Gepubliceerd: 10 februari 2010
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: beroepsonderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32316-3.html
ID: 32316-3

32 316
Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de invoering van een competentiegerichte kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. INLEIDING

1.1 Kern van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) met als doelen:

1. de competentiegerichte kwalificatiestructuur structureel in te voeren voor het beroepsonderwijs;

2. de positie van kwetsbare deelnemers te verbeteren door een entreekwalificatie voor een vervolgberoepsopleiding of de arbeidsmarkt in het leven te roepen;

3. een bredere instroom mogelijk te maken via de invoering van opleidingsdomeinen voor deelnemers die nog niet weten voor welk beroep en diploma ze willen worden opgeleid;

4. een algemeen experimenteerartikel in te voeren.

De onderdelen opleidingsdomeinen en entreekwalificatie hebben beide betrekking op het verruimen van mogelijkheden voor deelnemers die het risico lopen ongediplomeerd het onderwijs te verlaten en ondoelmatige opleidingstrajecten te doorlopen.

In deze memorie van toelichting, die ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderteken, wordt in navolging van de praktijk hierna gesproken over studenten in het middelbaar beroepsonderwijs.

1.2 Aanleiding

1.2.1 Competentiegerichte kwalificatiestructuur

Het beroepsonderwijs moet inhoudelijk aansluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de samenleving. De kwalificatiestructuur is een landelijk instrument voor het waarborgen van de inhoudelijke aansluiting. Eind jaren 90 bleek dat een vernieuwing van de kwalificatiestructuur noodzakelijk was, omdat de bestaande eindtermdocumenten en het daarop gebaseerde onderwijsaanbod niet langer een adequaat antwoord boden op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. De snel veranderende arbeidsmarkt vereist flexibiliteit van werknemers. Dit vraagt om aangepaste diploma-eisen en een andere manier van opleiden in het mbo.

In verband hiermee is een wet tot stand gebracht met als doel door middel van experimenten een nieuwe, competentiegerichte kwalificatiestructuur te ontwikkelen en daarop gerichte opleidingen – op vrijwillige basis – te verzorgen en te bekostigen. Het betreft de wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake experimenten op het gebied van kwalificaties en opleidingen (Stb. 2005, 203; wet experimenten). Voorafgaand aan die wet werden in het studiejaar 2004–2005 reeds enige experimentele competentiegerichte opleidingen bekostigd op grond van een ministeriële regeling (Regeling subsidiëring proeftuinen herontwerp beroepsonderwijs, studiejaar 2004–2005. Uitleg 2004, nr. 14).

De mbo-sector heeft kortom in het kader van de ontwikkeling naar competentiegericht onderwijs in de afgelopen jaren aan twee processen gewerkt:

1. het herontwerp van de kwalificatiestructuur: de omvorming van de bestaande, eindtermengerichte kwalificatie-eisen naar een samenhangend geheel van nieuwe kwalificatie-eisen die worden vastgelegd in kwalificatiedossiers, en

2. het herontwerp van het beroepsonderwijs: de omvorming van de eindtermgerichte opleidingen door instellingen naar opleidingen, gestoeld op door de Minister vastgestelde competentiegerichte kwalificatiedossiers.

Vanwege de omvang en complexiteit van deze twee processen is bij de start van de experimenteerperiode gekozen voor een gefaseerde invoering. Hierdoor kon de sector ervaring opdoen met de nieuwe kwalificatiedossiers en het daarop gestoelde competentiegerichte onderwijs, en die ervaringen vervolgens weer benutten voor de verdere bijstelling en eventuele verbetering.

Mede door de aandacht voor de inrichting van het competentiegerichte onderwijs bleek steeds meer dat er veranderingen nodig waren in de bedrijfsvoering van instellingen (waarmee onder meer ondersteunende processen bedoeld worden als een leerlingvolgsysteem) en er behoefte was aan verdere professionalisering van het personeel. Daarom werd besloten de experimenteerperiode met twee jaar te verlengen tot augustus 2010, zodat er meer tijd was voor zowel de doorontwikkeling van de competentiegerichte kwalificatiestructuur als de verdere implementatie en verbetering van competentiegerichte opleidingen.

Bij de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel komt er een einde aan de experimenteerperiode op basis van de bestaande experimenteerbepalingen in de WEB en ook een einde aan een periode waarin instellingen aan eerstejaars studenten zowel eindtermengericht onderwijs als competentiegericht onderwijs aanbieden. Dat betekent dat alle studenten die vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel in het eerste jaar van een mbo-opleiding starten, een opleiding volgen die gebaseerd is op een competentiegericht kwalificatiedossier.

1.2.2 Entreekwalificatie

Op basis van de experimenteerbepalingen in de WEB is de afgelopen jaren ook ervaring opgedaan met een geheel nieuwe opleiding, te weten de arbeidsmarktkwalificerende assistentopleiding (hierna: AKA-opleiding).

De AKA-opleiding is gericht op:

– doorstroom naar een beroepsgerichte opleiding op niveau 2;

– overstap naar een beroepsgerichte opleiding op niveau 1;

– het kunnen functioneren op een werkplek in een arbeidsorganisatie.

Voor jongeren die niet de mogelijkheden hebben door te stromen naar een opleiding op niveau 2 of te starten met een beroepsgerichte opleiding op niveau 1, biedt de AKA-opleiding dus een brede entreekwalificatie voor de arbeidsmarkt op mbo niveau 1. De opleiding is in het leven geroepen als extra mogelijkheid om kwetsbare jongeren aan een officiële, erkende kwalificatie voor een vervolgberoepsopleiding of de arbeidsmarkt te helpen en om voortijdige uitval uit het onderwijs te voorkomen.

De ervaringen met de experimentele AKA-opleiding zijn overwegend positief:

• Door samenwerkende kenniscentra is een kwalificatiedossier ontwikkeld dat mede is gebaseerd op de ervaringen van instellingen en leerbedrijven.

• Instellingen hebben op basis van dit kwalificatiedossier onderwijsaanbod, inclusief examens, ontwikkeld en uitgevoerd.

• De arbeidsmarktkwalificerende opleiding voorziet in een behoefte onder studenten. Een groeiend aantal studenten volgt deze opleiding. Een belangrijk deel behaalt het diploma en stroomt door naar een beroepsgerichte mbo-opleiding op mbo niveau 1 of 2.

• De arbeidsmarktkwalificerende opleiding voorziet ook in een behoefte op de arbeidsmarkt. Gediplomeerde uitstromers vinden werk op assistent-niveau in een brede range van sectoren.

Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt de AKA-opleiding structureel mogelijk gemaakt.

1.2.3 Opleidingsdomeinen

De WEB stelt aan de inschrijving en bekostiging van een student in het mbo de voorwaarde dat sprake is van inschrijving in een erkende en in het Centraal register beroepsopleidingen (hierna: Crebo) geregistreerde beroepsopleiding. Echter, jaarlijks stromen er studenten in het mbo in die nog niet weten voor welk beroep en diploma ze willen worden opgeleid. Deze jongeren moeten momenteel bij de inschrijving een geforceerde studiekeuze maken. Dat leidt bij een deel van deze studenten tot onnodige schooluitval, tussentijdse overstap naar andere opleidingen en een langere studietijd. Een overstap betekent verder extra administratieve lasten voor instellingen vanwege mutaties van inschrijvingen en onderwijsovereenkomsten. Voorts kan de inschrijving op gespannen voet komen te staan met de wet- en regelgeving als zij niet overeenkomt met de opleiding die de student feitelijk volgt.

Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt het mogelijk om studenten, die nog niet weten voor welk beroep en diploma dan wel kwalificatie ze willen worden opgeleid, in te schrijven voor een opleidingsdomein en hen een breder domeinprogramma aan te bieden. Een domeinprogramma kan namelijk worden gericht op delen van méérdere kwalificaties die behoren tot het desbetreffende opleidingsdomein. Hierdoor kunnen zij breder instromen en zich oriënteren op delen van meerdere kwalificaties die voor hen relevant zijn, gelet op hun vooropleiding, aanleg en interesses. Door een breder opleidingsprogramma kunnen ze vervolgens gerichter kiezen.

Met de invoering van opleidingsdomeinen beogen we de volgende doelen te bereiken:

• studenten maken een betere studiekeuze en stappen minder tussentijds over naar andere opleidingen gericht op andere kwalificaties;

• meer studenten halen een diploma en minder studenten vallen uit;

• studenten krijgen efficiënte opleidingstrajecten aangeboden door instellingen;

• de administratieve lasten van instellingen, als gevolg van frequente overstappen van studenten, worden verminderd.

1.3 Experimenten competentiegerichte kwalificatiestructuur

1.3.1 Ontwikkeling kwalificatiedossiers

In het kader van de experimenten competentiegerichte kwalificatiestructuur ontwikkelen en onderhouden de Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven (hierna: kenniscentra) sinds 2002 kwalificatiedossiers voor hun branche. In plaats van afzonderlijke eindtermen voor theorie en praktijk worden binnen de competentiegerichte kwalificatiestructuur in kwalificatiedossiers de kwalificatie-eisen beschreven met behulp van kerntaken, werkprocessen en competenties. Hieraan worden kennis, vaardigheden en beroepshouding gerelateerd. Gezamenlijk beschrijven zij de eisen waaraan een beginnend beroepsbeoefenaar moet voldoen om competent te handelen in het beoogde beroep of groep van beroepen. Ook de eisen in verband met taal, rekenen, burgerschap en doorstroom naar vervolgopleidingen worden in de kwalificatiedossiers opgenomen.

De ontwikkeling van kwalificatiedossiers gebeurt in de paritaire commissies beroepsonderwijs bedrijfsleven (hierna: paritaire commissie). Voor ieder kenniscentrum is de paritaire commissie het structurele ontmoetingsplatform tussen het georganiseerde bedrijfsleven en het georganiseerde middelbaar beroepsonderwijs. Het is ook de bedoeling dat vertegenwoordigers van het vmbo en het hbo hun inbreng leveren tijdens de beraadslagingen van de paritaire commissies van kenniscentra. De doelstelling van een paritaire commissie is overeenstemming te bereiken over de inhoud van kwalificatiedossiers. De leden van de paritaire commissie worden voorgedragen door sectorale werkgevers- en werknemersorganisaties en door de MBO Raad, AOC Raad en Paepon. Zowel het onderwijsveld als het bedrijfsleven is dus actief betrokken bij de totstandkoming van de kwalificatiedossiers.

Eén van de taken van de paritaire commissie is het ontwikkelen en actualiseren van de kwalificatiedossiers voor desbetreffende branche en hierover afstemming te zoeken met andere relevante paritaire commissies. Afstemming is onder andere nodig bij het opstellen van kwalificatiedossiers voor verwante beroepen die in verschillende branches voorkomen. De kenniscentra zijn ook verantwoordelijk het zorgen voor afstemming en samenhang in het geheel van de kwalificatiestructuur. De paritaire commissie is verplicht bij de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers rekening te houden met de eisen uit het Toetsingskader:

• de vormcriteria (formats, protocollen, verantwoordingsdocumenten);

• de inhoudelijke criteria (flexibiliteit, duurzaamheid, transparantie, uitvoerbaarheid en herkenbaarheid);

• de procescriteria (procedures en coördinatie).

Met het oog op het onderhouden en verbeteren van kwalificatiedossiers monitoren kenniscentra de validiteit en uitvoerbaarheid ervan. De validiteit betreft de inhoudelijke aansluiting op eventuele veranderingen in de beroepspraktijk, ook wat betreft verwante beroepen. De betrokkenheid van docenten en leerbedrijven zijn cruciaal voor het verhogen van de uitvoerbaarheid van de kwalificatiedossiers. De informatie over hun ervaringen wordt vooral ontsloten via de paritaire commissies en in samenwerkingstrajecten tussen kenniscentra en instellingen bij de ontwikkeling van competentiegericht onderwijs (zie tevens § 1.4.3).

1.3.2 Experimentele opleidingen

De kwalificatiedossiers vermelden de eisen waaraan een student moet voldoen om een mbo-diploma te kunnen krijgen en als beginnend beroepsbeoefenaar een baan te vinden of te kiezen voor een vervolgopleiding. Op basis van deze door de Minister vastgestelde kwalificatiedossiers richten instellingen het competentiegerichte onderwijs in; zij geven zelf vorm en inhoud aan hun opleidingen. Instellingen konden tijdens de experimentele periode op vrijwillige basis starten met het vormgeven en aanbieden van experimentele opleidingen en bepaalden daarmee zelf het tempo van invoeren.

In de laatste drie jaar van de experimenteerperiode heeft het procesmanagement MBO 2010 (hierna: MBO 2010) in mijn opdracht vraaggerichte ondersteuning geboden aan instellingen. Pijlers hiervan waren de inhoudelijke inrichting van het onderwijs, de modernisering van de bedrijfsvoering en de (verdere) professionalisering van het personeel van instellingen. Jaarlijks is in kaart gebracht hoe ver instellingen waren gevorderd met de implementatie en welke aanpassingen en ondersteuning tot het einde van de experimenteerperiode nodig waren. De laatste rapportage hiervan is onderdeel van de evaluatie, die verder in § 1.4 wordt besproken. In § 7 wordt verder ingegaan op afbouw van de ondersteuning door MBO 2010.

1.4 Afsluiting experimenteerperiode

De in de WEB voorziene experimenteerperiode loopt tot 1 augustus 2010. De sector heeft op dat moment zes jaar de tijd gehad om gezamenlijk te werken aan de ontwikkeling van de nieuwe kwalificatiestructuur en de inrichting van competentiegericht onderwijs. In de wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in hoofdzaak ten behoeve van het volgen van assistentopleidingen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Staatsblad 2009, nr. 289) wordt geregeld dat deze experimenteerperiode met maximaal twee jaar kan worden verlengd. Echter, bij de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel komt er een einde aan de experimenteerperiode.

1.4.1 Evaluatie experimenten

De WEB voorziet in een evaluatiebepaling ter afronding van de experimenteerperiode (artikel 12.1a.4.). Hierin staat dat een door een onafhankelijke organisatie op te stellen verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de opleidingen aan de Tweede Kamer wordt gezonden. Om de eerder genoemde procesdoelstellingen te beoordelen is er gebruik gemaakt van de volgende onderzoeken en monitors:

– De voortgangsrapportage van MBO 2010 «Op weg naar 2010, het vervolg» (21 januari 2009, Kamerstukken II 2008/09, 27 451, nr. 104) waarin op landelijk niveau – en op basis van voortgangsrapportages van instellingen en gesprekken hierover – de stand van zaken wordt weergegeven rond de implementatie van de competentiegerichte kwalificatiestructuur;

– Het onderzoek van de Tweede Kamer (11 februari 2009, Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 2) naar de invoering van het competentiegericht onderwijs in het mbo. Het onderzoek gaat in op: het beleidsproces, de kwalificatiedossiers en de internationale context, de randwoorden geld, tijd en expertise en het draagvlak onder studenten, docenten, managers, bestuurders en betrokken bedrijfsleven;

– Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs «Competentiegericht mbo, kansen en risico’s» van 9 april 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 4);

– De monitor competentiegericht onderwijs van ECBO van 1 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 24).

Uit de evaluatie blijkt dat de structurele invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur steun van de betrokkenen heeft en mogelijk is per 1 augustus 2010. Bij de wijze waarop instellingen op locatie vormgeven aan het competentiegericht onderwijs is aandacht nodig voor het verschil in tempo van de invoering en tijd voor instellingen om verbetereringen door te voeren.

In eerste instantie was ik daarom van plan een overgangsprocedure op te nemen voor individuele instellingen (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 3). Hiermee wilde ik na het maken van prestatieafspraken wat extra invoeringstijd geven aan instellingen die hiervoor op basis van een auditprocedure in aanmerking komen.

