Kamerstuk 31332-13

Verslag van een algemeen overleg

Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen


31 332
Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen

nr. 13
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 januari 2010

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 9 december 2009 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 november 2009 met de beleidsreactie op het KNAW-rapport Rekenonderwijs op de basisschool (31 332, nr. 11);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 oktober 2009 over de voortgang van de implementatie van het referentiekader taal en rekenen (31 332, nr. 10);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 februari 2009 over de voortgang van doorlopende leerlijnen taal en rekenen (31 332, nr. 7);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart d.d. 28 oktober 2009 met het afschrift van de antwoordbrief aan het Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs (2009Z19776);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 september 2009 over de beleidsdoorlichtingen Onderwijsachterstanden en Kwaliteitszorg, innovatie en schoolontwikkeling (31 511, nr. 3);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 augustus 2009 met de kabinetsreactie op het advies van de Onderwijsraad betreffende examens in het vmbo (30 079, nr. 21);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van 29 april 2009 met de aanbieding van het advies van de Onderwijsraad over de exameneisen vmbo (30 079, nr. 17);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 29 mei 2009 over de voortgangsrapportage van het Aanvalsplan Laaggeletterdheid en de Monitor Lees- en Schrijfonderwijs over het jaar 2008 (28 760, nr. 20);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 15 mei 2009 over de hoofdlijnenbrief Subsidiëring Landelijke Onderwijsondersteunende activiteiten 2010–2011 (31 700 VIII, nr. 181);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 mei 2009 met de beleidsreactie op het opbrengstgericht werken in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs en de toezending van een advies van de Onderwijsraad en een advies van de Inspectie van het Onderwijs (31 332, nr. 8);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 april 2009 met de beleidsreactie op het TIMSS onderzoek (31 293, nr. 34);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 januari 2009 over het advies van de Onderwijsraad over Partners in onderwijsopbrengst (31 700 VIII, nr. 137);

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 december 2008 over onderadviseren en onderpresteren (31 293, nr. 23);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 juni 2008 over het experimentele examenprogramma voor vwo en havo (30 187, nr. 48).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De Kler

Voorzitter: Depla Griffier: De Kler

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Besselink, Bosma, Depla, Dezentjé Hamming-Bluemink, Jan Jacob van Dijk en Jasper van Dijk,

en staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart en staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

De voorzitter: Ik open de vergadering van de commissie en heet welkom beide staatssecretarissen en de leden.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voorzitter. Over het belang van doorlopende leerlijnen hebben we al vaker gesproken, onder meer bij de discussie over het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Het is goed dat er doorlopende leerlijnen en referentiekaders komen. Deze kaders maken helder wat er aan het einde van een opleiding van een leerling verwacht mag worden op het gebied van rekenen en taal. Het is goed dat we deze discussie een stap verder brengen. Ik zie dit AO aan de ene kant als voortgang en aan de andere kant als voorbereiding op de wetgeving die binnenkort naar de Kamer komt. Hier zullen we later over discussiëren. Het is van belang vast te stellen waar wij in de Kamer over gaan. Wij gaan over het wat. Hoe scholen het precies willen doen laten we aan de scholen over. We moeten onderkennen dat hoe strakker wij het wat omschrijven, hoe dichter we bij de grens van het hoe komen. Dit moeten we ons wel realiseren. Invoering van de referentieniveaus en van doorlopende leerlijnen vergt investeringen, met name in de docenten zodat ze dit op een goede manier kunnen doen. Ter voorbereiding op dit overleg hebben we twee hoorzittingen gehouden. Hieruit kwam sterk naar voren dat het lijkt alsof de discussie over rekenen en taal verwordt tot een discussie over wiskunde en Nederlands. Het moet echter gaan om een integrale benadering. Dat betekent dat bijvoorbeeld bij een vak als geschiedenis ook de nadruk op de taligheid wordt gelegd. In een vak als economie moet rekenen een belangrijke plek krijgen. Het kan niet zo zijn dat alleen de docenten wiskunde en Nederlands de verantwoordelijkheid krijgen voor dit verhaal. Als we dat gaan doen, is het over en uit. Dan kunnen we niet realiseren wat we willen, namelijk een verhoging van kennis van rekenen en taal. Een van mijn grote zorgen in dit traject is dat we er behoorlijk veel tijd en energie in moeten steken om het voor elkaar te krijgen.

Een ander element is ten koste van welk vak extra rekenen en taal gaat. Hierover hebben we al eerder met staatssecretaris Dijksma gesproken. Laatst hoorde ik een verhaal dat men op een school heel veel tijd heeft gestoken in de verhoging van het niveau van rekenen en taal, maar dat dit ten koste ging van onder meer het vak wereldoriëntatie. Dat vind ik een risico. In eerste instantie werd dit ontkend en gebagatelliseerd, later werd onderkend dat dit inderdaad het gevolg zou kunnen zijn. We moeten niet vanuit Den Haag zeggen dat we zo’n vak laten sneuvelen, zoals in een overleg in oktober werd gedaan. We laten het aan de scholen over. Dit is een belangrijk punt, wat richting de scholen duidelijk moet worden uitgesproken. We zijn daar nog niet klaar mee.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Het is een vreemde discussie die we hier zouden moeten voeren. Reken- en taalonderwijs moet gewoon goed zijn. Je kunt nooit de vraag aan de orde hebben of het ten koste van iets moet gaan en, zo ja, van wat dan. De heer Van Dijk is vast met mij eens dat dat vraagstuk niet aan de orde mag zijn.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Natuurlijk moeten de vakken rekenen en taal goed zijn. De vraag is of dit ten koste van andere aspecten van het onderwijs mag gaan. Dat vind ik niet. Het mag niet ten koste gaan van het leren of samenwerken op school of wereldoriëntatie. Dit zie je echter op sommige scholen wel gebeuren. Gevolg is dat op die gebieden veel vooruitgang is geboekt, maar op andere terreinen niet.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nu snap ik het niet meer. Eerst zegt de heer Van Dijk dat de scholen zelf moeten bepalen wat ze schrappen, vervolgens zegt hij dat het niet ten koste mag gaan van het leren leren. Wat is het nu?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Scholen moeten zich ook bewust zijn van de andere taken die ze hebben. Ik ga hier niet exact bepalen dat het ten koste mag gaan van het vak wereldoriëntatie. Ik vraag van scholen creativiteit om ervoor te zorgen dat ze zowel aan rekenen en taal aandacht besteden als de andere vakken voldoende tot hun recht laten komen. Dat ga ik niet vanuit Den Haag bepalen.

Als rekenen en taal van zo groot belang zijn, moeten we er zeker van zijn dat degenen die voor de klas staan die vakken goed beheersen. Voorbeelden zijn er te over dat de slimste leerling in groep 8 de juf of meester moet uitleggen hoe de som moet worden uitgelegd. De taalfoutjes in de brieven die ouders meekrijgen zijn bekend. Ik vind het goed dat er vanuit de scholen een soort toets wordt afgenomen en men laat zien dat de docenten rekenen en taal goed beheersen. Dit kan gekoppeld worden aan het lerarenregister, waar we later over zullen spreken.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb vorige week gezien dat het CDA voorstelde docenten een toets te laten doen. Is dit een concreet voorstel waarbij het CDA zegt dat docenten een toets móéten doen? Bij verder lezen begreep ik namelijk dat scholen het zelf mogen beslissen. Begrijp ik goed dat het een geheel vrijblijvend proefballonnetje is en dat er niets hoeft te veranderen? Als docenten geen toets maken is het ook goed?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het valt op dat de heer Van Dijk zijn rol als schoolbestuur van Nederland heel nadrukkelijk oppakt. Hij vindt dat het allemaal verplicht vanuit Den Haag geregeld moet worden. Wij hebben gezegd dat het van belang is dat scholen geen onhelderheid laten bestaan over de kundigheid van hun docenten. Dat is de rol die zij hebben als werkgever. Het lijkt ons goed dat scholen hun personeel oproepen de toets te doen en er voor te zorgen dat hun personeel goed geschoold is. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de schoolbesturen. Het is geen proefballonnetje. We hebben van veel schoolbesturen reacties en steun op dit terrein gekregen. Het blijkt dat het serieus wordt opgepakt. Wij hebben dus helemaal geen wetgeving nodig om dit soort dingen af te dwingen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik begrijp de heer Van Dijk helemaal niet meer. Hij houdt net een warm pleidooi om vanuit Den Haag niet allerlei dingen op te leggen. Nu komt er opeens een oproep aan alle scholen om alle zittende leraren een toets te laten doen. Ik vind dat een wassen neus. Als de heer Van Dijk erover heeft nagedacht wil ik ook horen wat het betekent. Wat voor taaltoets bedoelt hij dan? Hij zegt dat het de verantwoordelijkheid van de school is, maar tegelijkertijd roept hij de scholen op om het te doen. Waar hebben we het dan over? Gaan we alle leraren daarbij betrekken, gaan we ze allemaal bijscholen, wat doen we met de klas als ze worden bijgeschoold, wat voor taaltoets doen ze, wat zijn de consequenties van deze oproep?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): De elektronische toets die op dit moment op de pabo wordt gedaan op het gebied van rekenen en taal, kan ook door docenten worden ingevuld. Mocht blijken dat er een tekort bestaat in kennis van rekenen en taal kan 10% van de tijd die mensen in het onderwijs werken, worden ingezet voor deskundigheidsbevordering. Deze tijd kan daarvoor gebruikt worden. Het hoeft dus niet onder schooltijd.

Het is natuurlijk niet zo dat niemand die toets gaat halen. Dat was impliciet de veronderstelling van mevrouw Dezentjé Hamming. Als dat wel het geval is, is het juist verstandig om de toets snel te laten afnemen, want dan hebben we echt een groot probleem.

Eerlijk gezegd snap ik haar vragen niet. Ook de insteek dat ze zich niet te veel zorgen maakt omdat het toch wel goed is, kan ik niet plaatsen. Ik heb veel te veel signalen dat het niet goed is.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): In ieder debat benadruk ik het belang van back to basics. De d’s en t’s moeten goed staan en rekenen moet in orde zijn. Daarin vindt de heer Van Dijk mij aan zijn zijde. Maar oproepen en luchtballonnetjes om een heel lerarenbestand op te zadelen met een enorme last vanuit Den Haag omdat het echt moet gebeuren, vind ik heel vreemd. Als het de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur is, is dat hun verantwoordelijkheid en dan kan hij niet alle leraren daarmee opzadelen. Bij klachten en signalen moet er direct op worden ingesprongen. De heer Van Dijk geeft nu een motie van wantrouwen aan het lerarenbestand. Zij moeten volgens zijn oproep allemaal opnieuw worden getoetst.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Het maakt deel uit van de discussie over het lerarenregister. Het EHBO-diploma wordt bijvoorbeeld ieder jaar getoetst. Dat is geen brevet van onvermogen of kritiek. Ook als het gaat over accountancy, rechters, notariaat en fysiotherapie moet iedereen elk jaar opnieuw laten zien dat hij zijn kennis goed op orde heeft. Waarom zou in een sector waarin kennis het allerbelangrijkste is daar niet naar gekeken mogen worden, zeker wanneer het moet worden overgedragen? Docenten laten zo periodiek zien dat hun kennis en deskundigheid boven elke twijfel verheven is.

Voorzitter. Op dit moment wordt een reken- en taaltoets gedaan voor de pabo’s. Waarom doet de staatssecretaris dit ook niet voor de academische lerarenopleiding en de mensen die vanuit de universiteit doorgaan naar de leraren-masters?

Voorstel is om de Cito-toets naar achteren te schuiven. We hebben daar vraagtekens bij. We hebben er eerder over gesproken en we maken ons zorgen over het feit dat er in die periode dan alleen wordt opgeleid om de toets op een betere manier te gaan doen. Je kunt de Cito-toets juist gebruiken om te kijken waar nog gaten in de kennis van de leerlingen zitten, waarop ze eigenlijk nog moeten worden bijgeschoold voor een goede start in het voortgezet onderwijs. Dat element zien we niet terug. In dat licht zijn de leerlingvolgsystemen van belang. In het po zijn deze vaak aanwezig, maar in het vo worden ze nog niet optimaal benut. We hebben het gevoel dat daar nog veel meer gebruik zou kunnen worden gemaakt van deze specifieke kennis. In dat kader is van belang dat we hier spreken over het invoeren van referentieniveaus en het afnemen van voldoende met name diagnostische toetsen.

Over de rekentoets is in februari gesuggereerd dat de mensen die geen wiskunde in hun pakket hebben, een aparte rekentoets zouden moeten maken. In de brief van oktober wordt aangegeven dat iedereen dat zou moeten doen. Daar hebben we vragen bij. Moet dit via een rekentoets? Staat dit niet haaks op de integrale aanpak die we op dat terrein willen hebben?

Als we de wet gaan behandelen, willen we wel direct de algemene maatregel van bestuur (AMvB) daarbij hebben. Wij vragen ons af of het mogelijk is dit al in 2010 te gaan invoeren, gezien de invoeringstijd die is voorzien. We hebben daar zorgen over. Wellicht kan de staatssecretaris die zorgen wegnemen. Uit de hoorzitting blijkt ook dat er nogal wat twijfel bestaat over het realiteitsgehalte van de invoeringstermijn.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nu zegt het CDA iets waarmee ik geneigd ben het eens te zijn. Moeten we niet kijken naar uitstel van invoering? We wachten het antwoord van de staatssecretaris af, maar begrijp ik nu dat het CDA zich afvraagt of 2010 niet te snel is? De heer Van Dijk wil de AMvB erbij hebben, die is dan misschien nog niet af. Zegt hij nu dat het 2011 of later moet worden?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik heb gezegd dat 2010 al volgend jaar is. Het is nu december. We hebben het wetsvoorstel en de AMvB nog niet gezien. We moeten er wel voor zorgen dat het personeel het aankan. Over beide elementen wil ik een helder antwoord. Als we het gaan invoeren, moeten we dat goed en zorgvuldig doen. Als dat betekent dat het een half jaar later moet zijn, dan wordt het een half jaar later. Ik wil de druk er wel op houden. Daar is de SP ook een voorstander van.

Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. We zitten te wachten op de doorlopende leerlijnen rekenen en taal. Het niveau van rekenen en taal moet omhoog. Uit alle hoorzittingen komt het beeld naar voren dat het goed is dat de referentieniveaus er liggen. Daarbij speelde wel mee dat het niet een onderwerp wordt waarop scholen echt worden afgerekend. In de brief van de staatssecretaris staat dat zij die signalen heeft gehoord en dat dat niet de bedoeling is. Herkent de staatssecretaris deze angst en kan ze ervoor zorgen dat wel het niveau stijgt, maar dat afrekening uitblijft?

Ik sluit me aan bij de opmerkingen van de heer Jan Jacob van Dijk dat rekenen en taal integraal moeten. Dit moet niet alleen bij de leraar Nederlands en wiskunde terechtkomen, maar breed worden ingezet. Daarnaast is het onderwijs ook breder dan alleen rekenen en taal.

Wij zijn voor deze nota. We willen dat de referentieniveaus worden vastgelegd. De kwaliteit moet worden verhoogd. De titel doorlopende leerlijnen geeft aan dat vakken ook van niveau op niveau goed op elkaar moeten aansluiten. In de nota vind ik dat niet duidelijk terug. Wat gaat de staatssecretaris doen om die doorlopende leerlijn daadwerkelijk vorm te geven? We leggen in de referentieniveaus heel bewust het onderniveau vast. Hieraan moet iedereen in ieder geval voldoen. Hoe gaat de staatssecretaris de excellente leerling, die meer kan, stimuleren en uitdagen om een hoger niveau te halen? Dat moet mogelijk zijn. Andersom geldt ook dat we voor leerlingen die het niet kunnen geen extra blokkades willen, waardoor ze geen diploma kunnen halen. De balans hierin moet niet te eenvoudig doorslaan naar vrijstellen. Wat we in ons onderwijs zien, is dat leerlingen die op een intellectueel hoger niveau kunnen doorstromen, aan de onderkant blijven haken. We moeten zorgen dat leerlingen die dat kunnen op een hoger niveau komen.

Over het mbo 1 en 2 geeft de staatssecretaris aan dat ze op niveau 2F gaat zitten. Bij mbo 4 is het streefniveau 3F. Over mbo 3 geeft de commissie-Meijerink eigenlijk geen reactie. De staatssecretaris heeft daarvoor niveau 2F gekozen. Dit houdt in dat je vanaf het mbo tot en met klas 3 op 2F zit en in mbo 4 op 3F. Waarom is deze keuze gemaakt, waarom gaan leerlingen niet al in klas 3 naar niveau 3F?

Ook in de bbl in het mbo moet je rekenen en taal beheersen. Die ene schooldag dat leerlingen er zijn, willen we niet geheel aan deze vakken besteden. Hoe gaat de staatssecretaris daarmee om?

Het uitvoeringsschema is strak. De ambitie is het waard. Is er in het mbo voldoende tijd om dit niveau waar te kunnen maken? In het po en vo zitten nog achterstanden. Hoe gaat dit in het mbo?

Onderadvisering en onderpresteren komt nog steeds voor. Dit is kwalijk, we moeten goed kijken naar de capaciteiten van een kind. Staatssecretaris Dijksma heeft aangegeven dat ze in aansluiting op de lokale educatieve agenda’s wil nagaan in hoeverre gemeenten en schoolbesturen een aanpak van onderpresteren willen realiseren. Kan ze aangeven hoe het daarmee staat?

ETV heeft bewezen een goed instrument te zijn om de laaggeletterdheid aan te pakken. Veel mensen hebben daarop gereageerd. Hoe staat de staatssecretaris tegenover de inzet van dit middel daarbij? Zit er hier een slag in naar de mensen die zo meteen afhaken, omdat ze digitaal niet meer mee kunnen komen?

De Onderwijsraad adviseerde in de zak/slaagregeling voor de theoretische en gemengde leerweg voor het vmbo één vijf toe te staan voor de vakken Nederlands en Engels. Bij de kader- en basisberoepsgerichte leerweg is dit één vijf voor Nederlands en een beroepsgericht vak. De staatssecretaris kiest voor de gefaseerde en lerende invoering van het Referentiekader taal en rekenen, maar wijst het advies af om de rekentoets buiten de zak- en slaagregeling te houden. Betekent dit dat de zwakrekenende vmbo’er te zijner tijd niet de escape wordt gegund van voldoendes voor Nederlands en Engels, die wel bestaat voor havisten en vwo’ers? Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?

Binnen het vmbo wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende leerwegen. Er wordt gestart met het behalen van voldoendes voor Nederlands en Engels. Bij vmbo-t betreft dit wiskunde en rekenen. Leeftijdsgenoten in de basisen kaderleerweg moeten voldoende scoren op Nederlands en het beroepsgerichte programma. Ook de rekentoets moet worden ingevoerd, maar wordt nog niet meegewogen in de zak/slaagbeslissing. In de loop van de tijd moet dit kunnen worden bijgesteld. Vroeger kon je bijvoorbeeld in het hoger onderwijs niet terecht zonder Engels.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. «De structuur van mijn inbreng is helder. De tekst heeft een dramatische verhaallijn, waarin handelingen elkaar in hoog tempo opvolgen. De spanning wordt af en toe onderbroken, door gedachten of beschrijvingen van de voorzitter.» Dit is referentieniveau 2F, onderdeel lezen van fictionele, narratieve en literaire teksten. Elke mbo’er zal dit onder de knie moeten krijgen. Verder moeten zij het genre herkennen en de geschiedenis chronologisch na kunnen vertellen. Op niveau 4 ben je tevens in staat om een fictionele tekst te evalueren met morele en cognitieve argumenten.

De SP ziet de invoering van referentiekaders als een mogelijke verbetering. De focus op taal en rekenen is goed. Er zijn ernstige achterstanden die moeten worden weggewerkt. Het is de vraag hoe de referentiekaders gaan uitpakken. Wordt het een verbetering of raken leerlingen gefrustreerd? Leidt het tot meer bureaucratie en is het een onderwijsvernieuwing? Veel organisaties hebben aarzelingen bij de invoering. Er is extra tijd en geld nodig om docenten goed voor te bereiden. Er komen extra middelen, maar worden die voor de juiste zaken gebruikt? Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de scholing van docenten, schrijft de regering. Als het geld direct naar de lumpsumfinanciering gaat, hoe gaat de staatssecretaris dan vaststellen of docenten daadwerkelijk worden bijgeschoold? Ik hoor graag een toelichting hierop.

De focus op referentieniveaus maakt dat er geschrapt moet worden in andere lesonderdelen. Waarin dan precies? Gaat de regering daar ook handreikingen voor doen?

Het is nog niet duidelijk hoe de referentiekaders uitpakken voor zorgleerlingen. De staatssecretaris is dit nog aan het onderzoeken. Niveau 2F zal voor bepaalde mbo-leerlingen te zwaar zijn. Het is mooi dat iedere leerling iets van literatuur meekrijgt. Maar moet je echt elke leerling hiermee confronteren? Zal dat niet ten koste gaan van de motivatie van bepaalde leerlingen in mbo 1 en 2? Het kan altijd nog op latere leeftijd. Denk maar aan een Leven lang leren. Ook hierop hoor ik graag een reactie.

Omgekeerd kunnen deze niveaus ook een neerwaarts effect hebben. Als je kijkt naar het te behalen niveau, zie je dat vmbo en mbo deels overlappen. Als niveau 2F al op het vmbo gehaald moet worden, hoe werkt dat dan op het mbo? Zegt het mbo dan niet dat het niveau er al is en dat het niets meer hoeft te doen?

Er komt een rekentoets voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Dit zal extra tijd en inspanning kosten. Waar wordt dit weggehaald? Ten koste van welke vakken gaat dit? Hoe gaat dit met leerlingen op bijvoorbeeld de havo die geen wiskunde volgen? Wanneer worden zij geschoold voor deze rekentoets?

De toets voor leraren die het CDA propageert, is gelukkig volstrekt vrijblijvend. Als schoolbesturen het niet willen, gebeurt het niet. De VO-raad heeft al aangegeven dat ze er geen trek in heeft. Het blijft dus bij een proefballonnetje.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Bent u er een voorstander van dat de kwaliteit van docenten op voldoende niveau is voor het integraal geven van rekenen en taal?

De heer Jasper van Dijk (SP): Vanzelfsprekend ben ik van mening dat docenten van hoog niveau moeten zijn. Dat betekent dat er voor de politiek een grote taak ligt om alles te doen om de allerbeste docenten voor de klas te krijgen. We hebben op dit punt achterstanden in te halen. Het voorstel van het CDA om leraren een toets af te nemen vind ik ook een soort motie van wantrouwen richting die docenten. De leraren moeten ijzersterk worden opgeleid. Wij moeten dat faciliteren. Dat betekent ook extra investeren. Maar als het CDA met veel tromgeroffel zegt dat leraren een toets moeten doen en ik vervolgens lees dat het volledig vrijwillig is, dan vind ik dat wel heel goedkoop.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Met andere woorden: u bent er een voorstander van dat het verplicht wordt?

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben zeker geen voorstander van zo’n toets. Ik ben er voorstander van dat docenten heel goed worden opgeleid. Dat betekent dat we de lerarenopleidingen moeten gaan verbeteren en dat we ervoor zorgen dat docenten vanzelfsprekend een uitstekend niveau hebben. We gaan ze echter geen infantiele toets voorleggen, zoals het CDA wil, maar wat helemaal niet verplicht blijkt te zijn.

Mevrouw Besselink (PvdA): Hoort het bij de professionaliteit van leraren dat ze zich gedurende hun carrière af en toe blijven bijscholen?

De heer Jasper van Dijk (SP): Vanzelfsprekend, maar daar heb je geen toets voor nodig. Bijscholing is gewoon bijscholing.

Voorzitter. Je kunt referentiekaders wel opleggen aan het onderwijs, maar in de praktijk komt het allemaal op het bordje van de docenten. Zij moeten het gaan uitvoeren. Op de hoorzittingen hebben deze mensen ook gezegd dat het binnen het huidige programma onhaalbaar is. Je moet ofwel dingen wegsnijden – daar zijn geen concrete voorstellen voor gedaan want dat is aan de scholen zelf – ofwel enorm veel gaan investeren. Je moet tijd en ruimte maken voor de docenten om dit te gaan halen. Daar zit een probleem.

Wat is het ambitieniveau van de regering? Wat zijn de streefdoelen? In de briefing wordt dat nog niet helemaal duidelijk. Er staat bijvoorbeeld dat 75% van de havoleerlingen het referentieniveau moet halen. Is dit een harde eis? De SP wil niet dat de referentieniveaus tot een toetscircus verworden, dat vervolgens als afrekenmiddel voor scholen wordt gebruikt. Organisaties zijn hier bezorgd over. De inspectie zal scholen gaan beoordelen op de mate waarin ze de referentieniveaus halen. De resultaten zullen openbaar worden en op internet verschijnen. Hoe gaat de regering die afrekencultuur voorkomen?

Er zijn veel zorgen over een goede invoering. De staatssecretaris schrijft dat ze de tijd wil nemen. In 2010 stelt de Kamer de wet vast. Tot 2014 is er dan tijd om het allemaal uit te werken. Is dit niet de omgekeerde wereld? Is de wet niet het sluitstuk van dit proces? Moeten we niet eerst de niveaus uitwerken, de AMvB bestuderen en het daarna wettelijk vastleggen? Dan hebben we meer ruimte om fouten te herstellen. Er is immers nog veel ongewis. Graag hoor ik hierop een reactie.

De referentieniveaus kunnen een verbetering zijn, maar het hangt ervan af hoe het gaat. Krijgen leraren genoeg ruimte of worden ze geconfronteerd met bergen extra werk? Is dit een onderwijsvernieuwing? Op pagina 13 van de brief van 20 februari 2009 schrijft de regering dat het hoe rond de referentieniveaus door de regering beschikbaar wordt gesteld. Dat klinkt onheilspellend, want dat zou de regering niet meer doen. Hoe zit dat?

Het wegwerken van achterstanden is ontzettend belangrijk, maar het kan pas echt gebeuren als je een eind maakt aan de segregatie tussen scholen met en zonder achterstandsleerlingen. Sterk en zwakke scholen, witte en zwarte scholen, noem ze maar op. Er is nog veel werk te doen.

