Kamerstuk 31927-3

Memorie van toelichting

Dossier: Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten

Gepubliceerd: 16 april 2009
Indiener(s): Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: financiƫn organisatie en beleid sociale zekerheid ziekte en arbeidsongeschiktheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31927-3.html
ID: 31927-3

31 927
Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Wanneer mensen niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, kunnen zij een beroep doen op gemeenten voor aanvulling van hun inkomen tot minimumniveau. Gemeenten voeren daartoe een aantal wettelijke regelingen in medebewind uit, waaronder de Wet werk en bijstand (WWB). Zij zijn financieel en beleidsmatig verantwoordelijk voor de uitvoering van de WWB. Zij ontvangen daartoe middels het volledig gebudgetteerde inkomensdeel (I-deel) middelen voor bijstandsverstrekking. De middelen voor de kosten van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling ontvangen de gemeenten via het werkdeel. Vanaf 1 januari 2009 gaat dit via het ontschot en flexibel besteedbare participatiebudget. Uitgangspunt voor deze vergaande gemeentelijke verantwoordelijkheid is dat decentralisatie de slagkracht van gemeenten vergroot.

Ter uitvoering van het Bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten «Samen aan de slag» van 4 juni 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 B, nr. 17) en in lijn met het Coalitieakkoord, worden de financiële middelen van andere door de gemeenten uit te voeren wettelijke regelingen gebundeld met het I-deel per 1 januari 2010. Het betreft de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) en de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers uit het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Een aparte financiering in het kader van het Bbz 2004 blijft in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bestaan voor kosten van levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen en voor bedrijfskapitaal. De financiële middelen ter voorbereiding op een zelfstandig bestaan als startend ondernemer en ter begeleiding van startende ondernemers uit het Bbz 2004 worden toegevoegd aan het participatiebudget.

Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt daartoe de IOAW, IOAZ en WWIK. De wijziging van het Bbz 2004 zal geschieden bij algemene maatregel van bestuur. Vanwege de samenhang worden onderstaand ook de wijzigingen in het Bbz 2004 toegelicht.

2. Uitgangspunten

Maatschappelijke vraagstukken manifesteren zich bij uitstek op gemeentelijk niveau. Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten deze vraagstukken op basis van lokaal maatwerk van oplossingen kunnen voorzien. Om die reden bevordert het kabinet met kracht dat het Rijk op hoofdlijnen stuurt en dat taken en bevoegdheden verder gedecentraliseerd worden aan medeoverheden. Daarbij kan ook worden overgegaan tot verdere deregulering. In samenhang hiermee voert het kabinet beleid gericht op halvering van het aantal specifieke uitkeringen.

Het voorliggende wetsvoorstel bevat al deze aspecten. Essentieel is dat voor de IOAW, IOAZ, WWIK en de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers uit het Bbz 2004 het gecombineerde declaratie- en budgetsysteem wordt vervangen door volledige budgetfinanciering. Aldus ontstaat voor gemeenten, meer dan thans, een direct belang om de regelingen zo goed en doeltreffend mogelijk uit te voeren. Als gevolg van deze ontwikkeling kan tot verdere deregulering worden overgegaan, wat optimale ruimte creëert voor lokaal beleid. Met name de centrale administratieve voorschriften inzake onderzoeksverplichtingen en -frequenties en de gemeentelijke administratie, kunnen vervallen. Dit laat overigens, net als bij de WWB, onverlet dat gemeenten zelf moeten regelen hoe zij de rechtmatigheid borgen. Daartoe hebben zij nu beleidsruimte voor een eigen werkwijze en administratieve inrichting.

De bundeling van geldstromen brengt de vijf in de Inleiding genoemde specifieke uitkeringen terug naar twee: het gebundelde I-deel en het Bbz 2004. Deze bundeling én het feit dat gemeenten zich niet aan het Rijk behoeven te verantwoorden over de rechtmatige besteding van het samengevoegde budget voor de inkomensvoorzieningen dragen bij aan een administratieve lastenverlichting voor gemeenten. Ten behoeve van de raming van het macrobudget en de toepassing van het verdeelmodel zullen gemeenten wel jaarlijks, op basis van de systematiek van single information en single audit, informatie moeten verschaffen over relevante realisatiegegevens.

Het eerdergenoemde Bestuursakkoord geeft aan dat de vormgeving van bundeling in het I-deel onderwerp van nadere studie is. Hieronder wordt ingegaan op die vormgeving. Aparte aandacht is hierbij voor het Bbz 2004 en de WWIK.