Bij nader inzien brengt een dergelijke procedure echter veel beheerslasten met zich mee voor instellingen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat instellingen zelf al toewerken naar een situatie per augustus 2010 – met uitloop naar 2011 voor een selecte groep opleidingen –, waarin studenten in het eerstejaar van een mbo-opleiding competentiegericht worden opgeleid. In het studiejaar 2009–2010 wordt 84% van de eerstejaars studenten competentiegericht opgeleid tegenover 71% in 2008–2009. Ik ga er vanuit dat deze trend zich voortzet. Het grote aantal eerstejaars in de competentiegerichte opleidingen laat zien dat de eindtermgerichte opleidingen afgebouwd worden. Dat doen instellingen al dan niet gefaseerd. Gefaseerde afbouw betekent dat ingeschrevenen de eindtermgerichte opleiding afronden, waarna de opleiding niet meer wordt aangeboden. Niet gefaseerd houdt in dat de instelling alle zittende studenten van een eindtermgerichte opleiding, na hun toestemming hiervoor, inschrijft op de verwante experimentele competentiegerichte opleiding.

Door het wetsvoorstel inwerking te laten treden per 1 januari 2011 zullen vanaf augustus 2011 alle studenten in het eerste jaar van een mbo-opleiding competentiegericht worden opgeleid. Alle instellingen krijgen dus meer tijd, waardoor een uitgebreide auditprocedure niet nodig is. Wel heb ik met MBO 2010 een slotprocedure voor het studiejaar 2009–2010 ingericht op basis van een rapportage en zelfevaluatie van de instellingen.

1.4.2 Zelfevaluatie van instellingen en slotgesprekken MBO 2010 in 2009–2010

Colleges van bestuur hebben sinds 2007 ieder jaar bij het ministerie van OCW een rapportage ingediend waarin zij de stand van de implementatie van de kwalificatiestructuur op hun instelling uiteenzetten. Het interviewteam van MBO 2010 heeft hierover vervolgens ieder jaar met de afzonderlijke besturen gesprekken gevoerd en haar bevindingen gerapporteerd. Ook voor 2009 is een gesprekronde georganiseerd. De rapportage die instellingen hiervoor indienen, is uitgebreid met een zelfevaluatie van de instelling en geeft inzicht in:

• De mate waarin de instelling erin slaagt de volgende procesdoelstellingen per 1 augustus 2010 te realiseren:

1. Alle studenten starten in het eerste jaar met een opleiding die is geënt op een nieuw kwalificatiedossier;

2. De inhoudelijke kwaliteit van de door de instelling verzorgde competentiegerichte opleidingen (dus programmering, inrichting en examinering) is voldoende robuust en

3. De bedrijfsvoering binnen de instelling (waaronder begrepen de professionalisering van bestuur, management en personeel) rond het competentiegerichte onderwijs kent kwalitatief gezien een stevige basis.

• De wijze waarop de instelling de actieve betrokkenheid van docenten, studenten en het regionale bedrijfsleven heeft geregeld en verankerd.

• De wijze waarop de instelling de betrokkenheid van het (sectorale en regionale) bedrijfsleven heeft geregeld en verankerd, onder meer in relatie tot de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming.

Het interviewteam van MBO 2010 heeft de bevindingen uit de gespreksronde 2009 neergelegd in de rapportage «Op weg naar 2010, de finale». Medio 2010 oplevert het interviewteam de slotrapportage 2010 op.

1.4.3 Docentenbetrokkenheid

De betrokkenheid van docenten is sinds de rapportage van de commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen («commissie Dijsselbloem» in 2008) een belangrijk thema geweest bij de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur. Docenten hebben immers een belangrijke rol bij zowel de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers (het «wat») als bij het vormgeven van het competentiegerichte onderwijs (het «hoe»). Docentenbetrokkenheid is ook in de overleggen met de leden van de vaste Kamercommissie regelmatig aan de orde geweest. Dit heeft geleid tot een sterkere positionering van docenten.

De betrokkenheid van docenten is verschillend bij de ontwikkeling van de kwalificatie-eisen in kwalificatiedossiers (het «wat») en bij de vertaling van de kwalificatie-eisen naar onderwijsprogramma’s en didactische vormgeving (het «hoe»).

Kwalificatiedossiers worden ontwikkeld in paritaire commissies. Bij wet is geregeld dat die commissies voor de ene helft worden bemenst door vertegenwoordigers van het onderwijs en voor de andere helft door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Docenten hebben geen formele positie bij de ontwikkeling van de kwalficatie-eisen. Hun inbreng is echter wel van groot belang. Docenten kunnen op meer manieren meewerken aan de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers.

Ten eerste kunnen docenten zitting nemen in of betrokken zijn bij de paritaire commissies. In 2008 gaf 36% van de docenten aan betrokken te zijn geweest bij de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 2). Dat één op de drie docenten bezig is geweest met de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers, is gezien de wettelijke verdeling van verantwoordelijkheden een mooie score.

Ten tweede zijn de bestaande mogelijkheden versterkt om de ervaringen van docenten met de kwalificatiedossiers beter te benutten. Immers, docenten en andere betrokkenen bij het onderwijs moeten bij het vertalen van de kwalificatie-eisen naar onderwijsprogramma’s met de kwalificatiedossiers uit de voeten kunnen. Ik heb daarom in goed overleg met de kenniscentra, Colo en het Coördinatiepunt aanvullende afspraken gemaakt. Kenniscentra hebben sinds 2007 extra geïnvesteerd in het benutten van de ervaringen van docenten bij het actualiseren van de kwalificatiedossiers, bijvoorbeeld door kennisdelingsbijeenkomsten, expertmeetings, docentenplatforms, docentendagen en regioteams waarin docenten, trainers en praktijkadviseurs bijeenkomen. Kenniscentra leveren daarnaast samen met de kwalificatiedossiers aan het Coördinatiepunt Toetsing Kwalificaties mbo evaluatiegegevens en een rapportage aan, waarin staat hoe de informatie van docenten is verwerkt in het kwalificatiedossier. Het Coördinatiepunt beoordeelt bij de eindtoets van het kwalificatiedossier of er voldoende rekening is gehouden met de ervaring van docenten. Daarbij let het Coördinatiepunt ook op de representativiteit van de vertegenwoordiging door docenten. Deze werkwijze is in het toetsingskader van het Coördinatiepunt opgenomen, zodat docentbetrokkenheid een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de toetsingsprocedure voorafgaand aan de vaststelling van de kwalificatiedossiers. Hierdoor zijn de positie en betrokkenheid van docenten onderdeel van het advies dat het Coördinatiepunt op het desbetreffende kwalificatiedossier uitbrengt aan de Minister van OCW en de Minister van LNV.

Daarnaast hebben organisaties als MBO 2010, Colo en MBO Raad aanvullende initiatieven ontwikkeld om docenten nog meer te betrekken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van kwalificatiedossiers. Het Coördinatiepunt heeft in dat verband de website «www.mijnkwalificatiedossier.nl» ingericht waarop docenten hun ervaringen met een of meer kwalificatiedossiers kunnen achterlaten. Het Coördinatiepunt geleidt deze reacties door naar het desbetreffende kenniscentrum.

Het staat buiten kijf dat docenten wél een rol (moeten) hebben bij de vertaalslag van de opgestelde kwalificatie-eisen naar onderwijsprogramma’s binnen de scholen. Scholen bepalen in samenwerking met het (regionale) bedrijfsleven de manier waarop de inhoud van de dossiers wordt vertaald in opleidingen (het «hoe»). De scholen zijn verantwoordelijk voor het verzorgen van goed onderwijs. Ten aanzien van programmering, inrichting, didactische aanpak, examinering en loopbaanbegeleiding van studenten maken scholen hun eigen keuzes. Docenten hebben daarin een grote rol. 65% van de docenten was in 2008 betrokken bij de vertaling van de kwalificatiedossiers naar onderwijsprogramma’s (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 2). Op dat moment was 58% van alle mbo-opleidingen op competentiegerichte wijze vormgegeven.

Formeel had de docent via de medezeggenschapsraad al instemmingsrecht bij de verandering van de onderwijskundige doelstelling van de school en bij de vaststelling van de onderwijs- en examenregeling. Met de inwerkingtreding van de Wet medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs (Stb. 2010, 8) zijn aan de ondernemingsraad expliciet deze medezeggenschapsbevoegdheden ten aanzien van het onderwijskundig beleid toegekend. Tot slot, via het professioneel statuut (actieplan Leerkracht van Nederland) wordt de professionele ruimte van de docent geregeld. Daarmee wordt de interne zeggenschap van de docent bedoeld ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van het onderwijskundig beleid en het kwaliteitsbeleid van de school.

Uit de rapportage van MBO 2010 (zie passage hieronder) blijkt dat docenten inmiddels een grotere rol spelen bij de inrichting van het competentiegerichte onderwijs. Dit is enerzijds te danken aan de verhoging van de inzet van bestuurders, middenmagament en docenten en de keuzes die deze gemaakt hebben. Anderzijds speelt ook de toename van het aantal competentiegerichte opleidingen een rol. Met 84% van de eerstejaarsstudenten in het mbo (2009) zijn er nog maar weinig docenten die niet met competentiegericht onderwijs van doen hebben.

In de publicatie van MBO 2010 «Op weg naar 2010, de finale» doet het interviewteam verslag van de gespreksronde 2009 (zie ook § 1.4.2). Wat betreft docentenbetrokkenheid concludeert het team dat docenten in 2009 verder in positie zijn gebracht. Het overgrote deel van de scholen kent naast het reguliere overleg met de medezeggenschapsraad gesprekken met docentenpanels en tevredenheidsonderzoeken. Bestuurders beseffen inmiddels (anno 2009) terdege dat de sleutel voor het welslagen van de modernisering van het mbo in handen ligt van de teams, dus van de individuele docenten die samen met de leidinggevende de opdracht hebben het onderwijs vorm en inhoud te geven. Standaardisatie van systemen en spelregels die de basis vormen van onderwijs, kenmerkt zich door variëteit in programmering, inrichting en examinering en laat daarmee ruimte aan de onderwijsprofessional om samen met het opleidingsteam eigen keuzen te maken. Tot slot zien we dat de zelfsturende teams op de meeste scholen zijn vervangen door resultaatverantwoordelijke teams. Deze worden niet geleid door een meewerkend voorman, maar door een leidinggevende die samen met de professionals de klus moet klaren en over daarbij behorende bevoegdheden beschikt.

1.4.4 Studentenbetrokkenheid

In het studiejaar 2008–2009 is ook gekeken naar wat studenten vinden van het onderwijs dat ze volgen (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 3). 75% van de studenten is neutraal tot heel positief over zijn opleiding. Wel blijken zij behoefte te hebben aan een duidelijke theoriecomponent in de opleiding met uitleg van een docent, individuele begeleiding (met name de studenten aan een roc) en goede informatie over wat er van hen in het competentiegerichte onderwijs wordt verwacht. Veel klachten van studenten zijn terug te voeren op de dagelijkse bedrijfsvoering op scholen, zoals roostering, begeleiding, de verstrekte informatie over het onderwijs en de studievoortgang en het afhandelen van klachten. Ook blijkt dat studenten in competentiegericht onderwijs meer dan in het eindtermgerichte onderwijs willen meedenken over het onderwijs. Dat pleit er dan ook voor dat scholen meer dan voorheen bij de inrichting van gedegen onderwijs en de dagelijkse bedrijfsvoering gebruik gaan maken van de terugkoppeling van hun studenten.

Anno 2010 zien we dat het mbo werk maakt van bovenstaande bevindingen. De Inspectie van het Onderwijs constateerde dat het evenwicht tussen kennis, vaardigheden en houding in het aanbod is toegenomen, de afwisseling in werkvormen eveneens. Voor studenten leidt dat tot meer structuur in het onderwijsproces. Er is meer variatie in werkvormen, een toename van klassikaal onderwijs, een verbeterde aanpak van beoordelingen, meer deskundigheidsbevordering van docenten resulterend in competentere docenten (Kamerstukken II 2008/09, 31 524, nr. 4). De aandacht voor verbetering van de bedrijfsvoering is eveneens toegenomen. Het interviewteam van MBO 2010 constateert in de rapportage «Op weg naar 2010, de finale» (zie ook § 1.4.2) dat de basiskwaliteit van het onderwijs (organisatie, roostering) voor de meeste scholen prioriteit is en dan ook verder toeneemt. Scholen geven nadrukkelijk aandacht aan versterking van de betrokkenheid van leerlingen, docenten en bedrijfsleven bij het onderwijs. Hoewel ten aanzien van de professionalisering van docenten, management en bestuur en verbetering van de bedrijfsvoering vooruitgang wordt geboekt, blijft met name de bedrijfvoering voor veel roc’s een punt van grote aandacht. Dit en de professionalisering blijven dan ook onderwerpen die een prominente plek hebben in de activiteitenplannen van scholen voor de periode 2011–2015.

In de praktijk blijkt in toenemende mate dat scholen geïnteresseerd zijn in de mening van hun studenten. Veel scholen zetten inmiddels instrumenten als interne onderzoeken en leerlingenpanels in om hun studenten te betrekken bij de inrichting van het onderwijs. Ook op teamniveau hebben studenten in toenemende mate de mogelijkheid hun oordeel te geven over de programmering en inrichting van de opleiding. Naast de toegenomen betrokkenheid van studenten in de praktijk is in 2009 de formele positie van studenten verder versterkt. Met de inwerkingtreding van de wet medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs (Stb. 2010, 8) zijn instellingen verplicht deelnemersraden in te stellen. Hierdoor hebben studenten meer formele inspraakmogelijkheden gekregen.

2. COMPETENTIEGERICHTE KWALIFICATIESTRUCTUUR

2.1 Wat is de competentiegerichte kwalificatiestructuur?

De nieuwe, competentiegerichte kwalificatiestructuur is het geheel van kwalificatiedossiers (inclusief kwalificaties) en opleidingsdomeinen. In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op onder meer de kwalificatiedossiers (§ 2.2.1), kwalificaties (§ 2.2.2) en de opleidingsdomeinen (§ 4).

Het voornaamste verschil tussen de eindtermengerichte kwalificatiestructuur en de competentiegerichte kwalificatiestructuur is dat de beroepspraktijk uitgangspunt is voor de beschrijving van (globaler beschreven) diploma-eisen. Net als de eindtermgerichte kwalificatiestructuur biedt de competentiegerichte kwalificatiestructuur het inhoudelijke kader voor de drievoudige doelstelling van het mbo; kwalificeren voor het uitoefenen van een beroep, algemene vorming en persoonlijke ontplooiing van de student en bijdragen tot maatschappelijk functioneren (burgerschap). De eisen hiervoor zijn beschreven in kwalificatiedossiers, die de basis vormen van de competentiegerichte kwalificatiestructuur.

2.2 Kwalificatiedossiers

2.2.1 Wat is een kwalificatiedossier?

Een kwalificatiedossier is een document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven. In kwalificatiedossiers staat per werkproces beschreven welke competenties en specifieke kennis, vaardigheden en (beroeps)houding nodig zijn voor de uitvoering hiervan. Ook geeft het kwalificatiedossier aan of er – en zo ja, welke – aanvullende wettelijke vereisten van toepassing zijn. Tevens zijn de eisen vermeld ten aanzien van taal, rekenen en burgerschap. De kwalificaties zijn binnen en tussen de kwalificatiedossiers dusdanig op elkaar afgestemd dat doorstroommogelijkheden naar een hoger mbo-niveau of naar het hoger beroepsonderwijs geborgd zijn.

