Gepubliceerd: 20 februari 2009
Indiener(s): Jan de Wit
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31700-XV-55.html
ID: 31700-XV-55

31 700 XV
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2009

nr. 55
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 februari 2009

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft op 28 januari 2009 overleg gevoerd met minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, d.d. 4 december 2008, betreffende planningsoverleg d.d. 10 december 2008 (31 700 XV, nr. 46);

– de brief van de minister-president, d.d. 9 december 2008, betreffende ontslag en benoeming staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (31 700 XV, nr. 47);

– de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, d.d. 15 januari 2009, betreffende reacties op aangenomen moties en amendementen SZW begroting 2009 (31 700 XV, nr. 53).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Karabulut Griffier: Post

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Kennismaking

De voorzitter: Goedemorgen allemaal. Welkom bij de vergadering van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit is een kennismakings- en planningsoverleg. Ik heet welkom de leden, de minister en in het bijzonder staatssecretaris Klijnsma, opvolgster van oud-staatssecretaris Aboutaleb, de huidige burgemeester van Rotterdam. Ik stel voor om te beginnen met een korte kennismaking met de staatssecretaris en om vervolgens de agendastukken aangaande de planning te bespreken.

Het woord is aan de staatssecretaris om kort te vertellen wie zij is en wat zij gaat doen. Daarna kunnen de leden vragen stellen.

Staatssecretaris Klijnsma: Voorzitter, geachte afgevaardigden. Ik ben Jetta Klijnsma. Tot voor kort was ik wethouder van Cultuur en Financiën in Den Haag en daarvoor was ik wethouder van Welzijn, Volksgezondheid en Emancipatie. Daardoor ken ik sommige afgevaardigden al behoorlijk goed, maar lang niet iedereen. Het is fijn om de voor mij nieuwe Kamerleden nader te leren kennen.

Ik ben nu dik een maand staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het is niet allemaal nieuw voor mij. Voordat ik wethouder was, heb ik intensief in dit gebouw rondgelopen, want ik heb hier jarenlang gewerkt in de ondersteuning van de fractie van de Partij van de Arbeid. Ik ben in 1998 vertrokken. Ik was toen hoofd van de beleidsafdeling en ik had behoorlijk wat inzicht in de verschillende beleidsonderdelen. Dat is wel heel plezierig. Het is ook plezierig om iets te weten over de mores in dit huis, en dus hoe men met elkaar verkeert. Ik hoop dat wij op die manier met elkaar verder kunnen verkeren.

Ik heb noch als wethouder noch als beleidsmedewerker sociale zaken in mijn pakket gehad. Ik heb mij de afgelopen maand als de wiedeweerga ingelezen in alle dossiers. Ik pretendeer niet dat ik nu alle kennis al in pacht heb, maar het komt wel. Wat ik erg plezierig heb gevonden, is dat ik met sommige leden van de commissie al heb mogen praten, en dat ik in het land al her en der heb gekeken naar hoe het beleid uitwerkt en wat wij moeten doen om het nog verder te vervolmaken. Dat ben ik ook zeer van zins de komende maanden. Ik kijk graag met de commissie verder naar de vormgeving van het beleid. Die wil ik ook toetsen in het land, want dat is ook heel wezenlijk.

Ik vertrouw op de goede samenwerking met de commissie. Daar kijk ik ook echt naar uit. Ik hoop dat zij mij ook weet te vinden in voorkomende gevallen, want dat kan soms heel belangrijk zijn. Ik heb er wel zin in, moet ik zeggen!

De voorzitter: Dank u wel. Ik geef de leden de gelegenheid om een vraag te stellen, te beginnen met mevrouw Timmer van de fractie van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Timmer (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar inleiding en de warme woorden die zij spreekt over samenwerking. Ik ga uit van een goede samenwerking. Wij kennen elkaar inderdaad al langer.

Ik neem aan dat niets verandert in de portefeuilleverdeling tussen de staatssecretaris en de minister? Misschien is het goed om dat nog even met elkaar vast te stellen.

Ik heb twee inhoudelijke vragen. De eerste stel ik aan de minister. Er is gereageerd op aangenomen moties en amendementen. Mijn vraag gaat specifiek over de motie-Spies inzake een SER-advies over jongeren met problemen. De minister schrijft dat de vier grote steden daarmee specifiek iets gaan doen, maar dat nog gewacht wordt op een SER-advies over deze groep. Wanneer verwacht de minister dat advies? Wij wachten op een aantal terreinen op een aantal adviezen. Ik heb het idee dat het in de tijd steeds doorloopt, omdat wij steeds weer nieuwe adviezen vragen. De Kamer gaat natuurlijk niet over de prioritering, maar ik zou daar graag iets over horen.

Mijn tweede inhoudelijke vraag betreft de Wet Vazalo. Deze wet zal de staatssecretaris bekend voorkomen, want hij is een initiatief van mevrouw Noorman-den Uyl. Ik las in een persbericht dat de staatssecretaris goed begonnen is door een extraatje aan te kondigen voor alleenstaande ouders die gaan werken. Er wordt een aantal experimenteergemeenten aangewezen. Kan de staatssecretaris aangeven welke gemeenten dat zijn, op basis van welke criteria zij worden gekozen en op welke wijze zij ondersteund gaan worden?

Ik heb verder geen opmerkingen over de ontvangen stukken over de planning en de uitvoering van aangenomen moties en amendementen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en heet haar welkom. Ik begrijp dat zij al een algemeen overleg heeft meegemaakt. Wat dat betreft is dit dus niet helemaal een kennismakingsoverleg. Mijn fractie ziet uit naar de samenwerking tussen de staatssecretaris en de Kamer.

Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris dezelfde portefeuille heeft als de heer Aboutaleb. Er zijn drie elementen waarvan ik op dit moment wil weten hoe de staatssecretaris daar globaal over denkt. Het eerste betreft de problematiek van de onderkant van de arbeidsmarkt. Als er één element is, waarvan de coalitie gezegd heeft dat het daar deze kabinetsperiode iets aan wil doen, dan is het ervoor te zorgen dat mensen aan de onderkant op de arbeidsmarkt terechtkomen. Hoe ziet de staatssecretaris dat voor zich in het licht van de huidige economische omstandigheden? Die zouden het een stukje lastiger kunnen maken om die doelstelling te realiseren.

Het tweede element betreft de effectiviteit van de re-integratiemarkt. Ik zet enige vraagtekens bij de besteding van de middelen op dat terrein. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan?

De markt voor de persoonlijke dienstverlening is het derde element. Daar heeft mijn fractie nogal wat aandacht voor gevraagd. Zij heeft het gevoel dat de aandacht voor en omarming van de gedane voorstellen op het ministerie wel iets groter mogen zijn dan die in de afgelopen periode is geweest. Wat vindt de staatssecretaris daarvan?

De heer Ulenbelt (SP): Voorzitter. Ik heb eerder met deze staatssecretaris overlegd. Toen heb ik gezegd dat ik een beetje medelijden met haar had, omdat zij in deze tijd aan deze klus begint. Het regeerakkoord en het beleid dat daaruit voortvloeit, zijn ingegeven door het idee dat wij voor eeuwig met arbeidskrapte zullen kampen. Dat is niet zo. De minister heeft gezegd dat er massaontslagen komen. Die komen nu ook, sneller nog, denk ik, dan de minister had verwacht. Hoe dan ook, het beeld is totaal veranderd.

In de eerste mededeling van het kabinet waar de naam van de staatssecretaris onder staat, staat dat zij nog eens 10 000 niet-uitkeringsgerechtigden aan het werk gaat helpen. Denkt zij dat dit haalbaar is? Werkgevers zeggen het al: mensen die langs de kant staan met beperkingen, moeilijk, moeilijk, moeilijk. Anderen moeten van werk naar werk. Ik ben dus benieuwd hoe de staatssecretaris die 10 000 nuggers, zoals niet-uitkeringsgerechtigden genoemd worden, ertussen denkt te proppen. En wat gaat zij doen, als dat haar niet lukt?

De heer Blok (VVD): Voorzitter. Ik begin ook met het hartelijk welkom heten van de vrouw die vroeger mijn wethouder was en met wie ik ook leuke ervaringen hier in de stad heb. Zij is nu staatssecretaris. Ik begin dan wel met «mijn wethouder», maar het is natuurlijk wel zo dat de rollen nu zo zijn verdeeld dat ik van Hare Majesteits loyale oppositie ben en als belangrijke taak het bestrijden van «de rooien» heb! Niettemin wil ik tussen dat werk door de persoonlijke verhoudingen graag goed houden!

Minister Donner: Toch blijft het ook uw staatssecretaris.

De heer Blok: Ja, dat is staatsrechtelijk even zo geregeld. Hetzelfde geldt voor «Anti-revolutionaire» ministers.

De voorzitter: Mijnheer Blok, de minister had het woord niet en u hoeft niet op zijn opmerking te reageren. Ik wil het u maar meegeven.

De heer Blok (VVD): Ik heb een concrete vraag in verband met het planningsoverleg, en die betreft de Algemene nabestaandenwet. Daar staat nu opeens achter: nog nader te bezien. Ik heb de voorganger van deze staatssecretaris zeer gecomplimenteerd dat hij het idee uit de notitie van de PvdA om hier eens kritisch naar te kijken, heeft uitgevoerd. Dat vond ik moedig. Dat heb ik ook tegen hem gezegd. Ik zou die moed ook waarderen in zijn opvolger.

De heer Ulenbelt (SP): Voorzitter, mag ik een vraag aan u stellen? Een aantal mensen gaat inhoudelijk in op de agenda. Ik heb dat niet gedaan. De heer Blok doet het nu weer wel. Ik ben dus een beetje in verwarring of ik dat alsnog mag doen.

De voorzitter: Wij gaan de stukken nog per punt behandelen. Ik verzoek de heer Blok om deze vraag te bewaren, althans de staatssecretaris kan hem in een later stadium beantwoorden.

Het woord is nu aan de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (VVD): Voorzitter. Ik heet de staatssecretaris zeer hartelijk welkom. Ik zie zeer uit naar de samenwerking. Ik hoop dat die heel snel veel vorm krijgt, want ik stop over een halfjaar als woordvoerder op dit terrein. Ik hoop dus genoeg met deze staatssecretaris te maken te krijgen. Ik wens haar voor dit halfjaar en daarna alvast erg veel succes!

De vorige staatssecretaris, de heer Aboutaleb, zei zelf weleens dat hij gezien werd, bijvoorbeeld in Amsterdam, als de extra liberale wethouder. Ook in debatten hier gaf hij weleens aan dat hij zich in redelijk liberale bewoordingen kon vinden of die zelf gebruikte. Dat deed hij zozeer, dat mij weleens het gevoel bekroop dat het regeerakkoord eerder een keurslijf voor hem was dat hem beperkte in wat hij zou willen dan dat het de beste basis was voor zijn beleid. Hoe ziet de staatssecretaris haar positie in het licht van het regeerakkoord? Er is nu een heel nieuwe economische situatie, zoals de heer Ulenbelt terecht zegt.

