Kamerstuk 32032-3

Wijziging Wet op het voortgezet onderwijs (keuze sectorvakken in het vmbo)

Dossier: Wijziging Wet op het voortgezet onderwijs (keuze sectorvakken in het vmbo)

Gepubliceerd: 7 september 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32032-3.html
ID: 32032-3

32 032
Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs ter vereenvoudiging van de wettelijke regels over de sectorvakken bij het onderwijs in de leerwegen bij scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Deze memorie van toelichting wordt gegeven mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel heeft tot doel de voorschriften voor de sectorvakken van de leerwegen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) te vereenvoudigen om de keuzevrijheid en de doorstroommogelijkheden van de leerlingen te vergroten. Het voorstel regelt per sector het vak dat leerlingen die onderwijs krijgen in die sector verplicht moeten volgen en de vakken waaruit alle leerlingen naast het verplichte sectorvak een sectorvak moeten kiezen.

De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2010.

2. Aanleiding

Advies Voortvarend vmbo

De Adviesgroep vmbo heeft in 2005 de opdracht gekregen te zoeken naar ruimere mogelijkheden voor scholen om het eigen aanbod te bepalen. Scholen kunnen door verruiming van de mogelijkheden meer maatwerk aanbieden en beter een doorlopende leerlijn naar het vervolgonderwijs verwerkelijken. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport «Voortvarend vmbo». Dit werd op 9 oktober 2006 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006/07, 30 079, nr. 8). De adviesgroep heeft in dit rapport geadviseerd over maatregelen die meer ruimte scheppen voor scholen bij het samenstellen van een onderwijsaanbod dat tegemoet komt aan uiteenlopende capaciteiten, talenten en behoeften van leerlingen die onderwijs volgen in het vmbo. De adviesgroep stelde als maatregel voor de korte termijn onder meer voor om voor alle sectoren van de twee te volgen sectorvakken één sectorvak verplicht te stellen en leerlingen de gelegenheid te bieden een tweede sectorvak te kiezen uit een ruimer aanbod aan vakken dan de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) op het ogenblik toelaat.

Voor alle leerlingen in het vmbo zou daarmee eenzelfde regeling gaan gelden.

Leerlingen kunnen daardoor, nadat de wetswijziging is ingevoerd, ook kiezen voor een tweede sectorvak dat doorstroomrelevant is voor een andere sector. Dat biedt de mogelijkheid om de definitieve keuze voor een specifieke sector in het vervolgonderwijs later te maken. Een leerling is dan niet meer volledig afhankelijk van de keuze voor een sector die op het einde van het tweede leerjaar is gemaakt. Bij de keuze van een vervolgopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aan het einde van de opleiding in het vmbo kan een leerling gemakkelijker kiezen voor de overstap naar een andere sector, mits het zelf gekozen sectorvak doorstroomrelevant is voor die andere sector. De mogelijkheid tot het leveren van maatwerk wordt zo verruimd.

In het mbo vallen deelnemers vaak uit omdat zij te vroeg voor een specifieke sector hebben moeten kiezen. De verwachting is dat een verruiming van de keuzemogelijkheden in het vmbo die dit wetsvoorstel biedt, vertraging in de schoolloopbaan van de leerlingen voorkomt en bijdraagt aan het verminderen van het voortijdig schoolverlaten.

In de beleidsreactie op het rapport van de Adviesgroep zijn de strekking en de motivatie van het voorstel onderschreven (zie Kamerstukken II 2006/07, 30 079, nr. 8, blz. 5).

Overleg met betrokkenen over nadere invulling

Een nieuwe regeling van de sectorvakken verplicht tot vaststelling van het vak dat alle leerlingen in een specifieke sector moeten volgen. Hierbij kan voor de sectoren economie, zorg en welzijn en landbouw worden vastgehouden aan de bestaande bepalingen, maar deze kunnen in het belang van de leerlingen ook worden heroverwogen. Daarom is aan vertegenwoordigers van het scholenveld en leraren gevraagd aan te geven of de verplichte sectorvakken gehandhaafd moeten blijven of dat een ander vak verplicht moet worden gesteld.

Voor de sector techniek zijn in de huidige situatie twee verplichte sectorvakken vastgesteld. Voor deze sector is gevraagd welk sectorvak verplicht zou moeten worden gesteld.