Ieder kwalificatiedossier wordt door de Minister vastgesteld. Voor het studiejaar 2009/2010 zijn 241 experimentele kwalificatiedossiers vastgesteld.

2.2.2 Kwalificaties

Een kwalificatie (voorheen ook uitstroom(differentiatie) genoemd) is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier. In ieder kwalificatiedossier is ten minste één kwalificatie uitgewerkt.

De uitwerking van de kwalificaties is opgenomen in deel C van het kwalificatiedossier. Ieder kwalificatiedossier en iedere kwalificatie worden in de registratie voorzien van een Crebocode.

Diplomering geschiedt altijd op het niveau van een kwalificatie. Op dit niveau worden immers ook de onderwijs- en examenlicenties toegekend en ontnomen.

2.2.3 Competenties

De competenties in de kwalificatiedossiers komen uit het KBB-competentiemodel dat door het bureau SHL is ontwikkeld. Het KBB-competentiemodel is een consistent, samenhangend en geordend geheel van termen, dat wordt gebruikt bij het beschrijven van competenties in de kwalificatiedossiers. Het model kent 25 competenties die in het model verder zijn uitgewerkt. Met dit model in de hand is er een eenduidige «competentietaal» ontwikkeld voor het hele mbo. Competenties zijn ontwikkelbare vermogens van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen. Competenties zijn samengesteld van karakter en relateren aan onderliggende vaardigheden, kennis en houding. Per kwalificatie zijn de benodigde competenties weergegeven. Onder meer de beroepscontext bepaalt welke competenties van toepassing zijn en geeft richting aan het beheersingsniveau.

Bij het bepalen van de beheersingsniveaus voor de basisvaardigheden taal en rekenen wordt in het mbo gebruik gemaakt van het (sectoroverstijgende) referentiekader taal en rekenen, zoals vastgelegd wordt in de amvb «Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen». Voor ieder kwalificatieniveau afzonderlijk (dus voor mbo 1, 2, 3 en 4) en ongeacht de beroepscontext wordt hiermee het minimale beheersingsniveau bepaald voor taal en rekenen.

2.2.4 Kennis en vaardigheden

De kennis en vaardigheden die gevraagd worden van beginnend beroepsbeoefenaren vormen een wezenlijk onderdeel van de kwalificatie-eisen. In de kwalificatiedossiers blijkt dat ook uit de opbouw ervan. Met de kerntaken en daarbij behorende werkprocessen wordt aangegeven wat de eisen zijn aan beginnend beroepsbeoefenaren. Voor iedere kwalificatie in een kwalificatiedossier staat per werkproces vermeld welke competenties een beginnend beroepsbeoefenaar daartoe in moet zetten en welke kennis en vaardigheden hij nodig heeft.

2.2.5 Certificeerbare eenheden

De eindtermgerichte kwalificatiestructuur is opgebouwd uit deelkwalificaties. Deze werden landelijk vastgesteld en waren daarmee in belangrijke mate richtinggevend voor de inrichting van het onderwijs. Studenten die een deelkwalificatie hadden afgerond, ontvingen hiervoor een landelijk erkend certificaat. In de competentiegerichte kwalificatiestructuur wordt gewerkt met certificeerbare eenheden. Deze zijn niet de competentiegerichte «opvolger» van de deelkwalificaties: zowel in samenstelling, doel, omvang en aantal wijken zij af van de deelkwalificaties. De eindtermendocumenten zijn als geheel ingedeeld in deelkwalificaties, die allen met een certificaat kunnen worden afgerond. Deze modulaire opbouw van de eindtermendocumenten was vervolgens bepalend voor de opbouw van de opleidingen. Omdat alle onderwijsprogramma’s op basis van dezelfde deelkwalificaties waren ingericht, kon een student zijn opleiding in delen doen en eventueel een of meer delen bij een andere instelling volgen. Deze vergaande bepaling van het «hoe» door het «wat» is losgelaten bij de ontwikkeling van de competentiegerichte kwalificatiedossiers. Alleen indien daartoe specifieke redenen zijn kunnen binnen een kwalificatiedossier één of meer certificeerbare eenheden worden onderscheiden.

Voorliggend wetsvoorstel regelt daarom dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat er een certificaat kan worden verbonden aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties. Welke onderdelen dit kunnen zijn en de noodzaak deze apart te vermelden in de kwalificatiestructuur is nog onderwerp van gesprek met diverse partijen in de mbo-sector. Als de certificeerbare eenheden onderdeel uitmaken van de kwalificatiestructuur worden de eenheden door de Minister vastgesteld in het kwalificatiedossier op voorstel van een kenniscentrum. Certificeerbare eenheden hebben geen zelfstandige betekenis voor de bekostiging.

2.2.6 Wettelijke beroepsvereisten

De voor het beroep geldende kwalificatie-eisen worden door het bedrijfsleven en onderwijs vastgelegd in een kwalificatiedossier. Daarbij moet ook worden gekeken of er beroepsvereisten voortvloeien uit andere wet- en/of regelgeving dan die op het gebied van onderwijs. Meestal zijn daar andere ministeries (hierna: vakdepartementen) bij betrokken dan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het stellen van aanvullende vereisten wordt ook in toenemende mate bepaald door de EU. De wettelijke beroepsvereisten zijn onderdeel van de kwalificatie-eisen waarover afgestudeerden van een beroepsopleiding moeten beschikken om in aanmerking te komen voor het mbo-diploma. Kenniscentra dragen ervoor zorg dat bij het indienen van kwalificatiedossiers nagegaan is of er wettelijke beroepsvereisten van toepassing zijn en zo ja, dat deze op de juiste wijze zijn neergelegd in de desbetreffende kwalificatiedossiers.

De kwalificatiedossiers waarin wettelijke beroepsvereisten zijn opgenomen moeten bij de aanbieding ter vaststelling voorzien zijn van een goedkeurende verklaring van het betrokken vakdepartement. Hiermee verklaart het vakdepartement dat de relevante wettelijke vereisten op de juiste wijze zijn neergelegd in het kwalificatiedossier. Kenniscentra zijn verantwoordelijk voor een permanente update van de wettelijke beroepsvereisten in de kwalificatiedossiers (zie tevens § 2.2.9).

2.2.7 Format voor kwalificatiedossiers

Alle kwalificatiedossiers zijn volgens hetzelfde model opgebouwd, dat is vastgelegd in het «Format». Ieder kwalificatiedossier bestaat uit vier delen. De delen hangen met elkaar samen, maar hebben elk een verschillende functie:

• In deel A staat de informatie over het beroep of cluster van beroepen voor een algemeen geïnteresseerd publiek;

• Deel B beschrijft de relevante en herkenbare aspecten van de beroepsuitoefening in de vorm van kerntaken en werkprocessen voor alle kwalificaties van het dossier gezamenlijk. De competenties die nodig zijn om de werkprocessen succesvol te kunnen uitvoeren zijn benoemd. Daarmee is het beeld van de gevraagde vakbekwaamheid van de beginnende beroepsbeoefenaar voor de beroepengroep geschetst. Deel B bevat ook de algemene en specifieke informatie die wettelijk of door de desbetreffende branche vereist is voor elke kwalificatie van het desbetreffende dossier afzonderlijk. Tevens is de beschrijving van trends en innovatie in de beroepsuitoefening in deel B opgenomen, alsmede de vermelding van formele vereisten op het gebied van Nederlands, moderne vreemde talen, rekenen, leren, loopbaan en burgerschap;

• Deel C is de inhoudelijke uitwerking van deel B voor elke kwalificatie van het dossier afzonderlijk. De kerntaken en werkprocessen worden hier in de context van het beroep uitgewerkt. Deel C bevat onder andere de kennis- en vaardigheidselementen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in deel B genoemde kerntaken en werkprocessen gespecificeerd naar elke kwalificatie. Ook zijn hierin de prestatie-indicatoren opgenomen;

• Deel D bevat de verantwoording van de gemaakte keuzes bij de ontwikkeling van het dossier en de agenda voor het onderhoud en innovatie van het dossier.

Het Format voor de kwalificatiedossiers wordt evenals het Toetsingskader bij ministeriële regeling vastgesteld.

2.2.8 Coördinatiepunt Toetsing Kwalificaties mbo

Het Coördinatiepunt Toetsing Kwalificaties mbo (hierna: Coördinatiepunt) wordt bij ministeriële regeling aangewezen als de organisatie die belast is met de advisering over de landelijke kwalificatiestructuur en over de voorstellen tot vaststelling van kwalificatiedossiers. Het Coördinatiepunt is een onafhankelijke organisatorische eenheid van de Vereniging Colo. Het neemt besluiten onafhankelijk en afzonderlijk van het bestuur of de directie van Colo. Om de inhoudelijke autonomie van het Coördinatiepunt binnen Colo verder te borgen zijn statuten en een reglement opgesteld, waarin onder meer worden vastgelegd wat de bevoegdheden van de manager van het Coördinatiepunt zijn en hoe de professionele onafhankelijkheid en de wisselwerking met de belanghebbenden (kenniscentra, ministerie, instellingen) worden georganiseerd. Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld voor de werkwijze van de organisatie en de subsidiëring van de werkzaamheden.

In 2011 zal de inrichting en de werking van het Coördinatiepunt onderwerp van evaluatie zijn. De Tweede Kamer wordt daarover geïnformeerd.

Het Coördinatiepunt begeleidt het proces van ontwikkeling van de kwalificatiedossiers door het bevorderen van samenhang tussen de kwalificatiedossiers en tussen de kwalificaties, de herkenbaarheid en uitvoerbaarheid van de dossiers en de transparantie in de kwalificatiestructuur. Het Coördinatiepunt voorziet de Minister van informatie ten behoeve van de verdere kwaliteitsverbetering van de kwalificatiestructuur. Daarnaast toetst het Coördinatiepunt of de kwalificatiedossiers voldoen aan het Format en het Toetsingskader voor de kwalificatiedossiers. Het Format voor de kwalificatiedossiers is reeds toegelicht in § 2.2.7. Het Coördinatiepunt toetst of daadwerkelijk aan het Toetsingskader is voldaan. Het hanteert daarbij meerdere toetsmomenten: een ingangstoets, tussentoetsen en een eindtoets. Meer informatie over de toetsing door het Coördinatiepunt wordt gegeven in de eerdergenoemde ministeriële regeling.

2.2.9 Ontwikkeling van de kwalificatiedossiers en vaststellingsprocedure

De procedure om tot kwalificatiedossiers te komen die kunnen worden vastgesteld door de Minister, ziet er op hoofdlijnen als volgt uit:

• Het opstellen van beroepscompetentieprofielen door de betrokken branche die de basis vormen voor de te ontwikkelen kwalificaties;

• Voordat wordt begonnen aan een nieuw kwalificatiedossier onderzoekt het betrokken kenniscentrum of de beoogde kwalificaties arbeidsmarktrelevant zijn;

• Het Coördinatiepunt verricht een ingangstoets;

• Na een positieve ingangstoets worden in de paritaire commissie afspraken gemaakt over de verdere inhoud van het kwalificatiedossier. Als er in de paritaire commissie overeenstemming is bereikt, leidt het betrokken kennniscentrum het kwalificatiedossier door naar het Coördinatiepunt voor toetsing aan het Toetsingskader.

• Het bestuur van het kenniscentrum besluit vervolgens, geadviseerd door de paritaire commissie, het kwalificatiedossier wel of niet via het Coördinatiepunt ter vaststelling aan te bieden aan de Minister. Bij de aanbieding ervan wordt het advies van het Coördinatiepunt aan het kwalificatiedossier toegevoegd.

Voor kwalificatiedossiers die gericht zijn op het groene domein, is de Minister van LNV verantwoordelijk. Voor de overige kwalificatiedossiers is dat de Minister van OCW.

In een ministeriële regeling worden vastgesteld:

• de termijnen voor de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers;

• volgens welk Format en Toetsingskader de kwalificatiedossiers worden ingericht;

• tot welk opleidingsdomein ieder kwalificatiedossier behoort;

• de kwalificatiedossiers en kwalificaties, waarbij per kwalificatie wordt aangegeven of een hierop gebaseerde opleiding in aanmerking komt voor bekostiging door de overheid.

Kwalificatiedossiers met wettelijke beroepsvereisten

Bij het indienen van kwalificatiedossiers waarin ook wettelijke beroepsvereisten zijn opgenomen (zie § 2.2.6), moet het desbetreffende kenniscentrum zorgdragen voor een goedkeurende verklaring van het betrokken vakdepartement. Het Coördinatiepunt betrekt deze verklaring bij het toetsproces zoals dat hierboven is beschreven. Het Coördinatiepunt toetst niet of de wettelijke eisen inhoudelijk adequaat zijn verwerkt in het dossier. Wel controleert het of de aanbieding van het kwalificatiedossier vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring. Zonder deze verklaring wordt een kwalificatiedossier niet door de Minister vastgesteld.

In het geval dat een kenniscentrum een kwalificatiedossier opnieuw wil laten vaststellen zonder dat er veranderingen zijn opgetreden in de wettelijke vereisten, volstaat een verklaring van het vakdepartement dat de wettelijke vereisten sinds de vorige vaststelling niet zijn gewijzigd.

2.2.10 Geldigheidsduur van kwalificatiedossiers

In een ministeriële regeling wordt de geldigheidsduur van de kwalificatiedossiers vastgesteld. Gedacht wordt hierbij aan een periode van maximaal zes jaar. Voor het einde van die periode zou dan het kwalificatiedossier door de paritaire commissie moeten worden geactualiseerd, getoetst door het Coördinatiepunt en vastgesteld door de Minister. De procedure zoals hiervoor beschreven, wordt opnieuw doorlopen. Bij het actualiseren hoort ook het actualiseren van de beroepscompetentieprofielen of het opnieuw legitimeren ervan door de sociale partners. Het Coördinatiepunt zal bij ministeriële regeling (zie § 2.2.8) als extra taak krijgen de kenniscentra voor het verlopen van de geldigheidsduur hierover tijdig te informeren, zodat er voldoende tijd is voor kenniscentra te bezien of de kwalificatiedossiers moeten worden aangepast en de toetsingsprocedure te doorlopen.

Kwalificatiedossiers moeten eerder opnieuw aan de Minister ter vaststelling worden aangeboden bij belangrijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, grote formatwijzigingen en/ of veranderingen in de wettelijke vereisten. Ook kunnen door het onderwijs waargenomen knelpunten aanleiding zijn voor eerdere aanpassing van de kwalificatiedossiers. Aangepaste en/ of nieuwe kwalificatiedossiers doorlopen vervolgens de procedure zoals hierboven beschreven.

De vaststelling van nieuwe of herziene kwalificatiedossiers heeft consequenties voor de duur van diplomering voor een opleiding die gebaseerd is op een eerdere versie (§ 2.4.1) en inschrijving van studenten (artikel I, onderdeel U (artikel 7.2.4 WEB)).

2.2.11 EQF en NQF

De komende periode moeten alle Nederlandse onderwijsniveaus, dus ook die in het mbo, gerelateerd kunnen worden aan het Europese kwalificatiekader (EKK). In Europa is afgesproken dat iedere lidstaat vóór 2011 een nationaal kwalificatieraamwerk (NKK) ontwikkelt dat vervolgens aan het EKK gerelateerd wordt. Ook voor Nederland is dat nodig.