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Stel één van de staatssecretarissen belt mij in het holst van de nacht en vraagt wat ze nog moet regelen in het komende jaar als staatssecretaris. Ik zou dan zonder meer kiezen voor heldere eindtermen. Als er iets is dat goed geregeld moet worden is het dat. Het is simpelweg een van de weinige knoppen waar de overheid aan kan draaien als het gaat om het helder krijgen van het niveau van het onderwijs. Scholen zijn in grote mate autonoom. We moeten wel weten dat als we er geld instoppen, docenten salaris en krijtjes krijgen. Ook moet duidelijk zijn wat we aan het eind van de rit terugkrijgen. Dit heb ik in het verlengde van de commissie Dijsselbloem al genoemd. Als we wat en hoe scheiden, moeten we het wat wel zo scherp mogelijk vastleggen. We hebben de kerndoelen. Die zijn vaag. Bij de referentiekaders ligt een prachtige kans om het scherp te formuleren. Daar zet ik mijn vraagtekens bij. Collega Jasper van Dijk noemde er net al één, die wat mij betreft helderder mag. Ik zie ze graag zo concreet en tastbaar mogelijk. Ik vraag me af waar we mee bezig zijn. Voeren we een stel testen in en richten we het rooster daarop in, of gebeurt er in de slipstream daarvan eigenlijk veel meer? Het woord onderwijsvernieuwing is gruwelijk gevoelig geworden, dus ik zal het omzeilen. Is er toch niet sprake van een enorme onderwijsverandering? In de hoorzitting van twee weken geleden kwamen onverwachte dingen uit de hoge hoed. Er was iemand die zei dat de invoering van de referentiekaders leidt tot het geven van gedifferentieerde lessen binnen de klas. Zijn stelling was dat er binnen klassen sprake is van verschillende niveaus. Toen gingen er bij mij alarmbellen rinkelen, want wordt dan via de achterdeur niet het nieuwe leren of competentiegericht onderwijs ingevoerd? Zie ik spoken? Ik hoor het graag van de staatssecretaris.

In het verlengde daarvan ligt het didactisch vermogen van de docenten. Als er sprake is van een ander manier van lesgeven, zijn leraren daar dan wel voldoende voor toegerust? Hoe wordt dit aangepakt? Is de Wet op beroepen in het onderwijs (Wet BIO) hierop voorbereid en zijn pabo’s en andere lerarenopleidingen hierop voorbereid? Voor de grote vakantie krijgen we een nieuw plan over de pabo nieuwe stijl. Op welke manier wordt daarin rekening gehouden met dit nieuwe gebeuren?

Zijn uitgevers hier klaar voor? Alle onderwijsvernieuwingen uit het verleden klonken mooi, maar er waren geen passende schoolboeken. Daar gaat de overheid niet over, maar ligt dat op schema? Hoe zit het met zwakke leerlingen bijvoorbeeld? Is er extra opvang nodig? Impliceert dit niet dat je al vroegtijdig leerlingen moet beoordelen en bij de kladden moet grijpen in de sfeer van de peutertoets? Mevrouw Dezentjé Hamming zegt daar misschien nog iets over. Ik zal het gras niet voor haar voeten wegmaaien, maar als je in groep 8 klaar moet zijn, moet je beginnen met een goede start.

Ligt de lat hoog genoeg? Hoe weten we dat? Wordt dit aangepast? Vinden we bijvoorbeeld dat 80% van de leerlingen het moet halen? Ik vind het beangstigend dat zaken met betrekking tot speciaal onderwijs en zorgleerlingen hierin niet zijn meegenomen. We zijn in deze commissie ook bezig met hoorzittingen rondom passend onderwijs. Hoe verhoudt zich dat tot de zorgleerlingen die gaan instromen?

Ik ben allergisch voor woorden als toetsencircus en afrekencultuur. Ik ben een groot voorstander van afrekenen, dan kunnen we zien wat er uit komt nu we er veel hebben ingestopt. Schoolgaande kinderen moeten echter niet de hele dag toetsen maken. Waarom gaan we door met de Cito-toets? Moet die hierin niet geïntegreerd worden?

Het invoeringstraject is tamelijk ambitieus. Mensen uit het veld voelen die druk ook. Dat is goed, maar zijn scholen er klaar voor? Mij ontbreekt het inzicht in de gevolgen van de invoering hiervan. Ten koste van wat gaat de nadruk op taal en rekenen? Ik ondersteun deze nadruk overigens van harte. Misschien kunnen we sturen op obesitas- en homolessen en het vak «wie ben ik en wat wil ik», als we gaan schrappen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Allereerst wil ik mijn complimenten geven over de wijze waarop nu wordt gefocust op taal en rekenen binnen het onderwijs. De VVD-fractie vindt back to basics het belangrijkst. Met name met taal kun je niet vroeg genoeg beginnen. Als je de taal niet goed beheerst is eigenlijk het hele scenario van achterstand tot schoolverzuim en -uitval duidelijk. Zelfs een criminele carrière ligt dan op de loer, als je geen baan vindt die bij je inkomenswens past. We kunnen dit misschien voorkomen door heel jonge kinderen goed taalgebruik en goede taalkennis bij te brengen. Het peutervolgsysteem volgt peuters al jong op hun taalgebruik. Dit kan makkelijk en speels. De uitkomsten moeten wel worden overgedragen naar het basisonderwijs, zodat de docenten daar met deze gegevens maatwerk kunnen bieden aan de betreffende kinderen. Daarvoor wil ik pleiten. Ook het overdragen van het leerlingvolgsysteem naar het vo lijkt mij een goede zaak. De PO-Raad pleit hier ook voor.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Volgens mij wordt het nu een peutertoets in plaats van een kleutertoets. Het leerlingvolgsysteem werkt al vanaf groep 1 in het primair onderwijs. Wat is nu nieuw: dat het bij kinderen van twee jaar moet gaan plaatsvinden of dat mevrouw Dezentjé Hamming tot de conclusie is gekomen dat één toets niet maar een leerlingvolgsysteem wel goed is?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Het is niet zo dat je een peuter toetst als hij twee is, vervolgens een behandelplan maakt en dan niets meer doet. Je moet een kind over langere tijd volgen en beoordelen, maar je moet wel een keer beginnen. Als je het goed regelt en een peutervolgsysteem invoert, heb je de mogelijkheden van een kind in kaart. Ik denk dat we daarmee in staat zijn maatwerk voor de kinderen te leveren. De presentatie die ik gisteravond hierover kreeg heeft mij daarvan overtuigd. Ik pleit hier erg voor, ook voor het po en vo.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik ben blij dat deze presentatie slaagde waar wij al twee jaar falen. Ik zie dat ons standpunt rond het continu volgen van een kind nu wordt omarmd.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Je moet ergens beginnen. Ik noem het wel anders, want bij het woord toets slaat de Kamer op tilt. Laten we het erop houden dat we op peuterleeftijd de kinderen beginnen te volgen en meteen mogelijkheden bieden om met gelijke kansen aan de start van de basisschool te verschijnen. Dat is in ieder geval mijn doel.

Voorzitter. Na mijn complimenten voor de vernieuwde strakke focus heb ik ook wat opmerkingen. Ik begin met de leraren voor de klas, die het verschil maken. Daarover zijn we het eens. Van belang is dat op de pabo een eindtoets rekenen en taal plaatsvindt. Het is goed dat daaraan op de pabo’s meer uren worden besteed. Ik vraag me wel af hoe het zover heeft kunnen komen. Kunnen de bewindspersonen daar op terugblikken en uitleg over geven?

We hebben schoolbesturen en een inspectie. Zorgen over een verantwoorde invoering worden breed gedeeld. Ook op dit punt wil ik gerustgesteld worden en de garantie krijgen dat er met deze planning sprake is van een verantwoorde invoering.

De angst voor een afrekencultuur is al eerder genoemd. Ik deel die angst, maar vertaal het liever naar een verantwoordingscultuur. Dan krijgt de discussie een andere dimensie, waar niets mis mee is. De opbrengsten kunnen heel goed worden gemeten. Daar heeft de school ook verantwoording af te leggen. Daarom vind ik dat we toe moeten naar een keuzecultuur, zodat ook ouders de keuze hebben. Hoe maken we inzichtelijk wat een school kan? Daar zijn goede initiatieven voor in het voortgezet onderwijs. Resultaten van scholen staan op internet, zodat ouders kunnen kiezen waar ze hun kind heen sturen.

In dat kader begrijp is dat er angst is voor het risico tot selectie aan de poort, als scholen zich op deze manier moeten verantwoorden. We moeten niet hebben dat kinderen die het misschien niet halen buiten de school worden gehouden. Ik wil naar een verantwoordingssysteem voor scholen waarin de leeropbrengst van de leerlingen wordt verantwoord. Een school in een achterstandswijk kan veel beter zijn dan een witte school in Wassenaar, maar dan moet je wel anders meten. Je moet de toegevoegde waarde meten. Ik heb al eerder gepleit voor een begintoets als kinderen binnenkomen en een eindtoets als ze de school verlaten, zodat je de toegevoegde waarde kunt meten. Wat heeft deze school zijn leerlingen meegegeven? Dat bepaalt of een school goed is of niet. Graag een reactie.

We hebben een gesprek gehad met de inspectie. We kunnen nu niet meten wat de kwaliteit van onderwijs is. We kijken naar de Cito-score van het betreffende jaar en aan de hand daarvan wordt de kwaliteit van dat jaar bepaald. Moeten we niet naar een kwaliteitsnorm? Als een leerling de Cito met dit percentage maakt, is dat een vijf of zes of zeven. Dat is dan voor ieder jaar hetzelfde. Het is dan niet afhankelijk van hoe het in zijn algemeenheid is gemaakt en wie er wel of niet aan hebben meegedaan. Eigenlijk moet iedereen meedoen. Op deze manier kunnen we jaren met elkaar vergelijken en kunnen we ooit een uitspraak doen over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. De inspectie vindt dit een goed idee en heeft hier behoefte aan, maar is er nog niet aan toe. Laten we eerst met de referentieniveaus beginnen. Daar heb ik begrip voor, maar we moeten wel een keer de eerste stap zetten. Ik vraag me af welke ideeën daarover leven.

Ik sluit me aan bij de vragen die eerder zijn gesteld over zorgleerlingen. Ook de vraag over gedifferentieerd onderwijs van de heer Bosma leeft bij mij. Betreft dit gedifferentieerd onderwijs in de klas, of zelfs aparte klassen? In Zweden is geen taalachterstand. Hebben de staatssecretarissen daar al eens naar gekeken en wat kunnen we daaruit leren?

Er wordt in 2010 en 2011 90 mln. bezuinigd op het primair onderwijs. Gaan die bezuinigingen, die ten koste gaan van het primaire proces, ook niet ten koste van de mooie doelstellingen die we hier verwoorden op het gebied van taal en rekenen? We mogen niet toe naar grotere klassen of leraren die zich met schoolleiderstaken moeten bezighouden.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Dank voor de reacties van de woordvoerders. Het is een belangrijk punt. We willen de lat op een heldere hoogte leggen en we willen zorgen voor een zorgvuldig traject. Onze voorstellen getuigen enerzijds van doorzettingskracht, omdat we de doelen willen bereiken, terwijl we anderzijds de rust en ruimte nemen om het op een zorgvuldige manier te doen, omdat het een combinatie is van wetten en een aantal AMvB’s. Ik hou erg van heldere, afrekenbare afspraken. Dat is geen afrekenen, dat is inderdaad verantwoording afleggen. Scholen moeten dat doen, want ze krijgen veel maatschappelijk geld. Wij moeten dat ook doen en daarom is het goed dat we doelen stellen. Ons doel is voor het mbo en vo in schooljaar 2013–2014 overgaan tot echte examinering. Omdat we weten dat het een lang en weerbarstig traject is, hebben we onszelf de ruimte gegeven om via de AMvB’s die stappen telkens een voor een te zetten. Het is dus een combinatie van heldere doelgerichtheid, met ruimte voor zorgvuldige stappen als de praktijk ons daartoe brengt. We moeten het op deze manier willen doen, want Den Haag is één, maar de werkelijkheid op de scholen is twee. Naast enkele algemene opmerkingen zal ik mijn antwoorden bundelen in de onderwerpen leraren, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

Ik denk dat onze plannen te realiseren zijn. Overigens is de wet dan de start en niet het sluitstuk. De referentieniveaus zijn al twee jaar bekend en met de scholen besproken. Er is al anderhalf jaar een steunpunt in het mbo. In het voortgezet onderwijs is een kwaliteitsagenda opgesteld. We zijn al bezig. Als we op een bepaalde termijn examens af willen nemen, moeten vanaf de bovenbouw van het vo en vanaf het eerste jaar van het mbo de referentieniveaus helder zijn. Om dit te halen moeten ze wel vanaf 1 augustus aan de nieuwe leerlingen worden aangeboden. Deze slag moet na de twee jaar dat de niveaus nu bekend zijn gemaakt kunnen worden. Overigens is er een breed draagvlak voor de referentieniveaus. De stappen naar het examen doen we door middel van de AMvB’s. Ik ben uiteraard bereid om de AMvB’s voor te hangen. De Kamer heeft haar wortels in de samenleving en samen weten we meer dan alleen. Dat zeg ik de Kamer in ieder geval toe.

