Kamerstuk 31777-13

Verslag van een algemeen overleg

Persbeleid

Gepubliceerd: 12 februari 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: cultuur en recreatie media
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31777-13.html
ID: 31777-13

31 777
Persbeleid

nr. 13
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 9 februari 2009

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 18 december 2008 overleg gevoerd met minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2008 inzake het brede persbeleid (31 777, nr. 1);

– de brief van de minster van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 december 2008 inzake de innovatie en de pers (31 777, nr. 2).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Van de Camp Griffier: La Rocca

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik open het algemeen overleg over onder andere de brief van de minister van OCW inzake het brede persbeleid. Ik heet de minister van harte welkom, alsmede de dames en heren die hem vanmiddag begeleiden. Ook heet ik de mensen op de publieke tribune van harte welkom, in het bijzonder de pers. Welkom zijn uiteraard ook de commissieleden die vlak voor aanvang van het kerstreces dit belangrijke onderwerp democratisch gaan behandelen.

Ik verwacht de fracties van het CDA en de VVD nog en stel een spreektijd van zes minuten per spreker voor in eerste termijn. Als eerste geef ik het woord aan de heer Bosma van de PVV-fractie.

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Dit onderwerp ligt mij na aan het hart. Twee weken geleden hebben wij daarover een hoorzitting gehouden. Toen bleek dat er in de afgelopen twintig jaar, zestien krantentitels verdwenen zijn. Voor twee van die titels heb ik gewerkt. Ik heb dan ook enige tijd gedacht dat ik het boze oog had, maar het blijkt nu toch een internationale ontwikkeling te zijn. Wij zien zowel in Nederland als in het buitenland dat kranten sneuvelen of wij worden geconfronteerd met voorboden daarvan, namelijk enorme inkomensverliezen en ontslag van werknemers. Het is misschien wel later dan vijf voor twaalf. Er voltrekt zich een kleine ramp. Er wordt gezegd dat je de krant geen dag kunt missen en zo is dat ook. Tijdens de hoorzitting die twee weken geleden plaatsvond, heeft een hoogleraar gezegd dat de toekomst van de journalistiek op het spel staat en dat snelle actie dus geboden is.

Gelukkig is er geen uitgever die om subsidie vraagt. Dagbladen hebben recht op een gezonde bedrijfsvoering. Zij hebben de mensen, het geld en de creativiteit. De PVV-fractie is dan ook mordicus tegen het aan het subsidie-infuus hangen van dagbladen. Het werkt bij subsidie altijd zo dat men bewust of onbewust zijn oren laat hangen naar de subsidiegever. Dat moeten wij niet hebben, want dat zou een gevaar betekenen voor de persvrijheid.

Een innovatiefonds? Alsjeblieft niet! Geen formulieren en procedures. Een dergelijk subsidietje arriveert pas als de markt alweer is veranderd. Het is bijna een vernedering voor ondernemers als zij voor geld bij de overheid moeten aankloppen. Zij zouden dat geld veel liever zelf verdienen en dat zouden zij ook kunnen.

De grootste innovatie op het terrein van het internet is GeenStijl. Daarvoor zou in geen duizend jaar een cent subsidie zijn gegeven door een commissie, bestaande uit links-liberale grachtengordeltypes.

Wat wel? Terwijl ik deze ruimte betrad, heb ik mij ervan vergewist dat de PvdD-fractie er niet is. Ik durf nu dus te zeggen dat Loekie de Leeuw moet worden geslacht. De invloed van de STER op de dagbladen is namelijk zeer negatief. Om te beginnen is er een omzet van 203 mln. per jaar. De commercieel directeur van Dagblad De Telegraaf, de heer Volmer, zegt dat het opheffen van de STER voor de dagbladen meteen een omzetverhoging van 20% zou betekenen. Dat tikt lekker aan, namelijk 40 mln. Dat zou veel ontslag schelen en daardoor zouden de kranten dik blijven. De ondergang van Loekie de Leeuw zou ook met zich meebrengen dat de afbraaktarieven van de STER gestopt worden. De kosten voor duizend personen voor een spot van dertig seconden tijdens primetime televisie bedragen in Noorwegen $ 32, in Zwitserland $ 36, in Vlaanderen en Denemarken $ 27 en in Nederland met de STER als dominante partij slechts $ 3. Van die weggeefprijs gaat een zwaar drukkende werking uit op de tarieven van onder andere de kranten. Die hadden ook graag hogere bedragen gerekend, maar zijn het slachtoffer van het feit dat de STER niet voor de totale kosten van de publieke omroep verantwoordelijk is.

Straks, om 19.00 uur, wordt in Amsterdam de Gouden Loekie uitgereikt. Na afloop wordt een spetterend feest gehouden, dresscode «back in black». Ik word er een beetje ziek van: in krantenland zullen de komende jaren alleen maar begrafenissen plaatsvinden en het verkooploket van de staatsomroep geeft een groot feest dat tot in de kleine uurtjes duurt. De plaats van handeling is een feestlocatie, precies naast het gebouw waar de dagbladen Het Parool, Dagblad Trouw en de Volkskrant zijn gehuisvest. De komende jaren zullen tientallen journalisten dat gebouw uit komen met persoonlijke bezittingen onder de arm, op weg naar het GAK. Voor hen wordt geen feestje gegeven. Ik hoop dat de Gouden Loekie voor het laatst wordt uitgereikt. Deze minister heeft een zekere fysieke overeenkomst met president Sarkozy. Het zou goed zijn als hij die president ook op een andere manier navolgde, namelijk door per decreet reclame op de Nederlandse publieke omroep te verbieden zoals president Sarkozy dat in Frankrijk heeft gedaan. Is de minister bereid om aan de STER een eind te maken?

Een tweede negatieve invloed van de staatsomroep op de kranten is dat dagbladen zich ontwikkelen tot multimediabedrijven en dat zij daar soortgelijke activiteiten «ontmoeten» die door de publieke omroep worden ontplooid. Er is dus sprake van concurrentie. Wie op de nieuwssite van een staatsomroep kijkt, verdiept zich niet in de nieuwssite van een krant. Zo simpel is het. Daarbij komt dat de staatsomroep reclame kan maken via zijn televisiezenders. Voor dagbladen is het onbetaalbaar om dat in die mate te doen.

Er is nog een buitenlands voorbeeld dat navolging verdient. Onze oosterburen hebben het Staatsvertrag für Rundfunk und Telemedien (Rundfunkstaatsvertrag-RStV). De websites van de publieke omroep aldaar mogen geen content bevatten die speciaal voor internet wordt gemaakt. Verder wordt alles getoetst aan drie activiteiten, namelijk in de eerste plaats of de activiteiten binnen het bestel van de publieke omroep vallen, in de tweede plaats of de activiteiten concurrerend zijn ten opzichte van private partijen en in de derde plaats hoeveel geld er met die activiteiten is gemoeid. Dat is prachtig. Bij navolging kunnen ook kranten in Nederland de ademruimte krijgen die zij verdienen. Dan is een innovatiefonds niet meer nodig.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt pleziert ons altijd met het kopje «varia» aan het eind van haar betoog. Dat volg ik na. Ik noem zes punten die onder het kopje «varia» vallen. Het standpunt van de PVV-fractie is dat de STER hoe dan ook moet verdwijnen. Op weg daar naartoe, doe ik een aantal suggesties. De eerste suggestie is het alvast inperken van de omzet van de STER tot bijvoorbeeld 100 mln. De tweede suggestie is, de STER te dwingen tot realistische tarieven. Twee medewerkers van het ministerie van OCW zijn vertegenwoordigd in het bestuur van de STER, namelijk drs. A. E. Groeneveld en drs. M. J. Hamersma. Zij hebben vanavond een feestje. Het zou echter ook goed zijn als zij zich inzetten voor het nationaal belang. Nu is dat het redden van de kranten. De derde suggestie is, de STER te dwingen tot het uitzenden van reclame voor dagbladen. Geef de kranten bijvoorbeeld 50 mln. cadeau aan spotjes die door de STER worden uitgezonden. Dat zou een mooi kerstcadeautje van de minister zijn aan de kranten.

Niet alleen de content maar ook de techniek wordt betaald door de belastingbetaler. De vierde suggestie is om die ter beschikking te stellen aan de krantenbedrijven. Productiemiddelen als mobiele netwerken, web 2.0-technologie, videoplatforms en beeldbanken van ons allemaal en voor ons allemaal.

De vijfde suggestie is het snel vrijspelen van die omroepgegevens. Het zit ergens vast, al weet ik niet meer waar. Minister, hak die knoop door en doe voor kranten iets op dat vlak.

De zesde suggestie heeft betrekking op het Stimuleringsfonds. Als wij het rapport van TNO bekijken, zien wij dat het geld wordt besteed aan allerlei rare multicultiprojectjes. Er worden ook bladen gefinancierd die in het Arabisch zijn geschreven. Dat zal wel weer te maken hebben met integratie. Dat is zonde van het geld. Laten wij daarmee stoppen. Ook de journalistieke internetinformatieproducten zijn geen succes. Dan heb ik het niet eens over marokko.nl. die ook onder dat kopje valt.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat de PVV-fractie niets voelt voor alle voorgestelde maatregelen die tot doel hebben om de pers te steunen. De heer Bosma hangt zijn gehele betoog op aan de publieke omroep en de STER. Als je de STER-inkomsten weghaalt, kost de publieke omroep nog steeds 700 mln. Waaruit wil de heer Bosma die extra kosten financieren als hij die niet laat betalen uit inkomsten van de STER?

De heer Bosma (PVV): Die gaan wij nergens van betalen. Dat betekent gewoonweg dat de publieke omroep de broekriem moet aanhalen. Je kunt op heel veel zaken besparen. Stop bijvoorbeeld met de wereldomroep. Wij hebben tegenwoordig immers de beschikking over internet. Ga niet bieden op de rechten voor de Olympische Spelen. Stop met het uitzenden van voetbal op de publieke omroep. Voetbal kan heel goed bij de commerciële zenders worden ondergebracht. Hak eens in het aantal televisie- en radiozenders.

De heer Van Dam (PvdA): Als ik het betoog in mijn woorden mag samenvatten, betekent dit dat de heer Bosma niet hier gekomen is om te discussiëren over maatregelen waarmee wij de pers zouden kunnen ondersteunen, maar dat hij weer is gekomen om te spreken over zijn favoriete onderwerp, namelijk hoe hij zo snel mogelijk de publieke omroep kan afmaken.

De heer Bosma (PVV): 200 mln. betekent niet het afmaken van de publieke omroep. Eén van de bezwaren van mijn fractie tegen de persbrief van deze minister is dat hij een geïsoleerd beleid voert. Hij richt zich namelijk slechts op de pers en heeft geen oog voor de zeer slechte invloeden van andere mediatypes. Dagbladen functioneren nu eenmaal niet op een andere planeet. Zij maken deel uit van de brede mediawereld. Daarnaar zou moeten worden gekeken.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het valt mij ook op dat de heer Bosma een standpunt naar voren brengt dat hij al veel langer om andere redenen naar voren heeft gebracht. Ik heb hem al eerder gevraagd wat de PVV-fractie wil met de publieke omroep. In juni 2008 antwoordde de heer Bosma op die vraag dat zijn fractie inderdaad voorstander is van één televisiezender. Bevestigt de heer Bosma dat?

De heer Bosma (PVV): Naast voorstander van één televisiezender, zijn wij voorstander van één radiozender en zeer ingeperkte activiteiten op het terrein van nieuwe media, namelijk hooguit hergebruik van bestaande content overeenkomstig de werkwijze in Duitsland.

De voorzitter: Ik heet de commissieleden Halsema, Van der Ham en Remkes welkom. Wij hebben een spreektijd van zes minuten afgesproken voor de eerste termijn. En het is mijn gewoonte om de interrupties te bundelen. Ik geef het woord aan de heer Van Dam van de PvdA-fractie.

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ter voorbereiding op dit algemeen overleg las ik de nieuwsberichten op trouw.nl. Op Wikipedia zocht ik de geschiedenis van de krant. Via «uitzending gemist» heb ik een programma van NOVA gezien. Tussentijds heb ik naar mp3-bestanden geluisterd. De wereld verandert niet. Die is al veranderd en de kranten bemerken dat. Als nieuws 24 uur per dag gratis beschikbaar is op je mobiele telefoon, is de vraag wie er nog wil betalen voor een papieren krant met nieuws van gisteren. Gelukkig willen nog steeds veel mensen dat. Dat neemt niet weg dat het aantal afneemt. En ook adverteerders hebben inmiddels alternatieven gevonden. «Kleintjes» zetten zij op marktplaats.nl en personeelsadvertenties op monsterboard.nl. De advertentie-inkomsten lopen al enige tijd terug. Nu de economie in zwaar weer verkeert, schijnen die inkomsten met 30% of meer te dalen.

Je zou kunnen betogen dat dit soort consequenties nu eenmaal behoort bij het ondernemerschap op de vrije markt. Dat is waar, maar kranten zijn meer dan een «gewone» markt. Kranten bestaan immers al ruim drie eeuwen en zijn in die tijd uitgegroeid van kleine bladen met mededelingen van de machthebbers en met familieberichten tot belangrijke pijlers onder onze democratie. Media informeren mensen over gebeurtenissen in de politiek en de samenleving. Op die manier controleren zij de macht. Burgemeesters en wethouders, ondernemers en politiecommissarissen, rechters en leden van de Tweede Kamer weten dat al hun daden onder een vergrootglas kunnen worden gelegd. De geschreven journalistiek en de audiovisuele media hebben een belangrijke functie. De beïnvloedingsmacht van de radio is groter en vooral die van de televisie. De geschreven media bieden echter meer mogelijkheden om met analyses en achtergrondinformatie inzicht te geven in wat er gebeurt.

Het zijn niet zozeer de papieren kranten maar vooral de grote redacties die daarachter zitten. Zij geven de kranten de rol die zij hier hebben: grote redacties waar op zorgvuldige wijze journalistiek wordt bedreven, waar gediscussieerd wordt over de vraag of iets wel langs de journalistieke meetlat kan worden gelegd, waar ruimte is om nieuws goed te checken en waar de mogelijkheid bestaat om onderzoek te doen. De journalisten die ik de afgelopen weken heb gesproken, zeggen dat dit voor sommigen van hen nu al klinkt als een bericht uit het verre verleden. Die kracht van grote redactionele producties wordt niet zo maar overgenomen door nieuwe internetinitiatieven, al wordt dat soms wel betoogd. Het wordt steeds moeilijker om het geld bij elkaar te krijgen dat nodig is om de hoge kosten te betalen die behoren bij fijnmazige regionale journalistiek, echte onderzoeksjournalistiek of bij een zware en brede redactie. De belangrijke taak in onze maatschappij is niet zozeer het vervaardigen van het papier van de krant maar het redactiewerk dat achter dat papier zit. Dat staat onder druk. Daarom moet de overheid iets doen. Wat mij betreft moet zij meer doen dan datgene wat de minister in zijn persbrief beschrijft. Zelfs na zijn tweede aanvullende brief, heb ik niet de indruk dat de minister de situatie ernstig of urgent vindt. Volgens mij is er echter wel sprake van een ernstige of urgente situatie. De overheid moet iets doen, al is het niet eenvoudig om te zeggen wat er dient te gebeuren. In tegenstelling tot de omroep, zijn de kranten immers altijd in particuliere handen gebleven. In onze westerse samenleving is ook langs die weg een grote afstand tot de overheid ontstaan. Die afstand hebben wij ook altijd gekoesterd. Kranten kunnen op die manier namelijk in alle vrijheid hun werk doen. Dat is een groot goed. Dat heeft echter ook geleid tot echt marktgedrag. Ik denk dat de Volkskrant, het NRC Handelsblad en Dagblad Trouw daarover stevig kunnen meepraten. Hun uitgever PCM werd in de afgelopen jaren immers uitgekleed door een agressieve aandeelhouder. Wegener en De Telegraaf hebben ook te maken met veeleisende eigenaren. De kranten betalen daarvoor zelf de tol.

De overheid moet niet alleen terughoudend zijn met bemoeienis met de pers vanwege de gewenste onafhankelijkheid, maar ook omdat overheidsgeld niet in de zakken van aandeelhouders moet verdwijnen. Die aandeelhouders zijn misschien zelfs wel onderdeel van het probleem. Daarom moet de commissie niet de illusie hebben dat zij vandaag oplossingen kan aandragen. Ik verzoek de minister om zo spoedig mogelijk een zware commissie in te stellen. Dat verzoek doe ik dit keer niet omdat ik met het instellen van die commissie van het probleem af wil zijn maar omdat het volgens mij de enige manier is om serieus werk te maken van het oplossen van de problematiek waarmee de pers te maken heeft. Die commissie moet in beeld brengen in hoeverre er zowel regionaal als landelijk sprake is van die problematiek. Wij weten immers allemaal dat er verschillen zijn. Die commissie moet ook analyseren hoe gezond de markt is, welke rol aandeelhouders spelen of hebben gespeeld en hoe de kranten beschermd kunnen worden tegen activistische, vaak buitenlandse aandeelhouders die hun portemonnee veel belangrijker vinden dan de maatschappelijke functie van onze kranten. Ook moet die commissie beoordelen of overheidssteun nodig of wenselijk is. Zij moet de geopperde maatregelen bestuderen, waaronder het verlagen van de btw, fiscale korting op journalistiek personeel in het algemeen en op regionale journalisten en onderzoeksjournalisten in het bijzonder. Het laatste staat in de motie-Van der Ham die nog niet in stemming is gebracht. Verder dient die commissie te onderzoeken of een innovatiefonds een mogelijkheid biedt en wat de mogelijkheden voor de pers zijn om innovatieregelingen van EZ te gebruiken. Bij het laatste maak ik echter wel een kanttekening: innovatiesubsidies werken alleen indien zij de markt volgen, dus als daarmee bijvoorbeeld de helft van de kosten wordt vergoed die marktpartijen toch al in iets willen investeren. Volgens mij werken die subsidies alleen onder de voorwaarde dat het geld bij succesvolle innovaties wordt teruggestort. Je moet namelijk heel voorzichtig zijn: de overheid moet niet bepalen wie wel geld krijgt en wie niet en wat al dan niet innovatief is.

De heer Jasper van Dijk (SP): De heer Van Dam wil een commissie instellen. De minister wil dat zelf ook. Dat is prima. Ik vraag mij echter af of de PvdA-fractie niet van mening is dat ook het parlement daarin een rol kan spelen. Het kan bijvoorbeeld een werkgroep instellen die op korte termijn belangrijke partijen kan bevragen over mogelijke oplossingen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik begrijp eerlijk gezegd niet goed waarom er nu weer een politieke commissie moet worden ingesteld. Meestal is dat een teken van onmacht: wij komen er niet uit en delegeren het probleem dus aan anderen. Overigens wordt er zelden iets met de uitkomsten gedaan. Dit is toch gewoon een kwestie van keuzes maken? Dat kan het parlement toch uitstekend? Het heeft toch al lang de informatie die nodig is? De heer Van Dam zal echter wel een standpunt moeten innemen.

De heer Van der Ham (D66): Je kunt altijd alles onderzoeken, maar er is al een hoorzitting gehouden en er zijn kranten vol geschreven met ideeën van de mediawereld. Wij weten dus ongeveer wel wat het speelveld is. Een dergelijke staatscommissie kan dus alleen maar vertraging opleveren. Ik weet niet precies wat de heer Van Dam van die commissie verwacht. Welke nieuwe gegevens zou zij kunnen aanleveren om tot andere beslissingen te komen?

De heer Van Dam (PvdA): Ik denk dat je ongelooflijk voorzichtig moet zijn met de bewering dat de Tweede Kamer precies weet hoe het zit, dat zij in de boeken van alle uitgevers kan kijken, dat zij precies weet wat de problemen inhouden en waar die «neerkomen». Ik denk dat wij allemaal weten dat de problematiek op regionaal niveau er heel anders uitziet dan die voor landelijke kranten. Toch hebben ook landelijke kranten wel degelijk last van de marktsituatie. Ook door alle landelijke kranten zijn grote bezuinigingen aangekondigd. Volgens mij leiden die zo langzamerhand niet alleen tot verschraling van die kranten maar ook tot aantasting van de rol die zij spelen in onze democratie. Ik zou het juist verstandiger vinden als de Kamer wat dat betreft eerlijk was en onder ogen zag dat zij niet precies weet hoe omvangrijk die problematiek is. Het zou goed zijn als zij onder ogen zag dat zij niet precies weet wat te wijten valt aan de rol van aandeelhouders, wat aan de marktomstandigheden, wat aan het gebrek aan innovatie enzovoorts. Het zou goed zijn als er een zware commissie werd ingesteld om al die zaken in beeld te brengen met als doel, met een stevig advies te komen. Op grond van dat advies zou bijvoorbeeld tijdens de discussie over de Voorjaarsnota of die over de volgende begroting kunnen worden nagegaan wat de overheid kan doen.

Als je spreekt over structurele steunmaatregelen, zoals btw-verlaging, fiscale korting of journalistiek personeel, zijn dat ook in financiële zin serieuze maatregelen. Je moet dan dus niet zo maar over een nacht ijs gaan en denken dat je een en ander op de laatste donderdagmiddag voor het kerstreces vanuit de Kamer kunt verdelen.

De voorzitter: Ik denk dat de heer Van Dam de vraag van de heer Van Dijk moet beantwoorden over de betrokkenheid van de Tweede Kamer.

De heer Van Dam (PvdA): Dat zou wel kunnen en niets houdt ons tegen om dat te doen. Ik zou het echter verstandig vinden om een commissie met enige zwaarte in het leven te roepen, zowel politiek ...

De heer Jasper van Dijk (SP): Niet zo bescheiden, mijnheer Van Dam!

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Zoals de heer Van Dam weet, is mijn fractie geen voorstander van uitbreiding van de schaduwmacht, ofwel het aantal politieke commissies. Het zou veel eenvoudiger zijn om de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) te belasten met een onderzoek naar de problematiek. Hij moet immers toch al een vervolgonderzoek doen naar de publieke omroep. Veel sprekers zien daar een verwant probleem.

De heer Van Dam (PvdA): Ik zie daar geen verwant probleem. Dat mag bekend zijn. Als je een commissie instelt, moet je ervoor zorgen dat daarin mensen zitting nemen die verstand hebben van de sector. Het moet dus geen studeerkamercommissie worden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dus twee PvdA’ers en twee CDA’ers?