Uit onderzoek van het Coördinatiepunt blijkt dit voor het mbo redelijk eenvoudig te realiseren te zijn. Van vrijwel alle onderzochte kwalificatiedossiers is het per kwalificatie aangegeven niveau transparant uitgewerkt. De transparantie tussen verschillende kwalificatiedossiers is ook in orde. De niveaudifferentiaties in het mbo stemmen redelijk goed overeen met de referentieniveaus van het EKK. Een-op-een koppeling van de niveaus van de kwalificatiedossiers aan het EQF is dan ook mogelijk, mits een standaarddocument voor de niveaus wordt vastgesteld en opgenomen in het Toetsingskader kwalificatiedossiers.

Tot het einde van 2010 wordt het NKK ontwikkeld en getest. Ook worden de nationale kwalificaties (dus ook die van het mbo) ingeschaald in het EKK, zodat in 2012 het EKK-niveau conform de afspraken op Europees niveau op alle diploma’s en certificaten kan staan.

2.2.12 Naamgeving beroepsopleidingen

Voorliggend wetsvoorstel regelt ook dat beroepsopleidingen door de instelling in het maatschappelijk verkeer dienen te worden aangeduid met de naam van het kwalificatiedossier en de kwalificatie waarop de opleiding is gebaseerd. Onder het maatschappelijk verkeer wordt ook de voorlichting geschaard aan studenten en/of hun ouders en de aanduiding van de opleiding op bijvoorbeeld een website of in een studiegids.

De inspectie zal hierop toezien in het reguliere toezicht.

2.3 Nadere voorschriften bij algemene maatregel van bestuur

Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel krijgt de Minister de bevoegdheid bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere voorschriften te stellen aan de inhoud van de kwalificatiedossiers. Hierbij wordt gedacht aan kwalificatie-eisen op het gebied van bijvoorbeeld burgerschap, taal en rekenen. Vaststelling van deze kwalificatie-eisen betekent dat de student hieraan moet voldoen om een mbo-diploma te kunnen krijgen.

Daarbij dient te worden opgemerkt dat er een afzonderlijk wetstraject is gestart voor de invoering van referentieniveaus taal en rekenen.

In aanvulling op de eenduidige naamgeving van beroepsopleidingen (zie § 2.2.12) moet de instelling voorts op een diploma zowel de naam van het kwalificatiedossier als de kwalificatie vermelden plus de bijbehorende Crebocodes. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere eisen gesteld worden aan het diploma (inclusief de resultatenlijst) met betrekking tot de inhoud en beveiliging van het document. Eenduidigheid bij diploma’s en het tegengaan van fraude bevorderen transparantie van mbo-diploma’s in het maatschappelijk verkeer.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal ook richting worden gegeven aan de slaag-/zakbeslissing. Dit gebeurt in overleg met de sector. Momenteel wordt gedacht aan het volgende principe. Een diploma mag alleen worden uitgereikt als:

– Alle beroepsgerichte kerntaken van de desbetreffende kwalificatie met ten minste een voldoende zijn afgerond;

– De student heeft voldaan aan de inspanningsverplichtingen voor burgerschapsvorming en loopbaan;

– De van overheidswege vereiste niveaus voor Nederlands, rekenen en – voor mbo4 – Engels zijn behaald.

Bij of krachtens de genoemde algemene maatregel van bestuur worden ook compensatiemogelijkheden uitgewerkt.

2.4 Diploma, schoolverklaring en certificaat

2.4.1 Diploma en diplomering

Een diploma is het landelijk erkende bewijs van beheersing van de desbetreffende kwalificatie danwel het bewijs van bekwaamheid. Een diploma wordt afgegeven als de student beschikt over de bekwaamheden voor de door hem gekozen kwalificatie zoals in het desbetreffende kwalificatiedossier is beschreven. Er wordt gediplomeerd op het niveau van de kwalificatie.

Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier is verstreken, mag de instelling gedurende beperkte tijd diploma’s uitreiken voor studenten die een opleiding hebben gevolgd die gebaseerd is op dat kwalificatiedossier. Deze periode is beperkt tot de normatieve studieduur van de desbetreffende opleiding, vermeerderd met twee jaren. Bij het bepalen van deze duur is rekening gehouden met studenten die gaandeweg een studiejaar aan een opleiding beginnen. Studenten die langer dan de normatieve duur + twee jaar over de opleiding doen, dienen dus na die tijd te worden ingeschreven voor een opleiding die gebaseerd is op het meest recent vastgestelde («nieuwste») kwalificatiedossiers. Hierop dient dan ook te worden gediplomeerd.

2.4.2 Schoolverklaring

De praktijk wijst uit dat instellingen veelal een schoolverklaring uitreiken aan de student in het geval dat hij zonder diploma de instelling verlaat. Hierop is terug te vinden welke delen van de kwalificatie de student beheerst. Het hanteren van een schoolverklaring is een besluit van de instelling. De wet schrijft dit niet voor en de schoolverklaring heeft dan ook geen formele status. De schoolverklaring is ook niet relevant voor de bekostiging van de instelling.

2.4.3 Certificaat

Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kan worden bepaald dat er een certificaat wordt uitgereikt door de instelling na het succesvol afronden van certificeerbare eenheden. Wat het doel en de noodzaak zijn van certificeerbare eenheden, is bij indiening van het wetsvoorstel onderwerp van gesprek met de sector (zie ook § 2.2.5). Certificeerbare eenheden die zijn opgenomen in kwalificatiedossiers, gelden landelijk. Dit betekent dat een student met een certificaat in handen bij overstap naar een andere instelling of opleiding wordt vrijgesteld voor de desbetreffende kwalificatie-eisen uit het kwalificatiedossier.

2.5 Opleidingsaanbod van instellingen

2.5.1 Instellingen

Tot aan het moment waarop dit wetsvoorstel in werking treedt, moeten alle instellingen jaarlijks een aanvraag indienen voor het aanbieden van experimentele opleidingen. Na de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel vervalt deze jaarlijkse aanvraagprocedure. Dan geldt voor de competentiegerichte opleidingen bij bekostigde instellingen het regime zoals dat al geldt voor de eindtermgerichte opleidingen sinds de inwerkingtreding van de wet van 27 juni 2008, Stb. 267, tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake deregulering en administratieve lastenverlichting (DAL). Dat regime houdt in dat het bevoegd gezag niet vooraf hoeft te melden welke beroepsopleidingen de instelling wil verzorgen, maar dat het daarbij wel een zorgplicht (artikel 6.1.3 van de Web) heeft. Dat betekent: het bevoegd gezag van een instelling (waaronder bedoeld: roc, vakinstelling en aoc) zorgt ervoor dat een opleiding alleen wordt aangeboden als er voor afgestudeerden voldoende arbeidsmarktperspectief is.

In relatie tot deze zorgplicht is de afbakening van het onderwijsaanbod van de vakinstellingen en de agrarische opleidingscentra (aoc’s) ten opzichte van de roc’s een punt van aandacht. De aoc’s beperken zich volgens hun wettelijke opdracht tot opleidingen op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel. Zij vormen thans een landelijk dekkend netwerk van kleinschalige instellingen. Het is vanuit het perspectief van doelmatigheid van het stelsel gewenst dat het bestaande aanbod niet wordt versnipperd en dat de «kritische massa» van de instellingen in hun regio niet wordt aangetast. Anderzijds moet er ruimte zijn voor flexibiliteit met het oog op ontwikkelingen binnen en tussen de onderscheiden sectoren. De wet biedt hiervoor de volgende aanknopingspunten.

Ten eerste voorziet de wet in artikel 6.1.3, tweede lid, reeds in de mogelijkheid dat vakinstellingen en aoc’s een opleiding aanbieden bij een kwalificatie die niet is ontwikkeld door het kenniscentrum voor de bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarop die vakinstelling dan wel het aoc actief is, indien die opleiding aantoonbaar is gericht op en van belang is voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor die vakinstelling dan wel het aoc opleidingen verzorgt. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het navolgende geval. Het is tijdens de experimenteerperiode nogal eens voorgekomen dat kenniscentra de wens hebben geuit kwalificaties te ontwikkelen voor de (groep van) bedrijfstak(ken) waarop zij actief zijn, waarmee deze voor bepaalde vakscholen beschikbaar zouden komen, terwijl al kwalificatiedossiers met vergelijkbare inhoud van een ander kenniscentrum waren vastgesteld. Om ondoelmatige overlap in de competentiegerichte kwalificatiestructuur te voorkomen is een deel van deze uitbreiding van kwalificaties niet gehonoreerd. Dat betekent niet dat daarmee de weg is afgesloten voor de desbetreffende vakinstellingen. Artikel 6.1.3, tweede lid, heeft immers geregeld dat vakinstellingen en aoc’s wel de vastgestelde vergelijkbare kwalificaties mogen aanbieden, als die voor hun bedrijfstak van belang zijn en daarop gericht zijn.

Ten tweede heeft de zorgplicht gevolgen voor de aanbieding van opleidingen die al door een andere instelling (in de regio) worden aangeboden. Een eventuele aanbieding van deze opleidingen is onderworpen aan de zorgplicht in het eerste lid van artikel 6.1.3. Een voorbeeld: in een regio waarin één of meer aoc’s de behoefte van de regionale arbeidsmarkt aan afgestudeerden aan een bepaalde kwalificatie afdekken, zou het bevoegd gezag van een derde aoc of een roc op basis van die zorgplicht moeten besluiten af te zien van het aanbieden van een opleiding gebaseerd op diezelfde kwalificatie. Indien deze zorgplicht onvoldoende zorgvuldig wordt toegepast kunnen, op basis van artikel 6.1.4, eerste lid bij c, de rechten met betrekking tot een opleiding ook na de start ervan worden ontnomen. Dit is van belang gezien het uitgangspunt dat de aoc’s een landelijk dekkend netwerk vormen.

Tot slot is er de mogelijkheid dat meerdere kenniscentra gezamenlijk een kwalificatiedossier ontwikkelen (de zgn. com-dossiers) dat tegemoet komt aan sectoroverstijgende ontwikkelingen. Gevolg hiervan is wel dat het bij een aantal kwalificaties niet duidelijk is of deze ook behoren tot het gebied waarop een bepaalde vakinstelling of de aoc’s regulier actief zijn. Het wetsvoorstel treft hiervoor een voorziening. In de ministeriële regeling tot vaststelling van de kwalificatiedossiers zal bij de gecombineerde kwalificatiedossiers worden aangegeven op welke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken de kwalificaties (mede) gericht zijn. Daarmee wordt duidelijk of de hierop gebaseerde opleidingen ook kunnen behoren tot het reguliere aanbod van bepaalde vakinstellingen en/ of de aoc’s.

Meer in het algemeen is het de vraag of deze zorgplicht voldoende effectief is om de doelmatigheid van het totale stelsel duurzaam te borgen. Er wordt daarom verkend of het nodig is om daar nog andere instrumenten voor in te zetten en welke instrumenten dat dan zouden kunnen zijn. Dit wetsvoorstel loopt daar nog niet op vooruit.

De aanvraagprocedure zoals vermeld in artikel 1.4.1 voor de niet-bekostigde instellingen en artikel 1.6.1 voor exameninstellingen blijft ongewijzigd van kracht na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Echter, de verplichte jaarlijkse aanvraag zoals ten tijde van de experimenteerperiode vervalt ook voor de niet-bekostigde instellingen.

2.5.2 Onderwijs- en examenlicenties

Er bestaan onderwijslicenties en examenlicenties. Licenties worden verstrekt en ontnomen op het niveau van kwalificaties. Als een instelling beschikt over de licentie van een kwalificatie dan mag de instelling een opleiding aanbieden die hierop is gebaseerd.

3. ENTREEKWALIFICATIE

De entreekwalificatie neemt een iets afwijkende plaats in, omdat deze arbeidsmarktkwalificerend is. Met de invoering van de entreekwalificatie wordt beoogd om jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs dreigen te verlaten of hebben verlaten, een extra mogelijkheid te bieden voor doorstroom naar vervolgopleidingen of de arbeidsmarkt. De opleiding leidt dus niet op tot een startkwalificatie, wel kan deze opleiding er aan bijdragen dat een student alsnog via een vervolgopleiding de startkwalificatie behaalt. De wettelijke verankering van deze opleiding leidt overigens niet tot een aanpassing van de kwalificatieplicht. De kwalificatieplicht blijft gelden tot de dag dat de jongere 18 jaar is geworden of eerder als hij voor die tijd een startkwalificatie heeft behaald. Voor het mbo geldt dat hiervoor ten minste een diploma op niveau 2 vereist is.

De opleiding voor de entreekwalificatie is sterk praktijkgericht. Daarnaast is er sprake van een breed opleidingstraject. De betrokken jongeren kunnen zich oriënteren op een groot aantal branches en sectoren: economie/handel, techniek, zorg/welzijn en voedsel en leefomgeving en verdiepen zich in één sector. De aoc’s voeren alleen de richting voedsel en leefomgeving uit.

De AKA-opleiding is gericht op:

– doorstroom naar een beroepsgerichte opleiding op niveau 2;

– overstap naar een beroepsgerichte opleiding op niveau 1;

– het kunnen functioneren op een werkplek in een arbeidsorganisatie.

De betrokken jongeren verwerven met deze entreekwalificatie competenties als samenwerken, afspraken nakomen, zelfstandig werken, die nodig zijn om succesvol te kunnen doorstromen naar een vervolgopleiding of om op de arbeidsmarkt te kunnen functioneren. Uiteraard is ook bij deze AKA-opleiding sprake van beroepspraktijkvorming. Studenten werken daarom ook aan beroepscompetenties die relevant zijn voor het succesvol uitvoeren van de beroepspraktijkvorming binnen de erkende bpv-plaatsen en passend zijn bij de gekozen kwalificatierichting.

4. OPLEIDINGSDOMEINEN EN DOMEINPROGRAMMA’S

Een opleidingsdomein is een samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of een groep van bedrijfstakken.

Een domeinprogramma is het onderwijsprogramma dat studenten volgen die staan ingeschreven voor een opleidingsdomein, en dat is gericht op voor de studenten relevante delen van kwalificaties die behoren tot het desbetreffende opleidingsdomein, met het doel dat de studenten die kwalificatieonderdelen beheersen en een keuze voor een kwalificatie maken.

Een domeinprogramma is dus gericht op delen van landelijk vastgestelde kwalificaties en maakt daarmee integraal deel uit van de beroepsopleiding. Voor een domeinprogramma worden landelijk geen andere, afzonderlijke kwalificatie-eisen vastgesteld. De door de instelling en de studenten gekozen delen geven aan wat tijdens de inschrijving voor dat domeinprogramma geleerd moet worden. Het kunnen zowel gemeenschappelijke als specifieke delen zijn. Een opleidingsdomein biedt de mogelijkheid om verschillende domeinprogramma’s voor verschillende delen samen te stellen. De instelling wordt geacht maatwerk te leveren bij de inrichting van domeinprogramma’s. De inhoud van een domeinprogramma is afhankelijk van de aard en het niveau van de studenten en van het opleidingsaanbod van de instelling. Het domeinprogramma en het niveau daarvan worden in de onderwijsovereenkomst met de individuele student vastgelegd (zie ook § 5.2).

De instelling moet bij de inrichting van het domeinprogramma ervoor zorgen dat studenten die hun opleiding beginnen in het domeinprogramma, niet langer over hun studie doen dan studenten die direct in een kwalificatie beginnen.

Het domeinprogramma kan ook beroepspraktijkvorming omvatten. Zo kunnen studenten ook kennismaken met de beroepspraktijk en daar relevante delen van kwalificaties verwerven. In het wetsvoorstel is daarom geregeld dat de beroepspraktijkvorming ook voor een deel kan plaatsvinden tijdens de inschrijving voor een domein of kwalificatiedossier.