De heer Jasper van Dijk (SP): De inzet van de staatssecretaris is helder. Tot 2014 nemen we de tijd om een en ander uit te werken. Rond zorgleerlingen loopt bijvoorbeeld nog onderzoek. Hoe kan dat dan? We gaan in 2010 AMvB’s en de wet vastleggen en in 2011 of 2012 kom je er dan achter dat het op punten anders moet.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ons doel is kinderen in hun kracht plaatsen en zo goed mogelijk de school te laten verlaten. Daarom is alles erop gericht het tempo te behouden. Er zijn specifieke situaties die we goed willen bekijken. We geven in onze brief aan dat we dit parallel aan het voorgestelde traject doen. Dat betekent inderdaad dat je soms een stap naar achteren doet om vervolgens twee stappen naar voren te gaan. Staatssecretaris Dijksma zal hierover voor het speciaal onderwijs het nodige zeggen. Ik ben er bij het mbo 1-verhaal heel scherp in. Daarvan heb ik zelfs gezegd dat er in 2014 nog geen examens komen. We willen geen ongelukken, we willen kinderen goed in de schoolbanken en goed prepareren voor die examens. We bekijken de ontwikkelingen goed. Het is inderdaad een evenwicht.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ergernis is niet nodig. We zijn het allemaal eens dat het beste uit de leerlingen wordt gehaald. Ik stel een praktische vraag. Wat nu als we in 2011 en de jaren erna erachter komen, door voortschrijdend inzicht, dat de referentiekaders zoals ze in de wet staan niet helemaal scherp zijn, dat ze anders moeten? Hoe doen we dat met zorgleerlingen? Gaan we het dan allemaal weer wijzigen of hebben we een opening om het handiger op te lossen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik reageerde wat scherp vanwege het dramatische verhaal, waarvan de heer Van Dijk zelf al aangaf dat hij het neer ging zetten. Ik heb dat ook zo ervaren. Mijn praktische antwoord op zijn vraag heb ik eigenlijk al gegeven. Wij houden de vinger aan de pols. Het dogma van de invoering is niet de wet, maar zit uiteindelijk in de AMvB’s die we nemen. Dat geeft ons de ruimte om met open ogen en oren een voor een de stappen te zetten. Want we willen het laten gebeuren, maar we willen het ook goed laten gebeuren.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik snap het stramien. De staatssecretaris zegt dat we in 2010 starten zodat we garanderen dat we in 2013–2014 examens kunnen doen. Nu is het van groot belang dat iedereen in 2010 een vliegende start kan maken. Is voldoende lesmateriaal aanwezig? Zijn de docenten goed voorbereid om deze vraagstukken op te pakken? Zijn er voldoende diagnostische toetsen? Deze voorwaarden zijn van groot belang voor de start. Daarover zou ik graag meer informatie willen hebben. Voor de elementen die we nog moeten aanpassen gebruiken we een AMvB. We zijn al anderhalf jaar bezig om dit soort dingen na te gaan. Ik heb het gevoel dat in het veld nog niet iedereen er klaar voor is. Daar hoor ik graag een reactie op.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Hier geldt ook dat je op een bepaald moment à la de heer Pechtold een stip op de horizon moet zetten om te zorgen dat de activiteiten zich structureren naar het doel dat je wilt bereiken. Als ik terugkijk op de twee jaar dat we bezig zijn met referentieniveaus, zie ik de steunpunten die al volop functioneren en een onderzoek naar leermiddelen dat we hebben laten doen. Over het algemeen zijn de leermiddelen al in lijn met de referentiekaders. Er moet alleen wel tijd en aandacht aan worden besteed. Als dat vanaf volgend jaar gaat gebeuren kunnen we in drie jaar stapsgewijs een voor een onze beslissingen nemen via AMvB’s die de Kamer te zien krijgt. Alle problemen die de SP naar voren brengt, nemen we daarbij goed in ogenschouw. Voor de leraren zijn we op alle fronten bezig. Ik zal daar zo nader op ingaan.

Voorzitter. Ik wil het punt integraliteit van mevrouw Besselink en de heer Van Dijk van harte ondersteunen. Het kan niet zo zijn dat bij de geschiedenisles wel wordt gekeken of de inhoud goed op orde is en niet of de d’s en t’s goed zijn. Scholen doen er goed aan om ook de geschiedenisen aardrijkskundelessen met Nederlands te doorspekken. Dat betreft wel het hoe. Met rekenen geldt dit voor economie. Je moet het continu blijven herhalen om iedereen mee te nemen. Dat red je niet door te zeggen dat de problematiek alleen bij de docenten Nederlands en wiskunde ligt. Het zal voor de toetsen betekenen dat sommige docenten al in staat zijn om het te doen en dat sommigen daarvoor inderdaad bijscholing nodig hebben. Straks kom ik uitgebreid op de toetsen terug.

De doorlopende leerlijn is een belangrijk punt voor alle onderwijssoorten. Wij zijn erop gespitst dat het inderdaad doorlopende leerlijnen zijn. Onderwijs is geen eilandenwerk, we hopen dat leerlingen uiteindelijk terechtkomen in het hoger onderwijs. Dat doen we op allerlei manieren. Het begint op het moment dat het po-veld verplicht gevalideerd en geobjectiveerd moet laten zien wat het niveau is van de jongere die binnenkomt bij het vo. Dat betekent dat de vo-school weet waar hij aan toe is. Het is duidelijk of er geremedieerd moet worden of dat een kind zo door kan. Overigens doen veel vo-scholen het op dit moment al.

We proberen de vergelijkbaarheid van toetsen en examens goed vorm en inhoud te geven, zodat we weten hoe het zit tussen mbo en voortgezet onderwijs. We proberen ook de samenwerking tussen scholen te versterken en doorlopende leerlingvolgsystemen te creëren. We kennen er een aantal, ook in het voortgezet onderwijs. Die worden geijkt aan de referentieniveaus. Op allerlei manieren proberen wij jongeren zo stappen te laten zetten op die doorlopende leerlijn. Dat moet ook, want anders betekent het dat je halverwege vastloopt.

Welke doelen stellen wij ons inhoudelijk? De heer Meijerink zegt dat 75% haalbaar moet zijn. Ik wil eigenlijk elk kind gunnen dit niveau te halen. Daarom geloof ik zo in een eindniveau bij het praktijkonderwijs, al is dat geen examen. Dat is 1F, om te zorgen dat de jongeren zo ver mogelijk komen. Dat is ook de reden dat ik bij mbo 2 zeg, dat we niveau 2F proberen bereikt te hebben, ook al doen we geen examens. We willen zo veel mogelijk jongeren bereiken. In de loop van de tijd zullen we zicht krijgen op hoe het ongeveer zit. De toetsen moeten zich gaan ontwikkelen. Het blijft een langer lopend proces, omdat we nog een slag te maken hebben. Op een bepaald moment moeten we op een verantwoorde manier starten, om te zorgen dat iedereen op tijd klaar is.

Op de vraag van de heer Van Dijk of we het hier hebben over een onderwijsvernieuwing kan ik kort zijn. Rekenen en taal is het fundament van ons onderwijs. Het is buitengewoon nodig dat het gerevitaliseerd wordt, maar het is geen onderwijsvernieuwing.

Op welke hoogte leggen we de lat? In ieder geval zo hoog dat mensen een sprongetje gaan wagen. Wij moeten in Nederland niet bang zijn om verantwoording af te leggen. Afrekenen is een vervelend woord, maar laten we helder maken waar het publieke geld voor het maatschappelijke kapitaal dat scholen in huis hebben toe heeft geleid. We vragen aan het eind van de rit hoe het is gegaan en wat er is uitgekomen. We hebben een prachtig systeem met examens, waar we het mbo ook bij gaan betrekken. Daarmee houden we dat zicht op de uitkomst. Mijn insteek is heel nadrukkelijk: «de basis op orde, de lat omhoog». Dat geldt zeker voor dit thema. We doen het voor onze jongeren.

Verschillende woordvoerders vroegen ten koste van wat de veranderingen worden ingevoerd. Voor het vo en mbo sprekend denk ik dat scholen prioriteiten moeten stellen. Ik ben weg van weken naar Rome, maar als je de keus hebt tussen een werkweek of rekenen en taal, ben ik snel klaar. Scholen moeten goed kijken wat ze zich kunnen permitteren. Er komen veel zaken ze af, maar alles kost inzet van mensen. Ik kan me voorstellen dat er andere prioriteiten worden gesteld. Dit is echter aan de school. De school heeft de mogelijkheden. De 1000 urennorm wordt lang niet overal gehaald. Er komt vast binnenkort een inspectierapport waaruit blijkt dat er nog een slag gemaakt moet worden. Laten we die slag dan benutten om rekenen en taal in te vullen.

Voor het meten van de leeropbrengst van toets naar toets is het van belang dat de objectiveerbare gevalideerde verplichte informatie wordt geleverd door het basisonderwijs aan het voortgezet onderwijs. Dat geeft school en inspectie goed inzicht. Het toezichtkader van de inspectie probeert daar al op in te spelen. De toegevoegde waarde wordt inzichtelijk. Ook is duidelijk hoe een kind ten opzichte van het eerste advies zijn stappen zet. Dit kan voor een deel voorkomen dat er selectie plaatsvindt. Als je een kind met een vmbo-advies binnenkrijgt en je houdt hem op dat niveau, ben je in staat om de neutrale punten te houden. Ben je in staat om zo’n kind omhoog te tillen, dan krijg je er een punt bij. Het is goed steeds te kijken wat er op de scholen gebeurt ten opzichte van het referentiekader van de inspectie. Het vo probeert de toegevoegde waarde van het referentiekader al op een goede manier te verwerken.

Laatste algemene punt betreft de absolute normen van de examens. Dit punt komt regelmatig naar voren. Het gaat niet aan continu examens bij te stellen. Een examen wordt steeds zo goed mogelijk op hetzelfde niveau samengesteld door de CEVO. Vervolgens wordt gekeken hoe het is gemaakt. Er worden van tevoren geen afspraken gemaakt hoeveel procent mag zakken. De weging vindt gedegen plaats.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Alle toetsen ten spijt komen er jaarlijks 40 000 kinderen van school met een leesachterstand van twee jaar. Ik citeer de stichting Lezen en schrijven die zegt dat dit 25% is. Dat zijn er veel. Ze zijn onvoldoende geëquipeerd om het vervolgonderwijs in te gaan. Als ik dat doortrek naar 2014, praten we over 240 000 kinderen. Zijn hier geen quick wins te halen? Er zijn voorbeelden uit Almere en Schiedam, die in heel korte tijd kinderen bijspijkeren. Wat is de opvatting van de staatssecretarissen over hoe je dit moet oppakken, zowel in po, vo als mbo?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De kwetsbare uitstroom die mevrouw Dezentjé Hamming beschrijft is de aanleiding om dit te doen. Die uitstroom moet beter, die kinderen moeten beter de samenleving in worden geholpen. Het mbo doet het niet alleen voor een vak, het kwalificeert drievoudig: doorstroom, vakmatig en burgerschap. Als wij in Nederland loketten en telefoonlijnen sluiten en mensen worden via internet geholpen, dan moeten medewerkers wel talig zijn. Daarom zijn de burgerschapskant en het niveau 2F zo belangrijk. Deze basis heb je nodig om goed te kunnen functioneren.

Hoe kun je een inhaalslag maken? Voor het vo en mbo zijn de steunpunten heel belangrijk om de goede voorbeelden uit te wisselen. Voor het vo ben ik voor de Kwaliteitsagenda Voortgezet Onderwijs bezig met een traject dat dichter op de scholen zit. Dit is Succes in beeld, ik heb daarover verteld tijdens de algemene beschouwingen. Zo vindt uitwisseling plaats en leert men van elkaar. Het is het beste als ideeën die onderop ontstaan benut worden door andere scholen. Het proces is volop gaande. Er zijn allerlei congressen en kenniskringen, ook voor leerkrachten. Dit zijn goede initiatieven. De onderlinge kruisbestuiving kan heel behulpzaam zijn.

Rond laaggeletterdheid en de doelen die we daarbij hebben wil ik nog het volgende zeggen. Mevrouw Besselink had het over ETV. Ik heb inmiddels gezorgd dat de verminderde inkomsten zijn aangevuld, zodat ETV volgend jaar gewoon door kan gaan. Dit is een belangrijk onderdeel van het Aanvalsplan Laaggeletterdheid. Uiteindelijk zorgen we dat ETV met een businessplan tot zelfstandigheid kan komen. We ondersteunen ze hierbij. We zullen kijken of ze per 2011 rijp zijn om op eigen benen te staan. Ook heeft ETV een rol in de activiteiten rond digibeten. Ze maken samen met EZ een programma specifiek voor digibeten, Klik & Tik – het internet op. Taal en internet zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Laaggeletterdheid gaat mij zeer aan het hart. Ik heb een aantal volwassenen gesproken dat bijna analfabeet was en ik hoorde van hen hoe hun leven was. Dat is zeer aangrijpend. Ik vind dat we er alles aan moeten doen om te zorgen dat juist deze mensen zelfstandig keuzes kunnen maken op het gebied van hun pensioen of zorgverzekering. De staatssecretaris heeft een convenant afgesloten met werkgevers, werknemers en de ministeries van Sociale Zaken, Jeugd en gezin en OCW. Het streven is laaggeletterdheid met 60% terug te dringen in 2015. Wat gaat de staatssecretaris doen om het streefcijfer te halen?

Mevrouw Besselink (PvdA): Uiteraard ligt laaggeletterdheid ons ook na aan het hart. Ik ben blij te horen dat ETV door kan gaan. Deze week zag ik een spotje over laaggeletterdheid op tv. Ik vond dat intrigerend. Er was een heel verhaal dat verwees naar een website waar informatie te vinden was. Het probleem is toch juist dat deze mensen niet alles kunnen vinden, want ze kunnen niet lezen en schrijven. Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dit is een onderwerp dat mij ook aan het hart gaat. Hier zijn we ontzettend intensief bezig, ook vanwege de stichting Lezen en schrijven, maar ook omdat staatssecretaris Dijksma en ik het een buitengewoon belangrijk onderwerp vinden. Het gebeurt op allerlei manieren. Mevrouw Besselink heeft gelijk als ze zegt dat je iemand niet alleen kunt verwijzen naar een site. Rond de ETV-uitzendingen en de cursussen wordt verwezen naar telefoonnummers, vaak van roc’s. We hebben Taalkracht op scholen en in bedrijven en op consultatiebureaus. Mensen krijgen daar laagdrempelig op een andere manier mogelijkheden aangeboden om iets te doen met laaggeletterdheid. Dat doen we omdat het echt aangrijpend is. Dit is een pittige opdracht die we hebben voor het onderwijs. We moeten de groep helpen die verlegen is in elke situatie waarin het wat moeilijker is dan het reclame-Nederlands. We doen heel veel. Het Aanvalsplan Laaggeletterdheid geeft duidelijk aan wat we oppakken. Ook het feit dat we de marktwerking rond de volwasseneducatie tijdelijk uitgeschakeld hebben draagt hieraan bij. We kunnen borgen dat de infrastructuur in het onderwijs behouden wordt en we hebben tijd om de motie-Dijsselbloem/Biskop uit te voeren. Deze motie betrof de garantie op kwaliteit van de instellingen. Deze dingen doen we om te zorgen dat we zover mogelijk komen. Het is wel teamwork. Werkgevers en werknemers hebben hierin een belangrijke rol. Zij hebben afspraken met elkaar gemaakt. Het behalen van de gestelde doelen en het monitoren ervan is een stip op de horizon, want het is buitengewoon ambitieus. We meten het elk jaar en de Kamer krijgt er in het voorjaar een evaluatie over. Dit zal rond mei 2010 zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP): In dit verband is het pijnlijk dat er 44% wordt bezuinigd op educatie. Wat is de ambitie van de staatssecretaris? Er is een convenant waarin wordt gesproken over een verlaging van de laaggeletterdheid met 60%, maar dat is een andere ambitie dan waar het gaat om 12 500 mensen per jaar. Graag hoor ik hier een helder antwoord op.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De doelen in het convenant worden met een aantal partners nagestreefd. De doelen uit het Aanvalsplan Laaggeletterdheid zitten buitengewoon goed op koers. Deze stappen zetten we om uiteindelijk ver te komen. Daarnaast neemt de heer Van Dijk waar het gaat om die 44% ook de 50 mln. mee, die in taal en rekenen zitten om te voorkomen dat de kraan dicht gaat bij het mbo. Dat vind ik niet eerlijk in vergelijking tot waar het toe dient.

De heer Van Dijk weet dat ik het toetsen van leraren een mooie gedachte vind, maar ik heb aangegeven dat het een verantwoordelijkheid van de scholen is. Daar sluit hij eigenlijk bij aan. De scholen moeten in hun beleid niet alleen zeggen welk referentieniveau ze op welke wijze vertalen, maar ze moeten ook kijken of hun mensen daarvoor zijn geëquipeerd. De mogelijkheden die we vanuit het ministerie daartoe bieden zijn buitengewoon riant. Dit zijn de nascholingsgelden, de beroemde 100 mln. uit het convenant, die volgens de inspectie nog steeds niet helemaal worden ingezet. We hebben de lerarenbeurs en we geven extra geld om taal- en rekenbeleid op orde te krijgen. Wat mij betreft mag daaruit ook scholing voor leraren betaald worden. Zij zijn immers de sleutel. Dit moet wel op de school gebeuren. In het mbo besteden we 50 mln. extra. Omdat dit veel geld is, willen we daar plannen voor zien. Ik ben benieuwd hoe men omgaat met de nascholing en zorgt dat docenten op niveau komen. Dat kan door middel van toetsen. Het aardige van een toets is dat je zicht krijgt op deficiënties en datgene wat aanwezig is aan kennis.

Dan kom ik bij de Wiscat-toets. Dit is de basistaal- en rekentoets op het niveau van groep 8, die je moet halen om je pabo-opleiding te mogen afmaken. Helaas zakken er mensen op die geëngageerde docenten hadden kunnen worden. Deze toets is er voor de pabo en niet voor de universiteit, omdat dit zo met de HBO-raad is afgesproken. Deze afspraak geldt niet voor de tweedegraads en universitaire studenten. Vorige week heb ik zo’n twaalf instituten bezocht die lerarenopleidingen doen op hogeschoolniveau en universitair niveau. Ik zie het daar wel gebeuren. Je moet altijd een goede mix vinden. De pabo was wat dat betreft prioriteit nummer één. Straks zit de eindtoets in de examens verwerkt en weten hogescholen waar ze aan toe zijn als iemand binnenkomt.

Mevrouw Dezentjé vraagt naar de eindtoets op de pabo. Dat vind ik een belangrijk punt. De afgelopen week heb ik de Kennisbasis rekenen en taal kunnen aanpakken. Die kennisbasis wordt verwerkt in alle pabo’s. Vervolgens komt er een examencommissie op landelijk en lokaal niveau, die de examens en de normering gaat doen. Wij doen in 25% van ons hbo dan iets heel bijzonders. We leggen vast wat een student moet kennen en kunnen. Dat kennen we in het hoger onderwijs helemaal niet. Ik ben blij dat die slag wordt gemaakt. Er wordt van onderaf gewerkt. Het is echt lerarenwerk geweest.

Hoe ver zijn we nu gekomen? Hier zit een hele geschiedenis achter, die te ver voert voor dit moment. Als ik straks tijd over heb, na mijn collega-staatssecretaris, zal ik het aan de orde stellen.

Het CDA vraagt of de rekentoets in het vo nodig is. Die toets is inderdaad nodig. Wiskunde en rekenen zijn voor een deel twee verschillende dingen. Bij het rekenen gaat het om werken met getallen, optellen, aftrekken. Bij wiskunde gaat het veel meer om meten, meetkunde en het leggen van verbanden. Wij willen het wiskunde-examen niet belasten met een rekentoets. Zo’n toets met alleen echte rekenopgaven moet je apart doen. Zo heeft het hoger onderwijs een goed beeld hoe het zit. Ook het verwerken van Nederlands in de examens wordt een hele toer. We hebben de keuze nu gemaakt, maar we willen wel weten waar we aan toe zijn aan het einde van de rit. De aparte rekentoets is echt nodig, willen we goed kunnen toetsen zonder dat we het wiskunde-examen vreselijk overbelasten.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Nu begint het te wringen. De staatssecretaris steunde mevrouw Besselink en mij in een integrale aanpak. Rekenen en taal komen bij alle vakken terug, anders weten we zeker dat we het einddoel niet halen. Nu zegt de staatssecretaris dat ze een aparte rekentoets wil. Betekent dat dat er een apart vak rekenen gaat komen? Leerlingen moeten goed voorbereid worden op zo’n toets. Lopen we daarmee niet het grote risico, dat puntje bij paaltje komend, het weer bij de ene vakdocent rekenen wordt neergelegd?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het is iets dat je goed moet volgen. Het is niet zwart-wit. We willen voorkomen dat we sterk in het hoe van scholen gaan zitten. Daarom pleit ik er niet voor om alles te verwerken in alle examens. Ik vind dat de kennis er moet zijn. Met een heldere toets kijk je op een goede manier of dat zo is. Het is natuurlijk aan de school om het beleid zo vorm te geven dat het in alle lessen terugkomt, zodat de leerling klaar is voor de toets. Het is ook aan de school om eventueel een apart vak rekenen aan te bieden. Het kan toegevoegd worden aan de wiskundeles. Dat betekent dat je wel meer tijd moet uittrekken voor het niet-wiskunde zijnde programma. In de laatste jaren onderhoud je dan de kennis die er al is. Deze basiskennis hoort bij de onderbouw meegenomen te worden, ook voor dames en heren die Cultuur & Maatschappij gaan doen. Het gaat voor hen om de laatste twee jaar van hun profiel. Volgens mij moet dit onderhoud goed ingepast kunnen worden. Op deze manier krijgen we de resultaten scherp. Ik ben het wel met de Kamer eens dat we het goed moeten volgen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Ik snap dat de staatssecretaris de rekenvaardigheden aan het einde van het voortgezet onderwijs wil toetsen. Aan de andere kant zitten er nog veel haken en ogen aan, ook qua uitvoeringsfilosofie. Ik hoor daar graag meer over, niet tijdens dit AO, maar in een aparte brief waarin wordt aangegeven hoe het precies wordt aangepakt.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Nee, ik schrijf daarover geen aparte brief. Ik ben heel zorgvuldig met de inzet van ambtelijke formatie, waarvoor we een taakstelling hebben. Ik schrijf geen brieven op brieven. Ik vind dat we het goed moeten volgen, dat ben ik met de heer Van Dijk eens. Ik ben niet met hem eens dat het nog zo complex is. Wij doen nu ook taal- en rekentoetsen voor de pabo’s. Heel veel pabo’s bieden die aan aan de havisten die door willen stromen. Ook bij het mbo gebeurt dit. In dat opzicht zie ik de problematiek niet. Een punt dat ik goed wil volgen is de integraliteit. Dit is een verantwoordelijkheid van de school. De scholen moeten het zelf afwegen, maar ik wil het volgen omdat ik aan integraliteit hecht.

Mevrouw Besselink heeft een vraag rondom excellentie. Natuurlijk is hiervoor ruimte. Ieder niveau heeft een streefniveau. Daar kan in de lessen rekening mee worden gehouden. Aan het eind van de rit moet een leerling een helder eindniveau gehaald hebben. Dat zijn de F’jes in plaats van de S’jes, conform de commissie Meijerink.

Hoe zit het met de vijf-zes-zes? Dit betekent dat je voor wiskunde, Nederlands en Engels minstens twee voldoendes moet halen om te slagen. Bij het vmbo loopt het door elkaar. Tegen de Onderwijsraad heb ik gezegd dat ik nog geen vijf-zes-zestoepassing ga doen, omdat ik eerst wil weten wat de impact is in de examens en de pilot. Dit doe ik nog niet bij het vmbo, daar voeren we over een aantal jaren de toetsen in. Ik wil goed bekijken hoe dit zich ontwikkelt. Het heeft voor het vmbo behoorlijke impact. De eerste jaren moeten we kijken naar de normering rond de toetsen en hoe zwaar deze meewegen ten opzichte van de andere vakken. De Onderwijsraad adviseerde mij dit ook.

Over de vragen rond het voortgezet onderwijs van de heer Van Dijk heb ik al gemeld de doorlopende leerlijn onderhouden van de onderbouwbasiskennis in de bovenbouw betreft. Ik noemde als voorbeeld de laatste twee jaar voor Cultuur & Maatschappij. Dit betreft echt de basisstof.

De heer Jasper van Dijk (SP): De rekentoets aan het einde van het vo is een aparte rekentoets. Deze stof wordt toch niet integraal getoetst in andere examens?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat hebben we hier afgesproken.

De heer Jasper van Dijk (SP): Daar is onduidelijkheid over. Ik had begrepen dat het een aparte rekentoets is, juist om het rekenen te onderhouden. Blijft wel staan dat het behoorlijk koud op het dak van de scholen komt. Dat ben ik met het CDA eens. De staatssecretaris zegt dat ze het niet wilt voorschrijven, dat daar een filosofie achter zit, maar scholen moeten het gaan vormgeven. Er zijn geen extra uren of leraren of vakken voor ingeruimd. Ziet ze wel dat ze de scholen nogal ergens mee confronteert?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Scholen zijn bij uitstek de professionals om rekenen en taal vorm te geven. Rekenen en taal vormen de zuurstof van ons onderwijs, het is de basis. Waar het gaat om de uitvoering geven we veel extra geld. Dit is jaarlijks voorlopig 115 mln. plus nog eens 50 mln. voor het mbo. Er kunnen prioriteiten worden gesteld. We proberen het onderwijs zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Dan moet wel eerst de basis op orde zijn. Als daarvoor een accentverschuiving moet plaatsvinden binnen het programma, dan vind ik dat een prima keuze.

Voorzitter. Mevrouw Besselink geeft bij het mbo aan dat het van belang is enerzijds ambitie genoeg te hebben, maar anderzijds te voorkomen dat er ongelukken gebeuren. Dat is een evenwicht dat we de komende tijd moeten zoeken. Het is ook de reden dat we het bij mbo 1 wel als doel benoemen maar nog niet invoeren. We zouden daar veel kinderen kunnen verliezen. Daarmee hebben we voortijdige schooluitval met alle gevolgen van dien. Daarom ben ik ook voorzichtig met niveau 3F voor mbo 3. Voor mbo 4 moet het 3F zijn, omdat dit de doorstroomkwalificatie is waar het hoger onderwijs op moet kunnen rekenen. Maar 2F vind ik voor mbo 3 prima. Ze kunnen er maatschappelijk mee uit te voeten. Wil de mbo 3-leerling verder naar mbo 4 en dus het hoogste niveau, dan ga je zorgen dat de zaak op niveau komt. De flexibiliteit in een mbo-instelling is altijd buitengewoon groot. Dan kan die slag al vroeg worden gemaakt. Anders moet het in het laatste jaar gebeuren. Ik wil voorkomen dat we veel mbo 3’ers gaan missen door het niveau hoger te leggen. 2F is een prima niveau voor mbo3. De bbl’er die veel werkt en weinig naar school gaat is de reden dat ik scherp naar de uren kijk. Die moeten wel worden gemaakt. Ik bekostig het mbo voor ongeveer twee dagen school. Veel zien wij vier dagen werken, één dag school. Als de conjunctuur dat aangeeft en scholen kunnen hun vakkenpakket goed kwijt in die ene dag, dan is dat prima. Ik stel wel vast dat er ergens een inhaalslag moet worden gemaakt. Daarom heb ik tegen de MBO Raad ook gezegd dat ik meer financier, omdat het in het kader van de werkloosheid heel nuttig is om meer op school en minder in het bedrijf te zijn. Dat voorkomt dat bedrijven zeggen dat ze het niet meer kunnen bolwerken met alle stagiaires. Het is ook nodig om te zorgen dat er voldoende uren worden lesgegeven. De 300 urennorm in het mbo is mijn inzet in de discussie naar de MBO Raad. Daarbinnen moet het mogelijk zijn rekenen en taal op een goede manier mee te nemen. Het geeft een diploma dat doorstroommogelijkheden biedt. Zo lang we dat willen behouden, moeten we voor mbo 4 niveau 3F handhaven. De civiele waarde ervan is heel belangrijk.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dit gehoord hebbende vraag ik me af wat we moeten doen met de leerlingen die nu van school komen te weinig lees- en schrijfvaardigheden om volwaardig te kunnen functioneren in de samenleving? Daar gaat het over. Welke reparatie kunnen we daarop toepassen en is daar misschien in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkeloosheid een plan voor te maken? Zo hebben we de kans om zo veel mogelijk te repareren voordat deze jongeren de arbeidsmarkt opgaan.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Er gebeurt al veel in het kader van het beleid rond laaggeletterdheid. Dat is de curatieve kant. Het beleid probeert mensen die al uit het onderwijs zijn en een achterstand hebben zo goed mogelijk op te pakken, ook jongere mensen. Met name in het vervolgonderwijs wordt op dit moment veel gedaan. Op de pabo’s worden bijvoorbeeld zomercursussen gegeven om studenten op het juiste niveau te krijgen. Er wordt in het eerste jaar veel bijgespijkerd. Dat maakt het juist voor het hoger onderwijs zwaar. Daarom moeten we voor het diploma de zaak op orde krijgen. Uiteindelijk moeten we hopen dat het aantal laaggeletterden daalt. Dat is mijn belangrijkste doel. Met het laaggeletterdheidbeleid en de extra investeringen voor het hoger onderwijs proberen we jongeren die nu uitstromen op een goede manier op te vangen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Het gaat mij om de jongeren die uit het mbo komen met te weinig lees- en schrijfvaardigheden. Het gaat niet om de doorstroom naar het hogere onderwijs. Wat doen we daarmee?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voor een deel stroomt het uit en door naar het hoger onderwijs, voor een deel stroomt het uiteindelijk in het laaggeletterheidbeleid. Jongeren zijn op een bepaald moment niet meer in beeld. Ze komen in bedrijven terecht. We moeten er voor zorgen dat ze daar opgevangen worden, als ze echt een achterstand hebben in het gebruik van de taal. Daarom zetten we actief in op het laaggeletterdheidbeleid.

Voorzitter. Ik kom bij de heer Van Dijk, die zich zorgen maakt over literaire teksten. Ik heb mijn brief laat verstuurd, maar ik heb de literaire teksten er uitgehaald omdat ik die te zwaar vond voor het mbo. Mbo en literair Nederlands is geen combinatie.

Om te voorkomen dat het goede niveau van het vmbo leidt tot achterover leunende mbo-docenten moeten er examens worden gemaakt. De kennis moet worden onderhouden. Het mbo is eigenlijk gelijk aan de bovenbouw havo/vwo. Daar zeggen we ook dat de onderhoudsslag moet worden gemaakt. Ik heb wel in de brief aangegeven dat het niet de bedoeling is dat je twee keer in een jaar testen doet, als je van niveau 2 naar niveau 3 gaat. Daar gaan we wat mee doen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is nu zo dat niveau 2F wordt gevraagd voor vmbo én mbo. Dat moet onderhouden worden. Maar er komt een mbo-examen, dat hetzelfde streefniveau heeft als het vmbo-examen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat klopt. Het is bij het vmbo en het mbo 2F. We willen ook groei hebben tussen po en vmbo. Dan ga je van 1F naar 2F. Vervolgens willen we dat 2F wordt vastgehouden, behalve voor mbo 4. Dit is een doorstroomkwalificatie die gelijk is aan de havo. Ik vind dat niet slecht, want je komt tegemoet aan de zorg die wij allemaal hebben. Het zijn vakmensen die straks aan de slag gaan. We willen dat ze dat op een redelijk niveau kunnen halen.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Mijn beantwoording betreft een aantal algemene opmerkingen over de ambitie, over de afreken- versus de verantwoordingscultuur en de positie van zwakke leerlingen en de focus. Dan een blok over het fenomeen toetsen. Vervolgens kom ik bij onderpresteren en wat losse vragen.

De ambitie is dat meer kinderen dan nu een hoger niveau halen. De heer Meijerink heeft ons voorgespiegeld dat in het po 75% van de kinderen het fundamenteel niveau haalt. Hij denkt dat dat minimaal naar 85% moet. Ik hoop dat we dit kunnen waarmaken. Wij willen dat de groep kinderen die het fundamenteel niveau haalt omhooggaat.

De referentieniveaus leggen heldere prestaties vast. Ik ben het met alle woordvoerders eens die zeggen dat dit ook gaat over een manier van werken. Het is zo dat elke leraar een taalleraar is. Dat betekent dat ook iemand die wereldoriëntatie geeft na moet denken over hoe die basisvaardigheden in zijn vak tot uitdrukking komen en hoe hij kinderen iets daarvan kan bijbrengen. Hoe wil je vanuit het lerarenkorps zorgen dat kinderen beter presteren? We vragen van leraren dat zij meer opbrengstgericht werken. Daar proberen we ze zo veel mogelijk bij te ondersteunen. Het vraagt een andere manier van kijken naar kinderen en van kijken naar jezelf. We gaan daarover het gesprek aan. Het doel is om in ieder geval per 1 augustus 2010 de wet in te voeren, omdat we daarmee een kader neerzetten waar iedereen naar toe kan werken. Uiteraard is het zo dat we dat opbouwen. Er is voor scholen en leraren een aantal jaren tijd om te werken met de referentiekaders en om te zorgen dat ze er klaar voor zijn op het moment dat de inspectie ze daarop gaat beoordelen. Het betekent dat we niet van vandaag op morgen gaan beginnen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): De staatssecretaris heeft het over het ambitieniveau. De groep kinderen die het fundamenteel niveau haalt moet van 75% naar 85%. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom ze niet 100% zou ambiëren?

Staatssecretaris Dijksma: Dat zou ik graag willen, maar dan komen we bij de groep kinderen voor wie het niet mogelijk is en hoe je daarnaar kijkt. Daar kom ik zo uitgebreid op terug. Ik begrijp de vraag, maar er zitten wat mitsen en maren aan.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik vind het interessant dat de staatssecretaris zegt dat het gaat om een manier van werken. Dat sluit aan op de discussie of het wel of niet een onderwijsvernieuwing is. Wat is de reactie van de staatssecretaris op het commentaar van deskundigen, die zeggen dat opbrengstgericht werken leidt tot een manier van werken bij docenten die meer differentiatie biedt in de klas. Hierbij wordt meer op de individuele leerling gefocust en en wordt meer zelfstandig gewerkt in plaats van frontaal lesgegeven.

Staatssecretaris Dijksma: Ik ben het met staatssecretaris Van Bijsterveldt eens als zij zegt dat taal en rekenen corebusiness is voor elke school. Het kan niet zo zijn dat we als we hogere ambities hebben en betere prestaties verlangen, dat opeens als nieuwe opdracht zien. Het is de kern van het onderwijs. Opbrengstgericht werken is inderdaad een andere aanpak dan sommige docenten gewend zijn. Het heeft ook te maken met het niveauverschil tussen kinderen. We hebben dit van de commissie-Dijsselbloem geleerd. Kinderen zijn niet gelijk. In de manier waarop je werkt in het basisonderwijs bestaan veel differentieermogelijkheden, die ook noodzakelijk zijn. Het punt is dat de overheid niet moet gaan voorschrijven hoe leraren het moeten gaan doen. Daar zit ook de kritiek van de commissie-Dijsselbloem op eerdere veranderingen in het onderwijs. Het is de professionaliteit van de docenten. Wij kunnen ze daarbij helpen. We kunnen dingen ontwikkelen om ze bij te staan om meer niveauverschil aan te kunnen. Het is niet aan ons of men het doet door klassikaal lesgeven, of dat men kiest voor goed klassenmanagement met onderwijsassistenten, met verschillende instructies aan verschillende groepjes kinderen of soms zelfs individueel. Wij vragen scholen talenten zo goed mogelijk aan te boren en het maximale uit kinderen te halen. De werkwijze is daarbij aan hen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben een keer meegegaan met de inspectie. Men kijkt in de klas hoe het gaat, wat er gebeurt en hoe er wordt gewerkt. De opdracht die we de inspectie nu geven, is kijken of er opbrengstgericht wordt gewerkt. Op het moment dat de inspecteur ziet dat het te veel frontaal gaat, waardoor de docent zich te weinig op de individuele leerling richt en er meer gedifferentieerd moet worden, dan geeft hij toch wel degelijk een didactisch advies namens het ministerie?

Staatssecretaris Dijksma: De inspectie kijkt altijd naar de feitelijke opbrengst. Op het moment dat die niet op orde is, kan men iets zeggen over de wijze waarop scholen werken. Het moet niet worden gezien als gebod van de inspectie. De inspectie kijkt ook niet alleen naar de eindresultaten, maar houdt ook rekening met factoren die van belang en van invloed zijn op dat resultaat, bijvoorbeeld hoe kinderen binnenkomen. Volgens mij is de heer Van Dijk ook een van de mensen die dat het hardste roept. De inspectie kijkt in toenemende mate naar het schoolbeleid. Is er een goed zorgbeleid, dat ten dienste staat van de groep? Als scholen goede resultaten boeken, zal er geen discussie zijn over de wijze waarop een school werkt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Als het goed gaat met een school hebben we niet veel reden om er op in te gaan. Als het met een school niet zo goed gaat, gaat de inspectie kijken hoe het beter kan. We moeten daar niet verkrampt over doen, door te zeggen dat we niet over het hoe gaan. Het is goed dat de inspectie daar adviezen over geeft, mits het goede adviezen zijn.

Staatssecretaris Dijksma: Het onderscheid tussen het wat en het hoe is niet ragfijn te maken. Wij pareren nu de kritiek die er was op het onderwijsbeleid van de afgelopen jaren door het neerleggen van absolute normen. Er was onvoldoende helder wat de eindtermen zijn die kinderen moeten kennen en kunnen, bijvoorbeeld aan het einde van groep 8. Daarmee werken we als overheid aan onze eigen kerntaak: het vaststellen wat wij vragen van het onderwijs. We geven scholen daarbij ruimte voor de wijze waarop ze dat denken te bereiken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): De staatssecretaris noemde net al dat de wet vanaf 1 augustus 2010 in gaat. Wanneer komt de wetgeving naar de Kamer? De wet moet nog door de Tweede en Eerste Kamer.

Staatssecretaris Dijksma: De wet komt in januari naar de Kamer. Augustus is het streven en u hebt daar invloed op.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Voor alle helderheid wil ik opmerken dat wij geen invloed hebben op wanneer het in de Kamer komt. Als de staatssecretaris het op 1 augustus wil laten ingaan, is het van groot belang dat we het snel krijgen.

Staatssecretaris Dijksma: Daar ben ik het mee eens. Ik bedoelde niet te zeggen dat de Kamer invloed heeft op wanneer het wetsvoorstel aankomt; daar hebben wij invloed op. Eindconclusie is dat het zo spoedig mogelijk naar de Kamer moet.

Voorzitter. Waarom kunnen niet alle kinderen het fundamenteel niveau halen en hoe gaan we daarmee om? De Kamer heeft aangegeven dat we door een niveau te stellen kinderen niet op voorhand moeten afschrijven, omdat er altijd kinderen zijn waarvan je weet dat in hun aard gelegen factoren ervoor zorgen dat ze dat niveau niet kunnen bereiken. Het kritische punt zit op de vraag wanneer je te snel de ambitie te laag stelt. Om die reden hebben we vastgesteld dat we de referentieniveaus in het speciaal onderwijs en ook in het voortgezet speciaal onderwijs later willen invoeren. We hebben inderdaad tijd nodig om een aantal zaken op dat punt op een rij te zetten. Wat we eigenlijk vooral willen doen is scholen uitdagen om te laten zien wat kinderen wel kunnen in plaats van wat ze niet kunnen. We willen een opbouw organiseren waarbij scholen gaan aangeven bij individuele leerlingen hoe hij of zij het doet ten opzichte van het referentieniveau en wat dan zaken zijn die kinderen wel kunnen bereiken. Dat is een andere manier van kijken naar kinderen. In het huidige onderwijssysteem formuleren we heel vaak wat ze níét kunnen. Dat is iets waar wij mee aan de slag gaan.

Dan kom ik bij passend onderwijs. Deze twee zaken hangen natuurlijk samen. We zijn samen met het veld instrumenten aan het ontwikkelen om leraren in het primair en speciaal onderwijs te ondersteunen bij deze verandering van werken. Wij monitoren zorgvuldig wat haalbaar is. Wat we niet willen is een prikkel organiseren waardoor kinderen te snel worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs, omdat de lat in het primair onderwijs hoog ligt. Daarmee bevorderen we afschuifgedrag. Tegelijkertijd willen we ook niet dat kinderen buiten de boot vallen omdat we een norm hebben waaraan zij niet kunnen voldoen. Het kost tijd, want je moet de zorgvuldigheid in het oog houden. Dat is de reden dat niet alles in één keer georganiseerd kan worden. We willen groepen kinderen uitzonderen, zoals meervoudig gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen. We willen voor deze kinderen niet op voorhand zeggen dat ze het niveau niet kunnen bereiken. Dit vraagt om een specifieke aanpak en leerroutes voor kinderen die dyslectisch zijn of die doof of blind zijn of andere leerproblemen hebben. Dat is de wijze waarop we gaan werken.