* De Stichting Platforms Beroepsgerichte Vakken heeft haar advies gegeven over de verplichte sectorvakken in de sectoren techniek, economie en zorg en welzijn. In deze platforms zijn leraren verenigd die onderwijs geven in de beroepsgerichte vakken. Op deze wijze is een zo breed mogelijk draagvlak gecreëerd voor het besluit om voor de genoemde sectoren het verplichte sectorvak vast te stellen. Dit heeft tot resultaat gehad dat als verplicht sectorvak zijn voorgesteld:

– voor de sector techniek: wiskunde,

– voor de sector economie: economie, en

– voor de sector zorg en welzijn: biologie.

  Dit voorstel is in lijn met de bestaande bepalingen over de verplichte sectorvakken met dien verstande dat natuur- en scheikunde I in de sector techniek niet meer tot de verplichte sectorvakken wordt gerekend.

* De AOC-Raad heeft na analyse van de gevolgen van een keuze voor wiskunde of biologie aangegeven waarom naar zijn mening biologie verplicht sectorvak moet worden voor de sector landbouw. De Raad baseert zijn keuze op het gegeven dat het verplichte sectorvak moet passen bij de sector. Biologie is dan het meest aangewezen vak. Verder beargumenteert de Raad dat de leerlingenpopulatie in het agrarisch onderwijs er mee is gediend dat biologie als sectorvak wordt aangewezen vanwege de vergroting van de kansen om door te stromen naar het vervolgonderwijs in dezelfde sector.

* De MBO-Raad heeft als vertegenwoordiger van het mbo zich eveneens kunnen vinden in de voorgestelde regeling. Aanvankelijke bezwaren tegen de mogelijkheid om sectorvakken te kiezen die geen bijdrage leverden aan de kwaliteit van de doorstroom naar een andere sector in de vervolgopleiding zijn weggenomen door alleen die vakken ter keuze aan de leerlingen te laten die op grond van de bestaande regeling ook al konden worden gekozen.

3. Het wetsvoorstel

Verplichte sectorvakken

Het wetsvoorstel voorziet er in dat als verplicht sectorvak wordt vastgesteld:

– voor de sector techniek: wiskunde,

– voor de sector economie: economie,

– voor de sector zorg en welzijn: biologie, en

– voor de sector landbouw: biologie.

De sectorvakken in de eerste drie sectoren zijn dezelfde vakken die reeds op grond van de bestaande regeling verplicht waren. In de sector techniek is natuur- en scheikunde I echter geen verplicht sectorvak meer. In deze sector kunnen de leerlingen nu, net als leerlingen in de andere sectoren, één verplicht vak en één vak naar keuze volgen.

Voor de sector landbouw wordt biologie verplicht sectorvak in plaats van wiskunde.

Het verplichte sectorvak in geval van een intersectoraal programma wordt op een andere wijze geregeld. Hier wordt in de volgende paragraaf nader op ingegaan.

Keuzevakken

De lijst van keuzevakken bevat alle vakken waar leerlingen uit de sectoren economie, zorg en welzijn en landbouw al uit konden kiezen. Leerlingen kunnen straks ook een vak kiezen dat verplicht is voor een andere sector. Daarmee kunnen leerlingen na het behalen van het vmbo-diploma gemakkelijker overstappen naar een vervolgopleiding in het mbo in een andere sector. Leerlingen kunnen in overleg met leraren/ schoolleiding, bepalen welk van de keuzevakken voor hen het meest relevant is. Dit kan gebeuren op basis van specifieke behoeften van leerlingen en/of de wens om extra kansen open te houden voor de keuze van een vervolgopleiding.

De mogelijkheden die worden opengelaten om een tweede sectorvak te kiezen, laten onverlet dat de school in de gelegenheid moet zijn om een kwalitatief hoogwaardig vakkenaanbod voor de leerlingen te verzorgen. Het bevoegd gezag behoudt daarom de mogelijkheid om voor leerlingen in de school de vakken vast te stellen die als tweede sectorvak kunnen worden gekozen.