Bij ministeriële regeling wordt de landelijke lijst van te hanteren opleidingsdomeinen vastgesteld, inclusief welke kwalificatiedossiers tot de afzonderlijke opleidingsdomeinen behoren. In Crebo worden de namen van de opleidingdomeinen geregistreerd met bijbehorende Crebocodes.

5. INSCHRIJVEN BINNEN DE COMPETENTIEGERICHTE KWALIFICATIESTRUCTUUR

Een beroepsopleiding is het onderwijstraject dat voor een student door de instelling is ingericht en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het mbo, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt. Dat onderwijstraject kan uit meerdere fasen bestaan met een specifiek daarop gerichte inschrijving, te weten voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of kwalificatie.

Bij bekostigde beroepsopleidingen zijn alle bovengenoemde fasen gericht op het uiteindelijk behalen van een mbo-diploma. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken, ongeacht of zij direct worden ingeschreven voor een kwalificatie of eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein en/ of kwalificatiedossier.

5.1 Inschrijving voor een kwalificatie

Studenten die weten voor welk beroep en welk diploma ze willen worden opgeleid, worden direct ingeschreven voor een kwalificatie en sluiten hiervoor een onderwijsovereenkomst met het bevoegd gezag. Studenten die starten in het eerstejaar van een opleiding, volgen onderwijs dat gebaseerd is op de kwalificatie-eisen uit het meest recent vastgestelde kwalificatiedossier.

5.2 Inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier

Studenten die nog niet weten voor welk beroep en welk diploma ze willen worden opgeleid, kunnen worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier. Deze twee mogelijkheden voor brede instroom (eerstgenoemde kan het meest breed zijn) zijn alleen bedoeld voor die studenten die nog niet kunnen kiezen voor een kwalificatie.

In het geval een instelling studenten wil inschrijven voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, dan moet de instelling beschikken over de licentie van de kwalificatie die behoort tot het desbetreffende opleidingsdomein of kwalificatiedossier. Een domeinprogramma of kwalificatiedossierprogramma kan alleen gericht zijn op (delen van) kwalificaties waarvoor de instelling een licentie heeft.

De breedte van het programma bij brede instroom is dus afhankelijk van het aanbod van kwalificaties dat de instelling – gelet op de beschikbare licenties – mag verzorgen.

De duur van de domeinprogramma’s en kwalificatiedossierprogramma’s kan variëren, omdat de duur afhankelijk is van de gekozen breedte en diepgang die de instelling samen met de student nodig acht voor een keuze voor een kwalificatie. Voor een doelmatig opleidingstraject is het van belang dat een student zodra zijn keuze voor een kwalificatie bekend is, meteen kan overstappen naar die vervolgfase van het onderwijstraject. Na de vervolgkeuze verandert de inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier in een inschrijving voor een kwalificatie. Bij het kwalificatieprogramma houdt de instelling rekening met die delen van de kwalificatie die reeds tijdens het domeinprogramma of het kwalificatiedossierprogramma aan de orde zijn geweest en de studenten al beheersen.

De relatief brede startfase van de beroepsopleiding dient dus niet langer te duren dan nodig is voor een keuze van de student voor een kwalificatie. Bekostigde instellingen krijgen (globaal gesproken; de precieze aanduiding staat in artikel 2.2.2, zesde lid b, c, d) geen bekostiging voor studenten die langer dan één jaar staan ingeschreven op niveau 1 of 2 voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, en evenmin voor studenten die langer dan een jaar staan ingeschreven op niveau 3 en 4 voor een opleidingsdomein en maximaal twee jaar op niveau 3 en 4 voor een opleidingsdomein en een kwalificatiedossier tezamen genomen.

Inschrijving van een opleidingsdomein is alleen mogelijk in de voltijdse beroepsopleidende leerweg (BOL), gelet op de doelgroep voor opleidingsdomeinen. Studenten in de beroepsbegeleidende leerweg – die veelal als werknemer al in dienst zijn bij een werkgever – weten immers al voor welk het beroep en diploma ze willen worden opgeleid en behoren dus niet tot de doelgroep voor opleidingsdomeinen.

De vooropleiding van de student is leidend voor het bepalen van het mbo-niveau van de inschrijving van de student voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier. De desbetreffende inschrijving vindt plaats op het hoogste van de vier mbo niveaus waar de student gelet op zijn vooropleiding toegang toe heeft. Beoogd wordt uit een student te halen wat er in zit. De instelling levert de benodigde gegevens (waaronder de vooropleiding en het mbo niveau) voor de registratie in Bron. De Informatie Beheer Groep controleert de inschrijving (o.a. op leerweg en niveau) en meldt waar nodig afwijkingen aan de instelling zodat die dat kan corrigeren.

Bij de onderwijsovereenkomst die de student en het bevoegd gezag sluiten, dient in geval van inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, tevens het beoogde niveau van de beroepsopleiding te worden vermeld. Dat is het beoogde niveau van een nog nader te bepalen en – aan het eind van de opleiding – te behalen diploma. (Van elke kwalificatie is daarentegen het niveau landelijk vastgesteld (en niet afhankelijk van de vooropleiding van de student) en dus op voorhand al bekend bij de inschrijving voor een kwalificatie.)

6. BEHEERSMAATREGELEN BIJ DE INVOERING VAN OPLEIDINGSDOMEINEN

Invoering van opleidingsdomeinen beoogt onder andere bij te dragen aan efficiënte leertrajecten (door betere keuzes) en niet tot opgerekte/langere, minder efficiënte leertrajecten. De invoering van domeinen moet leiden tot minder studievertraging en uitval dan in de bestaande situatie zonder opleidingsdomeinen en niet tot meer. Beheersmaatregelen om risico’s tegen te gaan, zijn:

• de beperking van de bekostigingsduur van inschrijvingen voor opleidingsdomeinen,

• de prijsfactor voor opleidingsdomeinen (die bij ministeriële regeling wordt bepaald) zal zodanig zijn dat die niet uitnodigt tot bovenmatige inschrijvingen voor opleidingsdomeinen,

• inspectietoezicht en eventueel waar nodig interventiemaatregelen,

• evaluatie/monitor en eventueel waar nodig bijstelling van het beleid.

De monitor opleidingsdomeinen (die betrekking heeft op centraal beschikbare administratieve gegevens) en de evaluatie moeten duidelijk maken:

• in welke mate de genoemde doelen van de invoering van opleidingsdomeinen worden bereikt; dit betreft de mate van: tussentijdse overstap, diplomering/uitval, efficiëntere trajecten (verblijfsduur tijdens opleidingsdomein en tijdens hele onderwijstraject), administratieve lasten;

• het aantal studenten ingeschreven voor opleidingsdomeinen op de onderscheiden niveaus, waaronder het aantal dat langer dan een jaar is ingeschreven voor een opleidingsdomein op niveau 3 en 4;

• hoe vorm gegeven wordt aan de domeinprogramma’s (onder andere wat betreft de inhoudelijke breedte),

• en of eventueel bijstelling van het beleid nodig is gelet op de uitkomsten van de evaluatie/monitor en van het inspectietoezicht. Bijstelling van beleid, bijvoorbeeld van de duurbegrenzing, kan nodig zijn in het geval mocht blijken dat na invoering van opleidingsdomeinen de totale inschrijvingsduur van studenten in het mbo onverhoopt toeneemt. En of het al dan niet nodig is om gebruik te maken van de mogelijkheid om een maximum te stellen aan het percentage ingeschreven studenten op een opleidingsdomein bij instellingen.

Een nulmeting vindt al plaats in het studiejaar 2010–2011 opdat er later vergelijkingen gemaakt kunnen worden en een ontwikkelingsbeeld ontstaat, zodat ook kan worden vastgesteld of bijvoorbeeld de uitval en de verblijfsduur ook daadwerkelijk afnemen, in welke mate en in welk tempo.

Er vindt thans een onderzoek plaats naar de gevolgen van de invoering van opleidingsdomeinen, op basis van simulatie. Het beoogde resultaat van het onderzoek is om met name inzicht te krijgen in:

• welke domeinindeling leidt tot de relatief minste overstappen van studenten tussen opleidingsdomeinen,

• de administratieve lastenreductie als gevolg van de invoering van opleidingsdomeinen,

• het effect van de invoering van opleidingsdomeinen op de omvang van de bekostiging van de instellingen en

• welke verdeling van diploma’s verwacht kan worden op basis van het aantal inschrijvingen voor een opleidingsdomein.

De uitkomsten van het onderzoek zijn naar verwachting eind 2009 beschikbaar.

7. ONDERSTEUNING DOOR HET PROCESMANAGEMENT MBO 2010

De competentiegerichte kwalificatiestructuur vormt de basis voor het onderwijs dat de studenten op de genoemde onderdelen moet toerusten op deelname als beginnend beroepsbeoefenaar op de arbeidsmarkt, voor doorstroom naar vervolgonderwijs en het functioneren als burger in de samenleving. Instellingen zijn verantwoordelijk voor de inrichting, uitvoering en kwaliteit van de aangeboden competentiegerichte opleidingen, evenals de bewaking en verantwoording van de kwaliteit en resultaten.

Tijdens de experimenteerperiode is gebleken dat de inrichting van opleidingen gebaseerd op de competentiegerichte kwalificatiestructuur een ingrijpend en complex traject is. In oktober 2007 is daarom het Procesmanagement MBO2010 geherpositioneerd. Deze organisatie wordt gesubsidieerd door het ministerie van OCW en heeft als taak de instellingen vraaggericht te ondersteunen bij de inrichting van de competentiegerichte opleidingen. Dit betekent dat instellingen zelf bepalen hoe zij het onderwijs competentiegericht inrichten en welke ondersteuning ze daarbij wensen. MBO2010 biedt daarbij de benodigde ondersteuning door het geven van advies en het stimuleren van kennisdeling op de drie gebieden, te weten: de inhoud, de professionalisering van het personeel en de bedrijfsvoering. De ondersteuning door MBO 2010 wordt gecontinueerd tot 1 augustus 2011. De periode 1 januari–1 augustus 2011 zal worden gebruikt om de opgedane kennis en producten te delen zodat deze beschikbaar blijven na 1 augustus 2011.

Er wordt nog bezien of het nodig is om ook na 1 augustus 2011 een vorm van ondersteuning te faciliteren en zo ja, in welke vorm dat dan het beste kan geschieden.

8. OVERGANGSPERIODE VOOR STUDENTEN

Studenten die voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel met een eindtermgerichte of experimentele opleiding zijn gestart, mogen deze afmaken gedurende de normatieve duur van de opleiding + een jaar. Als een student hiermee akkoord gaat, mag de instelling de opleiding omzetten naar een (niet-experimentele) competentiegerichte opleiding en de student hierop inschrijven.

9. UITVOERINGSGEVOLGEN

DUO (voorheen Cfi en de IB-Groep) hebben verklaard dat de structurele invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur (inclusief de entreekwalificatie) en de invoering van opleidingsdomeinen uitvoerbaar is per 1 januari 2011, zodat in het studiejaar 2011–2012 conform de nieuwe kwalificatiestructuur kan worden gewerkt.

De tijd tot de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel zal worden benut om systeemaanpassingen voor te bereiden. Het registratiesysteem Crebo en Bron dienen te worden aangepast. Bovendien moet de uitvoeringsorganisatie de relevante systemen (bijvoorbeeld voor de bekostiging en studiefinanciering) aanpassen vanwege de koppeling met Crebo dan wel Bron, om de informatie-uitwisseling goed te laten verlopen. Ook de administratiesystemen van de instellingen moeten worden veranderd.

De aanpassing van Crebo betreft onder meer de registratie in Crebo van respectievelijk de namen en de toegekende unieke Crebocodes van de opleidingsdomeinen. Dit gebeurt in aanvulling op de in Crebo geregistreerde namen en bijbehorende codes voor de landelijk vastgestelde kwalificatiedossiers en kwalificaties.

De aanpassing van Bron betreft de registratie in Bron van de studenten die staan ingeschreven op onderscheiden Crebocodes van opleidingsdomeinen, met niveauaanduiding en de start- en einddata, inclusief de vervolginschrijvingen op onderscheiden Crebocodes van kwalificaties met de daarbij horende start- en einddata. Vanwege de aanpassing van Bron zal ook het Programma van Eisen Onderwijsnummer BVE, inclusief overgangsregeling worden aangepast. Tevens zal de regeling gegevensverstrekking aan Bron worden aangepast.

10. FINANCIËLE GEVOLGEN VOOR DE RIJKSBEGROTING

Aan de voorbereiding voor de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur, de entreekwalificatie en de opleidingsdomeinen zijn financiële consequenties voor de Rijksbegroting verbonden. Het gaat om extra kosten voor de uitvoeringsorganisatie DUO, te weten de kosten voor aanpassing van de registratiesystemen voor respectievelijk het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo), het Basisregister onderwijs (Bron) en andere relevante registratiesystemen (bijvoorbeeld voor de bekostiging en studiefinanciering) vanwege de koppeling met Crebo dan wel Bron.

De kosten worden voor de periode 2009–2011 geschat op € 356 382 (2009: € 74 435, 2010: € 246 023 en 2011: € 35 924). Hangende de besprekingen over het financieringsarrangement tussen OCW en DUO kunnen er nog geen tarieven worden verbonden aan de aanvullende uren die besteed gaan worden aan de voorbereiding van de uitvoering van het wetsvoorstel. DUO schat dat er voor de periode 2009–2011 met de voorbereidingen en aanpassingen 10 000 uren gemoeid zijn (2009: ongeveer 500 uren, 2010: 5500 uren, 2011: 4000 uren). Uitgaande van een uurtarief van € 90 tot € 130 bedragen de kosten globaal € 1 000 000.

De kosten worden gedekt binnen de OCW-begroting.

Eventuele groei van het aantal deelnemers bijvoorbeeld als gevolg van extra instroom van voortijdig schoolverlaters is een gewenst effect. De financiële consequenties daarvan zijn via de tellingen in de Referentieraming onderdeel van de discussie in het kader van de Voorjaarsnota over de begroting.

11. ADMINISTRATIEVE LASTEN

11.1 Toetsing door Actal

De invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur, de entreekwalificatie en de opleidingsdomeinen leveren geen verandering van administratieve lasten op als gevolg van gegevenslevering door instellingen en burgers aan de overheid. Dit wetsvoorstel is daarom niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

11.2 Invoering van competentiegerichte kwalificatiestructuur en entreekwalificatie

De afgelopen jaren hebben de mbo-sector en de uitvoerende instanties gewerkt met twee kwalificatiestructuren: de eindtermgerichte kwalificatiestructuur op basis van de WEB en de competentiegerichte kwalificatiestructuur op basis van experimenteerbepalingen in de WEB. Met de inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel wordt de competentiegerichte kwalificatiestructuur bij wet verankerd en vervallen de experimenteerbepalingen. Opleidingen die zijn gebaseerd op de eindtermgerichte kwalificatiestructuur worden de komende jaren beëindigd.

Tot het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vragen instellingen jaarlijks experimentele opleidingen aan. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is de jaarlijkse aanvraag niet meer nodig: een eenmaal toegekende onderwijs- en/of examenlicentie hoeft niet jaarlijks opnieuw aangevraagd te worden. Wel blijft voor niet-bekostigde instellingen en exameninstellingen de al bestaande aanvraagprocedure van kracht, zoals die ook al van toepassing is bij eindtermgerichte opleidingen. Het gaat dan om een (eenmalige) aanvraag van een nieuwe licentie, dus om een uitbreiding van het bestaande aanbod van de instelling.

Ondanks het feit dat de administratieve lasten door dit wetsvoorstel niet zullen veranderen, is de verwachting dat instellingen door het vervallen van de experimenteerbepalingen wel degelijk een verlichting zullen ervaren.