De heer Van Dam (PvdA): Nee. Ik zei niet voor niets «mensen met verstand van de sector». Ik doel dus niet op een gewone politieke commissie zoals mevrouw Halsema die steeds noemt. Dat is volgens mij wel degelijk een verschil.

Ik was toe aan de vragen die aan een dergelijke commissie voorgelegd moeten worden. Volgens mij moet die commissie ook nagaan of wettelijke belemmeringen weggenomen kunnen worden. Ik doel bijvoorbeeld op belemmeringen op het terrein van gezamenlijke bezorging of samenwerking met de publieke omroep.

Tot slot geef ik de commissie mee dat zij ook met de uitgevers in gesprek moet gaan over de vragen hoe een overheidsbijdrage op de «redactievloer» terecht kan komen en hoe is te vermijden dat die in de zakken van aandeelhouders belandt. Misschien is dat mogelijk door een convenant te sluiten waarin staat dat er niet verder bezuinigd wordt op de omvang van redacties. Het zijn veel vragen voor een dergelijke commissie en er is eigenlijk weinig tijd. Het water staat betrokkenen immers tot aan de lippen. Wij hebben de afgelopen jaren vaker over dit onderwerp gediscussieerd, maar helaas heeft dat er nog nooit toe geleid dat de overheid de eerste stap gaat zetten om iets te doen. Ik hoop dat dit vandaag wel zal gebeuren.

De minister zou gehoord hebben dat ik een aantal onderzoeken dat hij wil laten doen, heb meegenomen in de opdrachtformulering voor de commissie. Ik doel bijvoorbeeld op een onderzoek naar de mogelijkheden om Nederlandse kranten te beschermen tegen al te activistische, meestal buitenlandse, aandeelhouders.

Tot slot merk ik iets op over zelfregulering. Sterke media durven zich ook te verantwoorden voor hun werk. Bij de Raad voor de Journalistiek lijkt echter de een na de ander weg te lopen. Dat gebeurt op het moment dat de minister zegt dat hij die raad wil versterken en dat hij zelfs de helft van de kosten wil dragen. Onafhankelijkheid van de pers is een groot goed, maar als je benadeeld wordt door onzorgvuldige journalistiek, wil je wel ergens terecht kunnen. Dat kan echter niet als steeds meer media zich niet meer wensen te onderwerpen aan de zelfregulering van de Raad voor de Journalistiek. Ik verzoek de minister om daarop in te gaan. Hij zegt nu dat hij het wettelijk recht op weerwoord niet wil regelen. Die opvatting deel ik met hem. Ik vind dat namelijk een te stevige maatregel. Het is echter wel ongeveer het enige alternatief dat je hebt op het moment dat zelfregulering niet werkt. Nu de minister de Raad voor de Journalistiek wil versterken, kan hij misschien ook de media oproepen om weer met elkaar om de tafel te gaan met de intentie er gezamenlijk voor te zorgen dat die raad weer gaat functioneren en zij daarin weer vertrouwen kunnen hebben. Zelfregulering staat of valt immers met vertrouwen en dus de bereidheid om je te onderwerpen aan de Raad voor de Journalistiek.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Volgens mij is voor met name de papieren kranten een van de grootste problemen dat zij veel moeite hebben met het versterken van hun digitale domein en het aangaan van de concurrentie daarbinnen. Is de heer Van Dam zich ervan bewust dat zijn voorganger, mevrouw Van Zuijlen, samen met de heer Atsma in 2000 een motie van mij heeft ondertekend. Die motie had tot doel een stimuleringsfonds in het leven te roepen voor publieke digitale content. Dat stimuleringsfonds is er gekomen onder de naam Digitale Pioniers. Het is echter nogal klein en het wordt door deze minister met opheffing bedreigd. Zou het niet veel logischer zijn om dit fonds, dat bijzonder onafhankelijk is, uit te breiden, opdat ook de kranten en andere media daarvan gebruik kunnen maken? Zou dat niet veel logischer zijn dan nog acht fondsen in het leven te roepen?

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik wil nog een bevestiging vragen over het bericht van afgelopen vrijdag in het Dagblad Trouw. Daarin pleit de coalitie voor een noodfonds. In dat artikel staat dat er een innovatiefonds moet komen voor de geschreven pers. Dat fonds zou moeten worden gevuld met 30 mln. uit de begroting voor het mediabeleid. Uitgevers van kranten zouden eenzelfde bedrag moeten storten. Is dat nog steeds het standpunt van de coalitie en dus ook dat van de PvdA-fractie?

De heer Bosma (PVV): De heer Van Dam lijkt er toch van overtuigd te zijn dat de kranten in een soort vacuüm functioneren en dat er geen enkele relatie bestaat met de boze buitenwereld. De heer Van Dam heeft een commissie nodig om na te gaan wat er aan de hand is. Wij worden gebombardeerd met berichten van allerlei mensen die dingen meedelen. Ik doel onder andere op de brandbrief van de 44 hoofdredacteuren. Ik wil weten of de heer Van Dam één van de conclusies van die hoofdredacteuren deelt, namelijk die dat de reclame op de publieke omroep een negatieve invloed heeft op de advertentievolumes en de advertentietarieven van de gedrukte media.

De heer Van Dam (PvdA): Ik ben evenals mevrouw Halsema zeer gecharmeerd van het werk van de Digitale Pioniers. Mevrouw Halsema zegt dat dit door de minister met opheffing wordt bedreigd. Ik heb begrepen dat er wordt gewacht op besluitvorming. Evenals mevrouw Halsema hoop ik dat die besluitvorming positief zal zijn. Of het een fonds is dat geschikt is om te tillen naar het niveau van stimulering van innovatie van kranten, durf ik niet te zeggen. De aard is immers geheel anders. Het gaat immers om kleine, innovatieve en leuke projecten. Ik denk wel dat daarvan veel lessen te leren zijn. Misschien kan de minister ook daarnaar kijken.

De heer Van Dijk vroeg naar de berichtgeving in het Dagblad Trouw. Nu wij over het persbeleid spreken, is het een beetje «lullig» om te zeggen dat een artikel in de pers net een nuance anders is dan het standpunt. Ik denk dat ik het standpunt, zoals dat is, zojuist heb verwoord. Dat wijkt dus enigszins af van dat in het artikel in het Dagblad Trouw. Ik zou niet weten waar het genoemde bedrag van 30 mln. vandaan moet komen.

Het antwoord op de vraag van de heer Bosma is nee.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voor welk bedrag heeft het Dagblad Trouw zich dan vergist?

De heer Van Dam (PvdA): Als er al sprake zou zijn van een bijdrage uit de STER, zoals de minister dat zelf suggereert, is die gebonden aan een wettelijk maximum. Dat is ongeveer 4%. Mevrouw Halsema is daarvan op de hoogte.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Ik denk dat duidelijk genoeg is wat er aan de hand is binnen de wereld van de pers. Wij hebben inderdaad te maken met een combinatie van crises: de economische recessie en zeg maar de perscessie. De perscessie slaat in volle hevigheid toe. Van die perscessie is al een aantal jaren sprake. Mijn voorgangers hebben erop gewezen dat de oplagecijfers al jaren onder druk staan. Al jaren geleden hebben wij het kabinet gevraagd om aandacht te besteden aan de toekomst van de pers. Wij zijn dan ook blij dat de minister recent is«bevallen» van een nota. Aan de vooravond van de mediabegroting is die nota tot ons gekomen. Wij hebben er bewust voor gekozen om daarover nu van gedachten te wisselen. Er is immers een aantal actuele ontwikkelingen dat het rechtvaardigt om daarbij apart stil te staan. Het lijkt mij goed om apart stil te staan bij de oorzaken en de mogelijke gevolgen.

De CDA-fractie vindt dat de oorzaken van de perscessie in onvoldoende mate in beeld worden gebracht. Ik vind het dan ook terecht dat wordt nagegaan of er mogelijkheden zijn om een en ander op heel korte termijn scherper in beeld te brengen. Ook wij zijn voorstander van het instellen van een commissie. Wij doelen dan niet op een zware staatscommissie waarvoor de heer Van Dam pleit, maar op een commissie die snel en op slagvaardige wijze aan de slag kan. Als vandaag het licht op groen gaat, kan wat ons betreft morgen en overmorgen worden nagegaan welke mensen daarvoor in aanmerking komen. Dan zou de zaak per 1 januari 2009 los kunnen. In tien weken tijd zou een commissie met kennis van zaken – ook uitgevers en andere deskundigen moeten daarbij worden betrokken – met een quick scan en een aantal aanbevelingen moeten kunnen komen.

Dat staat los van de suggestie die de minister in zijn brief doet over het optuigen van een innovatiefonds. De CDA-fractie is daarvan absoluut een voorstander. Zij vindt dat het goed is als er een specifiek innovatiefonds komt voor de pers. Ik heb dat eerder gezegd, omdat ik vind dat daar slagen kunnen worden gemaakt. Het gaat mij nu niet om de vraag waarom er de afgelopen jaren door de pers te weinig is geïnvesteerd in innovatieve ontwikkelingen. Daarvoor kunnen wij allemaal argumenten bedenken. De een zal zeggen dat er geen kans was om dat te doen omdat daarvoor te weinig geld was. De ander zal zeggen dat de aandeelhouders er met het geld vandoor zijn gegaan. Die discussie is nu niet relevant. Nu gaat het vooral om het vinden van een antwoord op de vraag wat er op korte termijn gedaan kan worden en wat op middellange termijn mogelijk is. Het laatste zou kunnen worden vastgesteld op grond van de bevindingen van de genoemde commissie.

Ik heb ook over een innovatiefonds gelezen en gezien welke bedragen in dat kader worden genoemd. De CDA-fractie vindt dat de absolute voorwaarde is dat elke euro in het fonds verdubbeld moet worden door de betreffende krant en/of uitgever. Alleen dan ontstaat de grootst mogelijke zekerheid dat het geld niet naar doelen gaat die wij niet voor ogen hebben.

De heer Jasper van Dijk (SP): De heer Van Dam kan zich niet meer herinneren dat het bedrag van 30 mln. is genoemd. Dat artikel gaat over de gehele coalitie. Wij kunnen straks dus ook aan de heer Slob vragen of hij zich dat herinnert. Of misschien heeft de heer Atsma dat bedrag genoemd. Ik kan mij niet voorstellen dat het Dagblad Trouw dat bedrag zo maar uit de duim heeft gezogen.

De heer Atsma (CDA): Dat heeft de heer Van Dijk volstrekt terecht opgemerkt. Dagblad Trouw is één van de goede kranten van Nederland. Laten wij dat vooral zo houden. De hoogte van het bedrag vindt de CDA-fractie minder relevant. Dat neemt niet weg dat ik daarover iets zal zeggen. Als wordt gesproken over het bedrag van 8 mln. dat de minister in zijn brief terecht noemt – het betreft een bijdrage uit afgeroomde STER-middelen – kunnen wij ons daarbij alles voorstellen. Ik wijs ook op het Stimuleringsfonds voor de Pers met een bedrag van ruim 2 mln. per jaar. Dat is structureel geld. Naar mijn stellige overtuiging is dat voor een belangrijk deel in te zetten voor innovatieve projecten. Het probleem met het Stimuleringsfonds is dat daar bijna geen concern bij kan komen. Daarover zullen wij op een ander moment spreken. Het Stimuleringsfonds is omgeven door dusdanige wettelijke belemmeringen dat je daarmee in mijn beleving niet uit de voeten kunt. Dat neemt niet weg dat je dat bedrag daarbij mag optellen. Je moet er namelijk voor zorgen dat die sloten er afgaan. Daarnaast zou de minister van OCW gesprekken moeten voeren met de minister van EZ. Zij heeft onder andere innovatievouchers. Die zouden ook voor de uitgevers binnen handbereik moeten zijn. Daarmee zou niets mis zijn. De minister van EZ heeft daarnaast de mogelijkheid om met kredietgaranties innovatieve ontwikkelingen op een andere manier te faciliteren. Als je dat alles optelt en daarnaast spreekt over verdubbeling van het bedrag, kom je al een heel eind in de richting van 20 mln. of zelfs meer. Ik denk echter dat dit op dit moment minder relevant is, want er zijn al mogelijkheden die uitgevers kunnen benutten als zij dat willen. Misschien moeten wij hen een handje helpen.

De commissie moet inderdaad veel beter het palet aan zaken onderzoeken. Wat ons betreft zou zij bijvoorbeeld ook het Europees speelveld in beeld moeten brengen: hoe zit het in Europa? Hoe is het speelveld, kijkend naar de btw-tarieven? In mijn ogen hebben wij van de uitgevers terecht het verzoek gekregen om met name datgene wat op het digitale platform gebeurt, met het lage btw-tarief te faciliteren. Ik vind dat de minister van OCW daarop bij de staatssecretaris van Financiën kan aandringen. Natuurlijk moet je dan ook onderzoeken en je afvragen welke consequenties dat heeft voor bijvoorbeeld de commerciële omroepen die ook digitaal actief zijn. Moet je die slag daarvoor ook maken?

In een aantal landen in Europa geldt een nultarief voor kranten. Ik meen dat dit onder andere in België en in Finland geldt. Het is goed om daarnaar te kijken. En laat die commissie dan ook de oude rapportages over de prijselasticiteit van kranten uit het archief halen. Is het inderdaad waar dat een kleine prijsverlaging leidt tot veel meer belangstelling voor het kopen van een krant en het nemen van een abonnement? Als dat zo is, is dat een belangrijk gegeven. Het is verder belangrijk dat die commissie aandacht besteedt aan de marktsituatie als geheel. Ik meen dat anderen daarop de afgelopen dagen ook hebben gewezen. Dat geldt zowel voor RTL, dus de commerciële zenders, als voor de uitgevers en kranten. In krantenland is er bovendien een groot aantal aandeelhouders. Soms hebben louter Nederlandse stichtingen met een ideëel doel een deel van de aandelen in hun bezit. Soms zijn dat buitenlandse investeerders die alleen gaan voor het doel «snel geld verdienen». Vergeet echter niet dat er ook aandeelhouders zijn die alleen gaan voor het product. Ook dat zou moeten worden bekeken en beoordeeld.

De afgelopen jaren is mij vaak gevraagd of het mogelijk is om iets te doen aan de torenhoge bezorgkosten waarmee de kranten worden geconfronteerd. Het is voor de overheid niet mogelijk om daaraan wat het geld betreft paal en perk te stellen. Zij kan zich wel afvragen of er een wettelijke belemmering is waardoor het bezorgen van kranten onnodig duur is. Ik denk bijvoorbeeld aan de Arbowetgeving en de Arbeidstijdenwet. Misschien moet de minister in Brussel nog eens met de commissaris voor mededingingszaken spreken over de vraag of klanten op veel eenvoudigere wijze gezamenlijk een bezorgingsapparaat in het leven kunnen roepen. Misschien moet er een slag worden gemaakt met TNT of een andere aanbieder van bezorgdiensten. Ik vind dat je alles uit de kast moet halen en verzoek de minister dan ook om dat eveneens in overweging te nemen. Dat staat los van de discussie van de kranten over het probleem van de auteursrechten. Die rechten zijn nauwelijks of niet beschermd. Op het digitale platform vindt diefstal plaats. Kranten vechten via de rechtbank nog steeds procedures uit met provincies en andere organisaties die voor hun personeel zo maar een traditioneel knipselkrantje op de markt brachten. De CDA-fractie pleit ervoor om ook aan die problemen aandacht te besteden.

De heer Bosma (PVV): Wat een «triestmakend» verhaal van de CDA-fractie. Wij hebben zojuist de motie-Atsma aangenomen over nieuw perspectief voor agrariërs. Ik had gehoopt op een nieuw perspectief voor dagbladen, maar in plaats daarvan krijgen wij weer alleen een commissie en een fonds. De heer Atsma zegt dat wij alles uit de kast moeten halen. Dan hebben wij het natuurlijk over de STER. Ik stel dezelfde vraag die ik zojuist aan de heer Van Dam stelde. Laatstgenoemde gaf een heel simpel antwoord van een lettergreep. Is de heer Atsma het eens met de stelling van de 44 hoofdredacteuren dat reclame op de publieke omroep een negatieve invloed heeft op de advertentievolumes en de -tarieven van de gedrukte media?

De heer Atsma (CDA): Ik heb altijd een hekel aan stellingen, zeker als die van de PVV-fractie komen.

De heer Bosma (PVV): Nee, die stelling komt van 44 hoofdredacteuren.

De heer Atsma (CDA): Ja, maar als de PVV-fractie dat zegt, denk ik toch wel twee keer na. Een uur geleden hebben wij gestemd over de begroting voor OCW, inclusief de volledige mediabegroting. Het heeft mij in ieder geval goed gedaan dat de voltallige Kamer «ja» heeft gezegd tegen de begroting van OCW. Minister, mijn complimenten dat u zelfs de PVV-fractie zo ver wist te krijgen dat zij «ja» zei tegen STER-inkomsten voor de publieke omroep in 2009. Ik zou zeggen «waarvan akte». want de PVV-fractie maakte wel kanttekeningen bij andere begrotingen.

De voorzitter: Ik weet niet hoe breed de heer Atsma de begrotingen gaat behandelen.

De heer Atsma (CDA): Nou ja, het moet wel even genuanceerd worden.

De heer Bosma (PVV): Ik vroeg de heer Atsma om met «ja» of «nee» te antwoorden, voorzitter.

De heer Atsma (CDA): Ik heb gezegd dat het goed is om daarnaar te kijken. Ik ben het niet eens met de stelling van de hoofdredacteuren dat het zo zwart-wit is, al kan een adverteerder zijn euro maar één keer uitgeven.

De heer Van der Ham (D66): De heer Atsma sprak over het beperken van de lasten op arbeid en doelde op de krantenbezorging. Dat zijn de meisjes en jongens die naast hun werk kranten bezorgen. Welke lasten kunnen volgens de heer Atsma worden verminderd?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): In het verlengde hiervan ... Wij kunnen met de krantenjongens beginnen, maar is het niet aardiger om met de miljonairs te beginnen? Zou het niet goed zijn om te zeggen dat de minister ook in overleg moet treden met de grote uitgevers om daar de salarissen aan de top en de bonussen terug te dringen?

De heer Atsma (CDA): Er zijn grote en kleine uitgevers. Ik kan u verzekeren dat in het land van kleine uitgevers – zij geven bijvoorbeeld regionale kranten, lokale kranten, nieuwsbladen of huis-aan-huisbladen uit – geen sprake is van het uitkeren van buitensporig hoge bonussen. Dat is gelukkig niet het geval. De minister besteedt overigens ten onrechte geen aandacht aan de redacties van huis-aan-huisbladen. Dat vind ik buitengewoon jammer. Ook dat zal moeten worden meegenomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Atsma weet dondersgoed dat ik niet de kleine uitgevers bedoel.

De heer Atsma (CDA): Nee, maar mevrouw Halsema gooit wel alles in een hoedje. Laten wij daarvoor oppassen.

De heer Van der Ham wilde weten of die paar krantenjongens moeten worden aangepakt. Ja, wij zullen daar wel naar kijken, want het is natuurlijk absurd dat zij achter elkaar door dezelfde wijk in een bepaalde stad of een bepaald dorp moeten rijden. Recent is namelijk gebleken dat samenwerking niet mogelijk was. Het was niet toegestaan om gezamenlijk een bedrijf op te richten. Ik vind dat daaraan aandacht moet worden besteed. Als in het Algemeen Dagblad ...

De voorzitter: Mijnheer Atsma, ik wil graag dat u het een beetje smaller houdt. Ik verzoek u, de vraag van de heer Van der Ham te beantwoorden, alsmede die van mevrouw Halsema. Wilt u alstublieft geen brede beschouwing houden over de krantenjongens die in de ochtend in de weer zijn.

De heer Atsma (CDA): Met alle respect, maar als de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad mij nog eens uitlegt dat de bezorgkosten hoger zijn dan die van de redactie, doet dat er toch wel degelijk toe. Als de voorzitter zegt dat dit niet aan de orde is, is dat zijn conclusie. Ik vind dat dit een wezenlijk punt is. Als wij niet in staat zijn om daarnaar te kijken en de zogenaamde sloten van de wet- en regelgeving te verwijderen.... Ik vind dat wij het probleem integraal moeten bezien en dat wij alles uit de kast moeten halen om het persbeleid meer handen en voeten te geven en de pers te steunen.

De heer Van der Ham (D66): Ter verduidelijking. De heer Atsma spreekt dus niet over het verlagen van lonen voor krantenjongens en -meisjes?

De heer Atsma (CDA): Als zij meerdere kranten tegelijkertijd kunnen bezorgen, kan er misschien zelfs wat geld bij. Dat zou de heer Van der Ham moeten toejuichen.

Ik ben het volstrekt met mevrouw Halsema eens wat de bonussen betreft, maar daarover gaan wij niet.

Ik vind dat de minister veel scherper moet kijken naar de huidige en de toekomstige rol van het Stimuleringsfonds. Ik heb al gezegd dat daarop onnodig veel sloten zitten en dat het daardoor onmogelijk is om daarmee uit de voeten te kunnen. Het Innovatiefonds sluit naadloos aan bij datgene wat het Stimuleringsfonds doet. Er is dan dus iets mis.

Met klem pleit ik voor samenwerking tussen kranten en omroepen. Dan doel ik zowel op landelijke kranten en omroepen als op regionale. Ik vind dat wat dat betreft niet alle mogelijkheden worden benut. Met tevredenheid heb ik vastgesteld dat de regionale omroepen graag bereid zijn om regionale kranten die handreiking nog eens te doen.