Overgangsrecht

Leerlingen die aan het derde leerjaar beginnen nadat het wetsvoorstel in werking is getreden, krijgen te maken met de nieuwe bepalingen. In de bestaande situatie maken zij immers hun keuze op het einde van het tweede leerjaar op het moment dat de keuze voor een beroepsgericht programma in een specifieke sector wordt gemaakt. De nieuwe regels zijn niet van toepassing op leerlingen die met ingang van 1 augustus 2010 aan het vierde leerjaar beginnen, voor hen blijven de bestaande regels van kracht. Het bevoegd gezag kan daarna voor leerlingen die aan het eind van dat jaar worden afgewezen bij het eindexamen, een bezemjaar inrichten, ook daarvoor blijven de bestaande regels van kracht.

4. Intersectorale programma’s

Als gevolg van een wijziging van de artikelen 10b en 10d met ingang van 1 augustus 2008 is de mogelijkheid tot het verzorgen van intersectorale programma’s in de WVO is vastgelegd (Stb. 2008, 296, artikel I, onderdelen D en G, onder 2, 3 en 4, en artikel VI juncto Stb. 2008, 297). Dat betekent dat vastgesteld moet worden wat de verplichte sectorvakken zijn voor deze programma’s.

Het Platform VMBO Intersectoraal – waarin leraren en leidinggevenden zitting hebben om intersectorale programma’s te ontwikkelen – heeft geadviseerd voor vrijwel alle intersectorale programma’s wiskunde als verplicht sectorvak aan te wijzen, omdat dat als enige vak doorstroming naar alle sectoren openhoudt. Daarnaast heeft het Platform geadviseerd om voor leerlingen die examen doen in het intersectoraal programma, uitstroomvariant dienstverlening en commercie, economie als verplicht sectorvak vast te stellen. Voor het intersectorale programma Sport, Dienstverlening en Veiligheid (SDV) wordt biologie verplicht. De keuze voor dit vak is ingegeven doordat het onderdeel sport het meest gebonden is aan de sector zorg en welzijn en dat de keuze van het vak biologie daarom het meest voor de hand ligt. Ik neem dit advies over.

De aanwijzing van één verplicht vak houdt mede verband met het terugdringen van het aantal voorschriften voor scholen.

De Adviesgroep vmbo heeft in «Voortvarend vmbo» aandacht gevraagd voor de inflexibele programmastructuur en aangegeven dat er grote behoefte is aan een vereenvoudiging van deze structuur. Daarnaast heeft het platform intersectoraal aangegeven dat een herschikking van deze programma’s tot de mogelijkheden behoort. Het ligt zodoende niet in de rede de intersectorale programma’s als beroepsgerichte programma’s in de WVO zelf op te nemen.

De voorgenomen wijzigingen en het regime dat van toepassing is op verschillende groepen van scholen zijn bekend gemaakt in de voorlichtingsbrochure van 13 april 2009 met kenmerk VO/OK-2009/96402. Dit is gedaan om scholen in de gelegenheid te stellen tijdig rekening te houden met de voorgenomen wijzigingen.

5. Administratieve lasten

Scholen houden bij welke sectorvakken hun leerlingen volgen omdat jaarlijks opgave moet worden gedaan van de deelname van leerlingen aan de centrale examens in deze vakken.

Deze procedure wordt niet gewijzigd door de invoering van dit wetsvoorstel. Invoering van dit wetsvoorstel brengt daarom geen extra administratieve lasten met zich mee voor de scholen.

6. Uitvoeringsgevolgen

Dit wetsvoorstel heeft geen uitvoeringsgevolgen omdat er geen afzonderlijke registratie plaatsvindt bij CFI betreffende de deelname van de leerlingen aan onderwijs in de sectorvakken.

Daarnaast kan deze wijziging van de WVO ingepast worden in het ondersteunende systeem School- en Studiegegevens van de IB-groep. Er behoeft geen systeemaanpassing plaats te vinden om de gevolgen van deze wetswijzigingen op te kunnen vangen. De inspanning die het vereist, valt binnen de reguliere werkzaamheden.