11.3 Invoering van opleidingsdomeinen

Naast de administratieve lasten als gevolg van gegevenslevering aan de overheid (zie § 11.1) kunnen ook interne «administratielasten» van instellingen worden onderscheiden. Met de invoering van de opleidingsdomeinen wordt een vermindering van deze interne administratielasten beoogd en verwacht.

In de huidige situatie moet de instelling bij iedere overstap naar een andere opleiding (d.w.z. gericht op een andere kwalificatie) een uitgebreide nieuwe inschrijving met een geheel nieuwe onderwijsovereenkomst opstellen die ondertekend moet worden door de student, dan wel door een ouder/voogd in geval van een minderjarige student. Speciaal dat laatste kost een instelling tijd en moeite. Er is in de huidige situatie sprake van relatief veel overstappen vanwege verkeerde studiekeuzes van studenten.

In de toekomstige situatie wordt beoogd en verwacht dat door de invoering van opleidingsdomeinen de overstap naar een andere opleiding vanwege verkeerde studiekeuzes van studenten zal verminderen. In de toekomstige situatie kan bij de toespitsing van de keuze voor een opleiding binnen het onderwijsdomein worden volstaan met mutatie van de inschrijving. Bij de inschrijving hoeft de instelling maar eenmalig bij de start van de opleiding bepaalde informatie betreffende de student, zoals nadere identificatie (buiten het persoonsgebonden nummer), persoonsgegevens, vooropleiding en dergelijke, te registreren. Uiteraard moet elke overstap van de student – net als in de huidige situatie – door de instelling worden geregistreerd. Overstap betekent een verandering van inschrijving, maar bij deze nieuwe inschrijving hoeven alleen de veranderde gegevens te worden geregistreerd,

12. DRAAGVLAK EN GEVOERD OVERLEG MET DE MBO-SECTOR

De voorstellen tot invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur, de entreekwalificatie en opleidingsdomeinen zijn afkomstig van het veld. Voor de invoering ervan bestaat breed draagvlak.

In het traject van de totstandkoming van het wetsvoorstel hebben partijen (Colo, Coördinatiepunt, MBO Raad, AOC Raad, Paepon, JOB, MKB Nederland en VNO-NCW) diverse aandachtspunten naar voren gebracht, waarop het wetsvoorstel is aangepast dan wel de memorie van toelichting verduidelijkt.

Hieronder staan nog de punten die op een later moment worden geregeld.

De MBO Raad en Colo zijn het eens met het bij algemene maatregel van bestuur regelen van voorschriften voor de inhoud van kwalificatiedossiers en het bij ministeriële regeling vaststellen van kwalificatiedossiers en de lijst van opleidingsdomeinen. De MBO Raad wijst ook op het belang van ruimte voor instellingen. De MBO Raad vindt ook dat de prijsfactor voor opleidingsdomeinen niet te laag mag zijn.

De prijsfactor wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Er zal dan een zorgvuldige afweging worden gemaakt.

JOB benadrukt het belang van tijdige informatie over de start van nieuwe opleidingen, zodat studenten weten waar ze aan toe zijn wanneer ze aan een opleiding beginnen.

De wens van JOB is terecht. Daarom zullen in de op te stellen ministeriële regeling de termijnen voor de totstandkoming van de kwalificatiedossiers duidelijk worden neergelegd.

MKB Nederland en VNO-NCW onderschrijven het belang van de monitor/evaluatie opleidingsdomeinen, waarmee onder meer de volgende vragen beantwoord kunnen worden: in welke mate worden de doelen van de opleidingsdomeinen behaald (in het bijzonder wat betreft verhoging van gediplomeerde uitstroom) en kan het werkveld uit de voeten met de domeinindeling en met het type stage tijdens de inschrijving voor een opleidingsdomein? Voorts geven zij aan dat bij het besluit van het bevoegd gezag van een instelling om een opleiding aan te gaan bieden of te stoppen goed contact met de branche nodig is. Nu worden deze keuzes soms eenzijdig gemaakt, terwijl het bedrijfsleven op basis van de arbeidsmarktprognoses al weet dat het aantal afgestudeerden niet in balans zal zijn met de behoefte aan werknemers op de arbeidsmarkt.

Wij delen de opvatting dat over besluiten tot het aanbieden en stoppen van opleidingen goed contact met de branche nodig is. Zoals in paragraaf 2.5.1 is aangegeven, wordt verkend of het nodig is om naast de zorgplicht die de instellingen terzake hebben, nog andere instrumenten in te zetten en welke instrumenten dat dan zouden kunnen zijn.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I. Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.1.1 WEB)

In de begripsbepaling van «Onze Minister» (onderdeel a) wordt aan de omschrijving van het beroepsonderwijs waarvoor de minister van LNV verantwoordelijk is, het begrip «voedsel» toegevoegd. Dit is in overeenstemming met de wijziging van artikel 1.3.3, eerste lid, WEB.

De begripsbepaling van «instelling» (onderdeel b) wordt aangepast aan het vervallen van artikel 1.3.2 WEB per 1-8-2008 op grond van de wet van 27 juni 2008 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake deregulering en administratieve lastenverlichting (DAL) (Stb. 2008, 267).

Na de begripsbepaling van «opleiding educatie» wordt een definitie van «eindtermen» opgenomen (onderdeel g1). Deze verwijst naar artikel 7.3.3 WEB, waarin de eindtermen voor de opleidingen educatie worden geregeld. Omdat bij de competentiegerichte beroepsopleidingen geen sprake meer is van eindtermen, vervalt de huidige definitie van dat begrip (artikel 1.1.1, onderdeel t, WEB).

De nieuwe begripsomschrijving van «beroepsopleiding» (onderdeel i) verwijst naar artikel 7.1.2, tweede lid. Dat lid is aangepast aan de beperking tot een beroepsopleiding (het huidige tweede lid omschrijft het begrip opleiding) en het vervallen van eindtermen in het beroepsonderwijs.

In de omschrijving van het begrip «examinering» (onderdeel o), dat in de WEB alleen betrekking heeft op beroepsopleidingen, vervalt de verwijzing naar de eindtermen.

Het begrip «deelkwalificatie» (onderdeel p) vervalt.

Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, wordt het huidige begrip «eindtermen» (onderdeel t) geschrapt. Daarvoor in de plaats komen de begrippen kwalificatiedossier en kwalificatie. Tevens is het begrip opleidingsdomein toegevoegd.

In de begripsomschrijving van «Centraal register» (onderdeel u) wordt «beroepsopleidingen» vervangen door «beroepsonderwijs». De ingeburgerde afkorting «Crebo» kan worden gehandhaafd.

Onderdeel v wordt aangepast in verband met de vervanging in artikel 9.2.1, derde lid, van de commissie onderwijs-bedrijfsleven door de paritaire commissie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

Artikel I, onderdeel B (artikel 1.3.1, vierde lid, WEB)

Artikel 1.3.1, vierde lid, WEB wordt technisch aangepast aan het vervallen van artikel 7.4.15 WEB per 1-1-2007 op grond van de Wet inburgering.

Artikel I, onderdeel C (artikel 1.3.3, eerste lid, WEB)

Dit onderdeel wijzigt de aanduiding van het type opleidingen dat wordt verzorgd door de agrarische opleidingscentra (AOC’s). De naamswijziging als zodanig heeft geen consequenties voor het opleidingsaanbod van AOC’s. De nieuwe aanduiding is meer in overeenstemming met het huidig aanbod van de AOC’s en met de opdracht van de minister van LNV die voor dit aanbod leidend is. In de nieuwe aanduiding is het begrip «voedsel» toegevoegd. Dit brengt de verantwoordelijkheid tot uitdrukking voor de totale voedselketen, voor de voedselkwaliteit en voor de voedselzekerheid. «Natuurlijke omgeving» duidt op het opleidingenaanbod gericht op groen in de directe leefomgeving en in de bredere landelijke en stedelijke omgeving. «Landbouw» duidt de blijvende aandacht aan voor het aanbod voor de oorspronkelijke landbouwberoepen, de zogenaamde primaire opleidingen, waarvoor de minister van LNV een bijzondere verantwoordelijkheid draagt.

Artikel I, onderdeel D (artikel 1.4.1 WEB)

In punt 1 van dit onderdeel wordt een verwijzing naar artikel 7.4.8 aangepast aan de wijziging van dat artikel op grond van de wet DAL.

In punt 2 van dit onderdeel wordt een lid geschrapt, dat met ingang van 27 april 2004 aan artikel 1.4.1 is toegevoegd in verband met de experimentele regeling in hoofdstuk 12, titel 1a. Omdat die regeling vervalt, dient ook voornoemd lid te vervallen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 2.1.1 WEB)

De verwijzing naar eindtermen wordt geschrapt, omdat het begrip eindtermen in het beroepsonderwijs vervalt. Toegevoegd wordt een verwijzing naar artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3°. Laatstgenoemd artikelonderdeel bepaalt dat in de ministeriële regeling tot vaststelling van de kwalificatiedossiers wordt aangegeven op welke kwalificaties een bekostigde beroepsopleiding kan zijn gericht. Het tweede lid van artikel 2.1.1 wordt geschrapt in verband met het vervallen van de experimentele regeling in hoofdstuk 12, titel 1a.

Artikel I, onderdeel F (artikel 2.2.1 WEB)

De toevoeging in dit onderdeel is opgenomen omdat artikel 2.3.1, tweede lid, per 1 januari 2009 is vervallen op grond van de Wet participatiebudget (Stb. 2008, 588).

Artikel I, onderdeel G (artikel 2.2.2 WEB)

Artikel 2.2.2, zesde lid, onderdeel a, komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 2.2.2, zesde lid.

De nieuwe onderdelen b tot en met e van artikel 2.2.2, zesde lid, beperken de periode waarin een voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier ingeschreven student bij een bepaalde instelling voor bekostiging kan meetellen. Een student kan binnen een periode van vijf jaar maximaal één jaar voor bekostiging meetellen bij een inschrijving in een opleidingsdomein.

De maximale bekostigingsperiode bij inschrijving voor een kwalificatiedossier hangt af van het niveau waarop wordt ingeschreven. Het maximum is voor de niveaus 1 en 2 één jaar en voor de niveaus 3 en 4 twee jaar. Daarop wordt de periode van bekostiging in een opleidingsdomein in mindering gebracht. Een student die al in een jaar is bekostigd voor een inschrijving op niveau 1 of 2 voor een opleidingsdomein, kan dus niet meer worden bekostigd voor een inschrijving op niveau 1 of 2 voor een kwalificatiedossier. Bij een inschrijving op niveau 3 of 4 geldt, dat de student óf maximaal twee jaar in een kwalificatiedossier, óf maximaal één jaar in een opleidingsdomein en één jaar in een kwalificatiedossier kan worden bekostigd.

Zie voor het niveau waarop de student zich voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier kan inschrijven artikel 8.1.1, tweede lid. De beperking van de bekostiging van de inschrijving geldt voor alle opleidingsdomeinen onderscheidenlijk kwalificatiedossiers tezamen. De termijn begint dus niet opnieuw bij inschrijving voor een ander opleidingsdomein of kwalificatiedossier. De termijn begint wel opnieuw na verloop van vijf studiejaren.

Artikel I, onderdeel H (artikel 2.2.5 WEB)

De wijziging van artikel 2.5.5, eerste lid onderdeel a, is technisch van aard en hangt samen met de wijziging in artikel 2.2.1 en artikel 7.2.2, eerste lid. De bepaling strekt ertoe dat de mogelijkheid om leerlinggebonden financiering te krijgen, beperkt is tot studenten die zijn ingeschreven voor een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, WEB voor bekostiging in aanmerking komt. Dit komt inhoudelijk overeen met de huidige regeling.

Artikel I, onderdeel J (artikel 2.5.5a WEB)

Op grond van punt 1 van dit onderdeel moeten wijzigingen van de inschrijving (bijvoorbeeld wijziging van de inschrijving voor een opleidingsdomein in een inschrijving voor een kwalificatie) en de data waarop die ingaan door de instellingen aan DUO worden doorgegeven.

Op grond van punt 2 moeten de code van het opleidingsdomein, het kwalificatiedossier of de kwalificatie waarvoor de student is ingeschreven, worden doorgegeven aan DUO, en in geval van inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, ook het niveau waarop de student is ingeschreven. Dit niveau is afhankelijk van de vooropleiding van de deelnemer.

Punt 3 schrapt de bepaling over het vermelden van deelkwalificaties landbouwonderwijs. Deze deelkwalificaties komen in de nieuwe kwalificatiestructuur niet terug. Ook de bepaling betreffende de registratie over het al dan niet zijn van risicodeelnemer wordt geschrapt. De reden hiervoor is dat deze registratie niet langer van belang is voor de bekostiging sinds de inwerkingtreding van het besluit van 7 februari 2007, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB onder meer in verband met de evaluatie van de mbo-bekostiging (Stb. 2007, 81). Dit besluit strekte er onder meer toe dat eerstejaarsdeelnemers aan de BBL die niet tijdig een beroepspraktijkvormingsovereenkomst hebben toch bekostigd kunnen worden. Er is afgezien van het verletteren van de onderdelen h tot en met n, omdat dit zou betekenen dat ook artikel 2.2.7 van het Uitvoeringsbesluit WEB moet worden aangepast.

Artikel I, onderdeel K (artikel 6.1.1 WEB)

Deze aanpassing is nodig omdat de minister op grond van het nieuwe artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3° bepaalt of een beroepsopleiding voor bekostiging in aanmerking komt. De verwijzing naar artikel 2.1.1 kan worden gehandhaafd, omdat dat artikel verwijst naar artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3°.

Artikel I, onderdeel L (artikel 6.1.4 WEB)

Het huidige artikel 6.1.4, tweede lid, onder c, bepaalt dat bij ontneming van rechten de Creboregistratie wordt beëindigd. Het gaat hier om de ontneming van rechten bij bekostigde instellingen. In het nieuwe artikel 6.4.1, derde lid, onder a2° wordt dit vervangen door de bepaling dat er een Creboregistratie komt van de ontneming van rechten, met de ingangs- en einddatum van de ontneming. Bij een dergelijke ontneming kan de instelling gedurende twee jaar de desbetreffende beroepsopleiding niet verzorgen.

Op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, WEB herleven de desbetreffende rechten van bekostigde instellingen twee jaar na de ingangsdatum van de ontneming. Vanaf dat moment kan de instelling de desbetreffende beroepsopleiding weer verzorgen en zal – in geval van registratie in Bron van daarvoor ingeschreven studenten – de registratie van de kwalificatie bij de in Crebo weer worden hersteld.

Artikel I, onderdeel M (artikel 6.2.1 WEB)

Geregeld wordt dat de registratie in het Crebo bij een niet-bekostigde instelling inhoudt, dat de naam van de instelling wordt vermeld bij de desbetreffende kwalificatie.

Artikel I, onderdeel O (artikel 6.4.1 WEB)

Het huidige artikel 6.4.1, eerste lid, eerste volzin, geeft aan dat het gaat om gegevens met betrekking tot beroepsopleidingen waarvoor eindtermen zijn vastgesteld en om de examinering door exameninstellingen. Het nieuwe Crebo heeft geen betrekking meer op beroepsopleidingen, maar op opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties. In de eerste volzin van het eerste lid wordt bepaald dat het Crebo een systematisch geordende verzameling is van gegevens met betrekking tot kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties in het beroepsonderwijs, de instellingen en de exameninstellingen. De tweede en derde volzin van artikel 6.4.1, eerste lid, worden niet gewijzigd.