Tot slot kom ik op de Raad voor de Journalistiek. Hij is een tandenloze tijger die absoluut niet meer functioneert. Ik ben het dan ook eens met diegenen die zeggen dat het belangrijk is om na te gaan wat de positie is van deze raad. Het signaal dat deze week is afgegeven, is naar mijn idee helder. Ik doel op het signaal van De Telegraaf, na dat van Elsevier, RTL enzovoorts. Wij hechten ook aan zelfregulering. Ik roep de minister op om daaraan nog eens kritisch aandacht te besteden. Het kan immers niet zo zijn dat alles en iedereen door de pers de maat wordt genomen en dat elke vorm van zelfreflectie ontbreekt. Die zorg moet wel naar voren gebracht worden. Wij zijn ervan overtuigd dat het anders moet en kan.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Vorig jaar, tijdens de behandeling van de mediabegroting 2008, is er een motie ingediend met het verzoek aan de regering, binnen een jaar met een integrale visie op het persbeleid te komen. De Kamer heeft die motie aangenomen. Op veertien dagen na heeft de minister een jaar gebruikt om die integrale visie uit te werken. Het is een uitgebreid verhaal geworden van twintig pagina’s. In deze visie wordt weliswaar veel aangeraakt, maar er blijft ook veel hangen. In die visie wordt een aantal onderzoeken aangekondigd, maar ons valt op dat dit in enkele opzichten weinig concreet is. Ik begrijp de terughoudendheid van de minister echter wel. De overheid wil immers graag enige afstand bewaren. Dat heeft uiteraard alles te maken met de onafhankelijkheid van de media. Dat is voor ons allen een groot goed. Wij willen de media dus niet zo maar aan een subsidie-infuus leggen of allerlei andere maatregelen nemen die de keuzevrijheid en de bedrijfsvoering raken. Toch kunnen wij niet anders dan constateren dat het een urgent onderwerp is. Dat wisten wij vorig jaar ook al en eveneens in de periode daarvoor. De ontwikkelingen zijn echter in een behoorlijk stroomversnelling gegaan. De situatie mag dus best zorgelijk worden genoemd. Dat geldt niet alleen voor de lokale media en de regionale media, waarover wij in het verleden met name spraken. Wij zagen namelijk dat allerlei titels verdwenen en dat er een enorme opschaling plaatsvond met alle gevolgen van dien. Ook de landelijke geschreven media zijn in zwaar weer terechtgekomen, onder andere als gevolg van de kredietcrisis en de recessie waarin ook Nederland terecht is gekomen.

Ten aanzien van de landelijke geschreven media gebruikt de minister het woord «monumentenzorg». Ik vind dat niet een gelukkig gekozen vergelijking.

Wij zien dat, als gevolg van die zorgelijke ontwikkelingen, ook de pluriformiteit behoorlijk onder druk staat. Het is dan ook van belang om na te gaan wat de overheid kan doen, al zal dat niet eenvoudig zijn. De minister heeft de Kamer op 12 december 2008 opnieuw een brief gestuurd. Daarin gaat hij wat verder dan in de visie die de Kamer in november jl. ontving. Uit de nieuwe brief blijkt dat ook de minister nu overtuigd is van de urgentie.

Om de titel van een boek van Vladimir Iljitsj Oeljanov te gebruiken: «Wat te doen?» Het is een boek uit 1902 dat in mijn kast staat. Wij moeten in de discussie die nu wordt gevoerd. de publieke omroepen niet uitspelen tegen de krantenwereld met zijn problemen. Dat zal niet vruchtbaar zijn. Mijn fractie vindt dat er geen enkele reden is om ook maar één gram af te doen van de maatregelen voor de publieke omroepen. Daarmee moeten wij aan de slag, omdat ook Nederland een sterke publieke omroep nodig heeft. Laten wij dat soort onvruchtbare discussies dus niet voeren.

Wij kunnen wel nagaan of het mogelijk is om middelen vrij te spelen voor het Innovatiefonds en de koppeling met het Stimuleringsfonds voor de Pers. Dan zal er echter wel iets moeten worden gedaan aan regels die belemmeren dat van laatstgenoemd fonds op een goede manier gebruik kan worden gemaakt. Misschien is het mogelijk om op die manier iets te doen voor de landelijke geschreven media. Ik verneem graag van de minister wat zijn ideeën zijn over de vulling van dat fonds.

Om te voorkomen dat mijn linker buurman interrumpeert, zeg ik alvast dat het bedrag van 30 mln. in het artikel van Dagblad Trouw voor mij ook nieuw was. Ik vind dat niet alleen de rijksoverheid verantwoordelijk is voor de vulling. Er moet geen sprake zijn van eenrichtingsverkeer. Wij moeten nagaan of er ook andere mogelijkheden zijn om dat fonds te vullen en het enige substantie te laten behouden.

Wij moeten voorkomen dat dit onderwerp na vanmiddag van tafel verdwijnt. Vorig jaar is er een motie ingediend. Die is door de Kamer aangenomen. Vervolgens is er een jaar gewacht op de uitvoering daarvan. Dat mag de Kamer zich misschien ook aanrekenen. Zij had misschien ook iets meer druk moeten uitoefenen om snelheid te bevorderen. Ik steun daarom de suggesties die zijn gedaan voor het instellen van een zware commissie. Ik doel niet op het instellen van een excuuscommissie om vanhet onderwerp af te zijn. Het is de bedoeling, ervoor te zorgen dat dit onderwerp op de agenda blijft staan en dat wij bezien welke mogelijkheden er voor ons zijn om steun te geven aan een sector die wij niet kunnen en willen missen. Dat zal lastig zijn, omdat wij ook willen dat die sector onafhankelijk blijft en dat die functioneert op een wijze die ook voor onze democratie van belang is. Ik zou het fijn vinden als binnen niet al te lange tijd een dergelijke commissie in het leven werd geroepen. Het zou goed zijn als zij bijvoorbeeld een halfjaar de tijd kreeg om ons van adviezen te voorzien en onder andere de vragen te beantwoorden die de minister in zijn brief opwerpt. Daartoe behoren ook de vragen over de distributie. Ik zou het goed vinden als wij nog voor de zomer van 2009 met elkaar een aantal keuzes kunnen maken die verder gaan dan datgene wat wij nu in beeld hebben. Graag wil ik een reactie van de minister daarop.

De drie door mij genoemde punten die betrekking hebben op het voeren van de discussie en de inzet van de rijksoverheid, zijn voor mij het belangrijkst. Verder ben ik benieuwd naar de taxatie van de ontwikkelingen die betrekking hebben op de Raad voor de Journalistiek. De minister spreekt over het versterken van die raad, maar ik heb de indruk dat er sprake is van leegloop. Hoe verhouden die zaken zich tot elkaar? Wat is de opvatting van de minister daarover?

De heer Bosma (PVV): Als Lenin op de vraag «wat te doen?» had geantwoord dat er een commissie moest worden opgericht, zat er nu nog een tsaar in Rusland. De oplossing voor al onze problemen, is het instellen van een commissie. Het lijkt wel afgesproken werk van de drie coalitiepartijen. De heer Slob wil ook het Stimuleringsfonds optuigen. Ik weet niet of hij het rapport van TNO over dat fonds heeft gelezen. Van de inhoud van dat rapport word je niet vrolijk. Geen dagbladuitgever zal daar aankloppen. Hoe komt dat en op welke wijze is dat te verbeteren?

De heer Atsma (CDA): De laatste opmerkingen van de heer Bosma heb ik volgens mij ook al gemaakt. De heer Slob spreekt over een commissie die zes maanden de tijd krijgt. Verspelen wij dan niet onnodig veel tijd? Als die commissie zes maanden de tijd krijgt, weet ik precies wat er gebeurt. Dan gebeurt er voor de zomervakantie niets. Pas een jaar later zullen er spijkers met koppen worden geslagen. Het zou mij een lief ding waard zijn als wij in het eerste kwartaal van 2009 de bevindingen op een rij hebben. Dan zouden wij bijvoorbeeld bij de bespreking van de Voorjaarsnota kunnen zeggen op welke wijze wij een en ander aanpakken.

De heer Slob (ChristenUnie): Als de heer Bosma goed opgelet had, wist hij dat ik over het Stimuleringsfonds heb gezegd dat er sprake is van een groot aantal belemmeringen waaraan aandacht moet worden besteed. Het is belangrijk om die belemmeringen weg te nemen, opdat van dat fonds gebruik kan worden gemaakt. Anders heeft het natuurlijk weinig zin om dat fonds verder op te tuigen en daarin geld te investeren. De heer Bosma weet ook dat dit nauw luistert. Er zijn immers nogal wat regels die betrekking hebben op het verstrekken van geld en het verlenen van subsidies. Daarop zullen wij alert moeten zijn om te voorkomen dat een andere overheidslaag ons op de vingers tikt.

Als het gaat om de commissie, ben ook ik van mening dat een en ander niet over het zomerreces mag worden getild. Ook ik richt mij op de Voorjaarsnota die in juni 2009 zal worden behandeld. Het is dus mogelijk om die commissie een halfjaar de tijd te geven. Als financiële zaken geregeld moeten worden, is dat mogelijk bij de Voorjaarsnota.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Op 14 november jl. ontvingen wij eindelijk de persbrief van minister Plasterk. Die beslaat 20 pagina’s en de strekking daarvan is dat de regering de structurele problemen bij de dagbladen niet zal oplossen. Dat zou immers neerkomen op «monumentenzorg». Als er al steun wordt gegeven, zal die tijdelijk van aard zijn voor innovatie. Op 12 december jl. ontvingen wij een nieuwe brief in aanvulling op de eerste. De toon daarvan was een heel andere. De minister realiseert zich dat de perssector in een benarde situatie verkeert. Hij zal zich inzetten voor een btw-verlaging voor digitale nieuwsproducten en stelt een Tijdelijke Commissie Innovatie Pers in. In het programma NOVA vertelt hij dat 8 mln. beschikbaar is uit STER-inkomsten. Onder druk wordt alles vloeibaar.

De dagbladen verkeren inderdaad in een benarde situatie. Naast een kredietcrisis is er een perscrisis. Het aantal regionale en lokale dagbladen is in twintig jaar tijd meer dan gehalveerd. Jongeren zijn steeds minder bereid om voor nieuws te betalen. Dat is niet te verwarren met «ontlezing». Internet rukt op en er zijn grote problemen met rendementseisen van buitenlandse bedrijven als Apax en NICAM. Elke dag lezen wij over mensen die misschien worden ontslagen en over het verdwijnen van titels. Een schrale troost: dat staat nog wel in de krant.

Is het ernstig dat de dagbladen in grote problemen verkeren? Je zou dat ook als een evolutie kunnen zien, dus als een onvermijdelijke ontwikkeling van een nieuw tijdperk. Dat gaat ons echter te ver. Kritische journalistiek is onmisbaar voor een democratie. Ik sluit mij wat dat betreft aan bij de woorden van Warna Oosterbaan en Hans Wansink in hun boek met de titel «De krant moet kiezen». Zij noemen drie functies die de serieuze nieuwsmedia in de democratie vervullen. In de eerste plaats zijn zij een aanmoediging tot deelname aan het politieke proces. In de tweede plaats is er sprake van een maatschappelijk forum dat het debat stimuleert en in de derde plaats vormen die media een waakhond tegen misbruik van mensen en instellingen met macht. Die functies zijn essentieel en mogen dus niet verdwijnen. Dan blijft een oppervlakkige nieuwsvoorziening over en dat zal uitholling van diezelfde democratie tot gevolg hebben. Een domme pers leidt tot domme mensen.

Yvonne Zonderop beschrijft het mooi in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. «2008 is het jaar waarin de nieuwe media de mainstream media hebben overgenomen in de Verenigde Staten. Bloggers zaten vooraan tijdens het verkiezingsproces. Journalisten mochten achteraan aansluiten.» Ook zij ziet dat de macht van pr-adviseurs en «spindokters» fors is toegenomen. Zij schrijft dat in Nederland naast iedere redacteur drie communicatiemedewerkers actief zijn. «Het gevolg van deze verschraling is dat overal hetzelfde nieuws voorbij komt in identieke termen. Ook de macht van adverteerders neemt toe. Bedrijven kopen gegarandeerde redactionele aandacht in de krant. Zowel bij Spits als bij DePers kocht de Rabobank een vaste rubriek.» Graag wil ik de reactie van de minister op de grotere macht van voorlichters en bedrijven. Yvonne Zonderop roept op tot een nieuwe spirit: «Laat de bloggers en amateurjournalisten vooral hun ding doen. Ga op zoek naar nieuwe vormen.»

Ook de NVJ doet aanbevelingen in de Volkskrant van 26 november jl.

De heer Atsma (CDA): Is het waar dat columns in gratis dagbladen worden gekocht? Zo ja, hoe zit het dan met die column van collega Van Bommel?

De heer Jasper van Dijk (SP): Nee, dat is iets heel anders, mijnheer Atsma. Het gaat om bedrijven. De SP is geen bedrijf.

De heer Atsma (CDA): De SP is een bedrijf bij uitstek! Het is een enorm bedrijf.

De heer Jasper van Dijk (SP): Volgens mij spreekt de heer Atsma over zichzelf. Het gaat om bedrijven die gegarandeerde redactionele aandacht kopen in de krant. De Rabobank is een voorbeeld.

De NVJ van de heer Bruning doet ook aanbevelingen: «Regel een stevig auteursrecht online. Ondersteun onderzoek en ontwikkel software voor betaalde transacties. Introduceer een btw-nultarief voor nieuws en opinie. Lagere loonbelasting voor redactioneel werk. Creëer een substantieel mediafonds.» Anderen doen nog meer suggesties: «Investeer in drukwerk. De overheid zou zelfs drukfabrieken kunnen financieren. Kijk naar nieuwe samenwerkingsvormen en cross ownership, onderzoek een toets voor mediabedrijven, zodat die niet in buitenlandse handen komen.» Duitsland doet iets vergelijkbaars. De minister staat daarvoor open. Ik hoor graag wat de mogelijkheden zijn. Uiteraard ben ik het ermee eens dat de topsalarissen in uitgeversland niet uit de hand moeten lopen. Dat mag zeker niet gebeuren als die gefinancierd worden uit een innovatiefonds of het Mediafonds. Er zijn dus talloze suggesties gedaan. Daarvan moeten wij gebruikmaken. Ik stel voor om een parlementaire werkgroep of klankbordgroep in te stellen die de komende tijd met deskundigen, wetenschappers en journalisten spreekt over al dit soort oplossingen. Hij kan bijvoorbeeld hoorzittingen organiseren of op een andere manier naar oplossingen luisteren. Uiterlijk in het voorjaar, met spoed dus, kan hij de minister en de sector aanbevelingen doen. Voorop staat dat wij open staan voor alle mogelijke oplossingen. Graag verneem ik van de minister wat zijn visie is op verlaging van de btw. Hij is daarvan voorstander, maar er zouden problemen zijn om dit in Europees verband te bereiken. De minister heeft 8 mln. uit STER-inkomsten beschikbaar. Welke criteria zal hij daaraan verbinden, dus wanneer heeft een bedrijf daar recht op?

Dagbladen zijn niet te vergelijken met andere consumptie-artikelen. Verschraling van het aanbod leidt echt tot een slecht geïnformeerde bevolking en dat heeft grote gevolgen. Om te voorkomen dat die oppervlakkige nieuwsvoorziening allesbepalend wordt, moeten wij opkomen voor kritische nieuwsvoorziening. Dat vraagt om een wenkend perspectief. Het parlement zou daarom journalisten en betrokkenen moeten bevragen over mogelijke oplossingen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik constateer dat de SP-fractie evenals mijn fractie zegt dat de problematiek vanmiddag niet wordt opgelost. Zij zegt ook dat nader onderzoek nodig is. Als ik het goed begrijp, is het enige verschil dat de SP-fractie voorstelt om het parlement dat te laten doen en dat mijn fractie voorstander is van het instellen van een commissie met een aantal zwaargewichten dat de sector goed kent en daaraan alle tijd kan besteden. Wat is het grote verschil? Gaan wij elkaar vinden? Dat zou misschien wel goed zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben het ermee eens dat er veel oplossingen denkbaar zijn maar dat wij die vanmiddag niet allemaal kunnen afkaarten. Dat zou een illusie zijn. De minister wil een commissie instellen. Daarvan ben ik uiteraard geen tegenstander. Als het parlement echter vaststelt dat er sprake is van een zorgelijke situatie, kan het naar mijn idee ook een rol vervullen. Het kan die zwaargewichten die echt verstand hebben van die sector – ik doel op journalisten, wetenschappers enzovoorts – zelf uitnodigen om vervolgens, uiterlijk in het voorjaar, met conclusies en aanbevelingen te komen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik vind het heel nobel om te zeggen dat het parlement dat zelf moet kunnen en willen doen. De eerste vraag is of het dat wel kan. Bovendien weten wij allebei hoe het hier werkt. Kamerleden hebben geen veertig uren per week beschikbaar om dat onderzoek te doen. Dat is volgens mij het grote verschil. Alleen voor een parlementair onderzoek of een parlementaire enquête worden Kamerleden echt vrijgemaakt voor een onderwerp. Wij weten echter dat dit niet gebeurt in de dagelijkse praktijk. Als wij het voorstel van de heer Van Dijk overnemen, bestaat dan niet het risico dat dit onderwerp niet de aandacht krijgt die het verdient? Kunnen wij het onderzoek niet beter in handen stellen van een commissie die boven de partijen staat, opdat er geen sprake is van partijpolitiek maar van onafhankelijkheid? Dan kunnen wij ervoor zorgen dat er een goed en zorgvuldig advies komt.

De heer Atsma (CDA): Ik heb toch het idee dat wij het bijna met elkaar eens zijn. De heer Van Dijk zegt immers ook dat er snel iets moet gebeuren. Ook als een externe commissie aan het werk zou gaan – wat mij betreft halen wij ook expertise van de WRR binnen, overeenkomstig het voorstel van mevrouw Halsema – is de Kamer daarna altijd zelf aan slag.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb vorig jaar een motie ingediend met het verzoek, te onderzoeken hoe het moet met de regionale pers en de lokale pers. De minister kwam op 14 november jl. met zijn brief waarin hij aankondigt dat hij een nieuw onderzoek zal laten doen. Eigenlijk had hij al een jaar geleden met voorstellen, een commissie en conclusies kunnen komen. Ik vind dat het parlement wat dit betreft wel degelijk een toegevoegde waarde kan hebben. Wij hebben inderdaad overwogen om een parlementair onderzoek te doen, maar het nadeel daarvan is dat dit heel lang zal duren. De SP-fractie stelt daarom voor om een parlementaire werkgroep in het leven te roepen die in korte tijd de belangrijkste spelers kan ondervragen. Dan zetten wij een en ander niet weg in een commissie die door de minister wordt aangesteld, waarover wij later misschien zeggen dat het anders had gemoeten. Dan zijn wij er zelf bij, maar uiteraard laten wij het woord aan de deskundigen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Het probleem van bedreigde kwaliteitsjournalistiek is niet nieuw, maar dat wordt wel met de dag urgenter. In de jaren zeventig leidde de bedreiging van het tijdschrift «De Tijd» tot oprichting van het Bedrijfsfonds voor de Pers. Destijds zei toenmalig minister Van Doorn dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen passieve overheidsbescherming verdient maar ook actieve. Hij zei dat de pers nooit in zijn geheel afhankelijk mag worden van marktfactoren. Daaraan voeg ik direct uitdrukkelijk toe dat dit geen argument is voor actieve overheidsbemoeienis met de vrije pers. Onafhankelijkheid van de pers is immers een groot goed. Maar het bewaken van de vrije ruimte die de pers moet bezitten, is een actieve overheidstaak.

Onafhankelijke kwaliteitsjournalistiek staat onder druk. Dat geldt in de eerste plaats voor de papieren kranten. Dat is erg. Vermindering van de pluriformiteit in journalistieke opvattingen is slecht voor de democratie. Daaraan kun je toevoegen dat er met de komst van internet en een groot aantal weblogs ook sprake is van fragmentatie van de openbaarheid. Dat is geen ontwikkeling die eenvoudig te keren is, maar die kan wel nadelig zijn, ook voor de democratische controle. Veel minder dan in het verleden ontstaat immers het momentum van democratische controle. Dat vindt namelijk op verschillende plaatsen gelijktijdig plaats en het publieke debat kan als gevolg daarvan ook gefragmenteerd zijn.

De kranten staan onder druk. Daardoor is actieve bescherming nodig. Toevallig las ik vanmorgen het rapport van de Ondernemingskamer over de handel en wandel van PCM in de afgelopen jaren. Ik hecht er daarom aan, te zeggen dat sommige uitgevers ook wel een draai om de oren verdienen en dat wij niet moeten doen alsof er alleen maar sprake is van slachtofferschap. Er is ook sprake van slecht management, slechte investeringen en het op onverantwoordelijke wijze omgaan met de eigen publieke taken. Dat gezegd hebbend, deelt de GroenLinks-fractie in een groot gevoel van urgentie over het bewaren van pluriforme kwaliteitsjournalistiek. Nu doet zich iets wonderlijks voor. De GroenLinks-fractie pleit al heel lang voor het reclamevrij maken van de publieke omroep. Zij wil twee reclamevrije netten met onafhankelijke redacties. Haar belangrijkste argument daarvoor is altijd geweest dat reclame niet thuishoort op het publieke net. De afgelopen jaren moest zij met lede ogen aanzien dat de kijkcijferfetisj werd aangevuld met een marktaandelenfetisj. Dat wordt namelijk steeds belangrijker. Om het simpel te zeggen: langzamerhand wordt serieus nagegaan of een programma leidt tot meer verkoop van luiers en Cup-a-Soup. Als dat niet het geval is, dan is de kans heel groot dat het betreffende programma naar de randen van de nacht verdwijnt. Dat betekent dus dat marktaandelen veel te veel invloed hebben gekregen.

Plotseling heb ik steun gekregen uit heel wonderlijke hoek en met een ander argument, namelijk dat van concurrentievervalsing. De heer Bosma legt iedereen steeds een stelling voor. Ik hoorde hem echter nog uit geen enkel onderzoek citeren waaruit blijkt dat er sprake is van een concurrentievervalsing van 20%. Volgens mij is dat niet hard te maken. Ik geloof ook wel in het argument dat reclame, als die bij de publieke omroep verdwijnt, eerder naar de commerciële omroepen gaat. Ik noem het NRC Handelsblad als voorbeeld. Dat neemt niet weg dat mijn fractie altijd gepleit heeft voor het reclamevrij maken van de publieke omroep en dat zij dat nog steeds doet. Ik wil het argument van concurrentievervalsing er ten principale best bij nemen. De minister stelt voor om 4% van de STER-inkomsten over te hevelen naar een innovatiefonds. Dat vindt mijn fractie de meest slechte oplossing die denkbaar is. Daarmee zou de publieke omroep immers nog sterker afhankelijk worden van marktaandelen. Bovendien vind ik het armoede ten top. Het gaat om een bedrag van 8 mln. Als het ministerie van OCW een jaar zou afzien van inhuur van externe adviseurs, had het dat bedrag bij elkaar. Of de plooien van de jas: hoe je het ook maar zou willen noemen. Dat is Haags jargon voor ongeveer hetzelfde. Mijn fractie wijst een innovatiefonds niet per definitie af, maar wel de vulling daarvan die door de minister wordt voorgesteld. Daarmee wordt de publieke omroep immers verder gecommercialiseerd. Dat kan de oplossing dus niet zijn.

Bij interruptie sprak ik over het bestaande fonds Digitale Pioniers. Dat berust op een motie van 2001 van mijn hand. Die motie werd mede ondertekend door de fractie van de PvdA, de heer Atsma van de CDA-fractie en de SP-fractie. Destijds was de argumentatie exact dezelfde: de digitale activiteiten van kranten staan onder druk en de publieke omroep slaagt er niet in om digitale activiteiten te ontplooien. Om die reden is voorgesteld, dat fonds op te richten. Dat heeft geleid tot een fonds dat goed opereert maar dat minuscuul is en een ander deel van de markt bedient. Dat wil niet zeggen dat daarmee de motie is uitgevoerd. Ik breng die dus in herinnering en verzoek de minister die nog eens goed door te lezen. Ik verzoek de minister om na te gaan of het mogelijk is, met een onafhankelijk fonds voor digitale publieke content de kranten tegemoet te komen.

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema zegt dat een innovatiefonds niet met middelen uit de STER mag worden gevuld. Wij weten volgens mij allemaal dat 2008 met alle evenementen voor de STER heel goed was. In de mediabegroting voor volgend jaar bereiken wij al het niveau van de omroepreserve dat nodig is. Alles wat er in 2008 meer is verdiend dan gepland, is dus over. Daarmee kunnen wij iets doen. Als de minister nu zegt dat hij dat geld in een innovatiefonds wil investeren, vraag ik mij af wat daarmee mis is. Het gaat om geld dat over is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hoe wil de heer Van Dam het jaar daarna, het jaar dat daarop volgt enz. te werk gaan? Je creëert daarmee afhankelijkheid van STER-inkomsten, ook bij de kranten. Vervolgens ligt er een druk bij de publieke omroep om meer STER-inkomsten te genereren. Dat vind ik een buitengewoon slecht idee. De PvdA heeft in het verleden overigens ook geflirt met de gedachte dat de STER moet worden afgeschaft. Ik vind dat nog steeds een heel verstandige periode in de geschiedenis van de PvdA. Ik vind het jammer dat de fractie dat inmiddels vergeten is. Nu zoeken wij een oplossing voor een teveel aan commerciële activiteiten bij de publieke omroep, namelijk het in het leven roepen van een fonds dat die activiteiten opnieuw benadrukt. Dat lijkt mij geen wijze en duurzame oplossing.

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb in de brief van de minister niet gelezen dat hij dat fonds elk jaar zal bijvullen. Evenals mevrouw Halsema zou ik het onverstandig vinden als de STER elk jaar extra geld moest verdienen omdat wij dat fonds anders niet kunnen vullen. Je zou echter wel kunnen verwachten dat er komend jaar een budget komt dat is te gebruiken. Wat je de jaren daarna doet ... Als de commissie – die is inmiddels min of meer door vier partijen voorgesteld – met voorstellen komt, komt er ook in financiële zin misschien een ander soort type vragen op tafel.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Volgens mij rekent de heer Van Dam zich rijk met die vier partijen die een politieke PvdA-commissie zouden willen. Eerlijk gezegd zie ik dat nog niet gebeuren. De minister heeft overigens al een commissie toegezegd. Waar de nieuwigheid in zit, is dus ook nog maar te bezien.

Mijn fractie vindt dat de afhankelijkheid van de publieke omroep van de STER-inkomsten drastisch moet worden gereduceerd. Die zou teruggebracht moeten worden tot nul. Wij vinden het oneigenlijk dat publieke programmering deels rust op commerciële inkomsten. Dat behoort niet zo te zijn. Wij willen een commercievrij publiek domein. Deze vulling vinden wij dus niet buitengewoon aantrekkelijk. Als het geld dit jaar tegen de plint klotste en daarmee niets gebeurde, zou ik akkoord gaan, maar dat is geen duurzame oplossing. En ik hoop niet dat de minister een incidenteel fondsje van slechts een jaar in gedachte heeft, want dan is het niet zo veel.

De minister reageert in zijn brief op het verzoek van de GroenLinks-fractie om na te gaan of het nodig is om een onafhankelijk mediafonds conflictgebieden in het leven te roepen vanwege de hoge verzekeringskosten en de drempels die er voor onafhankelijke journalisten zijn om met name naar conflictgebieden te gaan. Tegelijkertijd rukt embedded jounalism op. Dat is op zichzelf geen heel goede ontwikkeling. De minister antwoordt niet onwelwillend maar wel met verwijzing naar onderzoek, gesprekken met het Stimuleringsfonds enzovoorts. Voorzichtig vraag ik hoe het ermee staat en hoe lang het gaat duren voordat er op dat punt een knoop wordt doorgehakt.

Embedded jounalism rukt op, evenals voorlichtingsapparaten. Er is zojuist een aardig boek van Frits Bloemendaal verschenen onder de titel «De communicatieoorlog». Ik mocht dat boek in ontvangst nemen. Mijn buurman verwees er ook al naar: overheden en de politieke macht leggen steeds meer geld en eer in om de media te manipuleren. Dat is geen goede ontwikkeling. Openbaarheid staat daar tegenover en is van groot belang. Mijn fractie vindt het heel belangrijk dat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) opnieuw op de politieke agenda komt en dat nogmaals wordt bezien of het aantal uitzonderingsgronden waarmee de overheid openbaarheid kan tegenhouden, beperkt kan worden. Is de minister bereid om op heel korte termijn deze discussie te voeren?

De heer Atsma (CDA): Ik heb met belangstelling naar het betoog van mevrouw Halsema geluisterd. Eerlijk gezegd, heb ik echter niet veel nieuws gehoord. Vindt zij dat er aandacht besteed moet worden aan de btw, de bezorgkosten en dat soort zaken? Vindt zij dat de minister een steun in de rug zou moeten hebben om daarop, indien daartoe mogelijkheden zijn, in te spelen? Met alle waardering voor datgene wat mevrouw Halsema heeft gezegd, merk ik op dat wij daarover niets hebben gehoord. Zij haalt geen enkel nieuw punt aan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Volgens mij heb ik een aantal voorstellen gedaan. Dat neemt niet weg dat ik de heer Atsma wel even wil helpen. Wij steunen de voorstellen op het punt van de btw, ook die van de heer Atsma. De heer Atsma bracht het punt van de bezorgkosten in. Als hij daarmee doelt op verlaging van de werkgeverslasten op het bezorgen, zijn wij daarvan voorstander. Als hij daarmee doelt op verlaging van de lonen, zijn wij daarvan tegenstander.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. De media staan onder druk door verschuiving van advertenties en vacatures van kranten naar internet. Daarnaast ervaren de commerciële radio en televisie oneerlijke concurrentie van de publieke omroep en is er sprake van verouderde concepten. Het media-aanbod kan daardoor verschralen. Vanuit het oogpunt van democratie is dat uiteraard een kwalijke zaak.

Gelukkig blijkt ook dat diegene die innovatief is, er wel degelijk uit kan komen. De voorbeelden zijn genoemd: nrc.next, gratis kranten en de FD Mediagroep waarmee het goed gaat. De vraag is echter hoe lang deze ontwikkeling doorgaat en wanneer er echt iets moet veranderen aan het systeem.

Ik ben het eens met diegenen die zeiden dat de grote uitgevers ook boter op hun hoofd hebben. Onder anderen mevrouw Halsema sprak daarover. Dat kwam overigens ook naar voren in het debat over de boekenprijs dat een paar jaar geleden is gevoerd. Grote uitgevers verkopen heel veel commerciële boeken en voor de literatuur die lastiger verkoopt, kloppen zij onmiddellijk bij de overheid aan. Uiteindelijk heeft het parlement wat dat betreft een weging gemaakt, maar daar zie je dus ook dat uitgevers soms uitermate lui zijn. Enigszins ironisch zeg ik dat die discussie soms ook kan worden gevoerd bij uitgevers van kranten. Nu is de discussie nogal toegespitst op de machtspositie van de publieke omroep. De heer Bosma sprak al over het slachten van Loekie de Leeuw. Daarmee verraadt hij natuurlijk wel dat hij amper naar de publieke omroep kijkt. Loekie de Leeuw is immers al lang gestorven. Zijn «as je me nou» klinkt al jaren niet meer. Hij wordt node gemist, naar mijn idee ook door de heer Bosma. Zijn punt is op zichzelf wel helder.

De heer Bosma (PVV): Vanavond wordt in Amsterdam de Gouden Loekie uitgereikt!

De heer Van der Ham (D66): Maar op televisie zien wij Loekie de Leeuw niet meer.

De heer Bosma (PVV): Is er ook een wereld buiten televisie, mijnheer Van der Ham?

De heer Van der Ham (D66): Die leeuw met die muis zien wij niet meer en wij missen hem. Het is niet altijd terecht dat deze dagen de STER eenzijdig de schuld krijgt van alle recessies, maar het is ook onterecht om te zeggen dat zij daarmee helemaal niets te maken heeft. Als je ziet dat er 200 mln. uit reclames wordt gehaald, kan dat alleen maar effect hebben. Natuurlijk is dat zo. De D66-fractie heeft in het verleden inderdaad gepleit voor een reclamevrije omroep. Dat bedrag zou je dan wel moeten compenseren. Dat geld hebben wij op dit moment echter niet. Wij vinden wel dat er een reclameluwe plek mag zijn binnen de publieke omroep voordat en nadat kinderprogramma’s worden uitgezonden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Je kunt ook kiezen voor twee reclamevrije netten. Dan zijn de kosten veel beter beheersbaar. Dat lijkt op het systeem dat zowel België als Engeland kent. Nederland is één van de grote uitzonderingen die drie netten heeft op een klein gebied. Waarom kiest de heer Van der Ham daar niet voor?

De heer Van der Ham (D66): Zoals mevrouw Halsema heeft gehoord, is het voor ons zeker bespreekbaar om tot minder reclame te komen. Als je echter kiest voor reclamevrije zenders, ben je ook een dief van de portemonnee van de belastingbetaler. Als je met de publieke omroep geld kunt verdienen in de markt, waarom zou je dat dan niet doen? Daarmee zou je ook kunnen voorkomen dat de belastingbetaler wat minder hoeft te betalen. Het voeren van een discussie over helemaal geen reclame uitzenden of juist wel, is wat mij betreft dus niet helemaal juist.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Begrijp ik goed dat wij de publieke omroep moeten zien als een melkkoe om consumenten tot extra winkelen te stimuleren?

De heer Van der Ham (D66): Als er iets op de televisie wordt uitgezonden waarvoor op zichzelf een markt is, waarom zouden wij dat niet laten sponsoren door de STER? Het mag wat de D66-fractie betreft wel een tandje minder, maar het gaat haar iets te ver om het uitzenden van reclame helemaal af te schaffen. De heer Bosma is een groot voorstander van belastingverlaging. Als wij dat op een andere manier organiseren, moet de belastingbetaler het helemaal betalen. Dat zou toch zonde zijn?

Ik hecht er wel aan om het punt te maken dat de publieke omroep niet onschuldig is.

De voorzitter: Niet eerst uitlokken, mijnheer van der Ham, en de heer Bosma vervolgens niet de gelegenheid geven om iets te zeggen.

De heer Bosma (PVV): De heer Van der Ham stelde een retorische vraag: waarom zou de publieke omroep geen reclamezendtijd verkopen? Ik heb wel een antwoord op die vraag. Als de publieke omroep dat had gedaan, was dat geld lekker bij die kranten terechtgekomen. Allerlei bronnen hebben gezegd dat veel geld dat de STER nu heeft, anders naar de kranten was gegaan. In Frankrijk ...

De voorzitter: De heer Van der Ham heeft het woord weer.

De heer Bosma (PVV): Ik was zo lekker op gang, voorzitter.

De heer Van der Ham (D66): «As je me nou», om met de woorden van die oude, koddige leeuw te spreken. Nee, ik ontken zeker niet dat er sprake is van een wisselwerking. Wat mij betreft mag het inderdaad veel minder. Ik zal een paar zaken naar voren brengen die ik zeer kwalijk vind van de publieke omroep. Op een paar punten kunnen wij gezamenlijk optrekken, maar ik ben geen voorstander van het volledig afschaffen van reclame.

De publieke omroep is naar ons oordeel niet helemaal onschuldig. Die is een directe concurrent voor commerciële zenders. Zij hebben met name bij het uitvoeren van hun internetactiviteiten last van oneerlijke concurrentie en lopen reclame-inkomsten mis. Ook andere activiteiten bederven de markt. Waarom behoort het uitgeven van bladen als Maria, Kassa, Eva en Vier! tot de kerntaken van de publieke omroep? En dan de omroepbladen. Publieke omroepen behoren niet het alleenrecht te hebben op programmagegevens. Die zijn publiek eigendom en behoren ook voor commerciële partijen ontsloten te worden.

Het verlagen van de btw voor internetdiensten vinden wij op zichzelf een goed idee. Ook is er nog veel te verbeteren op het punt van bescherming van auteursrechten en databanken op internet. Essentieel voor de checks and balances in de democratie is het behouden van onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Door financiële problemen staat die vorm van journalistiek natuurlijk wel eens onder druk. Wij zouden graag zien dat onderzoeksjournalisten op dezelfde wijze worden behandeld als andere onderzoekers. De fiscale voordelen die nu gelden voor andersoortige bedrijven die onderzoek doen, moeten er ook zijn voor de onderzoeksjournalistiek. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd met de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk. De minister pleitte voor een innovatiefonds. Op zichzelf kunnen wij ons daarbij iets voorstellen. Dat is echter slechts acceptabel als dat fonds niet alleen toegankelijk is voor publieke omroepen maar ook voor commerciële mediabedrijven en onder dezelfde voorwaarden. Ook matchingfondsen, revolving funds voor onderzoeksjournalistiek en een maatschappelijke documentaire waarbij bedrijven altijd zelf wordt gevraagd om ook te investeren in producten, hebben onze sympathie. Dat geldt zeker als zij daaraan zelf moeten bijbetalen in plaats van dat zij alleen bij de minister aankloppen.

Het is goed dat de minister in Brussel aan de slag gaat met als doel tot een lager btw-tarief te komen. Daarvan zijn wij groot voorstander. Op het terrein van internet pleiten wij ook voor open source.

Ik ben al ingegaan op de voorstellen voor het instellen van een innovatiefonds. Wat gaat de minister doen om de knelpunten op het terrein van de bezorging weg te nemen? Pleit hij voor flexibele arbeidscontracten en een cao voor bezorgers? Ik begrijp ook dat EU-lidstaten het eens moeten worden over het zetten van stappen ten aanzien van de pers. Wat is tussentijds het uitgangspunt voor het gesprek tussen het ministerie van Financiën en dat van OCW? Die twee departementen dienen wat dit betreft dezelfde belangen te behartigen, waaronder een pluriform medialandschap.

De minister heeft al een Tijdelijke Commissie Innovatie Pers toegezegd. De heer Van Dam pleit voor een nog grotere opzet. Daardoor zal die lijken op een staatscommissie. Ik zie het verschil niet echt, en vraag mij af wie er in die commissie zitting zouden moeten nemen. Welke mediaspelers zullen dan worden geconsulteerd? Zullen dat publieke en private partijen zijn? Zullen het de omroep, kranten en de STER zijn? Gaat dat fonds alleen over de dagbladen of ook over andere media? Kortom, wij willen meer helderheid over de taken van die commissie.

In het debat over de mediabegroting hebben wij al enkele voorstellen gedaan, waaronder de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk van toepassing te verklaren op de onderzoeksjournalistiek. De minister heeft ons toen gevraagd, die motie aan te houden tot dit debat. Ik hoop dus dat hij op die motie wil reageren. Het voordeel van een dergelijke stimuleringsregeling is dat die al bestaat. De minister hoeft die alleen maar open te stellen. Het is dus niet nodig om iets nieuws op te tuigen en daarmee wordt een level playing field gecreëerd met andere onderzoekers.

Er is een aantal opmerkingen gemaakt over de Raad voor de Journalistiek. Afgelopen zaterdag was ik daarbij. Het is echt heel spijtig dat er steeds meer partijen zijn die opstappen. Op een gegeven moment was de sfeer zelfs een beetje grimmig. De Telegraaf kwam binnenlopen en wilde niet eens in discussie gaan. Dat lijkt mij geen goede manier om de Raad voor de Journalistiek zijn werk te laten doen. Wat kan de minister daaraan doen? Er is natuurlijk sprake van onafhankelijkheid, maar misschien heeft hij daarover contact.

Ik kom op het bedrag van 8 mln. Het is goed om één keer iets te dekken met een overschot dat in ieder geval voor volgend jaar geldt. Daarvoor moet echter wel een meer structurele dekking in de plaats komen. Ik zou het logisch vinden om die uit de begroting van OCW te halen in plaats van uit de STER-inkomsten. Hoe wil de minister dat bedrag in de toekomst structureel dekken?

Tot slot kom ik op de Wob. Ook mevrouw Halsema heeft daarover gesproken. Dat is inderdaad een probleem. Ik heb onlangs begrepen dat RTL4 achter de stukken van oud-minister Vogelaar zat om boven tafel te krijgen hoe het zat met de zogenaamde Vogelaar-wijken. Het bleek echt heel lastig om daar doorheen te komen. Dat vind ik niet goed. Journalisten moeten ook hun werk kunnen doen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hoe denkt de heer Van der Ham over het Irak-onderzoek?

De heer Van der Ham (D66): Het Irak-onderzoek is natuurlijk een inkopper. Ook ten aanzien van de wat kleinere onderwerpen vind ik dat de Wob ter discussie moet worden gesteld met als doel meer openheid van zaken te geven voor de media.

Wij hebben al een paar keer gesproken over mogelijkheden voor samenwerking tussen omroepen en kranten. Hoe staat het daarmee? Zijn er op dat punt suggesties of initiatieven van deze minister te verwachten?

De heer Bosma (PVV): De heer Van der Ham heeft een retorische vraag gesteld, namelijk waarom het uitgeven van de bladen Maria, Kassa en Eva tot de kerntaken van de publieke omroep behoort. Dat is het geval sinds de D66-fractie bij de nieuw Mediawet voor het opheffen van het onderscheid tussen hoofd- en nevenactiviteiten heeft gestemd. Had de heer Van der Ham niet voor mijn motie moeten stemmen met als doel, de hoofd- en de nevenactiviteiten in de wet gescheiden te houden?

De heer Van Dam (PvdA): De heer Van der Ham heeft best gehoord dat ik een heel ander soort commissie voorstel dan de minister. Ik pleit namelijk voor een commissie die de problematiek in de sector in de volle breedte onderzoekt, analyseert en die voorstellen doet voor overheidssteun. Ik kreeg alleen maar cynische reacties van mevrouw Halsema en de heer Van der Ham op mijn voorstel. In hun betoog deden zij echter geen enkel voorstel om naar de structurele problematiek van de krantensector te kijken en evenmin om die structuur te versterken. Zou het niet verstandiger zijn om niet met kruimels te strooien maar voor te stellen om deze problematiek goed in kaart te laten brengen met als doel tot voorstellen te komen waarmee echt gewerkt kan worden?

De heer Atsma (CDA): De heer Van der Ham vroeg zich ten onrechte af waarom het geld bij de STER vandaan wordt gehaald en niet bij het ministerie van OCW. Volgens mij gaan de STER-inkomsten absoluut niet één op één naar de publieke omroep. Die gaan naar de begroting van het ministerie van OCW. Vindt de heer Van der Ham ook dat er geld van het ministerie van EZ zou kunnen komen voor innovatieve ontwikkelingen in de pers?

De heer Jasper Van Dijk (SP): De heer Van der Ham stelt terechte vragen over de commissie die de minister wil instellen. Hij vraagt wie daarin zitting zullen nemen, wat die commissie zal onderzoeken, hoe lang dat zal duren enzovoorts. Die vragen hoeft hij niet meer te stellen als hij zegt dat het parlement daarin een rol moet spelen. Voelt hij daar iets voor? Dan kan het parlement een en ander namelijk zelf bepalen.

De heer Van der Ham (D66): In antwoord op de laatste vraag van de heer Van Dijk zeg ik dat ik er uiteraard helemaal niet op tegen ben dat er mensen met verstand onderzoek doen om boven tafel te krijgen wat wij nog niet weten. Wat zou ik daarop tegen kunnen hebben? Als wij als parlement betrokken zouden kunnen worden bij de onderzoeksopdracht, zou dat heel goed zijn. Daarvoor zouden wij een schriftelijke ronde kunnen houden, om het maar eens in jargon te zeggen. Dat alles vind ik prima. Ik weet niet of het parlement zelf het onderzoek moet doen. Wat dat betreft vind ik de interruptie van de heer Van Dam wel terecht. Als mensen met een staat van dienst in de wereld van de media daar nog eens naar willen kijken, ben ik daarvan geen tegenstander. Ik vraag mij echter wel af wat precies het verschil is tussen het voorstel van de minister en dat van de heer Van Dam. Daarover heb ik een vraag gesteld. Eerlijk gezegd vind ik datgene wat er zou moeten gebeuren niet zo ondoorzichtig. De heer Van Dam zei dat ik niet met nieuwe voorstellen ben gekomen. Dat zei hij ook tegen mevrouw Halsema. Volgens mij heeft mevrouw Halsema voorstellen gedaan. Ik heb over de WBSO gesproken. De heer Van Dam refereerde daar ook aan in zijn bijdrage. Tegen de heer Atsma zeg ik dat dit een bestaande regeling is van het ministerie van EZ. Ik vind dus inderdaad dat het ministerie van EZ een rol kan spelen in het geven van een extra impuls aan de onderzoeksjournalistiek. Dat is een concreet voorstel om de diepte van kranten, namelijk van kwaliteitsjournalistiek, vorm te geven. Zoals ik al zei, is dat een heel concreet voorstel: een bestaande regeling openstellen. Voor mijn part doe je daarbij wat extra geld. Dat moet je dus doen, én samenwerken met het ministerie van EZ. Daarmee heb ik volgens mij ook de vragen van de heer Atsma beantwoord.

Ik kom op de financiering van het bedrag van 8 mln. Ik vind het prima om dat voor volgend jaar uit een restje te financieren. Als je dat op de begroting over hebt, is dat prima en praktisch. Wij moeten er echter wel voor zorgen dat wij vertrouwen kunnen hebben in dit plan om tot extra financiering te komen. Die financiering moet voor een aantal jaren gegarandeerd zijn. Het moet een goede, stevige, solide financiering zijn. Dat kon ik helaas niet uit de stukken opmaken. Dat was volgens mij ook een vraag van de heer Atsma. Wat dat betreft sluiten wij dus bij elkaar aan.