7. Financiële gevolgen

Deze regeling heeft geen extra financiële gevolgen voor de rijksbegroting. Veranderingen in het onderwijs in de sectorvakken leiden niet tot meer kosten omdat sectorvakken geen parameter zijn in de bekostigingssystematiek.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I (WIJZIGING WVO)

Onderdeel A (artikel 10 WVO; theoretische leerweg)

Onderdeel 1 bevat een wijziging van artikel 10, zesde lid, waarin voor de theoretische leerweg wordt vastgelegd wat de verplichte sectorvakken per sector zijn en wat de mogelijke keuzevakken voor alle sectoren zijn.

Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid zijn om een kwalitatief hoogwaardig vakkenaanbod voor de leerlingen te verzorgen. Daarom bevat onderdeel 2 een wijziging van artikel 10, achtste lid, waarin wordt geregeld dat het bevoegd gezag bepaalt welke van de in het zesde lid opgenomen keuzevakken het aanbiedt aan de leerlingen.

Onderdeel B (artikel 10b WVO; basisberoeps- en kaderberoepsgerichte leerweg)

Voor een toelichting op de onderdelen 1 en 3 met betrekking tot de basisberoepsen de kadergerichte leerweg, zie de toelichting op de onderdelen 1 en 2 bij onderdeel A (theoretische leerweg). Voor de basisberoeps- en de kaderberoepsgerichte leerweg is één keuzevak minder opgenomen dan bij de theoretische en de gemengde leerweg. Het betreft het vak natuur- en scheikunde II. Dat vak wordt ook in de huidige situatie niet verzorgd in de basisberoepsen de kaderberoepsgerichte leerweg.

Door onderdeel 2 wordt enerzijds de bepaling opgenomen in een nieuw lid 6a die voorheen los onder de opsomming van het zesde lid was opgenomen. Anderzijds wordt hier geregeld hoe het verplichte sectorvak wordt geregeld voor leerlingen die een intersectoraal programma volgen. Voor hen is dat immers niet op voorhand duidelijk, aangezien ze onderdelen van verschillende sectoren volgen. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting al is aangegeven, wordt ervoor gekozen dit te regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in dit geval bij ministeriële regeling. Dat zal gebeuren in de Regeling intra- en intersectorale programma’s v.m.b.o., nadat de grondslag daarvoor in artikel 26j van het Inrichtingsbesluit W.V.O. is opgenomen.

Onderdeel C (artikel 10d WVO; gemengde leerweg)

Onderdeel 1 bevat een wijziging die oorspronkelijk was opgenomen in de Wet van 11 juli 2008 inzake de voorzieningenplanning in het VO (zie Stb. 2008, 296, artikel I, onderdeel G, onder 2). Deze wijzigingsopdracht was evenwel onuitvoerbaar en wordt nu opnieuw geformuleerd.

Voor een toelichting op de onderdelen 2 en 4 met betrekking tot de gemengde leerweg, zie de toelichting op de onderdelen 1 en 2 bij onderdeel A (theoretische leerweg).

Voor een toelichting op onderdeel 3 met betrekking tot de gemengde leerweg, zie de toelichting op onderdeel B, onderdeel 2 (met uitzondering van de eerste volzin, die alleen betrekking heeft op de basisberoeps- en de kaderberoepsgerichte leerweg).

ARTIKEL II INVOERINGS- EN OVERGANGSRECHT

Deze wetswijzigingen hebben alleen betrekking op de leerwegen in het vmbo, dat wil zeggen het derde en het vierde leerjaar van de theoretische, de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg.

In het eerste lid wordt geregeld dat de nieuwe bepalingen na inwerkingtreding van deze wet in eerste instantie alleen betrekking hebben op het derde leerjaar. Daarmee zijn ze dus nog niet van toepassing op leerlingen die al in hun eindexamenjaar zitten. Voor deze leerlingen is in het eerste lid geregeld dat zij nog onderwijs volgens de oude voorschriften kunnen volgen, dat wil zeggen met de verplichte sectorvakken en de keuzevakken zoals die nu nog zijn opgenomen in de WVO.

In het tweede lid is voor deze laatste categorie leerlingen eveneens geregeld dat zij nog volgens de oude voorschriften examen kunnen doen.

Tenslotte is in het derde lid een zogenaamd bezemjaar geregeld, waardoor scholen leerlingen als bedoeld in het tweede lid die zakken voor hun eindexamen, het jaar erna nogmaals in de gelegenheid kunnen stellen volgens de oude regels onderwijs te volgen en examen af te leggen.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart