Visserij Innovatie Platform (VIP) heeft ruim 150 projectvoorstellen voor innovatie en samenwerking beoordeeld. Er zijn echter meer opgaven. Uit een evaluatie van het VIP3 bleek dat er in de Nederlandse visserij nog geen echte doorbraak is geweest. Een grote groep koplopers is begonnen met belangrijke stapsgewijze verbeteringen via kleinschalige innovaties. Maar er blijven nog veel inspanningen nodig om de visketen minder aanbod-, en meer vraaggestuurd te maken. Daarom blijft het VIP een jaar langer functioneren dan gepland.

Het besef dat de vitaliteit van de bedrijven afhangt van de kracht van de sector als geheel groeit, waardoor er meer behoefte is aan betere organisatie en samenwerking. Er zijn inmiddels 13 kenniskringen, onder andere voor boomkorvisserij en de schelpdier- en de binnenvisserij. Daarbinnen wordt technische en bedrijfseconomische kennis opgebouwd en verspreid. Ultimo 2009 hebben 150 vissers, iets meer dan de helft van het totale aantal in Nederland, een plan opgesteld om het ondernemerschap in en de marktpositie van de visserij te versterken.

Duurzaamheid

Na advies van het VIP kregen in 2008 en 2009 ruim 50 innovatie- en samenwerkingsprojecten van Nederlandse vissers in totaal 13 miljoen euro overheidssteun. Voor de visserijvloot en de visverwerkende industrie is begin 2009 een investeringsregeling open gesteld. Voor omschakeling van de boomkor kwam twee miljoen euro vrij. Een groep vissers is overgegaan op meer duurzaam vistuig, zoals de twinrig. Op basis van de Regeling Verwerking en afzet in de visketen is aan zeven innovatieve projecten aan de wal in totaal € 1,5 mln. toegekend. In oktober 2009 is in totaal € 0,7 mln. uitgetrokken voor vijf projecten waarmee nieuwe markten worden ontwikkeld. Elf projectvoorstellen voor de certificering van duurzaamheid zijn goedgekeurd. Met het certificaat kunnen vissers inspelen op vragen uit markt en samenleving.

Veertien nieuwe locaties voor alternatieve mosselzaadinvang via mosselzaadinvanginstallaties zijn vastgesteld. Dit vond plaats na consultatie met natuurorganisaties, de visserij, de recreatiesector, provincies en gemeenten.

Ook is het Plan van Uitvoering bij het convenant Transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee1 tot stand gebracht. Als onderdeel daarvan is een eerste concept Natuurherstelprogramma opgesteld met een gezamenlijk streefbeeld voor het natuurherstel.

De Europese Commissie heeft het Nederlandse aalbeheerplan2 in september 2009 goedgekeurd. Om de betrokken aalvissers te compenseren was oorspronkelijk € 0,7 mln. beschikbaar. Dit bedrag is opgehoogd naar € 1,2 mln. Het Productschap Vis voert de compensatieregeling uit.

LNV wil de druk op de visbestanden verlagen om verduurzaming te stimuleren. Het scholbestand is hierdoor al boven het voorzorgsniveau gegroeid. Biologen verwachten dat dit voor het tongbestand in 2010 of 2011 het geval zal zijn.

Praktijkvoorbeeld: hydrorig

Boomkorvissers zoeken naar alternatieven voor de boomkor. De hydrorig is hier een voorbeeld van. Inspiratiebron was een in de VS ontwikkeld bolkoppentuig. In de boomkorvisserij houdt de boom de netten open, wat bij het vissen veel waterweerstand oplevert. De meer aërodynamische vormgeving van de hydrorig bespaart veel energie. Door de vorm wekt dit vistuig waterstroming op die de vis van de bodem los zuigt. Daarmee is het een geschikt alternatief voor de wekkerkettingen in de boomkorvisserij, die over de zeebodem slepen om tong en schol van de zeebodem los te halen. De hydrorig veroorzaakt minder bodemberoering, bespaart energie en beschadigt de vis niet. De vorm, in combinatie met het ontbreken van wekkerkettingen en een lage vissnelheid, leidt ook tot minder ongewenste bijvangst, dus wordt de vis minder teruggegooid. Bron: Productschap Vis

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcom Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Begroting 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. Meer duurzame visserijmethoden (aantal kotters) 0 2007 1 1 5 23 5 *** 110 2013 VIRIS
2. Alternatieve winning mosselzaad(xton) 2000 2006 n.v.t.** n.v.t.** n.v.t.** 8 000 8 000 8 000 12000 2015 Imares
3. Gecertificeerde vis en visproducten 0 2006 n.v.t.** n.v.t.** n.v.t.** * 30% *** 80% 2015 LEI
4. Deelname vissers aan kenniskringen 0 2006 n.v.t.** n.v.t.** n.v.t.** 35% 20% *** 50% 2015 LEI

* Exact percentage is nog niet beschikbaar. In 2009 zijn11 trajecten voor de certificering van visserij gestart. Bij deze trajecten is het overgrote deel van de Nederlandse platvisvloot betrokken. Het streefcijfer voor 2010 is daarmee realiseerbaar.

** Deze projecten zijn gestart vanaf 2009, waardoor geen realisatiecijfers over voorgaande jaren beschikbaar zijn.

*** In kader van het Programma Beleidsinformatie komen deze indicatoren bij de begroting 2010 te vervallen.

Beleidsconclusies en consequenties

Door het innovatiebeleid kijkt de visserijsector naar de toekomst. De sector vernieuwt en verduurzaamt zoals beoogd. LNV stimuleert technische en technologische vernieuwing en verbetering van het innovatieklimaat via ondernemerschap en samenwerking. Het Europese Visserij Fonds helpt dit met een programma te verwezenlijken.

BEWUSTWORDING CONSUMENTEN

Resultaten van beleid

De Nota duurzaam voedsel1 kwam in intensief overleg met maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven tot stand. In de nota staat dat de voedselconsumptie en productie integraal duurzamer moeten worden. Over 15 jaar moet Nederland koploper zijn in duurzame voedselproductie.

Daarnaast moeten consumenten bewuster met voedsel om gaan. In 2009 zijn de perceptie en het gedrag van consumenten gepeild. De resultaten staan in het rapport «Eten van Waarde»2 dat aan de Tweede Kamer is aangeboden. Dit heeft geleid tot een breder project, Voedselbalans, dat de Staat van voedselkwaliteit van Nederland zal beschrijven.

Het consumentenvertrouwen in voedsel steeg van 3,30 in 2008 naar 3,46 in 2009. Deze stijging is het gevolg van onder andere de inspanningen van de overheid rond voedselveiligheid. Zo verscheen de Nota Diergeneesmiddelen3, werd het convenant antibioticaresistentie4 uitgevoerd en kwam de nieuwe Europese Verordening Dierlijke Bijproducten en de Verordening Etikettering Diervoeder tot stand. Uit de Nota Duurzaam Voedsel kwam een programmalijn Jeugd en voedsel, waarmee het idee achter de smaaklessen ook voor de oudere jeugd aantrekkelijk wordt. LNV steunt de campagnes van Het Voedingscentrum. De Consumentenbond voerde de voorlichtingsactie «Waar komt ons eten vandaan?» uit. Ook werden pilotprojecten uitgevoerd om voedselverspilling tegen te gaan. De resultaten waren positief, maar vanwege de kleine schaal nog niet concreet genoeg. Een grote publiekscampagne, die aansluit bij de rijksbrede communicatie over duurzaamheid, is aanbesteed.

Er is een platform Verduurzaming Voedsel opgericht. Daarbinnen heeft de volledige voedselketen, waaronder ZLTO (agrarische producenten), FNLI (levensmiddelenindustrie), CBL (supermarkten), Koninklijke Horeca Nederland en Veneca zitting. De gehele keten gaat aan de slag met de verduurzamingsopgave. Het platform heeft daartoe afgesproken om het aanbod duurzame producten te vergroten, waaronder binnen twee jaar 15% meer duurzaam geproduceerd vlees. Daarnaast streeft het Platform naar bewustwording van consumenten via het informatiesysteem duurzaam voedsel. Dit systeem analyseert hoe producten scoren op aspecten als dierenwelzijn, milieu en CO2-uitstoot. Consumenten kunnen aan de hand van de uitslag hun keuze bepalen. Zie ook onder «KADO».

Beoogde effecten en resultaten
Indicator/outcome Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Raming 2010 Streefwaarde Planning Bron
1 Aantal basisscholen met smaaklessen Beperkt aantal 2005 * 500 1 000 2008 1 500 2 200 3 000 2012 LNV
2 Vertrouwen van consumenten in voedsel 3,1 2004 ** 3,3 3,4 3,5 Behoud vertrouwen 3,5 Behoud vertrouwen Continu VWA-monitor

* Deze indicator is gemeten vanaf 2007.

** De consumentenmonitor VWA was voor 2006 niet beschikbaar.

Beleidsconclusies en consequenties

Er zijn meer basisscholen die met smaaklessen werken en het consumentenvertrouwen groeit. Daar is uit af te leiden dat de uitgezette koers bijdraagt aan een groter bewustzijn. Consumenten houden bij hun voedselkeuze rekening met mens, dier en milieu. Media, politiek en bedrijfsleven geven vaker aandacht aan voedselkeuzes. Het zijn partners die helpen het duurzame aanbod te vergroten.

KABINETSBREDE AANPAK DUURZAME ONTWIKKELING (KADO)

De inspanningen die het Kabinet levert op het thema duurzame ontwikkeling zijn verankerd in de Kabinetsbrede aanpak duurzame ontwikkeling (KADO).1 LNV levert een bijdrage aan KADO via het programma duurzame voedselsystemen (KADO-thema Biodiversiteit, voedsel en vlees) en inzet op het Deltaprogramma (KADO-thema Water/Klimaatadaptatie). De beleidsresultaten ten aanzien van het Deltaprogramma zijn terug te vinden onder Kabinetsdoel 29.

Programma Duurzame Voedselsystemen

Het lange termijn doel voor het programma is productie en consumptie van voedsel die bijdraagt aan (mondiale) welvaart en voedselzekerheid en binnen de draagkracht van het ecosysteem blijft. De focus daarbinnen ligt op eiwittransitie. Vanwege de urgentie en complexiteit is het vraagstuk rond duurzame voedselsystemen tot kabinetsprioriteit met een eigen beleidsagenda benoemd.

Resultaten van beleid

De stakeholdersdialoog uit 2008 heeft met de Dialoog Duurzame Voedselsystemen in 2009 een vervolg gekregen. In juni 2009 is de Beleidsagenda Duurzame Voedselsystemen aan de Tweede Kamer aangeboden.1 De agenda plaatst het eiwitvraagstuk in de bredere context van het mondiale voedselsysteem teneinde de Nederlandse bijdrage aan de verduurzaming van het mondiale voedselsysteem te optimaliseren.

Inmiddels zijn diverse projecten als spin off van de dialoog gestart. Met stakeholders wordt gewerkt aan de uitvoeringsagenda Duurzame veehouderij.2 De bouw van de eerste integraal duurzame stallen toont de omslag in de dierlijke productie. Ook het in 2009 afgesloten, breed gedragen Convenant marktontwikkeling verduurzaming dierlijke producten («Tussensegmenten»)3 stimuleert de ontwikkeling van duurzame diervriendelijke producten. Het convenant is ontwikkeld en getekend door vertegenwoordigers van LTO, CBL, Veneca, COV, Nepluvi, Anevei en de Dierenbescherming en streeft naar een omzetgroei van duurzame dierlijke producten van 15% per jaar. In september 2009 zijn de eerste projecten, voornamelijk in de pluimveesector, goedgekeurd. In totaal gaat het dan om bijna € 0,65 mln, Onder meer via het Programma Innovatie Eiwitketens (PIEK) beginnen innovaties hun vruchten af te werpen. Concrete voorbeelden zijn de plantaardige vleesvervanger Meatless en de duurzame gehaktbal. Dergelijke innovaties kunnen Nederland een internationale koploperpositie bezorgen. Het instrument Levenscyclus Analyse (LCA) levert feitelijke informatie over de duurzaamheid van het productieproces. Het LCA-instrument wordt momenteel onder andere uitgewerkt door de diervoedersector.

LNV bouwt internationaal aan een coalitie van koplopers op het gebied van duurzaam voedsel,vooral in de EU. Het jaar van de biodiversiteit en het jaar van duurzaam produceren en consumeren van de VN-Commissie Duurzame Ontwikkeling (CSD) bieden daartoe uitstekende kansen. Via de uitvoering van de Koenders/Verburg-notitie «Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid»(2008)4 wordt geïnvesteerd in landbouw en rurale ontwikkeling in ontwikkelingslanden.

Beleidsconclusies en consequenties

Het beleid inzake duurzaam voedsel begint haar vruchten af te werpen. Concrete spin off in de vorm van innovatieve, duurzame producten wordt langzaam aan zichtbaar.

Kabinetsdoelstelling 245

Kabinetsdoelstelling 24

In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden.

LANDSCHAP

Doelstelling minister LNV

De beleving van landschap is in 2007 met een 7,3 gewaardeerd. Het streven is om in 2020 een waardering van een 8 te hebben.

Resultaten van beleid

Tevredenheid landschap

In 2008 is de Agenda Landschap (2008)1 opgesteld. Daarop is in 2009 de driejarige publiekscampagne «Een mooier landschap, maak het mee!» van start gegaan die burgers en organisaties laat zien wat zij in het landschap kunnen betekenen. Daarnaast zijn vijf pilotprojecten met maatschappelijke initiatieven geselecteerd. LNV steunt de projecten met kennis, capaciteit en geld voor burgerideeën.

De Agenda Landschap en de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland (2009)2 beogen ook landschapsverrommeling tegen te gaan. Dat is samen met VROM opgepakt. Staatsbosbeheer heeft op 13 plaatsen, vooral in de Nationale Landschappen, restauratiebeheer uitgevoerd om de recreatieve aantrekkelijkheid te vergroten. In vier voorbeeldgebieden wordt ervaring opgedaan met Publiek-Private Samenwerking en financieringsconstructies. Dit wordt verspreid naar andere gebieden.

Praktijkvoorbeelden

• Pilotproject maatschappelijk initiatief: «Emster dorpsplan»: In Emst heeft de vereniging voor dorpsbelangen, Emster Belang, in overleg met de bewoners een Dorpsplan opgesteld. Het Dorpsplan is gebaseerd op de wensen en ideeën van Emstenaren. Er staan voorstellen in om de leefbaarheid van het dorp en het buitengebied te vergroten. Voor het buitengebied gaat het om wandelroutes, mooie erven en natuurlijk boeren. Het Nationaal Landschap ondersteunt Emster Belang dit uit te voeren en LNV biedt waar nodig de helpende hand. Bron:www.emsterbelang.nl

• Streekrekening voorbeeldgebied «Groene Woud»: Regionale en lokale overheden en bedrijven zetten een deel van hun spaargeld of reservegeld op een speciale spaarrekening en een deel van de rente komt ten goede aan het beheer of de inrichting van het landschap. Het initiatief is overgenomen door de Rabobank. De streekrekening is inmiddels in drie regio’s actief. De Rabobank en de 12 Landschappen rollen dit over heel Nederland uit. Bron: www.hetgroenewoud.com

De Taskforce Financiering Landschap Nederland heeft haar advies «Landschap verdient beter» opgeleverd.3 De aanbevelingen zijn in de Agenda Landschap verwerkt en worden via de acties in de Agenda geïmplementeerd.

In de fiscale vergroeningsbrief van 20094 is een aparte paragraaf «natuur en landschap» opgenomen, waarmee wordt bekrachtigd hoe belangrijk het kabinet de aanwezigheid van voldoende natuur en waardevol agrarisch cultuurlandschap vindt. In vervolg hierop is tijdens de behandeling van het Belastingplan 2010 door de Staatsecretaris van Financiën toegezegd het voorstel inzake de persoongebonden aftrek voor natuurontwikkeling, één van de fiscale adviezen van de Taskforce Financiering landschap, bij de commissie Heroverweging leefomgeving en natuur te zullen inbrengen.

Een ander voorstel van de Taskforce Financiering Landschap, namelijk een uitbreiding van de regeling groenfinanciering met projecten die zijn gericht op de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden zal binnenkort in werking treden. In aanvulling op het beleidsakkoord is voor 2009 en 2010 jaarlijks € 30 miljoen extra uitgetrokken voor verruiming van het budget van de fiscale regelingen MIA / VAMIL. Een deel daarvan is per 1 januari 2010 ingezet voor investeringen ten behoeve van natuur en landschap.

De Mid Term Review ILG (2010) zal worden ingezet om indien noodzakelijk bij te sturen op landschappelijke kwaliteit.

Sociaal-economische vitaliteit

Er is brede maatschappelijke aandacht voor de vitaliteit van regio’s waar de bevolking bovengemiddeld daalt. Geboortecijfers dalen en jongeren trekken van platteland naar stad. Dat lijkt een onomkeerbaar proces. Soms is ook sprake van vergrijzing.Dat drukt op de vitaliteit en draagkracht van deze regio’s.

LNV droeg aan het interbestuurlijke Actieplan Bevolkingsdaling bij, dat acties bevat van Rijk, provincies en gemeenten voor de leefbaarheid in relatie tot de bevolkingsdaling. Stad en platteland moeten in samenhang worden gezien. Het concept «topdorpen» moet hieraan bijdragen. LNV heeft bovendien bijgedragen aan experimenten, waaronder Parkstad Limburg, waarin met «groen» kansen worden gecreëerd. LNV en VROM hebben een adviesaanvraag over de kansen van bevolkingsdaling voor natuur, landschap en recreatievoorzieningen voorbereid voor de Sociaal Economische Raad

Praktijkvoorbeeld: «Geen krachtwijk zonder topdorp»

Verburg wil leegloop platteland in heel Nederland tegengaan. Gerda Verburg, als minister verantwoordelijk voor plattelandsontwikkeling, schrok toen ze deze zomer door Noord-Frankrijk fietste. «We reden van dorp naar dorp, nergens was een cafeetje, een bakker of een andere winkel. Er was niets te beleven, de ziel was verdwenen. Dit mogen we in Nederland niet laten gebeuren.» Zo ontstond het concept «topdorpen», die naast de krachtwijken het speerpunt moeten worden van het kabinet. Dorpen die vitaal zijn, waar ook jonge gezinnen willen wonen en kinderen opgroeien. Ze moeten in de woorden van de minister «het kloppende hart» worden van gebieden, die steeds meer te maken krijgen met een afkalvende bevolking.

Bron: Trouw d.d. 30/11/2009

Beoogde effecten en resultaten

De indicatoren voor tevredenheid landschap en sociaal-economische vitaliteit worden via de Enquête Woononderzoek elke drie jaar gemeten. De laatste resultaten zijn totstandgekomen in 2007. In 2010 komen nieuwe cijfers beschikbaar. Deze worden vermeld in het jaarverslag 2010. Per 2007 is het rapportcijfer een 7,3 voor de beleving van de kwaliteit van het landschap, inclusief de nationale landschappen. Voor wat betreft sociaal-economische vitaliteit ligt de tevredenheid van de voorzieningen momenteel op ongeveer hetzelfde niveau als de stad; de tevredenheid over de woonomgeving ligt hoger dan in de stad (6,6) en de kans op werk op het platteland valt met 71,3% conform de CBS «kerncijfers wijken en buurten» iets hoger uit dan de stad (67,6%).

Beleidsconclusies en consequenties

In 2009 is een goede start gemaakt met de implementatie van de Agenda Landschap. Het beleid is gericht op burgerparticipatie. Onder impuls van de economische crisis en regionale bevolkingskrimp is extra aandacht besteed aan de sociaal-economische vitaliteit van het platteland.

MULTIFUNCTIONELE LANDBOUW

Doelstelling minister LNV

Door het wegnemen van o.a. belemmeringen in de markt en in de regelgeving is het streven erop gericht om een verdubbeling van de omzet te realiseren in de periode 2008–2011.

Resultaten van beleid

De Taskforce Multifunctionele Landbouw richt zich zowel op verdubbeling van de omzet als op de maatschappelijke functie van de multifunctionele landbouw. Deze landbouw draagt bijvoorbeeld aan de leefbaarheid van het platteland bij via (land)winkels in dorpen, kinderopvang op boerderijen of zorgboerderijen. Dat levert, vergeleken met de reguliere landbouw, meer banen op. Multifunctionele landbouw is goed voor de regionale economie, omdat er vaak met lokale producenten wordt samengewerkt. Ook zijn er «multifunctionele boeren» die zich inzetten om een bepaald gebied op de kaart te zetten.

Het rapport «Kijk op multifunctionele landbouw, omzet en impact»1 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum werd aan de Tweede Kamer aangeboden. Het bevat de resultaten van de nulmeting naar de groei en impact van de multifunctionele landbouw. De omvang van de sector bedroeg volgens het rapport in 2007 322 miljoen euro. Hoewel LNV het doel in 2011 (dus na 4 jaar) denkt te bereiken, acht Ecorys verdubbeling van de omzet mogelijk in vijf tot tien jaar (Rapport «Verbreding gevraagd»2, 2009). In 2010 wordt over 2009 een meting uitgevoerd. Dan wordt duidelijk hoe de multifunctionele landbouwsector zich de afgelopen twee jaar heeft ontwikkeld.

Het «Kompas wet- en regelgeving multifunctionele landbouw»3 is opgesteld, Daarin staan de tegenstrijdigheden en onduidelijkheden die multifunctionele boeren het meest in regelgeving tegen komen. Er is ook een meldpunt voor ingesteld.

Met vrijwel alle ketenpartijen zijn sectorale uitvoeringsprogramma’s opgezet. Via pilots wordt gewerkt aan structuur, opschaling en professionalisering van de multifunctionele landbouw.

Praktijkvoorbeeld Pilot Boerderijeducatie

In 2009 is een pilot boerderijeducatie opgezet. Doel was een «Boerderijweek» voor scholen te ontwikkelen. In de boerderijweek verblijft een klas of school een midweek op een boerderij en leert zo veel over de landbouw. Zo leren leerlingen waar hun voedsel vandaan komt.

Beleidsconclusies en consequenties

De ambities om de omzet van de multifunctionele landbouw in 2011 te verdubbelen zijn hoog. Ecorys schat dat hier geen vier, maar vijf tot tien jaar voor nodig is. Het effect van de economische crisis is nog niet zichtbaar.

RECREATIE

Doelstelling minister LNV

In 2013 moet het gebruik en de tevredenheid van recreatieve voorzieningen in de Randstad op hetzelfde niveau liggen als in de rest van Nederland. Deze voorzieningen moeten in het meest ongunstige geval op maximaal 10 minuten fietsen bereikbaar zijn.

Resultaten van beleid

De recreatiebrief «Genieten van buiten»1 werd aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze brief is het resultaat van de strategische dialoog recreatie en geeft een overzicht van lopende en voorgenomen beleidsacties rond ruimtelijke inrichting en beheer, ondernemerskansen en communicatie. Hierbij valt te denken nieuwe concepten, waaronder een beter gebruik van natuurterreinen nabij steden.

Het recreatiebeleid omvatte vijf domeinen:

Recreatiegebieden om de Stad (RodS)

Er moet 16 000 hectare worden verworven en ingericht voor Recreatie om de Stad (RodS).2 Daar zijn met de provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland afspraken over gemaakt. Deze staan in de ILG-overeenkomst 2007–2013. Ook is de ILG voortgangsrapportage 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden. Specifieke aandacht gaat uit naar de inrichting door provincies. Deze blijft achter. Door hoge grondprijzen in de steden en geringe verkoopbereidheid blijkt het moeilijk grond voor recreatie te verwerven. Bovendien neemt het inrichtingsproces doorgaans jaren in beslag, liggen niet alle gronden op de goede plek, en laat de ILG-systematiek provincies vrij een eigen tempo vast te stellen. Er is afgesproken dit te versnellen via een impulsprogramma en andere uitvoeringsconcepten.

Rijk en provincies hebben samen de eindrapportage Nulmeting op Kaart (NOK)3 vastgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer. Partijen werden het eens over uitgangssituatie bij de start van het ILG per 1 januari 2007 en kwamen definitieve restanttaakstellingen RodS per provincie overeen, waarmee de cijfers voor RodS (2007/2008) kwamen vast te staan. Ook is een systeem ontwikkeld om de voortgang zowel in cijfers als op kaart te registreren.

Beoogde effecten en resultaten
Jaar Gerealiseerd* Nog te realiseren
Output Verwerving Inrichting Verwerving inrichting
2007 (1 jan) 9 435 ha 5 661 ha 5 128 ha 8 902 ha
2008** 9 767 ha 5 990 ha 4 796 ha 8 573 ha
2009 (1 jan) 10 001 ha 6 342 ha 4 562 ha 8 221 ha
2010***        
2011        
Doel 2013 14 563 ha 14 563 ha    

* Realisatiecijfers zijn geactualiseerd aan de hand van de Nulmeting op Kaart. De realisatie van RodS is hiermee definitief vastgesteld en vastgelegd in de ILG bestuursovereenkomsten.

** Het betreft hier een doorrekening t.o.v. 2007 naar aanleiding van het ontstane verschil door de wijziging door Nulmeting op Kaart, inclusief een correctie van -27 ha (inrichting 2008) door provincie Zuid-Holland.

*** Nieuwe realisatiecijfers per 1 januari 2010 komen beschikbaar via de Kabinetsreactie ILG (voor Prinsjesdag).

Toegankelijkheid recreatieve gebieden

Het Rijk zette in op toegankelijke recreatiegebieden door:

• Kennis over openstelling van oevers te helpen verspreiden en ontwikkelen. De Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat hebben hiertoe een kennisnetwerk opgericht. Met partijen als Staatsbosbeheer, Prorail, VROM en Defensie werden intiatieven genomen om natuur en landschap toegankelijker te maken, vooral in de buurt van de grote steden, aangezien de behoefte daar het grootst is.

• Via het ILG is veel in toegankelijkheid te investeren, onder andere via de boerenlandpadvergoeding voor boeren en via landelijke routenetwerken.

• Via gebiedsontwikkeling wandel- en fietsvoorzieningen te realiseren, en zogenaamde «ommetjes» financieel te ondersteunen.

• Subsidies en fiscale voordelen te creëren waarmee particuliere natuur- en landschapsterreinen voor recreanten toegankelijk werden.

• Eén miljoen euro extra beschikbaar te stellen om toegankelijkheid nog meer te bevorderen en iedereen de kans te geven met maximaal tien minuten fietsen in een groen gebied te zijn.

Groen en de stad

In het programma Groen en de Stad1 werken het ministerie van LNV, VROM, WWI, gemeenten, provincies en onder andere projectontwikkelaars, zorgverzekeraars en woningbouwcorporaties samen aan de kwaliteit van de leefomgeving. LNV en VROM investeerden daar tussen 2005 en 2009 22 miljoen euro in. Aangezien recreatief groen grootstedelijke problemen mede helpt oplossen, is er in de periode 2008 tot en met 2012 ongeveer 12 miljoen euro vrij gesteld voor meer en beter groen in krachtwijken, waarvan een deel in 2009 is besteed. Groen staat in de steden inmiddels hoger op de agenda.

Landelijke Routenetwerken

Over het oplossen van knelpunten in de Landelijke Routenetwerken wandelen, fietsen en varen zijn met de provincies afspraken gemaakt via de ILG-bestuursovereenkomsten. De ILG-voortgangsrapportages 2008 laten de voortgang zien.2 Knelpunten lijken sneller te moeten worden opgelost om de ambities van het MJP2 te halen. Bij de Mid Term Review in 2010 zal de balans worden opgemaakt.

Innovatie van de sector

Zowel voor 2009 als voor 2010 kwam 1,5 miljoen euro beschikbaar om de recreatiesector te helpen met innovatieve, duurzame combinaties van recreatieve en ruimtelijke activiteiten in de regio’s. Dat werd met et Innovatieprogramma Recreatie en Ruimte ondersteund. Ook werd najaar 2009 voor het Small Business Innovation Research-programma een regeling Recreatie en Ruimte opengesteld. Tien bedrijven werden geselecteerd. Zij kregen subsidie voor een haalbaarheidsstudie. De bedrijven met de beste voorstellen maken kans op extra subsidie voor een onderzoeks- en ontwikkelingstraject van maximaal twee jaar.

Beoogde effecten en resultaten

De indicatoren voor recreatieve voorzieningen worden via de Enquête Woononderzoek (tevredenheid voorzieningen) en de Enquête Continu Vrijetijds Onderzoek (gebruik voorzieningen) elke drie jaar gemeten. De laatste resultaten zijn totstandgekomen in 2007. In 2007 maakten inwoners van de Randstad gemiddeld 25% minder gebruik van recreatieve voorzieningen. Ook de tevredenheid over voorzieningen lag met 65,8% iets lager in de Randstad dan elders (74,5%).

Beleidsconclusies en consequenties

Het doel is de tevredenheid over recreatieve voorzieningen in de Randstad op hetzelfde niveau te brengen als in de rest van Nederland. Met meer recreatiegebieden om de stad en meer groen in de stad kwam het groen dichter bij de stedeling. Er kwamen meer en betere verbindingen tussen stad en land en gebieden met recreatieve waarden werden toegankelijker. Dit bracht ook het verder weggelegen groen beter binnen bereik. De recreatiesector werd gestimuleerd de sector, de regio en de ruimte goed te benutten en activiteiten duurzaam te combineren. De meerjarige cijfermatige ontwikkeling laat zien dat de verwerving en met name de inrichting van RodS-gebieden voor 2013 niet op schema liggen. Oorzaken hiervoor zijn gelegen in een langdurig inrichtingsproces van de gronden en moeizame aankoopprocessen van gronden als gevolg van hoge grondprijzen en weinig verkoopbereidheid in de Randstad. Oorzaak is ook gelegen in een kasschuif ILG waartoe het kabinet bij aanvullend beleidsakkoord heeft besloten. Met deze kasschuif zijn de budgetten voor de Ecologische Hoofdstructuur en Recreatie om de Stad in 2009 en 2010 met € 100 mln. per jaar verlaagd en in 2011 met € 200 mln. verhoogd. Deze kasschuif is voor circa 2/3 deel verwerkt op Recreatie om de Stad. Tenslotte bepalen provincies volgens de ILG bestuursovereenkomst met realisatie in 2014 het tempo van inrichting en de prioriteiten tussen de diverse doelen. Er zijn bestuurlijke afspraken tussen Rijk en de betreffende provincies gemaakt om via een impulsprogramma en andere uitvoeringsconcepten tot een versnelling te komen.

NATUUR / BIODIVERSITEIT

Doelstelling minister LNV

In 2010 wil Nederland aan het Europese streven voldoen de achteruitgang in biodiversiteit tot stilstand te brengen, met in achtneming van de opmerking van de Europese Commissie dat volledig voldoen aan die doelstelling niet waarschijnlijk is.

Het natuurbeleid is gericht op het behoud van biodiversiteit. Biodiversiteit is de verscheidenheid aan levensvormen op aarde, in soorten, ecosystemen en genen. Al enige jaren is duidelijk dat het oorspronkelijke doel van Nederland en de Europese Unie om het verlies aan biodiversiteit in 2010 te stoppen niet wordt gehaald. In het Beleidsprogramma Biodiversiteit 2008–20111 stelt het kabinet dan ook scherpere prioriteiten. LNV draagt onder andere via het instrumentarium Ecologische Hoofdstructuur (EHS), Natura 2000 en de Leefgebiedenbenadering bij aan het biodiversiteitsdoel.

Resultaten van beleid

In 2009 heeft LNV, als coördinerend departement voor het Beleidsprogramma Biodiversiteit, het Uitvoeringsprogramma Biodiversiteit2 aan de Tweede Kamer aangeboden. LNV heeft ingezet op nieuwe samenwerkingsvormen, die ertoe moeten leiden tot een cultuur van aanspreekbaarheid en gedeelde verantwoordelijkheid over economie en ecologie. Dit heeft onder andere geleid tot de installatie van de Taskforce biodiversiteit en de Coalitie biodiversiteit. De Taskforce adviseert over de langetermijndoelstellingen en -plannen. In 2009 zijn twee adviezen uitgebracht.3 Dit betreft een open brief over REDD (ontbossing) en de zgn. Jaarbrief, waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten van de Taskforce en signalen over beleidsprocessen worden afgegeven. De coalitie heeft ten doel het draagvlak van en participatie door partijen te vergroten. In 2009 zijn bovendien themagroepen ingesteld rond de vijf inhoudelijke speerpunten van het Rijksbeleid. De themagroepen hebben een groot aantal activiteiten en acties in gang gezet. De eerste resultaten zijn al zichtbaar, zoals certificering voor handelsketens, groenblauwe dooradering landelijk gebied, pilots duurzame agrarische productie, bescherming van mariene gebieden en het onderzoek naar relaties tussen biodiversiteit en aanpalende beleidsterreinen als klimaat en voedsel.

Volgens de Natuurbalans 20094 lijkt op nationaal niveau de dalende trend van verlies aan biodiversiteit voor sommige natuurtypen afgeremd. Dit resultaat is vooral te danken aan de uitvoering van het reguliere natuurbeleid (o.a. realisatie Ecologische Hoofdstructuur, implementatie agrodiversiteitsbeleid) en het milieubeleid. Desalniettemin is er volgens de Natuurbalans nog steeds sprake van een daling. Op Europees en mondiaal niveau gaat de dalende trend van verlies aan soorten en ecosysteemdiensten nog onverminderd door. De Monitor Duurzaam Nederland 20095 van de gezamenlijke planbureaus bevestigt dit beeld.

Het Nederlandse Waddengebied is mede door inspanningen van LNV door de UNESCO aangewezen als Werelderfgoed.6

Het jaar 2010 is door de Verenigde Naties uitgeroepen tot Jaar van de Biodiversiteit. In 2009 zijn diverse acties en activiteiten gericht op communicatie en verhogen van draagvlak en participatie gestart, waaronder 3 grote publieksmanifestaties. De officiële opening van het VN-jaar heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010.

Beleidsconclusies en consequenties

De doelen ten opzichte van de oorspronkelijke beleidsdoelstellingen van Nederland en de EU moesten worden aangescherpt. Er moesten prioriteiten worden gesteld en er bleek extra budget nodig. Op Europees en mondiaal niveau is inmiddels gebleken dat het biodiversiteitverlies niet in 2010 stopt en dat de neergaande trend niet wordt afgeremd. De streefwaarde voor biodiversiteit, significant herstel in 2013, is dan ook niet meer realistisch. Het blijkt al ambitieus de achteruitgang te stoppen. In de loop van 2010 worden op Europees niveau nieuwe doelstellingen vastgesteld voor 2020, waar Nederland waarschijnlijk bij aansluit. Wel lijkt het biodiversiteitsverlies in Nederland voor sommige natuurtypen afgeremd.

Ecologische Hoofdstructuur

Het beleid voor natuur, landschap en reconstructie is via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) overgedragen aan de provincies. De realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur loopt derhalve via het ILG. De Mid Term Review ILG, de tussenevaluatie die in 2010 plaats vindt, is in 2009 voorbereid. Zo nodig worden dan het beleid en de uitvoering bijgestuurd.

Resultaten van beleid

De ILG voortgangsrapportage 20081 werd aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze rapportage bevat de provinciale ILG-voortgangsrapportages. Daarnaast rapporteerde LNV ook in 2009 weer over het Groot Project EHS.2 Via verwerving, inrichting en beheer kwam de EHS, en daarmee de biodiversiteitsdoelstelling, dichterbij, maar de bijdrage die de provincies daaraan leveren baart zorg. Rijk en provincies hebben de eindrapportage Nulmeting op Kaart (NOK)3 samen vastgesteld. De rapportage werd aan de Tweede Kamer aangeboden. Partijen werden het eens over de uitgangssituatie bij de start van het ILG per 1 januari 2007 en kwamen de definitieve restanttaakstellingen EHS per provincie overeen. Daarmee zijn de cijfers voor de verwerving van EHS (2007/2008) vastgesteld. Het onderdeel beheer van de nulmeting was eind 2009 niet voltooid.

Particulier initiatief is belangrijk bij het verwezenlijken van de EHS. Daartoe is de Verklaring van Linschoten4 ondertekend. In het verlengde daarvan wordt gewerkt aan meer gelijkwaardigheid tussen de terreinbeherende organisaties (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten) en particulieren. Via het LTO-LNV manifest «Natuurlijk doen!»5 krijgen agrariërs een nadrukkelijker rol bij de aanleg en het beheer van natuur.

Er is gewerkt aan vereenvoudiging van het Programma Beheer. Het nieuwe Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) werd geïmplementeerd. Het stelsel bevordert eenvoud, transparantie, flexibiliteit en efficiëntie in de uitvoering.

Uit de vergroeningsbrief6 op het terrein van Natuur en Landschap volgen nog enkele actiepunten:

• Er wordt een studie ondernomen naar het creëren van een persoonsgebonden aftrek voor natuurontwikkeling.

• Er wordt een onderzoek gestart naar de verruiming van de vrijstelling van stakingswinst voor ondernemers die landbouwgrond omzetten in natuurgrond.

• Uitbreiding van de regeling Groen Beleggen met waardevolle landschappen.

Voor Natuurkwaliteit zijn belangrijke stappen gezet. Zo werd de Index natuur en landschap7, met daarin de kenmerkende typen natuur van Nederland, erkend door het Rijk, provincies en beheerders als basis voor kwaliteitssturing.