Ik wil de staatssecretaris hierbij een voorbeeld voorhouden, namelijk de principiële en harde discussie over de sollicitatieplicht van bijstandsmoeders. Dit is heel pikant, omdat wij weten dat de gewaardeerde collega van deze staatssecretaris, de heer Henk Kool, de voorhoede vormde van het verzet tegen het kabinetsplan om de sollicitatieplicht voor bijstandsmoeders op te heffen. Het gaat mij niet om het leuke spelletje «hoe gaat u om met uw rolwisseling?», maar om de wezenlijke vraag hoeveel ruimte deze staatssecretaris wil nemen. Hoezeer wil zij luisteren naar wat de steden en gemeenten vinden waar het werk gebeurt? Daaraan is het principiële punt gekoppeld dat de vorige staatssecretaris in algemene bewoordingen zei – waarin ik mij vaak goed kon vinden – dat werk het beste wapen is in de strijd tegen armoede, het geïsoleerd raken van mensen en vele andere problemen in deze samenleving, en dat alles voor dat doel in het werk moet worden gesteld. Daarom was deze lakmoesproef zo’n enorme teleurstelling voor de VVD-fractie, want de vorige staatssecretaris ging een andere kant op dan de PvdA-wethouders in de grote steden wilden.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ook mijn fractie heet de staatssecretaris welkom en kijkt uit naar de samenwerking met de staatssecretaris, en eigenlijk ook wel een beetje naar de samenwerking tussen haar en minister Donner. Zij moet zich niet laten overschaduwen.

Staatssecretaris Klijnsma: Dat doe ik niet.

De voorzitter: Ik hoorde dat zij dagelijks gezamenlijk fietsen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als zij ook op andere dossiers gezamenlijk optrekken, dan zou dat een enorme vooruitgang zijn. Het ontslagrecht zal niet aan de staatssecretaris besteed zijn, maar wel aan minister Donner. Ik kijk uit naar wat daar ooit mee gebeurt.

De staatssecretaris heeft beperkt de tijd. Zij treedt eigenlijk over de helft van deze kabinetsperiode tot het kabinet toe. Zij zal zichzelf een aantal prioriteiten moeten stellen. Welke prioriteiten stelt zij? In welke dossiers gaat zij zich met name verdiepen? Hoe ziet zij haar taak in het licht van de recessie en de kredietcrisis?

De voorzitter: Ik dank de leden voor hun vragen. Er zijn geen vragen aan de minister.

Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Klijnsma: Voorzitter. Het is heel plezierig dat ik zo hartelijk welkom wordt geheten door de leden. Dat voelt goed. Het is alsof ik weer een beetje thuiskom. Toen ik hier wegging, deed ik dat een beetje met pijn in het hart, want het Binnenhof is een bijzondere plek. Het is fijn om hier weer te bivakkeren en zo door de Kamer ingehaald te worden!

Tegen mevrouw Timmer zeg ik dat de portefeuilleverdeling in stand blijft. De minister en ik hebben daar uitgebreid over gesproken. Wij kunnen goed met deze portefeuilleverdeling uit de voeten. Mevrouw Koşer Kaya onderstreepte al dat bewindspersonen op een departement de klus gewoon samen hebben te klaren. Als dat niet helemaal goed gaat, dan heb je een probleem. Ik kan u allen meedelen dat de minister en ik regelmatig denken op te gaan fietsen, maar het is niet zo dat de minister op mijn tandem per definitie het stuur in handen heeft!

Voorzitter, mag ik al ingaan op de Wet Vazalo?

De voorzitter: Dat mag heel kort, want ik geloof dat het niet terugkomt in het overleg.

Staatssecretaris Klijnsma: Het kan ook heel kort. Mevrouw Timmer vraagt naar de experimenteergemeenten. Er zijn er 27. Wij zullen de Kamer tussentijds verslag uitbrengen over hoe een en ander reilt en zeilt. Het experiment duurt een jaar. Het lijkt mij een goed idee om de Kamer daarover tussentijds iets te melden.

De heer Van Dijk zegt: dit is wel ingewikkeld. Met de heer Ulenbelt heb ik daarover ook gesproken in mijn eerste algemeen overleg. De heer Ulenbelt heeft zelfs een beetje medelijden met mij, omdat ik in kommervolle tijden aantreed. Dat is inderdaad waar. Als je op SZW komt en de onderkant van de arbeidsmarkt in je portefeuille hebt, dan is het prettiger, of tenminste relatief eenvoudig, om binnen te vliegen bij economische omstandigheden waarin de bomen tot in de hemel groeien. Nu is dat even niet het geval. Dan is het toch zaak om ook mensen die aan de onderkant van de arbeidsmarkt zitten, door dit zware economische tij heen te loodsen. Dit kabinet, mijn voorganger, Ahmed Aboutaleb, heeft afspraken gemaakt, in de zin van te halen doelstellingen. Die zijn gemaakt onder een economisch gunstig gesternte. Misschien moeten wij ze opnieuw bezien, omdat het economisch tij is veranderd. Ik heb twee weken geleden intensief overlegd met de VNG en ik heb al contact gehad met meerdere wethouders. Die kunnen op dit moment goed uit de voeten met het instrumentarium van de Wet werk en bijstand (WWB). Ik begrijp uit het onderlinge debat van de leden dat dit hier een aandachtspunt is. Dat moet ook. Het instrument van de re-integratie snijdt veel hout. Men is druk doende om mensen vanuit de WWB naar werk te geleiden.