Het tweede en derde lid zijn ingrijpend gewijzigd. Deze leden bepalen welke gegevens met betrekking tot de kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties worden opgenomen in het Crebo. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de naam en code van de opleidingsdomeinen, de kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties, de studielast en of vereisten zijn opgenomen die bij of krachtens de wet zijn vastgesteld voor het beroep waarop de kwalificatie is gericht. Per kwalificatie wordt aangegeven aan welke onderwijs- en exameninstellingen rechten met betrekking tot die kwalificatie zijn toegekend en aan welke instellingen rechten zijn ontnomen. Voor bekostigde onderwijsinstellingen wordt niet aangegeven of zij het recht hebben om een opleiding gericht op de kwalificatie te verzorgen, maar wel of zij de op de kwalificatie gerichte opleiding daadwerkelijk verzorgen.

Bij de ontneming van het recht op bekostiging en diplomering van een bekostigde instelling (artikel 6.1.4 WEB) wordt behalve de ingangsdatum ook de einddatum in het Crebo opgenomen. Deze ontneming eindigt altijd twee jaar nadat zij is ingegaan.

Bij de ontneming van het recht op diplomering van een niet bekostigde instelling wordt geen einddatum in het Crebo opgenomen, omdat dit recht niet zonder meer herleeft, maar opnieuw kan worden aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de ontneming van het recht op examinering van een bekostigde of niet bekostigde instelling (artikelen 6.1.5b en 6.2.3b) of een exameninstelling (artikel 6.3.2).

Artikel I, onderdeel P (artikel 6.4.2 WEB)

De tekst van artikel 6.4.2 wordt in overeenstemming gebracht met het nieuwe artikel 6.1.4, derde lid, onder a1°.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 6.4.4 WEB)

In het huidige artikel 6.4.4 wordt geregeld dat de minister de registratie kan beëindigen van een beroepsopleiding van een niet-bekostigde instelling en de registratie van de examinering van een niet-bekostigde exameninstelling. In het nieuwe Crebo worden echter geen beroepsopleidingen geregistreerd, maar wordt de naam van de niet-bekostigde instelling of exameninstelling geregistreerd bij een kwalificatie. Artikel 6.4.4 wordt in verband hiermee technisch aangepast.

Artikel I, onderdeel R (artikel 7.1.2 WEB)

In het eerste lid, eerste volzin, wordt een onderscheid aangebracht tussen beroepsopleidingen en opleidingen educatie. Op grond van het huidige eerste lid, tweede volzin, worden beroepsopleidingen aangeduid met de naam waaronder ze in het Crebo zijn vermeld. In het nieuwe Crebo worden de beroepsopleidingen echter niet meer als zodanig vermeld. In verband hiermee wordt in de nieuwe tweede volzin bepaald dat een beroepsopleiding wordt aangeduid met de naam van de kwalificatie of – bij inschrijving voor een opleidingsdomein – de naam van het opleidingsdomein, of – bij inschrijving voor een kwalificatiedossier – de naam van het kwalificatiedossier. Het doel van dit voorschrift is niet veranderd: het gaat erom dat er volstrekt transparante studie-informatie is. Studenten noch werkgevers of instellingen voor vervolgonderwijs zijn ermee gediend dat er allerlei verschillende «fancy» namen gehanteerd worden voor opleidingen met eenzelfde inhoud.

In het nieuwe tweede lid van artikel 7.1.2 is een omschrijving opgenomen van het begrip beroepsopleiding. Allereerst is tot uitdrukking gebracht dat het een onderwijstraject betreft dat is ingericht voor een student. Daaronder valt het gehele onderwijstraject dat de student moet doorlopen om tot het diploma te komen, van het begin in een domein (tenminste als de student het nog niet precies weet) tot en met de kwalificatie. Verder is aangegeven dat een beroepsopleiding moet voldoen aan de (inrichtings- en kwaliteits-)eisen in hoofdstuk 7, titel 2, en moet zijn gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt. In de begripsbepaling van beroepsopleiding in artikel 1.1.1 wordt naar artikel 7.1.2, tweede lid, verwezen.

Het nieuwe derde lid van artikel 7.1.2 bevat een omschrijving van een opleiding educatie. Deze komt overeen met de omschrijving van dat begrip in het huidige tweede lid van artikel 7.1.2.

Het nieuwe vierde lid van artikel 7.1.2 bepaalt dat beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen en dat opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.

Artikel I, onderdeel S (artikel 7.1.3 WEB)

De omschrijving van eindtermen in artikel 7.1.3 kan vervallen, omdat het begrip «eindtermen» met betrekking tot beroepsopleidingen vervalt. In plaats daarvan wordt in artikel 7.1.3 omschreven wat een kwalificatie inhoudt, te weten: het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier.

De eindtermen voor de educatie worden voldoende omschreven in het huidige artikel 7.3.3. In verband met het voorgaande is de verwijzing naar artikel 7.1.3 in de begripsbepaling van eindtermen (zie artikel 1.1.1) veranderd in een verwijzing naar artikel 7.3.3. Het begrip eindtermen heeft daardoor alleen nog maar betrekking op de educatie.

Artikel I, onderdeel U (artikel 7.2.2 WEB)

In de opsomming van soorten beroepsopleidingen in artikel 7.2.2, eerste lid, vervallen de «andere opleidingen» (onderdeel f). Gebleken is, dat er niet of nauwelijks behoefte bestaat aan deze opleidingen. Er zijn voor deze opleidingen geen kwalificatiedossiers opgesteld en daarmee komen ze in de competentiegerichte kwalificatiestructuur niet voor.

In het derde lid van artikel 7.2.2 wordt geregeld dat een assistentopleiding zich behalve op het eerste niveau van de beroepsuitoefening tevens kan richten op het eerste niveau van de arbeidsmarkt. De student krijgt dan een zogenoemde entreekwalificatie. Dit betekent dat hij kan doorstromen naar beroepskwalificerende opleidingen op niveau 2, of met een kwalificatie op mbo niveau 1 kan uitstromen naar de arbeidsmarkt. De opleiding die is gericht op de entreekwalificatie wordt de arbeidsmarktkwalificerende assistentopleiding genoemd (AKA-opleiding).

In artikel 7.2.2, vierde lid, wordt «verwezenlijking van de eindtermen van de opleiding binnen redelijke tijd» vervangen door «het binnen redelijke tijd behalen van de kwalificatie waarvoor de student en de instelling een onderwijsovereenkomst hebben gesloten. Dit is een technische wijziging.

Artikel I, onderdeel V (artikel 7.2.3 WEB)

Het begrip deelkwalificatie vervalt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat er een certificaat is verbonden aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties. De bepalingen over diploma’s in artikel 7.4.6 WEB zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten. Dit betekent dat een certificaat wordt afgegeven door de examencommissie (bij het met goed gevolg afleggen van de desbetreffende onderdelen van de kwalificatie of kwalificaties) en dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden vastgesteld voor de inhoud en beveiliging van een certificaat.

Artikel I, onderdeel W (artikel 7.2.4 WEB)

In dit artikel wordt de kwalificatiestructuur geregeld. In het eerste lid wordt de terminologie aangepast: de eindtermen worden geschrapt en de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties worden toegevoegd. Voorts vervalt in het eerste lid de bepaling dat de minister afstemt met de minister wie het, gezien de aard van de in artikel 7.2.6 bedoelde beroepsvereisten, mede aangaat. Deze afstemming is niet meer nodig, omdat het nieuwe artikel 7.2.6, eerste lid, onder b, voorschrijft dat het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven bij het voorstel voor een kwalificatiedossier een verklaring voegt van het vakdepartement dat over de desbetreffende beroepsvereisten gaat, waaruit blijkt dat de beroepsvereisten correct in het kwalificatiedossier zijn verwerkt.

Op grond van het nieuwe tweede lid worden bij ministeriële regeling kwalificatiedossiers vastgesteld, op voorstel van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. Van elk kwalificatiedossier behalve dat voor de AKA-opleiding zal worden aangegeven tot welk opleidingsdomein het dossier behoort. Het kwalificatiedossier AKA wordt niet toegewezen aan een opleidingsdomein. Voorts zal worden vermeld welke kwalificatie of kwalificaties het dossier bevat en op welke kwalificaties een bekostigde beroepsopleiding kan zijn gericht. In beginsel komen alle op een kwalificatie gerichte beroepsopleidingen voor bekostiging in aanmerking. Het is echter denkbaar dat de minister een door een kenniscentrum voorgestelde kwalificatie wel wil vaststellen, maar de desbetreffende beroepsopleiding niet wil bekostigen. In dat geval wordt deze kwalificatie niet vermeld in de opsomming op grond van artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3° en komen opleidingen die zijn gericht op deze kwalificatie niet voor bekostiging in aanmerking.

In de gevallen waarin een kwalificatiedossier door twee of meer kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven gezamenlijk is ingediend, is niet altijd duidelijk of de kwalificaties ook door een vakinstelling of een aoc mogen worden aangeboden. Voor die gevallen wordt daarom in de regeling ook aangegeven op welke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken de kwalificatie of de kwalificaties gericht zijn. Daardoor is vastgelegd of een kwalificatie al dan niet tot het reguliere opleidingsaanbod van een vakinstelling of een aoc kan behoren.

Van elke kwalificatie wordt in de ministeriële regeling aangegeven: de soort (assistent-, basisberoeps-, vak-, middenkader of specialistenopleiding), de leerweg of leerwegen, het niveau en de studielast, alsmede, indien van toepassing, dat er sprake is van wettelijke beroepsvereisten. Anders dan in het huidige tweede lid, wordt in het nieuwe tweede lid niet voorgeschreven dat de gehele kwalificatiestructuur elk jaar opnieuw wordt vastgesteld.

In het nieuwe derde lid is geregeld dat het kenniscentrum bij het voorstel voor een kwalificatiedossier het bepaalde in het tweede lid van artikel 7.2.4 in acht neemt. Voorts is bepaald dat uit het voorstel voor een kwalificatiedossier blijkt dat het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting van de beroepsopleidingen op het voortgezet onderwijs enerzijds en het hoger beroepsonderwijs anderzijds, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van de desbetreffende onderwijsvelden. Als andere instanties nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, wordt tevens vermeld op welke wijze het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel. Overeenkomstige bepalingen zijn opgenomen in het huidige artikel 7.2.4, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, onderdeel b. De eerste volzin van het huidige artikel 7.2.4, derde lid, is opgenomen in de aanhef van het nieuwe artikel 7.2.4, tweede lid.

Het nieuwe vierde en vijfde lid bevatten grondslagen voor nadere voorschriften voor de landelijke kwalificatiestructuur. Op grond van het vierde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven voor de inhoud van een kwalificatiedossier. Op grond van het vijfde lid worden bij ministeriële regeling nadere voorschriften gesteld voor de termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers en worden een model («het Format») en een toetsingskader voor kwalificatiedossiers vastgesteld. Het model en het toetsingskader bevatten kwaliteitseisen voor onder meer de inrichting van kwalificatiedossiers. In het toetsingskader is ook de aansluiting tussen vmbo/mbo/hbo aan de orde.

Op grond van de eerste volzin van het nieuwe zesde lid worden studenten opgeleid conform de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier dat is vastgesteld vóór de aanvang van het studiejaar waarin zij met de desbetreffende beroepsopleiding starten. Als de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier is verstreken kan op grond van de tweede volzin van het nieuwe vijfde lid nog een diploma kan worden behaald op basis van dat kwalificatiedossier gedurende de «normatieve studieduur» (de studielast, uitgedrukt in normatieve studiejaren), van de opleiding plus twee jaar. Dit betekent bijvoorbeeld voor een opleiding met een studieduur van drie jaar dat diploma’s op grond van het oude kwalificatiedossier nog gedurende vijf studiejaren kunnen worden afgegeven.

Het nieuwe zevende en achtste lid komen overeen met het huidige zevende en achtste lid van artikel 7.2.4, met dien verstande dat de normatieve studieduur van de assistentopleiding is vastgesteld op een jaar (was: tenminste een half jaar en ten hoogste een jaar). De assistentopleiding is een volwaardige beroepsopleiding en moet daarom voldoende breedte en diepgang hebben. Dat past niet binnen een studieduur van slechts een half jaar. De instelling dient bij deze voltijdse beroepsopleidingen zorg te dragen voor een in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma van ten minste 850 klokuren per volledig studiejaar.

Artikel I, onderdeel X (artikelen 7.2.5 en 7.2.5a WEB)

Op grond van het nieuwe artikel 7.2.5 kan bij ministeriële regeling een organisatie worden aangewezen die belast is met de advisering over de landelijke kwalificatiestructuur en de voorstellen tot vaststelling van de kwalificatiedossiers. De ministeriële regeling kan ook bepalingen bevatten over de werkwijze en de subsidiëring van de adviserende organisatie. Het is de bedoeling om het reeds bestaande onafhankelijke Coördinatiepunt toetsing kwalificaties mbo aan te wijzen als adviserende organisatie. Daarmee wordt beoogd dat de eenheid in format en werkwijze tussen de verschillende kenniscentra die in de experimenteerperiode is gerealiseerd, na afloop van de experimenten zal worden gecontinueerd. De minister zal daartoe format en toetsingskader voor de kwalificatiedossiers blijven vaststellen (nieuw artikel 7.2.4, vijfde lid), die de kenniscentra moeten volgen en die door het coördinatiepunt zullen worden gehanteerd bij de toetsing van de voorstellen van de kenniscentra.

Het nieuwe artikel 7.2.5a WEB bevat een basis voor een ministeriële regeling waarbij de lijst met opleidingsdomeinen op voorstel van de instellingen in overleg met de kenniscentra wordt vastgesteld. Het is de bedoeling dat deze ministeriële regeling tegelijk met dit wetsvoorstel in werking treedt.

Artikel I, onderdeel Y (artikel 7.2.6 WEB)

Het eerste lid van het nieuwe artikel 7.2.6 bepaalt dat de kenniscentra ervoor zorgen dat de in het nationale of internationale recht vastgelegde beroepsvereisten zijn verwerkt in het voorstel voor kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties. Het is niet voldoende om te melden dat er vereisten zijn. Het gaat om het daadwerkelijk opnemen van de vereisten in de kwalificatiedossiers. Bovendien wordt geëist dat het voorstel vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring van de minister van het desbetreffende vakdepartement.

Het tweede lid van het nieuwe artikel 7.2.6 komt overeen met onderdeel b van het huidige artikel 7.2.6.

Artikel I, onderdeel Z (artikel 7.2.7 WEB)

Artikel 7.2.7, eerste lid, bevat de zorgplicht van het bevoegd gezag om beroepsopleidingen zo in te richten dat studenten binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde studieduur een diploma kunnen halen. Tot uitdrukking is gebracht dat deze zorgplicht ook geldt als studenten eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier. Dat mag er niet toe leiden dat studenten langer over hun opleiding doen dan studenten die meteen kiezen voor een kwalificatie. Studenten mogen dus geen studievertraging oplopen door de inschrijving voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier. Dit onderdeel bevat voorts twee technische wijzigingen (vervanging van «opleidingen» door «beroepsopleidingen» en van «eindtermen» door «kwalificatie»).

Artikel I, onderdeel AA (artikel 7.2.8 WEB)

De nieuwe mogelijkheid tot inschrijving voor een opleidingsdomein roept de vraag op, of gedurende deze periode ook beroepspraktijkvorming mag worden verzorgd. In punt 1 van dit onderdeel wordt bepaald, dat dit inderdaad het geval is. De beroepspraktijkvorming kan niet geheel plaatsvinden tijdens de inschrijving voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier. Een significant gedeelte zal moeten plaatsvinden tijdens de inschrijving voor een kwalificatie.