Beoogde effecten en resultaten
Jaar Voortgang EHS
Output Gerealiseerd (in beheer)* Nog te realiseren
2007 (1 jan) 593 491 ha. 73 410 ha (2007–2013)
2008 (1 jan) 600 947 ha. (+ 7 456 ha.) 65 954 ha (2007–2013)
2009 (1 jan) 606 758 ha. (+ 5 811 ha.) 60 143 ha (2007–2013)
2010**    
2011    
Doel 2013 666 901 ha  
Doel 2018 728 500 ha  

* Omdat het onderdeel Beheer van de Nulmeting op Kaart nog niet beschikbaar is, is actualisatie van deze cijfers momenteel nog niet mogelijk. Deze actualisatie wordt meegenomen in voortgangsrapportage EHS Groot Project. Deze rapportage wordt op Prinsjesdag 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd.

** Cijfers per 1 januari 2010 komen beschikbaar op 1 april 2010 via de provinciale voortgangsrapportages ILG. Deze cijfers worden opgenomen in voortgangsrapportages EHS Groot Project.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2018 moet in Nederland een Ecologische Hoofdstructuur gerealiseerd zijn met een omvang van 728.500 hectaren, met een natuurkwaliteit conform de beschrijving in het Meerjarenprogramma van de Agenda Vitaal Platteland (MJP2) voor de periode 2007–2013 en de Nota Ruimte. Via de ILG systematiek zijn prestaties met de provincies afgesproken ter realisatie van de EHS t/m 2013. Hoewel LNV particulier natuurbeheer heeft ingezet als extra impuls voor de realisatie EHS laat de cijfermatige ontwikkeling zien dat de realisatie achter ligt op schema.

De oorzaak is onder andere gelegen in een kasschuif ILG waartoe het kabinet bij aanvullend beleidsakkoord heeft besloten. Met de kasschuif zijn de budgetten voor de Ecologische Hoofdstructuur en Recreatie om de Stad in 2009 en 2010 met € 100 mln. per jaar verlaagd en in 2011 met € 200 mln. verhoogd. Deze kasschuif is voor circa 1/3 deel verwerkt op verwerving Ecologische Hoofdstructuur. De realisatie van de EHS maakt onderdeel uit van het Investeringsbudget Landelijk Gebied. De voorbereidingen zijn getroffen voor de Mid Term Review ILG in 2010, die de basis zal vormen voor eventuele beleidsbijsturing.

Natura 2000

Doelstelling minister LNV

In 2010 zijn alle Natura 2000 gebieden definitief aangewezen.

Resultaten van beleid

Aanwijzingsbesluiten

In 2009 waren van de 162 Natura 2000-gebieden er 158 gebieden in de aanwijzingsprocedure als ontwerp-besluit vastgesteld. Bij vier gebieden spelen zwaarwegende zaken waardoor een ontwerp-aanwijzing nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Inmiddels zijn 33 aanwijzingsbesluiten definitief en loopt de beroepsprocedure. In verband met de koppelingsafspraak (de afspraak dat provincies eerst hun conceptbeheerplan opstellen alvorens het aanwijzingsbesluit definitief wordt gemaakt) zijn er in 2009 geen gebieden in definitieve vorm aangewezen waar de provincie eerstverantwoordelijk is voor het opstellen van het beheerplan. Na afronding van deze afspraak zal dit proces weer voortvarend worden opgepakt en zullen alle gebieden eind 2010 definitief zijn aangewezen.

Op de Noordzee worden, met een apart tijdschema nog vijf Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiervoor is in 2009 een wetswijzigingvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd, welke de Natuurbeschermingswet en de Flora- en Faunawet van toepassing verklaart op de Nederlandse Exclusieve Economische Zone van de Noordzee (het gebied buiten de territoriale wateren).

Beheerplannen

In een beheerplan wordt door alle betrokkenen afgesproken wat er gedaan moet worden om de instandhoudingdoelstellingen voor het betreffende gebied te behalen, en wanneer deze gerealiseerd moeten zijn. Tevens wordt beschreven welke activiteiten eventueel onder welke voorwaarden doorgang kunnen vinden, zonder vergunningplichtig te zijn. 2009 stond wat betreft beheerplannen in het teken van de koppelingsafspraak. De provincies zijn in de gelegenheid gesteld eerst samen met de betrokken partijen in het gebied conceptbeheerplannen op te stellen op basis van de ontwerp-aanwijzingsbesluiten, alvorens deze besluiten definitief worden gemaakt. Deze koppelingsafspraak beoogde draagvlak te creëren voor de beheerplannen en de implementatie daarvan en meer inzicht te krijgen in de haalbaarheid en betaalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing.

Eind 2009 liggen er voor 85 Natura 2000-gebieden conceptbeheerplannen; één beheerplan is reeds definitief vastgesteld en één in ontwerp.

Balans tussen ecologie en economie

Nederland zoekt actief naar rek en ruimte om, met inachtneming van de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen, de gevolgen van N2000 voor andere sectoren, zoals landbouw en verkeer, te beperken. De adviesgroep Huys is daartoe gevraagd onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden. Een resultante van dit onderzoek is de ontwikkeling van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Ook is de huidige Natuurbeschermingswet (NB-wet) nog eens tegen het licht gehouden om te zoeken naar rek en ruimte. Dat heeft geleid tot voorstellen voor wijziging of verduidelijking van de NB-wet 1998 op een vijftal punten:

1. continuering van het huidige regime voor bestaand gebruik na de overgangstermijn tot inwerkingtreding van de beheerplannen;

2. voorziening voor een specifiek beoordelingsregime voor stikstofemissies;

3. aanpassing van het beschermingsregime voor doelen voor beschermde natuurmonumenten;

4. verduidelijking van de beroepsmogelijkheid tegen het beheerplan;

5. wettelijke verankering van rekenmodellen en meetmethoden.

Deze wijzigingen, ten behoeve van meer rek en ruimte bij de implementatie van Natura 2000, zijn opgenomen in de Crisis-en Herstelwet welke in november 2009 door de Tweede kamer is aangenomen.

Bij de voortgang van de beheerplannen is vooral de stikstofproblematiek zeer complex gebleken. Een oplossing voor de stikstofproblematiek is cruciaal voor het slagen van de implementatie van Natura 2000 in Nederland. Daarom is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld. Hierin wordt een methode ontwikkeld waarbij onder een geleidelijk dalende stikstofdepositie, ecologische doelen kunnen worden behaald en voldoende economisch perspectief en ontwikkelruimte rondom Natura 2000 gebieden wordt geboden. Het voorlopig programma zal voor de zomer 2010 naar de Kamer verstuurd worden.

Beleidsconclusies

Door de «koppelingsafspraak» met provincies zijn er in 2009 minder definitieve aanwijzingsbesluiten genomen. In 2010 zullen de aanwijzingsbesluiten, conform de Europese verplichtingen, verder definitief worden gemaakt.

In 2009 is flinke voortgang geboekt met het betrekken van alle relevante partijen en het gezamenlijk zoeken en willen vinden van oplossingen voor complexe problemen zoals de stikstofproblematiek.

Voortgang is van belang om duidelijkheid en zekerheid aan burgers en bedrijven in en rondom Natura 2000-gebieden te bieden.

Leefgebiedenbenadering

De kern van de leefgebiedenbenadering is de overstap van de bescherming van individuele soorten van planten en dieren naar leefgebieden met groepen van soorten. Een gebiedsgerichte aanpak dus.

Resultaten van beleid

De Leefgebiedenbenadering richt zich op soorten die extra maatregelen nodig hebben. Maatregelen voor groepen soorten die in vergelijkbare habitats leven, worden met hulp van alle betrokken actoren ingepast in het gebied. Als zo de duurzame instandhouding van populaties gewaarborgd is, kan elders ruimte ontstaan voor ontwikkelingen.

In 2009 is de uitvoering van de Leefgebiedenbenadering overgedragen aan de provincies en ondergebracht in het ILG. In 2009 hebben alle provincies uitwerkingsplannen opgesteld met een agenda van projecten voor de komende jaren. Daarnaast zijn circa 25 leefgebiedenprojecten uitgevoerd. De provincies willen in het kader van de Mid Term Review ILG nadere afspraken maken over de uitvoering van de leefgebiedenbenadering.

Praktijkvoorbeeld: leefgebiedenproject Heiderijk

In 2009 is het leefgebiedenproject Heiderijk Nijmegen Mook van start gegaan. Het is een project van de samenwerkingspartners Gemeente Nijmegen, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, ProRail en de Bosgroepen. Met het project wordt het leefgebied van een aantal bedreigde diersoorten zoals de zadelsprinkhaan, de groene specht en de gladde slang veilig gesteld. Het wordt een gebied waar planten en dieren zich thuis voelen en waar het goed recreëren is. In totaal wordt 300 ha van het bosgebied geleidelijk veranderd in een meer open en divers landschap. Het ministerie van LNV en de provincies Gelderland en Limburg zorgen voor financiële ondersteuning. Bron: www.bosgroepen.nl.

Beleidsconclusies en consequenties

In 2009 zijn circa 25 leefgebiedenprojecten uitgevoerd. De Leefgebiedenbenadering wordt breed gewaardeerd. De provincies hebben stevige ambities voor de komende jaren.

Kabinetsdoelstelling 251

Kabinetsdoelstelling 25

In 2011 worden productiedieren en gezelschapsdieren beter behandeld en moet 5% van de stallen integraal duurzaam en diervriendelijk zijn, waarbij voldaan wordt aan dierenwelzijneisen die verder gaan dan de huidige wettelijke eisen.

Doelstelling minister LNV2

In 2009 moet gemiddeld 73% van de regelgeving op het terrein van dierenwelzijn worden nageleefd, in 2010 77% en in 2011 80%. In 2009 moet minimaal 1,2% van de stallen integraal duurzaam zijn, in 2010 2,8% en in 2011 minimaal 5%.

LNV wil met dierenwelzijn bij de Europese voorhoede horen. Internationaal moet dierenwelzijn via zowel EU-beleid als nationaal beleid verbeteren. Eind 2007 is daartoe de Nota Dierenwelzijn3 uitgebracht, de eerste in Nederland. De overheid, de sector en maatschappelijke organisaties werken daarin samen. Jaarlijks biedt LNV hierover een voortgangsrapportage aan aan de Tweede Kamer. Daarnaast is een monitor, de «Staat van het Dier»4, ontwikkeld. Daarin staat hoe het met het welzijn en de gezondheid van in Nederland gehouden dieren gaat. De monitor wordt verder verbeterd met outcome-indicatoren. Nederland is de eerste EU-lidstaat die zo uitgebreid over dierenwelzijn rapporteert.

Resultaten van beleid

Regelgeving en Handhaving welzijnsnormen

De Tweede Kamer behandelde de Wet dieren5. De wet beoogt per 2011 een integraal normenkader voor dieren te bieden (zie ook onder kabinetsdoel 16).

Bij het handhaven van dierenwelzijnsnormen zijn vliegende brigades ingezet, bestaande uit een AID-controleur en een dierenarts van de VWA. De teams bleken succesvol. Ze controleerden onder meer of de Transportverordening werd nageleefd bij de aan- of afvoer van dieren op verzamelplaatsen, bij slachthuizen, bij boerderijcertificering en onderweg. Ook is gestart met het slim gebruik van de bestaande handhavingscapaciteit. Verder moet de bundeling van de VWA en de AID tot een slimmere capaciteitsinzet leiden.6

LNV liet een nulmeting verrichten omtrent de naleving van dierenwelzijnsregels. Dat leverde indicaties op voor de intensieve veehouderij (kalveren, varkens en legkippen), het transport en bedrijfsmatig gehouden honden en katten. Deze cijfers tonen aan dat LNV op koers ligt voor doelrealisatie.

Stimuleren innovatie

LNV investeerde € 0,8 mln. in onderzoek naar en ontwerpen voor integraal duurzame stalsystemen. Ook werd € 2 mln. vrij gemaakt om prototypes van integraal duurzame stallen in de praktijk bij bedrijven toe te passen. Via de Nationale investeringsregeling integraal duurzame stallen en de SBIR-tender duurzame stallen werden ondernemers financieel ondersteund bij het praktijkrijp maken van integraal duurzame stallen.

De Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) werd ontwikkeld om welzijn- én milieuvriendelijke stallen die aan bovenwettelijke eisen voldoen fiscaal aantrekkelijker te maken. Stalsystemen die hieraan voldoen komen in aanmerking voor milieu-investeringsaftrek (MIA) en willekeurige afschrijving milieu-investering (VAMIL). In april 2009 werden energie en gezondheid in de MDV1 geïntegreerd. De MDV is er nu voor melkvee, pluimvee en varkens. Er is jaarlijks circa € 15 mln. voor de welzijnsinvesteringen via MIA en VAMIL.

Er is een monitor ontwikkeld waarmee de bouw van integraal duurzame stallen kan worden gevolgd. Ook hier is een nulmeting voor uitgevoerd. Monitor en nulmeting werden beide aangeboden aan de Tweede Kamer.2 Om duurzaamheidsinvesteringen in crisistijd extra te stimuleren werden de criteria verruimd, zonder dat op duurzaamheid werd bezuinigd. Daarnaast is het subsidiebudget vergroot.

Kennisontwikkeling, benutting en verspreiding

In 2009 is actief voorlichting gegeven om de bewustwording bij burgers en ondernemers te vergroten, in samenwerking met de Dierenbescherming en maatschappelijke organisaties.

Voortgang acties Nota Dierenwelzijn

In februari 2009 werd de eerste voortgangsrapportage over de acties uit de Nota Dierenwelzijn aangeboden aan de Tweede Kamer.3 De realisatie is conform planning verlopen. Zo zijn met de pluimveesector extra welzijnseisen overeen gekomen. Deze kwamen bovenop de Europese eisen voor het houden van vleeskuikens en in 2011 wordt een alternatief voor het doden van pluimvee via het elektrisch waterbad ingevoerd. Voor vissen is per 1 januari 2010 de maatlat Duurzame Aquacultuur van kracht. LNV stimuleerde ook het bedrijfsleven om via de consument tot meer dierenwelzijn te komen. Veelbelovend is dat de Dierenbescherming, Albert Heijn en VION aankondigden samen te zorgen dat in 2011 alleen varkensscharrelvlees in de schappen ligt.

Andere resultaten zijn de convenanten tussensegment, het verbod op het knippen van hoektanden bij varkens, het intrekken van de Regeling Agressieve Dieren, het plan van aanpak van de Sectorraad Paarden voor paardenwelzijn, het project verwaarlozing landbouwhuisdieren, en de aanpassing van de nationale regelgeving voor het doden en bedwelmen van pluimvee.

Nederland blijft een van de actiefste EU-lidstaten als het gaat om dierenwelzijn. De Europese verordening bedwelmen en doden van dieren werd herzien. Nederland nam samen met andere lidstaten het initiatief om de ambitie voor dierenwelzijn te verankeren in deze verordening.

Beoogde effecten en resultaten
Indicator Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2009 Begroting 2009 Raming 2010 Streefwaarde Planning Bron
Outcome                
Dierenwelzijn                
1. % naleving v. bestaande welzijnsnormen 70%* 2005 ** 73% 77% 80% 2011 AID
2. % integraal duurzame stallen 1,2% «0» meting (2009) 2,2%*** 1,2% 2,8% 5% 2011 WUR

* De in de begroting vermelde streefwaarden van 72% voor 2009 is bijgesteld tot 73% op basis van de afgesproken tussendoelen in het kader van de Kabinetsdelivery.

** Realisatiecijfers 2009 komen in het voorjaar 2010 beschikbaar.

*** Dit cijfer is gebaseerd op de in 2009 tot stand gekomen nulmeting Monitor integraal duurzame stallen (zie bijlagen bij TK 28 286, nr. 289). Voorjaar 2010 volgen meetgegevens ten aanzien van stand ultimo 2009.

Beleidsconclusies en consequenties

Het dierenwelzijnsbeleid ligt op schema. De monitor integraal duurzame stallen en de nulmeting zijn naar de Tweede Kamer gestuurd. De streefwaarde van 1,2% integraal duurzame stallen in 2009 is conform de nulmeting bereikt. Hoewel dit een impuls is voor verdere groei, blijft de investeringsbereidheid in de sector het allerbelangrijkst. De eerste indicaties over de naleving van dierenwelzijnsnormen tonen aan dat LNV op koers ligt. LNV ligt met de nota Dierenwelzijn op schema.

Kabinetsdoel 29

Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis.

Doelstelling minister LNV

De 4 gebiedsprojecten (Nota Ruimte) op het LNV-domein zullen uiterlijk in 2010 worden verkend en uitgewerkt conform de daarvoor opgestelde Nota Ruimte procedure, waarbij de rijksbetrokkenheid nader zal worden ingevuld.

LNV levert een bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 29.1 De Nota Ruimte2 richt zich met projecten op knooppunten van de Ruimtelijke Hoofdstructuur. Uit de budgetten van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) en de Nota Ruimte kwaméén miljard euro voor 23 projecten. LNV coördineert zes projecten. Vier daarvan maken deel uit van het programma Randstad-Urgent.3 Met dat programma moet de Randstad weer een duurzame en economisch concurrerende Europese topregio worden. LNV streeft via deze Nota Ruimte-projecten naar meer groen, een goede landbouwstructuur en een slimme combinatie met overige gebiedsgerichte doelstellingen.

Resultaten van beleid

Het FES financierde drie van de zes LNV-projecten: Westflank Haarlemmermeer (48 miljoen euro), Mooi en Vitaal Delfland (35 miljoen euro) en Herstructurering Westelijke Veenweiden (113 miljoen euro). Voor de andere drie projecten waren al in 2007 en 2008 FES-middelen beschikbaar, namelijk de Nieuwe Hollandse Waterlinie (35 miljoen euro) en de Greenports Klavertje 4 (26 miljoen euro) en West Nederland (30 miljoen euro). Hierdoor werden zes Nota Ruimte-projecten van LNV uitgevoerd. Deels sneller dan gepland, want het Kabinet investeerde extra inde bestrijding van de economische crisis.

In juli bood LNV de voortgangsrapportage van het Rijksprogramma Groene Hart1 aan de Tweede Kamer aan. Van de elf icoonprojecten uit het programma lopen er acht. Provincies hebben zoals voorzien provinciale structuurvisies voor het Groene Hart opgesteld. Hiermee zijn de LNV-doelen voor het Groene Hart verankerd.

Het advies van de Deltacommissie (commissie Veerman)2 werd in grote lijnen opgenomen in het Nationaal Waterplan. Voor de Deelprogramma’s Wadden en Zuidwestelijke Delta zijn opdrachten geformuleerd.

Beleidsconclusies en consequenties

Bij alle Nota Ruimte-projecten werd de voorbereiding afgerond en werd gestart met de uitvoering. Daarmee ligt de realisatie van de doelstelling voor op schema. Maatregelen om de economische crisis te bestrijden droegen daar sterk aan bij.

Kabinetsdoelstelling 41

Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs.

Doelstelling minister LNV

Vanaf schooljaar 2011–2012 volgen alle leerlingen vmbo-groen een maatschappelijke stage in hun schoolloopbaan. In 2011 zijn er 10 000 stageplaatsen in het groen.

LNV levert een bijdrage aan de realisatie van Kabinetsdoel 41.3 Deze Kabinetsdoelstelling is op sociale samenhang gericht. LNV streeft naar 10 000 maatschappelijke stageplaatsen rond voedsel en groen in 2011 voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Ook wil LNV de maatschappelijke stage in voeren in het groen vmbo-onderwijs, waarbij vmbo’ers één maal in de vierjarige schoolloopbaan een maatschappelijke stage moeten volgen. Met een leerling-populatie van 32000, betekent dit dat LNV 8 000 stages per jaar moet faciliteren.

Resultaten van beleid

Er zijn al circa 7000 stageplaatsen voor leerlingen in het voortgezet onderwijs gerealiseerd.4 Ook het aantal organisaties dat stages aanbiedt en de diversiteit ervan nemen toe. Onder meer Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Landschapsbeheer Nederland en Stichting Kinderboerderijen Nederland boden natuurstages aan en LTO-Nederland land- en tuinbouwstages. Alle provinciale Landschappen sloten zich aan om stageplaatsen ter beschikking te stellen. In de voedingsector werd een convenant gesloten met onder meer het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie, de Nederlandse Brood- en banketbakkers Ondernemers Vereniging, Resto VanHarte en zorginstelling Livio. De eerste pilots zijn gestart. Ook met de productschappen werd een convenant gesloten. De stageplekken moeten:

1. een samenleving stimuleren met gezonde mensen die zich bewust zijn van de waarde voedsel en groen;

2. leiden tot sociale cohesie en verbindingen tussen stad en platteland; en/of

3. het voedselproces «van boer tot bord» inzichtelijk maken en voedingskeuzes met aandacht voor biodiversiteiten een schoon milieu bevorderen.

Praktijkvoorbeeld: pilotproject Scharrelkinderen in de proeftuin Amsterdam

Met de gemeente Amsterdam werd het pilotproject «Scharrelkinderen in de proeftuin Amsterdam» uitgevoerd. Het project draait om een bemiddelingsinfrastructuur om groene maatschappelijke stageplaatsen aan te bieden. De Amsterdamse vrijwilligerscentrale bemiddelde tussen stagiairs en organisaties als Artis, kinderboerderijen en volkstuinen. Daarnaast werden creatieve stageconcepten, zoals het ondersteunen van ouderen bij het opknappen van volkstuintjes bedacht en wordt gekeken naar verdere toepassing van de ontwikkelde concepten. Deze pilot leert dat stadsjongeren vaak geen goed beeld hebben van een groene maatschappelijke stage, maar achteraf zijn ze vaak wel erg enthousiast. Een maatschappelijke stage op de boerderij werkt voor hen blikverruimend. Velen komen zelden buiten de stad.

De pilot maakt deel uit van het actieprogramma Proeftuin Amsterdam. Met dit initiatief wordt gezond en lekker eten in Amsterdam en omgeving gestimuleerd en worden meer producten uit de regio en milieu- en diervriendelijker producten gebruikt. Daartoe worden activiteiten uit verschillende hoeken zoals het onderwijs, de horeca, de zorg en het milieu gebundeld. LNV tekende hiervoor met de gemeenten Amsterdam en Zaanstad en de provincie Noord-Holland een verklaring voor samenwerking. Bron: www.maatschappelijkestage.nl; www.minlnv.nl

De invoering van de maatschappelijke stage in het groene vmbo-onderwijs verloopt voorspoedig. In de praktijk blijkt wel dat vmbo-leerlingen meer begeleiding nodig hebben bij het vinden van een goede stageplek.

Beoogde effecten en resultaten
Outcome Indicator Referentiewaarde Peildatum Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Raming 2010 Streefwaarde Planning Bron
1. Aantal organisaties dat groene stages aanbiedt 10 2008 9 25 13   30 2011 LNV
2. Aantal groene stageplaatsen 500 2008 6 000* 7 000 1 500 8 500 10 000 2011 LNV
3. Aantal leerlingen VMBO-groen dat maatschappelijke stage volgt 2000 2008 3 588* 9 864 3 500 6 000 8 000 2011 AOC-raad

* De realisatiecijfers 2008 zijn inmiddels definitief en vallen hoger uit dan gemeld in het Jaarverslag 2008.

Beleidsconclusies en consequenties

De resultaten tot nu toe brengen de doelstellingen in 2011 dichtbij. Met circa 7 000 stagiairs en een uitbreiding van het aantal stage aanbiedende organisaties naar 25 is het beleid succesvol. De diversiteit in stageplekken neemt toe. Ook in het vmbo-groen is de maatschappelijke stage met succes ingevoerd.

Overzicht van uitgaven voor de kabinetsdoelstellingen beleidsprogramma «Samen werken samen leven» in relatie tot begrotingsartikelen van LNV

Overzichtstabel: Gerealiseerde uitgaven per kabinetsdoel voor 2007, 2008 en 2009 (€ x 1 000)

Onderstaande tabel geeft inzicht in de relatie tussen de kabinetsdoelen uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» en de uitgaven op de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen. Binnen het operationele doel van een beleidsartikel zijn daartoe enkel de instrumenten bij elkaar opgeteld die bijdragen aan het bereiken van het desbetreffende kabinetsdoel. Het instrument is het laagste niveau van budgettering. Doordat de instrumenten van een operationeel doel slechts aan één kabinetsdoel zijn toegerekend vindt er geen «dubbeling» van uitgavenramingen plaats.

Er is dus niet voor gekozen om het totaal van de gerealiseerde uitgaven van een operationele doelstelling volledig aan een bepaalde kabinetsdoelstelling toe te rekenen. Een uitzondering betreft kabinetsdoelstelling 24. De onder deze kabinetsdoelstelling gerealiseerde uitgaven betreffen het totaal van de operationele doelen van de beleidsartikelen 23 en 24. De uitgaven voor baten-lasten diensten en de apparaatsuitgaven zijn niet toegerekend aan de kabinetsdoelen.

De belangrijkste onderdelen van beleidsartikelen die niet aan een kabinetsdoel zijn toegerekend betreffen:

• Artikel 21 Duurzaam ondernemen: de interne begrotingsreserves, uitgaven voor bedrijfsadviesdiensten, schadevergoedingen voor vorst- en oogstschade, uitgaven voor fytosanitair beleid, kosten van beroepsopleidingen, saneringsregelingen, uitgaven voor bilateraal-economische samenwerking en uitgaven voor het project Client.

• Artikel 22 Agrarische ruimte: uitgaven voor ruilverkaveling.

• Artikel 25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid: uitgaven voor risicomanagement, voedselveiligheid, destructie, uitgaven voor BSE-laboratoria, uitgaven voor I&R-systemen en Early-warningsystemen bij dierziekten, uitgaven voor crisisorganisatie, uitgaven voor convenant bestrijding AI in Indonesie.

• Artikel 26 Kennis en Innovatie: DLO wettelijke onderzoekstaken.

• Artikel 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden: uitgaven Agenda Vitaal Platteland en uitgaven voor reconstructie voorfinanciering 2005/2006, synergiegelden ILG

• Artikel 29 :contributies aan internationale organisaties, uitvoeringskosten EU-beleid,

• Bijdragen aan baten-lasten diensten

• Apparaatsuitgaven.

Kabinetsdoelstelling Omschrijving kabinetsdoelstelling Beleidsartikelen/ Operationele Doelstelling Omschrijving beleidsartikel/operationele doelstelling op LNV-begroting Uitgaven 2007 per kabinetsdoel (x € 1 000) Uitgaven 2008 per kabinetsdoel (x € 1 000) Uitgaven 2009 per kabinetsdoel (x € 1 000)
1 Draagvlak voor Europa 29 Algemeen
             
6 Duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding 29 Algemeen 574 720
             
11 Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval 26 Kennis en Innovatie 687 080 712 798 753 185
    26.11 Waarborgen kennisstelsel 608 624    
    26.12 Benutten samenhang tussen instellingen 39 875    
    26.13 Vernieuwen kennissstelsel 38 581    
    26.15 Kennis en innovatie   3348 4 335
    26.16 Waarborgen/ vernieuwen onderzoek en onderwijs   709 450 748 850
14 Versterken innovatief vermogen van de Nederlandse economie 2126 Duurzaam ondernemenKennis en innovatieTotaal 8 230151 309159 539 20 363193 302213 665 24 710185 615210 325
    21.11 Verbeteren ondernemerschap- en ondernemersklimaat 386 3004 4 455
    21.12 Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn 1 290 1 186 3 306
    21.13 Bevorderen duurzame productiemethoden 6 068 15 437 16 950
    21.15 Bevorderen duurzame ketens 486 736 0
    26.11 Waarborgen kennisstelsel 42 938    
    26.12 Benutten samenhang tussen instellingen 3 227    
    26.13 Vernieuwen kennisstelsel 6 465    
    26.14 Ondersteunen LNV-beleid met kennis 98 679    
    26.15 Kennisontwikkeling en innovatie   129 080 122 502
    26.16 Vernieuwen onderzoek en onderwijs   64 222 63 113
16 Minder regels, minder instrumenten, minder loketten    
             
22 Stimuleren van duurzame consumptie en productie 212225 Duurzaam ondernemenAgrarische ruimteVoedselkwaliteit en diergezondheidTotaal 29 2474 4672 17135 885 47 1728 6673 77459 613 29 8557 7043 59641 155
    21.12 Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn 9 768 2 678 2 368
    21.13 Bevorderen duurzame productiemethoden 12 074 15 312 17 970
    21.14 Bevorderen duurzame vangst 5 824 27 456 9 517
    21.15 Bevorderen duurzame ketens 1 581 1 726 0
    22.11/22.12 Ruimte voor grondgebonden landbouw 4 467 8 667 7 704
    25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedsel-aanbod en consumptiepatroon 2 171 3 774 3 596
24 In 2011 meer tevredenheid over landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd,is het platteland vitaler en wordt geïnvesteerd in natuur 2324 NatuurLandschap en recreatieTotaal 447 160146 768593 928 462 214152 985615 199 435 30483 705519 009
    23.11 Verwerven EHS 85 209 76 459 53 595
    23.12 Inrichten EHS 123 040 144 148 128 003
    23.13 Beheren EHS 171 093 168 415 172 152
    23.14 Beheer natuur buiten EHS en beschermen internationale biodiversiteit 67 818 73 192 81 554
    24.11 Nationale Landschappen 15 922 14 320 20 888
    24.12 Landschap algemeen 5 728 7 432 4 819
    24.13 Recreatie in en om de stad 84 994 92 188 20 143
    24.14 Recreatie algemeen 40 124 39 045 37 855
25 In 2011 verbetering dierenwelzijn en moet 5% van de stallen duurzaam en diervriendelijk zijn 2126 Duurzaam ondernemenKennis en InnovatieTotaal 1 5745 0506 624 4 7009 24013 940 4 3346 77611 110
    21.12 Bevorderen maatschappelijk geaccepteerde productie-voorwaarden en dierenwelzijn 1 574 4 700 4 334
    26.11 Waarborgen kennisstelstel 250    
    26.14 Ondersteunen LNV-beleid met kennis 4 800    
    26.15 Kennisontwikkeling/innovatie   8 570 4 613
    26.16 Vernieuwen onderzoek en onderwijs   670 2 163
29 Realiseren van enkele complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis 2227 Agrarische ruimteBodem, water en reconstructie zandgebiedenTotaal 63 22763 227 59 93659 936 21 59343 81865 411
    22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw   11 888 21 593
    27.11 Reconstructie zandgebieden 63 227 48 048 43 818
41 Maatschappelijke stages 26 Kennis en Innovatie 383 1092 1 701
    26.12 Benutten samenhang tussen instellingen 215    
    26.13 Vernieuwen kennissstelsel 168    
    26.16 Vernieuwen onderzoek en onderwijs   1092 1 701
  Totaal uitgaven aan kabinetsdoelen     1 547 240 1 676 243 1 602 616

Toelichting

De totale uitgaven 2009 op de LNV begroting bedroegen € 2 550 mln. Op grond van bovenstaand overzicht kan € 1 603 mln. worden toegerekend aan de kabinetsdoelen uit «Samen werken, samen leven».

De niet toegerekende uitgaven ad € 947 mln. betreffen:

• Programma-uitgaven (operationele doelstellingen) op beleidsartikelen voor een bedrag van € 226 mln. Dit betreft programma-uitgaven die betrekking hebben op artikel 21 duurzaam ondernemen (€ 33 mln.), artikel 22 agrarische ruimte (€ 43 mln.), artikel 25 voedselveiligheid en diergezondheid (€ 27 mln.), artikel 26 Kennis en innovatie (€ 55 mln.), artikel 27 Reconstructie (€ 17 mln.) en artikel 29 algemeen (€ 51 mln.).

• Uitvoeringskosten van beleid/bijdragen aan baten-lastendiensten ad. € 454 mln.

• Apparaatsuitgaven ad. € 267 mln.

Delivery-overzicht kabinetsdoelen LNV
Beoogd doel Tussenresultaat 2009 Uitgaven 2009(x € 1 000)
Doelstelling 24In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden. 519 009
1. Tevredenheid landschap wordt met een 8 gewaardeerd in 2020 Nulmeting is in 2007 uitgevoerd. In najaar 2010 komen nieuwe cijfers beschikbaar over 2009.  
2. Realisatie groene gebieden : 14 563 ha. in 2013 Stand 1-1-2009: 10 001 ha. verworven; 6 342 ha. Ingericht.  
3. Vitaliteit platteland: Tevredenheid voorzieningen Nulmeting is in 2007 verricht. Voorjaar 2010 komen nieuwe gegevens beschikbaar.  
4. Investeringen in natuur: in 2018 728 5000 ha natuurgebied in beheer Stand 1-1-2009: 607 758 ha. in beheer (+5 811 ha. in 2009).  
     
Doelstelling 25In 2011 worden productiedieren en gezelschapsdieren beter behandeld en moet 5% van de stallen integraal duurzaam en diervriendelijk zijn, waarbij voldaan wordt aan dierenwelzijneisen die verder gaan dan de huidige wettelijke eisen. 11 110
1. 5% duurzame stallen in 2011 De monitor en nulmeting zijn aangeboden aan de Tweede Kamer. Nulmetingtoont aan dat 2,2% realisatie is gehaald.  
2. In 2009 moet het nalevingsniveau 73% bedragen Eerste indicatiecijfers tonen aan dat LNV op koers ligt voor doelrealisatie.  
3. Realisatie acties uit nota dierenwelzijn 15 acties gerealiseerd.  

1.3.2 De Beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen

ILG-overzicht begrotingsmutaties 2009

In dit hoofdstuk zijn alle begrotingsmutaties 2009 met betrekking tot het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) samengevoegd. De begrotingsmutaties op het terrein van ILG hebben betrekking op meerdere operationele doelstellingen (zie ook onderstaand overzicht). Reden om deze te bundelen in een totaal overzicht is het vergroten van de leesbaarheid cq presenteerbaarheid van begrotingsmutaties op het ILG. Aangezien het hier om een financiële verantwoording gaat is gekozen om te komen tot een algemeen deel behorend bij de artikelgewijze toelichting in het financieel jaarverslag.

Overzicht uitgavenmutaties

Bedragen x € 1 000
1 2 3 4 5 6
Operationele doelstellingen Begrotingsstand 2009 ILG-deel Wijzigingen 1e suppletore begroting Wijzigingen 2e suppletore begroting Slotwet Realisatie
22.11 22 504       22 504
22.12 33 304 14 006 – 4 000 – 13 43 297
23.11 50 857   – 28 533   22 324
23.12 113 401   2 462   115 863
23.13 106 890   1 486 51 108 427
23.14 13 996   300 1 799 16 095
24.11 18 613   147 – 7 18 753
24.12 918   400   1 318
24.13 70 764   – 57 213 – 1 13 550
24.14 8 805     360 9 165
27.11 43 819     – 1 43 818
27.12 528 12 900   – 544 12 884
Totaal 484 399 26 906 – 84 951 1 644 427 998

Algemeen

De mutaties bij 1e en 2e suppletore begroting zijn in de desbetreffende begrotingswetsvoorstellen toegelicht.

23.14 Beheren buiten EHS

Voor de uitvoering van de leefgebiedenbenadering is een aanvullend bedrag van € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld aan de provincies ten behoeve van een actief soortenbeleid dat zich richt op de instandhouding van bedreigde soorten die in onvoldoende mate gered kunnen worden door de maatregelen in het gebiedsgericht natuurbeleid.

24.14 Recreatie

Het onderdeel «routenetwerken» ad € 0,3 mln. maakt vanaf 2009 deel uit van het ILG.

27.12 Bodem en water

Bij 1e suppletore begroting is € 12,9 mln. toegevoegd aan het ILG ten behoeve van het uitvoeren van opdrachten uit de Kaderrichtlijn Water voor het verbeteren van waterkwaliteit in het kader van synergiegelden voor projecten water. Hiervan komt € 0,5 mln. na 2009 tot betaling.

21 Duurzaam ondernemen

Duurzaam ondernemen

kst-32360-XIV-3-7.gif

Omschrijving

LNV streeft naar een vitaal en duurzaam agrocomplex met inbegrip van de visserij, waarbij:

• de nationale en internationale marktpositie van het agrocomplex wordt versterkt;

• van natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke grondstoffen een duurzaam gebruik wordt gemaakt;

• betrouwbare en hoogwaardige producten voortgebracht worden.

Deze beleidsdoelstelling richt zich op de verduurzaming van het agrocomplex in Nederland, waarbij zoveel mogelijk de Europese kaders worden gevolgd. De verduurzaming geldt niet alleen voor de milieuaspecten, maar ook de sociale en economische aspecten (bedrijfsontwikkeling en ondernemerschap).