Ik ben zeer van plan om de Kamer op de hoogte te houden over hoe een en ander verloopt. Het kabinet heeft gezegd dat het de Kamer van tijd tot tijd wil melden welke ontwikkelingen er zijn en hoe het daarop denkt te reageren. In die context vind ik dat dit ook aan haar moet worden overlegd. Daar zijn wij zeker mee doende, met dien verstande dat op dit moment mij nog geen signalen bereiken dat gemeenten de doelstellingen niet zouden kunnen halen. Wij kennen echter het economische gesternte en moeten daar rekening mee houden in de omgang met onze partners van de decentrale medeoverheden.

De heer Van Dijk vraagt naar de markt van de persoonlijke dienstverlening. Ik weet dat mijn voorganger daarmee doende is geweest. Ik zal mij als de wiedeweerga verdiepen in de stand van zaken. Ik informeer de Kamer zo snel mogelijk daarover.

De vraag van de heer Blok komt later nog aan de orde.

De heer Nicolaï zegt dat mijn voorganger te boek stond als redelijk liberaal binnen sociaaldemocratische context. De heer Aboutaleb droeg een lastig dossier onder zijn arm, ook gelet op de manier waarop de verschillende wethouders in het land erop reageerden. Ik heb het inderdaad over de sollicitatieplicht voor bijstandsmoeders. Dat wetsvoorstel heb ik pal voor het kerstreces afgehandeld in de Eerste Kamer. Toen was ik net twee dagen staatssecretaris. Ik heb dat op de inhoud niet contrecoeur gedaan, omdat het wetsvoorstel niet alleen maar gaat over het, onder voorwaarden natuurlijk, opheffen van de sollicitatieplicht, maar omdat er ook heel stevig uit spreekt dat je alleenstaande moeders moet steunen in de gang naar de arbeidsmarkt. Dat kan heel goed, en dat moet ook, met onderwijs. Gemeenten worden verplicht om dat goed aan te leveren. Ik weet dat dit in het verleden nogal eens te wensen overliet. Ik heb het wetsvoorstel in de Eerste Kamer met inzet verdedigd. Het is ook aangenomen. Wij voeren het dus uit. Ik ben het namelijk met de heer Nicolaï eens: het beste wapen in de strijd tegen armoede is en blijft betaald werk.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt naar mijn interactie met de minister. Daar heb ik zojuist al iets over gezegd. Ik heb inderdaad niet de volle vier jaar van een kabinetsperiode. Ik spring op de rijdende trein. Er is ook al een aantal zaken in gang gezet; niet te weinig. Die wil ik netjes afhandelen. Mijn eigen prioriteiten liggen bij de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Het kabinet komt binnenkort met een reactie op het rapport-De Vries. Ik doe mijn uiterste best om die voor 1 maart aan de Kamer te sturen. Ik heb de afgelopen weken intensief overlegd met alle partners die ertoe doen en ik heb vijf of zes WSW-bedrijven bezocht, want ik wil mij snel inwerken op dit dossier. Een andere prioriteit blijft het instrumentarium dat wij delen met de medeoverheden, dus de WWB in al zijn facetten. Daarop kun je zaken stoelen als schuldhulpverlening en armoedebestrijding, maar ook de hele re-integratie en de weg naar participatie. De Kamer kan mij daar zeker op aanspreken de komende tijd.

Planning

De voorzitter: Ik dank mede namens de leden de staatssecretaris voor haar antwoorden. Wij hebben hiermee de eerste kennismaking achter de rug. Wij zullen de komende maanden en jaren nog vaker over de inhoudelijke onderwerpen spreken.

Dan wil ik nu overgaan tot het planningsoverleg. De commissie heeft een aantal bijlagen ontvangen. Ik stel voor dat wij de stukken per bijlage behandelen. De leden krijgen per bijlage gelegenheid tot het stellen van vragen, die de bewindslieden dan direct beantwoorden.

Bijlage 1a betreft de door de Tweede Kamer voor het kerstreces af te handelen wetsvoorstellen. Dat is al voorbij, maar de heer Van Dijk heeft een vraag.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): In de bijlage staat de motie-Van Hijum c.s. betreffende het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de financiering van de REA-instituten.

De voorzitter: Wij behandelen nu niet de moties.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Sorry, ik vergis mij.

De voorzitter: Wij spreken nu over de planning. Wij gaan naar bijlage I b: overige aanhangige wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer. Heeft iemand daar vragen, op- of aanmerkingen over? De heer Ulenbelt heeft een vraag.

De heer Ulenbelt (SP): Mijn vraag betreft het voorstel tot wijziging van de WW. Dat wetsvoorstel is duidelijk geschreven voor goede tijden. Het worden nu slechte tijden. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, dan komen mensen met een behoorlijke opleiding tegen hun zin terecht in nogal gedegradeerde arbeid aan de onderkant. Is dit voor de minister aanleiding om het wetsvoorstel in te trekken?

De voorzitter: Zijn er nog andere vragen over deze bijlage? Mijnheer Van Dijk?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik wil over hetzelfde onderwerp dat de heer Ulenbelt aansnijdt, juist het tegenovergestelde beweren. Het is van groot belang dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk behandeld wordt om ervoor te zorgen dat wij mensen zo kort mogelijk in die bakken laten zitten. De staatssecretaris heeft daar zojuist al iets over gezegd. Het kabinet heeft een steuntje in de rug gekregen door het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Daarin is aangetoond dat het van groot belang is dat mensen zo snel mogelijk weer contact met de arbeidsmarkt krijgen, ook al is dat op een iets lager niveau dan zij eerst zaten.

Mevrouw Timmer (PvdA): Het UWV krijgt hier als werkbedrijf nadrukkelijk een taak in. Kunnen de UWV’s in deze nieuwe tijden daaraan voldoen, qua bezetting enzovoorts?

De voorzitter: Het woord is aan de minister.

Minister Donner: Dank u, voorzitter. Ik moet wijzen op een fout in de bijlage. De wijziging van het begrip passende arbeid gaat niet in per 1 juli 2007, zoals hier staat, maar per 1 juli 2009. Overigens is het al de huidige praktijk sinds 1 juli vorig jaar. Hier gaat het om een wetswijziging die het mogelijk maakt om de compensatie te regelen aan de hand van de hoogte van de uitkering en niet aan de hand van het urencriterium. Dit is bedoeld om het inkomen, in gevallen waarin iemand werk krijgt aangewezen dat een inkomen oplevert dat lager is dan de WW-uitkering, zo nodig aan te vullen tot de hoogte van de WW-uitkering. Dus de huidige praktijk zal bij wet ingaan per 1 juli 2009. Dat laat uiteraard onverlet dat er dan wel werk moet zijn – dat erken ik volledig met de heer Ulenbelt – anders is de regeling als zodanig niet van toepassing. Deze berust gewoon op het inzicht dat hoe langer iemand van de arbeidsmarkt is, des te geringer de kans is dat hij überhaupt nog werk zal vinden. Dat is een algemeen ervaringsgegeven. Juist in tijden van omvangrijke ontslagen is dit het geval, zo bevestigt het onderzoek van de WRR. Degenen die meteen naar andere arbeid zoeken, hebben de meeste kans om opnieuw duurzame arbeid te vinden en gemiddeld ook tegen een hoger inkomen dan voor die tijd. Deze wet is alleen maar nodig om dat te faciliteren teneinde het inkomen te kunnen aanvullen tot de hoogte van de WW-uitkering.

De voorzitter: Voordat wij overgaan naar bijlage I c wil ik erop wijzen dat dit een planningsoverleg is. Dat betekent dat er vragen gesteld moeten worden naar aanleiding van de planning en dat wij hier geen inhoudelijke debatten gaan voeren. Bijlage I c gaat over de nog in te dienen wetsvoorstellen tot aan het zomerreces 2009.

De heer Blok (VVD): Voorzitter. Ik heb een vraag gesteld over punt 12 met betrekking tot de ANW. Daaronder staat punt 13. Voorstel van wet tot wijziging van de Pensioenwet in verband met fase II van de API. Die wijzigingen van het pensioenregime hebben wel wat haast in mijn beleving en ook volgens de pensioensector. Fase 1 is nog niet afgerond en hier wordt een fase 2 aangekondigd, waar wat mij betreft wel haast mee moet worden gemaakt. Ik ben benieuwd wat de minister daarvan vindt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een vraag over punt 4, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor personen met een inkomen van € 75 000 of hoger. Ik begrijp dat dit voor het kersreces wordt ingediend. Ik vraag mij af waarom dat niet eerder mogelijk is.

De heer Blok (VVD): Dat was vast het vorige kerstreces.

De voorzitter: Ik verzoek de leden om niet op elkaar te reageren. Het woord is aan de heer Ulenbelt.

De heer Ulenbelt (SP): Mijn vraag is ook of dit het kerstreces 2008 of 2009 is. Bijlage I c gaat over nog in te dienen wetsvoorstellen tot aan het zomerreces 2009. Ik ben benieuwd naar de stand van zaken. Ondertussen zijn er op dit gebied ook ontwikkelingen. Ik zou de minister, ter voorbereiding van de behandeling van dit wetsvoorstel, willen vragen of hij een overzicht kan geven van de oordelen die op basis van de nieuwe kantonrechterformule worden uitgesproken en, als dat enigszins kan, die te vergelijken met de vorige uitspraken. Als dat allemaal erg lastig is, verzoek ik de minister om een quickscan onder kantonrechters te doen om te zien wat de verschillen in toepassing van beide formules zijn.

De voorzitter: Ik geef het woord aan de staatssecretaris naar aanleiding van de vraag over de ANW.

Staatssecretaris Klijnsma: Ik heb begrepen dat er op basis van een motie die de Kamer heeft aangenomen een brief dient te komen van de zijde van het kabinet. Daar ben ik mij op aan het beraden. Ik neem aan dat die brief er in april kan zijn en dat daarna het wetsvoorstel wordt gepresenteerd.

De voorzitter: Dan is het woord aan de minister voor de beantwoording van de overige vragen.

Minister Donner: Voorzitter. Ik deel de mening van de heer Blok over het belang van een zo snel mogelijke invoering van de tweede fase met betrekking tot het pensioenregime. Eind van deze maand verwacht ik het advies van de Bond van Verzekeraars. Dat is wel wezenlijk bij deze voorstellen. Ik heb toegezegd om te bevorderen dat het wetsvoorstel er daarna zo snel mogelijk ligt.

Wat de vraag over het wetsvoorstel over de aftopping van de ontslagvergoeding betreft klopt het dat het de bedoeling was om dit voor het afgelopen kerstreces in te dienen. Helaas heb ik pas onlangs het advies van de Raad van State gekregen, waarbij ik niet impliceer dat de vertraging bij de Raad van State ligt, want ik geloof dat wij het ook wat later voor advies voorgelegd hebben. In ieder geval hoopt het kabinet dat wetsvoorstel op zo kort mogelijke termijn in te kunnen dienen. Wij zullen eerst nog over het advies van de Raad van State in de ministerraad spreken. Daar kan de Kamer zelf uit afleiden wat zij wil.

De heer Ulenbelt vroeg om een overzicht van de oordelen op basis van de nieuwe kantonrechterformule. Het is niet mogelijk om een quickscan onder kantonrechters te houden. Dat stuit op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Rechters kunnen zich niet uitlaten over het recht zonder dat zij in het kader van een oordeel daarover spreken. De enige wijze waarop een rechter spreekt, is in een vonnis en een uitspraak. Derhalve ben ik aangewezen op de uitspraken op dit terrein. Ik zou niet weten of daar enig hanteerbaar overzicht van is. Ik zal kijken wat er is, maar dat zal geen statistisch betrouwbare weergave zijn van de wijze waarop rechtgesproken wordt. Bovendien zou het niet passen voor mij als uitvoerende macht om deze vraag aan rechters voor te leggen.

De voorzitter: Begrijp ik van de minister dat de heer Ulenbelt een brief krijgt naar aanleiding van zijn vraag?

Minister Donner: Ik zal zo snel mogelijk aangeven wat er mogelijk is en wat de inzichten zijn op dit terrein.

De voorzitter: De minister zegt dat het wetsvoorstel op zo kort mogelijke termijn wordt ingediend. Kan hij dat nader concretiseren voor de verslaglegging?

Minister Donner: Zo snel mogelijk.

De voorzitter: Dan gaan wij over naar bijlage I d betreffende de nog in te dienen beleidsstukken tot aan het zomerreces 2009. Ik constateer dat de leden daar geen opmerkingen over hebben.

Vervolgens zijn aan de orde de reacties op de aangenomen moties en amendementen SZW begroting 2009.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik heb een vraag over punt 3, de motie-Koşer Kaya/Weekers (29 738, nr. 27). Er staat dat de motie wordt betrokken bij de evaluatie Beperking verwijtbaarheidstoets WW. Wanneer vindt die evaluatie plaats?

Minister Donner: Zoals daar staat aangegeven is dat in maart 2009.

De voorzitter: Ik stel voor om eerst een vragenronde te houden en dan over te gaan tot de beantwoording.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb ook een vraag over punt 5, pagina 10. Dat betreft de motie-Koşer Kaya c.s. over de flexibilisering van de arbeidsdag. Daarbij wordt aangegeven dat de motie is overgedragen aan minister Plasterk van OCW. Wij hebben recent een debat gehad met minister Plasterk, waarin hij ons naar de minister van SZW verwees. Ik word daar een beetje moe van. Ik wil graag dat de motie wordt uitgevoerd. Het kan mij eigenlijk weinig schelen welke minister de motie uitvoert. Volgens mij is de minister van SZW leidend in dezen. Dus ik zou zeggen: minister, werk het uit en laat het mij snel weten.

De heer Ulenbelt (SP): Op bladzijde 17 staat bij nr. 32 dat de planning december 2008 is. Het definitieve rapport is er nog niet. Ik ben heel benieuwd wanneer wij het krijgen.

De heer Blok (VVD): Ik heb een vraag over punt 39 op bladzijde 19, de motie over het publiceren van de jaarcijfers (31 444 XV, nr. 8). Daarbij staat: afgehandeld. De strekking van de motie was dat de jaarcijfers gepubliceerd zouden worden. De minister was het daarmee eens, maar de jaarcijfers zijn nog niet gepubliceerd. Dit punt is des te actueler, omdat het over dezelfde opleidingsfondsen gaat die nu in allerlei besprekingen aan de orde zijn.

Mevrouw Timmer (PvdA): Ik heb een vraag naar aanleiding van punt 16 op bladzijde 25 over de motie-Spies c.s. over begeleiding van jonge mensen met complexe problemen (31 700 XV, nr. 31). Er staat hier niet dat er een SER-advies is gevraagd, maar volgens mij is dat wel gebeurd. Ik heb dit ook in mijn inleiding gemeld.

De voorzitter: Dan resten op dit punt nog de overige vragen.

De heer Blok (VVD): Voorzitter. Ik heb een paar maanden geleden Kamervragen gesteld over het foutje in de Pensioenwet waardoor er niet meer geshopt kan worden wanneer een pensioenverzekering tot uitkering komt voor een nabestaande, terwijl het natuurlijk wel plezierig is wanneer men uit kan zoeken waar het beste pensioen te krijgen is. De minister heeft aangegeven dat het een tikfout was en dat deze hersteld zou worden. Dat is nog niet gebeurd. Ik heb hem al eerder gevraagd om dan meteen absolutie te verlenen. Dat is ook niet gebeurd. Het staat ook niet in de Veegwet Pensioenwet, terwijl het toch een kwestie is van het wijzigen van een zinnetje. Misschien kan het alsnog in de Veegwet Pensioenwet opgenomen worden en kan de minister in de tussentijd absolutie verlenen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voorzitter. Ik heb een vraag over een amendement dat twee jaar geleden door de heer Van Hijum is ingediend. Er zou een bedrag van € 700 000 beschikbaar worden gesteld voor jongerenprojecten, waar met name jongerenorganisaties een beroep op zouden kunnen doen. Dat geld is in de afgelopen periode wel besteed, maar er is geen duidelijke regeling te vinden op grond waarvan dat geld besteed wordt. Ook is niet bekend waar jongerenorganisaties informatie kunnen inwinnen over de wijze waarop dit gedaan wordt. Wij krijgen daar graag op korte termijn helderheid over.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een motie ingediend over de dienstverlenende instanties en de flexibele openingstijden. Daarbij gaat het erom dat je ook ’s avonds naar de huisarts of naar de apotheek kunt. Ik heb in die motie gevraagd om te onderzoeken wat de obstakels zijn en om met voorstellen te komen om die obstakels weg te nemen. Ook die motie is niet uitgewerkt. Wanneer kan ik die uitwerking tegemoet zien? Ook als de minister het er niet mee eens is, mag hij dat er best bij zetten, maar ik wil wel dat de motie wordt uitgewerkt.

De voorzitter: Het woord is aan de minister.

Minister Donner: Voorzitter. In de eerste plaats ga ik in op de vraag van mevrouw Koşer Kaya over de motie-Koşer Kaya/Weekers met betrekking tot beperking van het aantal pro forma-ontslagzaken. De planning was inderdaad eind december 2008. Dat is niet gehaald, maar ik hoop haar die informatie in maart 2009 te kunnen sturen.

Dan kom ik bij de motie van mevrouw Koşer Kaya met betrekking tot de flexibilisering van de arbeidsdag. Het verbaast mij dat minister Plasterk meent dat dit niet op zijn terrein ligt. Ik zal zorgen dat er een antwoord komt over de uitvoering van de motie. In alle eerlijkheid moet ik er wel op wijzen dat dit onderdeel is van de Verlofnotitie die wij onlangs met de Kamer hebben besproken, waarin ik heb aangegeven wat mijn inzet op dit terrein is.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ook bij dat debat heb ik dit punt aangekaart. Ik wil wel graag dat de minister aangeeft hoe hij de motie gaat uitwerken.

Minister Donner: De uitwerking die ik eraan geef, staat in de Verlofnotitie, maar ik zal dit nog een keer per brief bevestigen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dit gaat mij te snel. Ik heb geen behoefte aan een bevestiging. De minister moet in die brief heel duidelijk aangeven op welke onderdelen de Verlofnotitie tegemoetkomt aan de uitwerking van mijn motie.

De voorzitter: De minister zal die vraag in een brief beantwoorden.

Minister Donner: De heer Ulenbelt heeft naar aanleiding van pagina 17 een vraag over de aanbestedingssystematiek. Ook dat onderzoek vergt iets meer tijd dan oorspronkelijk was gepland. Ik hoop de resultaten daarvan in maart aan de Kamer voor te leggen.

De heer Blok stelde een vraag naar aanleiding van punt 39. Het is mijn bedoeling om de wijziging waar de heer Blok op doelt via nota van wijziging in de Verzamelbrief mee te nemen.

De heer Blok (VVD): Ik ben blij met die toezegging, maar dit betreft niet punt 39. Dat ging over de O&O-fondsen en de jaarcijfers.

Minister Donner: Pardon, ik haal twee dingen door elkaar. Op de O&O-fondsen ben ik schriftelijk ingegaan. De heer Blok zegt dat dit in de praktijk niet gebeurt. Daar kom ik nog op terug.

Op de vraag naar aanleiding van punt 16, bladzijde 25, naar het SER-advies kan ik melden dat er onlangs op initiatief van de minister voor Jeugd en Gezin een adviesaanvraag is uitgegaan naar de SER over de problematiek van de jeugdzorg. Dat heeft hier mede betrekking op. Het gaat om de ervaring die in de grote steden wordt opgedaan. Het is de bedoeling om op basis van de resultaten te bezien of de doelstelling wordt bereikt en wat daarvan kan worden geleerd. Het SER-advies heeft hier zijdelings betrekking op. Het is echter niet de bedoeling om daar eerst op te wachten.

Mevrouw Timmer (PvdA): Ik kreeg het gevoel toen ik dit las en naar aanleiding van wat ik las over het SER-advies, waarvoor de aanvraag is uitgegaan op initiatief van de minister voor Jeugd en Gezin, dat wij dingen dubbel doen. Ik had daarom verwacht dat dit punt in het overzicht zou zijn opgenomen. Dat is voor de overzichtelijkheid wel zo praktisch. Maar ik ben wel blij dat de minister zegt dat wij niet op het SER-advies gaan wachten. Dat zou jammer zijn, want er is al heel veel bekend. Laten wij niet steeds opnieuw het wiel uitvinden.

Minister Donner: Nogmaals, het gaat erom dat wij op verschillende manieren bekijken hoe wij dat probleem, dat er onmiskenbaar is, kunnen voorkomen. Wij moeten ervoor zorgen dat er werkende oplossingen komen.

Mevrouw Timmer (PvdA): Nog een kleine toevoeging op dit punt. Ik neem aan dat het pas gepubliceerde WRR-rapport daar ook bij betrokken wordt?

Minister Donner: Welk pas gepubliceerde WRR-rapport?

Mevrouw Timmer (PvdA): Het WRR-rapport dat afgelopen maandag is gepubliceerd over jongeren en onderwijs.

Minister Donner: Dat gaat dus over onderwijs.

Mevrouw Timmer (PvdA): Het heeft ook raakvlakken met dit onderwerp.

Minister Donner: Helaas moet ik op dat terrein constateren dat dit niet geheel tot mijn deskundigheid behoort. Ik zal nu niet verwijzen naar de minister van OCW. Alle WRR-adviezen worden echter in de ministerraad besproken en daar wordt besloten over de afhandeling.

Mevrouw Timmer (PvdA): Ik begrijp wat de minister zegt en ik begrijp ook dat de ministers hun eigen verantwoordelijkheid hebben, maar het kabinet spreekt met één mond en als er nu een beleidsterrein is waar de samenspraak tussen de departementen er echt moet zijn, dan is dat op dit terrein. Het maakt mij niet uit wie zich daarmee bezighoudt, maar wel is het belangrijk dat die samenhang er is, met alle rapporten en kennis en kunde.

Minister Donner: Ja, dat doe ik dus precies. Ik zeg namelijk dat het kabinet met één mond spreekt, maar dat is niet mijn mond. Dat is de mond van de verantwoordelijke bewindspersoon. Dat gebeurt teneinde een zo goed mogelijke coördinatie te krijgen, anders ontstaat er potentieel ruis vanwege verschillende geluiden. De eerste verantwoordelijkheid van een bewindspersoon is zijn mond houden.

Voorzitter. Ik heb alle vragen over de bestaande moties beantwoord. Er is nog een aantal resterende opmerkingen gemaakt. Op het punt van de heer Blok gaf ik indirect al antwoord door te stellen dat ik de rechtstelling in de Pensioenwet bij nota van wijziging in de Verzamelwet mee wil nemen, zodat dit zo mogelijk per 1 april in werking kan treden. Hij vraagt daarnaast om absolutie. Dat zijn mogelijkheden die de kerk heeft, maar de overheid niet als het om wetgeving gaat. Wij zullen in ieder geval bekijken hoe het werkt. Dan moet ik nagaan hoe de bepaling in elkaar zit en waar het om gaat. Als het gewoon verhinderingen zijn, kun je niet iets creëren wat in de wet niet mogelijk is.

De heer Blok (VVD): Het gaat om de situatie waarin de verzekerde overlijdt en de partner het pensioen krijgt. Per ongeluk staat nu in de wet dat in dat geval er niet naar een andere verzekeraar gegaan mag worden. Bij verzekeraars bekijken compliance officers dat. Dat zijn over het algemeen juristen. Dat zijn altijd heel knappe mensen, maar over het algemeen niet zo flexibel. Hier zou eigenlijk een uitspraak voldoende zijn, want er zullen naar ik vrees nog wel mensen overlijden tussen nu en 1 april.

Minister Donner: Ik ben het eens met de heer Blok. Desondanks hebben wij de wet nu juist om te voorkomen dat wij daar niet bij enkele uitspraak weer van af kunnen wijken. De enige die daartoe de bevoegdheid heeft, is de rechter.

Dan rest alleen de motie-Koşer Kaya over de flexibele openingstijden. Ik moet nagaan wanneer dit aan de orde is gekomen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Krijg ik nu de belofte dat hierover een brief aan de Kamer wordt gestuurd met de uitwerking? Belooft u dat er nu een brief komt?

Minister Donner: Ik zal proberen, dit uit te lokken. Ook dit punt ligt niet primair op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Mogelijk kan ik dit uitlokken door een conceptantwoord rond te sturen dat zozeer tegen de zere benen aanstoot, dat men het juiste antwoord gaat geven.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dat zou geweldig zijn. Het kabinet spreekt dan, hoewel niet met uw mond, met één mond.

De voorzitter: De minister heeft een brief toegezegd met een antwoord.

Minister Donner: Nee, ik zei nu juist dat er geen brief komt van mij, maar ik zal voor de motie aan mij gericht is, proberen uit te lokken en te bevorderen dat er een antwoord komt. Ik gaf alleen de methode aan die ik daar mogelijk voor gebruik.

De voorzitter: Goed, wij wachten met spanning het resultaat af. Dan is nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Klijnsma: Voorzitter. Ik leer veel vanochtend!

Ik heb nog één vraag te beantwoorden, namelijk naar aanleiding van het amendement van het CDA over de € 700 000 voor jongerenorganisaties. Ik zal dit zo snel mogelijk uitzoeken en ik zal de Kamer daarover een brief sturen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het gaat ons met name om de vraag welke regeling daaronder ligt en dat die transparant wordt.

Staatssecretaris Klijnsma: Ik ga mij erin verdiepen. De Kamer krijgt een brief.

De voorzitter: Dan zijn wij nu toe aan de brief over de reacties op de aangenomen moties en amendementen bij de begroting 2009. Ik wil eerst de leden in de gelegenheid stellen om vragen aan de bewindspersonen te stellen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voorzitter. Ik heb een vraag over de motie-Van Hijum (31 700 V, nr. 28) over de REA-instituten. De minister geeft aan dat hij de zaak teruggenomen heeft in het kabinet. Dat is prima, maar wij willen hier wel zo snel mogelijk helderheid over hebben. Wat is de huidige stand van zaken op dit terrein?

Minister Donner: Voorzitter. Ik ben met OCW in overleg op welke wijze en onder welke voorwaarden de overdracht mogelijk is, welke consequenties dat heeft voor de REA-instellingen en of de REA-instellingen onder die voorwaarden nog REA-instellingen blijven. Er wordt met volle vaart gewerkt aan uitvoering van de motie. Voor zover dat tot oplossingen leidt die voor de REA-instellingen onaanvaardbaar zijn, wordt bekeken welke oplossingen dan wel mogelijk zijn. Aanvankelijk hebben wij ernaar gestreefd om hierop vandaag een antwoord te hebben. Dat is niet gelukt. Ik spreek over dit onderwerp volgende week met de staatssecretaris van OCW. Ik kan echter geen concrete datum geven, want ik wil voorkomen dat er een procedurele brief komt.

De voorzitter: Wij zijn aan het einde gekomen van dit kennismakings- en planningsoverleg. Ik dank de minister en de staatssecretaris en de leden van de Kamer voor hun bijdragen. Zowel de minister als de staatssecretaris heeft een aantal zaken toegezegd. Daarvan krijgt de Kamer nog een overzicht. Hetzelfde geldt voor de reacties op het planningsoverleg, de aangenomen moties en de toegezegde brieven.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Wit

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Post


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GroenLinks), Blok (VVD), Tichelaar (PvdA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Sap (GroenLinks), De Krom (VVD), Heerts (PvdA), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Sterk (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (ChristenUnie), Biskop (CDA), Elias (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).