3. Positie van IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz 2004

De bundeling van de financiële middelen van deze inkomensregelingen brengt geen veranderingen teweeg in de rechten en plichten van de uitkeringsgerechtigden. IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz 2004 blijven als afzonderlijke regelingen bestaan. Daarin worden als gevolg van de volledige financiële verantwoordelijkheid die gemeenten krijgen, verplichtingen voor de gemeenten omgezet in bevoegdheden. Een voorbeeld is de terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. Gemeenten dienen bijgevolg hun afstemmingsbeleid, het aanpassen van de uitkering bij het niet nakomen van verplichtingen door de uitkeringsgerechtigde, voor deze regelingen bij verordening te regelen.

Bundeling van de financiële middelen voor de uitkeringen op grond van de IOAW, IOAZ, WWIK en de uitkeringen aan startende zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 met het I-deel staat voorop. Deze regelingen hebben echter een eigen achtergrond, doelgroep en instrumentarium en kennen daardoor elk een specifieke gemeentelijke beleidsmatige verantwoordelijkheid. Onderstaand wordt per regeling aangegeven in welke mate de bij bundeling behorende financiële verantwoordelijkheid past bij die beleidsmatige verantwoordelijkheid. En wat dit betekent voor de bundeling van de financiële middelen.

IOAW en IOAZ kennen analoog aan de WWB een uitstroomdoelstelling en geven gemeenten de instrumenten om het volume aan uitkeringsgerechtigden te beïnvloeden. De financiële prikkel van het I-deel past volledig op de daaraan toe te voegen IOAW en IOAZ-middelen.

De doelstelling van de WWIK is om kunstenaars gedurende maximaal 48 maanden de gelegenheid te bieden om te werken aan de opbouw van een renderende, al dan niet gemengde beroepspraktijk als kunstenaar. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich niet met een uitstroombeleid zoals is vorm gegeven in de WWB. Immers, door het opleggen van een sollicitatieplicht zou een (aankomend) kunstenaar niet in de gelegenheid worden gesteld om te werken aan de opbouw van een zelfstandige beroepspraktijk als kunstenaar. Dit specifieke karakter van de WWIK maakt dat gemeenten, anders dan het geval is bij de WWB, de uitkeringsduur en daarmee de uitkeringslasten niet kunnen beïnvloeden via op uitstroom gerichte maatregelen. Bij de bundeling dient dit specifieke aspect van de WWIK, met behoud van vermindering van administratieve lasten, in voldoende mate tot uitdrukking te komen (zie hiervoor paragraaf 4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Aandachtspunt is tevens dat de WWIK vanwege de vereiste expertise uitgevoerd wordt door een beperkt aantal centrumgemeenten. De budgetverdeling over de twintig centrumgemeenten blijft daarom na bundeling gehandhaafd.

De doelgroep van het Bbz 2004 valt op hoofdlijnen uiteen in startende ondernemers en gevestigde ondernemers. De kosten vallen op hoofdlijnen uiteen in bedrijfskapitaal en kosten van levensonderhoud. Dit vergt een gedifferentieerde aanpak.

De benodigde middelen voor bijstand aan de gevestigde ondernemers zijn naast macro economische factoren afhankelijk van een groot aantal moeilijk te voorspellen situaties. Ondernemers kunnen tijdelijk in de problemen komen door bijvoorbeeld klimatologische omstandigheden, uitbraken van dierziekten en renovaties van buurten. Het daarmee gemoeide beslag op bedrijfskapitaal inclusief de kosten van levensonderhoud laat zich lastig ramen. De fluctuaties in opeenvolgende jaren zijn niet alleen groot, maar kunnen ook regionaal of lokaal sterk verschillen. Volledige budgettering en dus bundeling met het I-deel is hierdoor niet op zijn plaats. De financiering op grond van het huidige Bbz 2004, en daarmee het Bbz 2004 als specifieke uitkering, blijft op dit punt gehandhaafd.

Het aantal personen dat jaarlijks als starter gebruik maakt van het Bbz 2004 valt wel goed te ramen. De kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers worden om die reden wel gebundeld met het inkomensdeel WWB.

Ten aanzien van de verstrekking van bedrijfskapitaal krachtens het Bbz 2004 aan starters geldt dat er momenteel enkele pilots lopen met een aparte borgstellingsregeling voor bedrijfskapitaal. Na afloop van de pilots vindt op basis van een evaluatie een afweging plaats of deze voorziening als passend is aan te merken en daaruit voortvloeiend of verstrekking van bedrijfskapitaal niet langer hoeft plaats te vinden via het Bbz 2004. Bij een positieve uitkomst van de evaluatie kan vervolgens een landelijke uitrol worden overwogen. In afwachting van de evaluatie van de pilots blijft de financiering van het bedrijfskapitaal voor startende ondernemers conform de huidige financiering van het Bbz 2004.

Het Bbz 2004 kent naast deze hoofdgroepen nog bepaalde groepen met specifieke eigen bepalingen. De afwijkende situatie van ondernemers in de binnenvaart en van zelfstandigen in het buitenland leidt tot een eigen financieringswijze die zich niet leent voor bundeling met het I-deel. De huidige financiering van het Bbz 2004 blijft hiervoor gehandhaafd. Voor de groep bijstandsgerechtigden die zich wil voorbereiden op een zelfstandig ondernemerschap zie paragraaf 4.2.

4. Financiering

4.1. Bundeling met I-deel

De kleine inkomensregelingen, waaronder een deel van het Bbz 2004, worden volledig gebudgetteerd zoals al het geval is met het I-deel. Per inkomensregeling wordt een macro-budget geraamd. De budgetten van WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 worden middels het objectief verdeelmodel verdeeld over de gemeenten. Het budget voor de WWIK wordt op basis van historische maatstaven verdeeld. De bedragen worden per gemeente samengevoegd. Gemeenten ontvangen vervolgens één ontschot budget voor de verstrekking van alle uitkeringen. In de bijlage bij de jaarrekening komt de rechtmatigheidscontrole op de IOAW, IOAZ, Bbz 2004 en WWIK te vervallen. Gemeenten blijven de uitgaven opnemen in de bijlage zodat de macrobudgetten kunnen worden geraamd en de toereikendheid op macroniveau kan worden gegarandeerd (conform het huidige I-deel WWB voor personen boven 65 jaar).

a. Budgettering

De kleine inkomensregelingen kennen thans een financieringssystematiek met 25% budgettering en 75% declaratie (IOAW, IOAZ en Bbz 2004) dan wel 100% declaratie (WWIK). De WWB kent gemeenten volledige financiële verantwoordelijkheid (100% budgettering) toe om voor hen maximale lokale ruimte te realiseren. Ook de kleine inkomensregelingen worden daarom volledig gebudgetteerd.

IOAW- en IOAZ-gerechtigden hebben de plicht tot arbeidsinschakeling. Gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid het aantal uitkeringsgerechtigden te beïnvloeden. In combinatie met de financiële prikkel wordt daarom een besparing op de uitkeringslasten verwacht. Hiermee is in de raming van de macrobudgetten IOAW en IOAZ rekening gehouden. Voor deze raming is aangesloten bij de budgettering van de WWB. Uit de evaluatie van de WWB is gebleken dat het korte termijn effect van de budgettering circa 2% is. Omdat het bij de IOAW en IOAZ om ouderen gaat, waarvoor de uitstroom naar werk moeilijker zal zijn, is van de helft van dit effect uitgegaan. Er is derhalve uitgegaan van een daling van de uitkeringslasten voor zowel IOAW als IOAZ met 1%, waarbij is verondersteld dat dit effect na drie jaar zal worden bereikt.

Besparing uitgaven IOAW/IOAZ (in miljoenen euro’s)

 20102011201220132014
uitgaven IOAW– 0,6– 1,3– 2,1– 2,1– 2,1
uitgaven IOAZ– 0,1– 0,2– 0,3– 0,3– 0,3

b. Verdeelsystematiek

De verdeling van het I-deel WWB werkt (grotendeels) volgens het objectief verdeelmodel. Dit versterkt de financiële prikkel om het bijstandsvolume te verkleinen. Een gemeente kan door een effectief uitstroombeleid de bijstandslasten beperken en overhouden op haar objectief bepaalde budget.

Het objectief verdeelmodel wordt toegepast op de gebundelde middelen voor de kosten van algemene bijstand op grond van de WWB, uitkeringen op grond van de IOAW en IOAZ en de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers.

De WWIK-centrumgemeenten kunnen zoals gezegd het mogelijke financiële risico van budgettering niet beïnvloeden. Het WWIK-budget wordt daarom binnen het gebundelde I-deel apart geraamd en vervolgens verdeeld op grond van historische uitgaven. Deze wijze van verdelen zorgt ervoor dat over de jaren heen de budgetten in de pas lopen met de feitelijke uitgaven.

De overgang naar een financiering op basis van het objectief verdeelmodel gaat onvermijdelijk gepaard met herverdeeleffecten. Deze zijn ook beoogd. Gemeenten die relatief goed presteren zullen overhouden aan hun budget. Gemeenten die relatief minder goed presteren kunnen tekort komen. Herverdeeleffecten doen zich met name voor bij de grote(re) gemeenten. Kleine gemeenten ontvangen hun budget immers op basis van de uitgaven in het verleden, waardoor de budgetten net als nu (met enige vertraging) in de pas blijven lopen met de uitgaven.

Er is een analyse gemaakt van het verschil in resultaat tussen verdeling op basis van het objectief verdeelmodel I-deel WWB en verdeling op basis van historische realisatie. Deze simulatie laat zien dat de gevolgen van de bundeling van de inkomensregelingen voor vrijwel alle gemeenten beperkt lijken. De gevolgen van de bundeling voor het verdeelmodel van het I-deel krijgen ook een plaats in het reguliere onderhoudstraject van dit verdeelmodel.

Een overschot op het gebundelde I-deel is vrij besteedbaar. Tekorten dienen gemeenten aan te vullen uit de eigen begroting. Net als bij het huidige WWB-budget hebben gemeenten bij het gebundelde I-deel een eigen risico van 10% bij een incidenteel tekort. Daarboven kunnen zij onder voorwaarden in aanmerking komen voor een aanvullende uitkering. Eveneens is de meerjarige aanvullende uitkering (MAU), ter compensatie van aan het verdeelmodel toe te schrijven meerjarige tekorten, onder voorwaarden van toepassing.

4.2. Participatiebudget en Gemeentefonds

Ter completering van deze decentralisatiemaatregelen gaan gelijktijdig met de bundeling van middelen voor uitkeringslasten ook middelen voor enkele andere voorzieningen uit de WWIK en het Bbz 2004. Zij gaan vanwege hun afwijkend aanwendingsdoel over naar andere financiële regimes dan het I-deel.

a. Participatiebudget

Bijstandsgerechtigden die zich willen voorbereiden op een zelfstandig ondernemerschap en op een Bbz-aanvraag kunnen een beroep doen op de gemeente. Gemeenten kunnen deze prestarters voorbereidingskredieten en begeleiding bieden. Ook starters kunnen zij begeleiding bieden. De middelen voor deze op uitstroom naar een zelfstandig bestaan gerichte voorzieningen worden samengevoegd met het Participatiebudget.

b. Gemeentefonds

De middelen voor de uitvoeringskosten voor de WWB maken deel uit van het Gemeentefonds. De uitvoeringskosten WWIK worden thans volledig gefinancierd op declaratiebasis. Toevoeging van de middelen voor de uitvoeringskosten WWIK aan het Gemeentefonds past in het terugdringen van de administratieve lasten voor gemeenten en van het aantal specifieke uitkeringen. De middelen worden verdeeld over de centrumgemeenten WWIK door middel van een decentralisatieuitkering. Ook de middelen voor uitvoeringskosten voor door derden uitgevoerd bedrijfsonderzoek in het kader van de IOAZ worden toegevoegd aan het Gemeentefonds.

Onderzocht zal worden in hoeverre dit wetsvoorstel leidt tot lagere uitvoeringskosten voor de gemeenten.

5. Adviezen

Dit wetsvoorstel leidt voor de IOAW en IOAZ tot een lastenverlichting bij de burger. Bij de WWIK en Bbz zijn er geen veranderingen. De lastenverlichting voor de cliënt komt enerzijds tot stand door de overgang van een maandelijks in te dienen inkomstenverklaring naar de aanlevering van enkel inkomstenmutaties en anderzijds door de eenmalige gegevensuitvraag binnen de keten van werk en inkomen.

Gemeenten kunnen voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking gebruik maken van een maandelijkse inkomstenverklaring. De afgelopen jaren is de gemeentelijke aandacht voor een effectieve en efficiënte uitvoering van de bijstand, met ook minder administratieve lasten voor de cliënt, toegenomen. De komst van de WWB bevorderde dit. Daarmee is een trend ingezet om het gebruik van de maandelijkse inkomstenverklaring te verminderen. Voor beperkte groepen als risicogroepen en mensen met een (mutatiegevoelige) deeltijdbaan wordt zij nog vaak maandelijks gebruikt. Overige cliënten krijgen in de meeste gemeenten doorgaans enkel een mutatieformulier. Het gebruik is daardoor in 2008 ten opzichte van 2004 met naar schatting 70% gedaald. Dit geldt ook voor de IOAW en IOAZ die in het uitvoeringsproces van de WWB meelopen. De reductie van de administratieve lasten IOAW en IOAZ voor de burger bedraagt hierdoor 141 000 uur en € 65 000 aan out-of-pocket kosten.

Deze lastenbesparing is daarmee al vóór de onderhavige bundeling bereikt. Door de bundeling zal bij de IOAW en IOAZ de gemeentelijke budget- en beleidsverantwoordelijkheid toenemen. Verwacht mag worden dat dit gemeenten waar mogelijk aanzet tot een verdere efficiënte uitvoering en administratieve lastendaling van de resterende informatie-uitvraag aan de burger.

Het Adviescollege toetsing administratieve lasten adviseert voor de resterende specifieke uitkering Bbz 2004 ook mogelijkheden tot vereenvoudiging te onderzoeken. Voor het bedrijfskapitaal van beginnende zelfstandigen lopen momenteel pilots met een aparte borgstellingsregeling (zie paragraaf 3). Het doel van deze voorziening is kostenbesparing en maximale toegankelijkheid tot bedrijfskapitaal voor de beginnend zelfstandige, onder meer te bereiken door zo min mogelijk administratieve handelingen voor zowel banken als cliënten. De pilots worden, naar thans voorzien einde 2010, geëvalueerd. Het Adviescollege adviseert het wetsvoorstel Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten in te dienen.

De VNG, medeondertekenaar van het Bestuursakkoord «Samen aan de slag», sluit zich aan bij de aanpak van deze bundeling van uitkeringen in het kader van decentralisatie van taken en bevoegdheden naar gemeenten.

Zij heeft geen opmerkingen gemaakt bij het onderhavige wetsvoorstel.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) Artikel II Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen(IOAZ) Artikel IV Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK)

Artikel I, onderdelen A en D

Het tweede lid van artikel 11a van de IOAW kan vervallen, omdat met de invoering van de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (Stb. 2007, 555) de uitzonderingen op het indienen van de aanvraag via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) niet meer bij een voorschrift van algemene strekking worden geregeld, maar dit een element is van afspraken in het kader van de samenwerking werk en inkomen op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) in de locaties werk en inkomen tussen de colleges van B&W en het UWV. In het kader van recente wijzigingen van de Wet SUWI is de IOAW hierop niet aangepast. Dit wordt in onderdeel A alsnog gedaan. In verband met deze wijziging dient ook de verwijzing naar artikel 11a in artikel 16a, tweede lid, te worden aangepast (onderdeel D).

Artikel 1, onderdelen B en C en artikel II, onderdelen A en B, artikel IV, onderdeel A

Nu de kosten van de uitkeringen op grond van de IOAW, de IOAZ en de WWIK niet langer op declaratiebasis worden vergoed aan de gemeenten doch onderdeel uitmaken van het I-deel, ligt het in de rede om de bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor de colleges van burgemeester en wethouders in het kader van die wetten zoveel mogelijk gelijk te maken aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden in het kader van de WWB.

Dit betreft in eerste instantie de wijze, waarop geregeld wordt hoe het college de gegevens over de belanghebbende verkrijgt voor de bepaling van het recht op uitkering en het feit of nader onderzoek naar de juistheid en volledigheid van die gegevens kan worden gedaan. Daarvoor geldt meer beleidsvrijheid in de WWB. Alleen het beginsel van eenmalige gegevensuitvraag, dat wil zeggen het gebruik maken van gegevens die al bij de overheid bekend zijn in de gemeentelijke basisadministratie of de polisadministratie, blijft gehandhaafd. De verplichting in de IOAW en IOAZ om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en om regelmatig een heronderzoek te doen naar de voor het recht op uitkering van belang zijnde gegevens komt te vervallen (aanpassing van de artikelen 14 en het vervallen van de artikelen 16 van de IOAW en IOAZ en artikel 11 van de WWIK) .

Artikel 1, onderdelen E, F,G, H, I, J, K, L, M en S, artikel II, onderdelen C tot en met N en Q, artikel IV, B tot en met H

De afstemming op de bevoegdheden op grond van de WWB betekent dat de verplichting voor het college om in het kader van de IOAW, IOAZ en WWIK bij bepaalde overtredingen een maatregel (in de terminologie van de WWB een verlaging) op te leggen wordt omgezet in een bevoegdheid en de bestuurlijke boete in de IOAW en IOAZ komt te vervallen. Zo ook de verplichting tot opschorting dan wel herziening of intrekking van de uitkering in bepaalde situaties en de verplichting tot terugvordering. Daarmee kunnen ook de met die verplichting samenhangende afwijkingsmogelijkheden komen te vervallen alsmede de mogelijkheid om bij lagere regelgeving nadere regels te stellen met betrekking tot die verplichting. Wel wordt in de IOAW, IOAZ en WWIK de verplichting opgenomen voor de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de maatregelen (een zogeheten afstemmingsverordening) en voor de bestrijding van fraude zoals in artikel 8a van de WWB is voorgeschreven. De verplichting een afstemmingsverordening vast te stellen heeft de gemeenteraad op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel b, WWB.

Artikel I, onderdelen Q, R en S, artikel II, onderdelen O, P en Q, artikel IV, onderdelen I, J en K.

Voorts vervalt de verplichting om via de bijlage bij de jaarrekening verantwoording af te leggen over de uitvoering van de IOAW en IOAZ respectievelijk opgave te doen van de door het college gemaakte kosten voor de WWIK. Daarnaast vervallen in de IOAW en de IOAZ de verplichtingen om een betrouwbare administratie te voeren. De kosten van het aan derden opgedragen onderzoek, bedoeld in de artikelen 59e tot en met 59h IOAZ, zijn uitvoeringskosten waarvoor het college na de onderhavige wetswijziging geen aparte vergoeding krijgt. Middelen daarvoor zullen in het gemeentefonds worden opgenomen. De vergoeding op basis van declaratie door het Rijk aan de adviserende instelling als bedoeld in paragraaf 6.2 van de WWIK blijft wel bestaan. De kosten voor de re-integratievoorzieningen blijven ten laste komen van het participatiebudget. De wijziging van artikel 59e IOAW, 59i IOAZ en 54 WWIK heeft hierop betrekking. Deze artikelen blijven gelden, maar zijn in dit wetsvoorstel aangepast aan de op 1-1-2009 in werking getreden Wet participatiebudget en geformuleerd in overeenstemming met artikel 69, vierde lid, van de WWB.

Met het vervallen van de overige bepalingen in hoofdstuk V van de IOAW en hoofdstuk V van de IOAZ vervalt ook de grondslag van het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ. Dat besluit vervalt daarmee van rechtswege.

In de IOAW, IOAZ en WWIK zijn overgangsbepalingen opgenomen, die bepalen, dat de met dit wetsvoorstel vervallen bepalingen over de vaststelling van de uitkeringen en vergoedingen voor de lasten van de gemeenten van toepassing blijven voor de afrekening van de jaren voorafgaande aan die van de inwerkingtreding van deze wet. Over die kalenderjaren worden de uitkeringen en vergoedingen, die ten laste van het Rijk komen nog vastgesteld aan de hand van de opgaven van de colleges van B&W van de kosten voor de IOAW, IOAZ en WWIK, die voor financiering door het Rijk in aanmerking kwamen.

Artikel III Wet werk en bijstand (WWB)

Met dit artikel wordt geregeld dat de uitkeringen op grond van de IOAW, IOAZ en WWIK ten laste komen van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de WWB (het I-deel). Bij de formulering van de voorgestelde wijziging van de eerste zin van dit eerste lid is rekening gehouden met de formulering van dit eerste lid, zoals dit komt te luiden met de inwerkingtreding van de Wet investeren in jongeren (Kamerstukken 2008/09, 31 775).

Artikel V Inwerkingtreding

Er is gekozen voor een flexibele inwerkingtredingsbepaling. Uitgangspunt is inwerkingtreding op 1 januari 2010, zodat de nieuwe wijze van financiering gaat gelden ingaande het nieuwe kalenderjaar. Met dit wetsvoorstel vervallen echter ook bepalingen over het opleggen van boeten en maatregelen. Voor het vervallen van de verplichting bestuurlijke boeten op te leggen geldt onmiddellijke werking. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen kunnen de colleges geen bestuurlijke boeten meer opleggen. Voor de wijze van toepassen van het afstemming- en maatregelenbeleid voor de uitkeringen op grond van de IOAW, de IOAZ en de WWIK dienen de colleges van B&W de afstemmings- en fraudeverordeningen aan te passen. Er kan met deze flexibele inwerkingtredingsbepaling rekening gehouden worden met een langere voorbereidingstijd voor het aanpassen van de verordeningen.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Klijnsma