De heer Bosma vroeg naar de activiteiten van de publieke omroep en noemde de bladen Kassa, Eva en Maria. Volgens mij werden die activiteiten al ontplooid voor het debat dat wij voor de zomer hebben gevoerd. Daarmee heeft het dus niet zo veel te maken. Ik vind het onwenselijk dat de publieke omroep op dat punt de concurrentie aangaat. Mocht er een verscherping nodig zijn van de Mediawet, dan valt daarover met mij zeker te praten.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Het laatste is inderdaad winst. Er is een groot aantal pepernoten rondgestrooid, ook door de heer Atsma. Ook is verwezen naar andere begrotingen en dergelijke. Maar zoals wij vanmiddag ook weer hebben kunnen zien, maakt de heer Atsma dat natuurlijk niet allemaal waar als puntje bij paaltje komt. Maar dat is een opmerking vooraf.

Ik onderken natuurlijk wel dat er een probleem is, maar het beeld van de hoorzitting die twee weken geleden plaatsvond, was naar mijn idee van een treurigmakende doemdenkerij. Daarvoor heb ik eigenlijk geen goed woord over. Als ik naar de landelijke media kijk, zijn er in mijn waarneming hier en daar wel bedrijfsmatige problemen. De pluriformiteit wordt echter niet bedreigd. Ik zie wel dat er lokaal en regionaal hier en daar gaten vallen. De Groninger Gezinsbode – dat was echt een voortreffelijk huis-aan-huisblad – is in zijn toenmalige verschijningsvorm al een aantal jaren geleden opgedoekt. De problemen waarover wij vandaag praten, zijn dus niet nieuw. Wij hebben wel te maken met een conjunctureel verschijnsel. Tijdens de hoorzitting heb ik enige bedrijfsmatige zelfreflectie gemist, evenals mevrouw Halsema. Ik heb het rapport van de Ondernemingskamer ook gelezen. Als je dat leest, bemerk je dat daarin onthutsende feiten staan. Ik vind het dan ook tamelijk pretentieus dat bepaalde onderdelen van datzelfde concern met deze treurigmakende boodschap bij ons komen. Als je nader onderzoek doet naar de situatie van Wegener, zou het zo kunnen zijn dat je niet tot heel andere conclusies komt.

Kennelijk is de minister van al die reacties dermate geschrokken dat hij na de eerste brief, plotseling met een tweede brief kwam. In laatstgenoemde brief nam hij wel een aantal suggesties over dat eerder was gedaan, onder andere suggesties tot het instellen van een commissie. Eerder zag de minister kennelijk geen aanleiding om die suggesties over te nemen. Ik hecht eraan om te zeggen dat commissies schuilkelders zijn voor de politieke besluitvorming. Ik heb daartegen geen bezwaar, maar wil mij helemaal niet bemoeien met de vraag hoe de minister tot zijn eigen beleid komt. Dat is zijn verantwoordelijkheid en daarop moet de Kamer hem aanspreken, met of zonder commissie. Het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van het beleid.

De conclusie van dit debat kan niet anders zijn dan dat de minister zijn huiswerk over moet doen. Hoe hij dat doet, moet hij zelf weten, maar het huiswerk moet ook naar mijn opvatting opnieuw worden gemaakt.

Op pagina 3 van de eerste brief van de minister staat het kopje «een breed mediabeleid is noodzakelijk». Bij lezing dacht ik: «Zo is het maar net.» Maar dat is precies datgene waaraan het in die brief ontbreekt. Op diezelfde pagina staat ook dat het kabinet het oude WRR-rapport «Focus op functies» heeft onderschreven. In dat rapport werd gepleit voor een totaal andere, veel meer integrale, benadering. En aan die integrale benadering ontbreekt het ten enenmale.

Ik noem een aantal voor de VVD-fractie principiële punten waar het wat mij betreft om gaat. De dagbladsector is een normale, economische sector die in financieel-economische zin de broek moet kunnen ophouden en die onderworpen is aan dezelfde economische wetmatigheden als andere economische sectoren. Dat die sector een bijzondere maatschappelijke betekenis heeft, ook in het democratisch proces, onderken ik. Dat doet aan die constatering wat mij betreft echter niet af. Ik meen dat het een illusie is om te denken dat de overheid de ontwikkeling kan keren die een totaal ander consumptiegedrag van media inhoudt, waarvan de komende jaren in verscherpte mate sprake zal zijn.

In de hoorzitting is over het voetlicht gebracht dat de advertentie-inkomsten teruglopen als gevolg van de economische dip. Alle media worden daarmee geconfronteerd. Als er sprake was geweest van een verstandig bedrijfsvoeringsbeleid, had men gezorgd voor vet op de botten voor economisch slechte tijden. Dan was dit negatieve beeld niet op ons afgekomen. Andere economische sectoren hebben dat ook gedaan. Ik ben dus tegenstander van iedere vorm van structurele ondersteuning.

Ik vind het prima als de minister over innovatieve ontwikkelingen met betrokkenen aan de slag gaat. Op voorhand zeg ik dat er aan twee condities moet worden voldaan. Als innovatieve ontwikkelingen financieel gestimuleerd worden, dient dat te gelden voor alle media. Ik denk dat ik geen commissie nodig heb voor het vragen van een oordeel. Het gaat immers om het doel, de werkwijze en de wijze van inrichting. Als financiële stimulering niet voor alle media geldt, zijn wij bezig met het inbouwen van de volgende vorm van concurrentieverstoring. Financiële stimulering dient er dan ook te zijn voor de commerciële omroepen, alsmede voor de lokale nieuwsbladen. Je moet dan uitgaan van een breed werkend instrument en dus niet van een instrument dat zich tot een bepaald onderdeel beperkt. Dat brengt mij op de discussie over de STER. Het is niet nieuw dat wij toe willen naar een kleinere publieke omroep zonder reclame. Mevrouw Halsema deed alsof dat wel het geval was, maar wij hebben vaker gezegd dat wij dat willen. De minister weet dat ook. Wij willen een kleinere publieke omroep zonder reclame, omdat wij vinden dat de kwaliteit daarmee gediend is. Daarbij komt dat deze discussie over concurrentieverstoring dan niet meer kan worden gevoerd. Laten wij niet de ogen sluiten voor het feit dat die discussie nu logischerwijs wel aan de orde is.

Voor mij is btw-verlaging op digitale producten bespreekbaar. Wij wensen de minister veel succes. Die notie heeft inderdaad iets te maken met een gelijk economisch speelveld. Evenals een aantal collega’s vind ik dat er aandacht moet worden besteed aan producten van de publieke omroep, waaronder bladen als Maria en Eva. Wij zijn daarmee laatst heel indringend geconfronteerd in Nieuwspoort. De heer Van Dam was toen hoogst verbaasd.

De heer Van der Ham en de heer Weekers moeten op korte termijn opnieuw aan de slag met hun initiatief dat betrekking heeft op de beschikbaarstelling van programmagegevens.

De Raad voor de Journalistiek doet geen bindende uitspraken en heeft geen juridische status. Veel media hebben al afgehaakt. De positie van de burger in dezen vind ik buitengewoon belangrijk. Op blz. 18 van de brief van de minister staat dat er voor de Raad van de Journalistiek een groot draagvlak is in het veld. Volgens mij ontbreekt het de raad aan gezag. Daarom zou ik toe willen naar een Zweeds model. Ik geef de voorkeur aan zelfregulering. Als de sector zelf niet daartoe komt, dienen er andere maatregelen te worden genomen.

De heer Van Dam (PvdA): De heer Remkes zegt dat er sprake is van een gewone economische sector met gewone economische wetten. Die sector heeft echter wel een belangrijke maatschappelijke functie. Als aan die economische wetmatigheden niets wordt veranderd, vraag ik mij af of het mogelijk is om die belangrijke maatschappelijke functie te blijven vervullen. Daarop gaat de heer Remkes niet in. Ik zie ook wel dat het lastig is om de discussie te voeren, gezien de situatie van een aantal uitgevers. Soms is er namelijk inderdaad sprake van gekke en verkeerde keuzes. Maar ook in België, Frankrijk en in de Verenigde Staten wordt gediscussieerd over de economische wetten waarvan de kranten hinder ondervinden. Er is dus toch veel meer aan de hand?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Laat ik van de gelegenheid gebruikmaken om te zeggen dat ik het zeer met de heer Remkes eens ben op het punt van het vrijgeven van omroepgegevens. Dat is ook niet nieuw. Het klinkt mij overigens als muziek in de oren dat de minister zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen, dat hij zijn huiswerk opnieuw moet maken en dat hij niet de schaduwmacht moet vergroten door het instellen van een politieke commissie. Is de heer Remkes het met mij eens dat het werk voor de Voorjaarsnota moet zijn gedaan, opdat daaraan ook financiële consequenties verbonden kunnen worden?

De heer Remkes (VVD): Ik heb deze minister in een aantal opzichten hoog staan en vertrouw er volledig op dat hij met een zodanig hoog tempo aan de slag gaat dat besluitvorming ten tijde van de voorjaarsnota plaats kan vinden. Als het inderdaad geld kost om tot een oplossing te komen – ik heb daarover al een aantal opmerkingen gemaakt – moeten die kosten zeker niet met de STER-gelden worden gefinancierd. Dan zal de minister daarvoor een andere begrotingstechnische voorziening moeten treffen.

Tegen de heer Van der Ham zeg ik dat ik mijn opmerking over de «integraliteit» niet voor niets heb gemaakt. Ik vind dat de pluriformiteit een heel belangrijk criterium is. Wat dat betreft hebben wij volgens mij geen meningsverschil. Je dient dus te kijken naar de volledige breedte van het medialandschap. Je dient dan ook na te gaan waar de knelpunten zitten. Het zou wat mij betreft heel goed zijn als de minister de NMa verzocht om nader in te zoomen op het concurrentieaspect. Ik zie namelijk ook wel dat er verschillende kanten aan die medaille zitten. Dan kan de Kamer de bevindingen betrekken bij de uiteindelijke discussie.

De voorzitter: Tot slot geef ik in eerste termijn het woord aan de heer Van der Vlies van de SGP-fractie.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. De minister beschrijft terecht in zijn brief van 14 november nog een keer de kerntaak van de overheid als het gaat om de media, namelijk de borging van een onafhankelijke, kwalitatief hoogwaardige en pluriforme pers. Mijn fractie steunt die doelstelling. Er zijn diverse ontwikkelingen, vooral digitale ontwikkelingen. Wij hebben daar dit jaar ook over gesproken in het kader van het bibliotheekwezen. Nu is in de pers sprake van dezelfde ontwikkelingen die ons voor allerlei indringende vragen stellen, die zorgen ingeven, die urgentie hebben maar die niet tot een zekere paniekstemming moeten leiden. Het is zojuist al gezegd: de sombere stemming die momenteel wat wordt uitgestraald, vinden ook wij niet direct noodzakelijk. Gelukkig hebben de diverse oplagen nog een aftrek van miljoenen. Ook in de gedachte van mijn fractie zal naast die digitale ontwikkelingen, die uiteraard niet te negeren zijn, de krant als medium een aparte status behouden. Die zit vooral in de opiniërende functie, in de toelichting van de achtergronden.

Mijn fractie is het eens met de opvatting van de minister dat de overheid niet geroepen is om noodlijdende kranten kost wat kost in het leven te houden omdat het kranten zijn. Het is zeker niet zo dat met het wegvallen van een krant de legitimatie van de democratie zou worden beschadigd of zou vervallen. Behoudzucht is natuurlijk op zichzelf geen goede raadgever. Het is wel frappant dat juist de democratisering van informatie – en dat is ten diepste aan de orde – weer tot een zekere elitevorming inzake goede informatie lijkt te gaan leiden. Vanuit het perspectief van de overheid is een heldere plaatsbepaling ten aanzien van de verschillende informatiekanalen noodzakelijk. Het onderscheid tussen krant en omroep werd aanvankelijk gekarakteriseerd door publiceren en uitzenden. Internet heeft echter van alle media eenzelfde domein gemaakt. Het internet is echter een complex en onbeheersbaar domein. Het gaat er vooral om dat de structuren van dat geheel een gelijkwaardige concurrentie mogelijk maken. Dat is wel een taak waarop wij elkaar moeten aanspreken, vandaag maar ook op andere momenten. Daarnaast biedt dat onderscheid van publiceren en uitzenden een goed uitgangspunt voor overheidsbeleid, waarvan de kern ook in de bijdrage van de heer Volmer te lezen is. Ik hoor daarop graag een reactie.

Bij de behandeling van de Multimediawet dit jaar heeft de Kamer meer mogelijkheden geboden aan de publieke omroep voor crossmediale producties. Door meer mogelijkheden te bieden ten aanzien van digitale media zou de positie van de publieke omroep ten opzichte van commerciële omroepen versterkt moeten worden. Deze wijziging levert nu echter een probleem op voor de krantenwereld. Ik citeer de directeur van De Telegraaf uit Trouw van 13 december. Hij zegt: «Bij De Telegraaf onderzoeken we de mogelijkheden om nieuws te verspreiden via het mobieltje. Op het ogenblik wordt de NOS gesubsidieerd om diezelfde mogelijkheid te onderzoeken. Daar kunnen wij niet tegen concurreren.» Dit is inderdaad een onwenselijke ontwikkeling. Onderkent de minister dit probleem? Welke concrete maatregelen neemt hij om een gelijke positie van publieke omroep en kranten ten aanzien van digitale media te bewerkstelligen?

Mijn fractie volgt met belangstelling het pleidooi voor verlaging van btw-tarieven in de perswereld. De minister geeft aan dat daarmee moeilijkheden zijn in Europees verband. Kan hij aangeven welke mogelijkheden er desondanks zijn om zelfstandig stappen te zetten? Waarom kunnen dergelijke maatregelen in Frankrijk wel en hier niet? Maar goed, de minister heeft in zijn tweede brief aangegeven dat hij in overleg zal treden met de collega’s van Financiën over een gelijke behandeling van papieren en digitale uitgeefproducten. Andere handvatten zijn het Innovatiefonds met de Tijdelijke Commissie Innovatie Pers en het Stimuleringsfonds voor de Pers, een combinatie van die twee en win-winsituaties uit die beide. Het gaat dan inderdaad om een brede röntgenfoto.

En dan is daar inderdaad de suggestie van die zware commissie. Of, zoals collega Atsma heeft gezegd, een scherpe tracering via een snel werkende commissie. De heer Slob had nog weer andere woorden. Maar goed, het komt wel op hetzelfde neer. De minister wil gaan voor de smallere invalshoek van de innovatie, terwijl collega Van Dam toch vooral een brede scope in beeld heeft, met een zekere dieptesondering. Dat is nogal een verschil. Wat er ook van komt, mijn fractie had aanvankelijk nogal wat aarzelingen. Er zitten natuurlijk diverse kanten aan. We zullen nu of binnen een paar maanden de meer principiële vraag wat wij nu eigenlijk op dit terrein met onze interventies willen, niet kunnen ontlopen. Wat willen we wel, wat willen we niet, zelfs met vormen van tijdelijke, op zijn best tijdelijke, staatssteunconstructies? De minister zal wel reageren op die suggestie, maar daar zitten natuurlijk toch wel principiële kanten aan. De Kamer moet zich naar mijn mening niet al te zeer gaan bemoeien met de wijze waarop de sector uit het slop getrokken kan worden.

Ik heb ten slotte nog een complimentje voor de minister in petto. Mij zijn heel wat witte stukken gepasseerd in de loop der jaren, maar ik heb nog zelden zo’n originele aftrap gezien in welke beleidsbrief ook. De brief d.d. 14 november jongstleden heeft een excellente opening die ons terugvoert in de geschiedenis en ons brengt bij een van de meest gezaghebbende bureaus wereldwijd, namelijk dat van Reuter. Ik heb het met groot plezier gelezen.

Antwoord van de minister

Minister Plasterk: Voorzitter. Laat ik beginnen met het niet incasseren van een compliment. Dit is het compliment van de heer Van der Vlies voor de inleidende passage van de eerste brief, want daarvoor geldt het Italiaanse spreekwoord «se nen è vero, è ben trovato»: als het niet waar is, dan is het in ieder geval goed gevonden. Reuters was immers nog niet geboren toen de slag bij Waterloo plaatsvond. Deze anekdote komt van een website van iemand met autoriteit op het gebied van de journalistiek, maar hier blijkt dat het dubbelchecken van bronnen altijd een van de grondslagen is. Ik verontschuldig mij bij dezen dat ik deze sappige, maar onware anekdote heb gebruikt.

De heer Van der Vlies (SGP): De minister had deze slag om de arm echter al gemaakt in de brief zelf.

Minister Plasterk: Ik had dit er wel bij aangetekend, maar als ik had geweten dat de anekdote niet waar was, had ik deze inclusief de slag om de arm in zijn geheel niet als aanhef van mijn brief genomen. Niettemin dank ik de heer Van der Vlies voor zijn compliment.

Voorzitter. Ik was gisteren op werkbezoek. Ik heb voor de gelegenheid van dit algemeen overleg de agenda schoongeveegd en ben bij het Algemeen Dagblad, het NRC en de nrc.next op bezoek geweest. Zelfs bij deze heel kleine ronde langs de velden valt het al op dat er verschillende signalen uit het veld komen. Ik sluit hiermee direct aan bij een opmerking van de heer Remkes waar ik het van harte mee eens ben. De krantensector als zodanig is geen noodlijdende sector. Een van de hoofdredacteuren heeft tegen mij gezegd dat er opgepast moet worden dat niet voortdurend het versierende adjectief, het epitheton ornans, «noodlijdend» aan de krantensector wordt gehangen. De Volkskrant en de NRC maken winst die nog steeds in dubbele cijfers wordt gemeten. Het PCM-concern blijft mede overeind staan, omdat NRC en de Volkskrant renderende producten zijn. Er is daar echter wel een hoop fout gegaan. De Ondernemingskamer heeft een verslag geschreven over de overname van PCM door Apax. Er is van diverse kanten op gewezen dat de gebeurtenissen echt stuitend zijn. Er is voor honderden miljoenen verloren gegaan, omdat er op een onverstandige manier met dit concern is omgegaan. Dit heeft op zichzelf niets te maken met wat er mis zou zijn met de krantensector op de korte of lange termijn. Het gaat hier om een commerciële sector die op zichzelf een gezonde bedrijfsvoering heeft.

Toch is er aanleiding om op de langere termijn zorgen te hebben. Ik vind dat deze zorgen in het boekje van Oosterbaan en Wansink goed zijn opgesomd. Ik heb geen tijd om deze zorgen uitgebreid te bespreken, maar het gaat verder dan alleen maar de ontlezing en de waarneming dat mensen minder van papier lezen dan onze generatie. Het internet speelt tevens een rol, zoals in het verlies aan positie van het vrijstaande beroep journalist. Iedereen kan immers tegenwoordig zijn eigen producten op het internet aanbieden zonder een professionele journalist te zijn. Daarnaast zijn de uitgevers niet allemaal meer afkomstig uit de krantenwereld, maar zijn het personen die op veel grotere afstand van het bedrijf staan. Verder is voor met name veel jonge mensen het collectieve domein minder belangrijk, want de interesse gaat meer uit naar lifestyle. Voorts gaat het om de relatie tussen de adverteerders en de lezers en de machtsbalans tussen journalisten en maatschappelijke organisaties. Wij kunnen dit allemaal nalezen in het boekje. Alles bij elkaar betekent dit dat er een goede reden is om je zorgen te maken over de vraag hoe het uiteindelijk met de geschreven pers zal gaan.

De heer Remkes heeft gevraagd hoe het mogelijk is dat ik na een klein jaar werken aan de eerste brief over de pers, toch de noodzaak zag om er snel met een tweede brief overheen te komen. Er is uiteraard iets veranderd door de kredietcrisis.

De heer Remkes (VVD): De kredietcrisis was er bij de eerste brief ook al.

Minister Plasterk: Laat ik het dan zo formuleren: tijdens het voorbereiden van de eerste brief was deze er nog niet. Ik ben er een aantal maanden mee bezig geweest en op het moment dat ik gesprekken heb gevoerd en de brief tot stand heb gebracht, was daar nog geen sprake van. De crisis deed zich pas in de laatste maanden voor.

Deze crisis gaat om twee dingen. Aan de ene kant zijn mensen steeds minder geneigd om risico te nemen, zij vertonen risicovermijdend gedrag. Dit voltrekt zich in een veld waarvan ik concludeer dat er wel meer aan innovatie had mogen worden gedaan. De krantensector is immers betrekkelijk conservatief geweest in de afgelopen jaren. Nrc.next is bijvoorbeeld een innovatie. Er is sprake van een heel nieuw formaat dat gericht is op een jongere doelgroep en dit blijkt ook een veel jongere doelgroep op te leveren. De krant heeft een heel nieuwe opmaak, met een foto op de middenpagina en een aantal onverwachte zaken. De krant heeft één voorpagina-artikel in plaats van allerlei verschillende nieuwtjes op de voorpagina. Nrc.next heeft nu 80 000 abonnees. Dit is dus een heel geslaagde innovatie gebleken, maar het kost een paar miljoen om dit te doen. Daarom is de vraag of wij kranten in de huidige marktsituatie nog bereid vinden om dit soort innovaties te doen. Als men dat risico gaat vermijden, omdat men bezorgd is over de toekomst, dan komt juist datgene wat nu het meest nodig is er niet van. Aan de andere kant bekijkt de consument door de kredietcrisis waarop bezuinigd gaat worden. Het eerste wat men vrij gemakkelijk wegdoet, is het vaste abonnement op de krant. Men koopt de krant wel als er iets in de wereld gebeurt. De combinatie van deze twee factoren heeft bij mij – de heer Van Dam heeft ernaar gevraagd – het gevoel van urgentie doen toenemen dat wij hierbij het tempo moeten versnellen. Dit is de reden geweest voor de tweede brief.

