Kamerstuk 31804-17

Gewijzigd amendement van het lid Bosma ter vervanging van nr. 10 betreffende nadere eisen aan de financiele basis van omroepen die voor het eerst een (voorlopige) erkenning aanvragen

Dossier: Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met onder meer de erkenning en financiering van de publieke omroep

Gepubliceerd: 19 maart 2009
Indiener(s): Martin Bosma (PVV)
Onderwerpen: cultuur en recreatie media
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31804-17.html
ID: 31804-17
Origineel: 31804-10
Wijzigingen: 31804-45

31 804
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met onder meer de erkenning en de financiering van de publieke omroep

nr. 17
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID BOSMA TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 10

Ontvangen 19 maart 2009

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel R, komt te luiden:

R

Artikel 2.25 komt te luiden:

Artikel 2.25

1. Voor een erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die:

a. in de voorafgaande erkenningsperiode een erkenning of een voorlopige erkenning hadden;

b. ten minste 150 000 leden hebben;

c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is; en

d. die, indien zij in de voorafgaande erkenningsperiode een voorlopige erkenning hadden, nooit om uitstel van betaling in de zin van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Invorderingswet 1990 hebben gevraagd of in surseance van betaling in de zin van titel II van de Faillissementswet hebben verkeerd

2. De hoogte van het saldo, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

II

Artikel I, onderdeel S, komt te luiden:

S

Artikel 2.26 komt te luiden:

Artikel 2.26

1. Voor een voorlopige erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die:

a. in de voorafgaande erkenningsperiode geen erkenning of een voorlopige erkenning hadden;

b. ten minste 50 000 leden hebben;

c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is;

d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheiden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke media-dienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en

e. die nooit om uitstel van betaling in de zin van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Invorderingswet 1990 hebben gevraagd of in surseance van betaling in de zin van titel II van de Faillissementswet hebben verkeerd

2. Artikel 2.25, tweede lid, is van toepassing.

Toelichting

Verwacht mag worden dat ook omroepen een solide financiële basis hebben. Dit amendement stelt hier nadere eisen aan en regelt derhalve dat een omroep die in de voorafgaande erkenningsperiode een voorlopige erkenning had niet in aanmerking kan komen voor een erkenning als deze omroep ooit om uitstel van betaling in de zin van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Invorderingswet 1990 heeft gevraagd of in surseance van betaling in de zin van titel II van de Faillissementswet heeft verkeerd. Dit amendement regelt hetzelfde voor omroepen die voor het eerst een voorlopige erkenning aanvragen.

Bosma