De punten 2 en 3 van dit onderdeel bevatten technische aanpassingen in verband met het vervallen van de eindtermen voor het beroepsonderwijs.

Artikel I, onderdeel BB (artikel 7.4.2 WEB)

Omdat het tweede lid van dit artikel zowel betrekking heeft op opleidingen educatie als op beroepsopleidingen, wordt «de eindtermen» vervangen door «de eindtermen of de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier». Het betreft hier een technische wijziging.

Artikel I, onderdeel CC (artikel 7.4.3 WEB)

Het nieuwe artikel 7.4.3 is een samenvoeging van het huidige eerste lid van dat artikel en het huidige artikel 7.4.6, eerste lid, vierde volzin. Met dit nieuwe artikel wordt verduidelijkt dat het examen mede betrekking heeft op de beroepspraktijkvorming en dat de beroepspraktijkvorming met goed gevolg moet zijn afgesloten.

Het huidige tweede en derde lid van artikel 7.4.3 worden geschrapt in verband met het vervallen van deelkwalificaties (zie artikel 7.2.3).

Artikel I, onderdeel DD (artikel 7.4.4 WEB)

Dit artikel heeft alleen betrekking op beroepsopleidingen. Daarom wordt «de eindtermen» vervangen door: de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier.

Artikel I, onderdeel EE (artikel 7.4.6 WEB)

Op grond van het eerste lid van artikel 7.4.6 reikt de examencommissie een diploma uit bij het met goed gevolg afleggen van een examen. Het tweede lid bevat een grondslag voor het regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van de inhoud en beveiliging van het diploma van een beroepsopleiding.

Artikel I, onderdeel FF (artikel 8.1.1 WEB)

In het nieuwe tweede lid wordt bepaald dat een student voorafgaand aan de inschrijving voor een kwalificatie kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier (zie voor de maximale duur van de bekostiging bij zo’n inschrijving artikel 2.2.2, zesde lid). Bij de inschrijving in een domein of een kwalificatiedossier wordt de student ingeschreven op het hoogste niveau dat hij gelet op zijn vooropleiding en de vooropleidingseisen in artikel 8.2.1, eerste tot en met vierde lid, binnen het desbetreffende opleidingsdomein kan volgen.

Studenten die wel weten voor welk beroep en diploma ze willen worden opgeleid, worden natuurlijk meteen ingeschreven voor een kwalificatie. Het niveau van een kwalificatie is bepaald in het kwalificatiedossier waarin de desbetreffende kwalificatie is opgenomen (zie artikel 7.2.4, tweede lid, onder c3°).

Bij de inschrijving voor een beroepsopleiding worden de gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting op grond van artikel 2.5.5a, tweede lid (gegevensverstrekking aan DUO ten behoeve van de registratie in Bron.).

Naast de WEB bevatten ook de Les- en cursusgeldwet (LCW) en het Uitvoeringsbesluit LCW regels met betrekking tot de inschrijving van les- en cursusgeldplichtigen. In het bijzonder volgt daaruit dat les- en cursusgeldplichtige studenten jaarlijks moeten worden ingeschreven. Als een student een overstap maakt (bijvoorbeeld van een opleidingsdomein naar een ander opleidingsdomein of een kwalificatie, of van een kwalificatie naar een andere kwalificatie), dan moet de inschrijving daarop worden aangepast. Dat geldt eveneens bij verandering van leerweg.

De inschrijving vindt plaats op grondslag van de onderwijsovereenkomst tussen het bevoegd gezag en de student (zie artikel 8.1.3, eerste lid, WEB). De inschrijving, inclusief de jaarlijkse aanpassingen ervan, zijn handelingen van de instelling en hebben plaats op verzoek van de student. Het verzoek van de student dient door de instelling te worden vastgelegd; de instelling is vrij in de wijze waarop zij dit vastlegt.

Voor alle inschrijvingen geldt, dat er een onderwijsovereenkomst aan ten grondslag moet liggen (zie artikel 8.1.3, eerste lid, WEB). Zolang mutaties in de inschrijving passen binnen het doel van de onderwijsovereenkomst behoeft er geen nieuwe onderwijsovereenkomst te worden gesloten.

Op grond van het nieuwe zevende lid van artikel 8.1.1 kan het aantal studenten dat is ingeschreven voor een opleidingsdomein bij ministeriële regeling aan een maximum worden gebonden.

Artikel I, onderdeel GG (artikel 8.1.3 WEB)

Het nieuwe tweede lid van artikel 8.1.3 bepaalt dat de onderwijsovereenkomst bij beroepsopleidingen wordt aangegaan voor de duur van de opleiding. Dat betreft dus de duur (artikel 7.2.4, zevende lid) van het volledige onderwijstraject van de student. De studieduur wordt ook vastgelegd in de onderwijsovereenkomst. De studieduur betreft de beoogde duur voor het behalen van het diploma op het beoogde niveau. De studieduur mag voor studenten die het onderwijstraject beginnen in een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier niet langer zijn dan voor studenten die kiezen voor een kwalificatie. Zie ook de artikelen 7.2.4, zevende lid, en artikel 7.2.7, eerste lid.

Aan het derde lid, onderdeel a, worden enkele nieuwe gegevens toegevoegd die in onderwijsovereenkomsten met betrekking tot beroepsopleidingen moeten worden opgenomen, te weten: de kwalificatie, of in geval van inschrijving voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier: het opleidingsdomein of kwalificatiedossier en het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie aan het einde van het totale opleidingstraject. Dit beoogde niveau hoeft niet per se overeen te komen met het niveau van de inschrijving voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier. Laatstgenoemd niveau wordt bepaald door de vooropleiding van de student (zie artikel 7.2.2, derde lid). Tussen beide niveaus kan verschil bestaan. Als de student vervolgens daadwerkelijk een kwalificatie kiest op een ander niveau dan het beoogde niveau dat in de onderwijsovereenkomst is vermeld, dan moet de onderwijsovereenkomst worden aangepast. Het niveau van een kwalificatie wordt landelijk bepaald.

De onderwijsovereenkomst moet worden aangepast (of desgewenst vervangen door een nieuw document) als er essentiële elementen in de verhouding tussen student en instelling wijzigen. Daarmee worden bijvoorbeeld de wijzigingen bedoeld die gevolgen hebben voor de studiefinanciering, zoals een andere leerweg, overstap van niveau 1 of 2 naar niveau 3 of 4, wijziging van voltijd/deeltijd karakter. Aanpassing van de onderwijsovereenkomst is ook aan de orde bij de overstap naar een ander opleidingsdomein en overstap naar een kwalificatie buiten het opleidingsdomein. Uitgangspunt bij dergelijke veranderingen in de onderwijsovereenkomst is dat deze alleen bij wederzijdse instemming tot stand kunnen komen en dat die wederzijdse instemming ook (controleerbaar) moet zijn vastgelegd.

Veranderingen die passen binnen de onderwijsovereenkomst – zoals verfijningen binnen het overeengekomen onderwijstraject – en dus geen aanpassing of vernieuwing van de onderwijsovereenkomst vergen, moeten uiteraard wel door de instelling worden vastgelegd en daar waar dat is voorgeschreven, aan DUO worden opgeleverd binnen de vereiste termijn van maximaal 4 weken voor de registratie in Bron.

Artikel I, onderdeel HH (artikel 8.1.7 WEB)

Artikel 8.1.7, negende lid, onderdeel b, wordt geschrapt in verband met het vervallen van de «andere opleidingen», bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f.

Artikel I, onderdeel II (artikel 9.2.1 WEB)

In artikel 9.2.1, derde lid, wordt de naam van de commissie onderwijs-bedrijfsleven aangepast aan de naam die in de praktijk wordt gehanteerd, te weten de paritaire commissie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Verder is bepaald dat ook aan een kenniscentrum waarvan het bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties én instellingen, een paritaire commissie is verbonden. Tevens is een taakomschrijving van de commissie toegevoegd. De wijziging van artikel 9.2.1, vierde lid, is technisch van aard.

Artikel I, onderdeel JJ (artikel 11a.1 WEB)

Aan de WEB wordt een algemeen experimenteerartikel toegevoegd. De systematiek is ontleend aan artikel 1.7a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) zoals opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing; Kamerstukken I 2008/09, 31 821).

Op grond van het eerste lid kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van titel 2 van hoofdstuk 2 (Bekostiging beroepsonderwijs), hoofdstuk 6 (Het onderwijsaanbod beroepsopleidingen) en hoofdstuk 7 (Het onderwijs).

De afwijkingen, bedoeld in het zesde lid, hebben betrekking op de reikwijdte van de daar genoemde wetten. Het kan noodzakelijk blijken om een experimentele opleiding onder te brengen in de Leerplichtwet 1969, de Les- en cursusgeldwet, de WSF 2000 of de WTOS. Dat kan gebeuren door af te wijken van de begripsbepalingen van in die wetten genoemde opleidingssoorten.

In het zevende lid is bepaald dat het eerste tot en met zesde lid ook van toepassing zijn op een samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) of een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Bij samenwerking met een school voor voortgezet onderwijs kan voor die school worden afgeweken van een aantal artikelen van de WVO op het vlak van onderwijs en examens, benoembaarheid van onderwijspersoneel, bekostiging en gegevensverstrekking. Bij de algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bij of krachtens de WVO of WHW vastgestelde voorschriften van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

Bij samenwerking met een instelling als bedoeld in de WHW kan voor die instelling tevens het zesde lid van voornoemd artikel 1.7a WHW worden toegepast.

Artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 12, titel 1a, WEB)

Dit onderdeel schrapt de bepalingen over de experimentele kwalificatiestructuur, met inbegrip van het artikel dat momenteel het vervallen van die experimenteerbepalingen regelt (artikel 12.1a.5). In het huidige artikel 12.1a.5 WEB is 1 augustus 2010 als expiratiedatum opgenomen. Die datum is in de wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in hoofdzaak ten behoeve van het volgen van assistentopleidingen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Stb. 2009, 289) gewijzigd in 1 augustus 2012. Dit is de uiterste datum voor het vervallen van de experimentele kwalificatiestructuur. Bij eerdere inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel vervallen die experimenteerbepalingen ook eerder.

Het huidige artikel 12.1a.5 schrapt ook een aantal niet in hoofdstuk 12, titel 1a, opgenomen bepalingen in de WEB. Voor zover deze nog niet zijn vervallen (1.4.1, lid 5a, 2.1.1, lid 2, 7.2.4, lid 3a, 8.1.3, lid 3a) worden ze geschrapt in de onderdelen D, E, W en GG van artikel I van het voorliggende wetsvoorstel.

Artikel II. Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000

De begripsomschrijvingen van «opleiding niveau 1 of 2» en «opleiding niveau 3 of 4» in de Wet studiefinanciering 2000 worden aangepast aan het vervallen van artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, waarin de zogenaamde «andere opleidingen» zijn geregeld.

Artikel III. Samenloop met wetsvoorstel referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

Dit artikel bevat een wijziging die in artikel I van de WEB moet worden aangebracht als het voorstel van wet tot vaststelling van regels over referentieniveaus voor de taal- en rekenvaardigheid van leerlingen (Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen) (Kamerstukken II 2009/10, 32 290) eerder dan of tegelijk met het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt.

Het voorstel voor de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bevat een basis voor een algemene maatregel van bestuur waarin een samenhangend geheel van referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen wordt vastgesteld voor onder meer beroepsopleidingen. Verder wijzigt het wetsvoorstel diverse onderwijswetten, waaronder de WEB. Zo wordt aan artikel 7.2.4 een lid 2a toegevoegd. Dit zou zonder nadere regeling weer vervallen bij de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel, omdat hierin een geheel nieuw artikel 7.2.4 is opgenomen. Artikel III voegt voornoemd lid 2a toe aan het nieuwe artikel 7.2.4 (als vierde lid).

Artikel IV. Overgangsbepaling voor eindtermgerichte opleidingen

Op grond van de onderdelen a en b van het eerste lid is het studiejaar waarin deze wet in het Staatsblad wordt geplaatst, het laatste jaar waarvoor studenten kunnen worden ingeschreven voor het eerste jaar van een eindtermgerichte opleiding. Het moet dan wel gaan om een opleiding die reeds voor de inwerkingtreding van deze wet werd bekostigd of waarvoor de minister voor de inwerkingtreding van deze wet diploma-erkenning heeft gegeven. De eindtermen blijven van toepassing gedurende de gehele periode van inschrijving voor de desbetreffende beroepsopleiding. Een en ander laat onverlet dat bij onvoldoende kwaliteit van het onderwijs of het examen het recht op bekostiging, de diploma-erkenning of het recht op examinering kan worden ontnomen of maatregelen kunnen worden genomen (artikelen 6.1.4 en volgende WEB).

Onderdeel c van het eerste lid bepaalt dat het recht op examinering met betrekking tot een beroepsopleiding dat voor de inwerkingtreding van deze wet is toegekend aan een exameninstelling, van kracht blijft. Ook hier moet het gaan om studenten die staan ingeschreven in het studiejaar waarin deze wet in het Staatsblad wordt geplaatst. Verder geldt ook hier dat bij onvoldoende kwaliteit van het examen het recht op examinering kan worden ontnomen of maatregelen kunnen worden getroffen (artikel 6.3.1 en volgende WEB).

In het tweede lid is een zorgplicht voor het bevoegd gezag opgenomen. De studenten die op grond van het eerste lid een eindtermgerichte opleiding mogen volgen, moeten op grond daarvan in staat worden gesteld om binnen een redelijke termijn hun diploma te behalen. Deze termijn ligt in elk geval binnen de in het derde lid bedoelde periode.

Het derde lid bepaalt dat een diploma voor een eindtermgerichte opleiding kan worden uitgereikt gedurende de normatieve duur van de opleiding plus een jaar.

Artikel V. Overgangsbepaling voor experimentele opleidingen

Op grond van dit artikel geldt voor experimentele opleidingen dezelfde overgangsregeling als voor eindtermgerichte opleidingen.

Artikel VI. Inwerkingtreding

Gestreefd wordt naar plaatsing in het Staatsblad voor 1 oktober 2010 en inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2011. Als de wet na 31 december 2010 in het Staatsblad wordt geplaatst, vindt de inwerkingtreding plaats op 1 januari of 1 augustus volgende op de plaatsing in het Staatsblad. Indien de wet onverhoopt tussen 1 oktober 2010 en 1 januari 2011 in het Staatsblad wordt geplaatst, wordt de implementatieperiode van Vaste Verandermomenten (zie de brief van 3 november 2008 aan de Tweede en Eerste Kamer) niet gehanteerd. Er is niet voor gekozen om de inwerkingtreding een jaar op te schuiven omdat daaraan onevenredig hoge kosten zouden zijn verbonden voor de uitvoeringsorganisaties, die uitgaan van inwerkingtreding per 1 januari 2011. Voor wat betreft de instellingen moet worden bedacht dat het overgangsrecht het mogelijk maakt om studenten nog gedurende het gehele studiejaar 2010–2011 te laten instromen in de bestaande eindtermgerichte en experimentele (competentiegerichte) opleidingen.

Ook als de wet tussen 1 mei en 1 augustus 2011, tussen 1 oktober en 1 januari 2012 of 1 mei en 1 augustus 2012 in het Staatsblad wordt geplaatst, wordt de implementatieperiode van Vaste Verandermomenten niet gehanteerd. De reden hiervoor is eveneens dat de uitvoeringsorganisaties uitgaan van inwerkingtreding per 1 januari 2011 en erbij gebaat zijn dat zo min mogelijk van die datum wordt afgeweken.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart