Kamerstuk 31289-52

Verslag van een algemeen overleg

Voortgezet Onderwijs; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 25 februari 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31289-52.html
ID: 31289-52

31 289
Voortgezet Onderwijs

nr. 52
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 februari 2009

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 en de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken2 hebben op 22 januari 2009 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van staatssecretaris Bruins van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 december 2006 ter aanbieding van het Onderwijsraadadvies «Examinering: draagvlak en toegankelijkheid» (30 800 VIII, nr. 82);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 april 2007 ter aanbieding van het rapport van de inspectie over verschillen in cijfers tussen het centraal examen en het schoolexamen (30 800 VIII, nr. 118);

– de brief van minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 29 juni 2007 met een reactie op het rapport «Examinering, draagvlak en toegankelijkheid» (30 800 VIII, nr. 156);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 23 oktober 2008 inzake examinering voortgezet onderwijs (31 289, nr. 44);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 17 december 2008 over de examenkwestie Vespucci College te Curaçao (2008Z09801);

– het antwoord van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 juni 2008 op vragen van de leden Van Bochove, Leerdam en Ortega-Martijn over een verbod op het afnemen van eindexamens op het Vespucci College te Curaçao (Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2007–2008, nr. 2719).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Van Bochove Griffier: De Kler

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Jan de Vries (CDA): Voorzitter. Ons onderwijssysteem moet leerlingen prikkelen om hun talenten optimaal te benutten. Dat is niet alleen goed voor de leerlingen zelf, maar ook voor de samenleving als geheel. En toch zien wij jammer genoeg dat er langzamerhand een zesjescultuur in ons onderwijs geslopen is. Wij denken dat wij ons dat niet meer kunnen veroorloven, zeker niet in onze concurrerende kenniseconomie. Het zou goed zijn als ons onderwijssysteem leerlingen en scholen prikkelt tot meer ambitie. Het examensysteem kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.

Het is vanzelfsprekend dat de kwaliteit van onze examens en ons eindexamensysteem niet ter discussie mag staan. Helaas is dat steeds meer het geval. Zie de zorgen van werkgevers, maar ook van vervolgopleidingen in het hoger onderwijs. Ook ouders hebben zo hun twijfels over de selecterende functie van onze examens. Meer ambitie en meer vertrouwen, dat zijn voor ons de doelen van de verbeteringen in ons eindexamensysteem. De urgentie daarvoor is groot. De staatssecretaris toont daarin gelukkig daadkracht met de door haar voorgestelde maatregelen. Het is overigens teleurstellend dat een aantal landelijke organisaties van leerlingen, ouders en scholen die urgentie helaas nog niet zien. Als wij als Tweede Kamerleden van het CDA op werkbezoek zijn, ontmoeten wij heel veel sympathie voor de door de staatssecretaris gekozen lijn. De tijd is in onze ogen rijp voor minder vrijblijvendheid, meer ambitie en meer kwaliteitsborging.

Wij hebben geen behoefte aan het ter discussie stellen van de fundamenten van ons eindexamensysteem. Daarom hechten wij zeer aan de eigenstandige positie van de schoolexamens. Die doen recht aan de aard van ons onderwijssysteem en laten ruimte voor verschillen. Daarnaast geven zij professionele docenten ruimte, die op die manier een bijdrage leveren aan goede kwalitatieve eindexamens. Omdat die fundamenten in stand blijven, vinden wij de roep om rust en het beroep van tegenstanders op de commissie-Dijsselbloem gezocht.

Samen met de VO-raad wil de staatssecretaris werken aan verbetering van de kwaliteit, de inhoud en de beoordeling van de schoolexamens. Prima, maar komt die gezamenlijkheid niet een beetje in gevaar nu de VO-raad afstand lijkt te nemen van zijn voornemens? Wat ons betreft is het en-en. Wij willen werken aan verandering in het systeem en, samen met de VO-raad, aan verbetering van de inhoud. De kwaliteitsstandaard van scholen en de door de staatssecretaris voorgestelde verbeteringen kunnen elkaar versterken.

De verschillen in cijfers tussen schoolexamens en centrale examens hebben wij al veelvuldig besproken. Ze zijn al jarenlang een punt van zorg. Er worden soms te snel conclusies getrokken. Ik denk aan de heer Dronkers en aan een recent artikel in Elsevier. Ook uit inspectieonderzoek wordt duidelijk dat er met name voor bepaalde schooltypes sprake is van opvallende verschillen, die soms ook nog toenemen. Ik denk aan het particulier onderwijs, maar ook aan de gymnasia.

De staatssecretaris kiest ervoor om in te grijpen via de inspectie, via de escalatieladder. De scholen krijgen de mogelijkheid om orde op zaken te stellen. Dat brengt ons bij de vraag of in alle gevallen wanneer sprake is van een verschil van meer dan een halve punt of meer dan één punt er ook reden is om die escalatieladder en dus handhaving toe te passen. Kunnen er geen plausibele argumenten zijn op grond waarvan een school kan aantonen dat zij kwalitatief goed onderwijs biedt? Met moet de inspectie kunnen overtuigen van het feit dat het onderwijs en de schoolexamens op orde zijn. Als de school daarin slaagt, is er wat ons betreft geen enkele reden om de escalatieladder en dus handhaving toe te passen.

De heer Van der Ham (D66): In die escalatieladder zitten soms periodes van wel een jaar voordat een volgende tree wordt bereikt. Vindt de heer De Vries die ladder wel scherp genoeg? Als het echt fout zit, kan het heel lang duren voordat een school wordt aangesproken.

De heer Jan de Vries (CDA): Het is nodig om niet naar de resultaten van een enkel schooljaar te kijken. Je zult het meerjarig moeten bezien. De uitkomsten in een enkel schooljaar kunnen toevallig afwijken van die in een ander jaar. Wij vinden het heel goed dat de inspectie niet direct tot toepassing van de ladder overgaat. Daarmee doet zij recht aan het feit dat eindexamens per jaar kunnen verschillen, dat het momentopnames kunnen zijn, dat de aard van de examens kan verschillen en dat ook de leerlingen verschillen. Dat mag doorklinken in de wijze waarop de inspectie omgaat met de scholen. Er moet niet ongeacht de inhoudelijke overwegingen, ongeacht de verdediging van de school in alle gevallen tot handhaving worden overgegaan.

Wij blijven van oordeel dat de tweede correctie volwaardig moet zijn. Er bestaan in onze ogen onder docenten nog steeds misverstanden over de beschikbare faciliteiten. Corrigeren valt gewoon onder de taakbelasting. Een gebrek aan tijd kan geen enkele reden zijn voor half werk. Het is overigens goed dat wij een pilot tot verbetering starten.

Calculerend gedrag van leerlingen valt niet uit te bannen, maar mag nooit leiden tot de kantjes ervan aflopen of tot een gebrek aan kwaliteit en ambitie. Daarom heeft de voorgestelde verbetering in de slaag/zakregeling onze hartelijke steun.

Mevrouw Besselink (PvdA): Ik heb geen signalen dat betwist wordt dat de correctietijd volwaardig is. Wel maakt een aantal leraren zich zorgen of het binnen de tijd kan. Daar loopt u nu wel heel makkelijk overheen.

De heer Jan de Vries (CDA): De CDA-fractie heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat dat een terechte zorg is.

De heer Dibi (GroenLinks): Een multiple choice voor de tweede keer nakijken is niet zo heel erg moeilijk, maar 30 keer een Nederlands essay nakijken is niet makkelijk. Waarom hebt u geen enkele aanleiding om te denken dat dat veel tijd kost?

De heer Jan de Vries (CDA): Als het een probleem zou zijn, is dat iets wat de scholen zelf met hun docenten moeten oplossen. Tot op heden hebben wij geen duidelijke signalen ontvangen.

De veranderingen in de zak/slaagregeling hebben onze steun. Het is van de gekke dat je voor alle vakken in het centraal eindexamen een onvoldoende kunt scoren en toch door compensatie kunt slagen. Het komt niet bij tientallen leerlingen voor, nee, het komt zelfs bij honderden leerlingen voor. Daarom is het goed dat straks het gemiddelde van alle centraal-eindexamencijfers voldoende moet zijn. Het is van de gekke dat wij dat niet eerder bedacht hebben.

De CDA-fractie heeft ook veel sympathie voor de keuze om enkele vakken een voorkeurspositie te geven. De staatssecretaris kiest voor Nederlands, wiskunde en Engels. De eerste twee behoeven natuurlijk geen toelichting. Wij hebben hier regelmatig onze zorgen geuit over de kwaliteit op het gebied van de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde. Dat is onderbouwd met voldoende feitenmateriaal. Voor Engels geldt dat volgens ons niet. Engels lijkt te zijn bijgevoegd op grond van de regelmatig gehoorde klacht uit het hoger onderwijs over de taalvaardigheid van de afgestudeerde leerlingen. Is dat voldoende om zo’n ingreep – maximaal één 5 voor de drie vakken – te rechtvaardigen? Overigens is het goed dat nog eens bekeken wordt of de veranderingen in de zak/slaagregeling ook toegepast kunnen worden in het vmbo. Met de VO-raad en het LAKS zijn wij beducht voor onbedoelde effecten in het systeem. Zeker kwetsbare leerlingen, zoals leerlingen met dyslexie en zorgleerlingen, mogen door de wijzigingen niet in een moeilijke positie komen te verkeren. De talenten die zij hebben, moeten zij goed kunnen benutten.

Natuurlijk moet er harder gewerkt worden. Dat kan ook. De CDA-fractie is niet beducht voor hogere zakpercentages. Wij zien ook de noodzaak van fasering, zodat scholen zich kunnen voorbereiden. Waarom zijn het pas de eindexamenkandidaten in 2011/2012 die met de nieuwe regelgeving worden geconfronteerd? Voorbereiden op je examen doe je in de laatste twee jaar. Een jaar eerder moet prima kunnen.

Ik kom op de examens op de Nederlandse Antillen. Het Vespucci College en het Luzac College nemen daar examens af. Wij begrijpen dat de staatssecretaris zegt dat dat formeel niet mogelijk is. Tegelijkertijd wordt daar wel onderwijs aangeboden met subsidie van het NOB. Sterker nog, ze vallen onder het inspectietoezicht. Ik vind dat een beetje dubbel. Veel leerlingen van Nederlandse ouders die daar voor hun werk verkeren, veelal in overheidsdienst, maken daarvan gebruik. Er is een overgangsregeling. Wij vragen de staatssecretaris om te bezien of die regeling verlengd kan worden en of deze periode gebruikt kan worden om met alle betrokkenen, inclusief het NOB, te zoeken naar een structurele regeling die niet leidt tot precedentwerking, maar die voor deze specifieke groep binnen het Koninkrijk een oplossing biedt.

De heer Van der Ham (D66): Ik heb nog een vraag over die voorwaarde voor wiskunde, Nederlands en Engels. Uit het veld krijgen wij de vraag wat er precies gemeten wordt als voor die drie vakken minimaal een 6 moet worden gehaald. Er zijn leerlingen met voldoendes die in het vervolgonderwijs toch in grote problemen komen. Moeten wij niet veel meer naar de inhoud van het onderwijs kijken? Hoe staat de CDA-fractie daarin? Moeten wij op dat punt niet bezien hoe wij dat precies gaan vormgeven?

De heer Jan de Vries (CDA): Daarmee stelt de heer Van der Ham de fundamenten van ons onderwijssysteem ter discussie. Je mag veronderstellen dat iemand die een voldoende voor een vak haalt, voldoet aan de vereiste kwaliteiten. Tegelijkertijd zien wij met de heer Van der Ham dat de inhoud van het onderwijsprogramma en de examens niet altijd die garantie geeft. Dat is ook de reden dat de staatssecretaris met de VO-raad, en de VO-raad zelf voorop, gaat werken aan verbetering van de inhoud van het onderwijs. Het is dus een kwestie van en-en. Het gaat om de inhoud van het onderwijs en de daarbij behorende eindtermen en eindexamens, en om de zak/slaagregeling. Beide moeten veranderd worden. Samen zal dat leiden tot een verbetering van de kwaliteit.

De heer Van der Ham (D66): Ik ben het helemaal met u eens. Natuurlijk hangen beide heel erg met elkaar samen. Wij zijn op zichzelf voor de maatregel, maar ik vraag in welke volgorde dit moet. Moeten wij niet eerst pas op de plaats maken, niet te lang, om te onderzoeken welke elementen in het curriculum moeten worden aangescherpt voordat wij gaan eisen dat het met een voldoende moet worden afgerond?

De heer Jan de Vries (CDA): De CDA-fractie denkt dat de urgentie zo groot is, dat wij beide zaken parallel in werking kunnen zetten. Overigens wordt al gewerkt aan verbetering van de inhoud. Tegelijkertijd kunnen wij de zak/slaagregeling wijzigen, zodat wij nog beter de kwaliteit borgen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. De VVD wil eigenlijk maar één ding: back to basics. Rekenen en taal zijn de belangrijkste dingen om optimale kansen te krijgen op de arbeidsmarkt. Ik steun de plannen van de staatssecretaris van harte. Het mag zelf nog iets verder gaan. Drie voldoendes, voor Nederlands, Engels en wiskunde, zijn zeer wenselijk. Ik zeg er één ding bij. Wat is de waarde van een voldoende? Op dit moment wordt de waarde van de voldoende bepaald door de manier waarop het examen is gemaakt. Ik wil dat er een norm wordt bedacht – ik weet dat daar ook onderzoek naar wordt gedaan – om te bepalen wat een leerling goed moet hebben om een 6 te halen. Anders lopen wij alsnog het risico dat een voldoende niet waardevast is, en dat het eigenlijk misschien een 5 of een 4 was, waardoor de leerlingen alsnog de dupe worden en in een vervolgopleiding struikelen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het onderwijssysteem moet optimale kansen bieden op de arbeidsmarkt, niet alleen waardevaste voldoendes, maar ook waardevaste diploma’s. Het bedrijfsleven hecht weinig waarde aan diploma’s. Als je ergens solliciteert, word je eerst door een hele molen van assessments en business courses gehaald om te kijken of je überhaupt iets kunt. Diploma’s moeten meer zekerheid geven aan leerlingen en werkgevers, die daar gewoon recht op hebben.