Voordat ik op de inhoud van deze brief inga, kijk ik nog even naar de heel lange termijn. Diverse commissieleden hebben gevraagd of de krantensector er over 25 jaar nog zal zijn in de huidige vorm, en of dit dan erg is als dit niet het geval is. Ik weet het niet. Ik denk dat ik altijd het krantje bij het ontbijt zal blijven wensen. Dit zijn echter gedragseffecten die tot op zekere hoogte door gewoonte worden gevormd. Ik sluit helemaal niet uit dat er een andere generatie komt die bijvoorbeeld de laptop bij het ontbijt pakt en zo een en ander tot zich neemt.

Ik vind dat er wel altijd journalistieke professionaliteit zal moeten blijven en dat een redactie verantwoordelijk blijft voor de aangeboden stukken. De lezer wil immers toch weten van wie de stukken komen. Er is op dit moment een ongelooflijk aanbod van bloggers; iedereen is nu journalist geworden. Het interessante is dat niemand het wil lezen. Iedereen wil wel schrijven, maar niemand wil het lezen. De lezer wil toch weten van wie die mening afkomstig is, want hij heeft behoefte aan bakens. De lezer wil niet zomaar een mening, hij wil weten wat de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad ervan vindt. De lezer wil dat weten, omdat hij misschien al weet dat hij het eens of oneens is met de hoofdredacteur. Men heeft behoefte aan die vorm van inhoudelijk gezag. Ik denk dat de dagbladsector, ongeacht de drager, er in die zin altijd zal blijven en ook zeker moet blijven in een democratie.

Na deze opmerking over de lange termijn bekijk ik waar wij nu staan. Door de groep van 44 hoofdredacteuren zijn in de afgelopen dagen zorgen uitgesproken. Deze zorgen deel ik om de reden die ik zojuist heb aangegeven. Ik denk dat het goed is om nu snel actie te ondernemen. Ik betreur het echter dat hierbij polariteit wordt gezocht naar de publieke omroep en dat men daarbij het kennelijk van belang vindt om de STER-reclame af te schaffen. Ik vind dit immers niet nodig. Men ziet daarbij onvoldoende onder ogen hoezeer de serieuze geschreven journalistiek en de publieke omroep juist op elkaar aangewezen zijn, want de echte tegenstelling zit niet tussen de publieke omroep en de dagbladpers. De publieke omroep maakt uiteraard gebruik van alle onderzoeksjournalistiek van de geschreven pers, maar omgekeerd wordt de geschreven pers zo interessant, omdat mensen bij de publieke omroep de beelden zien die achter al die verhalen horen. Wij zien iedere dag in het Haagse dat dit van belang is. Ik vind het dus onverstandig om daar een polariteit in te zien.

Mevrouw Halsema en de heren Remkes en Van der Ham hebben in verschillende gradaties gepleit voor het terugdringen van de reclame op de publieke omroep, maar dit debat hebben wij eerder gevoerd. Ik weet niet of dit de plek is om dat debat opnieuw te voeren. Als wij dat wel doen, dan gaan wij opnieuw praten over wat voor publieke omroep wij willen. Willen wij een aanvullende of een op de massa gerichte publieke omroep? Willen wij sport en amusement niet op de publieke omroep? Dit kan allemaal, maar ik concentreer mij nu op de dagbladpers. Dit was immers de aanleiding voor dit AO.

De heer Bosma (PVV): De minister heeft gezegd dat de door de 44 hoofdredacteuren gezochte polariteit onverstandig is, omdat kwaliteitsjournalisten bij de televisie en bij de kranten elkaar ondersteunen. Dit is nu net niet waar het om gaat. De journalisten concurreren niet met elkaar, maar de concurrentie draait om de advertentie-euro’s. Die euro’s gaan of naar de een of naar de ander. Dit schaadt nu juist de positie van de kranten, omdat de STER-reclame daar met zijn dikke gat in zit. Heeft de minister daar ook oog voor? Is de minister – ik heb dit ook gevraagd aan de partijgenoot van hem – het eens met een van de stellingen van de 44 hoofdredacteuren dat de reclame op de publieke omroep een negatieve invloed heeft op de advertentievolumes en -tarieven bij de gedrukte media?

Minister Plasterk: Nee. Daar ben ik het niet mee eens, en zeker niet op de lange termijn. Als wij nu de STER-reclame afschaffen, dan komt er een Talpa terug of een RTL-zoveel bij. Er komen dan een paar commerciële netten bij. Het is een heel andere manier van groepen benaderen. Je mag helemaal niet zeggen dat de 200 mln. die nu voor de publieke omroep beschikbaar is, dan voor de dagbladpers beschikbaar is. Ik verwacht dit helemaal niet. Ik verwacht op de lange termijn een andere beweging en ik doelde daar zojuist op. Wanneer je dat belangrijke onderdeel van de sterke publieke omroep gaat verzwakken, dan wordt de rol van de dagbladpers ook zwakker.

De heer Bosma (PVV): Niemand beweert dat de 200 mln. die de STER nu oppeuzelt bij het opheffen van de STER geheel naar de dagbladen gaat. De minister hoeft daar dus niet op te reageren. Ik heb een vraag over de stelling van de 44 hoofdredacteuren dat reclame op de publieke omroep een negatieve invloed heeft op de advertentievolumes en -tarieven bij de gedrukte media. Is dit waar of is dit niet waar?

Minister Plasterk: Ik heb zojuist al gezegd dat dit niet waar is. Ik weerspreek nog eens nadrukkelijk dat de STER-tarieven kunstmatig laag zijn. De heer Bosma noemde in dat kader net een van de bestuursleden van de STER, drs. M. J. Hammersma, die nu naast mij zit. Ik heb de tarieven van de STER nog eens laten bekijken. De STER-tarieven zijn niet lager dan die van de reclameblokken bij de commerciële omroepen. Er is ook geen enkele reden voor. Waarom zou de STER de tarieven kunstmatig laag houden? Men staat immers nog steeds in de rij om daar te adverteren. Men kan het zich dus veroorloven om ervoor te vragen wat men ervoor kan krijgen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dit debat gaat wel degelijk ook over de reclames op de publieke omroep. Ik viel even over de opmerking van de minister dat de reclames noodzakelijk zijn om het publieke gehalte van de publieke omroep te bewaren. Je kunt de redenering van de minister samenvatten met: je trekt de massa’s met de reclame. Dit lijkt mij een wat treurige analyse.

Minister Plasterk: Je trekt de massa’s natuurlijk niet met de reclame, maar met het feit dat je dankzij die reclame een bredere publieke omroep kunt aanbieden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Een politieke keuze.

Minister Plasterk: Dit is een politieke keuze, maar die schuwen wij niet. Bij het besluit om het voetbal naar de publieke omroep te halen, kan in de afweging meegenomen worden dat het extra adverteerders rond het voetbal aantrekt. Dit alles leidt ertoe dat de publieke omroep een bredere taakinvulling krijgt. Het is maar net in wat voor samenleving je wilt leven. In de Verenigde Staten zijn alle grote omroepen commercieel en worden alle programma’s op reclame geënt. Daarnaast bestaat een publieke omroep waar men Mexicaans macrameeën en andere doelgroepactiviteiten kan zien. Dit betreft een aanvullende publieke omroep, maar die streef ik niet na.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voordat wij dit verder ridiculiseren, is het waarschijnlijk logisch om een Europese vergelijking te maken, zoals met de BBC of de VRT. De VRT laat veel meer zien dan alleen Belgisch macrameeën, en zonder reclame.

Minister Plasterk: Ik wil dit debat wel opnieuw voeren, maar ik heb dat kortgeleden met uw partijgenoot Dibi gevoerd. Hij was het politiek talent van 2008.

De voorzitter: Bij de publieke omroep!

Ik maak even een opmerking over de orde. Ik zie dat heel veel sprekers willen interrumperen. Ik sta dat alleen toe aan de heren Van der Ham en Remkes die dit als eersten hebben aangegeven. De anderen komen later wel weer aan de beurt. Ik wil namelijk dat het antwoord van de minister uiterlijk om 17.00 uur is afgerond. Dan is er nog een gelegenheid voor een tweede termijn.

De heer Van der Ham (D66): De minister zegt dat er geen relatie is tussen de STER en het wellicht minder worden van de advertentieruimte voor andere partijen. De heer Bosma probeert soms zelfs te beweren dat deze relatie een-op-een is.

De heer Bosma (PVV): Nee. Dat beweer ik niet.

De heer Van der Ham (D66): Prima, dan is hij daarin toch genuanceerder. Niemand zegt dus dat het een-op-een is, maar dat er wel een relatie is. De minister kan dit toch niet ontkennen? Hoe kan hij dit zo hard zeggen? Hij kan dit immers niet bewijzen.

Minister Plasterk: Ik heb gezegd dat dit, voor zover er een zeker effect zou zijn, ruimschoots wordt gecompenseerd door het feit dat men ook van elkaar profiteert. Het is dus in het belang van een serieuze geschreven pers, dat er een krachtige publieke omroep is. Daarbij bestaat het krachtige er ook uit dat er miljoenen mensen naar kijken, want dit heeft iets bindends in de samenleving. Mensen vragen elkaar of zij de avond ervoor naar hetzelfde programma hebben gekeken. In een totale à la carte publieke omroep, waarbij iedereen gaat zappen en niemand meer naar hetzelfde kijkt – die persoon kijkt naar net 23 en die naar net 17 – heb je de volgende dag een ander gesprek aan de keukentafel dan wanneer mensen zeggen: heb je dat gisteren ook bij De Wereld Draait Door of bij Pauw & Witteman gezien? Als je vervolgens een massale publieke omroep hebt, waar miljoenen mensen naar kijken, dan betekent dit dat de programmering ook breed is. De programmering bevat dus sport, amusement en een aantal andere elementen, maar dit moet wel betaald worden. Als de Kamer zegt dat zij nog 250 mln. extra weet te vinden voor de publieke omroep, dan zou er sprake zijn van een andere casus. Dit lijkt mij echter niet realistisch.

De heer Remkes (VVD): Ik kom nog even terug op de tarieven. Ik vind dat de minister het zich daar voltrekkende commerciële proces simplificeert. Het is logisch dat wanneer meer media reclame uitzenden, de adverteerders in een betere concurrentiepositie zitten. De grotere reclameaanbieders spelen de media tegen elkaar uit. Dit is een normaal commercieel proces en de minister kan dit niet ontkennen. Gelet op deze discussie, doe ik de suggestie dat de minister de NMa vraagt om met name eens wat nader in te zoomen op de concurrentiële aspecten. Dan wordt de discussie in elk geval een stuk feitelijker, want ik vind dat dit een Babylonische spraakverwarring dreigt te worden.

Minister Plasterk: Competitie is inderdaad een normale wet van de markt, maar deze competitie kan wel deelmarkten hebben. Je mag dus niet zeggen dat wanneer de mogelijkheid voor STER-reclame bij de publieke omroep wegvalt, alle reclame dan naar de kranten gaat. Het zou immers ook naar bushokjes of foldertjes kunnen gaan.

De heer Remkes (VVD): Niemand zegt dat.

Minister Plasterk: Ik reageer op de stelling dat de tarieven voor de STER-reclame kunstmatig laag zouden zijn. Ik heb dat zojuist weersproken. Die tarieven zijn gewoon net zo hoog als die van de commerciële omroepen.

Voorzitter. Misschien ontstaat door de tweede brief de indruk dat de eerste brief geen content had. Dit is echter werkelijk niet het geval. Er staat bijvoorbeeld in dat het Stimuleringsfonds voor de Pers nu aanmerkelijk breder actief kan zijn dan voorheen. Het fonds kan nu ook de gratis bladen, de bladen die in concernverband verschijnen, nieuwe en kleinschalige bladen ondersteunen. Er staat ook nog een aantal andere activiteiten in. Ik zal deze activiteiten niet opnieuw noemen, want de Kamer heeft deze al op papier gekregen. Hier zit toch een groot aantal acties in dat voor een groot deel overigens ook gebaseerd is op gesprekken die ik in het afgelopen jaar met het veld heb gevoerd. Daarom heb ik er een paar maanden voor nodig had. In de tweede brief heb ik een aantal nieuwe acties opgenomen om de urgentie te onderstrepen van de huidige ontwikkelingen in de krantensector.

Ten eerste kom ik op de btw. In principe hebben wij in Nederland één btw-tarief: 19%. Vanaf 1980 is evenwel een aantal producten onder het lage btw-tarief gebracht, waaronder alle gedrukte producten. Boeken en kranten vallen dus onder het lage btw-tarief. Andere tarieven zijn er niet. Zo is er niets wat in een 0% btw-tarief valt. Vanuit de krantensector is vervolgens aangetekend of het niet goed zou zijn om hetgeen door de kranten op internet wordt aangeboden, ook onder het lage btw-tarief te brengen. Ik ben het met die wens in principe eens, want het is logisch dat niet de informatiedrager het btw-tarief bepaalt, maar de aard van de informatie. Wij moeten dan de producten die de kranten op het internet aanbieden, onderbrengen in het lage btw-tarief. Daarvoor hebben wij toestemming van Brussel nodig. Het probleem is dat dit bij consensus moet en dat er vanuit alle lidstaten lange lijsten zijn met wensen van wat er allemaal in het lage btw-tarief zou moeten komen. Ik zeg toe dat ik dit nadrukkelijk bij staatssecretaris De Jager neerleg. Ik heb uiteraard al met hem gesproken. Zijn inzet zal zijn om daarnaar te streven, maar er zal nog wat water door de Rijn stromen voordat het zo ver is. Wij kunnen echter niet meer dan ons best doen.

Ik teken erbij aan dat het op dit moment om een zeer klein volume gaat. Wanneer kranten dingen aanbieden op het internet, wordt over het redactionele werk geen btw betaald, want dit zijn personele kosten. Het gaat dan met name om de abonnementsgelden van de mensen die enkel een elektronisch abonnement hebben. Ik heb gisteren bij het NRC geïnformeerd, en het betreft circa 17 000 mensen die daarvoor een paar tientjes betalen. Het verschil tussen 19% of 6% btw betreft een zeer klein bedrag. De reden dat het van belang is, is voornamelijk dat er op langere termijn veel meer activiteiten kunnen komen. Ik zeg toe dat ik hier zeer mijn best voor zal doen.

Ten tweede kom ik te spreken over de tijdelijke commissie voor de innovatie van de pers. Ik ga die commissie benoemen. Ik neem de vrijheid om te regeren, opdat de Kamer mij kan controleren. Ik ben dit met de heer Remkes eens, die dit aspect misschien als oud-minister benadrukt. Als de Kamer daarnaast een parlementaire commissie wil, dan bemoei ik mij daar vanzelfsprekend niet mee, want dat is helemaal aan haar. Ik doe in elk geval mijn werk, dus ik benoem die commissie. De commissie zal ik een dubbele opdracht geven. De ene opdracht, die al in de brief stond, is om binnen enkele maanden met een concreet advies te komen over de innovatie binnen de dagbladpers. Dit advies zal alles te maken hebben met het in te stellen fonds voor de innovatie. De tweede opdracht is om de toekomst van de nieuwsvoorziening in Nederland te bekijken en daarover een uitgebreid algemeen advies te geven. Ik stel mij voor dat de eerste opdracht binnen een paar maanden afgerond kan zijn. Laten wij denken aan circa tien weken. De tweede opdracht moet dan binnen een halfjaar afgerond zijn, opdat de consequenties daarvan bij de Voorjaarsnota door de Kamer met elkaar vergeleken kunnen worden. Ik zeg dit toe. Overigens moet het een commissie zijn met de inhoudelijke expertise van mensen uit het veld.

Ik ben bereid om extra financiële middelen beschikbaar te stellen. Ik ga ervan uit dat er een goed, werkbaar en praktisch advies komt. Ik kan op basis van artikel 128 van de Mediawet maximaal 4% uit de STER-inkomsten besteden. Deze inkomsten waren over het afgelopen jaar meer dan 200 mln. Wij hebben het dan over een bedrag van 8 mln. Ik heb in elk geval het voornemen om dit niet eenmalig te doen, maar om dat ook in de periode daarna met een vergelijkbaar bedrag te steunen. Wij hebben nog de tijd tot aan de Voorjaarsnota om te bekijken of dit ook volgend jaar weer wellicht voor een deel gevoed kan worden uit die 4% van de STER-opbrengsten, of dat dit bedrag op een andere manier geplust moet worden.

Ik ben het wel eens met de heer Remkes dat het hier kan gaan om een extra stimulans voor een te overziene periode. Het gaat er in deze situatie om, een extra impuls te geven aan de innovatie. Ik wil de krantensector over de barrière heen helpen om juist die innovatie te doen nu deze zo hard nodig is, terwijl dit nu misschien economisch gezien riskant is. Ik vind het voor nu in elk geval te ver gaan om te concluderen dat het direct een structureel fonds voor oneindig lang moet worden. Als ik toezeg dat ik gedurende deze kabinetsperiode het fonds voed in deze orde van grootte, dan biedt dit ons allen de ruimte om te bekijken of de innovatie-impuls voldoende is gegeven, of dat het bedrag op een gegeven moment verlaagd kan worden, of dat wij terug kunnen naar de vaste voeding voor het Stimuleringsfonds van 2,3 mln. zoals ik al eerder had voorgesteld.

De heer Remkes (VVD): Ik ben het hier in ieder geval mee eens, maar ik heb nog een andere vraag gesteld. Is de minister met mij van mening dat moet worden voorkomen dat er in deze fase weer nieuwe elementen van oneigenlijke concurrentie worden ingebouwd? Ligt het dan niet voor de hand om het Innovatiefonds een brede werking te geven op het terrein van de digitalisering?

Minister Plasterk: Het heeft mijn voorkeur om dit fonds op deze korte termijn een heel specifieke opdracht te geven. Daarom spreken wij vandaag ook over de gedrukte pers. Ik ben het met de heer Remkes dat wij op termijn moeten bekijken of het Stimuleringsfonds niet sowieso moet worden uitgebreid met een multimediale rol. Ik kom daar later graag op terug.

Ik stel mij voor om de commissie de opdracht te geven, tot voorstellen te komen over de vorm van de innovatie en de criteria daarvoor. Ik wil deze bestuurlijk onderbrengen bij het Stimuleringsfonds voor de Pers, opdat wij niet een geheel nieuwe instantie hoeven op te richten. Wij moeten wel een apart traject creëren, opdat die dingen op zeer korte termijn, met de «light touch» en met weinig papierwinkel toegekend kunnen worden. Dit biedt mij de gelegenheid om sowieso nog eens met het Stimuleringsfonds voor de Pers te bekijken of op een aantal punten de hele gang van zaken wat versneld en gestroomlijnd kan worden. Ik zeg toe dat ik dit ga doen.

De heer Atsma (CDA): Het is gemakkelijk gezegd dat de commissie ondergebracht wordt bij het Stimuleringsfonds voor de Pers. Er zijn echter zo veel wettelijke mitsen en maren aan het Stimuleringsfonds verbonden, dat de concerns er helemaal niet bij kunnen komen. Er moet een enorme klip worden omzeild.

Het is nieuws voor ons dat de minister gisteren heeft gesproken met de kranten, maar hij moet daar vooral mee doorgaan. Hebben de kranten of de uitgevers ook iets gezegd over het besluit van de Kamer waardoor de mogelijkheden voor de commerciële omroep om reclameboodschappen uit te zenden, zeer recent substantieel zijn vergroot? Hiermee wordt vooruitgelopen op Europese regelgeving.

Minister Plasterk: Ik wil niet de indruk wekken dat ik gisteren met de «kranten» heb gesproken, want dan krijgt dit een andere lading. Ik ben op werkbezoek geweest bij drie kranten, en die spraken echt namens zichzelf. In de wet die wij net hebben gewijzigd is het juist voor de concerns mogelijk geworden om daar wel voor in aanmerking te komen. Ik betrek echter het punt van de heer Atsma hierbij. Ik zal het Stimuleringsfonds erop aanspreken en zeggen dat ik de commissie bestuurlijk bij het fonds wil onderbrengen, maar dat dit enkel mogelijk is wanneer wij kunnen afspreken dat dit een lichte regeling wordt. Wij moeten immers op korte termijn kunnen handelen.

De heer Jasper van Dijk (SP): De minister zegt dat de publieke omroep en de dagbladen elkaar zouden moeten aanvullen in plaats van dat zij tegenover elkaar worden gezet. Ik ben het daar op zichzelf mee eens. De minister geeft aan dat hij 4% van de STER-inkomsten kan afromen en aan de dagbladen kan doen toekomen, in dit geval 8 mln. Ziet hij ook mogelijkheden om te bekijken of dit meer kan worden dan 4%? De 8 mln. is nogal een fooi genoemd. Het bedrag kan misschien verhoogd worden.

Wil de minister in de commissie die hij gaat instellen om de toekomst van de pers te bekijken de situatie in het buitenland betrekken, want in Scandinavië zijn bijvoorbeeld interessante modellen voor de dagbladen?

Minister Plasterk: Het grootste gedeelte van de STER-opbrengsten gaat naar de OCW-begroting, zoals naar het Instituut voor Beeld en Geluid. De rest van het geld verdwijnt dus niet op de een of andere manier ergens in de grond. Sowieso ben ik via artikel 128 aan het wettelijke maximum van 4% gebonden. Als er meer geld moet komen, dan moet het elders vandaan komen. Ik heb één hoofdredacteur horen zeggen dat het zou gaan om een fooi of iets van die strekking, maar dit was niet mijn gevoel in de sector. Ik denk dat men dit toch al een interessant bedrag vindt. Ik noemde al de nrc.next. In het boekje van Wansink wordt een heel hoofdstuk gewijd aan die operatie en wordt aangegeven dat ik dacht dat het risico van nrc.next-operatie in de orde van een paar miljoen euro was. Dit is dan het gehele risico, want het totale bedrag hoeft niet uit het fonds te komen. Een concern kan immers ook zelf nog wel wat doen. Ik denk dus dat het qua orde van grootte best in de buurt komt. Ik verwacht niet dat de mensen die het eerder als fooi hebben aangeduid, niet hiervoor in aanmerking willen komen. Verder zal ik de situatie in het buitenland betrekken in de commissie.

Voorzitter. Ik benadruk dat het mij tijdens het bezoek aan de kranten opviel, dat men daar de indruk had dat samenwerking tussen kranten en publieke omroep in die zin wordt ontmoedigd, dat bijvoorbeeld niet op het scherm mag worden vermeld dat een krant ergens aan heeft meegewerkt. Dit is niet langer waar sinds de laatste herziening van de wet, die afgelopen dinsdag de Eerste Kamer heeft gepasseerd. Als men een programma met de naam «NCRV Trouw, Hart en Ziel» wil brengen, dan is dit toegestaan en dan mag de samenwerking ook in de aftiteling staan. Sluikreclame is daarentegen niet toegestaan. Zo mag in bijvoorbeeld een sitcom geen heel dikke stapel Volkskranten ergens in beeld liggen. Commerciële omroepen mogen dit ook niet. Er is dus nu meer ruimte dan voorheen, maar ik heb de indruk dat in ieder geval niet alle hoofdredacteuren zich daarvan bewust zijn.