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
21 Duurzaam ondernemen Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 382 207 326 815 455 256 366 009 312 661 53 348
– waarvan garanties       14 704   14 704
Uitgaven 390 184 264 536 404 192 286 924 305 660 – 18 736
Programma-uitgaven 196 480 59 934 197 897 92 375 132 141 – 39 766
21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat 18 164 3 280 51 967 26 981 11 995 14 986
• Jonge agrariërs 12 319 1 012 2 666 4 294 5 668 – 1 374
• Ondernemerschap 5 845 2 268 1 439 17 084 3 005 14 079
• Bilaterale Economische Samenwerking       5 603 3 322 2 281
• Interne begrotingsreserve     47 862      
21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn 15 461 18 115 10 747 12 992 14 858 – 1 866
• Verbetering dierenwelzijn 2 523 4 123 4 981 4 982 6 886 – 1 904
• Nieuw mestbeleid 7 828 9 617 1 381 29 450 – 421
• Fytosanitair beleid 1 759 2 514 2 785 3 027 2 935 92
• Gewasbeschermingsbeleid 3 201 1 861 1 600 2 237 3 587 – 1 350
• Agrologistiek       2 207 1 000 1 207
• Coëxistentie 150     99   99
• Overig (RBV, Mineralenheffing)       411   411
21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw 30 763 23 836 72 547 42 885 87 695 – 44 810
• Impulsprogramma Verduurzaming Agroketens         5 000 – 5 000
• Glastuinbouw 9 932 8 587 18 097 19 291 57 695 – 38 404
• Energie-efficiency VGI (MJA)       2 011 2 095 – 84
• Biobased Economy       2 755   2 755
• Biologische landbouw 9 958 6 050 3 139 4 186 4 225 – 39
• Intensieve veehouderij 1 285 1 172 1 825 5 667 9 933 – 4 266
• Melkveehouderij 3 025 1 711 3 648 3 639 3 704 65
• Akkerbouw 1 684 1 634 2 227 1 686 1 438 248
• Overige sectoren 342 171 5 796 481   481
• Innovatie en Samenwerking duurzame landbouw 4 537 4 511 5 526 1 625 1 605 20
• Multifunctioneel landbouw     286 1 280 3 000 – 1 720
• ICT-beleidsprogramma’s       264   264
• Taakstelling subsidieregeling         – 1 000 1 000
• Interne begrotingsreserve     32003      
21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren 124 565 5 824 57 149 9 517 17 593 – 8 076
• Duurzame visserijmethoden (As 1)       165 3 400 – 3 235
• Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet (As 2)       861 5 177 – 4 316
• Innovatieve proefprojecten (As 3)       3 524 4 700 – 1 176
• Technische bijstand         400 – 400
• Sanering 19 059   19 326      
• Onderzoek 3 135          
• Innovatie 1 400   517      
• Innovatie, Kennisontw. en Verspreiding   1 475 758 4 967 2 916 2 051
• Regeling garantstelling visserij         1 000 – 1 000
• Binnenvisserij 100 971 481 464      
• Verduurzaming Noordzeevisserij   3 868 6 391      
• Interne begrotingsreserve     29 693      
21.15 Bevorderen van duurzame ketens 7 527 8 879 5 487      
• Bilaterale economische samenwerking 2 797 2 698 1 905      
• Agrologistiek 764 486 736      
• ICT Beleidsprogramma’s 1 980 3 627 854     0
• Energie en Overig 1 986 2 068 1 572     0
• Biobased Economy     420     0
             
Apparaatsuitgaven 193 704 204 602 206 295 194 549 173 519 21 030
21.21 Apparaat 19 440 21 335 22 158 22 597 18 798 3 799
21.22 Baten-lastendiensten 174 264 183 267 184 137 171 952 154 721 17 231
             
Ontvangsten 51 619 23 077 93 479 27 866 13 104 14 762

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie wordt voor het grootste gedeelte verklaard door:

• de in 2009 afgegeven garantstellingen landbouw en werkkapitaal.

• de extra middelen die voor het Aanvullend Beleids Akkoord (ABA) beschikbaar zijn gekomen, zijn voor het grootste deel verplicht:

– € 3,4 mln. voor de Investeringsregeling Integraal Duurzame Stallen;

– € 15 mln. voor de Investeringsregeling gecombineerde luchtwassystemen;

– € 2,5 mln. voor het Small Business Innovation Research Programma (SBIR-tender voor integraal duurzame stallen);

– € 3,5 mln. voor Intensivering SBIR voor biobased economy en agrologistiek;

– € 1,5 mln. voor het opzetten van een internationaal onderzoekscentrum algen in Wageningen.

• budget dat door andere ministeries is overgeheveld (€ 0,9 mln.) t.b.v. het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb), Monitoring Stroomgebieden (€ 0,4 mln.) en de Investeringsregeling gecombineerde luchtwasssystemen (€ 2,3 mln.) is verplicht;

• de subsidies voor de sneeuwdrukschaderegeling d.m.v. een onttrekking van € 2,3 mln. uit de interne begrotingsreserve Landbouw zijn bekostigd;

• Dienst Regelingen heeft ten onrechte de restverplichtingen luchtwassers van de openstelling 2007 in 2008 administratief afgeboekt. Er zijn € 7,3 mln. aan verplichtingen opgeboekt om dit te corrigeren.

Toelichting op de programma-uitgaven

Realisatie van ABA-middelen

In 2009 is op basis van het Aanvullend Beleids Akkoord (ABA) € 10 mln. aan het budget Dierenwelzijn toegevoegd. Dit budget is vooral ingezet voor de Investeringsregeling Duurzame Stallen en de SBIR-tender Duurzame Stallen. Aangezien de hiermee gemoeide uitgaven vooral in 2010 zullen plaatsvinden, is de gehele €10 mln. doorgeschoven naar 2010. Ook zijn voor een bedrag van € 10 mln. middelen uit het aanvullend beleidsakkoord zijn toegevoegd aan het budget voor de investeringsregeling luchtwassers in 2009. Ook hier is het gehele budget doorgeschoven naar 2010 e.v., omdat betalingen op deze investeringsregeling pas ná 2009 zullen plaatsvinden.

Het restant van de voor 2009 beschikbare ABA-middelen (€ 10 mln.) is ingezet voor de intensivering van de SBIR Agrologistiek en Biobased Economy (€ 3,5 mln.), het investeringsplan voor het Algencentrum van Wageningen UR (€ 1,5 mln.) en het opruimen van verspreid liggende glastuinbouwpercelen. Van het budget voor SBIR Agrologistiek/Biobased Economy (€ 3,5 mln.), wat uitgevoerd wordt door Agentschap NL, is in 2009 € 0,9 mln. besteed. Het restant van dit budget wordt doorgeschoven naar 2010. De uitgaven voor het Algencentrum vinden in hun geheel pas in 2010 plaats, dus ook dit budget is doorgeschoven naar 2010.

21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat

Jonge agrariërs

De lagere realisatie bij de Investeringsregeling Jonge Agrariërs is veroorzaakt doordat de mogelijkheden tot het doen van investeringen bij jonge agrariërs is afgenomen, waardoor minder verzoeken tot vaststelling van de subsidie binnen gekomen zijn dan gepland.

Ondernemerschap

In 2009 is de borgstellingsfaciliteit opgehoogd met € 9,5 mln. ten behoeve van verhoging garantstelling per bedrijf (van € 1,2 naar € 2,4 mln.) en € 2,8 mln. ten behoeve van de garantstelling in verband met liquiditeitsproblemen in de glastuinbouw. Daarnaast is er € 2,3 mln. meer uitgegeven ter dekking van de kosten van de sneeuwdrukschaderegeling.

Bilateraal Economische Samenwerking

Het budget voor het programma Bilaterale Economische Samenwerking (BES) is verhoogd als gevolg van de internationale beurs Grüne Woche 2009 welke in het kader stond van Nederland Partnerland en verhoogd met nog te verrichten betalingen 2008 die in 2009 gerealiseerd zijn.

21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn

Verbetering dierenwelzijn

De lagere realisatie op dit onderdeel is voornamelijk het gevolg van een overheveling (€1,8 mln.), in het kader van het werkprogramma Nota Dierenwelzijn, naar artikel 26.

Gewasbeschermingsbeleid

Het budget voor gewasbeschermingsbeleid is enerzijds opgehoogd met de bijdragen van andere departementen (€ 0,9 mln.) ten behoeve van de werkzaamheden van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb), anderzijds verlaagd voor een overheveling van middelen (€ 2,3 mln.) naar art. 26 van de LNV-begroting voor onderzoeken door DLO-instituten, waarvan met name Telen met Toekomst.

21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw

Impulsprogramma Verduurzaming Agroketens

De middelen die beschikbaar zijn gesteld voor het Impulsprogramma Verduurzaming Agroketens zijn ingezet voor andere onderdelen van art.21 (verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit € 0,3 mln., mestpilots € 1,0 mln., onderzoeksprojecten veehouderij € 2,05 mln., investeringsregeling duurzame stallen € 0,15 mln., projecten voor het innovatieprogramma Champ2Champ € 0,5 mln.) en zijn op deze onderdelen verantwoord. Dit heeft geleid tot het overhevelen van middelen naar andere OD’s. De resterende € 1 mln. is doorgeschoven naar 2010.

Biobased Economy

Medio 2009 zijn middelen uit de Innovatieagenda Energie (biobased economy) toegevoegd aan de LNV-begroting. Deze zijn ingezet voor het programma Groene Grondstoffen.

Glastuinbouw/energie

De realisatie 2009 is ongeveer € 38 mln. lager dan begroot door de volgende oorzaken:

• Vertraging in uitvoering van de aangegane verplichtingen op de energieregelingen;

• Een standaard uitval van 30% tijdens de subsidietoekenning;

• Een tijdelijke vertraging in de uitfinanciering door de economische situatie;

• Aangezien in de loop van 2009 al snel duidelijk werd dat veel subsidies aan de glastuinbouw als gevolg van de economische crisis vertraagd tot betaling zouden komen, is een bedrag van € 15 mln. naar 2011 e.v. geschoven.

Intensieve veehouderij

Het budget voor intensieve veehouderij is in 2009 opgehoogd met de middelen voor het aanvullend beleidsakkoord en een bijdrage van VROM aan de investeringsregeling gecombineerde luchtwassystemen. Anderzijds is het budget verlaagd doordat het grootste gedeelte van de aanvullend beleidsakkkoordgelden. De lage realisatie vooral veroorzaakt doordat de voor de regeling fijnstofmaatregelen beschikbare FES-middelen 2009 (€ 4 mln.) doorgeschoven zijn naar 2010, omdat de eerste openstelling van deze regeling pas in 2010 tot uitbetaling zal leiden.

Multifunctionele landbouw

De lagere uitgavenrealisatie hangt voor het grootste deel samen met een overheveling van ruim € 1,3 mln. naar artikel 26 voor opdrachten aan DLO (ontwikkelpilots, programma’s, inzet kennismakelaars) en Syntens (economische versterking van ondernemingen in de multifunctionele landbouw,) ten behoeve van de Taskforce Multifunctionele Landbouw.

21.14 Bevorderen van duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren

EVF-as 1: Duurzame visserijmethoden

Op dit onderdeel zijn minder verplichtingen aangegaan. De geplande regeling binnen het Europees Visserij Fonds (EVF) voor investering aan boord van vissersschepen is opengesteld in 2009, maar er hebben nauwelijks betalingen op plaatsgevonden omdat er vanwege de economische crisis sprake was van een afname van de investeringsbereidheid binnen de sector.

EVF-as 2: Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet

Bij As 2 zijn projecten opgenomen die meerjarige investeringen omvatten (regeling investering aquacultuur € 4 mln. en regeling investering Mosselzaadinvanginstallaties € 1,7 mln.). De verplichtingen voor beide regelingen zijn volledig aangegaan. Bij de regeling aquacultuur zijn een aantal aanvragers door diverse redenen nog niet gestart met hun project. Bij de regeling Mosselzaadinvanginstallaties is de voornaamste oorzaak voor de lagere realisatie dat de vereiste vergunningen nog niet zijn verstrekt om met het project te kunnen starten. De uitbetalingen van het kasbudget vinden daarom in latere jaren plaats.

EVF-as 3:Innovatieve proefprojecten

As 3 betreft meerjarige innovatieprojecten waarvoor veel belangstelling is vanuit de sector. De verplichtingen zijn volledig aangegaan en de uitfinanciering vindt voor een groot deel in latere jaren plaats.

Regeling garantstelling visserij

Voor de regeling garantstelling Visserij zijn geen aanvragen binnengekomen, omdat er meer belangstelling is voor de EVF-subsidieregelingen dan voor deze garantstellingsregeling.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

21.21 Apparaat

De hogere realisatie van het apparaatsbudget wordt voor het grootste gedeelte veroorzaakt door:

• Uitgaven die in 2008 zijn gedaan ten laste van 2009 zijn gebracht;

• Toevoeging van de loonbijstelling;

• Toevoeging van de eerste tranche van de Bekker-gelden voor ICT-projecten;

• De bijdrage ten behoeve van de Rederij waren hoger dan begroot (€ 1,2 mln.), door o.a. hogere personeelslagen en kosten voor onderhoud.

21.22 Baten-lastendiensten

De hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten wordt voornamelijk verklaard door:

• De bijdrage aan de Algemene Inspectie Dienst (AID) is hoger door toekenning van de loonbijstelling 2009 (€ 1,2 mln.)

• De bijdrage aan de Dienst Regelingen (DR) is circa € 6,1 mln. hoger dan begroot door:

– de volume-uitbreiding van het opdrachtenpakket;

– de aanpassing van het perceelregistratiesysteem;

– de vervroegde uitbetaling van de Bedrijfstoeslagregeling;

– de toegevoegde loonbijstelling.

• De hogere bijdrage aan de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) wordt veroorzaakt doordat er voor het beheer van CLIENT (Controle Landbouwgoederen Import en Export naar een Nieuwe Toekomst) de bijdrage van de VWA met € 2,5 mln. opgehoogd. Daarnaast wordt de hogere bijdrage veroorzaakt door de toekenning van de 1e tranche van de zgn. Bekker-gelden ten behoeve van ICT-investeringen (€ 2,6 mln.) en de loonbijstelling 2009.

• De bijdrage aan de Plantenziektekundige Dienst (PD) is met € 4 mln. verhoogd om

– de achterstand in validatie (laboratoria van keuringsdiensten) weg te werken;

– de kosten van de invoering BIN/BSN te dekken;

– de tijdelijke uitbreiding van de capaciteit van de afdeling uitvoering als gevolg van afronding van Plantkeur (officiële overdracht van de fytosanitaire inspecties en de kwaliteitscontrole groenten en fruit naar de keuringsdiensten) te financieren;

– de loonbijstelling toe te voegen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
EU-bijdrage overige sectoren 507 241
Ontvangsten visserij (o.a. FIOV) 4 920 4 993
FES-ontvangsten 3 786 6 335
Overige ontvangsten 18 653 1 535
Totaal ontvangsten 27 866 13 104

FES-ontvangsten

De lagere realisatie wordt veroorzaakt doordat:

• er € 0,5 mln. minder uitgaven zijn gedaan ten laste van de FES-instrumenten Plantkundig onderzoek en Luchtkwaliteitsonderzoek dan gepland;

• de € 4,0 mln. ontvangsten die samenhangen met de regeling fijnstofmaatregelen niet gerealiseerd zijn omdat de regeling eind 2009 is opengesteld en pas op zijn vroegst in 2010 tot betalingen zal leiden;

• er ontvangsten zijn gerealiseerd (€ 2,0 mln.) op de nieuwe FES-instrumenten Innovatieagenda Energie en Ketenefficiency, waarvan het budget (en dus ook de ontvangstentaakstelling) nog niet in de ontwerpbegroting 2009 waren opgenomen.

Overige ontvangsten

Het hogere bedrag aan overige ontvangsten is vooral het gevolg van het feit dat bedragen zijn onttrokken aan de interne begrotingsreserves Landbouw (€ 9,3 mln.) en Visserij (€ 4,7 mln.). Daarnaast zijn er ontvangsten in verband met door agrariërs aan banken betaalde provisies in het kader van de regeling garantstelling landbouw (€ 0,9 mln.) en heeft LNV reeds eerder verstrekte subsidievoorschotten terugontvangen (€ 0,8 mln.). Ook de bijdragen van de provincies aan het POP-Betaalorgaan (€ 1,7 mln.) lopen via de ontvangsten op dit artikel.

Toelichting interne begrotingsreserves

Ten algemene geldt voor de drie interne begrotingsreserves:

Het Ministerie van Financiën heeft vooruitlopend op de opheffing van de drie stichtingen (O&S Landbouw, O&S Visserij en Borgstellingsfonds) de bankrekeningen van de stichtingen gekoppeld aan de schatkistrekeningen van LNV die worden aangehouden voor de drie interne begrotingsreserves. Dit betekent dat mutaties op de betreffende bankrekeningen van de drie stichtingen ook leiden tot een mutatie bij de Schatkistrekeningen van de drie begrotingsreserves van LNV. In onderstaande tabellen is dat tot uitdrukking gebracht onder de post overige mutaties. Voor deze post zijn de drie stichtingen nog steeds verantwoordelijk. De stichtingen zullen deze mutaties opnemen in hun jaarrekeningen. De mutaties bestaan voornamelijk uit (rente) ontvangsten, ontvangen provisies en betaalde verliesdeclaraties. In 2010 zal de opheffing van de stichtingen plaatsvinden.

Bedragen in €
  Interne begrotingsreserve Landbouw
Stand 1/1/2009 27 610 918
– onttrekking sneeuwdrukschade (ontvangst voor LNV) – 2 305 785
– onttrekking LNV-concern (ontvangst voor LNV) – 7 000 000
+ overige mutaties 200 244
Stand 31/12/2009 18 505 377

De onttrekking uit de interne begrotingsreserve landbouw is ingezet ter financiering van de Regeling sneeuwdrukschade. Als onderdeel van de Regeling LNV-subsidies is in 2009 een tegemoetkoming in de schade verstrekt aan de boomkwekerijsector als gevolg van sneeuwdruk in 2005. Daarnaast is er € 7 mln. onttrokken om invulling te geven aan een deel van de uitvoeringsproblematiek van LNV.

Bedragen in €
  Interne begrotingsreserve Visserij
Stand 1/1/2009 30 817 120
– onttrekking overdracht personeel Rijksrederij (ontvangst voor LNV) – 1 475 000
– onttrekking LNV-concern (ontvangst voor LNV) – 3 000 000
– onttrekking uitvoeringskosten DR (ontvangst voor LNV) – 200 000
+ overige mutaties 223 889
Stand 31/12/2009 26 366 009

De onttrekking uit de interne begrotingsreserve visserij is bedoeld ter financiering van de overdracht van personeel naar de Rijksrederij. Het personeel van de LNV-Rederij (voormalig onderdeel Directie Visserij) is per 1 juli 2009 overgegaan naar de Rijksrederij. De Rijksrederij is onderdeel van Rijkswaterstaat. Als gevolg van het standaardiseren van de arbeidsvoorwaarden bij de vorming van de Rijksrederij heeft LNV met RWS afgesproken dat de kosten van extra arbeidsvoorwaarden van de voormalige LNV’ers eenmalig door LNV worden afgekocht. Daarnaast is er € 3 mln. onttrokken om invulling te geven aan een deel van de uitvoeringsproblematiek van LNV.

Bedragen in €
  Interne begrotingsreserve Borgstellingsfonds
Stand 1/1/2009 46 105 806
+ storting BF (uitgave voor LNV) 14 300 000
– onttrekking uitvoeringskosten DR (ontvangst voor LNV) – 500 000
– overige mutaties – 908 224
Stand 31/12/2009 58 997 582

De storting in het borgstellingsfonds is gedaan om de innovatieve en duurzame landen tuinbouwsector te stimuleren. LNV heeft per 1 juli 2009 «de garantstelling plus» voor duurzame investeringen verhoogd. Daarnaast is er een garantieregeling voor agrarische bedrijven opengesteld. Agrarische bedrijven met continuïteitsperspectief kunnen in aanmerking komen voor deze garantstelling. De overheid stelt zich voor de helft garant voor de financiering van werkkapitaal.

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 347 622 297 274 33 596
Mutaties Slotwet 2009 18 387 – 10 350 – 5 730
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 366 009 286 924 27 866

Toelichting

De hogere verplichtingenrealisatie wordt grotendeels veroorzaakt door een technische verplichtingenbijstelling. Het beschikbare verplichtingenbudget bij Najaarsnota was niet conform het subsidieplafond van de investeringsregeling duurzame stallen. Verwachting was namelijk dat het plafond niet volledig zou worden benut, hetgeen wel gebeurd is. Daarnaast is zijn er garantstellingen landbouw en werkkapitaal afgegeven.

De lagere uitgavenrealisatie houdt voornamelijk verband met:

• minder vaststellingen op de openstelling 2007 en 2008 van de energieregelingen IRE en MEI, doordat een deel van de aanvragers hun milieuvergunning en/of financiering niet op tijd rondkregen;

• vertraging op enige pilot-projecten herstructurering melkveehouderij;

• het geen doorgang hebben gevonden van enkele grote geplande uitgaven bij de energietransitieprojecten (o.a. de prijsvraag voor het project «Kas als Energiebron»), doordat bij een aantal projecten de onderzoeksresultaten pas in 2010 worden opgeleverd in plaats van 2009 (hetgeen leidt tot latere afwikkeling van betalingen) en een aantal in 2009 verwachte facturen van grote opdrachtnemers (als SenterNovem) pas in 2010 worden ingediend.

De lagere ontvangstenrealisatie houdt voornamelijk verband met het feit dat de ontvangsten voor de huur van mosselpercelen niet zijn gerealiseerd. Dit is veroorzaakt door het op een laat moment in 2009 sluiten van het mosselconvenant. Hierdoor zijn de facturen te laat verzonden om de ontvangsten nog in 2009 te realiseren.

Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

  Onderzoek onderwerp Nummer AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting Duurzaam ondernemen 21 2009 2010
           
Effectenonderzoek ex post Emissiearm bemesten geëvalueerd 21.12 2008 2009 Rapport Planbureau voor de Leefomgeving, 8 april 2009,www.pbl.nl
  Effect evaluatie Innovatieregeling Intensieve Veehouderij 21.13 2009 2009 TK 28 973 nr. 36 (1 juli 2009)
  Evaluatie Visserij Innovatieplatform 21.14 2009 2009 TK 29 675 nr. 83 (28 september 2009)
Overig evaluatieonderzoek Evaluatie Bilaterale Economische Samenwerking (BES) 21.12 2008 2009 Eindrapport EIM, 2009, LNV/AKV
  Evaluatie dierentuinbesluit 21.12 2009 2009 TK 31 700 XIV nr. 139 (1 april 2009)
  Ex-ante evaluatie Landbouw en Kaderrichtlijn Water II 21.12 2009 2010  
  Verkenning Schoon en Zuinig 21.13 2009 2009 TK31 209 nr.77 (29 april 2009)
  Tussentijdse evaluatie schelpdiervisserijbeleid 21.14 2009 2010  

Toelichting

• In 2009 is de beleidsdoorlichting van artikel 21 gestart. Deze wordt in 2010 afgerond en zal met het voorliggend Jaarverslag LNV 2009 aan de Kamer worden aangeboden.

• Effect evaluatie Innovatieregeling Intensieve Veehouderij: Eindrapport bureau Bartels.

• Evaluatie Visserij Innovatieplatform: Eindrapport Witteveen en Bos.

• Evaluatie Dierentuinbesluit: Rapport Research voor Beleid.

• De verkenning Schoon en Zuinig, stand van zaken 2009 is door de minister van VROM aan de Tweede Kamer gestuurd, mede namens LNV, V&W, EZ, WWI en Financiën. De verkenning is opgesteld door het planbureau voor de leefomgeving (www.pbl.nl).

• De afronding van de ex-ante evaluatie Landbouw en Kaderrichtlijn Water II en de tussentijdse evaluatie schelpdiervisserijbeleid is vertraagd en zal in 2010 plaatsvinden.

22 Agrarische ruimte

Agrarische ruimte

kst-32360-XIV-3-8.gif

Omschrijving

LNV streeft naar een toekomstgerichte, concurrerende landbouw als economische drager in het landelijk gebied. Een vitale land- en tuinbouw is als producent van kwalitatief goede en veilige producten en als beheerder van het landelijk gebied van belangrijke economische betekenis voor Nederland. De bedrijven hebben een economisch duurzaam perspectief nodig om deze rol ook in de toekomst te kunnen blijven vervullen. Het Rijk wil daarom de positie van de primaire landbouw versterken door optimale condities te scheppen en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
22 Agrarische ruimte Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 128 838 189 117 83 032 78 037 29 195 48 842
Uitgaven 81 465 42 530 56 950 83 920 70 336 13 584
Programma-uitgaven 72 970 31 771 45 628 72 776 59 400 13 376
22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw 71 507 25 086 24 710 27 493 22 816 4 677
waarvan ILG:            
• Grondgebonden landbouw   16 128 17 539 22 504 21 521 983
• Duurzaam ondernemen         983 – 983
waarvan niet ILG:            
• Landinrichtingsprojecten Landbouw 69 731 8 958 7 171 4 989   4 989
• Grondgebonden Landbouw         312 – 312
• Kavelruil 1 776          
22.12 Ruimte voor niet grondgebonden Landbouw 1 463 6 685 20 918 45 283 36 584 8 699
waarvan ILG:            
• Stidug-projecten   4 467 8 667 7 704 7 704  
• Greenports     11 888 30 592 25 600 4 992
• Verspreid liggend glas       5 000   5 000
waarvan niet ILG:            
• Infrastructuurregeling Glastuinbouw 1 463 2 218 363 1 987 3 280 – 1 293
             
Apparaatsuitgaven 8 495 10 759 11 322 11 144 10 936 208
22.21 Apparaat 188 182 139      
22.22 Baten-lastendiensten 8 307 10 577 11 183 11 144 10 936 208
             
Ontvangsten 70 254 51 142 65 841 70 073 68 782 1 291

Toelichting op de verplichtingen

22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw

De hogere verplichtingenrealisatie houdt naast de hogere kasuitgaven verband met het volgende:

Ter uitvoering van de Nota Ruimte investeert het Kabinet in projecten en gebieden die cruciaal zijn voor de nationale en ruimtelijke hoofdstructuur (Kmst. TK 29 435, nr. 192).

In 2009 zijn in het kader hiervan verplichtingen aangegaan voor het project «Mooi en vitaal Delfland». ad € 34,9 mln. Het meerjarige kasbeslag wordt conform Kabinetsbesluit bij Voorjaarsnota 2010 verwerkt. Deze uitgaven maken deel uit van het Investeringsbudget Landelijk Gebied.

Toelichting op de programma-uitgaven

22.11 Ruimte voor grondgebonden landbouw

Landinrichtingsprojecten Landbouw

In kader van versneld afwikkeling van oude lopende landinrichtingsprojecten doen zich op jaarbasis fluctuaties voor in de uitgaven/ontvangsten van deze projecten. Tegenover deze uitgaven staan ook hogere ontvangsten.

22.12 Ruimte voor niet grondgebonden landbouw

Greenports

Het budget voor de Greenports is in 2009 opgehoogd met € 9 mln. op basis van de motie-Van Geel. Bij Najaarsnota heeft vervolgens een kasschuif van € 4 mln. naar 2010 plaatsgevonden op basis van een inschatting van het benodigde kasritme van de uitgaven voor de greenport Klavertje 4.

Verspreid liggend glas

Vanuit het Aanvullend Beleids Akkoord (ABA) is € 5 mln. extra budget t.b.v. uitgaven voor het opruimen van verspreid liggend glas in Midden-Delfland aan de LNV-begroting toegevoegd. Het budget is via het ILG aan provincies toegekend.

Infrastructuurregeling Glastuinbouw

De lagere realisatie van € 1,3 mln heeft voornamelijk te maken met uitstel van investeringen ten gevolge van de economische situatie.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Landinrichtingsrente 42 317 42 161
Bijdrage van Derden 1 021 1 021
Landelijke vereveningspot inrichting 5 142 0
O&S-fonds IRG 0 0
FES-ontvangsten Greenports 21 593 25 600
Totaal ontvangsten 70 073 68 782

FES-ontvangsten Greenports

Bij Najaarsnota heeft een kasschuif van € 4 mln. naar 2010 plaatsgevonden op basis van een inschatting van het benodigde kasritme van de Greenports-uitgaven. De ontvangstentaakstelling is hierop aangepast.

Landelijke vereveningspot inrichting

Zie uitgaven-Landinrichtingsprojecten Landbouw

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 25 025 79 666 63 588
Mutaties Slotwet 2009 53 012 4 254 6 485
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 78 037 83 920 70 073

Toelichting

De hogere verplichtingenrealisatie wordt veroorzaakt door het aangaan van verplichtingen voor het project «Mooi en vitaal Delfland». Hiervoor was geen verplichtingenbudget beschikbaar. Het meerjarige kasbeslag wordt conform Kabinetsbesluit bij Voorjaarsnota 2010 verwerkt. Deze uitgaven zullen deel uitmaken van het Investeringsbudget Landelijk Gebied. Daarnaast is er bij Voorjaarsnota 2009 is zowel het verplichtingen- als het uitgavenbudget voor 2009 t/m 2011 verhoogd met resp. € 9 mln, € 11 mln. en € 7 mln. in het kader van de motie van Geel voor zgn. Greenportsprojecten. Aangezien de uitgaven voor Greenports deel uit maken van het ILG dienden de verplichtingen die voor 2010 en 2011 geraamd waren conform ILG-systematiek in 2009 te worden vastgelegd.

De hogere uitgaven- en ontvangstenrealisatie worden verklaard doordat er in kader van versneld afwikkeling van oude lopende landinrichtingsprojecten doen zich op jaarbasis fluctuaties voor in de uitgaven/ontvangsten van deze projecten. Tegenover deze uitgaven staan ook hogere ontvangsten.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

In 2009 zijn geen beleidsdoorlichtingen of effectonderzoeken ex post gestart of afgerond.

23 Natuur

Natuur

kst-32360-XIV-3-9.gif

Omschrijving

LNV streeft naar behoud en verbetering van de biodiversiteit in Nederland, zodat de natuur kan bijdragen aan een leefbare samenleving. De natuur brengt in deze samenleving mensen en functies bij elkaar als het gaat om economisch vestigingsklimaat, luchtkwaliteit, gezondheid en recreatie. Door de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur worden de voorwaarden gecreëerd om de biodiversiteit te versterken.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
23 Natuur Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 769 120 2 325 621 327 833 397 951 295 124 102 827
waarvan garanties 75 186 83 134 33 663 83 505 49 021 34 484
Uitgaven 418 103 520 330 558 554 546 221 542 080 4 141
Programma-uitgaven 348 272 447 160 462 214 435 304 466 255 – 30 951
23.11 Verwerven Ecologische Hoofdstructuur 75 080 85 209 76 459 53 595 84 523 – 30 928
waarvan ILG:            
• Verwerven EHS   26 136 34 148   28 533 – 28 533
• Verwerven en inrichten Westerschelde   11 882 17 233 22 324 22 324  
waarvan niet ILG:            
• Verwerven droge EHS 42 257 16 517 2 353 4 333 3 940 393
• Rente en aflossing 21 441 28 939 22 725 26 938 29 726 – 2 788
• Grondwaardebepaling 3 001          
• Natte natuur 8 381          
• NURG en Maaswerken   1 735        
23.12 Inrichten Ecologische Hoofdstructuur 47 373 123 040 144 148 128 003 131 830 3 827
waarvan ILG:            
• Inrichten EHS   66 763 69 753 64 084 64 788 – 704
• Inrichten robuuste verbindingen     16 406 17 304 17 304  
• Milieukwaliteit EHS en VHR   39 790 43 340 34 475 31 309 3 166
waarvan niet ILG:            
• Inrichten EHS 32 777   7 542 5 696 3 752 1 944
• Mainport Rotterdam     6 307 6 433 6 267 166
• Natte natuur 14 596   800 11 8 410 – 8 399
• NURG en Maaswerken   8 030        
• IJsselmeer en Rijkswateren   8 457        
23.13 Beheren Ecologische Hoofdstructuur 164 817 171 093 168 415 172 152 176 997 4 845
waarvan ILG:            
• Programma Beheer   99 113 100 956 106 116 104 579 1 537
• Natuur overig     2 311 2 311 2 311  
waarvan niet ILG:            
• Beheer door SBB 50 493 53 806 52 510 52 940 49 237 3 703
• Beheer door particuliere natuurbeschermingsorganisaties (SN) 57 310          
• Particulier natuurbeheer (SN-functiewijziging) 6 725          
• Agrarisch natuurbeheer (SAN) 47 779          
• Behoud en herstel historische buitenplaatsen. 2 510 2 531 2 476 2 346 3 085 – 739
• Overig beheer   15 643 10 162 8 439 17 785 – 9 346
23.14 Beheer van de natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit 61 002 67 818 73 192 81 554 72 905 8 649
waarvan ILG:            
• Bijdrage nationale parken   4 272 4 222 4 320 4 221 99
• Soorten bescherming   1 240 1 156 2 955 1 156 1 799
• Beheer van natuur buiten EHS   9 859 7 895 8 820 8 619 201
waarvan niet ILG:            
• Gegevens autoriteit natuur   4 771 7 214 9 305 4 000 5 305
• Beheer door SBB 12 504 12 340 11 944 12 956 11 156 1 800
• Bijdrage nationale parken 5 403 1 548 1 657 1 755 1 713 42
• Faunafonds 10 694 9 536 16 235 11 974 8 183 3 791
• Overige nationale bijdragen 30 375 15 432 11 188 16 594 19 320 – 2 726
• Internationale subsidies en contributies 2 026 1 081 1 328 417 1 065 – 648
• Natuurbeschermingswet   3 831 7 260 7 965 10 419 – 2 454
• Soortenbescherming   3 908 3 093 3 093 3 053 40
• Programma Biodiversiteit       1 400   1 400
Apparaatsuitgaven 69 831 73 170 96 340 110 917 75 825 35 092
23.21 Apparaat 7 196 7 214 7 442 11 682 6 955 4 727
23.22 Baten-lastendiensten 62 635 65 956 88 898 99 235 68 870 30 365
Ontvangsten 47 418 15 215 91 834 28 252 26 848 1 404

Toelichting op de verplichtingen

Naast de hogere apparaatsuitgaven hangt de hogere verplichtingenrealisatie samen met het volgende:

Ten behoeve van de realisatie van de robuuste ecologische verbindingszone Oostvaarderswold in 2012 en 2013 zijn in 2009 voor € 28 miljoen meer verplichtingen aangegaan.

Voorts zijn in 2009 verplichtingen aangegaan voor de uitvoering van de leefgebiedenbenadering in het kader van het ILG voor 2010 t/m 2013 ad € 5 mln.

Tenslotte houdt het hogere bedrag aan garantieverplichtingen ad € 34,5 mln. verband met het feit dat de particuliere natuurbeschermingsorganisaties een hoger beroep hebben gedaan op garantieverplichtingen dan was voorzien. Dit houdt verband met het oversluiten van bestaande garantieleningen tegen een gunstig tarief.

Toelichting op de programma uitgaven

23.11 Verwerving

Verwerven EHS:

Bij Voorjaarsnota 2009 is in het kader van het aanvullend beleidsakkoord de kasschuif uitgevoerd voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) op de onderdelen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Recreatie om de Stad (RODS). De totale begroting van het ILG is zowel in 2009 als 2010 met € 100 mln. per jaar verlaagd en in 2011 met € 200 mln. verhoogd. Van de € 100 mln. verlaging in 2009 is 1/3 verwerkt op Verwerven EHS en 2/3 op Recreatie Om De Stad (RODS) artikel 24.13.

23.12 Inrichting

Milieukwaliteit EHS en VHR

Vanuit de begroting van VROM zijn voor de milieukwaliteit EHS de Koopmansgelden ad € 3,1 mln. die bestemd zijn voor extensivering van de melkveehouderij in relatie tot de verdrogingsbestrijding, toegevoegd aan het ILG budget.

Natte natuur

In het kader van de samenwerkingsafspraak Veiligheid en Natte natuur is er in 2009 € 8 mln. overgeheveld naar de begroting van V&W ten behoeve van projecten in het IJsselmeergebied nl. kaderrichtlijnwaterprojecten Westfriese kust, Veluwe randmeer, Markermeer en IJmeer.

23.13 Beheer EHS

Niet ILG/Beheer door SBB

De gerealiseerde bijdrage aan Staatsbosbeheer is hoger uitgevallen dan in de begroting 2009 is opgenomen. De hogere uitgaven houden verband met de uitgekeerde looncompensatie en de definitieve opdrachtverlening 2009.

Behoud en herstel historische buitenplaatsen

De regeling Behoud en Herstel van Historische Buitenplaatsen is met ingang van 2009 herzien. De regeling wordt stapsgewijs afgebouwd. Hierdoor zijn de uitgaven lager uitgevallen.

In het kader van het Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten zullen de uitgaven vanaf 2011 bij het Ministerie van OCW worden verantwoord.

Niet ILG/Overig beheer

In 2009 is een amendement op de begroting verwerkt voor de financiering van de weidevogels (amendement 31 700 XIV, nr. 116 Jacobi en Atsma). De uitfinanciering zal echter ook voor een deel in 2010 plaatsvinden waardoor de realisatie lager is uitgevallen.

Tevens is een amendement op de begroting verwerkt ten behoeve van het onderhoud en beheer van rietland in de Wieden en Weerribben door rietsnijders waarvan de uitfinanciering eveneens over meerdere jaren zal plaatsvinden (amendement 31 700 XIV, nr. 55 Cramer).

23.14 Beheer van de natuur buiten EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit

ILG Soortenbescherming

Voor de uitvoering van de leefgebiedenbenadering is een aanvullend bedrag van € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld aan de provincies ten behoeve van een actief soortenbeleid dat zich richt op de instandhouding van bedreigde soorten die in onvoldoende mate gered kunnen worden door de maatregelen in het gebiedsgericht natuurbeleid.

Gegevensautoriteit Natuur

Het oorspronkelijke budget voor 2009 van de Gegevensautoriteit Natuur is in 2009 opgehoogd met het budget voor Monitoring (NEM), budget voor verspreidingsonderzoek van Natura 2000 en opdachten van derden. De uitfinanciering van de aangegane ontwikkelopdrachten in 2007 en 2008 hebben ook tot een hogere realisatie van de uitgaven geleid.