Over de focus is al het een en ander gezegd.

Voorzitter: Jan Jacob van Dijk

Mevrouw Besselink (PvdA): We moeten de balans vinden tussen voldoende vragen van kinderen die het wel kunnen en kinderen beschermen die het echt niet kunnen. Ik stelde ook nog een vraag over het feit dat wij in Nederland te weinig uit zorgleerlingen halen die het niveau op zich prima aan zouden kunnen. Kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen?

Staatssecretaris Dijksma: Het onderpresteren benoem ik zo dadelijk apart. Eén op de tien kinderen in ons basisonderwijs presteert minder dan hij of zij aan talent in huis heeft. Dat is een van die alarmerende cijfers, waarvan je wakker kunt liggen. Dat is iets waar we echt aan moeten werken.

Voorzitter. Mevrouw Dezentjé vroeg hoe het zo gekomen is dat we veel aandacht aan de basis moeten besteden. In het primair onderwijs is een van de oorzaken dat er de afgelopen jaren heel veel op de scholen is afgekomen wat eigenlijk niet met de kerntaak van het onderwijs te maken heeft. Het zorgt ervoor dat leraren het heel druk hebben met een heleboel dingen maar niet met hun kerntaak lesgeven. Dat betekent ook dat we een stelselmatige terughoudendheid wensen, ook bij de Kamer, bij het formuleren van nieuwe opdrachten aan het onderwijs. De heer Bosma is er niet meer, maar het zal hem deugd doen dat we over het lijstje vakken dat hij noemde zeggen dat we daarmee stoppen. Geef leraren de ruimte en tijd om hun eigen keuzes te maken en laten we voorkomen dat we voortdurend maatschappelijke problemen die we buiten het onderwijs niet opgelost krijgen, over de heg van de school gooien en zeggen dat ze het maar uit moeten zoeken. Zo breng je het onderwijs in de problemen. Wij zien onszelf als dijkbewakers op dit gebied. De Kamer zal ons voortdurend op dat terrein tegenkomen.

Daarmee heb ik ook de focus behandeld. Wij hopen dat scholen prioriteiten stellen. Dat betekent dat er niet alleen voldoende tijd is voor taal en rekenen, maar ook voor de andere vakken. Ik steun de heer Jan Jacob van Dijk daar in. We moeten voorkomen dat allerlei extraatjes van de school worden gevraagd, ook vanuit de politiek.

Toetsen zijn interessante materie. Er is niets tegen toetsen. Het punt is dat kinderen nooit beter worden van toetsen. Leraren wel, en daar gaat het om. Uiteindelijk moet een toets docenten inzicht geven in waar kinderen staan, waar lacunes zijn en hoe ze kinderen verder kunnen helpen. Daar is niets tegen. Scholen die het leerlingvolgsysteem gebruiken, toetsen met enige regelmaat. De gedachte dat meer toetsen als vanzelf het onderwijs verbeteren klopt niet. Het gaat erom dat we datgene wat we nu doen, beter doen. De heer Jan Jacob van Dijk slaat de spijker op zijn kop als hij zegt dat we meer opbrengstgericht moeten gaan werken met behulp van de schat aan informatie die alle toetsen die we nu al doen ons oplevert. We zien dat in het Nederlandse onderwijs heel veel wordt gedaan met de individuele uitkomsten van toetsen. Winst zit vooral op groeps- en schoolniveau. Als je bijvoorbeeld een klas hebt waar relatief veel zwakke lezers zijn, denk dan niet meteen dat het allemaal kinderen zijn die niet kunnen lezen, maar stel jezelf de vraag wat er verkeerd gaat in het onderwijs in die klas. Wat betekent dat in steun die we moeten bieden aan die individuele leraar? We moeten een gesprek voeren over het feit of het goed gaat. Stellen we de juiste ambitie en zien we niets over het hoofd? Op die manier kun je het onderpresteren beter in beeld krijgen. Uiteindelijk zijn toetsen interessant omdat soms blijkt dat kinderen meer kunnen dan gedacht werd. Ook daarvoor is het belangrijk.

De Cito-toets is een eindpunt in een reeks gegevens die een school heeft. Als je als school het leerlingvolgsysteem goed hanteert krijg je een langjarig beeld dat heel belangrijk is. Zo’n eindtoets is qua zwaarte dan veel minder relevant. Het punt is dat we zien dat deze toets in het voortgezet onderwijs bijna wordt gebruikt als een entreetoets. Daar is de Cito-eindtoets niet voor bedoeld. Wij stimuleren dat er een warme overdracht plaatsvindt tussen primair en voortgezet onderwijs, waarbij geobjectiveerd en gevalideerd wordt verteld waar een kind staat. Ook het voortgezet onderwijs weet dan waar het aan toe is. Zo willen we dat de overdracht plaatsvindt. Het moment dat de Cito-toets wordt afgenomen moet tijdig genoeg zijn om nog mee te kunnen spelen in de adviesrol die de leraar heeft, ook richting het voortgezet onderwijs. De hype die er nu rond februari is zorgt er vaak voor dat kinderen denken dat het daarna klaar is. Dat is niet zo. Uit onderzoek blijkt dat er te weinig tijd tussen februari en de zomer gebruikt wordt om kinderen nog verder voor te bereiden op hun rol in het vo. Wat je helaas zelfs ziet, is dat er te veel kinderen zijn die aan het begin van de brugklas slechter presteren op taal en rekenen dan toen ze de Cito-toets maakten. Juist om het presteren van kinderen een extra kans te geven en we onderwijstijd zo goed mogelijk willen gebruiken ben ik voorstander van het feit dat de PO-Raad, het Cito, de VO-raad, de Algemene Vereniging van Schoolleiders (AVS) en alle andere betrokkenen in vier regio’s pilots zijn begonnen waarbij ze gaan kijken of het naar achteren schuiven van de Cito-toets tot betere prestaties van de kinderen leidt. Wie kan daar tegen zijn?

Voorzitter: Besselink

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): De staatssecretaris poogt via het verschuiven van de datum van de Cito-toets het belang van de Cito-toets te verlagen. Ik vraag me af of dat lukt. Waarom zouden scholen zelf al niet het beleid kunnen voeren dat ze, gezien de uitslag van zo’n toets en de zwakke punten van die leerling, de resterende tijd gebruiken voor het opvullen van de hiaten en het onderhouden van de kennis. Waarom moeten wij dat vanuit Den Haag vastleggen? Laat het aan de scholen over. Ze zullen dan bijvoorbeeld minder tijd aan de musical besteden.

Staatssecretaris Dijksma: We gaan het niet vanuit Den Haag doen. Deze pilots worden vanuit het veld georganiseerd. Ik ondersteun dat van harte. Ik wil het belang van de Cito-toets niet ter discussie stellen, ik wil het beoogd effect wel zo groot mogelijk maken. Dat is zo veel mogelijk reële onderwijstijd die nodig is om kinderen datgene mee te geven dat nodig is voor het voortgezet onderwijs. Als het mogelijk is met het verschuiven van de toets de focus scherper te krijgen, waarom zou je dat dan laten? Er staat scholen niets in de weg om ook sowieso in de laatste maanden meer aandacht aan rekenen en taal te blijven besteden, als niet mee willen doen met verschuiven of als blijkt dat dat niet het ei van Columbus is. De oproep van de heer Van Dijk aan scholen zou ik van harte willen ondersteunen. Dat staat overigens de proef niet in de weg.

Ik sluit me aan bij wat de heer Bosma zei over het integreren van de Cito-toets in het leerlingvolgsysteem. Het gaat er inderdaad om op vele momenten de doorlopende leerlijn te ijken. Dat moeten we niet in groep 8 pas gaan doen. Dat is gelukkig niet de werkelijkheid in ons onderwijs. Met mevrouw Dezentjé zeg ik dat de discussie niet moet gaan over het ene toetsmoment van peuters en kleuters die sprongen in hun ontwikkeling maken. Een momentopname zegt niets over hun problemen of kansen. De referentieniveaus worden vertaald naar tussendoelen en leerlijnen die lopen van de groep 1 tot 8. Het denken in leerlijnen start al vroegschools. Bij de wetgeving OKE, de Ontwikkelingskans op Kwaliteit en Educatie, komen we hierover te spreken. Het is belangrijk door een omgevingsanalyse vroegtijdig te signaleren of kinderen het risico lopen op een taalachterstand. Als je zoiets vaststelt op tweejarige leeftijd is het van groot belang dat kinderen naar de peuterspeelzaal gaan of in de kinderopvang met voorschoolse educatie worden geconfronteerd. We willen voorkomen dat sommige kinderen met een ontwikkelingsachterstand van twee jaar bij de basisschool terecht komen. Die doelstelling is het beleid. In het wetgevingstraject gaan we dit gesprek verder voeren.

Ook over de toegevoegde waarde van de toetsen zijn vragen gesteld. De inspectie zal te zijner tijd controleren of in het laatste jaar van alle leerlingen objectief en gevalideerd gegevens zijn verzameld met betrekking tot de referentieniveaus. Men kan laten zien aan het vervolgonderwijs waar de kinderen staan. Het is van belang dat we dit niet als afrekenen zien. Ik vond de kwalificatie verantwoording afleggen heel goed. Daar gaat het inderdaad om. Het gaat er om dat we oog houden voor datgene wat het onderwijs bijdraagt en dat we dat fair doen. Dat is iets dat vaak speelt, dat fair beoordelen. Veel mensen weten helaas niet dat de inspectie dat echt doet. De inspectie houdt rekening met het niveau van kinderen en kijkt of er relatief veel kinderen met een achterstand op school zijn. De inspectie betrekt deze gegevens bij haar oordeel. Uiteindelijk gaat het dus om een verbetering van de leercultuur. Het is niet vreemd dat het onderwijs daarover verantwoording aflegt. Ik weet ook dat het onderwijs dat wil.

Voorzitter: Jan Jacob van Dijk

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Over het leerlingvolgsysteem blijkt uit de rapportage van de commissie-Dijsselbloem dat dit wel degelijk wordt gehanteerd op scholen. Wel blijkt dat als er een leerlingvolgsysteem was, dit niet werd gebruikt om de school zich te laten verbeteren. Heeft de staatssecretaris er zicht op of dit inmiddels in zijn algemeenheid verbeterd is? Kunnen we daar inzage in krijgen?

Staatssecretaris Dijksma: Dit is één van de kernen in het kwaliteitsbeleid in het primair onderwijs. Daarvoor hebben we projecten onder het motto Alle scholen doen mee. Daarbij promoten we juist het opbrengstgericht werken. Opbrengstgericht werken kan alleen als je systematisch, bijvoorbeeld via het leerlingvolgsysteem kijkt op welke wijze kinderen zich ontwikkelen. We zijn bezig om dat breed in het onderwijs te verankeren. Dat gaat beter, want we weten dat 2000 scholen al in de taal- en rekenverbetertrajecten zitten. Wij subsidiëren dat. Wij weten ook dat er een heleboel scholen zijn die uit zichzelf hiermee aan de slag gaan. Wij proberen de ervaringen met de scholen waar we een directe verbinding mee hebben beschikbaar te stellen voor alle andere scholen in het onderwijs, zodat ook daar van onderaf de kansen worden gepakt. Ik merk dat er veel enthousiasme voor is, veel scholen willen het graag.

Een van de kritieken die ik krijg is dat ik met mijn kwaliteitsagenda niet altijd alles in de lumpsum heb gezet, maar ook een klein beetje meestuur met geld. Ik bevind mij hier op een spanningsveld tussen beide heren Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is goed voor de statistieken. We noteren dat hier geen sprake is van lumpsum maar van geoormerkte middelen.

Staatssecretaris Dijksma: Dat weet de Kamer allang. We gaan natuurlijk wel toe naar een bijdrage daarvoor in de lumpsum. Ook hier geldt dat rekenen en taal corebusiness is. Het is gek om als het om zo iets belangrijks gaat op langere termijn scholen daarvoor apart te blijven financieren. Dat is een verantwoordelijkheid die ze zelf moeten oppakken. Wij sturen straks op de referentieniveaus. We geven scholen precies aan wat ze moeten bereiken. Dan is het niet meer nodig om die cultuur op een andere manier te stimuleren.

Voor onderpresteren vragen we bijzondere aandacht in een aantal projecten. We hebben 19 februari een brief gestuurd over intensiever onderwijs en extra leertijd. De reden was dat één op de tien kinderen eigenlijk meer zou kunnen dan we er nu uithalen. Dat blijkt uit onderzoek van de Onderwijsraad. We zagen ook dat de overgang van primair naar voortgezet onderwijs een belangrijk moment is om het onderpresteren tegen te gaan. Daar wordt nog wel talent verloren. We hebben de Regeling onderwijstijdverlenging basisonderwijs gepubliceerd. Deze regeling wil dat er een samenwerkingsverband ontstaat van basisscholen, gemeenten en scholen van voortgezet onderwijs, om in aanmerking te komen voor een project met vormen van onderwijstijdverlenging. Wat we willen is dat kinderen die meer leertijd nodig hebben om een achterstand in te halen de mogelijkheid krijgen beter te gaan presteren. Zij kunnen dan een hogere vervolgopleiding bereiken. Scholen moeten afspraken maken over de overdracht van kinderen. We volgen dat wetenschappelijk via TIMSS. Begin 2011 komen de eerste tussenresultaten beschikbaar.

De bezuiniging van 90 mln. gaat niet ten koste van het primair proces. Los van het feit dat er volgend jaar per leerling €50 bijkomt, is er dus geen reden om op het primair proces te bezuinigen. Sterker nog, er is alle reden om het primair proces te versterken. We hebben vastgesteld dat deze bezuiniging neer moet slaan op het management. Dat is een helder doel. Het veld heeft dit goed verstaan, alhoewel niet iedereen het waardeert. Het is wel de meest faire keuze die je kunt maken, omdat we leraren en kinderen nadrukkelijk buiten schot wilden houden.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): De VVD-fractie is tegen deze bezuinigingen, omdat wij van mening zijn dat de kwaliteitsagenda in gevaar komt. Het gaat gevolgen hebben voor de situatie in de klas. Waarom denkt de staatssecretaris dat het feit dat leraren managerstaken moeten overnemen geen invloed heeft op de hier nagestreefde kwaliteit? De PO-Raad zegt wel dat dit het geval is.

Staatssecretaris Dijksma: Belangrijkste punt is dat er per saldo meer geld naar het primair onderwijs gaat en niet minder. Het tweede is dat er bij het bovenschoolse management voldoende efficiencywinst is te halen om ervoor te zorgen dat het primair proces misschien zelfs minder wordt belast. De Kamer weet dat we de kleine schoolbesturen buiten de bezuinigingen hebben geplaatst. Ik ben het niet eens met de conclusie van de PO-Raad. Vaak ben ik het wel met de raad eens. In dit geval ligt het voor de hand dat onze meningen uiteenlopen, omdat de raad de vertegenwoordiger is van de managers in het onderwijs.

Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. Dank aan beide staatssecretarissen voor hun beantwoording. Het is duidelijk dat bij beiden de sense of urgency aanwezig is om hier aandacht aan te besteden en grote stappen te maken. Het schema moet worden doorgezet. Ik ben blij met de toezegging van staatssecretaris Van Bijsterveldt over de doorlopende leerlijn. Fijn dat de niveaus omhooggaan en dat ze op elkaar aansluiten. Ook hebben beide staatssecretarissen gezegd dat het niet over afrekenbaarheid gaat, maar over verantwoording en dat je dat gewoon mag vragen. We willen iets bereiken in het onderwijs, dus moeten we ook af en toe kijken of we het bereikt hebben. De PvdA-fractie stemt hiermee in. Bij de wetgeving komen we elkaar weer tegen en dan wordt helder hoe alles in details wordt uitgevoerd.

Een punt van aandacht heb ik wel. De staatssecretaris wil een zorgvuldig traject, maar wel met een vastgesteld doel, die stip op de horizon. Wat doen we als tussentijds blijkt dat het toch niet haalbaar is, dat de achterstand in po en vo te groot is voor mbo’s om bij te kunnen schakelen?

Dank voor de toezegging van staatssecretaris Dijksma over het onderpresteren. Wij zijn nu al benieuwd naar de tussenresultaten die we pas in 2011 krijgen. We wachten dus in spanning af. Vandaag gaat het om de ambitie om meer kinderen naar een hoger niveau te krijgen. Daarin ondersteunen wij de staatssecretarissen van harte.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. We zijn het eens over de focus op taal en rekenen. De vraag is wel hoe we het gaan doen. Gaat de invoering op verantwoorde wijze? De wet komt waarschijnlijk in januari. Is de geplande invoeringsdatum puur technisch gesproken dan haalbaar? Is het haalbaar dit per nieuwe schooljaar te gaan doen? Graag een reactie daarop. Ik bedoel dan de referentieniveaus zelf, maar ook de leraren, de toetsen, de scholen.

Is er voldoende extra tijd en geld? Er is extra geld. Kan de staatssecretaris nog eens toelichten waarom dat geld voor het po is geoormerkt? Op pagina 2 van de brief staat dat schoolbesturen de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de verdere professionalisering van het lerarenteam. Dan zegt de staatssecretaris dat ze daar extra middelen voor krijgen. Is dat geld daarvoor geoormerkt?

Er komt een aparte rekentoets. Ik vind dat goed, maar dat betekent dat er een soort nieuw vak gaat ontstaan voor die scholen die daar een achterstand hebben. Het betreft bijvoorbeeld de havoleerlingen C&M.

Wat is de ambitie rond laaggeletterdheid? Houden we de 60% vast of niet? Moet het convenant worden bijgesteld of gaan we het gewoon halen? Graag een helder antwoord.

Het is een beetje flauw om in de discussie over onderwijsvernieuwing te zeggen dat taal en rekenen geen onderwijsvernieuwing is. Vanzelfsprekend niet, want het is het hart van het onderwijs. De vraag is natuurlijk hoe het gaat uitpakken met de referentieniveaus en het opbrengstgericht werken. Dat kwam in de hoorzitting naar voren. Daarvan zeiden de deskundigen dat we van leraren een andere manier van werken vragen. Laten we daar dan eerlijk over zijn. Het gaat een cultuuromslag betekenen en de inspectie zal dat gaan beoordelen. Mijn punt is dat het niet moet leiden tot ergernis, een foute didactiek of meer bureaucratie. Als je dit tot een succes wilt maken moet je de leraren mee krijgen. Daar staat de SP helemaal achter.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. De conclusie van dit debat is dat we op de goede weg zijn. Ik wacht de wetgeving die er over dit onderwerp komt af. Er is zelden een debat geweest waarbij we zo veel journalisten op de tribune hadden. Het is goed dat ze er zijn, want het onderwerp onderwijs krijgt eigenlijk veel te weinig aandacht in Nederland. Het een onderwerp dat je bezighoudt, omdat je werkt in het onderwijs of omdat je kinderen op school hebt. Verder zijn er te weinig mensen mee bezig. Met 35 mld. is het de grootste post op de begroting en het vormt de basis voor onze toekomstige generatie.

Het is vreemd dat wij in onze beschaafde samenleving nog steeds 1 miljoen laaggeletterden hebben. Ze zijn niet analfabeet maar wel laaggeletterd. We hebben nu 12 000 cursisten. Dit is het cijfer in het aanvalsplan. Mooi dat dat is gehaald. Wat weten we van deze cursisten? Hebben ze hun vaardigheden daadwerkelijk verbeterd? Zijn daar gegevens over? We tellen wel de mensen in de schoolbanken, maar weten nog niet wat het effect ervan is.

Voorzitter: Besselink

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA): Over de wetgeving moeten we ons realiseren dat het krap begint te worden. Als we de wet eind januari, begin februari krijgen, hebben beide Kamers samen nog maar vier maanden. Voor een dergelijk omvangrijk en ingewikkeld wetgevingstraject is het een buitengewoon lastige taak om in zo’n korte periode te doen. Ik vraag met extra nadruk dat de staatssecretarissen ervoor zorgen dat de wet niet pas op 28 januari komt.

Tijdens dat wetgevingstraject zullen we zeker nog spreken over de rekentoets. Aan de ene kant snap ik dat de staatssecretaris zegt dat aan het einde van de rit helder moet zijn wat mensen kunnen op het gebied van rekenen. Aan de andere kant is mijn grote angst dat daarmee de integraliteit die we proberen te realiseren om zeep wordt geholpen, omdat dit binnen de scholen op een andere manier wordt opgepakt. Deze zorg ben ik nog niet kwijt. Daar zullen we tijdens het wetgevingstraject ongetwijfeld nog over van gedachten gaan wisselen.

Ik zou het op prijs stellen als in de bestuurlijke contacten met de PO-Raad en VO-raad het element van het toetsen van docenten onder de aandacht wordt gebracht. We moeten zicht krijgen op de mogelijkheden die we hebben, ook in de richting van het koppelen aan het leraren- en schoolleidersregister. Het zou daarvan een integraal onderdeel moeten zijn.

Voorzitter: Jan Jacob van Dijk

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Mevrouw Besselink vraagt zich af hoe we het traject zorgvuldig kunnen doorlopen. Het mooie van de aanpak die we hebben gekozen is dat we die ruimte hebben. Anders ligt alles vast in de wet. Hier doen we veel per AMvB. Ik gebruikte zoeven de juridische term voorhangen. Dat wordt zwaar en geeft veel bureaucratie. Dat willen we niet, dus we zorgen dat we de inhoud in een brief vermelden, zodat we het debat hebben voordat de AmvB definitief wordt vastgesteld. De Kamer kan op deze wijze, indien ze dat wil, inhoudelijk reageren op de besluiten die wij nemen. Op deze wijze wordt de Kamer goed geïnformeerd en de Raad van State naar behoren bediend.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het streven is dat alles tegelijk in januari komt?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Nee, volgens mij ben ik het niet helder genoeg geweest. Er komt eerst een wet voor de referentieniveaus, waar in de komende jaren les over moet worden gegeven. Dat begint per 1 augustus. De afgelopen periode hebben bijvoorbeeld de steunpunten hun werk al gedaan. Dat moeten we doen om te zorgen dat we in 2013–2014 aan het einde van het jaar de examens kunnen gaan doen. Dan zijn we een aantal jaren verder. We moeten nu wel zorgen dat we klaar staan. Het is inderdaad een krappe planning. We doen er samen aan wat we kunnen. Met het verschijnen van de wet in januari verschijnt er voor het veld overigens niets nieuws. Het veld is volop bezig en weet wat er op hen afkomt. We moeten de wet met zorg door de Tweede en Eerste Kamer loodsen. We zijn ons beiden bewust van dit feit.

De voorzitter: In het verlengde daarvan: als we het wetsvoorstel krijgen, krijgen we dan ook de brief waarin de inhoud van de AMvB staat?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De Kamer krijgt over de referentiekaders de eerste AMvB. Over de andere besluiten, zoals het examenbesluit in het vo, mbo 2 en 3, allemaal belangrijke inhoudelijke beslissingen, zeg ik de Kamer toe dat ze de informatie krijgt voordat we de finale stappen zetten.

Voorzitter. Het convenant laaggeletterdheid, het plan van aanpak dat we kennen, heb ik altijd als een stip aan de horizon gezien. We werken daar met alle partijen naar toe. Het Aanvalsplan Laaggeletterdheid zijn we aan het realiseren. Dat zijn de stappen die nodig zijn om tot de doelen in het convenant te komen. We hebben al eerder vastgesteld dat het convenant buitengewoon ambitieus is en veel inzet vergt. Dat is de reden dat we op allerlei terreinen impulsen geven. Het is wel de intentie die we hebben vastgelegd in deze overeenkomst.

Wat weten we van de cursisten laaggeletterdheid? Deze vraag kan ik nu niet beantwoorden. Ik wil er geen aparte rapportage over maken, maar ik zal in de eerstvolgende rapportage aan de Kamer ook hierover informatie verstrekken. We zijn op de goede weg, dat ben ik met de woordvoerders eens, maar ik hoop echt dat we het kunnen waarmaken.

De rekentoets leidt tot zorg, omdat invoering ervan de integraliteit zou kunnen belemmeren. Ik begrijp de zorg, ik volg de ontwikkelingen, maar het is een verantwoordelijkheid van de school. We moeten niet willen dat bij elk vak Nederlands wordt getoetst, om te zorgen dat de school integraliteit realiseert. De school moet dit willen realiseren, omdat je daarmee het beste borgt dat stof wordt herhaald. Dan geeft de toets het transparante beeld van de positie van de leerling. Daarom ben ik voorstander van deze toets. Woordvoerders die dit willen kunnen hier natuurlijk op terug komen bij de behandeling van de wetgeving.

Ik zal bij de VO-raad het toetsen van docenten onder de aandacht brengen. Ik heb het idee dat de VO-raad het een goed plan vindt. Over het register moet ik zeggen dat het een zaak van de beroepsgroep is. We kunnen in onze gesprekken met de bonden het idee onder de aandacht brengen, maar we doen het alleen waar het nog nodig is.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. De vraag over de budgetten voor het po staat nog open. Het is zo dat het leeuwendeel, zoals de lerarenbeurs en de nascholing, onderdeel is van de lumpsum. We proberen bewustwording te kweken in het onderwijs. Dat heeft de Kamer gezien in onze reactie op het rapport van de KNAW over het rekenonderwijs. Het is belangrijk dat bijvoorbeeld op het terrein van nascholing de budgetten worden ingezet om het rekenonderwijs voldoende slagkracht te geven. Daar maken we graag nieuwe afspraken over met de mensen in het onderwijs. Daarnaast zijn er aparte projecten, die het hart vormen van de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs. Dit zijn de taal- en rekenverbetertrajecten, het project rondom de schoolleiders, het project rondom opbrengstgericht werken en het verbreden daarvan naar alle scholen. Deze gelden worden via een aparte subsidie verstrekt, omdat niet alle scholen er gebruik van maken. Zo zit het in elkaar. Op termijn zullen deze middelen onderdeel uit gaan maken van de lumpsum, maar nu nog niet.

Toezeggingen

De voorzitter: Ik heb de volgende drie toezeggingen genoteerd:

– In mei 2010 ontvangt de Kamer een evaluatie van de stand van zaken betreffende laaggeletterdheid.

– De staatssecretarissen stellen alle inhoudelijke informatie die in vervolg-AMvB’s wordt verwerkt, tevoren aan de Kamer ter beschikking.

– Staatssecretaris Van Bijsterveldt zal in haar eerstvolgende reguliere rapportage aan de Kamer nadere informatie verstrekken over de cursisten laaggeletterdheid.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Depla (PvdA), Remkes (VVD), Van Bochove (CDA), voorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Dibi (GroenLinks), Anker (ChristenUnie) en Smits (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gill’ard (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Ferrier (CDA), Uitslag (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Elias (VVD), Timmer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Thieme (PvdD), Peters (GroenLinks), Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Gerkens (SP).