De heer Atsma en anderen hebben gesproken over de bezorging. Ik ben het er zeker mee eens dat hierover nog eens goed nagedacht moet worden. Wat mij betreft ligt dit niet in de sfeer van de arbeidsvoorwaarden, of het nu gaat om de werkgeverslasten of de werknemerskosten van die arme krantenjongens die de kranten rondrijden. Er is in het verleden bekeken of de bezorging niet gecombineerd kan worden, bijvoorbeeld dat eerst De Telegraaf wordt bezorgd en vervolgens een aantal andere kranten. Dit stuitte echter onder meer op mededingingsbezwaren. Wij kunnen opnieuw bekijken of dit klopt. Verder werken kranten met versies, en in dat kader zijn abonnementen op maat interessant. Mensen zouden kunnen zeggen: «ik wil de krant zonder de sportbijlage, maar op maandag wil ik die wel». Dit soort mogelijkheden stuit echter op grenzen van de bezorging, want de distributiecentra kunnen hier niet aan beginnen. Je kunt je afvragen of er niet iets valt te innoveren aan de kant van de bezorging. Verder kun je aan heel futuristische dingen denken als «is dat rondfietsen niet allemaal wat achterhaald en zijn er geen andere manieren om papieren producten op hun plek te krijgen?» Ik weet dat op dit moment ook niet. De bezorgkosten zijn evenwel op dit moment net zo hoog als de kosten van de gehele redactie! Wij moeten hier niet te snel aan voorbijgaan. Ik zou de commissie voor het tweede gedeelte van haar traject die vraag ook willen meegeven. Kunnen wij op het punt van de bezorging op de een of andere manier iets doen zonder uit het oog te verliezen dat het een onderdeel van die commerciële onderneming is?

De heer Bosma (PVV): Mag de publieke omroep straks een dagblad uitgeven?

Minister Plasterk: De activiteiten van de publieke omroep moeten voortaan, ook sinds de wet die dinsdagavond in de Eerste Kamer aan de orde is geweest, van tevoren door het Commissariaat voor de Media worden getoetst. Glossy’s, zoals de Maria, vallen niet onder de activiteiten van de publieke omroep. Een omroepvereniging brengt zoiets uit. De bladen mogen niet bekostigd worden uit publieke middelen. Deze moeten dus volledig kostendekkend voor een marktconform tarief bij de bladenman liggen. In het verleden toetste het Commissariaat voor de Media daar achteraf op. Het zei dan achteraf dat het niet was toegestaan. Sinds de wijziging van de Mediawet moet het Commissariaat voor de Media dit voortaan vooraf doen. Overigens is dit voorbeeld van tevoren getoetst door het commissariaat. Een vereniging, zoals de Katholieke Radio Omroep, mag een blad uitbrengen tegen marktconforme prijzen.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik ben blij met de 8 mln., want tijdens de begrotingsbehandeling was dit bedrag nog niet beschikbaar. Ik sluit echter niet uit dat er toch nog meer geld nodig is, zeker als de minister voor de komende jaren geld beschikbaar wil stellen. Heeft de minister ook al contact gehad met de collega van Economische Zaken? Wij weten dat er voor innovatie heel wat potjes zijn bij EZ. Mogelijkerwijs kan de minister hier een verbinding maken die ook nog wat geld kan opleveren.

Minister Plasterk: Ik zal informeren bij mijn collega van Economische Zaken of er mogelijkheden voor zijn, maar ik wek nu geen verwachtingen.

De heer Atsma (CDA): Ten eerste zijn de bedrijven waar wij het nu over hebben, gewone marktpartijen. Collega Remkes heeft dit terecht bevestigd. Deze partijen zijn nooit gefinancierd uit de mediabegroting. Sterker nog, deze zijn per definitie aangewezen op Economische Zaken. Er zijn volgens mij argumenten bij de vleet die onder de aandacht van de collega van EZ kunnen worden gebracht. Ten tweede wordt de Maria nu al bij uitstek in een publiek-private samenwerking geproduceerd. Volgens mij neemt een van de grote uitgevers van Nederland daaraan volop deel. Wat is daar mis mee?

Minister Plasterk: Ik weet niet hoeveel indruk deze argumenten uiteindelijk zullen maken. Bedrijven zijn niet aangewezen op Economische Zaken, bedrijven zijn aangewezen op hun klanten. De klanten brengen de kosten van deze producten in principe gewoon op via de abonnementsgelden of de losse verkoop. Er zal ook wanneer iets volledig voor de markt werkt, zoals een krant, altijd nog een economische reden moeten zijn, waarom er überhaupt overheidsingrijpen nodig is. Dat een krant niets met de publieke omroep te maken heeft, betekent niet dat de collega van EZ onmiddellijk het geld op tafel legt.

De heer Van der Ham (D66): Ten eerste. Is de 8 mln. een gefixeerd bedrag? Als het immers 4% van 200 mln. is, dan kan het volgend jaar 4% van 180 mln. zijn, waardoor het bedrag lager wordt. Ten tweede heb ik een motie over de WBSO ingediend.

Minister Plasterk: Daar kom ik nog over te spreken.

De heer Van der Ham (D66): Ten derde. De minister zegt dat de glossy’s worden bekostigd met verenigingsgeld. Wij hebben bij het debat over de Mediawet uitgebreid gesproken over het grijze gebied. Er vinden broekzak-vestzakconstructies plaats. Dit is bijna niet los van elkaar te zien. Dezelfde discussie hebben wij gevoerd over de cadeaus bij lidmaatschap. Het antwoord van de minister hierop is helemaal niet voldoende.

Minister Plasterk: De vraag of de 8 mln. structureel is, heb ik zojuist beantwoord. Op dit moment betreft het 4% van de STER-opbrengsten van vorig jaar. Deze waren 200 mln., dus dit komt neer op 8 mln. Ik heb al gezegd dat dit volgend jaar minder kan zijn. Ik stel mij voor om voor de twee jaren daarna een budget in dezelfde orde van grootte te zoeken. Als dat niet volledig mogelijk is uit de STER, dan zullen wij dat op een andere wijze moeten accommoderen.

Het Commissariaat voor de Media moet erop toezien dat een dergelijke uitgave kostendekkend gemaakt wordt. Het is gewoon zijn taak om te bekijken of dit niet via het vestzak naar de broekzak gaat, maar dat het werkelijk kostendekkend gebeurt. Het commissariaat heeft dit geconstateerd.

Voorzitter. Het fonds Digitale Pioniers is sinds 2002 een laagdrempelige, experimentele regeling voor kleinschalige publieke internetactiviteiten. Er is een aantal succesvolle voorbeelden, maar ik zal dat niet noemen. De Raad voor Cultuur en TNO zijn positief over de regeling. Digitale Pioniers levert een belangrijke bijdrage aan de innovatie op het internet. Met Kennisland zal ik bezien op welke manier deze regeling kan worden voortgezet met behoud van de laagdrempeligheid en de flexibiliteit.

De heer Atsma heeft gevraagd naar de lokale en regionale nieuwsvoorziening. Ik zal die zeker onderdeel maken van de taakopdracht van de commissie. Ik zal de Kamer de taakopdracht toesturen in het kerstreces, zodat zij deze kan bekijken. Verder besteed ik in de persbrief ook aandacht aan de rol van regionale en lokale bladen, zowel kranten als huis-aan-huisbladen. Het is heel erg belangrijk om de nieuws- en informatievoorziening op lokaal en regionaal niveau goed te volgen. Ik zal het Commissariaat voor de Media en het Stimuleringsfonds voor de Pers vragen om onderzoek te doen naar de ontwikkeling op lokale en regionale nieuwsmarkten en mij daarover te rapporteren.

Verder heeft de heer Atsma gevraagd naar de innovatievouchers. Ik heb al toegezegd, dit met de collega van EZ op te nemen.

Dan kom ik op het belangrijke onderwerp van de Raad voor de Journalistiek. Ik vind het opvallend dat de heer Atsma zich nu zo nadrukkelijk tegen de raad lijkt te keren, omdat hij het zeer belangrijk vindt dat er een sterke vorm van toezicht is op wat de journalistiek presteert. Ik pieker er niet over om dat toezicht naar mij toe te trekken, omdat ik vind dat het om vrijwillige zelfregulatie moet gaan. Het is wel interessant om er dan nu juist kritischer op te zijn, omdat er meer toezicht zou moeten zijn, terwijl De Telegraaf zelf in de publiciteit heeft gebracht dat men uit de raad is gestapt, omdat men eigenlijk te veel last had van het toezicht. De krant is juist om andere redenen kritisch op die activiteiten. RTL, Elsevier, HP/De Tijd en De Telegraaf zitten er op dit moment niet in. Dat vind ik erg jammer, maar heel veel media zitten er nog wel in.

De heer Atsma (CDA): De publieke omroep is er voor een deel ook uit.

Minister Plasterk: Dat is waar. Dit geldt voor NOVA.

Ik hoop dat de partijen nog eens met elkaar in gesprek willen gaan en nog eens goed willen bekijken wat nu precies de taken voor de Raad voor Journalistiek zijn. Ik hoop dat zij elkaar kunnen vinden en dat dit ertoe zal leiden dat een aantal van de media dat er nu is uitgestapt, weer terug zal komen. Ik heb juist aangegeven dat ik inderdaad bereid ben om iets meer budget aan de raad beschikbaar te stellen. Dit is evenwel vanuit de gedachte dat het grootste gedeelte van de sector op die manier onderling het toezicht wil regelen. Ik roep de leden van de Raad voor de Journalistiek op om met de ontevreden deelnemers in gesprek te gaan om te bezien of er in ieder geval iets kan gebeuren, waardoor een behoorlijk deel van de uittreders weer bereid is om toe te treden. Ik zal de raad dan niet alleen met een warm hart steunen, maar ook financieel.

De heer Van Dam (PvdA): Als de Raad voor Journalistiek binnen een halfjaar niet weer functioneert, staat het wettelijke recht op weerwoord dan weer ter discussie?

Minister Plasterk: Voorzitter. De heer Van Dam zit langer in de politiek dan ik, maar ik geloof dat politici altijd zeggen dat zij op als/dan-vragen liever geen antwoord geven.

De voorzitter: Dat doen sommige politici.

Minister Plasterk: Ik doe nu een oproep aan de Raad voor de Journalistiek en aan de sector om te kijken of men het eens kan worden. Ik ben erg huiverig voor het opstellen van wet- en regelgeving die met de inhoud van de journalistiek te maken heeft. Ik hoop dat ik dus niet hoef toe te komen aan dat dilemma. Ik zal het dus nog even willen afwachten.

De heer Atsma heeft een vraag gesteld over de schending van het auteursrecht op het internet. Er wordt inderdaad geklaagd dat er via Google, YouTube en allerlei andere plekken dingen worden aangeboden waarvoor auteursrecht geldt. Natuurlijk geldt auteursrecht online ook. Dat moet ook op het internet gerespecteerd worden. Het gaat dus niet zozeer om een gebrek aan een auteursrechtelijke bescherming als wel om een kwestie van moeilijke handhaving. Dat is in de eerste plaats natuurlijk een zaak voor de rechthebbende zelf. De overheid heeft daar wel een rol, maar dat is natuurlijk niet in de eerste plaats een rol voor de minister voor mediazaken. Het is een taak van justitie om die handhaving daar te regelen. Daar is de minister van Justitie ook mee bezig. Wij hebben daar bij andere gelegenheden al uitgebreid met elkaar over gesproken.

Mevrouw Halsema heeft een vraag gesteld over het Mediafonds conflictgebieden. Hierbij gaat het om een fonds dat steun moet bieden aan journalisten die verslag willen doen vanuit een conflictgebied en tegen financiële drempels aanlopen. Het Stimuleringsfonds voor de Pers vindt dat dit in de eerste plaats een zaak is voor de media zelf, waarbij de overheid zicht terughoudend moet opstellen. Dat vind ik ook. Het Fonds wil wel een werkgroep instellen met vertegenwoordigers van journalisten, de omroep, uitgevers, de verzekeringsbranche en de overheid om te kijken of er naast zo’n fonds ook nog alternatieven zijn. Ik heb dat advies overgenomen en zal het Fonds vragen om binnenkort met die werkgroep te starten. Ik wil mij niet op voorhand aan de uitkomsten daarvan committeren, maar de conclusies en de aanbevelingen zullen door mij op hun merites worden beoordeeld. Dat oordeel zal ik uiteraard aan de Kamer doen toekomen.

De heer Van der Ham heeft zijn eerdere motie over het inzetten van de WBSO voor de onderzoeksjournalistiek aangehouden en deze behandeling afgewacht. Ik dank hem daarvoor. De WBSO is een wet voor de bevordering van speur- en ontwikkelingswerk. Het is een economische subsidie op loonkosten, bedoeld om hoogwaardig technologisch onderzoek goedkoper te maken. Dat kan bijvoorbeeld zijn onderzoek op het gebied van de moleculaire genetica. Dit onderzoek is technologisch erg duur en heeft ook belangrijke spillover-effecten, zodat een slimme uitvinding ook nieuwe uitvindingen kan genereren. De WBSO is bedoeld om de economische positie van ons land te versterken. Ik heb mij op de motie van de heer Van der Ham beraden, maar ik kan niet echt een zinnig economisch argument vinden om de kerntaak van de pers op die manier als onderzoek aan te merken. Onderzoeksjournalistiek is niet dramatisch veel duurder dan andere vormen van journalistiek. Ik zie daar geen economische spillover-effecten waar ik op kan wijzen. Het is een groot maatschappelijk belang, maar dat is natuurlijk een andere zaak. Daarvoor hebben wij dan het Fonds voor de Bijzondere Journalistieke Projecten. Ik ben aan het kijken of ik die onderzoeksjournalistiek op het internet ook zou kunnen gaan steunen, dus of die ook bij dat fonds zouden kunnen gaan aankloppen. De WBSO is echter niet van toepassing op de onderzoeksjournalistiek.

Er is voorts een vraag gesteld over de programmagegevens. Dat is een oude discussie die al ver voor mijn tijd heeft gespeeld. Er ligt zelfs een initiatiefvoorstel van de Kamer op dit punt. Wij wachten dat met spanning af. Ik ben voor het breed beschikbaar stellen van programmagegevens, maar dat moet dan wel gebeuren tegen een marktconforme vergoeding. Als je dat niet doet, dan sla je een gat van 20 mln. Dan subsidiëren we in feite indirect de commerciële omroepen die niet hun eigen programmagegevens voor niets willen delen met de omroepen. Dat is in ieder geval niet mijn bedoeling. Nogmaals, als dat kostendekkend kan gebeuren, dan kan het. Anders zie ik daartoe geen mogelijkheden.

Voorzitter. Ik loop heel snel de punten na die door de diverse leden zijn gemaakt en die ik niet bij dit wat algemener rondje heb besproken.

De heer Bosma heeft gesproken over de STER en over het slachten van Loekie. Daar ben ik al op ingegaan. Dat geldt ook voor de opmerkingen van de heer Van Dam over het btw-tarief, de commissie en de Raad voor de Journalistiek. Ik heb de heer Atsma toegezegd dat ik een gesprek met het Stimuleringsfonds zal voeren over de precieze werkwijze en over de vraag of het niet wat slanker en journalistieker zou kunnen. De punten van de heer Slob heb ik in mijn algemene ronde besproken. Dat geldt ook voor de punten van de heer Van Dijk.

Mevrouw Halsema is tegen de dekking van het fonds uit de STER-inkomsten. Misschien heb ik haar toch kunnen overtuigen, ook omdat het om een tijdelijke zaak gaat. Zij heeft voorts een vraag gesteld over de Wet openbaarheid van bestuur. Ik snap het bruggetje wel, maar zij zou dat toch in de eerste plaats met de minister van Binnenlandse Zaken moeten bespreken. Die gaat immers over de vraag hoe er met de gegevens van de overheid wordt omgegaan.

De heer Remkes heeft gezegd dat er aan twee voorwaarden moet worden voldaan voordat hij kan instemmen met de instelling van een innovatiefonds. Het zou moeten gelden voor de lokale nieuwsbladen en het zou moeten gelden voor de commerciële omroep. Ik ben het met die eerste voorwaarde eens. Ik vind dat het niet alleen voor de landelijke maar ook voor de lokale geschreven pers zou moeten gelden. Het ligt echter niet in mijn bedoeling om het ook voor de omroepen te doen gelden. Het gaat nu echt over de dagblad- en eventueel de weekbladpers. Die tweede voorwaarde spreekt mij dus niet aan.

De heer Van der Vlies heeft gesproken over de onwenselijke ontwikkeling van de concurrentie op het internet. Dat is een onderwerp waarover wij al eerder met elkaar hebben gesproken, ook naar aanleiding van de omroepmededeling van commissaris Kroes die de activiteiten van de publieke omroep op de nieuwe media per activiteit zou willen toetsen. Ik heb toen aangegeven dat onze regering juist in Europa heeft ingebracht dat er zou moeten worden toegezien op de activiteiten van de publieke omroepen als geheel. Ik heb indertijd brede steun gekregen van de commissie van OCW voor dat standpunt. Dat geldt overigens ook voor Europa. Negentien lidstaten hebben mij daarin gesteund. Het kan hierbij gaan om het voorbeeld dat het NOS-journaal wordt aangeboden op de mobiele telefoon. Dat is concurrentievervalsend ten opzichte van commerciële partijen die ook een nieuwsvoorziening op een mobiele telefoon aanbieden. Dat is natuurlijk juist, op dezelfde manier waarop de openbare bibliotheek concurrentievervalsend is ten opzichte van de boekhandel en waarop het bekostigd onderwijs concurrentievervalsend is ten opzichte van het LOI. Maar in de totale afweging vind ik het belangrijk dat ik, wanneer ik als consument het NOS-journaal mis omdat ik toevallig ergens in de trein zit, van diezelfde redactie met diezelfde redactionele kwaliteit en in een min of meer vergelijkbare formaat het journaal kan zien op het internet dan wel het journaal kan zien op mijn mobiele telefoon. Ik ben bereid om in die context die service aan het publiek te verlenen en op de koop toe te nemen dat dat een zeker concurrentienadeel voor andere partijen oplevert. Dat is in ieder geval het standpunt dat ik namens de Nederlandse regering in Brussel heb ingebracht. Daar was eerder al brede steun voor van de commissie voor OCW.

Nadere gedachtewisseling

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Het is dat u een vrolijk mens bent, want van de bijeenkomst van vanmiddag ben ik niet zo vrolijk geworden. Ik maak me ernstig zorgen over de kranten en ik vraag me echt af of we over twee of drie jaar in Nederland nog zo veel kranten hebben als nu het geval is. Ik word ook niet vrolijk van het feit dat wij helemaal geen oplossing hebben gehoord. Er wordt veel gesproken over krantenjongens die achter elkaar rijden en natuurlijk wordt er een commissie ingesteld. Ik zie een dergelijke commissie niet zo zitten, maar als dat wel gebeurt, dan moet die commissie in ieder geval de relatie tussen de inkomsten van de STER en de inkomsten van de publieke omroep meenemen. Beide leden van de Partij van de Arbeid die hier aanwezig zijn, ontkennen die relatie. Dat vind ik nogal wat. 44 hoofdredacteuren zeggen het, de heer Volmer, de directeur van De Telegraaf zegt het, de heer Habets van RTL zegt het. De Franse kranten gaan nu als een gek op zoek naar het advertentiegeld dat overblijft omdat men in Frankrijk de STER afschaft. Ik overhandig straks graag een staatje met de verschillen tussen wat het kost om op televisie te adverteren in Nederland en in het buitenland. Dat zijn schrikbarende verschillen. Ik zie de minister nu raar kijken. Dat is 1:10, mijnheer de minister.

Dan wordt er gedacht aan een innovatiefonds voor de pers. Kom nu zeg! Ondernemers willen innoveren, die willen gewoon een eerlijke marktpositie. Dan gaan ze zelf wel innoveren, want dat doen ondernemers namelijk altijd. Immers, op het moment dat zij dat niet doen, dan doet de concurrentie het wel. Daar heb je dus helemaal geen fonds voor nodig. Creëer gewoon een eerlijke markt! Verder roep ik iedereen op om het rapport van het TNO over het Stimuleringsfonds te lezen. Dat is vernietigend. Dat Stimuleringsfonds geeft geld aan allerlei rare clubjes. Dat geld verdampt. Het geld dat daarmee gemoeid is, namelijk 18 tot 20 mln., is absoluut geen oplossing voor de problemen waar kranten mee te kampen hebben.

Voorzitter. Iemand moet het jaar toch afsluiten. Dat zal ik doen. Ik zal een VAO aanvragen. Ik zal in de plenaire zaal met drie moties komen. De eerste motie gaat over het einde van de STER, de tweede motie gaat over het einde van het Stimuleringsfonds en de derde motie gaat over de beperking van internetgegevens van de publieke omroep tot het hergebruik van de reeds bestaande content die eerder is uitgezonden op radio of televisie. Dat is dus een situatie zoals in Duitsland.

De voorzitter: Het door u al eerder aangekondigde VAO is nu dus definitief geworden. Het zal worden opgenomen in de planning van de plenaire vergadering van vanavond.

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Dat is op dit soort dagen meestal een planning in de nacht. Dat zullen wij moeten afwachten.