Faunafonds

Op het onderdeel faunafonds is € 3,8 mln. meer uitgegeven als gevolg van een groter aantal schade-uitkeringen. De onderliggende prestatiegegevens worden toegelicht in het jaarverslag van het Faunafonds.

Natuurbeschermingswet:

De lagere uitgavenrealisatie houdt verband met het feit dat in het budget een voorziening is opgenomen voor uitvoeringkosten van Dienst Regelingen, de Gegevensautoriteit en de Dienst Landelijk gebied.

Programma Biodiversiteit

Ten behoeve van het interdepartementale programma Biodiversiteit zijn in 2009 € 1,4 mln. uitgaven gedaan. Hiervan zijn voor € 0,8 mln. bijdragen ontvangen van het ministerie van VROM en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit programma is gericht op een duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen

U23.21 Apparaat:

De hogere apparaatskosten worden naast de loonbijstelling 2009 veroorzaakt doordat de apparaatskosten van de directie Platteland per 1 augustus 2009, die voorheen begroot en verantwoord werden op OD24.21, zijn overgeheveld naar OD23.21.

U23.22 Baten en Lastendiensten:

Dienst Regelingen

De bijdrage aan Dienst Regelingen is circa € 25 mln. hoger dan oorspronkelijk begroot. De hogere bijdrage houdt grotendeels verband met hogere uitvoering- en controlekosten voor Programma Beheer, voorbereidingskosten voor de nieuwe regeling SNL (Subsidieregeling Natuur en Landschap) en de loon/prijscompensatie voor 2009. Daarnaast zijn er extra werkzaamheden uitgevoerd omdat de EU het overgangsrecht voor aanvragen voor de ganzenregeling van 2007 naar 2008 niet heeft goedgekeurd.

Dienst Landelijk Gebied

De hogere bijdrage aan de Dienst Landelijke Gebied houdt voornamelijk verband met extra werkzaamheden bij het opstellen van beheersplannen in het kader van Natura 2000 en de toegekende looncompensatie voor 2009.

Algemene Inspectie Dienst

Als gevolg van een audit van de Europese Commissie op het perceelsregistratiesysteem Bedrijfstoeslag Rechten (BTR) heeft de AID in 2009 voor zowel de BTR als Programma Beheer meer metingen moeten verrichten dan begroot. De Europese Commissie constateerde dat de BTR niet aan nauwkeurigheidseisen van de EC voldeed: het systeem van «zichtcontroles» werd afgewezen.

Ontvangsten:

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
EU-bijdragen 635 2 096
Opbrengst jachtakten 986 1 031
Bijdragen van derden 25 440 23 159
Overige 1 191 562
Totaal 28 252 26 848

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 376 784 561 806 30 014
Mutaties Slotwet 2009 21 167 – 15 585 – 1 762
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 397 951 546 221 28 252

Toelichting

Verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt verband met aangegane garantieverplichtingen. Deze houden verband met het feit dat de particuliere natuurbeschermingsorganisaties een hoger beroep hebben gedaan op garantieverplichtingen dan was voorzien. Dit hangt samen met het oversluiten van bestaande garantieleningen tegen een gunstig tarief.

Uitgaven

De lagere uitgavenrealisatie wordt voornamelijk veroorzaakt doordat in 2009 op het «ganzenonderdeel» van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) € 7,3 mln. is overgebleven. Dit houdt verband met een herstelactie ganzenaanvragen 2007 en 2008. Deze aanvragen waren nl. niet EU-conform. Omdat deze herstelactie langer duurt dan voorzien (bij Najaarsnota) worden de vergoedingen pas in 2010 uitbetaald.

Voorts heeft LNV in het kader van de samenwerkingsafspraak Veiligheid en Natuur middelen beschikbaar gesteld aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor de uitvoering van diverse ICES-natte natuurprojecten.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Onderzoek Onderwerp Nummer AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting IBO Natuur 23 2008 2010 TK 31 588, nr. 3(8 maart 2010)
           
Effectenonderzoek ex-post Meerjarenprogramma Ontsnippering 23.11 2007 2009 TK 29 652 nr. 3 (6 oktober 2009)
           
Overig evaluatieonderzoek Evaluatie winterganzenopvang 23.14 2007 2009 TK 29 446 nr. 68 (1 oktober 2009)
  Evaluatie van Staatsbosbeheer 23.13/14 2008 2009 TK 29 659 nr. 37 (10 september 2009)
  Natuurbalans 2009 23 2008 2009 Rapport Planbureau voor de leefomgeving, 9 september 2009www.pbl.nl
  EHS Groot project 2008 23 2009 2009 TK 30 825 nr. 49 (18 september 2009)

Toelichting

• Het IBO Natuur onderzoekt hoe de biodiversiteit zo doeltreffend en efficiënt mogelijk zeker kan worden gesteld.

• Meerjarenprogramma Ontsnippering: rapport Twijnstra Gudde

• De Natuurbalans is een jaarlijkse rapportage van het Planbureau voor de leefomgeving. De ontwikkeling van de kwaliteit van natuur en landschap wordt in het licht bezien van het gevoerde beleid.

• EHS Groot project 2008: Dit is de tweede voortgangsrapportage in het kader van groot project Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Deze rapportage heeft betrekking op het jaar 2008. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het besluit van Tweede Kamer van 26 april 2007 om de EHS aan te wijzen als groot project (TK 30 825, nr. 5).

24 Landschap en Recreatie

Landschap en Recreatie

kst-32360-XIV-3-10.gif

Omschrijving

Het landschap heeft belangrijke waarden voor de samenleving. Nederlanders maken zich dan ook zorgen over de achteruitgang van het landschap. De verschillende landschappen hebben een eigen identiteit en kwaliteit en vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische, architectonische, ecologische, recreatieve en esthetische waarden. Een aantrekkelijk landschap biedt volop kansen voor welzijn en economie. Het Rijk wil het Nederlands landschap in al zijn diversiteit voor de toekomst behouden en ontwikkelen, met daarbij speciale aandacht voor de Nationale landschappen.

Het aanbod en de diversiteit van gebieden en plaatsen voor dagrecreatie is niet toereikend om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte en wens om te ontspannen. De toegankelijkheid van het landelijk gebied voor recreatief gebruik is nog onvoldoende en staat bovendien onder grote druk met name in de Randstedelijke gebieden. Daarom wil het Rijk het landelijk gebied aantrekkelijk en toegankelijk maken voor dagrecreatie. Het accent in het beleid ligt op het creëren van dagrecreatiemogelijkheden met name in en om steden, de Nationale Landschappen en de verbetering van de recreatieve toegankelijkheid door middel van het realiseren van landelijke routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen. Verder zal het aanleggen van wandelpaden over boerenland worden gestimuleerd. Daarnaast is ruimte voor recreatief ondernemerschap ter vergroting en versterking van het aanbod van recreatieve voorzieningen.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
24 landschap en Recreatie Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 244 588 685 225 96 160 189 377 82 351 107 026
Uitgaven 164 626 180 276 193 151 124 882 184 483 – 59 601
Programma-uitgaven 130 841 146 768 152 986 83 705 146 899 – 63 194
24.11 Nationale Landschappen 26 281 15 922 14 321 20 888 24 671 – 3 783
waarvan ILG:            
• Nationale landschappen   12 954 12 913 18 753 18 613 140
waarvan niet ILG:            
• Toegankelijkheid nationale landschappen 1 339          
• Versterking, beheer en behoud landschapskwaliteiten 9 718   536 507 4 117 – 3 610
• Cultuurhistorie/Belvedere       29 440 – 411
• Monitoring, onderzoek en communicatie 512 2 968 872 1 599 1 501 98
• Landinrichting 14 712          
24.12 Landschap Algemeen 12 276 5 728 7 432 4 819 5 677 – 858
waarvan ILG:            
• Landschap generiek   2 874 2 618 918 918  
• Nieuwe Hollandse Waterlinie       400   400
waarvan niet ILG:            
• Agenda Landschap       1 988 3 000 – 1 012
• Projectfinanciering 3 772 2 854 4 814 1 513 1 759 – 246
• Inrichting, verbeteren ruimtelijke natuur 8 504          
24.13 Groen en de Stad 49 729 84 994 92 188 20 143 80 503 – 60 360
waarvan ILG:            
• Leefbaarheid     10 000      
• Groen en de Stad (grootschalig groen)   82 244 76 817 13 550 70 764 – 57 214
waarvan niet ILG:            
• Verwerving Groen en de stad 38 004          
• Beheer Groen en de stad     2000 3 000 3 000  
• Inrichting recreatie in en om de stad 8 811          
• Kaderwet LNV projectbijdrage 2 914 2 750 3 111 3 100 3 739 – 639
• Groene partners         2000 – 2000
• Netwerk veelzijdig platteland     260 493 1 000 – 507
24.14 Recreatie algemeen 42 555 40 124 39 045 37 855 36 048 1 807
waarvan ILG:            
• Groene hart impuls   10 582        
• Toegankelijkheid     6 481 3 569 3 569  
• Routenetwerken     5 466 5 596 5 236 360
waarvan niet ILG:            
• Routenetwerken 5 301 336     300 – 300
• Groene hart impuls 2 964          
• Kennis en deskundigheid voor recreatie 1 818 1 653 1 801 2 566 1 694 872
• Staatsbosbeheer voor recreatieve voorzieningen 20 919 21 044 24 019 24 388 24 196 192
• Midden-Delfland & Grevelingen 8 534 1 072 1 278 1 736 1 053 683
• Inrichting voor toegankelijkheid buiten nationale landschappen 3 019          
Apparaatsuitgaven 33 785 33 508 40 165 41 177 37 584 3 593
24.21 Apparaat 5 456 5 521 5 688 6 173 4 576 1 597
24.22 Baten-lastendiensten 28 329 27 384 34 477 35 004 33 008 1 996
Ontvangsten 8 057 23 490 32 414 38 540 28 559 9 981

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt verband met het volgende:

Vanuit het FES worden middelen toegevoegd aan de LNV-begroting voor het project Nieuwe Hollandse Waterlinie (€ 35 mln.). Dit project beoogt het voormalige verdedigingsstelsel een nieuwe maatschappelijke functie te geven door de forten te verbeteren en te laten aansluiten op nutsvoorzieningen en door infrastructurele barrières weg te nemen. De verplichtingen zijn in 2009 aangegaan.

LNV heeft op grond van de bestuursovereenkomst ILG 2009 afspraken gemaakt met provincie Noord-Holland over de realisatie van 500 ha groen in de Haarlemmermeer in het kader van PASO (Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving). De middelen zijn vanuit het Groenfonds meerjarig overgeheveld naar de LNV-begroting waarbij de verplichtingen ad € 26 mln. geheel in 2009 zijn aangegaan.

Ter uitvoering van de Nota Ruimte investeert het Kabinet in projecten en gebieden die cruciaal zijn voor de nationale en ruimtelijke hoofdstructuur (Kmst. TK 29 435, nr. 192).

In 2009 zijn in het kader hiervan verplichtingen aangegaan voor het project«Westflank Haarlemmermeer ». ad € 48 mln. Het meerjarige kasbeslag wordt bij Voorjaarsnota 2010 verwerkt.

Toelichting op de programma-uitgaven

24.11 Nationale landschappen

Niet ILG/Versterking, beheer en behoud landschapskwaliteiten

De lagere uitgaven houden hoofdzakelijk verband met het volgende:

In het jaar 2009 zijn in het kader van de nulmeting op kaart afspraken gemaakt over Bos en Landschap en de realisatie van de hierbij gestelde doelen. In verband hiermee was het niet relevant om in 2009 extra gronden te verwerven.

Voorts zijn de uitvoeringskosten voor de subsidieregeling «Belvedère», die door DLG zijn uitgevoerd, verantwoord op OD24.22.

24.13 Groen en de stad

ILG/Groen en de stad

Het Kabinet heeft in het aanvullend beleidsakkoord besloten een kasschuif uit te voeren voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) op de onderdelen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Recreatie om de Stad (RODS). De totale ILG-begroting wordt zowel in 2009 als 2010 met € 100 mln. per jaar verlaagd en in 2011 verhoogd met € 200 mln. 70,8 mln. minder uitgegeven.

Van de € 100 mln. verlaging in 2009 is 1/3 verwerkt op Verwerven EHS (artikel 23.11) en 2/3 op het onderhavige artikel.

Niet ILG/Groene partners

De uitgaven voor «Groene Partners» zijn uitgekeerd aan de betreffende steden door het Ministerie van Binnenlandse Zaken via de systematiek van de verzameluitkering. Deze regeling beoogt medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk en het beperken van administratieve lasten bij het Rijk. De uitgaven zijn verantwoord op OD29.13 Verzameluitkering.

24.14 Recreatie algemeen

Niet ILG/Midden-Delfland & Grevelingen

Op het instrument Midden-Delftland & Grevelingen is meer uitgegeven gezien het feit dat er nog een BTW compensatie moest plaatsvinden over de jaren 2007 t/m het derde kwartaal 2009.

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

De hogere uitgavenrealisatie op 24.21 houdt verband met éénmalige uitgaven voor het gebruik van topografische en kadastrale gegevens in het kader van wettelijke basisregistraties.

De hogere bijdrage aan de baten-lastendiensten wordt voornamelijk veroorzaakt door uitvoeringskosten van de subsidieregeling Belvedère door de Dienst Landelijk Gebied.

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Overige 38 540 28 559
Totaal ontvangsten 38 540 28 559

Toelichting

De hogere ontvangsten worden voornamelijk veroorzaakt door ontvangsten van het Groenfonds ten behoeve van het Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving (PASO).

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 145 935 126 229 41 909
Mutaties Slotwet 2009 43 442 – 1 347 – 3 369
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 189 377 124 882 38 540

Toelichting

Verplichtingen

Ter uitvoering van de Nota Ruimte investeert het Kabinet in projecten en gebieden die cruciaal zijn voor de nationale en ruimtelijke hoofdstructuur (Kmst. TK 29 435, nr. 192). In 2009 zijn in het kader hiervan later in het jaar verplichtingen aangegaan voor het project «Westflank Haarlemmermeer».

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Onderzoek Onderwerp Nummer AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Overig evaluatieonderzoek Evaluatie van Staatsbosbeheer 24.14 2008 2009 TK 29 659 nr. 37 (10 september 2009)

Toelichting

• In 2009 zijn geen beleidsdoorlichting of efffectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid

Voedselkwaliteit en Diergezondheid

kst-32360-XIV-3-11.gif

Omschrijving

LNV streeft naar een kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod, een verantwoord consumptiepatroon en een hoog gezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel.

Deze doelstelling richt zich op een verantwoorde productie en consumptie van voedsel. Dierhouders, producenten en consumenten hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Dierhouders en producenten van voedsel zijn primair verantwoordelijk voor het waarborgen van de diergezondheid, voedselveiligheid en voedselkwaliteit. Consumenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om op een zorgvuldige en veilige manier met voedsel en waarden rond voedsel om te gaan. LNV heeft als taak om – veelal in internationaal en Europees verband – eisen en randvoorwaarden te stellen waar binnen partijen hun verantwoordelijkheid kunnen invullen.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
25 Voedselkwaliteit en Diergezondheid Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 150 058 115 479 138 233 112 906 101 419 11 487
Uitgaven 148 196 110 588 136 807 107 538 102 637 4 901
Programma-uitgaven 65 215 30 365 45 797 30 723 48 257 – 17 534
25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon 42 069 17 669 21 134 21 624 27 226 – 5 602
• Risicomanagement 1 034 575 1 310 1 792 3 147 – 1 355
• Voedselveiligheid 1 978 3 942 2 933 2 205 2 980 – 775
• Consument, transparantie en ketenomkering 3 152 4 149 3 774 3 596 4 429 – 833
• Destructie 35 414 8 811 12 530 13 430 16 000 – 2 570
• Biotechnologie 121 23 170 148 240 – 92
• Overig 370 169 417 453 430 23
25.12 Handhaven diergezondheidsniveau 23 146 12 696 24 663 9 099 21 031 – 11 932
• Preventieve diergezondheid 511 150 261 187 250 – 63
• I&R 4 183 1 604 307 225 1 460 – 1 235
• Monitoring, early warning en bewaking 3 135 4 797 4 771 2 444 6 200 – 3 756
• Handhaving veterinaire veiligheid 313 2 595 2 700 2 231 3 800 – 1 569
• Crisisorganisatie en -management 1 872 2 817 15 358 2 270 9 321 – 7 051
• Overig (BSE, BTW-varkenspest, Vogelpest (AI), schikking fokverbod KVP, overig) 13 132 733 1 266 1 742   1 742
Apparaatsuitgaven 82 981 80 223 91 010 76 815 54 380 22 435
U25.21 Apparaat 6 283 6 719 6 294 6 878 6 325 553
U25.22 Baten-lastendiensten 76 698 73 504 84 716 69 937 48 055 21 882
Ontvangsten 18 397 11 056 20 905 9 162 10 347 – 1 185

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt voornamelijk verband met het feit dat in 2008 in het kader van CBRN-weerstandsverhoging (Chemisch, Biologisch, Radiologisch en Nucleair) minder verplichtingen zijn aangegaan. Deze verplichtingen zijn ten laste van 2009 gebracht.

Toelichting op de programma-uitgaven

Algemeen

Lagere storting in het Diergezondheidsfonds

De geplande storting in het DGF vanuit de LNV bijdrage in kader convenant DGF bleek niet nodig aangezien het nog aanwezige saldo in DGF toereikend was. Dit heeft geleid tot een lagere realisatie op de verschillende instrumenten van artikel 25.

Operationele doelstelling Instrument Bedrag
25.11 Destructie – 2,0 mln.
25.12 Monitoring, early warming en bewaking – 1,5 mln.
25.12 Handhaving veterinaire veiligheid – 0,9 mln.
25.12 Crissisorganisatie en management – 2,6 mln.

25.11 Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon

Risicomanagement

De lagere realisatie wordt deels verklaard door minder uitgaven in het kader van CBRN-weerstandsverhoging. Op een deel van de verplichte activiteiten in kader van CBRN project Security Onderzoeks en Kennisinstellingen zijn in 2009 nog geen verzoeken tot (voorschot) betaling binnengekomen. Voorts is een deel van de uitvoeringskosten CBRN verantwoord in de bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst.

Destructie

De lagere uitgaven worden veroorzaakt doordat een deel van het destructiebudget aangemerkt is als uitvoeringskosten en is verantwoord in de bijdrage aan Dienst Regelingen.

Voedselveiligheid en Consument, transparantie en ketenomkering

De beleidsactiviteiten die voortkomen uit de nota Duurzaam Voedsel hebben vertraging opgelopen.

De voornaamste oorzaak hiervan is een latere behandeling in de Tweede Kamer van de Nota dan was voorzien. Daardoor zijn ook de activiteiten in het kader van deze Nota later gestart.

25.12 Handhaven diergezondheidsniveau

I&R

De lagere realisatie houdt verband met het feit dat de ontwikkelkosten voor het nieuwbouwsysteem I&R Schapen en Geiten zijn verantwoord in de bijdrage van de Dienst Regelingen.

Monitoring, early warning en bewaking, Handhaving veterinaire veiligheid en Crisisorganisatie en management

De lagere realisatie houdt verband met het feit dat voor de extra controles van passagiers en passagiersbagage die de Douane uitvoert om de insleep van dierziekten te voorkomen budget is overgeheveld naar het Ministerie van Financiën. Voorts wordt een deel van het begrote bedrag voor crisisorganisatie en management pas in 2010 gerealiseerd heeft een budgetoverheveling plaats gevonden naar artikel 26 inzake een onderzoeksproject op het gebied van diergezondheid (Rift Valley Fever).

Overig, AI onderzoek Indonesië

De uitgaven houden verband met het meerjarige onderzoeksproject ter voorkoming van AI in Indonesië. Tegenover de extra uitgaven staan extra ontvangsten van het ministerie van Buitenlandse zaken, die hoofdfinancier van dit project is.

25.22 Baten-lastendiensten

De hogere bijdrage houdt verband met hogere uitgaven voor de Voedsel en Waren Autoriteit voor verwachte leegstandskosten panden van de fusiediensten (€ 7,7 mln.), uitstel tariefsstijging retributies en gederfde inkomsten roodvleesconvenant (€ 7,5 mln.) en reorganisatiekosten (€ 2 mln.).

Verder is de bijdrage aan de Dienst Regelingen verhoogd voor de ontwikkeling van het nieuwbouwsysteem I&R Schapen en Geiten (zie ook toelichting bij de programma uitgaven I&R), extra uitvoeringsopdrachten, gestegen lonen en extra uitgaven voor ICT-projecten.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
EU-bijdrage blue tongue vaccinatie 6 111 9 100
Uitvoering I&R runderen 600 600
BSE-laboratoria 571 430
Overig 1 880 217
Totaal 9 162 10 347

Toelichting

EU-bijdrage blue tongue vaccinatie

De EU-bijdrage voor de Blue Tongue vaccinatie voor 2009 bedraagt € 6,1 mln.

Overig

De extra ontvangsten houden voornamelijk verband met de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verstrekte middelen voor de financiering van het AI Indonesië project. Zie ook toelichting onder «Overige uitgaven».

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 101 917 101 305 3 375
Mutaties Slotwet 2009 10 989 6 233 5 787
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 112 906 107 538 9 162

Toelichting

Verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt naast de hogere uitgaven verband met het volgende.

Bij 2e suppletore begroting is een budgetverlaging verwerkt op de uitgaven en verplichtingen in verband met het niet plaats vinden van een storting in het Diergezondheidsfonds in verband met een toereikend saldo. De verlaging had alleen verwerkt moeten worden op de uitgaven.

Uitgaven

De hogere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door een hogere bijdrage aan de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Vanwege de fusie van de VWA met de AID en de PD zullen er panden gesloten worden. De huurkosten zullen echter nog doorlopen tot aan het eind van de periode van de afgesloten contracten. Hiertoe dient de VWA een huisvestingsvoorziening op te nemen voor het bedrag van de leegstandskosten over de periode 2010 t/m 2016.

Ontvangsten

De hogere ontvangsten houden verband met de EU-bijdrage in de kosten van de Blue-Tongue vaccinatiecampagne.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Onderzoek Onderwerp Nummer AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting Voedselkwaliteit en Diergezondheid 25 2008 2009 TK 31 104 nr. 2 (29 april 2009)
           
Overig evaluatieonderzoek Effecten van de openbaarmaking controlegegevens door de VWA 25.11 2009 2009 TK 26 991 nr. 276 (10 december 2009)

Toelichting

De evaluatie «Effecten van de openbaarmaking controlegegevens door de VWA» is uitgevoerd in opdracht van LNV/VWS.

26 Kennis en Innovatie

Kennis en Innovatie

kst-32360-XIV-3-12.gif

Omschrijving

Het artikel richt zich op ontwikkeling en ontsluiting van voor beleid, samenleving en bedrijfsleven relevante kennis en het onderhouden van voorzieningen voor onderwijs aan (toekomstige) beroepsbeoefenaren.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
26 Kennis en Innovatie Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 922 439 980 764 1 030 041 1 032 653 962 405 70 248
Uitgaven 889 507 914 919 984 949 1 016 534 977 197 39 337
Programma-uitgaven 875 442 900 736 970 681 1 002 263 963 889 38 374
26.15 Kennisontwikkeling en innovatie 170 638 160 982 194 178 184 157 172 970 11 187
• DLO onderzoeksprogramma’s 92 608 80 952 110 715 94 678 74 580 20 098
• DLO wettelijke onderzoekstaken 60 343 56 914 54 250 52 414 52 554 – 140
• Niet-DLO onderzoeksprogrammering 1 806 3 096 3 559 4 142 9 235 – 5 093
• Groene Kenniscoöperatie 2 733 3 922 3 348 4 335 4 280 55
• School als kenniscentrum     5 000 5 000 5 000 0
• Regeling Kennisverspreiding Innovatie Groen Onderwijs 3 755 5 638 4 672 5 407 8 609 – 3 202
• Bijdrage InnovatieNetwerk 3 108 3 227 2 840 3 102 3 925 – 823
• Innovatiesubsidies     789 5 181 1 781 3 400
• Kenniskringen/lerende netwerken   1 891 2 155 1 672 1 990 – 318
• Kennisverspreidings projecten 6 285 5 342 5 674 3 930 6 016 – 2 086
• Natuur en milieueducatie     1 175 4 296 5 000 – 704
26.16 Waarborgen en vernieuwen onderzoek en onderwijs 704 804 739 754 776 504 818 106 790 919 27 187
• Bekostiging DLO Kennisbasis 39 806 43 189 48 286 44 378 46 584 – 2 206
• Bekostiging WU 140 684 147 733 154 283 159 589 153 402 6 187
• Bekostiging HBO-groen 53 935 57 226 59 960 63 453 61 006 2 447
• Bekostiging MBO-groen 117 521 125 224 140 813 149 601 118 120 31 481
• Bekostiging VOA 7 926 8 307 9 010 9 102 9 008 94
• Bekostiging VMBO-groen 268 659 269 439 293 247 292 916 315 013 – 22 097
• Bekostiging Aequor4 5 192 7 657 7 829 8 125 7 317 808
• Basisfinanciering overige kennisinstellingen 371 2 022 – 1 651 1 029 2 067 – 1 038
• Subsidies ondersteuningsstructuur 3 827 7 236 9 034 10 981 6 839 4 142
• Praktijkleren 27 380 34 270 21 501 28 628 33 077 – 4 449
• Vernieuwing onderzoeksinfrastructuur 2 532 6 465 11 820 11 636 14 360 – 2 724
• Ontwikkeling kennisbeleid 8 173 8 139 5 416 7 938 7 076 862
• OCW-conforme onderwijs subsidies 28 803 24 869 14 935 30 730 17 050 13 680
             
Apparaatsuitgaven 14 065 14 183 14 267 14 271 13 308 963
26.21 apparaat 13 205 13 146 13 030 12 570 12 625 – 55
26.22 baten- lastendiensten 860 1 037 1 237 1 701 683 1 018
             
Ontvangsten 29 269 29 269 45 391 27 375 23 894 3 481

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie hangt met name samen met:

• de hogere uitgavenrealisatie ad € 39 mln. (voor toelichting zie uitgaven).

• het verhogen van de toekenning 2010 voor de bekostiging van onderwijs- en onderzoeksinstellingen in verband met loon- en prijsbijstelling 2009. (€ 27,9mln.).

Toelichting op de programma-uitgaven

26.15 Kennisontwikkeling en innovatie

DLO onderzoeksprogramma’s

De hogere uitgavenrealisatie (€ 20,1 mln.) houdt verband met uitvoering van diverse projecten door DLO op het gebied van dierenwelzijn, verduurzaming en bemesting waarvoor bij 1e en 2e suppletore wet budgetten vanuit de betrokken begrotingsartikelen zijn overgeheveld naar DLO-onderzoeksprogramma’s.

Uitgavenrealisatie 2009

DLO onderzoeksprogramma’s (bedragen x 1000)
  Uitgaven Begroting 2009 Verschil
Vitaal landelijk gebied 8 046 8 487 – 441
Ecologische hoofdstructuur 8 681 7 137 1 544
Economisch perspectiefvolle agroketens 9 047 6 708 2 339
Biologische landbouw 8 969 8 797 172
Mineralen en milieukwaliteit 14 166 5 059 9 107
Plantgezondheid 13 665 14 136 – 471
Verduurzaming productie en transitie 16 734 10 771 5 963
Voedselkwaliteit, -veiligheid en diergezondheid 6 608 4 438 2 170
Kennis 1 447 1 461 – 14
Internationale samenwerking 7 315 7 586 – 271
Totaal 94 678 74 580 20 098

Additionele projecten met als gevolg meeruitgaven bij Mineralen en milieukwaliteit waren onder andere Uitbreiding van het landelijk meetnet effecten mestbeleid, Effectiviteit bemestingsvrije perceelsranden en Monitoring stroomgebieden.

Additionele projecten met als gevolg meeruitgaven bij verduurzaming productie en transitie waren onder andere Ondersteuning werkzaamheden van de Taskforce multifunctionele landbouw, Kenniskringen Visserij en Melkvee-akademie.

DLO wettelijke onderzoekstaken
  Bedragen x € 1 000
Besmettelijke dierziekten 13 040
Voedselveiligheid 15 360
Genetische bronnen 2 050
Natuur en milieu 9 131
Visserij 5 777
Economische informatie 7 056
Totaal 52 414

Niet DLO-onderzoeksprogrammering

De lagere uitgavenrealisatie wordt voor € 3 mln. veroorzaakt doordat enkele projecten zijn uitgevoerd via de begrotingsonderdelen DLO onderzoeksprogramma’s en Innovatiesubsidies. Daarnaast is er sprake van vertraging van € 1,9 mln. bij het formuleren van programma’s van eisen voor in 2009 aangemelde projecten waardoor de aanbesteding van de projecten over de jaargrens heen loopt.

Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

De lagere uitgavenrealisatie is voor € 2 mln. een gevolg van minder aanvragen door begunstigden voor nieuwe projecten. Daarnaast hebben zich vertragingen voorgedaan bij de uitvoering door de instellingen van lopende projecten met als gevolg lagere declaraties ad € 1,2 mln. Gevolg is dat de met die projecten beoogde resultaten iets later worden bereikt.

Innovatiesubsidies

De hogere uitgaven zijn een gevolg van additionele projecten waarvoor budgetten van andere onderdelen van artikel 26 aan dit begrotingsonderdeel zijn toegevoegd. Grote projecten in dit kader waren: Alternatieven voor antibiotica, Natuurvriendelijk werken en Innovatieprogramma biodiversiteit.

26.16 Waarborgen en vernieuwen onderzoek en onderwijs

Bekostiging (WU, HBO, MBO, VMBO)

De hogere uitgaven zijn een gevolg van de loon- en prijsbijstelling in 2009.

Daarnaast is het budget bekostiging vmbo verlaagd ten gunste bekostiging mbo. Voor € 12,5 mln. betreft het een technische verschuiving van het wachtgeldbudget. Daarnaast wordt € 11 mln. veroorzaakt door stijging van mbo-leerlingaantallen, dit wordt gecompenseerd door een daling bij het vmbo.

Praktijkleren

De lagere uitgavenrealisatie is een gevolg van minderuitgaven en taakstellingen op dit onderdeel.

Bekostigde aantallen binnen het groene onderwijs in 2009

Instrument Type studenten/getuigschriften/promoties Aantallen Prijs per eenheid Bedrag
Bekostiging WU Eerstejaars 1 074 3 720 3 995 280
  Ongedeelde getuigschriften 123 42 430 5 218 890
  Bachelor getuigschriften 317 23 774 7 536 358
  Master getuigschriften 627 18 656 11 697 312
  Promoties 251 90 000 22 590 000
  Vaste componenten     108 551 723
Bekostiging HBO-groen studenten 7 715 8 225 63 453 000
Bekostiging MBO-groen studenten beroepsopleidende leerweg 16 965 6 157 104 451 682
  studenten beroepsbegeleidende leerweg 9 238 3 581 33 080 996
  vaste componenten     12 068 322
Bekostiging VOA VOA leerlingen nivo 1 2 206 1 989 4 387 205
  VOA leerlingen nivo 2 5 925 796 4 713 361
Bekostiging VMBO-groen leerlingen VMBO/ VBO 19 652 6 922 136 031 114
  leerlingen VMBO / LWOO 14 901 10 472 156 073 074
  Vaste componenten     808 705
Praktijkleren Studenten MBO 26 203 563 14 745 000
  Studenten HBO 7 715 349 2 696 000
  Studenten WU 5 143 32 167 000
  Vaste componenten (IPC’s)     11 020 000

Vernieuwing onderzoeksinfrastructuur

Er is € 2,7 mln. minder besteed als gevolg van aanpassing van het kasritme van lopende FES-projecten. De uitgaven lopen achter in verband met vertraging in de aanloop van de projecten. De middelen die in 2009 minder zijn besteed worden in de volgende jaren ingezet.

Ontwikkeling kennisbeleid

De hogere uitgaven zijn een gevolg van diverse additionele opdrachten, projecten in dit kader waren MRSA en emerging zoönosen (€ 0,3 mln.), Kennisarena leefomgeving (€ 0,3 mln.), Biologische aardappelveredeling en Kennisnetwerk biologische landbouw (€ 0,3 mln.).

OCW-conforme onderwijssubsidies

De hogere uitgaven zijn vooral een gevolg van additionele projecten in lijn met het crisispakket van het Kabinet en onderwijsvernieuwing OCW. Het betreft een Bouwimpuls voor onderwijsinstellingen (€ 10 mln.), Groene plus lectoren binnen het hoger onderwijs (€ 1 mln.), stimulansen voor Culturele diversiteit (€ 1,0 mln.) en Aansluiting binnen bachelor-masterstructuur (€ 0,7 mln.). Aan het Cfi heeft er een nabetaling van € 1 mln. plaatsgevonden voor de uitvoering van regelingen in 2008. Dit was met name bestemd voor de regeling Maatschappelijke stage.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Rente en aflossing over de verstrekte lening aan de Stichting DLO inzake aankoop van grond en gebouwen 8 989 8 802
FES-ontvangsten 13 672 15 000
Overige ontvangsten 4 714 92
Totaal ontvangsten 27 375 23 894

FES-ontvangsten

Er is € 1,3 mln. minder ontvangen als gevolg van lagere declaraties in verband met aanpassing van het kasritme van lopende FES-projecten. De uitgaven lopen achter in verband met vertraging in de aanloop van de projecten. De middelen die in 2009 minder zijn gedeclareerd kunnen in de komende jaren worden ontvangen.

Overige ontvangsten

Er is € 1,8 mln. aan EU-ontvangsten gerealiseerd waarvan € 1,3 mln. in verband met de uitbreiding van de WOT Visserij. Er is € 1 mln. ontvangen van Stoas in verband met de afhandeling van een terugvordering. Aan projectbijdragen werd € 0,2 mln. gerealiseerd. De resterende € 1,5 mln. betreft eindafrekeningen van in eerdere jaren te veel toegekende bedragen.

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 999 779 1 018 488 30 196
Mutaties Slotwet 2009 32 874 – 1 954 – 2 821
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 1 032 653 1 016 534 27 375

Toelichting

De hogere verplichtingenrealisatie wordt veroorzaakt doordat de loon- en prijsbijstelling 2009 naast voor 2009 ook voor 2010 moest worden vastgelegd.

De lagere uitgaven- en ontvangstenrealisatie is voor het grootste gedeelte het gevolg van vertraging in de uitvoering op verschillende FES programma’s. Het betreft de programma’s Aviaire Influenza, Technologisch Topinstituut Groene Genetica. Bij het project Transitie Duurzame Landbouw is er meer uitgegeven dan is geraamd.

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

Onderzoek Onderwerp Nummer AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Overig evaluatieonderzoek Midterm review Groene Kenniscoöperatie 26.15 2008 2010  
  Wettelijke Onderzoekstaken 26.15 2008 2009 Rapporten Rijnconsult, LNV/DKI
  Regeling innovatie groen onderwijs 26.15 2008 Niet gestart
  Praktijkleren in het groene onderwijs 26.16 2009 Niet gestart

Toelichting

• In 2009 zijn er geen beleidsdoorlichtingen of effectonderzoeken ex post gestart of afgerond.

• Conform afspraken in de overeenkomst worden voor het einde van de looptijd de wettelijke onderzoekstaken geëvalueerd. De evaluaties van WOT Genetische bronnen, WOT Natuur en Milieu, WOT Visserij en WOT Economische Informatievoorziening zijn in 2009 afgerond. Op grond van de evaluaties wordt beoordeeld of en welke wijzigingen aangebracht dienen te worden in de overeenkomsten.

• De Regeling Innovatie Groen Onderwijs is in 2008 beoordeeld door de Inspectie voor het Onderwijs. Deze beoordeling is opgenomen in het Onderwijsjaarverslag 2008. Naast deze beoordeling een evaluatie uitvoeren was niet nodig. De Regeling innovatie groen onderwijs is enkele jaren geleden aangepast. Er is nog geen evaluatiemoment gepland.

• De geplande evaluatie praktijkleren in het groene onderwijs heeft niet plaatsgevonden. De regeling Praktijkleren is beoordeeld door de AOC-raad. Deze beoordeling is opgenomen in een brief van de AOC-raad (2008). Naast deze beoordeling een evaluatie uitvoeren was niet nodig. Voor praktijkleren is in 2009 een nieuwe regeling gepubliceerd, gebaseerd op nieuw beleid (vraagsturing door scholen en verzelfstandiging IPC’s). Evaluatie is in 2013 aan de orde.

27 Reconstructie

Bodem, water en reconstructie zandgebieden

kst-32360-XIV-3-13.gif

Omschrijving

LNV streeft naar het geven van een impuls aan de zandgebieden in Zuid- en OostNederland en het veiligstellen van de gebruiksmogelijkheden van de bodem en het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem.

Het Rijk geeft prioriteit aan de reconstructie van de zandgebieden in Zuid- en Oost-Nederland (Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg). Deze reconstructie beoogt het realiseren van een goede ruimtelijke structuur, in het bijzonder voor duurzame landbouw, de natuur, het milieu en een duurzame waterhuishouding, alsmede het creëren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat in de zandgebieden voor het realiseren van de reguliere beleidsdoelen in het landelijk gebied. Het doel is de (gebruiks)waarde van de bodem te behouden en waar nodig te herstellen. Het Rijk stimuleert daarom een duurzamer gebruik van de bodem.

De vijf betrokken provincies (Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel, Utrecht) hebben 12 reconstructieplannen opgesteld voor 12 reconstructiegebieden met de daarbij behorende uitvoeringsprogramma’s. De reconstructieplannen zijn inmiddels goedgekeurd door het Rijk en moeten in 2015 gerealiseerd zijn.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden Realisatie Vastgestelde begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 144 824 448 919 132 780 80 183 21 478 58 705
Uitgaven 61 154 83 964 71 304 79 977 64 825 15 152
Programma-uitgaven 48 348 63 227 50 846 60 413 45 601 14 812
27.11 Reconstructie zandgebieden 48 348 63 227 50 527 47 529 45 073 2 456
waarvan ILG            
• Reconstructie zandgebieden   45 458 42 047 35 819 35 819  
• Veenweidegebieden     6 001 7 999 8 000 – 1
waarvan niet ILG            
• Flankerende maatregelen EHS 575          
• Duurzaam waterbeheer 7 320          
• Duurzame landbouw 1 838          
• Overige maatregelen 1 257          
• Agenda Vitaal Platteland 400 2 505 1 853 57   57
• Rijksacties MJP-2   1 262 226   363 – 363
• Landschap 86          
• Voorfinanciering UC 2005/2006   14 002   3 588   3 588
• Reconstructie algemeen 2 640   400 66 891 – 825
• SGB UC 2001–2004 29 650          
• Milieu (SGB) UC 2005–2006 4 582          
27.12 Bodem en Water     319 12 884 528 12 356
waarvan ILG            
• Duurzaam watergebruik     319 528 528  
• Bodemsanering            
• Waterkwaliteit            
• Synergiegelden       12 356 12 356
Apparaatsuitgaven 12 806 20 737 20 458 19 564 19 224 340
27.21 apparaat 244 237 197
27.22 Baten-lastendiensten 12 562 20 500 20 261 19 564 19 224 340
Ontvangsten 17 114 147 1 300 13 166 548 12 618

Toelichtingen op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie houdt voornamelijk verband met aangegane verplichtingen voor maatregelen om bodemdaling tegen te gaan in de Westelijke Veenweiden in het kader van het ILG. De verplichtingen van de meerjarige projecten worden in één jaar aangegaan.

Toelichting op de programma-uitgaven

27.11 Reconstructie zandgebieden

Niet ILG/Voorfinanciering Uitvoeringscontract 2005/2006

Op grond van bestaande afspraken zoals gemaakt tussen provincies en LNV in het kader voorfinancieringssystematiek landinrichtingenprojecten uit eerdere jaren (2005 t/m 2008) heeft terugbetaling plaats gevonden aan de provincies Overijssel en Groningen van voorgefinancierde uitgaven voor landinrichtinsprojecten.

27.12 Bodem en water

ILG/Synergiegelden

Bij Voorjaarsnota 2009 zijn conform de ILG-systematiek en bestuursovereenkomst middelen toegevoegd vanuit de begroting van Verkeer en Waterstaat aan de LNV-begroting om opdrachten uit de Kaderrichtlijn Water en andere opgaven voor het verbeteren van de waterkwaliteit te realiseren (o.a. inrichting van natuurvriendelijke oevers, aanleg van ecologische verbindingszones en projecten op het gebied van beekherstel) in het kader van synergiegelden voor projecten water. In dit kader is € 12,4 mln. ontvangen van V&W en ter beschikking gesteld aan de provincies

Toelichting op de ontvangsten:

Zie de toelichting bij ILG/Synergiegelden

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Bijdrage derden 548 548
ILG synergiegelden 12 458 0
Totaal ontvangsten 13 006 548

2. Slotwetmutaties

Bedragen x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 103 286 76 665 13 448
Mutaties Slotwet 2009 – 23 103 3 312 – 282
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 80 183 79 977 13 166

Toelichting

Verplichtingen

De lagere verplichtingenrealisatie hangt samen met het feit dat circa € 27 mln. van de verplichtingenruimte 2009 van circa € 84 mln. voor veenweiden-projecten in 2010 wordt vastgelegd.

Uitgaven

De hogere uitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door een terugbetaling in 2009 aan de provincies van voorgefinancierde uitgaven voor landichtingsprojecten uit eerdere jaren (2005 t/m 2008).

3. Uitgevoerde Evaluatie onderzoeken

In 2009 zijn geen beleidsdoorlichtingen of effectonderzoeken ex post gestart of afgerond.

28 Nominaal en onvoorzien

Dit artikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Budgettaire gevolgen van niet-beleidsartikelen

Bedragen x € 1 000
  Realisatie Begroting 2009
28 Nominaal en Onvoorzien 2006 2007 2008 2009  
Verplichtingen 0 0 0 0 – 5,1
Uitgaven 0 0 0 0 – 5,1
U2811 Prijsbijstelling 0 0 0 0 0
U2812 Loonbijstelling 0 0 0 0 0
U2813 Onvoorzien 0 0 0 0 – 5,1
Ontvangsten 0 0 0 0  

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De in 2009 bij Voorjaarsnota toegekende loon- en prijsbijstelling is bij vermoedelijke uitkomsten 2009 al toegedeeld naar de relevante artikelen en daardoor niet zichtbaar in de bovenstaande tabel. In de begroting 2009 was op dit artikel de LNV-bijdrage aan het ministerie van VROM ten behoeve van de geo-basisregistraties Rijk (ad. € 1,6 mln.) en het restant van de bij Nota van Wijziging 2009 ingeboekte subsidietaakstelling verwerkt. Deze restant problematiek is betrokken als onderdeel van de overige budgettaire problematiek bij begrotingsvoorbereiding 2010.

29 Algemeen

Algemeen

kst-32360-XIV-3-14.gif

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, toegelicht die niet vallen onder de beleidsartikelen. Dit betreft de apparaatsuitgaven van een aantal algemene onderdelen van het kerndepartement, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen door onder meer de productschappen.

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
Algemeen Realisatie Begroting 2009 Verschil
  2006 2007 2008 2009    
Verplichtingen 240 044 267 442 249 656 304 795 231 193 73 602
Uitgaven 240 018 267 278 249 746 303 585 231 189 72 396
Programma-uitgaven 47 462 50 526 41 174 51 471 39 416 12 055
29.11 Internationale contributies 8 297 10 399 8 482 8 762 8 347 415
29.12 Uitvoering van EU-maatregelen 39 165 40 127 32 692 38 919 31 069 7 850
29.13 Verzameluitkeringen       3 790 0 3 790
             
Apparaatsuitgaven 192 556 216 752 208 572 252 114 191 773 60 341
29.21 Apparaat 184 433 206 323 188 133 206 732 182 191 24 541
29.22 Baten-lastendiensten 8 123 10 429 20 439 45 382 9 582 35 800
             
Ontvangsten 353 376 345 227 359 988 299 261 435 966 – 136 705

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

U29.12 Uitvoering van EU-maatregelen

De hogere uitgavenrealisatie is het gevolg van de door de Europese Commissie opgelegde financiële correcties voor het visserijbeleid uit de periode 1994–1999 en een correctie over de periode 2005–2007 inzake het gebruikte perceelsregistratiesysteem.

U29.13 Verzameluitkeringen

In 2009 is bij 1e suppletore begroting het onderdeel verzameluitkeringen aan de begroting van LNV toegevoegd. Het betreft hier de uitbetaling op de verzameluitkering «groene partners» aan de betreffende gemeenten. Deze regeling beoogt de aanleg van groen in krachtwijken.

Toelichting op de apparaatsuitgaven:

U29.21 en U29.22 Apparaat en bijdrage baten-lasten diensten

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Personeel algemene leiding en stafdirecties 39 966 38 353
Personeel overige directies 47 365 37 411
Materieel 29 471 18 924
Materieel Ministerie algemeen en huisvesting 44 509 48 690
Overig personeel en post-actieven 45 421 38 813
Bijdrage aan AID/DR/DICTU 45 382 9 582
Totaal apparaatsuitgaven 252 114 191 773

De totale apparaatsuitgaven en uitgaven baten-lastendiensten laten ten opzichte van de begroting een stijging zien. Deze stijging wordt verklaard door:

De hogere uitgaven bij personeel overige directies hangen samen met de toegekende loonbijstelling en met een herschikking binnen het apparaatsbudget.

De hogere uitgaven bij materieel hangen samen met uitgaven in het kader van stimulering ICT vanuit Bekker, de maatregelen sociaal flankerend beleid vanuit Bekker, de omschakeling van de personeelsadministratie naar P-direct en de implementatie van het nieuwe financiële pakket E-procurement & Finance.

De hogere uitgaven op de post overig personeel en post-actieven hangen samen met enerzijds bemiddeling en mobiliteitsbevordering in het kader van de krimptaakstelling en anderzijds extra personele inzet voor de omschakeling naar P-direct.

De bijdrage aan de dienst ICT Uitvoering (DICTU) en DR vallen hoger uit dan geraamd. Dit houdt voornamelijk verband met:

Niet gebudgetteerde uitgaven in de DICTU begroting 2009 (€ 35,8 mln.) voor:

• De bijdrage in het accountplan DICTU voor ICT-werkplekken kerndepartement, standaard applicaties en ICT-infrastructuur;

• De voorbereidingkosten van de outsourcing van de kantoorautomatisering;

• Het niet volledig kunnen doorbelasten van indirecte kosten bij opdrachtgevers;

• Een bijdrage aan het veranderproces van DICTU in de vorm van begeleiding, opleidingen, omscholing en outplacement.

Bij DR (2,6 mln.) als gevolg van een bijstelling in het opdrachtenpakket en aanpassingen in het systeem relatiebeheer van LNV.

Toelichting op de ontvangsten:

Bedragen x € 1 000
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Landbouwheffingen 270 348 421 710
EU-ontvangsten 8 607 5 684
Overige ontvangsten 20 306 8 572
Totaal ontvangsten 299 261 435 966

De lagere ontvangstenrealisatie landbouwheffingen is het gevolg van een afname van importvolumes als gevolg van de huidige economische crisis. Het betreft hier heffingen op import van landbouwproducten vanuit «derde» landen naar de EU. Deze heffingen worden geïnd door de douane en productschappen.

De hogere realisatie overige ontvangsten hangt samen met enerzijds de opbrengsten uit hoofde van de overdracht van activa vanuit het kerndepartement aan de baten-lastendienst DICTU (€ 4,5 mln.) en anderzijds de administratieve verrekening van reeds gefactureerde uitgaven door het kerndepartement inzake ICT met DICTU (€ 6,3 mln.).

2. Slotwetmutaties

Uitgaven x € 1 000
  Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Stand 2e suppletore begroting 2009 305 142 305 138 286 724
Mutaties Slotwet 2009 – 347 – 1 553 12 537
Stand Slotwet 2009 (realisatie) 304 795 303 585 299 261

Toelichting

De lagere verplichtingen- en uitgavenrealisatie is toe te schrijven aan het feit dat een deel van het voor 2009 beschikbare budget van de verzameluitkering «Groene partners», pas in 2010–2012 wordt uitgegeven.

De hogere ontvangstenrealisatie houdt voornamelijk verband met de technische verrekening van reeds betaalde ICT uitgaven door het kerndepartement.

1.3.3 De Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inleiding

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van LNV (XIV) en het Diergezondheidsfonds. De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft conform de Comptabiliteitswet het karakter van een uitzonderingsrapportage. Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften wordt in deze paragraaf verantwoording afgelegd over achtereenvolgens de financiële rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, de totstandkoming van beleidsinformatie, het financieel en materieel beheer en overige aspecten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in deze bedrijfsvoeringsparagraaf is totstandgekomen vanuit het departementale management control systeem.

Financiële rechtmatigheid en getrouwheid

Vanuit de mij bekende informatie zijn er geen fouten en onzekerheden geconstateerd in de rechtmatigheid van financiële transacties in 2009 en/of de betrouwbare verantwoording daarover in deze jaarrekening die de tolerantiegrens op artikelniveau en/of op saldibalansniveau overschrijden. Dit geldt evenzeer voor de getrouwheid van de cijfers van de jaarrekening op artikelniveau en saldibalansniveau.

Totstandkoming van beleidsinformatie

Vanuit de mij bekende informatie zijn er op artikelniveau geen tekortkomingen geconstateerd in de totstandkoming van beleidsinformatie.

Financieel en materieel beheer

Specifieke opmerkingen en bevindingen:

Project versterking financiële functie

Vanaf 2008 wordt langs twee grote lijnen gewerkt aan de verdere versterking van de financiële functie. Ten eerste decentraal door versterking van de eigen controlfunctie bij de uitvoerende diensten, het instellen van een CFO-functie bij de grote uitvoerende diensten en door te blijven investeren in opleiding en ontwikkeling van de decentrale controllers binnen LNV. Ten tweede zijn op centraal niveau maatregelen genomen om de controlfunctie binnen de beleids(kern)directies verder te verbeteren. Dit is gebeurd door clustering van controltaken in de Eenheid Bedrijfsvoering Beleidskern, bundeling van ondersteunende financieel-administratieve processen binnen de Dienst Bedrijfsvoering en door de verankering van het routinematig werken en investering in professionalisering binnen de Dienst Bedrijfsvoering. Verbetering van de financiële monitoringsinformatie aan beleidsdirecties/budgethouders is in 2010 een aandachtspunt. Hiernaast heeft LNV ook in 2009 actief bijgedragen aan de vorming van een rijksbreed geharmoniseerd subsidiekader door het ministerie van Financiën.

Betaalgedrag

In het spoeddebat met de Tweede Kamer van 15 oktober 2009 heeft de minister van Financiën toegezegd dat ministeries in hun reguliere controle meer aandacht schenken aan het betaalgedrag. Als normstelling is hierbij afgesproken dat de eigen systemen zodanig zijn ingericht dat tenminste 90% van de facturen binnen 30 dagen wordt betaald. Uit onderzoek is gebleken dat de systemen in opzet en werking bij de onderzochte diensten deze doelstelling nog niet in voldoende mate waarborgen. Betrokken diensten hebben naar aanleiding daarvan verbeteringen doorgevoerd. De gewenste situatie is echter nog niet bij alle betrokken diensten bereikt, zodat dit in 2010 nog een aandachtspunt blijft.

Nationale Verklaring

De ministerraad heeft op 6 juli 2006 ingestemd met een «nationale lidstaatverklaring» bij de Europese geldstromen. Dit is een verklaring op politiek niveau aan de Tweede Kamer en aan de Europese Commissie waarmee de Minister van Financiën verklaart dat het financieel beheer van Europese geldstromen binnen Nederland op orde is. Deze nationale verklaring is gebaseerd op deelverklaringen van betrokken beleidsdepartementen.

Van de minister van LNV wordt een deelverklaring gevraagd inzake:

• Het beheer van middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (GLB).

• Het beheer van middelen uit het Europees Visserijfonds (EVF).

Op 18 februari 2010 heb ik de genoemde deelverklaringen, zonder voorbehoud, afgegeven aan de minister van Financiën. De deelverklaringen laten onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving.

Het in mijn deelverklaring GLB over 2008 gemaakte voorbehoud inzake implementatie en uitvoering van randvoorwaardencontroles (het voldoen aan wettelijke bepalingen over milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn) bij de uitvoering van de Bedrijfstoeslagregeling is vervallen. Reden hiervoor is dat in 2008 en begin 2009 toereikende afspraken zijn gemaakt met betrokken decentrale overheden over de handhavingscontroles en het toezicht daarop.

In de toelichting bij de deelverklaring GLB heb ik informatie gegeven over de op 14 augustus 2009 van de Europese Commissie ontvangen bevindingenrapportage inzake oppervlakte gerelateerde subsidies. De bevindingen vloeien voort uit het onderzoek dat in de periode 20 t/m 24 april 2009 heeft plaatsgevonden. De Europese Commissie is op 16 december 2009 geïnformeerd op welke wijze Nederland de opgenomen opmerkingen en verzoeken opvolgt. Voor de actualisatie van het perceelsregister is een met de Europese Commissie afgestemd herstelplan opgesteld en in uitvoering genomen. De (gecorrigeerde) gegevens zijn tevens de basis voor de definitieve financiële afwikkeling van de jaardeclaraties ELGF en ELFPO 2010. De resultaten van het herstelplan worden door middel van een audit beoordeeld. Hiermee wordt geborgd dat de uitkomsten van het herstelplan direct aan de gestelde eisen voldoen.

Erkenning betaalorganen GLB

De Auditdienst heeft, als certificeringsinstantie, een goedkeurend oordeel verstrekt bij de door de betaalorganen over de periode 16 oktober 2008 tot en met 15 oktober 2009 opgestelde rekeningen. Ten opzichte van voorgaand jaar is er sprake van een verbetering van het financieel beheer. Dit blijkt uit de opvolging die is gegeven aan de aanbevelingen.

Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft in het rapport bij het jaarverslag over 2008 geconcludeerd dat het financieel beheer verder is verbeterd. Desalniettemin kon een laatste onvolkomenheid over het jaar 2008 betreffende het beheer van de programma-uitgaven kleine relaties door het kerndepartement niet worden opgeheven. Het ministerie van LNV heeft in 2009 daarop de volgende maatregelen in gang gezet :

• Het gebruik van standaardbrieven met duidelijke en uniforme voorwaarden mede om het onderscheid tussen subsidies en transacties aan te brengen;

• Het ontwikkelen van nieuwe checklists om de volledigheid van de aangeleverde dossiers door FDC vast te stellen;

• Het letten op het tijdig afrekenen van voorschotten:

• Een onderzoek uitvoeren om de kleine programma-uitgaven door te lichten op effectiviteit en efficiëncy en waar nodig te schrappen.

Met deze maatregelen is naar mijn oordeel toereikend invulling gegeven aan het wegwerken van de onvolkomenheid.

Overige aspecten in de bedrijfsvoering

In 2009 zijn veel wijzingen doorgevoerd in de departementale bedrijfsvoering. Dit betreft onder andere organisatievernieuwing, een anders werkend sturingsmodel en implementatie van nieuwe systemen.

Organisatievernieuwingen en krimp

De implementatie van het veranderprogramma «Zichtbaar laten, Zichtbaar doen», de vorming van de nieuwe beleidskern LNV (clustering van beleidsdirecties), de Directie Organisatie en Bedrijfsvoering en de Dienst Bedrijfsvoering (departementale sharing), alsmede het fusietraject Nieuwe Voedsel en Warenautoriteit (samenvoeging VWA, AID en PD) zijn de belangrijkste organisatievernieuwingen in 2009. De andere manier van werken wordt ondersteund door een andere manier van huisvesting.

LNV staat de komende jaren voor een stevige veranderopgave die meer omvat dan alleen een krimpoperatie. Sinds 2007 geeft LNV invulling aan het programma «Zichtbaar Laten en zichtbaar doen». Dit stond ook voor 2009 in het teken van beter, slimmer en anders werken.

Beter door de beleidsinzet van LNV beter aan te sluiten op de samenleving, beter zichtbaar te zijn en tegelijkertijd verbinding te houden met specifieke doelgroepen en sectoren.

Slimmer door de doelmatigheidsopgave van het Rijk in te vullen en te voorkomen dat discontinuïteit optreedt in bedrijfsvoering en uitvoering. Anders door de mobiliteit en bredere inzetbaarheid van medewerkers in te vullen. Dit maakt het gemakkelijker om programmatisch en projectmatig te werken en onderling personeel uit te wisselen.

De implementatie van de LNV brede veranderopgave ligt op schema. In 2009 zijn veel veranderingen in de structuur ingezet, doorgevoerd en ook afgerond, de afgesproken targets worden gerealiseerd. In 2010 breekt een nieuwe fase aan in het veranderproces waarin vooral het werkend krijgen en houden van de verandering centraal staat. Dit vraagt veel afstemming tussen de verschillende verandertrajecten. Om voor de langere termijn te komen tot een gezamenlijk en gedeeld beeld voor de toekomst van het geheel van de organisatie van LNV, wordt in 2010 een Organisatie Ontwikkel Traject ingezet.

De krimptaakstelling van LNV ligt op koers. De krimp voor 2010 wordt gerealiseerd, 2011 wordt daarentegen een zwaar jaar. We zullen kijken naar de impuls mobiliteit om aan de taakstelling te kunnen voldoen.

Sturingsmodel

De jaarplancyclus is in 2009 hervormd, waardoor thans sprake is van gemeenschappelijkheid in jaarplanning van de beleidskern (samenwerkende beleidsdirecties), dit zelfde is gebeurd voor de stafdirecties. Dit heeft geresulteerd in meer integraliteit in keuzes en inzet van middelen voor het kerndepartement. Voor de Management Control Rapportages is een soortgelijke integratieslag gemaakt, waardoor de voortgang van concernresultaten beter inzichtelijk is voor de departementale leiding. Neveneffect is dat deze veranderingen een vermindering van de interne lasten en regeldruk mogelijk maken.

Nieuwe systemen

Veel systemen zijn vernieuwd om technische redenen of als voortvloeisel van interdepartementale sharing. Voorbeelden hiervan zijn het E-procurement (inkoop) and Finance (E&F systeem), de invoering van P-direkt en eDocs (Digitalisering Kerndepartement). De implementatie van deze systemen is niet overal even vlekkeloos verlopen. Dit heeft zijn effect gehad op het primaire proces. In het najaar van 2009 is besloten om het tempo van de implementatie van Edocs in lijn te brengen met de overige vernieuwingsactiviteiten (onder ander invoering E&F, P-Direct , de renovatie van het hoofdgebouw en de vorming van de beleidskern). Dit heeft geleid tot het verschuiven van de verdere implementatie naar 2010. Het ontwikkeltraject wordt beheersbaar gehouden door een gefaseerde invoer.

Vanaf begin 2009 functioneert het E&F-systeem binnen het kerndepartement. Hierbij zijn aanloopproblemen ontstaan. Naast het feit dat de organisatie moest wennen aan een nieuwe manier van werken, hebben technische mankementen geresulteerd in (tijdelijke) procesmatige aanpassingen. Tot eind 2009 is gewerkt aan een betrouwbare maand- en jaarafsluiting en verbetering van rapportages over budgetrealisatie.

LNV is op 20 juli 2009 overgestapt op P-Direkt, een systeem voor personeelsadministratie en beheer dat door het ministerie van BZK beheerd wordt. LNV, AZ en BZK zijn de departementen die dit systeem in zijn volledigheid als eerste uitrolden. We ervaren daardoor ook de kinderziektes van het systeem en hebben daarnaast te maken met een organisatie die moet leren hoe te werken met het nieuwe systeem. De last die ervaren wordt in de lijn is groter dan de lust die men beleefd. Het P-Direkt systeem kon bovendien ook niet de gewenste managementinformatie leveren. In 2010 zal hieraan nog extra aandacht moeten worden besteed.

Digitale Dienstverlening (DDV)

De doelen van het programma zijn het verbeteren van de digitale dienstverlening door LNV, het behalen van doelmatigheidsvoordelen en het borgen en stimuleren van hergebruik van gerealiseerde ICT voorzieningen.

Het programma levert een bijdrage aan realisatie van de ambitie dat burgers en ondernemers, snel en gemakkelijk, waar en wanneer ze maar willen, online al hun zaken moeten kunnen regelen met LNV. De behoefte van deze twee groepen staan dus ook centraal binnen het programma.

Binnen DDV zijn negen projecten gericht op het verbeteren van de gemeenschappelijke infrastructurele voorzieningen ondergebracht. Daarnaast ondersteunend het programma de beleidsdirecties en uitvoerende diensten bij de realisatie van twaalf beleidsprojecten. Deze richten zich op het verbeteren van de digitale dienstverlening, het integreren van ketens en/of het ontsluiten van registers. Deze in totaal 21 projecten (investering circa € 25 miljoen) worden in de periode 2009–2011 uitgevoerd en maken onderdeel uit van het Vernieuwingsprogramma Rijksdienst (VRD).

Het programma is begin 2009 vanwege aanvankelijke onzekerheden over de financiële middelen behoudend gestart. Vanaf medio 2009 is, met ondersteuning vanuit de zogenoemde «Bekkergelden», geïntensiveerd.

De aansturing en borging van het programma is in het najaar gewijzigd door o.a. de splitsing van de sturing in een stuurgroep beleidsprojecten en een stuurgroep infrastructuur.

Een belangrijk deel van «een betere en kleinere overheid» betreft de samenwerking met andere overheden. In dat kader is waar dat kan gekozen voor aansluiting bij interdepartementale ontwikkelingen van de e-overheid (Wet 2.0). Daarnaast worden de in de afgelopen jaren door LNV bereikte resultaten binnen de e-overheid actief aan andere overheden ter beschikking gesteld.

Informatiebeveiliging LNV

Door de verdergaande digitalisering van de bedrijfsprocessen neemt het belang van een goed werkend systeem van informatiebeveilging toe. LNV heeft in 2007 gekozen voor de internationale normen voor informatiebeveiliging ISO 27 001 en ISO 27 002. Deze standaarden zijn in 2007 verwerkt in het nieuwe StandaardBeveiligingsniveau voor informatiebeveiliging van LNV (SBNi). 2009 is het tweede jaar van het driejarig programma om SBNi binnen LNV te implementeren. Vanwege het belang van dit programma, ook met het oog op het voldoen aan Europese regelgeving, is het programma inmiddels aangemerkt als een groot/risico-gevoelig project binnen LNV.

C. JAARREKENING

1.4.1 Departementale verantwoordingsstaat

Departementale verantwoordingsstaat 2009 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV)

Bedragen x € 1 000
    (1) (2) (3)
Art. Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en Oorspronkelijk vastgestelde begroting
    Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
  Totaal   2 473 318 608 048   2 549 581 513 695   76 263 – 94 353
                     
  Beleidsartikelen                  
21 Duurzaam ondernemen 312 661 305 660 13 104 366 009 286 924 27 866 53 348 – 18 736 14 762
22 Agrarische ruimte 29 195 70 336 68 782 78 037 83 920 70 073 48 842 13 584 1 291
23 Natuur 295 124 542 080 26 848 397 951 546 221 28 252 102 827 4 141 1 404
24 Landschap en recreatie 82 351 184 483 28 559 189 377 124 882 38 540 107 026 – 59 601 9 981
25 Voedselkwaliteit en diergezondheid 101 419 102 637 10 347 112 906 107 538 9 162 11 487 4 901 – 1 185
26 Kennis en Innovatie 962 405 977 197 23 894 1 032 653 1 016 534 27 375 70 248 39 337 3 481
27 Bodem, water en reconstructie in zandgebieden 21 478 64 825 548 80 183 79 977 13 166 58 705 15 152 12 618
                     
  Niet-beleidsartikelen                  
28 Nominaal en onvoorzien – 5 089 – 5 089 0 0 0 0 5 089 5 089 0
29 Algemeen 231 193 231 189 435 966 304 795 303 585 299 261 73 602 72 396 – 136 705

1.4.2 Departementale saldibalans

1.4.2.1 Saldibalans van het ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit per 31 december 2009

1) Uitgaven ten laste van de begroting 2009 2 549 578 048,14   2) Ontvangsten ten gunste van de begroting 2009 513 696 024,83
3) Liquide middelen 25 973 003,79   6a) Rekening-courant RIC 2 689 691 822,08
6) Begrotingsreserves 103 868 967,25   6b) Tegenrekening begrotingsreserves 103 868 967,25
8) Uitgaven buiten begrotingsverband (=intracomptabele vorderingen) 702 837 714,57   9) Ontvangsten buiten begrotingsverband (=intra-comptabele schulden) 75 000 919,59
10) Openstaande rechten 0,00   10a) Tegenrekening openstaande rechten 0,00
11) Extra-comptabele vorderingen 1 703 003 843,42   11a) Tegenrekening extra-comptabele vorderingen 1 703 003 843,42
12a) Tegenrekening extra-comptabele schulden 9 353,88   12) Extra-comptabele schulden 9 353,88
13) Extra-comptabele Voorschotten 2 542 295 332,31   13a) Tegenrekening voorschotten 2 542 295 332,31
14a) Tegenrekening garantiever- verplichtingen 504 083 186,31   14) Garantieverplichtingen 504 083 186,31
15a) Tegenrekening openstaande Verplichtingen 3 732 425 136,46   15) Openstaande verplichtingen 3 732 425 136,46
16) Deelnemingen 0,00   16a) Tegenrekening deelnemingen 0,00
  Totaal 11 864 074 586,13     Totaal 11 864 074 586,13

1.4.2.2 Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften wordt afgeweken, wordt dit nader toegelicht.

Toelichting per balanspost

Balanspost 1 Uitgaven ten laste van de begroting 2009 2 549 578 048,14
De uitgaven over 2009 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel uitgaven.
Balanspost 2 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2009 513 696 024,83
De ontvangsten over 2009 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel ontvangsten.
Balanspost 3 Liquide Middelen 25 973 003,79
De post liquide middelen is onder andere samengesteld uit de saldi van de aan de kasbeheerders en kasvoorschothouders verstrekte gelden. Hierin is opgenomen onder andere het saldo van de bankrekening van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (MLNV) bij het Groenfonds per 31 december 2009 ad. € 21 412 671,55.
Balansposten 6. Begrotingsreserves 103 868 967,25
Deze post is per 31 december 2009 als volgt opgebouwd:
Begrotingsreserve Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw 18 505 377,07
Begrotingsreserve Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij 26 366 008,16
Begrotingsreserve Borgstellingsfonds 58 997 582,02

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maakt gebruik van de mogelijkheid om een interne begrotingsreserve aan te houden. De toevoegingen en onttrekkingen die respectievelijk ten laste of ten gunste van de begroting plaatsvinden zijn in het jaarverslag toegelicht bij artikel 21.

Balansposten 6a. Rekening-Courant RIC-Financiën 2 689 691 822,08
Deze post geeft de vordering- en schuldverhouding weer tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Financiën per 31 december 2009.

Toelichting

Het saldo rekening-courant met het Ministerie van Financiën is als volgt samengesteld:

  Bedrag
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1 752 601 327,92
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit /EOGFL/EM (LEF) 937 090 494,16
Totaal 2 689 691 822,08
Op de rekening-courant MLNV/EOGFL/EM (LEF) vindt verantwoording plaats van de Europese regelingen van het Europees LandbouwGarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor de PlattelandsOntwikkeling (ELFPO). Bij een deel van deze regelingen vindt nationale financiering plaats waardoor de rekening-courant niet gelijk is aan de vordering op de Europese Commissie.
Balansposten 6b. Tegenrekening begrotingsreserves 103 868 967,25
Deze post geeft de vordering- en schuldverhouding weer tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Financiën per 31 december 2009.
Balanspost 8 Uitgaven buiten begrotingsverband 702 837 714,57
Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die niet ten laste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze uitgaven met derden zullen worden verrekend.

Toelichting

De uitgaven buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

  Bedrag
Vordering provincies inzake ILG 1 672 240,00
Te verrekenen met Diergezondheidsfonds (DGF) 2 249 047,70
EU uitgaven ELGF 570 204 364,32
EU uitgaven ELFPO 17 207 773,76
Doorberekening BBL 23 227 000,00
Doorberekening Plattelands Ontwikkelings Programma (POP) 4 819 615,59
Gefinancierde interventievoorraad 54 822 009,93
Vorderingen personeel 874 935,94
Te verrekenen korting Brussel 18 502 310,37
Totaal 702 837 714,57

Vordering op provincies ten behoeve van Inrichting Landelijk Gebied (ILG)

Dienst Landelijk Gebied draagt zorg voor de uitvoering van de ILG. De provincies stellen gelden beschikbaar voor deze uitvoering. Per balansdatum heeft DLG voor zes provincies een bedrag van € 22 525 092,10 voorgefinancierd en door zes provincies is een bedrag van € 20 852 852,10 vooruitbetaald.

Te verrekenen met DGF

Dienst Regelingen is belast met de uitvoering van de dierziektebestrijding. De financiële middelen voor de dierziektebestrijding zijn in het DierGezondheidsFonds beschikbaar. De vordering van € 2 249 047,70 zal door DGF in 2010 aan Dienst Regelingen worden betaald.

EU uitgaven ELGF en ELFPO

De gelden die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de Europese fondsen ELGF en ELFPO voorfinanciert betreffen de declaraties van de maanden november (16/10 – 30/11) en december. De gedeclareerde bedragen van deze maanden zijn in 2010 ontvangen respectievelijk in de maanden januari en februari. De navolgende tabellen geven inzicht in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het ELGF en ELFPO van de jaren waarvan de declaraties nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

ELGF overzicht

  Omschrijving Bedrag
Restant ELGF vordering voorgaande dienstjaren 2 677 769,17
  Boekjaar 2009, in 2008 gerealiseerde uitgaven * 553 227 782,50
Vordering 31 december 2008 555 905 551,67
  Boekjaar 2009, in 2009 gerealiseerde uitgaven 493 755 942,76
  Afrekening beroepsprocedure –/– 5 670 000,00
  Ten laste van begroting MLNV 2 992 230,83
  Ontvangsten uit ELGF boekjaar 2009 –/– 1 046 370 034,94
     
Nog te vorderen ** 613 690,32
  Boekjaar 2010, in 2009 gerealiseerde uitgaven 569 590 674,00
Vordering 31 december 2009 570 204 364,32

* Het boekjaar voor het ELGF loopt van 16 oktober tot en met 15 oktober van het volgende jaar.

** Te vorderen als gevolg van correcties in de jaaraangifte 2009. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2009 in 2010 definitief vaststellen en afwikkelen.

ELFPO overzicht

  Omschrijving Bedrag
Restant ELFPO schuld voorgaande dienstjaar 61 540,07
  Boekjaar 2009, in 2008 gerealiseerde uitgaven* 5 533 019,26
Vordering 31 december 2008 5 471 479,19
  Boekjaar 2009, in 2009 gerealiseerde uitgaven 30 069 111,52
  Ontvangsten uit ELFPO boekjaar 2009 –/– 36 071 973,56
Nog verschuldigd** 531 382,85
  Boekjaar 2010, in 2009 gerealiseerde uitgaven 17 739 156,61
Vordering 31 december 2009 17 207 773,76

* Het boekjaar voor het ELFPO loopt van 16 oktober tot en met 15 oktober van het volgende jaar

** De schuld is een gevolg van correcties in de jaaraangifte 2009. Naar verwachting zal de Europese Commissie dit verschil in 2010 verrekenen.

BBL

Wegens aankoop gronden voorgefinancierd ten behoeve van BBL in het kader van de uitvoering van de ILG.

Doorberekening POP

Betreft hier vorderingen op derden van Dienst Landelijk Gebied naar aanleiding van de uitvoering van het Plattelands Ontwikkelings Programma.

Gefinancierde interventievoorraad

Beginvooraad 0,00
Aankopen boter en magere melkpoeder 63 567 010,58
Verkopen – 4 521 998,41
Waardeverminderingen – 4 223 002,24
Eindvoorraad 54 822 009,93

Vorderingen personeel

Sedert de overgang van de salarisadministratie naar P-direkt zijn verstrekte voorschotten een onderdeel geworden van de uitgaven buiten begrotingsverband. Pas bij definitieve afrekening vindt eventuele belasting van de begroting plaats. Dit is van toepassing op salarisvoorschotten, onderwijs- c.q. opleidingsvoorschotten, pensioenpremies ten gevolg van het verlenen van verlof buiten bezwaar, voorschotten met betrekking tot reiskosten binnen- en buitenland etc.

Te verrekenen korting Brussel

In 2009 heeft de Europese Commissie kortingen opgelegd die in de maand januari 2010 door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn betaald.

Balanspost 9 Ontvangsten buiten begrotingsverband 75 000 919,59
Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die niet ten gunste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze ontvangsten zullen worden verrekend.

Toelichting

De ontvangsten buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

  Bedrag
Diverse ontvangsten 4 253 062,08
Contante waarborgen productschappen 4 658 150,34
Reservering bezwaar SFSH 1 670 307,32
Werkkapitaal ELFPO 34 056 481,69
Bommenregeling 29 708 562,36
Schulden aan personeel 654 355,80
Totaal 75 000 919,59

Contante waarborgen productschappen

De productschappen ontvangen per bank gelden van het bedrijfsleven als zekerheidsstelling voor in- en uitvoercertificaten en uitvoerrestituties. De productschappen betalen op verzoek van de belanghebbende de bedragen terug als aan de voorwaarden voor de certificaten en restituties is voldaan.

Reservering bezwaar SFSH

In het kader van de superheffing voor melkproducenten wordt het aan het ELGF verschuldigde bedrag bepaald op basis van de landelijke overschrijding. De som van de door de individuele heffingplichtige verschuldigde bedragen is in de regel hoger dan de landelijke overschrijding. Regelgeving schrijft voor dat de som van de individuele heffingsopleggingen niet kleiner mag zijn dan het aan het ELGF verschuldigde bedrag. De op deze wijze ontstane extra heffing wordt het «schommelfonds» genoemd. Het «schommelfonds» kan gebruikt worden in die gevallen waarbij als gevolg van een beslissing op bezwaar aan een heffingplichtige eerder opgelegde heffing moet worden gecorrigeerd.

Werkkapitaal ELFPO

In verordening 1290/2005 (art 25 lid 1) is bepaald dat na vaststelling door de commissie van het programma voor plattelandsontwikkeling (2007–2013) een voorfinanciering van 7% zal plaatsvinden van de bijdrage uit het ELFPO voor het betreffende programma. In 2007 heeft de commissie het programma voor plattelandsontwikkeling van Nederland goedgekeurd en de voorfinanciering aan MLNV betaald. Bij de afsluiting van het programma zal deze voorfinanciering worden verrekend.

Bommenregeling

Dienst Regelingen voert in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken de bommenregeling uit. Voor de uitgaven van deze regeling stelt het Ministerie van Binnenlandse Zaken vooraf gelden beschikbaar aan Dienst Regelingen.

Schulden aan personeel

Sedert de overgang van de salarisadministratie naar P-direkt zijn reserveringen een onderdeel geworden van de ontvangsten buiten begrotingsverband. Volgens de regeling Individueel Keuze Arbeidsvoorwaarden Pakket (IKAP) kan het personeel van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bedragen reserveren voor doelen die in deze regeling zijn benoemd.

Balanspost 11 Extra Comptabele Vorderingen 1 703 003 843,42
De extra comptabele vorderingen hebben betrekking op nog te ontvangen middelen, welke voortvloeien uit uitgaven die ten laste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend, alsmede opgelegde mestheffingen.

Toelichting

De extra comptabele vorderingen zijn als volgt te specificeren:

  Bedrag
Diverse vorderingen 12 917 961,01
Mineralenboekhouding Bureau Heffingen 4 139 364,45
Landbouwgronden 1 153 740 642,33
Leningen 111 741 379,92
Gestelde zekerheden 409 913 495,71
Vordering Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) 10 551 000,00
Totaal 1 703 003 843,42

Landbouwgronden

Het saldo van de landbouwgronden bestaat voornamelijk uit een langlopend renteloos voorschot van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het Bureau Beheer Landbouwgronden van € 565 mln waarvoor door het Bureau Beheer Landbouwgronden gronden zijn verworven die na doorlevering aan eindbeheerders leiden tot doelrealisatie. Daarnaast is er een bedrag van € 383 mln nog te vorderen uit hoofde van landinrichtingsrente door grondeigenaren te betalen in afgesloten landinrichtingsprojecten, welke in het algemeen in 26 jaar worden geïnd. Voorts heeft Dienst Landelijk Gebied nog € 206 mln te vorderen uit hoofde van nog niet afgesloten landinrichtingsprojecten.

Leningen

  Bedrag
WUR (Stichting DLO) 87 809 952,68
WUR Praktijkonderzoek 19 851 939,03
WUR IAC/ILRI 4 079 488,21
Totaal 111 741 379,92

Gestelde zekerheden

  Bedrag
Productschappen Vee, Vlees en Eieren 43 075 906,15
Productschap Tuinbouw 15 804 407,70
Dienst Regelingen 351 033 181,86
Totaal 409 913 495,71

Dit betreffen zekerheden die bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid worden gevraagd. De uitvoering hiervan vindt plaats bij de Betaalorganen.

Balanspost 12 Extra comptabele schulden 9 353,88
Balanspost 13 Voorschotten 2 542 295 332,31
Onder voorschotten wordt verstaan de vooruit verstrekte gelden, welke op 31 december 2009 nog niet waren verrekend.
(x € 1 000)
Beleidsartikelen 2009 2008 2007 2006 2005 en eerder Totaal
21 Duurzaam ondernemen 44 664 19 344 11 543 15 934 8 765 100 250
22 Agrarische ruimten 65 801 38 094 20 595 0 0 124 490
23 Natuur 415 287 325 646 283 661 28 658 14 770 1 068 022
24 Landschap en recreatie 77 676 117 796 117 136 5 316 6 492 324 416
25 Voedselkwaliteit & Diergezondheid 25 122 5 989 1 202 0 3 633 35 946
26 Kennis en innovatie 309 431 256 297 70 949 45 528 28 604 710 809
27 Reconstructie 56 899 48 551 45 494 400 0 151 344
29 Algemeen 976 201 1 134 700 300 3 311
Medebewindkosten 23 707 0 0 0 0 23 707
Totaal 1 019 563 811 918 551 714 96 536 62 564 2 542 295
Verloop van de voorschotten gedurende het dienstjaar 2009 Bedrag
Beginstand 1 januari 2009 1 817 083 254,15
Verstrekte voorschotten 1 083 162 309,39
Eindafgerekende voorschotten – 357 950 231,23
Eindstand 31 december 2009 2 542 295 332,31

De stand van de openstaande voorschotten is ten opzichte van eind 2008 toegenomen. Deze toename is voor een belangrijk deel het gevolg van de uitvoering van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (€ 427,9 mln), omdat de hiervoor verstrekte voorschotten pas in 2014 tot eindafrekening komen.

Medebewindkosten

    Bedrag
Stand 1-1-2009   25 481 195,00
Bij: nieuwe voorschotten 2009 23 707 350,00  
Af: afgerekende voorschotten in 2009 – 25 481 195,00  
Stand 31-12-2009   23 707 350,00
Voorschot medebewindkosten per Productschap    
Hoofdproductschap Akkerbouw   8 661 350,00
Productschap Zuivel   5 435 000,00
Productschappen Vee Vlees en Eieren   5 374 000,00
Productschap Tuinbouw   3 410 000,00
Productschap Vis   827 000,00
Totaal   23 707 350,00

Op deze post zijn de nog niet afgerekende voorschotten inzake de medebewindkosten opgenomen. Bij de vaststelling van de definitieve bijdrage zullen de voorschotten worden afgeboekt. Alle af te rekenen voorschotten zijn verstrekt in 2009.

Balanspost 14 Garantieverplichtingen 504 083 186,31
De staat van garantie-verplichtingen per 31 december 2009
Artikel a) ten behoeve vanb) aan Ingangs datum looptijd in jaren Maximaal verleend Lopende verplichting
21 Stichting Borgstellingsfonds voor de Land- en Tuinbouw     50 000 000,00 50 000 000,00
  Garantieregeling Landbouw     900 000,00 900 000,00
  Garantieregeling Werkkapitaal     13 804 000,00 13 804 000,00
  Subtotaal artikel     64 704 000,00 64 704 000,00
23 a)Rente en aflossingen van leningen inzake aankoop van natuurgebieden en landschappen        
  b) Alg. Spaarbank voor Nederland 01–04–1992 30 3 630 241,73 2 430 982,15
    05–06–1992 30 4 537 802,16 3 039 877,57
    16–07–1990 30 2 722 681,30 1 658 005,11
    11–07–1997 19 6 096 874,52 3 078 806,80
  b) Bank Nederlandse Gemeenten 02–06–1997 18 5 912 147,70 2 649 745,68
    22–10–1998 30 4 991 582,38 3 928 040,58
    15–03–1999 30 4 084 021,94 3 288 382,96
    15–04–1999 10 4 168 150,38 0,15
    30–06–1999 20 2 362 505,84 1 438 187,59
    30-01-2001 20 2 834 516,70 2 030 164,91
    28-02-2001 30 9 075 604,32 7 821 844,39
    01-10-2001 20 5 230 000,00 3 735 416,59
    19-11-2001 30 9 075 000,00 7 700 105,44
    24-12-2002 10 9 100 000,00 9 100 000,00
    18-09-2003 20 18 513 818,97 12 491 922,19
  b) ASF Graf.Bedr./Telegraaf/Fortis 15–12–1997 20 2 359 657,12 1 272 192,97
  b) Ned. Waterschaps Bank 01-09-2002 10 12 942 443,00 9 707 442,99
  b) Ministerie van Financiën 15-12-2003 10 9 076 000,00 8 066 000,00
    01-06-2004 10 21 452 780,72 14 932 780,72
    15-11-2004 10 9 076 000,00 8 176 000,00
    15-12-2004 10 24 100 000,00 21 670 000,00
    05-01-2005 10 22 100 000,00 20 350 000,00
    15-09-2005 10 16 064 658,84 14 495 000,00
    30-12-2005 10 9 076 000,00 8 316 000,00
    19-01-2006 10 45 000 000,00 42 210 000,00
    26-01-2006 10 21 110 000,00 19 800 000,00
    14-03-2006 10 9 076 000,00 8 556 000,00
    31-01-2007 10 65 090 000,00 62 720 000,00
    31-01-2007 10 9 076 000,00 8 746 000,00
    02-07-2007 10 8 967 515,49 8 665 000,00
    31-01-2008 10 9 076 000,00 8 916 000,00
    02-06-2008 10 2 586 310,86 2 502 310,86
    23-06-2008 10 22 000 000,00 21 640 000,00
    02-02-2009 10 9 076 000,00 9 076 000,00
    27-02-2009 10 20 000 000,00 20 000 000,00
    11-09-2009 10 3 678 465,17 3 678 465,17
    30-09-2009 10 10 000 000,00 10 000 000,00
    01-12-2009 10 15 000 000,00 15 000 000,00
    23-12-2009 26 13 610 000,00 13 610 000,00
    23-12-2009 26 12 140 000,00 12 140 000,00
  Subtotaal artikel     494 068 779,14 438 636 674,82
26 b) Gebouwen en terreinen voor gesubsidieerde scholen Agrarisch onderwijs     14 103 489,12 735 123,95
  b) Gebouwen Stichting Studenten huisvesting in Deventer     748 737,36 7 387.54
  Subtotaal artikel     14 852 226,48 742 511,49
  Totaal generaal     573 625 005,62 504 083 186,31
Balanspost 15 Openstaande verplichtingen 3 732 425 136,46
De openstaande verplichtingen per 31 december 2009 kunnen vanaf 2010 tot betaling leiden.
(x € 1 000)
Hoofdbeleidsterreinen Stand per 01-01-2009 In 2009 aangegaan + Negatieve bijstelling -/- Uitgaven/- Stand per 31-12-2009
21 Duurzaam ondernemen 150 702 351 305 21 116 286 923 193 968
22 Agrarische ruimte 192 811 78 037 2 83 920 186 926
23 Natuur 1 681 425 314 446 3 106 546 221 1 446 544
24 Landschap en recreatie 447 122 189 376 3 576 124 882 508 040
25 Voedselkwaliteit & Diergezondheid 17 263 112 905 4 543 107 537 18 088
26 Kennis en innovatie 933 544 1 032 653 6 495 1 016 533 943 169
27 Reconstructie 415 483 80 183 75 143 79 977 340 546
29 Algemeen 75 304 794 0 303 585 1 284
Subtotaal 3 838 425 2 463 699 113 981 2 549 578 3 638 565
Buiten begrotingsverband 70 255 39 287 4 227 11 455 93 860
Totaal generaal 3 908 680 2 502 986 118 208 2 561 033 3 732 425

1.4.3 Samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-lastendiensten

Bedragen x 1 000
  (1) (2) (3)
Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijke vastgestelde begroting
Algemene Inspectiedienst      
Totale baten 66 244 71 247 5 003
Totale lasten 66 244 69 754 3 510
Saldo van baten en lasten 0 1 493 1 493
       
Totale kapitaalontvangsten 5 735 3 788 – 1 947
Totale kapitaaluitgaven 8 986 6 606 – 2 380
       
Dienst ICT Uitvoering      
Totale baten 110 100 114 328 4 228
Totale lasten 110 100 114 096 3 996
Saldo van baten en lasten 0 232 232
       
Totale kapitaalontvangsten 10 000 17 722 7 722
Totale kapitaaluitgaven 17 384 30 065 12 681
       
Dienst Landelijk Gebied      
Totale baten 118 925 140 065 21 140
Totale lasten 118 925 139 994 21 069
Saldo van baten en lasten 0 71 71
       
Totale kapitaalontvangsten 14 873 2 414 – 12 459
Totale kapitaaluitgaven 23 428 10 053 – 13 375
       
Dienst Regelingen      
Totale baten 134 436 177 225 42 789
Totale lasten 134 436 173 934 39 498
Saldo van baten en lasten 0 3 291 3 291
       
Totale kapitaalontvangsten 15 000 25 537 10 537
Totale kapitaaluitgaven 34 874 32 118 – 2 756
       
Plantenziektenkundige Dienst      
Totale baten 18 212 25 288 7 076
Totale lasten 18 212 25 140 6 928
Saldo van baten en lasten 0 148 148
       
Totale kapitaalontvangsten 1 000 500 – 500
Totale kapitaaluitgaven 2 000 1 662 – 338
       
Voedsel en Warenautoriteit      
Totale baten 169 389 186 782 17 393
Totale lasten 169 389 188 184 18 795
Saldo van baten en lasten 0 – 1 402 – 1 402
       
Totale kapitaalontvangsten 9 230 0 – 9 230
Totale kapitaaluitgaven 16 585 14 899 – 1 686

1.4.4 Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-Lastendiensten

Algemene Inspectiedienst (AID)

Profiel

De Algemene Inspectiedienst (AID) is een handhavingorganisatie van het Ministerie van LNV, die door middel van de instrumenten controle, verificatie en opsporing, de naleving van de LNV-regelgeving op programmatische wijze bevordert. Waar effectief uit oogpunt van naleving wordt de inzet van hiervoor bedoelde instrumenten begeleid door handhavingcommunicatie. Op basis van waarnemingen en ervaringen in de handhavingpraktijk adviseert de AID de Minister en beleidsdirecties van LNV over voorgenomen of reeds vigerend beleid en regelgeving. Ten behoeve van de uitvoering van deze taak beschikken de ambtenaren AID over toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden in onderlinge samenhang ingezet. Opsporing vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Financieel resultaat

De AID heeft over 2009 een positief exploitatieresultaat behaald van € 1,5 mln.

De liquiditeitspositie is, afgemeten aan het saldo van de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding, met ongeveer € 1,4 mln. toegenomen ten opzichte van de beginbalans. De geleverde productie is hoger dan in de initiële begroting voor 2009 is voorzien. Dit is het gevolg van uitbreidingen in het reguliere opdrachtenpakket die hebben plaatsgevonden na de vaststelling van de agentschapsparagraaf in de LNV begroting 2009.

Prestaties

De prestaties van de AID bestaan uit het aantal directe uren per product waartoe de AID een opdracht heeft gekregen en de daarmee bereikte resultaten. Onderstaande tabel geeft per productgroep het aandeel in de omzet van de AID in 2009 weer.

Prestaties per productgroep
  Realisatie 2009
Productgroep Prestaties (in uren) Aandeel in omzet (in %)
Product:    
Controle 555 149 72.4
Verificatie TAB 66 147 8.6
Opsporing 97 962 12.8
Beleidsadvisering 13 868 1.8
Handhavingscommunicatie 4 212 0.5
Fusie-uren 30 081 3.9
Totaal 767 419 100.0

Het initiële opdrachtenpakket is medio 2008, als onderdeel van de begrotingsvoorbereiding 2009 bepaald. De omvang en samenstelling daarvan is onderhevig aan politiek-maatschappelijke ontwikkelingen, herprioritering van LNV-beleid en budgettaire schommelingen. Deze aspecten hebben ertoe geleid dat gedurende het begrotingsjaar 2009 wijzigingen in het opdrachtenpakket hebben plaatsgevonden.

Doelmatigheidsgegevens

Resultaten doelmatigheid
Prestatie-indicator Norm 2009 Meetwaarde 2009
Percentage gegronde klachten op aantal gecontroleerden 2 per 10 000 0,78 per 10 000
Goedkeurende accountantsverklaring Ja Ja
Gemiddelde kostprijs per uur € 89,90 € 86,50
Percentage gerealiseerde verkoopbare uren 100% 100%
Ziekteverzuimpercentage 4,33% 4,90%
Treffers bij (selecte) controles 15% 21,83%
Tijdigheid verificaties TAB 90% 79%

Toelichting

Gegronde klachten versus aantal contacten met gecontroleerden.

Van de 11 klachten die in 2009 zijn afgehandeld, zijn er 3 gegrond verklaard. Het aantal geregistreerde contacten met gecontroleerden bedroeg in diezelfde periode 38 508.

Goedkeurende accountantsverklaring

De AID heeft op 13 maart 2009 van de Auditdienst een goedkeurende accountantsverklaring over het jaar 2008 ontvangen. In maart 2010 is een goedkeurende accountantsverklaring over 2009 ontvangen.

Kostprijs per uur

In tabel met prestatie-indicatoren zijn ten behoeve van een eenduidige vergelijking de kostprijzen berekend exclusief de fusie- en frictiekosten ter waarde van € 1,2 mln. Aangezien in het eigenaarsoverleg is besloten het strategisch project WVU tot de reguliere exploitatie te rekenen, zijn deze kosten wel in de nagecalculeerde kostprijs meegenomen.

De gemiddelde kostprijs exclusief fusie- en frictiekosten bedraagt € 86,50 per verkoopbaar uur. In de nacalculatie zal de AID een specifieke analyse op de kostprijzen en de kosten per controle, verificatie en opsporingsonderzoek uitvoeren en een nadere onderbouwing aanreiken.

Aantal gerealiseerde verkoopbare uren als percentage van het totale aanbod aan productieve tijd

De waarde van deze indicator geeft aan in hoeverre de formatieve productieve uren zijn gerealiseerd. Ten behoeve van de meting van deze indicator worden de verkoopbare productieve uren en de vergoeding voor de fusie-uren meegenomen. Het totaal aantal in 2009 op basis van de directe formatie te leveren verkoopbare productieve uren bedraagt 756 184 uur (op basis van een directe formatie van 528,8 fte en een gemiddelde productiviteit van 1 430 uur/directe medewerker). De AID heeft 735 269 verkoopbare uren gerealiseerd, maar krijgt 100% vergoed op basis van de 5% garantiestelling voor fusie-uren. Het jaarplan is bovendien verhoogd. Gezien de hogere bezetting is hiermee in de berekening van de doelmatigheidsindicator geen rekening gehouden, zodat de score 100% bedraagt.

Het productiviteitsverlies is veroorzaakt door de inzet van de directe medewerkers in het fusieproces en het uitvoeren van activiteiten in het kader van loopbaanontwikkeling.

Ziekteverzuimpercentage

Het verzuimpercentage over 2009 bedraagt 4,9% en overschrijdt daarmee de target. Bij de ijkpunten bedrijfsvoering is een toelichting opgenomen.

Tijdigheid uitgevoerde verificaties

Het gerealiseerde tijdigheidpercentage voor de uitgevoerde verificaties bedraagt 79% en komt hoger uit dan de realisatie in 2008 (74%).

De voor de Technisch Administratief Bedrijf (TAB) gestelde norm van 90% tijdigheid is niet gerealiseerd. Het tijdigheidpercentage komt 19 % lager uit dan de externe norm. Voornamelijk ligt de oorzaak in de OO en PO regelingen (tijdigheid van ca. 60 %). De (wettelijke en DR) termijnen/afspraken worden momenteel door de regelingsdeskundige EU-desk geëvalueerd. In samenspraak met DR wordt bekeken of termijnen verlengd kunnen worden. Een andere oorzaak is de sterk afnemende bezetting en daardoor een verminderde flexibiliteit. Daarnaast worden aanvullende werkzaamheden op het jaarplan gevraagd, zoals de PO en OO regelingen en EU commissiebezoeken. Binnen de AID wordt deels met «eigen» deadlines gewerkt welke niet door Brussel zijn voorgeschreven.

De doelmatigheidsindicatoren zijn als onderdeel van het groeiproces tot baten-lastendienst als een van de verplichte instellingsproducten ontwikkeld. Gedurende de periode 2006–2009 heeft een consequente meting van deze kengetallen plaatsgevonden. In onderstaande tabel is een overzicht van de ontwikkeling van deze kengetallen in de afgelopen 4 jaar opgenomen.

Ontwikkeling doelmatigheid in de periode 2006–2009
Prestatie-indicator Meetwaarde
  2006 2007 2008 2009
Percentage gegronde klachten op aantal gecontroleerden 7 per 100 000 4 per 100 000 4.6 per 100 000 7.8 per 100 000
Goedkeurende accountantsverklaring Ja Ja Ja ja
Gemiddelde kostprijs per uur € 71,73 € 78,03 € 84,55 € 86,50
Percentage gerealiseerde verkoopbare uren 99% 98% 98% 100%
Ziekteverzuimpercentage 4,01% 4,97% 4,56% 4,90%
Treffers bij (selecte) controles 21,9% 22,8% 22,7% 21,83%
Tijdigheid verificaties TAB 80% 80% 74% 79%

Balans per 31 december 2009

Bedragen x € 1 000
  31-12-2009 31-12-2008
Activa    
Immateriële vaste activa 3 321 2 654
Materiële vaste activa    
* grond en gebouwen 160 175
* installaties en inventarissen 149 187
* overige materiële vaste activa 9 146 9 449
Voorraden 0 0
Debiteuren 753 667
Nog te ontvangen 476 1 154
Liquide middelen 9 149 7 714
Totaal Activa 23 154 22 000
     
Passiva    
Eigen vermogen    
* exploitatiereserve – 5 985
* verplichte reserves 3 320 2 457
* onverdeeld resultaat 1 493 – 128
Leningen bij het ministerie van Financiën 8 546 8 232
Voorzieningen 101 72
Crediteuren 2 157 1 790
Nog te betalen kosten 7 542 8 592
Totaal Passiva 23 154 22 000

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009

Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1) (4)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 65 844 70 660 4 816 68 085
Opbrengst overige departementen       0
Opbrengst derden 300 575 275 1 152
Rentebaten 100 12 – 88 347
Vrijval voorzieningen        
Bijzondere baten        
Totaal baten 66 244 71 247 5 003 69 584
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten 42 247 46 637 4 390 46 142
* materiële kosten 19 822 19 787 – 35 20 307
Rentelasten 410 392 – 18 366
Afschrijvingskosten        
* materieel 2 595 2 248 – 347 2 188
* immaterieel 1 170 690 – 480 637
Overige lasten        
* dotaties voorzieningen       72
* buitengewone lasten        
Totaal lasten 66 244 69 754 3 510 69 712
         
Saldo van baten en lasten 0 1 493 1 493 – 128

Kasstroomoverzicht 2009

Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 2009 7 180 7 713 533
2. Totaal operationele kasstroom 3 740 4 253 513
  a. Totaal investeringen (-/-) – 5 735 – 3 733 2002
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 340 484 144
3. Totaal investeringskasstroom – 5 395 – 3 249 2 146
  a. Eenmalig uitkering aan Moederdepartement (-/-) 0 0 0
  b. Eenmalige storting door Moederdepartement (+) 0 0 0
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 3 251 – 2 873 378
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 5 395 3 304 – 2 091
4. Totaal financieringskasstroom 2 144 431 – 1 713
5. Rekening courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4) 7 669 9 148 1 479

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

Profiel

De Dienst ICT Uitvoering (DICTU) is binnen het Ministerie van LNV verantwoordelijk voor het leveren van ICT services en -ondersteuning aan alle onderdelen van het ministerie en ondersteuning van enkele aan het ministerie aanverwante PBO’s en ZBO’s. De missie van DICTU luidt: «De Dienst ICT Uitvoering draagt bij aan het succes van LNV door te zorgen voor betrouwbare, gestandaardiseerde en kostenefficiënte ICT services die de bedrijfsprocessen van LNV optimaal ondersteunen». DICTU levert aan haar opdrachtgevers de volgende ICT services:

• Applicatiebeheer en ontwikkeling;

• Inrichting en beheer van werkplekken;

• Beheer van de technische infrastructuur;

Bij de levering van deze diensten wordt onderscheid gemaakt in standaard dienstverlening en bijzondere dienstverlening met een maatwerk karakter.

Financieel resultaat

Dictu heeft over 2009 een positief resultaat behaald van € 0,2 mln.

Opmerkelijke verschillen in de exploitatie DICTU ten opzichte van de begroting in het boekjaar 2009 zijn hieronder weergegeven.

De overname van generieke software in 2009 was niet opgenomen in de begroting 2009. Dit heeft effect op de realisatie van de baten en in de lasten op afschrijvingskosten immaterieel. Deze zijn daardoor hoger dan begroot.

In de baten 2009 zit een ontvangst van FEZ ad € 4,9 mln. ter dekking van de projectkosten migratie kantoorautomatisering 2009 opgenomen welke niet was begroot en het werkaanbod vanuit de opdrachtgevers is hoger geweest dan begroot.

De realisatie op personele kosten is hoger dan begroot door meer inhuur van extern personeel dan begroot. Dit komt door minder intern personeel en door een hoger werkaanbod dat intern DICTU is uitgevoerd dan begroot. De onderuitputting op uitbesteding van applicatiebeheer en -ontwikkeling is gecompenseerd door meer inhuur van externe medewerkers.

In de materiële kosten wordt de afwijking ten opzichten van de begroting veroorzaakt door gewijzigde verwerking van de kosten van inhuur rechtstreeks voor opdrachtgevers (niet meer via de exploitatierekening DICTU) en achterblijven van realisatie op uitbesteding van werkzaamheden met betrekking tot applicatiebeheer en -ontwikkeling aan externe partijen.

Dotaties voorzieningen is de dotatie van de gevormde reorganisatievoorziening als gevolg van de uitvoer van het bedrijfsplan DICTU. Deze is gevormd voor de resterende looptijd van de herplaatsingsperiode van de nu bekende en aangewezen herplaatsingskandidaten. Deze voorziening was niet opgenomen in de begroting DICTU 2009.

Prestaties per productgroep & doelmatigheidsgegevens
Omschrijving 2007 2008 2009
1. Kostprijzen per product (groep)      
a. Werkplek (per stuk x €) 1 936 2 440 2 450
b. Aantal Werkplekken 9 150 9 500 9 500
c. Infrastructuur (x € 1000) 26 400 23 700 19 100
d. Productieve uren 586 000 582 000 698 000
       
2. Tarieven/uur      
a. Ontwikkeling 125 129 142
b. Bouw 105 107 117
c. Test en beheer 95 95 100
       
3. Omzet per prod.groep (pxq)      
A. Werkplekservices 17 700 23 000 24 500
B. Infrastructuur 26 400 23 700 21 000
C. Applicatieservices vanaf 2008 incl.outsourcing. 21 200 28 900 25 100
D. Ontwikkeling incl. detachering 29 600 21 900 27 000
E. Directe doorbelastingen en diversen 36 300 21 500 16 700
Totaal 131 200 119 000 114 300

Toelichting 1a Werkplek:

• 1a – Met ingang van 2008 bevat het werkplektarief ook de aan DICTU in rekening gebrachte huisvestingskosten. Met ingang van 2009 ook de kosten voor Oracle EBS-applicatie. Overige stijging is een gevolg van algemene prijsstijging.

Balans per 31 december 2009Bedragen x € 1 000
  31-12-2009 31-12-2008
Activa    
Immateriële vaste activa 19 503 11 326
Materiële vaste activa    
* grond en gebouwen    
* installaties en inventarissen 10 448 9 134
* overige materiële vaste activa 0 0
Voorraden    
Debiteuren 9 389 8 852
Nog te ontvangen 5 703 6 584
Liquide middelen 4 863 9 724
Totaal Activa 49 906 45 620
     
Passiva    
Eigen vermogen    
* exploitatiereserve – 14 995 – 9 283
* verplichte reserves 15 902 9 283
* onverdeeld resultaat 232 907
Leningen bij het ministerie van Financiën 19 996 15 208
Voorzieningen 387  
Crediteuren 5 405 13 062
Nog te betalen kosten 22 979 16 443
Totaal Passiva 49 906 45 620
Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1) (4)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 109 100 112 065 2 965 117 164
Opbrengst overige departementen        
Opbrengst derden 1 000 2 263 1 263 1 827
Rentebaten 0 0 0 0
Vrijval voorzieningen        
Bijzondere baten        
Totaal baten 110 100 114 328 4 228 118 991
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten 48 196 71 287 23 091 62 903
* materiële kosten 54 026 33 641 – 20 385 48 920
Rentelasten 1 200 1 141 – 59 957
Afschrijvingskosten        
* materieel 5 778 5 037 – 741 3 744
* immaterieel 900 2 603 1 703 776
Overige lasten        
* dotaties voorzieningen 0 387 387 784
* buitengewone lasten        
Totaal lasten 110 100 114 096 3 996 118 084
         
Saldo van baten en lasten 0 232 232 907

Kasstroomoverzicht 2009

Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 2009 706 9 724 9 018
2. Totaal operationele kasstroom 6 678 7 482 804
  a. Totaal investeringen (-/-) – 10 000 – 17 131 – 7 131
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 0 0 0
3. Totaal investeringskasstroom – 10 000 – 17 131 – 7 131
  a. Eenmalig uitkering aan Moederdepartement (-/-) – 706 0 706
  b. Eenmalige storting door Moederdepartement (+) 0 0 0
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 6 678 – 8 307 – 1 629
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 10 000 17 722 7 722
  e. Toename kortlopend deel leningen (-/-) 0 – 4 627 – 4 627
4. Totaal financieringskasstroom 2 616 4 788 2 172
5. Rekening courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4) 0 4 863 4 863

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

Profiel

De Dienst Landelijk Gebied (DLG) realiseert groene plannen voor 16 miljoen Nederlanders. DLG zoekt altijd naar samenwerking en oplossingen die passen bij de (bestuurlijke) wensen en de eigenschappen van het gebied. Bij het inrichten van groene gebieden voor recreatie, natuur, water of landbouw, vertaalt DLG abstract beleid naar uitvoering in concrete projecten. Voor haar opdrachtgevers verwerft en ontwikkelt de dienst gronden, richt die grond opnieuw in en draagt het gebied vervolgens over aan gebiedsbeherende instanties en individuele agrariërs.

Ook brengt DLG geldstromen bij elkaar en heeft de dienst inzicht in subsidiemogelijkheden. DLG werkt binnen één opdracht voor meerdere overheden. Met de hulp van het uitgebreide netwerk van overheden en organisaties worden projecten gerealiseerd.

DLG is een baten-lastendienst van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De dienst werkt voor bestuurlijke opdrachtgevers en voert wettelijke taken uit.

Financieel resultaat

De Dienst Landelijk Gebied heeft 2009 afgesloten met een licht positief resultaat van € 0,071 mln. bij een omzet van € 139,554 mln. exclusief rentebaten /vrijval voorzieningen. DLG heeft hogere opbrengsten gerealiseerd, dan begroot. De winst binnen de hogere omzet ligt voornamelijk bij de opdrachten die DLG voor overige departementen en derden uitvoert.

Tegenover de hogere baten staan ook hogere personele en materiële kosten. Zo zag DLG zich geconfronteerd met onverwacht hogere werkgeverslasten, waarvoor het compensatie heeft ontvangen van het ministerie van LNV.

Daarnaast heeft DLG in 2009 haar balans opgeschoond. Met behulp van een impairmenttest zijn de immateriële activa beoordeeld en waarnodig van de balans gehaald. Ten behoeve van de implementatie Rijkshuisstijl bij DLG en de voorziene transitiekosten als gevolg van de Veranderopgave heeft DLG in 2009 kasgeld van LNV ontvangen wat in 2010 en verder zal worden aangewend.

Prestatiegegevens

Prestaties en kwalitatieve indicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren c.q. kengetallen per 31 december 2009
Omschrijving generieke deel 2006 2007 2008 2009 t (index)
Kostprijzen per product (groep)
Tarieven/uur: Gemiddelde prijs per uur (LNV-tarief) € 87,70 € 92,84 € 100,76 € 101,22  
           
Omzet per produktgroep (pxq)          
Verwerving en vervreemding grond 14 618 19 451 20 967 22 644  
Exploitatie grond 1 044 1 144 1 613 1 523  
Plan vorming 12 530 17 162 23 429 23 094  
Plan uitvoering 45 943 43 478 42 441 41 110  
Adviezen aanvragen 6 265 5 721 8 820 6 675  
Uitvoeren subsidie regelingen 12 530 10 297 8 212 10 047  
Adviezen algemeen en beleid 9 398 16 018 19 990 24 448  
Informatieverstrekking 2 088 1 144 829 1 499  
Totaal 104 416 114 415 126 300 131 040  
           
FTE-totaal (excl. externe inhuur) 1 215 1 265 1 361 1 352  
Saldo van baten en lasten (%) 2,02% 1,90% – 0,08% 0,05%  

Prestaties

Inzet in uren en % van totaal uren per productgroep
Producten Realisatie 2009 Begroting 2009
Verwerving/ Vervreemding grond 226 066 17% 136 896 11%
Exploitatie grond 15 201 1% 19 339 2%
Planvorming 230 565 18% 140 856 12%
Planuitvoering 410 433 31% 527 516 44%
Adviezen aanvragen 66 646 5% 92 905 8%
Uitvoering subsidieregelingen 100 305 8% 127 380 11%
Advisering algemeen en beleid 241 555 19% 126 392 10%
Informatieverstrekking 14 965 1% 23 884 2%
Totaal 1 305 736 100% 1 195 168 100%

In 2009 heeft DLG 1 305 736 direct productieve uren gerealiseerd. Dat is 110 568 uren meer dan was begroot. De fte stand van DLG op 31 december 2009 bedroeg 1 352 fte. Dit is 22 fte boven de LNV toegestane formatie conform de Veranderopgave (1 330 fte). Van de 1 352 fte voeren 9 fte werkzaamheden uit die vallen onder de criteria van het Fonds Incidentele Opdrachten. DLG heeft in 2009 een beroep gedaan op extra fte ruimte vanuit die Fonds.

Aantallen prestaties per productgroep
Producten Prestatie Realisatie 2009 Begroting 2009
Verwerving grond Ha verworven 10 248 5 691
Vervreemding grond Ha vervreemd 8 243 6 991
Exploitatie grond Ha gemiddeld in bezit 37 545 36 012
Planvorming Ha onderhanden 447 991
Planuitvoering Ha onderhanden 641 563 687 317
Adviezen aanvragen Geleverde adviezen aanvragen 26 142 9 389
Advisering algemeen en beleid Schriftelijke Adviesopdrachten 1e, 2e en 3e 119

DLG heeft in 2009 als gevolg van een gunstiger klimaat meer grond kunnen verwerven dan begroot. Als gevolg daarvan is ook het gemiddeld aan hectares in bezit toegenomen.

DLG kan als gevolg van het uitfaseren van één van haar oude systemen niet langer aangeven hoeveel hectares er in 2009 onderhanden de planvormingfase verkeerden.

Het aantal adviesaanvragen is net als in 2008 hoger dan begroot. Dit is voornamelijk het gevolg van een andere manier van registreren van deze gegevens.

Hoewel DLG nog steeds schriftelijke adviesopdrachten 1e, 2e en 3e verricht, wordt dit niet langer apart bijgehouden in systemen. Derhalve is niet aan te geven hoeveel de realisatie exact bedraagt.

De huidige indicatoren zijn opgesteld om prestaties te meten voor de invoering van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). Als gevolg van de vernieuwing van processen en systemen conform de kaders van de WILG, is het niet altijd meer mogelijk om alle prestatie-indicatoren uit de bronsystemen te genereren. DLG stelt voor om in de begroting van 2011 alleen nog prestaties en indicatoren op te nemen die én meetbaar zijn én van toegevoegde waarde zijn op de huidige situatie waarbinnen DLG opereert.

Doelmatigheidsgegevens

Doelmatigheidsindicatoren
  Realisatie 2009 Begroting 2009
Gemiddeld aantal direct productieve uren per fte werkzaam in de projecten 1 179 1 180
Verhouding tussen directe en indirecte uren 68,7%/31,3% 67,8%/32,2%
Verhouding tussen directe en indirecte uren waarbij financiële toeslag is toegerekend aan de directe uren 71,7%/28,3% 70,9%/29,1%
Gemiddelde prijs per uur (LNV tarief) exclusief huisvestingskosten € 95,13 € 98,02
Gemiddelde prijs per uur (LNV tarief) inclusief huisvestingskosten € 101,22 € 104,22

DLG heeft de direct productieve uren per fte conform de begroting (voorcalculatie) gerealiseerd. Hetzelfde betreft voor de verhouding tussen directe en indirecte uren, die ca. 1% beter is dan verwacht.

Balans per 31 december 2009

Bedragen x € 1 000
  Balans 31-12-2009 Balans 31-12-2008
Activa    
Immateriële activa 10 113 13 179
Materiële activa    
– grond en gebouwen 0 0
– installaties en inventarissen 1 840 1 977
– overige materiële vaste activa 3 612 3 952
Voorraden 0 6 021
Debiteuren 9 059 8 426
Nog te ontvangen LNV 186 279
Overige nog te ontvangen 6 468 109
Liquide middelen 3 320 8 192
Totaal activa 34 598 42 135
     
Passiva    
Eigen Vermogen    
– exploitatiereserve – 4 002 – 6 904
– verplichte reserve 10 070 13 085
– onverdeeld resultaat 71 – 113
Leningen bij het MvF 8 014 12 779
Voorzieningen 818 1 004
Crediteuren 1 430 2 631
Nog te betalen LNV 0 475
Nog te betalen 18 197 19 178
Totaal passiva 34 598 42 135

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009

Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)  
Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 104 178 111 940 7 762 111 750
Opbrengst overige departementen 2 745 6 455 3 710 8 291
Opbrengst derden 11 702 21 159 9 457 13 804
Rentebaten 300 13 – 287 468
Vrijval uit voorzieningen 0 498 498 0
Bijzondere baten        
Totaal baten 118 925 140 065 21 140 134 313
         
Lasten        
Apparaatskosten        
– personele kosten 77 870 89 847 11 977 87 450
– materiële kosten 31 344 43 626 12 282 40 030
Rentelasten 1 055 754 – 301 745
Afschrijvingskosten        
– materieel 2 161 1 393 – 768 1 382
– immaterieel 6 395 4 212 – 2 183 3 981
Overige lasten        
– dotaties voorzieningen 100 162 62 839
– bijzondere lasten 0 0 0 0
Totaal lasten 118 925 139 994 21 069 134 427
         
Saldo van baten en lasten 0 71 71 – 113

Kasstroomoverzicht per 31 december 2009

Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RHB 1 januari 2009 + stand depositorekeningen 6 408 8 192 1 784
2. Totaal operationele kasstroom 8 555 2 767 – 5 788
  a. Totaal investeringen (-/-) – 14 873 – 3 589 11 284
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 0 1 532 1 532
3. Totaal investeringskasstroom – 14 873 – 2 057 12 816
  a. Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) 0 0 0
  b. Eenmalige storting door het moederdepartement (+) 0 0 0
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 8 555 – 6 464 2 091
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 14 873 882 – 13 991
4. Totaal financieringskasstroom 6 318 – 5 582 – 11 900
5. Rekening-courant RHB 31 december 2009 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) 6 408 3 320 – 3 088

Dienst regelingen (DR)

Profiel

Dienst Regelingen is sinds 1 januari 2006 een baten-lastendienst van het Ministerie van LNV. Samen met enkele andere uitvoerende organisaties van het Ministerie is DR de «huisuitvoerder» van LNV regelingen. Het moederdepartement is de belangrijkste opdrachtgever van DR. Daarnaast streeft DR er actief naar om met haar expertise op het gebied van met name de uitvoering van «Europese regelingen» en als facilitair bedrijf bij crisis, ook andere (overheids)opdrachtgevers te verwerven. DR wil daarbij partner in beleid zijn voor opdrachtgevers vanuit een transparante en zakelijke verhouding. De opdrachten van DR betreffen met name:

• De uitvoering van EU-regelingen, verordeningen en verplichtingen;

• Identificatie en Registratie van dieren, percelen en bedrijven;

• Vergunningen en ontheffingen;

• Subsidieregelingen en financieringsregelingen;

• Het plattelandsontwikkelingsbeleid;

• Het mestbeleid;

• De crisisbestrijding.

Enerzijds gaat het om het uitvoeren van subsidieregelingen (bijv. Bedrijfstoeslagregeling), waarbij de subsidieverkrijger «direct voordeel» heeft bij de uitvoering. Anderzijds betreft het de uitvoering «regulerende regelingen» (bijvoorbeeld in het mestbeleid, dat gericht is op het bereiken van milieudoelstellingen). Doelgroepen zijn met name agrarische ondernemers, maar ook bijvoorbeeld natuurbeschermingsorganisaties

Financieel resultaat

Het vaststellen van de financiële verantwoording en resultaatbestemming is de verantwoordelijkheid van de Secretaris-generaal van LNV, in zijn hoedanigheid van eigenaar van DR. De financiële verantwoording, de accountantsverklaring en het voorstel voor resultaatbestemming worden aan hem voorgelegd. Het saldo van baten en lasten is over het boekjaar 2009 € 3,291 mln. positief, gerubriceerd onder het eigen vermogen.

De exploitatiereserve is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar. De maximaal toegestane omvang van de exploitatiereserve bedraagt € 8,6 mln.

Prestaties

In deze paragraaf zijn tabellen met kengetallen en indicatoren opgenomen. De tabel is aangepast voor de nieuwe (beleidskern)indeling.

Directie
  Aantal regelingen Aantal prestaties Integrale kosten (x € mln.)
  2009 begroting 2009 realisatie 2009 begroting 2009 realisatie 2009 begroting 2009 realisatie
Directie Agroketens en Visserij (AKV) 88 122 426 565 342 826 91,5 98,1
Directie Natuur, Landschap en Platteland (NLP) 45 53 61 820 54 051 21,8 40,7
Programmadirectie Natura 2000 1 1 4 500 3 850 0 2,8
Directie Voedsel, Dier en Consument 29 33 1 030 2 653* 1,9 8,1
Directie Kennis 3 5 1 133 1 228 0,7 1,1
Algemeen 4 0 5,0
Totaal LNV 166 218 495 048 404 608 115,9 155,8

* in de begroting 2009 was voor een aantal regelingen nog geen prestaties opgenomen, m.n. bij I&R dierregistraties. Voor de vergelijkbaarheid zijn de prestaties voor deze regelingen in bovenstaande tabel niet meegenomen. Daarnaast is de indeling op regelingen vervangen door Opdrachten(clusters). De vergelijkbaarheid van de verantwoording met de begroting wordt beperkt doordat de prestaties van een aantal regelingen op een andere wijze geregistreerd zijn.

Kwaliteitsindicatoren/doelmatigheidsgegevens

In de begroting 2009 zijn een aantal kwaliteitsindicatoren/doelmatigheidsgegevens opgenomen. Deze zijn hieronder aangegeven. Tevens is de score van 2008 aangeven.

Percentage gegronde bezwaren

DR besteedt veel aandacht aan het verbeteren van het bezwaar- en beroeptraject. Tegelijkertijd wordt hiermee energie gestoken in het terugdringen van het aantal gegrondverklaringen. Deze indicator beoogt de kwaliteit van het proces van uitvoering en/of de kwaliteit van regelgeving te meten. Daarbij dient wel de nuance te worden gemaakt tussen gegrondverklaring op basis van wet- en regelgeving of op basis van het uitvoeringsproces. DR verwachtte in de begroting in 2009 35% van de bezwaren gegrond te zullen verklaren. Het aantal ontvangen bezwaren over 2009 was 9 123 stuks. Het percentage gegronde bezwaren varieert sterk per regeling, maar kwam uit op 28%. Dit is een lichte stijging ten opzichte van vorig jaar, maar blijft ruim onder het streefcijfer. Deze lichte stijging gegronde bezwaren is in belangrijke mate toe te rekenen aan de bezwaren die in het kader van de BTR 2009 zijn afgehandeld.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Percentage gegrond 23% 35% 28%

Uurtarief

Ten tijde van de begroting 2009 was het tarief 2009 nog niet vastgesteld, daarom is in de begroting nog uitgegaan van het tarief 2008. Met ingang van 2009 is een stelselwijziging voor de berekening van het uurtarief doorgevoerd, waarbij er meer kosten onder het uurtarief zijn gebracht (integrale kostprijs). Het vastgestelde en gehanteerde uurtarief voor 2009 kwam daarmee uit op€ 93,80.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Uurtarief 64,19 64,19 93,80

Score vanuit de omgeving

DR hecht veel waarde aan de tevredenheid van haar doelgroep. Dit wordt met diverse methodes onderzocht, onder andere met een klanttevredenheidsonderzoek. Eind 2009 is dit weer uitgevoerd, waarbij specifieke aandacht is geweest voor de digitale dienstverlening. De score voor de totale dienstverlening was bij dit onderzoek een 6,8. Het gemiddelde cijfer voor de online-dienstverlening was een 7,0.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Score 6,4 6,5 6,8

Gerealiseerde productiviteit

De productiviteit van de ambtelijke medewerkers zegt iets over de doelmatigheid van de bedrijfsvoering: hoe efficiënt is de dienst geweest, gegeven de inzet van ambtelijk personeel, in het realiseren van haar doelstellingen en de uitvoering van haar productenpakket? Directe uren buiten jaarplan en indirect (productieve) uren worden meegenomen. Uren voor ziekte en verlof worden buiten beschouwing gelaten. Hoe hoger het percentage, hoe efficiënter het omzettingsproces beschikbare uren naar productieve uren. Dit heeft een kostenverlagend effect. Ten opzichte van 2008 is de productiviteit licht afgenomen tot 75,8%.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Percentage 77,7% 76,5% 75,8%

Telefonische bereikbaarheid

Een van de indicatoren die een groot effect heeft op de tevredenheid van de doelgroep is de telefonische bereikbaarheid. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen service-level (het percentage van de inkomende telefoongesprekken dat binnen 30 seconden is behandeld) en de bereikbaarheid (het percentage binnengekomen calls dat daadwerkelijk wordt opgenomen). De in de begroting 2009 opgenomen doelstelling voor 2009 was om 70% van de gesprekken binnen 30 seconden te beantwoorden.

Over het jaar 2009 heeft het callcenter 315 000 telefoontjes afgehandeld met een service-level van 73% en een bereikbaarheid van 95%. Alle indicatoren die zijn afgesproken met de opdrachtgevers zijn hiermee gehaald.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Telefonische bereikbaarheid: Service-level 75% binnen 30 seconden 70% binnen 30 seconden 73% binnen 30 seconden
Bereikbaarheid 94% 90% 95%

Aantal klachten

De ontvangen klachten zijn divers en variëren van te lange doorlooptijden en onjuiste registraties tot klachten met betrekking tot regelgeving en beleid van LNV. DR had zichzelf als doel gesteld in 2009 minder dan 50 formele klachtenbrieven te ontvangen. Dit is gelukt. De meeste klachten hadden betrekking op de BTR en Perceelsregistratie.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Aantal ontvangen formele klachtenbrieven 65 < 50 46

Doelgroep

Sinds 2004 maakt DR gebruik van praktijkpanels. In deze panels worden vragen voorgelegd aan vertegenwoordigers van de agrarische sector. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om beoordeling van een conceptformulier, een verzoek om mogelijke knelpunten in de uitvoering aan te geven of een keuze te maken uit verschillende uitvoeringsvarianten, echter niet om beleidsvragen. DR vindt het van belang dat het bij de deelnemers aan de praktijkpanels duidelijk is wat er met de uitkomsten hiervan wordt gedaan. In het voorjaar 2008 is gestart met een andere vorm van doelgroepparticipatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een internetpanel en kunnen deelnemers ook nog voor een fysieke bijeenkomst worden gevraagd. Het grote voordeel van de nieuwe panels is, dat ze meer flexibel zijn in te zetten.

In 2009 zijn over onderstaande onderwerpen zes metingen gedaan bij het internetpanel. Deze metingen betroffen:

• GDI Toekomst: andere aanlevering bedrijfsgegevens;

• Elektronische vervoersbewijzen: per 1 januari 2010 elektronisch haalbaar?;

• BTR: uitvoering van de regeling, aanvraag, uitvoering en bezwaar, plus verbeteringen;

• Track and tracing: behoefte onderzoek.

De leden hebben elke keer een verslag gehad van alle door de panelleden gemaakte opmerkingen. Bij de meting over de elektronische vervoersbewijzen is ook aangegeven wat DR met de opmerkingen heeft gedaan.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Tevredenheid praktijkpanels over opvolging adviezen Niet gemeten voldoende neutraal

Betaalschema BTR

Uitbetaling van de BTR vindt plaats binnen de vastgestelde EU-regelgeving, uiterlijk 1 juli. De indicator heeft betrekking op de uitbetaling per 31 december.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Betaalschema BTR 77% 80–85% 86,3%

Aandeel digitaal aanleveren

DR wil de dienstverlening naar de doelgroep optimaliseren door zoveel mogelijk informatie digitaal uit te wisselen. De indicator heeft betrekking op aanvragen die binnen GDI worden ingewonnen.

Omschrijving/jaar Realisatie 2008 Begroting 2009 Realisatie 2009
Aandeel digitaal verwerkte aanvragen 40% 60% 74%
Balans per 31 december 2009Bedragen x € 1 000
  31-12-2009 31-12-2008
Activa    
Immateriële vaste activa 40 086 49 375
Materiële vaste activa    
– grond en gebouwen 806 1 016
– installaties en inventarissen 1 654 1 716
– overige materiële vaste activa 0 3 273
Debiteuren 3 131 5 435
Nog te ontvangen 10 905 10 626
Liquide middelen 23 182 4 534
Totaal activa 79 764 75 975
     
Passiva    
Eigen Vermogen    
– exploitatiereserve – 39 636 – 49 428
– verplichte reserves 40 086 49 345
– onverdeeld resultaat 3 291 534
Leningen bij het MvF 27 192 24 771
Voorzieningen 0 0
Crediteuren 7 733 6 748
Nog te betalen 41 098 44 005
Totaal passiva 79 764 75 975
Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)  
Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 115 936 155 768 39 832 150 605
Opbrengst overige departementen 5 900 4 294 – 1 606 6 441
Opbrengst derden 12 400 17 013 4 613 14 771
Rentebaten 200 150 – 50 411
Totaal baten 134 436 177 225 42 789 172 228
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten 61 728 84 613 22 885 83 930
* materiële kosten 45 608 72 794 27 186 69 338
Rentelasten 1 900 1 422 – 478 1 756
Afschrijvingskosten        
* materieel 1 000 795 – 205 2 724
* immaterieel 24 200 14 310 – 9 890 13 946
Overige lasten 0      
* dotaties voorzieningen 0 0 0 0
* buitengewone lasten 0      
Totaal lasten 134 436 173 934 39 498 171 694
         
Saldo van baten en lasten 0 3 291 3 291 534
KasstroomoverzichtBedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RHB 1 januari 2009 5 885 4 536 – 1 349
2. Totaal operationele kasstroom 20 961 25 226 4 265
  a. Totaal investeringen (-/-) – 15 000 – 10 332 4 668
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 0 4 737 4 737
3. Totaal investeringskasstroom – 15 000 – 5 595 9 405
  a. Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) 0 0 0
  b. Eenmalige storting door het moederdepartement (+) 0 0 0
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 19 874 – 21 786 – 1 912
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 15 000 20 800 5 800
4. Totaal financieringskasstroom – 4 874 – 986 3 888
5. Rekening-courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4) 6 972 23 181 16 209

Plantenziektenkundige dienst (PD)

Profiel

De opdracht van de Plantenziektenkundige Dienst is het weren, vrijwaren, bestrijden en beheersen van ziekten en plagen in de plantaardige sector. Dit om een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen, de handel zoveel mogelijk ongestoord te laten plaatsvinden en het Nederlands landschap in stand te houden. Een duurzame, veilige en concurrerende land- en tuinbouw betekent onder andere minder gebruik en minder afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen. Het voorkomen, dan wel beperken van ziekten en plagen levert daaraan een belangrijke bijdrage. De Plantenziektenkundige Dienst voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, Europese regelgeving en internationale verdragen.

Voor de uitvoering van wettelijke taken waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is, en voor beleidsondersteuning ten behoeve van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontvangt de Plantenziektenkundige Dienst een bijdrage van het ministerie van LNV. Voor de uitvoering van wettelijke taken waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de Plantenziektenkundige Dienst een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Indien de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor derden uitvoert, betreft dat opdrachten die niet conflicteren met de wettelijke taken en bijdragen aan kennis en/of gelijkmatige arbeidsfilm.

Financieel resultaat

De PD heeft over 2009 een positief resultaat behaald van € 0,148 mln.

De opbrengsten waren € 7,1 mln. hoger dan begroot, als gevolg van additionele opdrachten door het moederdepartement (€ 4,2 mln., doorbelaste (project) kosten (€ 2,4 mln.) en opbrengst derden (€ 0,5 mln.). De additionele opdrachten betreffen met name Team Toezicht en Transport, Cliënt Export, Inspecties Russische Federatie en Centrum Monitoring Vectoren.

De personele kosten zijn als gevolg van de additionele opdrachten en projecten € 4,9 mln. hoger dan begroot. De materiële kosten zijn als gevolg van de additionele opdrachten en doorbelaste (project)kosten € 1,4 mln. hoger dan begroot. Tevens is er € 0,4 mln. gedoteerd aan diverse voorzieningen zoals personeel en projecten. De totale kosten zijn € 6,9 mln. hoger dan begroot.

Prestaties

Beheersingindicatoren
Indicator Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009
1. Bezetting 98% 99% 100%
2. Productiviteit PD 48% 51,2% 52%
3. Verhouding inhuur-vast 93% 95% 100%
4. Verzuimpercentage 4,65% 5,46% <3,6%
5. Meldingspercentage 1,62% 1,30% <1,5%
6. Verzuimduur 14,00 < 13
7. Aantal P4 gesprekken 43,3% 110%

Definities

• Bezetting = Aanwezig aantal fte totaal PD, vast en inhuur.

• Productiviteit = Totale uren organisatie minus niet productieve uren organisatie / totale uren organisatie

• Verhouding vast – inhuur = Percentage ambtelijk personeel op de totale bezetting.

• Verzuimpercentage = Het «ziekteverzuimpercentage» is het aantal verzuimde kalenderdagen (inclusief weekenden) in de observatieperiode enerzijds, gedeeld door de personeelsomvang vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen in de periode anderzijds.

• Meldingsfrequentie = De «meldingsfrequentie» geeft het totaal aantal in de observatieperiode aangevangen verzuimgevallen weer ten opzichte van het gemiddeld aantal personeelsleden.

• Verzuimduur = De «gemiddelde ziekteverzuimduur» geeft het totaal aantal dagen weer dat medewerkers in een bepaalde periode per ziekmelding gemiddeld hebben verzuimd. De gemiddelde verzuimduur in een periode is gelijk aan de som van verzuimuren van de verzuimgevallen die in de periode geëindigd zijn, gedeeld door het aantal van deze gevallen.

• Aantal P4 gesprekken = aantal geregistreerde P4 gesprekken met medewerkers in vaste of tijdelijke dienst per afdeling en PD totaal.

Toelichting

• Het percentage ambtelijk personeel is lager dan de streefwaarde. Waar in toenemende mate tegen wordt aangelopen is het opvullen van vacatures. Voornaamste reden hiervoor is dat er als gevolg van de taakstelling efficiency rijksdienst alleen tijdelijke contracten kunnen worden afgesloten.

• Het ziekteverzuim incl. de langdurig zieken (> 1 jaar) ligt boven de streefwaarde. Door een afnemende totaalbezetting, neemt de verhouding langdurig zieken t.o.v. de totale bezetting en daardoor ook het verzuimpercentage, toe.

Kwalitatieve indicatoren

Fytosanitair systeem
Indicator Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009
1. Weren 1,42% 0,20% 0,85%
2. Monitoren 1,75% 0,96% 1,11%
3. Vrijwaren 0,04% 0,03% 0,88%
4. Notificaties (inkomend) 0,83% 0,32% 1,11%
5. Aantal Quick scans 35 46 50
6. Aantal PRA’S 3 6 5

Definities

• Weren = Aantal Q-vondsten bij weren/ aantal zendingsinspecties weren x 100%

• Monitoren = Aantal Q-vondsten bij monitoren / aantal bedrijfs- en perceelinspecties monitoring x 100%

• Vrijwaren = Aantal Q-vondsten bij vrijwaren / aantal zendingsinspecties vrijwaren x 100%

• Notificaties = Aantal zendingen afgekeurd door landen / aantal zendingen naar landen x 100%

• Aantal Quickscans = Aantal uitgevoerde Quickscans

• Aantal PRA’s = aantal uitgevoerde PRA’s

Kennis
Indicator Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009
1. Expertbijdragen 700 591 216
2. Publicaties 86 60 19
3. Diagnostische protocollen 39 78 17

Definities

• Expert bijdragen = cumulatief aantal bijdragen aan vastgestelde expertgroepen

• Publicaties = cumulatief aantal publicaties en voordrachten in/aan vastgestelde lijst vakbladen/congressen/fora

• Diagnostische protocollen = cumulatief aantal diagnostische protocollen t/m periode X

Klanttevredenheid
Indicator Realisatie 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009
1. Bezwaar 8 11 16
2. Klachten 5 3 8
3. Klanttevredenheid product advies 5 5 >3
4. Afgehandelde diagnoses 7 438 6 353 6 000
5. Doorlooptijd notificaties (in dagen) 13,5 25 Pm

Definities

• Bezwaar = Het cumulatief aantal schriftelijk ingediende klachten tegen een beschikking (o.a. een factuur).

• Klachten = Het cumulatief aantal schriftelijk ingediende klachten.

• Klanttevredenheid/klachten product advies = aantal ontvangen klachten per product (inspecties, audits, diagnoses), aantal juridische procedures (beschikkingen).

• Afgehandelde diagnoses = aantal afgehandelde diagnoses tot en met de rapportageperiode.

• Doorlooptijd notificaties (werkdagen) = Het gemiddelde aantal werkdagen tussen diagnose van een Q-vondst en het uitsturen van een notificatie naar het exporterende land.

Toelichting

• Doordat alle certificaten vanuit China niet voldoen aan het FAO-model en daarom allen genotificeerd zouden moeten worden, is in eerste instantie besloten deze certificaten apart te houden en af te stemmen hoe hiermee om te gaan. Hierdoor is in 2009 tijdelijk de doorlooptijd toegenomen.

• Het proces van notificaties zal per 1 januari 2010 veranderen waardoor de doorlooptijd verkort wordt. De dossiers zullen zoveel mogelijk gedigitaliseerd worden om vertraging in het proces te minimaliseren, vermissing van stukken te vermijden, efficiëntie van inzet te vergroten.

• De aansturing van keuringsdiensten op het vlak van notificaties zal strakker worden aangehaald.

Balans per 31 december 2009Bedragen x € 1 000
  31-12-2009 31-12-2008
Activa    
Immateriële vaste activa 934 1 366
Materiële vaste activa    
* grond en gebouwen 0 0
* installaties en inventarissen 2 208 2 084
* overige materiële vaste activa 1 57
Voorraden 0 0
Debiteuren 378 788
Nog te ontvangen 2 394 368
Liquide middelen 4 372 5 460
Totaal Activa 10 287 10 123
     
Passiva    
Eigen vermogen    
* exploitatiereserve – 694 – 1 173
* verplichte reserves 934 1 366
* onverdeeld resultaat 148 47
Leningen bij het ministerie van Financiën 2 110 2 529
Voorzieningen 1 908 503
Crediteuren 928 676
Nog te betalen kosten 4 953 6 175
Totaal Passiva 10 287 10 123
Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1) (4)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 16 036 22 654 6 618 20 562
Opbrengst overige departementen        
Opbrengst derden 2 146 2 601 455 3 426
Rentebaten 30 33 3 190
Vrijval voorzieningen        
Bijzondere baten        
Totaal baten 18 212 25 288 7 076 24 178
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten 7 772 12 697 4 925 12 492
* materiële kosten 9 425 10 859 1 434 9 873
Rentelasten 165 147 – 18 101
Afschrijvingskosten        
* materieel 375 485 110 431
* immaterieel 475 544 69 802
Overige lasten        
* dotaties voorzieningen   408 408 432
* buitengewone lasten        
Totaal lasten 18 212 25 140 6 928 24 131
         
Saldo van baten en lasten 0 148 148 47
Kasstroomoverzicht 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 2009 2 500 5 460 2 960
2. Totaal operationele kasstroom 0 74 74
  a. Totaal investeringen (-/-) – 1 000 – 627 373
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)     0
3. Totaal investeringskasstroom – 1 000 – 627 373
  a. Eenmalig uitkering aan Moederdepartement (-/-)      
  b. Eenmalige storting door Moederdepartement (+)      
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 1 000 – 1 035 – 35
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 1 000 500 – 500
4. Totaal financieringskasstroom 0 – 535 – 535
5. Rekening courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4) 1 500 4 372 2 872

Voedsel en Warenautoriteit (VWA)

Profiel

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) werkt aan veilig en gezond voedsel, veilige producten en gezonde dieren. Daartoe brengt de VWA risico’s in beeld, beoordeelt ze, communiceert erover met en maakt ze beheersbaar in de samenleving.

De VWA draagt bij aan het beheersen en verminderen van gezondheid- en veiligheidsrisico’s. Hiertoe bewaakt de VWA de veiligheid van voedsel, consumentenartikelen en diergezondheid in de hele productie- en handelsketen.

De VWA wil haar missie realiseren door het uitoefenen van drie kerntaken, die samen de strategische driehoek vormen:

1. Toezicht op naleving van wet- en regelgeving op het gebied van voedsel, waren, diergezondheid en dierenwelzijn;

2. Risicobeoordeling en onderzoek: Het signaleren en analyseren van (mogelijke) bedreigingen en het uitvoeren van wetenschappelijke risicobeoordeling;

3. Risicocommunicatie: het communiceren over risico’s en het beheersen en verminderen daarvan op basis van betrouwbare informatie.

Financieel resultaat

De VWA sluit het jaar 2009 af met een negatief financieel resultaat ad. € 1,4 mln. De extra kosten VWA voor het ProgrammaBureau Fusie (PBF) zijn uitgekomen op een bedrag van € 1,2 mln. en aan fusiegerelateerde kosten is een bedrag van € 4,4 mln. uitgegeven. Het resultaat van de VWA zonder extra bijdrage aan PBF is negatief € 0,2 mln.

Opbrengsten moederdepartement en overige departementen

De totale opbrengsten moederdepartement bedragen € 46,2 mln. De niet volledig gerealiseerde projecten zijn op de post vooruitontvangen bedragen geboekt en worden in 2010 afgerond.

Daarnaast is het beschikbaar gestelde bedrag van € 7,7 mln. opgenomen voor de voorziening leegstand panden nVWA als gevolg van de fusie. Een deel hiervan is overgeheveld naar de fusiepartners vanwege de leegstand van panden bij de betreffende fusiepartner.

VWS

De totale opbrengst van VWS bedraagt € 81,6 mln. De niet volledig gerealiseerde projecten ad € 0,8 mln. zijn op de balans opgenomen. Van VWS is € 1,0 mln. (loonprijsbijstelling 2009) minder ontvangen ten opzichte van het goedgekeurde jaarplan 2009.

Opbrengst DGF

De opbrengst DGF ad € 1,2 mln. is gebaseerd op de eindverantwoording uit het toezichtarrangement diergezondheid en dierziekte 2009. Het betreft hier een bijdrage ad € 0,9 mln. voor het afhandelen van verdenkingen en uitbraken van dierziekten (o.a. Blue Tongue, TBC, Aviaire Influenza en TSE enz.) en een bijdrage van € 0,3 mln. voor netto uren besteed aan Q-koorts.

Opbrengst derden (inclusief overige baten)

De opbrengsten derden ad € 57,4 mln. over 2009 zijn in lijn met de begroting. In het saldo van opbrengst derden zit een post ad € 2,1 mln. voor overige baten.

Lasten

De realisatie van de personeelskosten is beduidend hoger dan begroot. Naast de CAO-stijging is de salarissom beduidend hoger dan in 2008. Vertraging van het fusietraject vertraagt de bezuinigingsmogelijkheden. Verder heeft er ook een instroom plaatsgevonden van met name duurdere medewerkers (dierenartsen).

De kosten inhuur externen en uitzendkrachten zijn t.o.v. 2008 gestegen en blijven een punt van aandacht. Om het primaire werk ondanks de uitstroom van personeel op peil te houden is voor diverse projecten externe ondersteuning ingehuurd. Ook bij de ondersteuning van het ProgrammaBureau Fusie (PBF) is externe inhuur nodig geweest.

Solvabiliteit en liquiditeit

De solvabiliteit (eigen vermogen/totaal vermogen) van de VWA bedraagt totaal 8% (2008 9%). Het eigen vermogen blijft binnen de door Financiën aangegeven grenzen.

Het liquiditeitskengetal Quick ratio (vlottende activa minus voorraden/kortlopende schulden)) bedraagt per 31 december 2009 1,55 (31-12-2008: 1,42). De liquiditeitspositie van de VWA is goed op orde.

Prestaties en doelmatigheidsgegevensInspecties en keuringsuren
Inspectie-uren Begroting 2009aantal uren Realisatie
Voedselveiligheid 200 000 141 105
Productveiligheid 45 000 40 816
Drank, horeca, tabak 100 000 118 260
Overige inspecties 175 000 105 743
(netto) Keuringsuren 275 000 348 165

Bron: MCS

Bestuurlijke boetes
Aantal boetebeschikkingen per wet Begroting 2009 Realisatie
Warenwet 3 300 2 670
Tabakswet 300 3 300
Drank- en horecawet 400 192
Bezwaren en beroepen
Aantal bezwaren en beroepen Begroting 2009 Realisatie
Bezwaren 400 1 150
Beroepen 80 57
Hoger beroep 40 13

Bron: ABB, JZ

Het aantal boetebeschikkingen met betrekking tot de tabakswet is gestegen doordat eind 2008 het toezicht op het recht op een rookvrije werkplek in de horeca is geïntensiveerd. Vooral in de kleine cafés bestond hiertegen veel weerstand. Dit zorgt mede door het aantal gestegen bezwaren die gerelateerd zijn aan de tabakswet.

Extern gerichte indicatoren

Klachten over handelen VWA

Deze indicator heeft betrekking op de uitvoering van het beleid door VWA medewerkers (inclusief facturering). Het beleid zelf is vastgesteld door de beide opdrachtgevers, de ministeries van LNV en VWS. In de onderstaande tabel staat behalve het absolute aantal klachten ook het relatieve belang ervan weergegeven in de kolom %. Dit percentage is berekend door het aantal klachten te delen door het aantal inspecties respectievelijk monsteranalyses en – voor de keuringen – door het aantal uren.

Werkzaamheden Begroting 2009 Realisatie
Inspecties 0,06% 0,01%
Monsteranalyses 0,05% 0,02%
Keuringen 0,02% 0,01%

Bron: MCS (regio), JZ

Afhandelsnelheid informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen

Het streven is dat de informatieverzoeken en klachten/incidentmeldingen die bij de meldkamer van de VWA binnenkomen binnen 6 weken worden afgehandeld. Voor een deel van deze verzoeken kan de behandeltermijn van 6 weken vaak niet worden gehaald, omdat het handhavingtraject langer is.

Het percentage behandeling verzoeken, klachten/meldingen < 6 weken is 93,96%.

De oorzaak dat er 6,04% klachten > 6 weken geregistreerd zijn, komt doordat er 6 977 TRH (Tabaksklachten Roken in de Horeca) geregistreerd zijn, waarvoor de 6 weken termijn niet gehaald kan worden vanwege het grote aantal klachten.

  Begroting 2009 Realisatie
Totale hoeveelheid verzoeken en klachten/meldingen 40 000 38 322
Waarvan klachten over voedsel, producten en dieren 6 500 4 313
Percentage behandeling verzoeken, klachten/meldingen < 6 weken 95% 93,96%

Bron: meldkamer

Bekendheid

Met betrekking tot de naamsbekendheid van de VWA wordt een onderscheid gemaakt tussen spontane en geholpen naamsbekendheid.

  Begroting 2009 Realisatie
Spontaan 20% 16%
Geholpen 80% 62%

Bron: bekendheidsonderzoek 2009 Trendview

Gevoel van product- en voedselveiligheid

Algemene doelstelling is dat het gevoel van veiligheid niet achteruit gaat.

De indicator voedselveiligheid heeft betrekking op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedingsmiddelen (consumentenmonitor). De indicator heeft een schaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (helemaal mee eens). De VWA meet de onderstaande drie stellingen.

Voedselveiligheid Begroting 2009 Realisatie
Voedingsmiddelen worden steeds veiliger 3,36 3,35
Ik maak me zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen 2,70 2,54
Ik voel me onbehaaglijk over de veiligheid van voedingsmiddelen 2,55 2,41

Bron: VWA Consumentenmonitor, 2009, Den Haag

Doelmatigheidsgegevens

Indexcijfer (2007=100) 2007 2008 2009
Gemiddelde uurtarief * 100 104,6 117,8
Gemiddelde productieve uren per medewerker      
Keuringen en inspecties 100 100 96,5
Overig 100 100 100

* binnen de VWA wordt gewerkt naar integrale kosten. Dit zorgt voor de komende jaren voor een stijging.

Balans per 31 december 2009Bedragen x € 1 000
  31-12-2009 31-12-2008
Activa    
Immateriële vaste activa 3 795 2 595
Materiële vaste activa    
* grond en gebouwen 2 843 3 659
* installaties en inventarissen 2 665 3 712
* overige materiële vaste activa 8 358 6 150
Voorraden 1 411 1 550
Debiteuren 11 224 13 105
Nog te ontvangen 5 724 3 861
Liquide middelen 36 012 40 667
Totaal Activa 72 032 75 299
     
Passiva    
Eigen vermogen    
* exploitatiereserve 3 837 – 784
* verplichte reserves 3 258 2 351
* onverdeeld resultaat – 1 402 5 529
Leningen bij het ministerie van Financiën 9 758 11 879
Voorzieningen 22 394 15 604
Crediteuren 6 555 7 954
Nog te betalen kosten 27 632 32 766
Totaal Passiva 72 032 75 299
Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1) (4)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2009 Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie 2008
Baten        
Opbrengst moederdepartement 32 404 46 228 13 824 42 526
Opbrengst overige departementen 80 285 81 564 1 279 77 046
Opbrengst DGF 500 1 160 660 1 097
Opbrengst derden 56 200 57 430 1 230 55 265
Rentebaten 0 400 400 1 004
Vrijval voorzieningen        
Bijzondere baten        
Totaal baten 169 389 186 782 17 393 176 938
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten 106 291 121 783 15 492 107 763
* materiële kosten 52 601 58 102 5 501 56 614
Rentelasten 1 156 831 – 325 1 194
Afschrijvingskosten        
* materieel 5 738 5 247 – 491 3 921
* immaterieel 3 103 1 409 – 1 694 1 558
Overige lasten        
* dotaties voorzieningen 500 812 312 359
* buitengewone lasten        
Totaal lasten 169 389 188 184 18 795 171 409
         
Saldo van baten en lasten 0 – 1 402 – 1 402 5 529
Kasstroomoverzicht 2009Bedragen x € 1 000
  (1) (2) (3)=(2)-(1)
  Oorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RHB per 1 januari 2009 14 045 40 667 26 622
2. Totaal operationele kasstroom 8 841 10 244 1 403
  a. Totaal investeringen (-/-) – 9 230 – 9 033 197
  b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 0 0 0
3. Totaal investeringskasstroom – 9 230 – 9 033 197
  a. Eenmalig uitkering aan Moederdepartement (-/-)      
  b. Eenmalige storting door Moederdepartement (+)      
  c. Aflossingen op leningen (-/-) – 7 355 – 5 866 1 489
  d. Beroep op leenfaciliteit (+) 9 230 0 – 9 230
4. Totaal financieringskasstroom 1 875 – 5 866 – 7 741
5. Rekening courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4) 15 531 36 012 20 481

D. BIJLAGEN

1. Toezichtsrelaties en ZBO’s/RWT’s

  Externe organisatie (met wettelijke en/of bestuurlijke taak) Afkorting RWT ZBO Functie (Beleids-) artikel(en) Realisatie van de ramingen in de begroting Bijdrage LNV 2009 (x € 1 000) URL
1 Agrarische Opleidingscentra (13) AOC’s X X De AOC’s zijn de kennisinstellingen/opleidingsinstituten voor voeding, natuur en milieu op MBO/VMBO-niveau. 26 451 619 442 141  
                   
2 Bureau Beheer LandbouwgrondenCommissie Beheer Landbouwgronden BBLCBL X X2X BBl is belast met de verwerving van onroerend goed voor het realiseren van overheidsdoelen in het landelijk gebied met betrekking tot de thema’s natuur, landbouw, recreatie, landschap, water en milieu 23, 24 **)   www.dlg.nl
                   
3 College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (vh. CTB) CTgB X X Het Ctgb oordeelt over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden op basis van Europees geharmoniseerde wet- en regelgeving. 21 1 547 261 www.ctgb.nl
                   
4 AOC Raad (Bureau Erkenningen) BE X   Bureau Erkenningen (BE) van de AOC Raad, in de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb), aangewezen als instantie voor het verstrekken van vakbekwaamheidsbewijzen gewasbescherming.        
                   
5 Faunafonds FF X X Taken FF:het bevorderen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade door dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten; het in daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot de beschermde inheemse diersoorten;gedeputeerde staten van de provincies van advies dienen over de uitvoering van taken die hen zijn opgedragen krachtens de Flora- en faunawet;de minister van advies dienen bij het ontwerp van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. 23 11 975 8 183 www.faunafonds.nl
                   
6 Herinrichtingscommissie Oost-Groningen & Drents-Groningse Veenkoloniën4   X   24      
                   
7 Hogere Agrarische Onderwijsinstellingen (6) HAS X X1 De HAS’en zijn de kennisinstellingen/opleidingsinstituten voor voeding, natuur en milieu op HBO-niveau. 26 63 453 61 006  
                   
8 Kamer voor de Binnenvisserij4 KVB   X          
                   
9 Raad voor de Plantenrassen RvP   X De Raad voor plantenrassen geeft uitvoering aan de Zaaizaad- en Plantgoedwet op het gebied van toelating van plantenrassen en verlening van intellectuele eigendomsbescherming m.b.t. plantenrassen (kwekersrecht). 29 1 052 900 www.plantenrassen.nl
                   
10 Reconstructiecommissie Midden Delfland4 X   24 1 737 1 053    
                   
11 Regionale Grondkamers (5)   X Bevorderen van goede pachtverhoudingen in Nederland, toetsen van de inhoud van pachtovereenkomsten aan de dwingend rechtelijke bepalingen van de Pachtwet, uitvoeren van een prijstoetsing en toetsen van overeenkomsten van korte duur, bepalen van verpachte waarde.       www.grondkamers.nl
                   
12 Rendac BV X   Ophalen, verwerken en (laten) vernietigen van dierlijke restmaterialen en kadavers (categorie 1- en 2-materiaal, niet bestemd voor consumptie). 25 13 430 16 000 www.rendac.com
13 Staatsbosbeheer SBB X X Staatsbosbeheer richt zich op de volgende hoofddoelstellingen:het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden in de gebieden van Staatsbosbeheer;het bevorderen van recreatie in zo veel mogelijk gebieden van staatsbosbeheer;het leveren van een bijdrage aan de productie van milieuvriendelijke en vernieuwbare grondstoffen zoals hout. 23, 24 90 284 84 589 www.staatsbosbeheer.nl
                   
14 Stichting Bloembollenkeuringsdienst BKD X X Stichting BKD geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet, Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen, de Plantenziektenwet en aan Europese wetgeving m.b.t. bloembollen.       www.bkd.nl
                   
15 Stichting Borgstellingsfonds Landbouw3 BF   X Het doel van het Borgstellingsfonds is de ontwikkeling van de landbouw te bevorderen.BF voert twee regelingen uit: Besluit Borgstellingsfonds (Bbf) en Besluit Bijzondere Borgstellingen (BF+)Bbf verleent subsidie in de vorm van garanties t.b.v. ontwikkeling van landbouwbedrijven. BF+ verleent garanties t.b.v. vernieuwing en herstructurering (bijv. duurzaamheid).        
                   
16 Stichting Centraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden Zuivel COKZ X X Controle en inspectie, erkenningen, keuringen van zuivelproducten en het uitreiken van merken, tekenen van bewijsstukken op basis van de Landbouwkwaliteitswet. 25 *)   www.cokz.nl
                   
17 Stichting Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten CPE X X Controle op grond van het Landbouwkwaliteitsbesluit (LKB) Eieren en het LKB Eiproducten van de naleving van de wettelijke regels voor eieren vastgelegd in onder andere het Legkippenbesluit en de EU-verordening voor de handelsnormen voor eieren.       www.cpe.nl
                   
18 Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek DLO X   In het algemeen belang bijdragen aan strategisch en toepassingsgericht onderzoek op het gebied van productie, verwerking, afzet en handel van agrarische producten, van de visserij, van het natuur- en milieubeheer, van de openluchtrecreatie en van het beheer en de inrichting van het landelijk gebied. 26 191 470 173 718 http://www.wur.nl/NL/
                   
19 Stichting Fonds MKZ-AI3   X financiële ondersteuning t.b.v. bedrijfsvoortzetting/ -continuïteit bieden aan agrarische- en MKB-ondernemers die onevenredig getroffen zijn door MKZ/AI-maatregelen        
                   
20 Stichting Kwaliteitscontrole Alternatieve Landbouwproductiemethoden SKAL X X Stichting Skal geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet m.b.t. biologische productiemethoden.       www.skal.nl
                   
21 Stichting Kwaliteitscontrolebureau Groente en Fruit KCB X X Stichting KCB geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet, de Plantenziektenwet en de Landbouwkwaliteitsregeling Controle Groenten en Fruit voor import en export. 21     www.kcb.nl
                   
22 Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw NAK-T X X Stichting Naktuinbouw geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet, de Zaaizaad- en Plantgoedwet en de Plantenziektenwet m.b.t. tuinbouwteeltmateriaal in de sectoren bloemisterij-, fruit- en groentegewassen.       www.naktuinbouw.nl
                   
23 Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdiensten (Zaaizaad en Pootgoed Landbouwgewassen) NAK X X Stichting NAK geeft uitvoering aan de Landbouwkwaliteitswet, de Zaaizaad- en Plantgoedwet en de Plantenziektenwet m.b.t. zaaizaad en pootgoed in de sector landbouwgewassen.       www.nak.nl
                   
24 Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds Landbouw3 O&S lb   X Het doel is de bevordering van de ontwikkeling en sanering van de landbouw. (art. 2 statuten)Door te bevorderen dat maatregelen worden genomen en voorzieningen worden getroffen, die kunnen leiden tot een verbetering van de structuur van de landbouw.        
                   
25 Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds Visserij 3) O&S vis   X Het doel is de ontwikkeling en sanering van de zee- en kustvisserij te bevorderen. (art. 2 statuten)Door te bevorderen dat maatregelen worden genomen en voorzieningen worden getroffen, die kunnen leiden tot een verbetering van de structuur van de bedrijfsmatige uitgeoefende Nederlandse zee- en kustvisserij, waaronder begrepen de vangst en aanvoer, van de handel in door zee- en kustvisserij verkregen producten en van die producten en be- en verwerkende industrie.        
26 Wageningen Universiteit WU X X1 Wageningen Universiteit is de belangrijkste Europese Universiteit op het gebied van de Life Sciences. Onderzoekers en studenten van Wageningen Universiteit richten zich op onderwerpen op het terrein van de voeding, gezondheid, natuur en leefomgeving.   159 590 153 402 http://www.wur.nl/NL/

1 De onderwijsinstellingen zijn partieel ZBO, namelijk voor het deel waarin zij examens afnemen en beoordelen.

2 Staatsbosbeheer en BBL zijn ZBO, maar vallen niet onder de Kaderwet ZBO.

3 In opheffing

4 Opheffing voorgenomen

* De bijdrage aan de Stichting Centraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden Zuivel en de bijdrage aan het Bureau Diergeneesmiddelen worden vanaf 2008 geleverd door het Ministerie van VWS.

** De bijdrage is opgenomen in het Investeringsbudget Landelijk Gebied en loopt daarom via de provincies.

2. EU-bijlage

1. Inleiding

Deze EU-bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van het ministerie van LNV. Deze bevat een samenhangend overzicht van deze geldstromen en de cofinanciering met LNV-middelen en middelen van andere overheden en private partijen. De betreffende EU-middelen zijn gestoeld op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en het EU-Structuurbeleid. Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat voor een klein deel nog uit het klassieke markt- en prijsbeleid en voor het grootste deel uit de zgn. (merendeels ontkoppelde) inkomenssteun. De tweede pijler is het plattelandsbeleid.

Het markt- en prijsbeleid richt zich op het stabiliseren van de landbouwprijzen en -inkomens. Hiervoor worden instrumenten ingezet als exportrestituties en interventiemaatregelen. Dit klassieke markt- en prijsbeleid is de laatste jaren stap voor stap afgebouwd en inmiddels grotendeels vervangen door een generiek systeem, de van de productie ontkoppelde directe inkomenssteun, die is verbonden aan maatschappelijke prestaties op het gebied van milieu, natuur, voedselveiligheid en dierenwelzijn. Het plattelandsbeleid richt zich op versterking van de concurrentiekracht van de landbouw, op diversificatie van de plattelandseconomie en op het zorgdragen voor natuur- en landschapsbeheer.

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld onder andere ten aanzien van minimummaaswijdten, minimum maten, gesloten tijden en gebieden en beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van stabiliteit van de vismarkt. Het EU-structuurbeleid is tot slot gericht op versterking van de sociale en economische cohesie tussen de regio’s in de EU. Naast het plattelandsbeleid uit de 2e pijler van het GLB, zijn ook vanuit dit beleid maatregelen gericht op de ontwikkeling van het platteland aan de orde.

2. Geldstromen

Aan de genoemde elementen van het Europese beleid op het terrein van LNV zijn geldstromen naar de lidstaten verbonden. Vanaf oktober 2006 bestaan er twee fondsen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, te weten het Europese Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De geldstromen uit de eerste pijler worden volledig Europees gefinancierd. Bij de plattelandsmaatregelen uit de 2e pijler dient er sprake te zijn van nationale cofinanciering door de overheid.

Het GVB bestaat voornamelijk uit gezamenlijke afspraken en regelgeving op communautair niveau. De gezamenlijke afspraken en regelgeving uit het GVB worden vanuit Brussel ondersteund door subsidies verbonden aan het Europees Visserij Fonds (EVF). Voor de uitvoering van het Europees structuurbeleid zijn meerjarige afspraken over doelstellingen gemaakt (Doelstelling 2, D2) De afspraken verbonden aan Doelstelling 2 worden deels medegefinancierd vanuit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO).

In tabel 1 is een overzicht van de ontvangen programmagelden vanuit de EU opgenomen. De uitgaven uit hoofde van het markt- en prijsbeleid en de inkomenssteun geschieden buiten begrotingsverband en komen via officieel erkende betaalorganen in Nederland (DR en DLG) rechtstreeks vanuit de EU bij de belanghebbende terecht. Deze uitgaven worden door de betaalorganen (buiten de LNV-begroting) verantwoord richting de Europese Commissie. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die behoren tot het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door LNV wel op de LNV-begroting verantwoord.

Tabel 1 Programma-uitgaven voor het jaar 2009 (x € 1 mln.)
  Begroting 2009 Realisatie 2009
Financieringsbron Beleid EU** LNV Overig* EU** LNV Overig*
GLB            
Inkomens- en productiesteun/markt- en prijsbeleid 1 100 n.v.t. n.v.t. 1 047 n.v.t. n.v.t.
Plattelandsontwikkelingsprogramma POP-2 2007–2013            
Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector (as 1) 20,8 9,0 11,8 6,6 5,6 1,0
Verbetering van het Milieu en het platteland (as 2) 20,8 0,8 21,6 19,4 0,8 18,6
De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie (as 3) 20,8 0 62,6 6,8 0 6,8
Ontw. Plaatselijke capaciteit (Leader +) (as 4) 7,0 0 14 2,5 0 2,5
Overig 0,4 0,2 0,2 0,8 0,4 0,4
Totaal 69,8 10 110,2 36,1 6,8 29,3
             
Overig            
OD-nr 21.13 1,2 2,0 –,–     –,–
Biologisch beleef je 0,6 0,6 –,–     –,–
Set aside 0,4 1,2 –,–     –,–
Verbetering honingproductie 0,2 0,2 –,–     –,–

GVB

Europees Visserijfonds (EVF)

FIOV

* De post «Overig» betreft de nationale cofinanciering door andere overheden dan het Rijk (provincies, gemeenten, waterschappen en private partijen)

** De EU-bijdragen worden buiten begrotingsverband geraamd en verantwoord. De EU-ontvangsten betreffen de bij de EC gedeclareerde uitgaven over de periode 16 oktober 2008 t/m 15 oktober 2009.

Toelichting

Inkomenssteun- en productiesteun

De bij de EU gedeclareerde uitgaven over de periode 16 oktober 2008 t/m 15 oktober 2009 bedraagt € 1 047 mln. Hiervan heeft € 690 mln. betrekking op uitbetalingen voor rechtstreekse steun aan agrariërs in de vorm van de Bedrijfstoeslagregeling (BTR) en heeft een bedrag van € 357 mln. betrekking op exportrestituties en steunmaatregelen van landbouwproducten.

POP

Ter uitvoering van de maatregelen uit de Verordening, worden rijksregelingen en provinciale programma’s ingezet. POP2 is op 20 juli 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd. De uitgaven kunnen middels de N+2-regeling worden ingelopen. Tot en met 2009 is er € 77 mln. bij de EU gedeclareerd waarmee het beschikbare budget 2007 (€ 70,5 mln.) is gehaald.

De tot en met 2009 gerealiseerde bijdrage van de EU blijft op enkele onderdelen achter bij de raming. De oorzaak ligt hierbij vooral bij as 1 Verbetering concurrentiekracht (achterblijvende uitgaven voor verduurzaming en verbetering infrastructuur circa € 9 mln.) en bij as 3 Leefkwaliteit platteland (€ 12 mln.). Tenslotte is voor het ontwikkelen van plaatselijke capaciteit (Leader +) een bijdrage van € 7 mln. van de EU geraamd terwijl hiervoor € 2,5 mln. EU-bijdragen zijn gedeclareerd.

Tegenover de Europese subsidie-uitgaven staan ook afdrachten aan de EU. De voor LNV relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen, die onderdeel uitmaken van de Eigen Middelen van de Europese Unie. Deze ontvangsten worden verantwoord op artikel 29 van de LNV-begroting. Tabel 2 bevat de gerealiseerde ontvangsten in 2009. Deze ontvangsten worden onder aftrek van een perceptiekostenvergoeding (25%) afgedragen aan de EU.

Tabel 2 Ontvangsten in 2009 uit hoofde van heffingen en douanerechten op landbouwproducten (in € mln.)
  Begroting Realisatie
Douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen 422 270

Toelichting

De lagere ontvangsten zijn het gevolg van de economische crisis waardoor de invoer van landbouwproducten is afgenomen.

3. De eerste pijler van het GLB (markt- en prijsbeleid, inkomenssteun)

Het markt- en prijsbeleid richt zich op de stabilisatie van landbouwprijzen en inkomens. Sinds 1992 is regelmatig sprake van hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In hoofdlijnen kan worden gesteld dat de klassieke instrumenten als exportrestituties, productiesteun en interventie getransformeerd worden naar vormen van inkomenssteun. In 2006 heeft de ontkoppeling van de productie plaatsgevonden. Een groot aantal steunregelingen (zoals akkerbouw, dierlijke regelingen met uitzondering van de slachtpremies) zijn daarbij opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling.

In november 2008 heeft de EU in het kader van de Health Check het landbouwbeleid opnieuw aangepast. Op voorstel van de Commissie is de EU verder gegaan op de weg die was ingeslagen in de Mid Term Review van 2003 met het doel het GLB verder te moderniseren en bij te sturen zodat de EU-landbouw beter in kan spelen op de groeiende vraag naar landbouwproducten. Het markt- en prijsbeleid wordt verder afgeslankt.

Ontkoppeling

Met de Health Check is afgesproken dat de nog resterende gekoppelde betalingen grotendeels zullen worden ontkoppeld. In 2009 is de implementatie van deze afspraak voorbereid met als resultaat dat in 2012 alle steunregelingen zullen zijn ontkoppeld, waarbij reeds in 2010 een eerste grote stap wordt gezet met de ontkoppeling van de slachtpremie.

Artikel 68

Met het Health Check-akkoord is nieuw geïntroduceerd een zogenaamd artikel 68 waarmee een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun kan worden herbestemd voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen. Van belang is daarbij dat gebruik van artikel 68 betekent dat de betreffende middelen behouden blijven in de eerste pijler. Afgesproken is dat het vanaf 2010 mogelijk wordt om artikel 68 toe te passen. Verschillende doelen, waaronder dierenwelzijnsmaatregelen, kunnen met het nu gecreëerde artikel 68 worden gediend.

Van belang is in dit verband eveneens dat deze artikel 68-maatregelen kunnen worden gefinancierd met ongebruikte middelen uit de nationale enveloppe voor inkomenssteun. Bij de huidige stand van zaken betekent dit dat voor Nederland in de jaren 2010 en 2011 ongeveer 22 miljoen euro per jaar aan onbenutte bedrijfstoeslagen via artikel 68 alsnog kan worden ingezet. In 2009 zijn de maatregelen ontwikkeld die Nederland wil inzetten via artikel 68 en deze zijn conform de Europese afspraken gemeld. Per 2010 zullen de volgende maatregelen worden toegepast:

• stimulering van de bouw van integraal duurzame stallen, met name gericht op dierenwelzijn;

• de introductie bevorderen van een brede weersverzekering;

• de implementatie steunen van de elektronische I&R voor schapen en geiten;

• een vaarvergoeding verstrekken t.b.v. de exploitatie van percelen die per boot moeten worden bereikt.

Deze toepassing van artikel 68 geeft, in combinatie met het aangepaste Plattelandsbeleid (zie de volgende paragraaf) invulling aan een innovatieve en duurzame productie en maatschappelijke dienstverlening, waaronder aan:

• het stimuleren van de bouw van dier- en milieuvriendelijke stallen;

• bovenwettelijke dierenwelzijnmaatregelen;

• een brede weersverzekering voor alle open teelten en alle weerrisico’s;

• een centrale database voor een I&R-systeem voor schapen en geiten;

• een vaarvergoeding voor boeren in waterrijke gebieden;

• verbetering van waterkwaliteit en -kwantiteit;

• reductie van milieuverliezen uit de landbouw,

• ondersteuning van landbouwers in maatschappelijk waardevolle gebieden.

Zuivel

De hoofdlijnen van de aanpassingen die in 2009 voor de zuivel zijn doorgevoerd, zijn:

De interventiemechanismen voor boter en magere melkpoeder. In de huidige regeling kan in een vaste periode magere melkpoeder en boter ter interventie worden aangeboden tot respectievelijk max 109 000 en 30 000 ton. Dat kan tegen vaste prijzen. Dit systeem werd aangevuld door een inschrijvingsprocedure waarbij het maximumprijsniveau niet het huidige interventieprijsiveau mag overschrijden. Door de zuivelcrises is er ruim gebruik gemaakt van het interventiemechanisme in 2009. Ruim 80 000 ton boter en 280 000 ton magere melkpoeder werden in 2009 uit de markt genomen.

Particuliere opslagregeling voor boter en kaas

De particuliere opslagregeling voor kaas is afgeschaft. Voor boter is de regeling omgevormd tot een facultatieve regeling, waarbij de Commissie elk jaar bekijkt of gezien de marktontwikkelingen het nodig is steun te verlenen. Ook in 2009 is door de slechte marktsituatie ruim 110 000 ton boter in de particuliere opslag gegaan.

Afzetsteun voor melkvet en melkeiwit

Afzetsteun voor melkvet was in de ogen van de Commissie en de Raad niet langer noodzakelijk om de markt te ondersteunen. De bakkersboterregeling werd geschrapt.

Anders lag het voor de eiwitkant, mede omdat er al geen private opslag (PO) regeling voor magere melkpoeder meer bestond – dit in tegenstelling tot de PO regeling voor boter. Zowel de steun voor magere melkpoeder verwerkt in kalvermelk als de caseïnesteun werden gehandhaafd om eventueel in te zetten wanneer als gevolg van overschotten of dreigende overschotten van zuivelproducten onevenwichtigheden op de zuivelmarkt dreigen te ontstaan.

Melkquotering

Besloten werd om de melkquotering te laten eindigen op 1 april 2015. Door de quota jaarlijks uit te breiden wordt een zachte landing van het systeem bewerkstelligd. In het quotum jaar 2009/2010 is het melkquotum in Nederland met 2,5% verhoogd.

4. De tweede pijler van het GLB (plattelandsbeleid)

Het Plattelandontwikkelingsprogramma (afgekort POP) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de ontwikkeling van het platteland in brede zin. In de uitvoering ervan is sprake van EU- en nationale cofinanciering. Het POP 2007–2013 (ook wel POP2) volgt op de eerste periode 2000–2006.

Programmadocument POP2

Nederland heeft voor de programmeringperiode 2007–2013 een landsdekkend POP opgesteld, zonder opdeling in regionale of provinciale programma’s. Dit programma is in juni 2007 goedgekeurd door de Europese Unie. De uitvoering van dit programma loopt in grote lijnen via twee sporen: een sectoraal spoor (via het ondernemersprogramma van LNV) en een gebiedsgericht programma (deels via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG.))

In het EU-plattelandsbeleid is sprake van vier hoofddoelen, «assen» genoemd, waarbinnen Europa een aantal maatregelen voorstelt. Elke lidstaat maakt een programma waarin de vier assen terugkomen:

As 1. Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.

As 2. Verbetering van het milieu en het platteland.

As 3. De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.

As 4: Invoeren van de Leader-aanpak

Het aan de health check besluiten aangepaste Nederlandse Plattelandsontwikkelingsplan is eind 2009 goedgekeurd, waardoor de komende jaren aanvullend ca 150miljoen euro beschikbaar komt voor de genoemde doelen. De uitvoering van de maatregelen zal voor een belangrijk deel door de provincies ter hand worden genomen, inclusief de nationale cofinanciering.

Financiële verordening (EG) nr. 1290/2005

Bij de (inhoudelijke) verordening hoort de verordening m.b.t. financiering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid die op 21 juni 2005 door de Europese Commissie is vastgesteld. In de financiële verordening is onder meer bepaald dat voor POP het N+2 regime gaat gelden. De financiële verordening bevat daarnaast (gedetailleerde) bepalingen met betrekking tot toezicht, evaluatie, beheer en controle. Nederland ontvangt voor het POP in de periode 2007–2013 ruim € 486 miljoen EU financiering. Daarbij heeft Nederland gekozen voor een verdeling over de 4 assen van resp. 30%, 30%, 30% en 10%. Aangezien de EU financiering maximaal 50% mag bedragen, dient Nederland de Europese gelden altijd op te hogen met een minstens even grote bijdrage. In het programmadocument is hierin voorzien.Tegelijk met de Health check voorstellen is het budget met € 9 mln opgehoogd.

Met het health-check accoord zijn extra modulatiegelden toegevoegd aan het POP-2 plafond. Afgesproken is dat de lidstaat hier zorg draagt voor 25% co-financiering en dat het EU-aandeel 75% bedraagt. Het plafond wordt tot en met 2013 opgehoogd met ongeveer € 97 mln. EU-financiering.

5. De structuurfondsen: Europees Visserij Fonds

Europees Visserij Fonds (EVF)

De Europese Commissie heeft, in het kader van Europees Visserij Fonds (EVF), een communautaire bijdrage van € 48,6 miljoen toegekend aan Nederland voor de periode 2007–2013. Daarnaast levert Nederland een nationale bijdrage van € 72,1 miljoen. Onderstaand tabel bevat een overzicht van de uitgaven in 2009.

Tabel 3 Europees Visserij Fonds (EVF) (x € 1 mln.)
  Begroting 2009 Realisatie 2009
Financieringsbron Beleid EU* LNV** Overig EU LNV Overig
Europees Visserijfonds (EVF) 6,8 13,7 1,0 1,7 4,6
1481 Duurzame visserijmethodes (As 1) 1,9 3,4 0,2 0,2
1482 Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet (As 2) 0,6 5,2 0,5 0,9
1483 Innovatieve proefprojecten (As 3) 2,9 4,7 1,0 3,5
1484 Gebiedsgerichte activiteiten (As 4) 1,0 1,0
1485 Technisch bijstand (As 5) 0,4 0,4        

* De communautaire bijdrage van de EU wordt geboekt op een artikel buiten begroting.

** De nationale bijdrage voor EVF wordt geboekt op begrotingsartikel U21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren.

Toelichting

Op As 1 zijn minder verplichtingen aangegaan. De geplande regeling binnen het Europees Visserij Fonds (EVF) voor investering aan boord van vissersschepen is opengesteld in 2009, maar er hebben weinig betalingen op plaatsgevonden omdat er, vanwege de economische crisis, sprake was van een afname van de investeringsbereidheid binnen de sector.

De realisatie bij As 2 is € 4,3 mln. lager dan begroot. Bij As 2 zijn projecten opgenomen die meerjarige investeringen omvatten (bij de regeling investering aquacultuur is voor € 4 mln aan veplichtingen aangegaan en bij de regeling investering Mosselzaadinvanginstallaties is € 1,7 mln verplicht). Bij de regeling investeringen aquacultuur zijn een aantal aanvragers door diverse redenen nog niet gestart met hun project. Bij de regeling Mosselzaadinvanginstallaties is de voornaamste oorzaak voor de lage realisatie dat de vereiste vergunningen nog niet zijn verstrekt om met het project te kunnen starten.

De realisatie op As 3 is € 1,2 mln. lager dan begroot. Het betreft meerjarige projecten waarvoor veel belangstelling is vanuit de sector, maar waarvan de betalingen voor een groot deel in latere jaren zullen plaatsvinden.

As 4 betreft projecten die door de provincies worden voorgedragen. De nationale bijdrage wordt ook door de provincies geleverd. Openstelling van de regeling is verschoven naar 1 januari 2010.

3. Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijke personeel 2009

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen) conform definitie Informatiestatuut 2007 – bijlage 4. Uitgaven (in € x 1 000)
  totaal LNV
apparaat en programmakosten  
1. Interim-management 1 189
2. Organisatie- en Formatieadvies 4 714
3. Beleidsadvies 2 272
4. Communicatieadvisering 1 445
Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4) 9 620
5. Juridisch Advies 807
6. Advisering opdrachtgevers automatisering 5 642
7. Accountancy, financiën en ao 4 618
(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7) 11 067
8. Uitzendkrachten (formatie & piek) 37 440
ondersteuning bedrijfsvoering (som 8) 37 440
Totaal uitgaven inhuur externen (som 1 t/m 8) 58 127

De inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel heeft voor € 13,4 mln. betrekking op staf- en beleidsdirecties en voor circa € 44,7 mln. op de agentschappen. Hiermee blijft de uitgavenrealisatie 2009 binnen het vastgestelde kader van de 13%.

Het betreft hier de inhuur van externen conform de definitie uit het informatiestatuut 2007.

4. Lijst van afkortingen

ABA Aanvullend Beleids Akkoord
AI Aviaire influenza
AID Algemene Inspectiedienst
AKV Agro Ketens en Visserij
AOC Agrarisch Opleidingscentrum
BBL Bureau Beheer Landbouwgronden
BES Bilaterale Economische Samenwerking
BF Borgstellingsfonds
BIN/BSN Bedrijven Instellingen Nummer/Burger Service Nummer
BSE Bovine Spongiform Encephalopathy
BTR Bedrijfstoeslag Rechten
CBRN Chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair
CITES Convention on International Trade in Endangered Species
CLIENT Controle landbouwgoederen Import Export naar een Nieuwe Toekomst
Ctgb College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden
DGF Diergezondheidsfonds
DICTU Dienst ICT Uitvoering
DLG Dienst Landelijk Gebied
DLO Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek
DR Dienst Regelingen
E&F E-procurement en Financials
EFRO Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling
EHS Ecologische Hoofd Structuur
ELFPO Europees Landbouwfonds voor de Plattelands Ontwikkeling
ELGF Europees Landbouwgarantiefonds
EU Europese Unie
EVF Europese Visserijfonds
FES Fonds Economische Structuurversterking
FEZ Financieel Economische Zaken
FIOV Financieringsinstrument voor de oriëntatie van de Visserij
GLB Gemeenschappelijk Landbouw Beleid
GVB Gemeenschappelijk Vissrij Beleid
HBO Hoger Beroeps Onderwijs
I&R Identificatie en Registratie
IAC Internationaal Agrarisch Centrum
IBG In Beslag genomen Goederen
IBO Interdepartementaal BeleidsOnderzoek
ICES Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking
ICT Informatie Communicatie Technologie
ILG Investeringsbudget Landelijk Gebied
ILRI International Institute for Land Reclamation and Improvement
IPC Innovatie praktijkcentra
IRG Infrastructuurregeling Glastuinbouw
IRE/MEI Investeringsregeling EnergiebesparingMarktintroductie/ Energie-Innovaties
KVP Klassieke varkenspest
LNV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
LWOO Leerweg Ondersteunend Onderwijs
MBO Middelbaar beroepsonderwijs
MCS Managementcontrolsysteem
MJP Meerjarenprogramma Vitaal Platteland
MKZ Mond- en klauwzeer
MRSA Meticilline-Resistente Staphylococcus Aureus
MvF Ministerie van Financiën
NEM Netwerk Ecologische Monitoring
NURG Nadere Uitwerking Rivierengebied
OCW Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OD Operationele Doelstelling
PASO Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving
PBO Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie
PD Plantenziektenkundige Dienst
POP Plattelands Ontwikkelings Programma
RBV Regeling Beëndiging Veehouderijtakken
RODS Recreatie om de Stad
RWS Rijkswaterstaat
RWT Rechtspersoon met een Wettelijke Taak
SAN Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer
SBB Staatsbosbeheer
SBIR Small Bisiness Innovation Research Programma
SGB Subsidie gebiedsgericht beleid
SN Subsidieregeling Natuurbeheer
SNL Subsidieregeling Natuur en Landschap
TRH Tabaksklachten in de Horeca
V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VBO Voorbereidend Beroepsonderwijs
VGI Voedings- en Genotsmiddelen Industrie
VHR Vogel- en Habitatrijchtlijn
VMBO Voortgezet Middelbaar Beroepsonderwijs
VOA Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten
VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
VWA Voedsel en Waren Autoriteit
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WOT Wettelijke onderzoekstaken
WU Wageningen Universiteit
WUR Wageningen Universiteit Researchcentrum
ZBO Zelfstandig bestuursorgaan

XNoot
1

Zie: TK 31 250, nr. 14.

XNoot
2

Zie «Het Nederlandse agrocomplex 2009» (LEI, 2009). www.lei.wur.nl.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 28 625, nr. 60.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 32 201, nr. 1.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 29 675, nr. 80.

XNoot
1

Zie: TK 31 250, nr. 50.

XNoot
1

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie.

XNoot
2

Zie bijlage bij TK 28 625, nr. 52. De health check («gezondheidscontrole») betrof een tussentijdse aanpassing van het GLB, die beoogde de doelen en instrumenten van het Europese landbouw- en plattelandsbeleid gerichter in te zetten voor specifieke maatschappelijke uitdagingen waar de samenleving zich voor gesteld ziet. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om het versterken van de marktgerichtheid van de agrarische sector, maar ook om het tegemoet treden van de klimaat- en energieopgaven, het tegengaan van de afname van de biodiversiteit, etc.

XNoot
3

Zie: TK 28 625, nr. 66.

XNoot
1

Zie: TK 29 717, nr. 12 en Publicatieblad EU C(2009) 10 187 (Besluit van de Commissie van 11.12 2009 houdende goedkeuring van de herziening van het plattelandsontwikkelingsprogramma van Nederland voor de programmeringperiode 2007–2013 en houdende wijziging van Beschikking C(2007)3464 van de Commissie van 20 juli 2007 tot goedkeuring van het plattelandsontwikkelingsprogramma).

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 32 201, nr. 1.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 28 625, nr. 60.

XNoot
1

Het ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelstelling verloopt via beleidsartikel 29 (algemeen).

XNoot
2

Zie: TK 31 250, nr. 14.

XNoot
3

www.wrr.nl.

XNoot
1

Zie: TK 31 250, nr. 71.

XNoot
1

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelling verloopt via beleidsartikel 26 (Kennis en Innovatie).

XNoot
2

Zie: TK 30 800 VIII, nr. 81.

XNoot
1

Zie: TK 31 288, nr. 17.

XNoot
2

Zie: www.onderwijsinspectie.nl

XNoot
3

Zie: www.minlnv.nl

XNoot
1

Zie: www.kiesgroeninkleur.nl

XNoot
2

www.foodvalley.nl.

XNoot
3

Zie: TK 27 923, nr. 45.

XNoot
4

Zie: bijlage bij TK 27 923, nr. 68.

XNoot
1

LNV hanteert in de begroting nog de oorspronkelijk door OCW gehanteerde norm. In deze norm wordt het aantal schoolverlaters afgezet tegen de uitstroom van leerlingen. De totale uitstroom daalt momenteel, terwijl de leerling-populatie stijgt als gevolg van de economische crisis. Leerlingen kiezen er bijvoorbeeld voor langer op school te blijven om hun kwalificaties te vergroten. Daardoor geeft de LNV-norm een licht stijgende trend te zien. De nieuwe OCW-norm zet het aantal schoolverlaters af tegen de totale leerling-populatie. Het aantal leerlingen dat zonder een startkwalificatie (niveau 2) uitstroomt is in absolute zin afgenomen. Indien deze uitval wordt bezien in relatie tot de totale leerling-populatie wordt een daling van het VSV-percentage zichtbaar.

XNoot
2

Het ministerie van Economische Zaken is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelling verloopt via beleidsartikel 21 (Duurzaam ondernemen) en 26 (Kennis en Innovatie).

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 28 973 nr. 36.

XNoot
2

Zie: www.minlnv.nl

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 29 675, nr. 80.

XNoot
2

Nederland Distributieland (NDL/HIDC), TNO, «De logistieke kracht van Nederland», juni 2009. Zie: www.tno.nl.

XNoot
1

De kabinetsdoelstelling van – 25% administratieve lasten uit de begroting 2009 is voor LNV bijgesteld naar – 18,5% als gevolg van bovengemiddelde prestaties in de vorige kabinetsperiode. (Zie: TK 29 515, nr. 296). In de begroting 2010 is de aangepaste (ad. 18,5%) doelstelling opgenomen. De doelstelling «verbetering van de kwaliteit van toezicht met 25%» is terugvertaald naar de oorspronkelijke kabinetsdoelstelling vermindering toezichtlasten met 25%. (Zie: TK 29 515, nr. 305).

XNoot
2

Het ministerie van Financiën is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie.

XNoot
1

Dienst Regelingen laat eens per twee jaar een klanttevredenheidsonderzoek uitvoeren door extern onderzoeksbureau naar de totale en de online dienstverlening. Dit cijfer dateert van het onderzoek in 2009.

XNoot
1

Het ministerie van VROM is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelling verloopt via beleidsartikel 21 (Duurzaam ondernemen), 22 (Agrarische ruimte) en 25 (Voedselkwaliteit en Diergezondheid).

XNoot
1

www.agentschapnl.nl (of www.senternovem.nl).

XNoot
1

www.glami.nl.

XNoot
1

Bijlage bij TK 32 123 XIII, nr. 3.

XNoot
2

www.energieknu.nl.

XNoot
1

De studie «Bio-based economy in Nederland» beschrijft een scenario voor Nederland met onder andere een vermeden gebruik van fossiele grondstoffen van 833 PJ/j, een vermeden CO2-uitstoot van 55,9 Mt/j, extra inkomsten voor de landbouwsector van € 550 mln./j en extra jaarlijkse inkomsten voor de energie- en chemiesector van € 1 mln/j plus een positief effect op de handelsbalans van € 4 000 mln./j. Zie:www.agentschapnl.nl (www.senternovem.nl).

XNoot
2

Zie: TK 31 250, nr. 50.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 28 286, nr. 289.

XNoot
2

Bijlage bij TK 28 973, nr. 34.

XNoot
3

Bijlage bij TK 28 973, nr. 34.

XNoot
4

www.smk.nl.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 27 858, nr. 60.

XNoot
2

Tussenevaluatie van de nota Duurzame Gewasbescherming, Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), Bilthoven, december 2006.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 29 675, nr. 42.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 32 201, nr. 1.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 29 675, nr. 83.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 29 675, nr. 64.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 31 700 XIV, nr. 141.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 32 123 XIV, nr. A.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 31 532, nr. 22.

XNoot
3

Zie: TK 29 683, nr. 39.

XNoot
4

Zie: bijlage bij TK 29 683, nr. 22.

XNoot
1

Zie: TK 30 196, nr. 32.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 31 532, nr. 17.

XNoot
2

Bijlage bij TK 28 973, nr. 34.

XNoot
3

Bijlage bij TK 28 973, nr. 34.

XNoot
4

Zie: TK 31 250, nr. 14.

XNoot
5

LNV draagt hoofdverantwoordelijkheid voor Kabinetsdoel 24 Landschap. Financiering van deze Kabinetsdoelling verloopt via beleidsartikel 23 (Natuur) en 24 (Landschap en recreatie).

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 31 253, nr. 7.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 31 500, nr. 19.

XNoot
3

Zie bijlage bij TK 31 253, nr. 7.

XNoot
4

Zie: TK 31 492, nr. 11.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 30 252, nr. 16.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 30 252, nr. 16.

XNoot
3

www.multifunctionelelandbouw.nl.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 26 419, nr. 36.

XNoot
2

Zoals in het Jaarverslag LNV 2008 aan de Tweede Kamer gemeld is de doelstelling bijgesteld naar 14 563 hectare. Belangrijkste reden hiervoor is dat recreatiegebieden die voor 1994 zijn gerealiseerd (circa 1300 ha) wel in de taakstelling van het coalitieakkoord zijn opgenomen maar niet in bovengenoemde taakstelling van 14 563 ha. Daarnaast is er het project De Venen, welk onder verantwoordelijkheid van VROM valt.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 56.

XNoot
1

www.groenendestad.nl.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 49.

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 26 407, nr. 28.

XNoot
2

Bijlage bij TK 26 407, nr. 40.

XNoot
3

www.taskforcebiodiversiteit.nl.

XNoot
4

www.pbl/natuurbalans.

XNoot
5

www.cpb.nl.

XNoot
6

Zie bijvoorbeeld het nominatieconvenant dat hiertoe is afgesloten (bijlage bij TK 29 684, nr. 62.).

XNoot
1

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 49.

XNoot
2

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 49.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 56.

XNoot
4

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 31.

XNoot
5

Zie: bijlage bij TK 30 825, nr. 53.

XNoot
6

Zie: TK 31 492, nr. 11.

XNoot
7

www.minlnv.nl.

XNoot
1

LNV draagt hoofdverantwoordelijkheid voor Kabinetsdoel 25 Dierenwelzijn. Financiering van deze Kabinetsdoelling verloopt via beleidsartikel 21 (Duurzaam ondernemen) en 26 (Kennis en Innovatie).

XNoot
2

De in de begroting vermelde streefwaarde van 72% voor 2009 is bijgesteld tot 73% op basis van de afgesproken tussendoelen in het kader van de Kabinetsdelivery.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 28 286, nr. 76.

XNoot
4

Zie: reeks TK 28 286.

XNoot
5

Zie: TK 31 389, nr. 2.

XNoot
6

Zie: TK 32 262, nr. 1.

XNoot
1

www.smk.nl.

XNoot
2

Zie: bijlagen bij TK 28 286, nr. 289.

XNoot
3

Zie bijlage bij TK 28 286, nr. 259.

XNoot
1

Het ministerie van VROM is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelstelling verloopt via beleidsartikel 22 (Agrarische ruimte) en 27 (Bodem, water en reconstructiegebieden).

XNoot
2

Zie: TK 29 435, nr. 2.

XNoot
3

Zie: bijlage bij TK 31 089, nr. 1.

XNoot
1

Zie: TK 30 816, nr. 2.

XNoot
2

Zie: TK 31 710, nr. 1.

XNoot
3

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is primair verantwoordelijk voor doelrealisatie. Financiering van deze Kabinetsdoelstelling verloopt via beleidsartikel 26 (Kennis en Innovatie).

XNoot
4

Cijfers over het exacte aantal structurele groene stageplaatsen zijn niet beschikbaar aangezien hiervan geen landelijke administratie bestaat. De groei van het aantal stagiairs is een indicatie voor bestendigheid.