Ik snap dat het instellen van een commissie in de meeste debatten in deze Kamer niet een oplossing is, maar meestal een excuus om vervolgens geen maatregelen te hoeven nemen. In dit geval is het volgens mij echt anders. De situatie is te complex om hier nu op deze laatste middag van het jaar eventjes – in de woorden van de heer Remkes – met pepernotente strooien, maatregelen te nemen en geld uit te trekken. Dat blijkt ook wel uit de verschillende inbrengen. Volgens mij is het, gelet op onze geschiedenis met het persbeleid waarbij wij steeds hebben gezegd dat de overheid zich er niet mee bemoeit, een historische stap op het moment dat de Kamer samen met het kabinet tot overeenstemming komt om een commissie in te stellen die de perssector in de volle breedte gaat onderzoeken. Dat is volgens mij in de historie van de pers nog niet eerder voorgekomen. Ik ben dus ook blij met de toezegging van de minister dat hij de commissie zoals hij die zelf voor ogen had, nu omzet in een veel bredere commissie met een brede opdracht. Ik begrijp dat de minister vanwege de kredietcrisis nu in ieder geval een tijdelijke maatregel wil nemen om de innovatie op gang te houden. Dat heeft enige haast, dus de commissie zal daar eerst naar moeten kijken. Dat vind ik prima. Het gaat mij echter uiteindelijk om die tweede trap: het langetermijnperspectief, een breed onderzoek naar de stand van zaken in de perssector. Kan de minister de opdrachtomschrijving en de samenstelling van die commissie nog in het kerstreces naar de Kamer sturen? Dat zou ons de mogelijkheid geven om in het geval wij het daar niet mee eens zijn, daar direct in de eerste week na het kerstreces nog een kort debatje aan te wijden. Ik heb er echter wel vertrouwen in.

Voorzitter. Dan rest mij slechts nog een opmerking over de glossy Maria, omdat dat hier aan de orde kwam. Ik geloof nooit zo heel erg sterk in pleidooien over concurrentievervalsing vanuit de publieke omroep. Wat de publieke omroep doet, is per definitie concurrerend voor andere media. Dat is het altijd geweest sinds wij een publieke omroep hebben. Daar is ook niets aan veranderd. Ik vind dat met het verschijnen van glossy’s wel een grens wordt overschreden. Het gaat erom dat publieke omroepen nu ineens vanuit hun veilige positie binnen de publieke omroep zelf de bladenmarkt betreden. Het gaat om glossy’s die gewoon rechtstreeks concurreren met andere bladen op de tijdschriftenmarkt. Als dat past binnen de huidige regels, dan zijn die kennelijk niet streng genoeg. Binnenkort spreken wij hier weer over de media. Ik denk dat wij dan daar nog maar eens goed naar moeten kijken. Ik heb daar namelijk mijn twijfels over.

De heer Atsma (CDA): En als dat nu door de omroepen wordt gefinancierd uit het eigen ledengeld? En als de wet het op zich toelaat? Wat wilt u dan?

De heer Van Dam (PvdA): Als morgen een omroep besluit om uit het eigen ledengeld brood te gaan bakken en te verkopen of uit het eigen ledengeld reizen te gaan verkopen, dan zou ik daar ook moeite mee hebben. Er is ruimte voor nevenactiviteiten, maar die ruimte is wel begrensd, ook al doet men het uit het eigen geld. Dat eigen geld kan alleen doordat men zich in de veilige positie van een publieke omroep bevindt. Ik vind dat je daar heel voorzichtig mee moet zijn. Het is voer voor krachten die het juist vooral gemunt hebben op de publieke omroep. Ik geloof niet dat je die discussie op deze manier extra leven in moet blazen.

De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Ik wil het inderdaad niet over de STER-tarieven hebben. Als die lager zijn dan in de ons omringende landen, dan kan dat heel veel oorzaken hebben. Dat weet de PVV volgens mij ook. Laten wij overigens vooral blij zijn dat de publieke omroep hier per uur ook aanzienlijk goedkoper is dan in de ons omringende landen. Tel uw zegeningen op dit punt!

Ik wil nog even iets zeggen over de brede taak. Ik ben blij dat de minister toezegt dat de taak van de commissie verbreed wordt. De noodzaak daartoe was in eerste termijn door een aantal sprekers benadrukt. Ik ben er zelf erg voor en ik ben blij met de toezegging van de minister dat hij ons op korte termijn zal informeren. Ik vind overigens wel dat de minister snel aan de slag moet. Wat mij betreft, benoemt hij de commissie gewoon per 1 januari, zodat de mensen ook hun agenda’s daarvoor kunnen vrijmaken. Ik hoef echt niet met de minister over de namen te praten. Dat is ook niet onze taak.

Ik wil voorts nog een opmerking maken over het Innovatiefonds. Het is heel goed dat de minister benadrukt dat daar ook lokaal en regionaal een beroep op kan worden gedaan. Ik adviseer de minister dringend om ervoor te zorgen dat de barrières om bij die middelen te komen, niet onoverbrugbaar zijn. Daar is ook vanuit de pers op gewezen. In het verleden zijn daar genoeg voorbeelden van geweest.

Ik heb de minister ook gevraagd om te kijken naar het nultarief. Een aantal landen in Europa hanteert het nultarief voor de btw op kranten. Kan de minister staatssecretaris De Jager vragen om daarnaar te kijken?

Kennelijk zijn de mogelijkheden tot samenwerking in omroepland en in krantenland, zowel landelijk als regionaal, onvoldoende doorgedrongen. Daar zou echt werk van moeten worden gemaakt. Misschien moet dat nog eens onder een vergrootglas worden gelegd, zodat duidelijk is wat allemaal mogelijk is. Ik noem een voorbeeld. De krantenuitgevers kunnen ons vragen of het mogelijk is om in hun digitale domeinen «Uitzending gemist» te brengen. Dat is misschien een heel aardig idee. Dat zijn suggesties die wij aangereikt krijgen. Kan de minister dat beoordelen?

Ik wens u allen tot slot goede dagen toe!

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Wij sluiten ons graag aan bij die goede wensen.

Ik bedank de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Ik ben blij dat hij ook niet in de valkuil is gestapt door de publieke omroep tegen de krantenwereld uit te spelen. Dat is weinig zinvol. Ik denk ook dat het ons niet veel verder zal brengen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je altijd kritisch mag kijken naar bepaalde grensoverschrijdingen die er heen en weer zijn. Ik sluit ook niet uit dat zo’n commissie die aan het werk gaat, daar ook wel iets over zal zeggen. Er wordt gezegd dat er omroepen zijn die bladen uitgeven. Er zijn op dit moment ook dagbladen die filmpjes maken. Heen en weer zie je dus dat soort dingen gebeuren. Maar goed, laten wij daar op een ander moment maar verder over spreken.

Ik ben ook blij met het feit dat er geld beschikbaar is gekomen voor het Innovatiefonds. Ik hoop dat het zal lukken om daarvoor bij EZ nog het een en ander los te krijgen, ook met het oog op de toekomst. Naar mijn mening zijn er echt wel redenen om daarover met EZ te spreken. De minister heeft voorts in zijn brief aangekondigd dat hij ook weer geld zal stoppen in het Stimuleringsfonds voor de Pers. Ik hoop dat het dan ook lukt om de bestaande belemmeringen om gebruik te maken van dat Fonds, zo veel mogelijk weg te nemen.

Ik ben voorts blij met de voorgenomen uitbreiding van de commissie. Die commissie moet snel aan de slag. Ik heb er alle vertrouwen in dat de minister dat heel snel op de rails zal zetten en dat hij ook de kwaliteit in de commissie zet die daarvoor nodig is. Wij hebben echt zwaargewichten nodig.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. De minister komt met een commissie met een dubbele opdracht: op de korte termijn de innovatie en op de lange termijn de toekomst van de dagbladen. Hij wil die opdracht in het reces aan ons sturen. Ik kan mij zeer wel vinden in de woorden van de heer Van Dam om daarover in de eerste week na het reces – en misschien zelfs wel eerder – mogelijk een debatje te voeren. Het is immers cruciaal waar die commissie mee aan de slag gaat. Maar, zoals ik al heb aangegeven, mijn voorkeur gaat uit naar een parlementaire werkgroep waarbij wij onze eigen agenda bepalen en de mensen kunnen uitnodigen die wij zelf willen. Dan kunnen wij ook nooit zeggen dat die commissie van de minister het helemaal verkeerd heeft gedaan. Dan zijn wij er immers gewoon zelf bij.

De minister schrijft op pagina 7 van zijn brief het volgende. «Het kabinet meent dat het de eigenaars/aandeelhouders kan aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.» Daarbij gaat het om de eigenaars van dagbladen en dus ook om investeringsmaatschappijen dan wel andere buitenlandse bedrijven. Ik vind het wel heel interessant hoe de minister dat dan gaat doen. Wat mij betreft, zou er heel goed moeten worden gekeken naar een toets waarmee wordt bekeken of zoiets essentieels als dagbladen wel in handen van buitenlandse bedrijven moet komen, die vervolgens alleen maar kortetermijnwinsten willen maken. Als de minister daar dan ook nog steun aan gaat verlenen, dan verdwijnt dat geld vervolgens in de zakken van die aandeelhouders. Dat moeten wij natuurlijk niet hebben. De Raad voor Cultuur heeft ook geadviseerd om een dergelijke toets in te stellen. Ik hoor graag een reactie op de mogelijkheden voor zo’n toets, zoals ook in Duitsland het geval is.

Het Innovatiefonds en mogelijk een nieuw mediafonds zouden gevuld kunnen worden met die 4% die overblijft vanuit de STER-inkomsten. Maar wij kunnen natuurlijk ook wel een discussie voeren over die 4%. De minister zegt dat dit conform de wet is. Daar gaan wij over. De minister kan dus zeggen: wat vindt u eigenlijk van dat percentage, kan dat niet bijvoorbeeld 6% worden? Ik hoor ook daarop graag nog een reactie. Ik sluit mij ook aan bij de vragen over de mogelijkheden van Economische Zaken om steun te verlenen aan bedrijven. Kan dat ministerie ook steun verlenen aan de dagbladen?

Ik heb gevraagd of er een specifieke blik kan worden geworpen op de situatie in het buitenland. Noorwegen, Finland en Zweden hebben heel eigen steunregelingen. Misschien kan de minister de Kamer een overzicht zenden van die regelingen. Dat is in 2001 al gebeurd. Het zou heel goed zijn om te kijken hoe die landen daar nu mee omgaan.

Ten slotte hoop ik dat het goed komt met deze sector in problemen. Dat moeten wij echter nog zien.

De heer Van der Ham (D66): De oproep aan de Raad voor de Journalistiek is volgens mij gehoord. Het is interessant dat degenen die niet meer onder de Raad voor de Journalistiek wensen te vallen, wel reageren op uitspraken die over hen worden gedaan. Zij erkennen die niet, maar zij zeggen er wel iets over. Wat dat betreft, is het dus ook weer niet zo ellendig.

Mevrouw Halsema moest dit algemeen overleg helaas voortijdig verlaten. Zij heeft mij gevraagd om de reikwijdte van de commissie aan de orde stellen. Die is nu wel heel erg groot aan het worden, wat wellicht niet gunstig zal zijn voor de snelheid van werken van de commissie. Kan de minister ons op dat punt geruststellen?

Ik wil iets zeggen over de glossy’s. Ik ben blij dat ook de heer Van Dam zegt dat daar stevig naar gekeken moet worden en dat daar wellicht zelfs de wet voor moet worden aangepast.

Ik wil ten slotte nog iets zeggen over mijn motie. Die ging niet alleen over de WBSO, maar ook over revolving fund en over aan onderzoeksjournalistiek geoormerkte matching grants. In de motie werd gevraagd om dat te onderzoeken. Ik zal deze motie vanavond in stemming laten brengen, want dat kan natuurlijk uitstekend worden meegenomen bij het onderzoek dat de minister gaat uitzetten. Het sluit volgens mij ook aan bij de opmerkingen van de heer Atsma over de rol van EZ in dit hele verhaal. Ik hoop dat de minister ook zo naar die motie kan kijken.

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. De heer Van der Ham maakt zich zorgen over de reikwijdte en de breedte van die commissie. Hij zal het toch met mij eens zijn dat er ook moet worden gekeken naar de invloed van andere media op die perswereld? Ik zie hem bevestigend knikken.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Er is door een aantal collega’s eigenlijk een vluchtweg gevonden. Die vluchtweg heet het ministerie van Economische Zaken, zowel waar het gaat om de WBSO als waar het gaat om staatssteun. Ik wil de verwachtingen niet helemaal de bodem inslaan, maar volgens mij komt daar weinig uit.

Ik heb nog een paar opmerkingen. Ik sluit mij aan bij de behoefte van de fractie van de PVV aan een VAO, maar het zou wat mij betreft niet per se vanavond hoeven te worden gehouden. Gelet op de volheid van de agenda, zou het ook na het reces kunnen plaatsvinden. Tijdens dat VAO zal in ieder geval mede namens collega Halsema een motie worden ingediend over de STER.

De redenering van de minister naar aanleiding van de ontwikkelingen bij de Raad voor de Journalistiek is wonderlijk. Hij verwijst naar het besluit van De Telegraaf en zegt dat die krant nu al te veel last heeft van toezicht. Daar gaat voor mij de discussie niet over. De discussie gaat over de vraag of er aanleiding is om de positie van de burger te versterken. Als dat het centrale thema is, dan kiezen wij ten aanzien van economische sectoren natuurlijk wel eens vaker voor regelgeving. En vooral niet bij de minister zelf! Dat zeg ik hem gaarne na. En als het zelfregulering kan zijn, dan is mij dat ook een lief ding waard. Ik ben alleen bang dat het er niet van zal komen. De WRR, de RMO en het Sociaal en Cultureel Planbureau hebben drie, vier jaar geleden immers exact hetzelfde verhaal gehouden. Er is dus nog heel weinig van terechtgekomen.

Ik wacht de resultaten met betrekking tot de commissie en het budget af. Ik ben dus niet voor de beperkte insteek en ik ben ook niet voor voeding uit STER-reclame. Die discussie zullen wij bij een andere gelegenheid voeren, want ik heb begrepen dat daar nu het laatste woord nog niet over wordt gesproken.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik wil de minister dankzeggen voor zijn beantwoording. Kern van die beantwoording is toch dat er een tijdelijke commissie komt, zoals hij zich al had voorgenomen in het kader van de innovatie. Die commissie krijgt nu echter een dubbele opdracht, er moeten namelijk ook een verkenning en hopelijk een pakketje aanbevelingen over de toekomst van de nieuwsvoorziening komen. Dat alles zou binnen een half jaar moeten gebeuren. Heb ik dat goed begrepen? Ik heb begrepen dat het gedeelte met betrekking tot de innovatie liefst eerder gereed moet zijn, zo mogelijk binnen negen weken, en dat die bredere doelstelling binnen een half jaar moet worden bereikt. Kan de minister dat bevestigen? Mij lijkt dat op zichzelf het best mogelijke voor dit moment, los van alle andere kanttekeningen die erbij gemaakt zijn en alle aspecten die erbij betrokken moeten worden. Hoe meer daar weer bij gevoegd wordt, hoe meer spanning er natuurlijk ook zal kunnen komen te staan op die termijnen. Maar dat zien we dan wel.

De voorzitter: Ik wil de leden nog even een praktisch punt meegeven. Ik wijs erop dat de Voorjaarsnota hier over het algemeen eind juni wordt behandeld. Willen wij daarin financiële consequenties opnemen, dan hebben wij geen zes maanden.

Het woord is aan de minister voor zijn antwoord in tweede termijn.

Minister Plasterk: Voorzitter. De heer Bosma heeft drie moties aangekondigd. Dan gaan wij onze avond daar maar aan besteden.

De heer Bosma (PVV): U kunt ze ook nu alvast afraden!

Minister Plasterk: Ik wil ze eerst lezen en zal ze dan afraden.

De heer Van Dam heeft gevraagd of ik de Kamer kan informeren over de opdracht en de samenstelling van de commissie. Dat zeg ik toe. De heer Van Dam is kritisch over de bladen van de publieke omroep. Ik denk dat wij die discussie in het kader van de Erkenningenwet kunnen voeren. Dan moeten wij er maar op terugkomen. Volgens de huidige regelgeving mag het. Als de Kamer dat echt onwenselijk acht, dan moeten wij die discussie op dat moment dus voeren. Het lijkt me wel dat daarover dan nog een hele discussie zal worden gevoerd.

De heer Atsma heeft mij gevraagd om te kijken naar het nultarief voor de btw op kranten. Het is waar dat dit nultarief in een paar Europese landen wordt gehanteerd. Ik heb er ook al naar geïnformeerd. In België heeft men die btw nooit ingevoerd. Daar is dus ook nooit toestemming voor gevraagd in Brussel. Hoe de Brusselse molens precies in België draaien, weet ik ook niet, maar dat ontmoet elkaar kennelijk niet. Daar is dus nog nooit een beoordeling van geweest. Die situatie bestaat nog, maar ik ben er 100% zeker van dat een verzoek in Brussel om het btw-tarief lager te laten zijn dan het lage tarief, op een groot «njet» zal stuiten. Ik zou het graag doen als het mogelijk was, maar ik weet echt zeker dat het niet kan. Dan heeft het ook geen zin om daar nog meer energie in te steken.

De heer Atsma heeft opgeroepen tot meer samenwerking tussen de publieke omroep en de geschreven pers. Ik wil die oproep zeer ondersteunen. In elke relatie is wel eens een fikse ruzie. Vaak is zo’n ruzie ook weer een mooie aanleiding om daarna elkaar in de armen te sluiten en vrolijk voorwaarts te gaan. Misschien kan dat in dit geval ook zo’n effect hebben.

De heer Slob heeft nadrukkelijk gevraagd naar het aankloppen bij het ministerie van Economische Zaken. Ik heb toegezegd dat ik dat wil doen, maar de heer Remkes heeft daar terecht bij aangetekend dat wij maar even moeten kijken of ook werkelijk de argumenten gevonden kunnen worden die de collega’s bij Economische Zaken aanspreken. Wij hebben gesproken over een bijdrage in de vorm van een storting in het Fonds. Dat lijkt me niet direct realistisch. Ik denk dat het dan zaak is om naar specifiekere regelingen te kijken. Ik zal mijn best doen.

Ik ben blij dat de heer Slob de instelling van de commissie met die bredere doelstelling heeft ondersteund.

Ik heb naar aanleiding van de tweede termijn van de heer Van Dijk het steekwoord «debatje» opgeschreven. Mij schiet nu even niet te binnen waar dat op slaat.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat ging over een debatje na het kerstreces.

Minister Plasterk: Het is aan de Kamer wanneer zij daarover wenst te debatteren. Ik kan alleen maar zorgen dat ik haar de informatie zend.

De heer Van Dijk heeft een vraag gesteld over een zinsnede in mijn brief over het aanspreken van de eigenaren van kranten op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat heb ik in feite vandaag ook gedaan door te zeggen dat ik de manier waarop met PCM is omgegaan en de consequenties daarvan voor bestuurders, die daar persoonlijk ook weer beter van geworden zijn, stuitend vind. Dat zijn voor een deel bestuurders die nog steeds in die positie verkeren. Dat lijkt mij toch niet uit te leggen. Ik heb overigens wel in mijn brief op pagina 8 aangegeven dat ik op dat hele onderwerp zal terugkomen bij de evaluatie van de Tijdelijke wet mediaconcentraties.

Ik heb nog een opmerking naar aanleiding van zijn terloopse commentaar over buitenlandse eigenaren. Dat klinkt natuurlijk altijd erg bedreigend, maar gisteren bij het Algemeen Dagblad waren zowel de redacteur als de journalisten buitengewoon content met het feit dat zij door de Persgroep in België worden opgenomen, omdat dat een organisatie is die een aantal serieuze kranten onder haar beheer heeft en daar ook op een verantwoordelijke manier mee omgaat. In die zin wil ik dus niet de indruk wekken dat buitenland altijd slecht nieuws hoeft te zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP): Daarom had ik u gevraagd om een toets. Die wordt ook in uw brief besproken.

Minister Plasterk: Nogmaals, daar kom ik bij de evaluatie van de Tijdelijke wet mediaconcentraties op terug.

De heer Van der Ham deelde de kritiek op de glossy bladen. Daar komen wij bij de Erkenningenwet op terug. Ik ben het eens met de opmerking van mevrouw Halsema dat de commissie niet te breed moet worden, omdat zij wel slagvaardig moet blijven. De heer Van der Ham heeft deze opmerking van mevrouw Halsema doorgegeven, maar hij heeft ook gevraagd of een aantal aspecten uit zijn motie niet in het onderzoek van de commissie zouden kunnen worden meegenomen. Daar moeten wij dan natuurlijk wel een balans in zoeken. Er zit immers ook een aantal aspecten in die motie die wat breder uitwaaieren dan alleen maar de steun aan de gedrukte pers waar wij nu, wat mij betreft, in de taakopdracht over zouden moeten praten. De heer Remkes heeft zijn scepsis uitgesproken over de kansen dat EZ bereid zal zijn om de krantensector te hulp te schieten. Daar heb ik kennis van genomen.

Hij heeft voorts gesproken over het versterken van de positie van de burger als het gaat om de producten van de journalistiek. Daar heb ik op zichzelf wel sympathie voor, maar wij zullen toch met elkaar van mening zijn dat het instrument waarmee de overheid dan regulerend gaat optreden ten aanzien van de pers, iets is waar je zo lang mogelijk en zo ver mogelijk vandaan zou moeten blijven. Dat is in ieder geval mijn positie.

De heer Remkes (VVD): Als binnen nu en afzienbare tijd alle belangrijke dagbladen een eigen ombudsman zouden hebben, dan zou de minister mij niet op deze manier horen. Dat is nog lang niet in beeld. Wat de variant is -en die beweegt zich helemaal buiten de invloedssfeer van de minister – dat is het Zweedse model waarbij er een ombudsman is, met sanctiemogelijkheden.

Minister Plasterk: De heer Van Dam probeerde mij ook al uit te lokken door te vragen wat ik zou gaan doen als de Raad voor de Journalistiek zou omvallen. Ik wil daar niet op vooruitlopen. In algemene zin zeg ik het volgende. Hoe langer wij weg kunnen blijven van wettelijk ingestelde sanctiemogelijkheden bij overheidsorganen die toezien op de pers, hoe liever het mij is.

De heer Van der Vlies heeft van de tien weken die ik had toegezegd en die ik eigenlijk al kort vond voor dat eerste deel van het advies van de commissie, nog een weekje af gesmokkeld. Hij sprak al over negen weken. Wat mij betreft, houd ik het nog even op een maand of drie. Het gaat in ieder geval om die orde van grootte.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van dit algemeen overleg. Ik wijs erop dat er vanavond bij de VAO’s een kerstregime wordt gehanteerd. Er mogen dus alleen moties worden voorgelezen. Die mogen niet worden toegelicht.

Toezegging

De Kamer ontvangt in het kerstreces de brede opdracht voor de commissie.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

La Rocca


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Van Dijken (PvdA), Elias (VVD), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Timmer (PvdA), Thieme (PvdD), Halsema (GroenLinks) en Gerkens (SP).