Mevrouw Besselink (PvdA): Wij moeten serieus kijken naar de waarde van de examens. Wie is «wij» in dit verband? De politiek? Hoe ziet mevrouw Dezentjé de rol van het College voor examens?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik doel op waardevaste voldoendes. De staatssecretaris moet vaart maken met het onderzoek dat nu al in gang is. Is er niet een absolute norm waar alles aan getoetst kan worden, zodat het niet per jaar wordt bepaald? Eerder heb ik gepleit voor het meer betrekken van het bedrijfsleven bij de examens. Zijn de diploma’s zo waardevast dat het bedrijfsleven ermee uit de voeten kan? Het veld en het ministerie moeten gezamenlijk optrekken. Wij geven daar vervolgens ons politiek oordeel over.

De VVD maakt zich zorgen over de situatie. Leerlingen die vanuit het vmbo en het mbo binnenkomen met zulke taal- en rekenproblemen dat zij alsnog uitvallen, dat kan natuurlijk niet. Havisten moeten op het hbo bijgespijkerd worden, omdat zij nog steeds niet begrijpend kunnen lezen. Bedrijven nemen leraren Nederlanders aan om sollicitanten bij te spijkeren. Er zijn verpleegkundigen die fouten maken. Ik vind het een ernstig probleem. De oplossing begint niet bij het verscherpen van de exameneisen, maar bij het begin.

Laten wij de schoolloopbaan kort doornemen. Wij hebben de vroeg- en voorschoolse educatie in de peuterleeftijd. Het kabinet wil dat er voor alle kinderen die het nodig hebben, een taalcursus is. Het is allemaal erg vrijblijvend.

25% van de basisscholen levert slecht rekenonderwijs. 12% levert slecht taalonderwijs. Pabo-studenten overstijgen maar net het taal- en rekenniveau van groep 8. Het is schandelijk. Veel problemen en taalachterstanden worden meegenomen naar de middelbare school. Kan de middelbare school dit oplossen? Nee, die school heeft al moeite met urennormen, gratis schoolboeken en nog meer kopzorgen. Wij moeten er echt voor zorgen dat het voortgezet onderwijs niet te veel leerlingen aflevert die eigenlijk geen diploma hadden mogen krijgen.

In het mbo vallen veel mensen alsnog uit: 30 000 per jaar. In het hoger onderwijs is een vijfde van alle studenten niet in staat om zelfstandig een leerboek te lezen. Veel studenten halen niet het rekenniveau van groep 6 en 7 basisonderwijs. Het is te gek voor woorden. Het hbo organiseert summer courses om iedereen bij te spijkeren. Het is de omgekeerde wereld. Nogmaals: back to basics.

Het aanscherpen van de eisen op de middelbare school is een heel goede stap, maar niet alleen daar ligt het probleem. Investeren in onderwijskwaliteit is het allerbelangrijkste. Wat mij betreft gebeurt dat volop. Een CPB-rapport gaf onlangs aan dat per niet uitvallende leerling € 2000 over de balk wordt gesmeten, omdat schooluitval er niet mee wordt voorkomen. Dat geld moet worden geïnvesteerd in het verbeteren van het taal- en rekenonderwijs. Dan kunnen wij beter omgaan met de kritiek dat deze verscherpte exameneis slecht zou zijn voor allochtone leerlingen die al kampen met een taalachterstand. Wat mij betreft beginnen wij bij het begin: de peutertoets waardoor kinderen een gelijke kans hebben bij de start op de basisschool.

Welke functie heeft een diploma in Nederland? Als het afsluitend is, laat je zien welke resultaten je hebt bereikt. Wat mij betreft is het ook een toegangsbewijs voor een vervolgopleiding. De lat moet dus hoog liggen. Anders moeten er in het hoger onderwijs bijspijkercursussen worden gegeven, hetgeen een motie van wantrouwen is aan het adres van het onderwijs dat ervoor werd gegeven. Ik houd een warm pleidooi om daar meer in te investeren.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Mijn fractie vindt het een goede zaak dat wij met elkaar intensief spreken over de examens die een sluitstuk van een opleiding zijn. Met de staatssecretaris zijn wij het eens dat er geen twijfel mag zijn over de kwaliteit van de examens. De basiskwaliteit moet verzekerd zijn. De waarde van het examen moet geborgd worden. Het is goed dat de staatssecretaris zich daarvoor inzet en dat zij afspraken heeft gemaakt met onder andere de VO-raad.

Wij begrijpen ook de bijzondere aandacht voor de verhouding tussen het schoolexamen en het centraal schriftelijk examen en de tweede correcties. In het debat over het rapport van de commissie-Dijsselbloem is dat eerder aan de orde geweest. Over de verhouding tussen schoolexamen en centraal schriftelijk examen heeft de commissie vergaande aanbevelingen gedaan. In eerdere debatten heb ik steeds aangedrongen op maatwerk. Als je merkt dat er te grote verschillen zijn tussen een schoolexamen en het centraal schriftelijk examen, dan moet daar aandacht voor zijn. Uit eigen ervaring weet ik dat daar op scholen altijd aandacht voor is. Ook scholen zelf doen daar onderzoek naar. Het is ook goed dat de inspectie ernaar kijkt. De escalatieladder is een heel goed middel om gericht te kijken. Soms kunnen er redenen zijn voor een wat groter verschil. Soms is er duidelijk wat aan de hand en moet er actie worden ondernomen. Wij moeten ervoor oppassen dat wij een beeld schetsen dat er maar wat aangerommeld wordt met schoolexamens en dat scholen daar heel erg verkeerd in bezig zouden zijn. Waar er wel te grote verschillen zijn, moet er gewoon worden opgetreden. Maatwerk dus.

Wij steunen de pilots op het punt van de tweede correctie. Het hoort er gewoon bij dat docenten dat doen, maar de taaklast van de ene docent is wel vele malen groter dan die van een ander. Een aantal vakinhoudelijke verenigingen heeft een pleidooi gehouden voor meer tijd voor een aantal vakken. Wat is de reactie van de staatssecretaris daarop?

De heer Jasper van Dijk (SP): Ook de AOb heeft aangegeven dat er echt meer tijd nodig is voor de tweede correctie. Komt de heer Slob met een voorstel?

De heer Slob (ChristenUnie): Wij zijn in overleg met de regering. Ik vind dat de staatssecretaris de ruimte moet hebben om te reageren op de ervaringen van de vakinhoudelijke verenigingen. Ik herken het uit mijn eigen periode in het onderwijs. Het is van belang dat wij ervoor zorgen dat de tweede correctie goed plaatsvindt. Ik heb ooit drie leerlingen kunnen behoeden voor een onvoldoende, omdat de eerste corrector veel meer met andere dingen bezig was en zijn werk gewoon niet goed gedaan had. Dat soort dingen moeten wij gewoon voorkomen. Ook de kwaliteit van een tweede correctie moet goed zijn. Als het nodig is, moet er meer tijd voor worden gegeven. Het is iets wat binnen de scholen goed georganiseerd moet worden. Op het moment dat de examens afgelopen zijn, zie je dat nogal wat docenten voor allerlei andere dingen worden ingezet. Ook de scholen zelf moeten ruimte creëren voor het op een goede wijze kunnen uitvoeren van een tweede correctie.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat laatste vind ik een beetje jammer. Eerst legt u het probleem wel degelijk neer bij de staatssecretaris, hetgeen ik terecht vind. Er is tijdgebrek; dat is onderzocht. En nu zegt u weer dat het eigenlijk aan de scholen is om het uit te zoeken.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik geef aan dat er twee kanten aan deze zaak zitten. Bij de SP is de horizon vaak behoorlijk eendimensionaal, maar ik vind dat wij beide aspecten in ogenschouw moeten nemen. Laten wij daar met de staatssecretaris over in gesprek gaan.

Wij steunen de staatssecretaris bij de positionering van het centraal schriftelijk examen ten opzichte van het schoolexamen. De staatssecretaris zegt dat leerlingen uitgedaagd moeten worden om al hun talenten te benutten, ook voor de gehele examenperiode. Na een goed cijfer voor het schoolexamen moeten zij niet wegzakken. Ik ben nog steeds beducht voor een aantal ongewenste effecten. Van de staatssecretaris hoor ik graag hoe zij deze effecten heeft afgewogen. Het luistert nauw.

Voor Nederlands, Engels en wiskunde mag slechts één 5 worden gehaald. Is hierbij rekening gehouden met calculerend gedrag bij leerlingen? Dat geldt ook voor de scholen. Wellicht gaat men in de schoolonderzoeken veel meer examenstof stoppen om op die manier alvast een voorbereiding op het centraal schriftelijk examen te hebben. In het totale aanbod zou dat een versmalling betekenen, hetgeen heel jammer zou zijn. Bij het cijfer voor het centraal schriftelijk examen wordt de cesuur aangepast aan de hand van de resultaten. Wat gaat dat betekenen? In de debatten over het rapport van de commissie-Dijsselbloem heb ik gevraagd naar de gevolgen voor allochtone leerlingen. Natuurlijk moeten ook zij Nederlands op een hoog niveau kunnen afsluiten, maar ik ben beducht voor meer gezakte leerlingen in deze doelgroep. Wij lopen zelfs het risico dat wij een categorie leerlingen gaan kwijtraken en dat deze leerlingen op een lager niveau terechtkomen dan strikt noodzakelijk is als je kijkt naar hun resultaten in vervolgopleidingen. Zijn daar cijfers over beschikbaar? Betekenen onvoldoendes op deze vakken dat leerlingen in vervolgopleidingen slecht scoren? Tot slot vraag ik aandacht voor leerlingen met dyslexie. Zij zouden hier ook extra door in problemen kunnen komen.

Mevrouw Besselink (PvdA): Voor mensen die moeite hebben met de Nederlandse taal kan het inderdaad extra ingewikkeld worden. Ik wil vasthouden aan de eis dat men Nederlands beheerst als men een diploma wil halen. Waar ligt volgens de heer Slob de verantwoordelijkheid om het niveau van de taal op te krikken?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik denk dat alle voorstellen gesteund moeten worden om de kwaliteit van het Nederlands in het hele traject te versterken. Daar moeten wij met volle kracht mee doorgaan. Het zal voorkomen dat leerlingen in de eindfase al te grote problemen krijgen met deze strenge cesuur.

Scholen moeten hierop voorbereid worden. Als wij de inhoud met name rond deze vakken in het voortraject willen versterken, moeten daarvoor voldoende middelen worden uitgetrokken. Dat moet uiteindelijk bij de examens, bij het sluitstuk, tot uitdrukking komen. Als het niet goed aansluit, hebben wij straks een hoop ellende op ons bordje liggen. Hoe goed heeft de staatssecretaris de voorstellen doordacht?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Onlangs kreeg ik een e-mail van iemand die zelf dyslectisch is en die het idee had dat zijn kinderen op school niet goed konden meekomen omdat zij ook dyslectisch waren. Daar kreeg hij wat lacherige reacties op. Op eigen kosten heeft hij vervolgens zijn kinderen laten testen. Toen bleek dat ze allebei twee jaar leerachterstand in taal hadden. Ik vind dat verschrikkelijk. Dyslexie moet veel eerder gesignaleerd worden, en dan komt passend onderwijs aan de orde. Wordt dyslexie wel voldoende op scholen herkend? Kunnen wij dat met toetsen beter naar voren halen?

De heer Slob (ChristenUnie): Als vader van vier dyslectische kinderen, de een nog erger dan de ander, herken ik wat u hier zegt. Als één ding belangrijk is, is dat het in de eerste groepen van het basisonderwijs herkend wordt. Wij hebben al veel gesproken over het toetsen van leerlingen in het basisonderwijs. Als scholen dat door het onderwijs heen op een goede manier organiseren, komt het veel eerder onder de aandacht. Dan kan gerichte steun worden gegeven en kan er heel veel aan worden gedaan. Mijn oudste twee kinderen zitten inmiddels in het hoger onderwijs, dus je kunt best doorgroeien. Maar dyslectische kinderen zullen altijd een aantal belemmeringen hebben. Als het belemmeringen zijn die eigenlijk niet nodig zijn – ik denk aan de eisen die nu voor het centraal schriftelijk examen worden doorgevoerd – moeten wij gericht denken over de mogelijkheid van een uitzonderingsbepaling.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Zoals de staatssecretaris weet, kan ik mij mijn middelbareschooltijd nog goed herinneren. Ik was constant in de weer met mijn rekenmachine. Een groot deel van de wiskundeles besteedde ik aan rekenen: wat moet ik halen om die 3 van vorige week zodanig te compenseren dat ik op een 5,5 uitkom? Ik zal het maar eerlijk bekennen: ik was zo’n leerling die met pijn en moeite wiskunde volgde. Op mijn rapporten kwam ik meestal niet verder dan een 4. Uiteindelijk heb ik het ook nooit gehaald. Ik heb certificaten gehaald, en wiskunde was er geen onderdeel van. Met het voorstel van de staatssecretaris had ik het jaar over moeten doen. Een grotere demotivatie kan ik niet bedenken.

Maar ook GroenLinks maakt zich zorgen over de tekortschietende basisvaardigheden van studenten. Het mag niet zo zijn dat pabo-studenten slechter rekenen dan kinderen uit groep 8. Het mag niet zo zijn dat mbo-studenten teksten produceren als: en toen gingen wij, en toen deden wij en toen loopten wij. Dan is er iets goed misgegaan in het voorafgaande onderwijs. Wij steunen de staatssecretaris daarom ook in het beter waarborgen van de kwaliteit van examens. Het examen is het instrument om te meten of leerlingen dat kennen en kunnen waarvan wij vinden dat zij het ook moeten kennen en kunnen om mee te kunnen doen. De betrouwbaarheid moet staan als een huis. Grote en langdurige verschillen tussen het schoolexamen en het centraal examen ondermijnen dat vertrouwen.

Als voormalig lid van de commissie-Dijsselbloem ben ik voorstander van de eis dat het gemiddelde cijfer van het centraal schriftelijk examen een voldoende moet zijn. Voor alle centrale examens een onvoldoende halen en tóch slagen, is mij iets te veel een zesjescultuur. Wel heb ik grote bezwaren tegen het voornemen dat er voor Nederlands, Engels en wiskunde nog maar één vijf gehaald mag worden. Wiskunde is voor veel meisjes en jongens in dit land een nachtmerrie. Er zijn genoeg leerlingen die minder taalvaardig zijn, maar wiskundig briljant. Ik stel voor om een 4 voor wiskunde toe te staan als deze gecompenseerd wordt door een 8 voor Nederlands of Engels of tweemaal een 7. Staatssecretaris, kunnen wij dit compromis sluiten? Hoe zit het met de herkansingen? Er zijn op dit punt grote verschillen tussen scholen.

De heer Van der Ham (D66): Ik ben een heel aardig mens, dus ik ben helemaal niet tegen compromissen, maar bij een 4 voor wiskunde kun je je de vraag stellen of het verstandig is dat dit vak in het vakkenpakket zit. Een 4 is echt ruim onvoldoende. Kan de heer Dibi niets creatievers en contructievers bedenken?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik kijk gewoon naar de feiten. Veel leerlingen hebben geen knobbel voor wiskunde, maar zijn wel ontzettend goed in de rest van het curriculum. Ik was er daar een van. Ik heb wiskunde nooit gehaald, sterker nog, ik haalde veel lagere cijfers dan een 4. Ik zou het jammer vinden als een leerling meteen zakt bij één 4. Als je door een 8 te halen voor een van de andere basisvakken bewijst dat je toch je best doet, mag je van mij best slagen.

De heer Jan de Vries (CDA): Ik voel hier spanning tussen de ambitie van de GroenLinks-fractie en de persoonlijke overwegingen van de heer Dibi, vooral ingekleurd door zijn recente historie, die maatgevend lijkt te worden voor zijn voorstel. Het is toch van de gekke dat wij accepteren dat iemand met een 4 voor zo’n belangrijk vak slaagt? Eigenlijk moeten wij ervan uitgaan dat alle leerlingen voor alle vakken een voldoende scoren. Wij begrijpen dat sommige leerlingen voor een bepaald vak wat minder talenten hebben. Waar blijft de stevigheid van de heer Dibi als hij dit voorstel doet?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik gebruik mijzelf meestal niet om een voorstel te doen voor mijzelf, maar als voorbeeld voor bestaande situaties. Ik krijg dit ook van heel veel leerlingen te horen. Wat is het risico? Dat leerlingen massaal toestromen naar gemakkelijker profielen. Je kunt heel succesvol worden zonder een heel hoog cijfer voor wiskunde.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik sla hier eigenlijk steil van achterover. De GroenLinks-fractie pleitte toch ook altijd voor het optimaliseren van kansen van mensen? De heer Dibi pleit er nu voor dat een leerling met een 8 voor taal en een ruime onvoldoende voor rekenen – een leerling die dus niet kan rekenen – toch slaagt. Zo iemand kan dus verpleegkundige worden: hij kan leuk met de patiënten communiceren, maar hij heeft wel wat moeite met het afmeten van de vloeistof voor het infuus. Je kunt toch niet een 4 als norm stellen? Ik vind het onbegrijpelijk.

De heer Dibi (GroenLinks): Er zijn gewoon toelatingseisen voor opleidingen. Als je voor een bepaald vak een bepaald cijfer hebt, kun je ook gewoon niet toegelaten worden. Wij spreken vandaag niet over een geringe verandering in het onderwijs. Het lijkt geen grote stelselwijziging, maar het is lastig om alle gevolgen te overzien. Wij weten nu al dat bij gelijke omstandigheden het aantal gezakte leerlingen enorm zal stijgen. Dat mag echter geen reden zijn om concessies aan de kwaliteit te doen.

Mevrouw Besselink (PvdA): Ik ben geïntrigeerd door de zin over een toelatingsexamen. Van de GroenLinks-fractie hoor ik graag wat zij ten principale de rol van een diploma van het voortgezet onderwijs vindt. Ziet zij dat als toegang tot het hbo of wo? Of moet er overal met toelatingsexamens worden gewerkt?

De heer Dibi (GroenLinks): Nee, ik doel niet op toelatingsexamens. Als je je aanmeldt voor een studie, is er een aantal eisen waar je aan moet voldoen. Als je niet voldoet aan die eisen, word je niet toegelaten. Een vo-diploma moet toegang geven tot het hoger onderwijs en moet ook waardevast zijn, maar het zegt niet alleen iets over rekenen of wiskunde. Het gaat ook om algemene vorming. Je wordt voorbereid op de samenleving en die bestaat niet alleen uit rekenen. Sommige mensen zijn gewoon niet goed in rekenen. Dat betekent niet dat je niet succesvol kunt participeren in de samenleving. Als je een 4 haalt, maar dat compenseert met hogere cijfers voor andere vakken, denk ik dat je nog steeds ontzettend veel kunt bereiken.

Ik maak mij zorgen dat deze verzwaring van de examens scholen nog eens extra prikkelt om selectief aan de poort te zijn of om leerlingen onder hun kunnen te adviseren. Ik vraag de staatssecretaris om als een pitbull met lipstick te letten op deze mogelijke effecten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Nou begrijp ik de heer Dibi helemaal niet meer. Hij vreest voor selectie aan de poort, maar het is van tweeën een. Je kunt het einddiploma zien als een toegangsbewijs voor het hoger onderwijs. Dan moet dat diploma deugen. De leerlingen hebben daar naar mijn mening recht op. Zij moeten dus van tevoren worden bijgespijkerd en niet met een 4 doorstromen naar het hoger onderwijs. Je kunt ook kiezen voor selectie aan de poort in het hoger onderwijs. Wat is het nou?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ben er bang voor dat scholen uit angst voor een afrekening bij het afleveren van examenkandidaten iemand pas toelaten als zij zeker weten dat hij voor wiskunde een 6 of een 7 haalt. Daar moet je heel erg streng op letten. Bij de begrotingsbehandeling heb ik er al op gewezen dat scholen worden geprikkeld om selectief te zijn, omdat er met hen wordt afgerekend op het aantal leerlingen dat voor het examen slaagt. Dat levert een slechte waardering in het Trouwlijstje op en jaagt ouders weg. Ik stel voor om scholen af te rekenen op de leerwinst die zij weten te boeken. De onderwijsinspectie toetst die leerwinst door na vier jaar te kijken hoeveel leerlingen boven en onder hun Citoscore zitten.

Ik sluit mij aan bij voorgaande sprekers als het gaat om rekening houden met leerlingen met taalachterstanden en dyslectische leerlingen.

Wij hebben het over een zesjescultuur in het onderwijs, maar eigenlijk kunnen wij ook spreken van een zesjescultuur bij dit kabinet. Het geld dat door het kabinet voor onderwijs wordt uitgetrokken, is vergeleken met andere landen «geen goeie vertoning». Ook daarin zien wij grote en langdurige verschillen. Je zou bijna kunnen spreken van de terreur van de middelmaat. Nederland bungelt onderaan het lijstje. 25% van de docenten in de onderbouw is onbevoegd. De staatssecretaris staat dat toe. Vervolgens worden de leerlingen aan het einde van de rit afgerekend op hun niveau. Wij weten allemaal dat de kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de docenten. Als de staatssecretaris iets zegt over de zesjescultuur in het onderwijs, dan moet zij ook kijken naar de zesjescultuur in het kabinet.

Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. Voor de fractie van de PvdA is het diploma van het voortgezet onderwijs een entreebewijs voor het hoger onderwijs in ons land. Met de voorgestelde maatregelen worden de eindexameneisen vastgeschroefd. Dat is de kwaliteit waarvan wij vinden dat onze leerlingen eraan moeten voldoen als zij havo of vwo verlaten. Daar moet je niet over willen onderhandelen. Het is een basisvaardigheid die wij willen hebben. Het zou onrechtvaardig zijn als wij alleen aan het eind zouden sleutelen en zeggen: dit moet u kunnen. Wij kunnen deze maatregelen bespreken omdat wij in de loop van de tijd ook heel veel hebben geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. Wij hebben 115 mln. uitgetrokken voor de doorlopende leerlijnen rekenen en taal. Wij hebben geïnvesteerd in de leraren. Wij gaan voor een achtjescultuur. Wij hebben een kwaliteitsagenda liggen. Wij zijn echt aan alle kanten bezig met investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Dan mogen wij aan het eind ook iets verwachten.

Er zijn soms grote verschillen tussen het schoolexamen en het centraal schriftelijk examen. Wij vinden dat onaanvaardbaar en wij vinden dat wij daarop moeten kunnen ingrijpen. Het is hartstikke goed dat wij zorgen dat dergelijke, onaanvaardbare verschillen worden aangepakt. Wij kunnen dat nu doen. Als het in een jaar geconstateerd wordt, dan komt gelijk de inspectie langs. Ik vind dat heel goed. Hoe veel logischer kan het dat wij eisen dat je voor het centraal schriftelijk examen gemiddeld een voldoende hebt? Het gemiddelde moet een voldoende zijn, maar moet het dan een 6,0 zijn of mag het ook een 5,45 zijn?

De basisvaardigheden rekenen en taal moeten op orde zijn. Daar is geen enkele discussie over mogelijk. Wel interessant is hierbij de vraag of wij de goede dingen toetsen. Betekent het halen van je wiskunde dat je goed kunt rekenen? Volgens mij heeft dat niet altijd alles met elkaar te maken. Hetzelfde geldt voor Nederlands. Als je je examen vwo Nederlands haalt, dan betekent dat dat je heel goed kunt samenvatten. Maar betekent het ook dat je in die samenvatting geen spelfouten hebt gemaakt en dat je je grammatica een beetje op orde hebt? Moet dat soort vaardigheden niet een groter onderdeel zijn van alle examens? Stel dat je je examen maatschappijleer haalt en dat je zwart-wit gesteld geen enkele fatsoenlijke volzin hebt weten te produceren. Mag je dan wel een voldoende halen?

De heer Jan de Vries (CDA): Op zich deel ik deze overwegingen, maar moet dit tot landelijke regulering leiden? Of moet het vanzelfsprekend zijn dat scholen op deze manier de toetsen, niet alleen het eindexamen, beoordelen?

Mevrouw Besselink (PvdA): Ik zou hopen dat dit vanzelfsprekend is. Kan de staatssecretaris mij daarin geruststellen? Een tijdje geleden hebben wij gedebatteerd over het College voor examens. Met de heer De Vries heb ik toen een amendement ingediend om de staatssecretaris bij dit soort dingen toch een rol te geven.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik denk dat u gelijk hebt. Scholen kunnen dat zelf bepalen. De ene school geeft meer aandacht aan grammatica en spelling dan de andere. Het is niet landelijk geregeld. Als wij voor deze maatregelen van de staatssecretaris kiezen, gaan wij meer focussen op het centraal schriftelijk examen. De andere vaardigheden kunnen dan nog minder aan de orde komen. Moet die grammatica een landelijk punt zijn?

Mevrouw Besselink (PvdA): Wij constateren dat wij niet meer goed kunnen rekenen en dat wij onze taal niet meer beheersen. Bij dat laatste gaat het om grammatica en spelling. Dat moet dus goed worden geborgd in het onderwijs- en eindexamenprogramma. Wij hebben een College voor examens dat dat moet doen. Ik ga ervan uit dat het onderwijsveld dit vanuit zijn deskundigheid gaat inbrengen. De rol van de staatssecretaris in het college kan daar ook aan bijdragen.

Er is aandacht gevraagd voor de zorgleerlingen. Over dyslexie maak ik twee opmerkingen. Wij moeten voorkomen dat voor deze leerlingen een onevenredig zware drempel wordt ingebouwd. Het mag echter ook geen escape worden. Straks wordt 80% van de leerlingen als dyslectisch gekenschetst. Het stempeltje «dyslexie» mag niet te makkelijk worden gebruikt. Doven hebben een heel andere problematiek. Voor hen is niet Nederlands, maar gebarentaal de moedertaal. Zij moeten een dubbelslag maken. Nogmaals, wij willen dat deze groepen meekomen. Wat doet de staatssecretaris voor hen?

De heer Jan de Vries (CDA): Mevrouw Besselink roept een spookbeeld rond dyslexie op. Sinds 1 januari is dyslexie opgenomen in het zorgverzekeringspakket. Er is een protocol met het onderwijs dat in groep 4 wordt bepaald of sprake is van dyslexie, opdat adequate behandeling plaatsvindt.

Mevrouw Besselink (PvdA): Dat vind ik ook zeer waardevol. Ik wijs op de psychologisering van de jeugd. Er wordt wel eens te gauw een stempeltje op iemand gedrukt.

De staatssecretaris doet twee voorstellen voor de correctietermijn. Wij willen hier graag over meedenken, maar wij hebben wel zorgen over de termijn. Als wij vinden dat het zorgvuldiger moet gebeuren, als wij meer van de leraren vragen, moeten wij ook bekijken in hoeverre er voldoende tijd is. Waar vragen wij het onmogelijke en hoe zorgen wij ervoor dat na het eindexamen de leraren niet in de examenstress schieten?

De heer Dibi (GroenLinks): Voor het vak Nederlands neemt een tweede correctie nogal veel tijd in beslag. Dat kan het CDA niet zo veel schelen, maar GroenLinks wel. De docenten geven aan dat zij dat het liefst steekproefsgewijs doen. Hoe kijkt de PvdA daartegen aan?

Mevrouw Besselink (PvdA): Als wij een docent vragen om extra zorgvuldig het correctiewerk te doen, dan moet hij daarvoor ook de tijd krijgen. Hoe is dat in de voorstellen van de staatssecretaris geborgd?

Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer De Vries over het Vespucci College. Wij willen niet dat er juridisch onverantwoorde dingen gebeuren. Kan de staatssecretaris ervoor zorgen dat er een goede oplossing wordt gevonden binnen onze Koninkrijksrelaties?

Het aantal herkansingen is per school verschillend. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

De heer Jasper van Dijk (SP): Gaat u akkoord met de voorstellen van de regering? Zo ja, wat is uw reactie op de brief van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren? Deze vereniging vindt het voorstel onhaalbaar en vraagt om meer lesuren.

Mevrouw Besselink (PvdA): Ik ben het eens met de voorstellen ter borging van de kwaliteit van de examens, waarbij ik mijn zorgpunten heb aangegeven. Als je wat wilt bereiken, moet je goed kijken naar de consequenties.

Wij moeten niet aan het kwaliteitsniveau tornen. Wij moeten niet genoegen nemen met een onsje minder. Ik zou niet in zijn algemeenheid willen zeggen dat er meer uren voor nodig zijn. Wij moeten gewoon bekijken hoeveel je nodig hebt om het onderwijsprogramma aan te bieden en om op dat niveau te komen wat wij van leerlingen verwachten. Daarvoor moet je doen wat nodig is.

De heer Jasper van Dijk (SP): De wiskundeleraren zeggen dat het voorstel zo niet kan worden ingevoerd. Staat u open voor het voorstel van de leraren voor meer uren voor dat vak?

Mevrouw Besselink (PvdA): Ik vind dat in zijn algemeenheid te snel gesteld. Je moet naar een bepaald niveau. Daarvoor moet je op een school met elkaar bekijken wat nodig is. Den Haag gaat daar niet over.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Wij spreken vandaag over de examens in het voortgezet onderwijs. De staatssecretaris zet in op twee zaken. Ten eerste maatregelen om de kwaliteit van de examens te verhogen, zoals optreden tegen scholen met grote verschillen tussen schoolexamen en centraal examen en meer inzetten op rekenen, taal en referentieniveaus. Ten tweede aanpassing van het systeem door strengere eisen aan de examens te stellen. De inzet is goed, want de examens moeten van hoge kwaliteit zijn. Er mag geen reden zijn tot twijfel. Die is er nu wel. Het hoger onderwijs klaagt over het niveau en er zijn klachten over de verschillen tussen schoolexamen en centraal examen. Het schoolexamen mag geen makkelijke uitvlucht zijn om leerlingen alsnog te laten slagen. Ik ben het dan ook eens met de eerste lijn: maatregelen om de kwaliteit van de examens te verbeteren. Zeker scholen die al te makkelijk hoge cijfers geven voor de schoolexamens moeten worden aangepakt. De staatssecretaris heeft daarvoor een reeks maatregelen aangekondigd. Dat had natuurlijk al veel eerder moeten gebeuren.

Voor haar tweede plan is het de vraag of de timing goed is. De staatssecretaris wil vanaf 2011 beginnen met strengere eisen aan de examens. Daar hebben scholen nogal wat moeite mee. Zij vinden dit simpelweg te snel en dringen aan op meer onderzoek. Ik heb daar wel begrip voor. De maatregelen kunnen goed zijn, maar om dat zeker te weten, is meer onderzoek nodig en raadpleging van betrokkenen. De staatssecretaris noemt het ook zelf een systeemaanpassing. Heeft zij in dat kader ook gedacht aan de criteria van de welbekende commissie Onderwijsvernieuwingen? Deze stelt namelijk dat als je het systeem gaat aanpassen, je dat ook moet toetsen aan de criteria van Dijsselbloem. De bezwaren komen onder andere van de VO-raad, het LAKS, FORUM, Ouders & Coo en de AOb. Zij vrezen een verschraling van het onderwijs: een eenzijdige focus op het centraal examen.

Zij zien een gevaar dat leerlingen daardoor mogelijk een lager niveau moeten kiezen.

Zij vragen zich af of de verzwaring van de eisen wel verantwoord is zonder investeringen in onderwijs, ofwel in leraren en lesuren. En heel belangrijk: er is net nieuw beleid ingezet vanwege de vernieuwde tweede fase. Je moet gemiddeld een 6 halen bij meer dan één 5. Vandaar dat deze organisaties zeggen: wacht nog even met nieuw beleid, doe eerst onderzoek en kijk goed of de huidige nieuwe maatregelen al effect hebben. Het is de vraag wat de staatssecretaris met deze kritiek doet. Want volgens mij zijn wij het er allemaal over eens dat het niet goed is om nieuw beleid in te zetten zonder breed draagvlak. Dan ontstaat er weerstand en is het de vraag of de staatssecretaris bereikt wat zij wil bereiken.

Het belangrijkste is natuurlijk dat het onderwijs zelf goed is. Beter onderwijs leidt tot betere resultaten. Nu zijn er nogal wat problemen met het lerarentekort, met onbevoegde leraren, met ophokuren en met klachten over gebrekkige begeleiding.

De heer Jan de Vries (CDA): Ik constateer opnieuw dat de heer Jasper van Dijk erg beducht is voor verandering maar ook weinig ambitie toont, waarbij hij eigenlijk sterk in de lijn van de VO-raad en andere organisaties – het is overigens de vraag hoe breed dat veld werkelijk is – allerlei bezwaren oproept. Maar waar staat hij nu precies zelf?

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat zal de heer De Vries horen in het vervolg van mijn betoog. Overigens constateer ik wel dat hij het allemaal zelf weer het beste weet. Denk even aan de 1040 urennorm. Op dat punt wist hij het weer het beste. Scholen speelden voor hem geen rol. En nu ook weer; hij weet het weer beter dan de scholen. Ik wil graag luisteren. Een ding weet ik zeker: als je hier van bovenaf vernieuwingen gaat opleggen zonder draagvlak, dan kan dat nog wel eens veel grotere negatieve gevolgen hebben. Scholen waarmee ik gesproken heb zeggen: u zadelt ons opnieuw met een vernieuwing op terwijl wij nog niet eens de vernieuwingen rond de tweede fase in werking hebben gesteld. Dat laatste is namelijk pas in het komend jaar voorzien.

De heer Jan de Vries (CDA): Ik constateer dat de heer Jasper van Dijk helaas om mijn vraag heen gaat en geen antwoord geeft op de vraag of de SP-fractie ook de urgentie ziet om de ambitie te verhogen en daardoor de normering te veranderen; dat is geen systeemwijziging, dat is binnen het bestaande systeem andere normen hanteren die nodig zijn om de kwaliteit van ons onderwijs te borgen. Jammer genoeg hoor ik van de SP alleen maar bezwaren en is zij slechts bezig met het nakauwen van sommige bezwaren uit het onderwijsveld.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik citeer uw eigen staatssecretaris op pagina 3 van haar brief: «In de tweede lijn kies ik voor een systeemaanpassing». Dat is dus een systeemwijziging, een stelselherziening. Het is overigens ook een verandering in het «hoe». Ik luister in ieder geval graag naar het veld en u blijkbaar niet.

Het is nogal makkelijk om te zeggen dat de exameneisen maar strenger moeten worden, zonder dat je werkelijk in onderwijs investeert. Dat geeft toch de indruk dat het hier gaat om spierballentaal zonder inhoud. Leerlingen moeten goede resultaten halen, maar dat kan alleen als het onderwijs goed is. Vandaar dat wij pleiten voor meer investeringen in onderwijs, kleinere klassen en bevoegde leraren. Ook het LAKS noemt dit punt.

Met alleen het verhogen van de examennormen komen nogal wat leerlingen in het nauw. De staatssecretaris zegt zelf dat het aantal gezakte leerlingen stijgt van 6% naar ruim 14%. Leerlingen zullen zich natuurlijk instellen op de nieuwe eisen. Dat doen ze bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van de particuliere huiswerkbegeleiding, maar die is niet voor iedereen betaalbaar. Huiswerkbegeleiding is nu al een groeiende markt en zal waarschijnlijk alleen nog maar meer groeien. Het halen van het diploma mag daar niet afhankelijk van worden. Graag een reactie.

De staatssecretaris beweert dat zij breed overleg heeft gevoerd met betrokkenen. Zij hecht daar veel waarde aan, zegt zij letterlijk. Hoe verklaart zij dan de brief van de Vereniging van Wiskundeleraren? Zij zegt dat er met haar geen overleg is geweest en legt de vinger op de zere plek. Zij is niet tegen de verzwaring, als er maar extra tijd vrijkomt om de examenstof te behandelen. Ik citeer de wiskundeleraren: «Er is in het wiskundeonderwijs één á anderhalf jaar les verdwenen vergeleken met de situatie van voor de basisvorming en de tweede fase». Dat is fors. En nu moeten zij strijd op school leveren om voldoende uren te mogen geven. Dat is toch wel wrang. Zelf geven zij aan een beetje moe te worden van al dit nieuwe beleid zonder dat ze er extra middelen en tijd voor krijgen.

De heer Jan de Vries (CDA): Wij gaan niet over het vaststellen van het aantal lesuren per vak. Wij hebben wel het examenprogramma voor de tweede fase met elkaar vastgesteld. Wat wil de SP-fractie schrappen om meer ruimte te bieden aan wiskunde op de scholen?

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is precies het punt waardoor de wiskundeleraren nu in de problemen zitten. Ik herinner mij nog de uit leerlingen bestaande actiegroep «Lieve Maria» die aangaf: wij staan eigenlijk een beetje voor gek op de universiteit als wij wiskunde willen gaan studeren omdat wij het gewoon niet geleerd hebben op school, dus geef ons meer uren wiskunde. De wiskundeleraren pleiten in navolging van de leerlingen nu ook voor meer lesuren wiskunde. Het lijkt mij prima, mijnheer De Vries, om eens een goed gesprek te hebben om na te gaan hoe wij het beter en verstandiger kunnen indelen in de profielen en de vakkenpakketten. Maar niet zomaar zeggen: scholen zoek het zelf maar uit. Dan laat je de leraren namelijk in de steek.

Een ander punt is de mogelijke verschraling van het onderwijs. Scholen zullen zich meer eenzijdig gaan focussen op het centraal examen. Lessen worden daarop afgestemd waardoor andere onderdelen in de verdrukking komen. De brede vorming wordt een smalle vorming. Hoe gaat de staatssecretaris dit probleem ondervangen?

Graag verneem ik haar reactie op de brief van de VO-raad en andere organisaties d.d. 14 januari jl. Scholen zijn nu ook al bezig met allerlei nieuwe maatregelen. Ik noem extra ondersteuning voor leerlingen met achterstanden, meer aandacht voor taal en rekenen en niet te vergeten de nieuwe regels rond de eindexamens die net zijn ingegaan. Lees de brief van de AOb van 13 januari jl. Er zijn nu nieuwe regels voor het havo en volgend jaar zijn er nieuwe regels voor het vwo. De examens worden dus al verzwaard en toch kan de staatssecretaris niet wachten met alweer nieuwe regels. Dat zouden we toch niet meer doen, dat opstapelen van nieuwe maatregelen? Ik snap wel dat de scholen daar niet bij staan te juichen. De staatssecretaris voert aan dat een leerling nu een diploma kan halen met allemaal vieren voor het centraal examen mits hij maar allemaal achten haalt voor het schoolexamen. Dat is inderdaad onaanvaardbaar. De staatssecretaris zegt terecht dat het verschil tussen het schoolexamen en het eindexamen niet te groot mag zijn. Prima, aanpakken dus, maar nu zijn haar plannen eigenlijk een beetje dubbelop. Zij wil scholen aanpakken die te veel uit elkaar liggen qua examenresultaten én zij wil strengere eisen. Een van de twee lijnen is voldoende.

Scholen vragen ook aandacht voor allochtone leerlingen en leerlingen met dyslexie. Zij worden harder geraakt door de verzwaarde exameneisen. Hoe houdt de staatssecretaris daar rekening mee?

Over de tweede correctie heeft de VVVO een overzicht gestuurd van de gemiddelde correctietijd per kandidaat. De leraren geven aan tijd te kort te komen en vragen om een langere periode voor het nakijken van de examens en om expliciete reservering in taakbelasting van uren voor de tweede correctie. De AOb deelt deze kanttekeningen en vraagt ook om een reële beloning hiervoor.

Kortom, er is in het onderwijsveld veel kritiek en huivering voor de voorliggende plannen van de staatssecretaris. In principe is het goed om het niveau te willen verhogen. Maar er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Bovendien heeft de commissie-Dijsselbloem gewaarschuwd voor het van bovenaf opleggen en het stapelen van beleid. Dat echter is nu wat er gebeurt. Het voorbeeld van de wiskundedocenten is tekenend. De staatssecretaris moet echt meer onderzoek doen en in gesprek gaan met de scholen, voordat zij zulke drastische maatregelen neemt. Zolang breed draagvlak ontbreekt, is het onverantwoord om het beleid op korte termijn alweer drastisch te veranderen. Dus, mijnheer De Vries, ik sta open voor de plannen maar niet nu en bovendien moet het veel zorgvuldiger aan de hand van meer onderzoek.

Het Vespucci College wil graag examens afnemen in Curaçao. De staatssecretaris beroept zich formeel op de wet en zegt dat dit niet kan. Hoe zit dat nu? Waarom speelt zij deze kwestie zo hoog op? Er worden immers al jaren op die manier examens afgenomen op Curaçao. Graag een reactie.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Zoals iedereen in deze Kamer vinden wij onderwijs van belang. Gelijke kansen voor iedereen, het mag niet uitmaken op welke school een leerling eindexamen doet. Examens moeten niet een afrekenmoment zijn maar vooral een belangrijk moment voor de doorstroming. Wij vinden het van groot belang dat het centraal examen, waar de overheid invloed op uitoefent, zo veel mogelijk gelijk gepositioneerd is met het schoolexamen en dat het niveau hoog is. Wij gaan bij de schoolexamens uit van de professionaliteit van de leraar. De kwaliteit van de centrale examens moet worden bewaakt door de staatssecretaris. In zijn algemeenheid vinden wij haar voorstellen om de validiteit van de examens te verstevigen goed.

Toch hebben wij nog wel een aantal vragen. Dat betreft allereerst het toezicht op de schoolexamens dat verscherpt gaat worden. Dat vinden wij een goede maatregel. Daarbij willen wij natuurlijk wel benadrukken dat zowel het schoolexamen als het centraal examen een belangrijke en eigen plaats inneemt bij de afsluiting van het voortgezet onderwijs en dat de betrouwbaarheid van beide examens onomstreden moet zijn. Grote afwijkingen tussen de resultaten van het schoolexamen en het centraal schriftelijk examen blijken bij een relatief kleine groep scholen voor te komen. De aandacht moet vooral naar deze groep scholen gaan waar het dus afwijkt. Uit onderzoek blijkt dat dit vooral zwarte en vrije scholen zijn. Wij vinden dat de regering daar wel degelijk bovenop moet gaan zitten. Wij delen het vertragingsvoorstel van een aantal maatschappelijke organisaties dan ook niet. Wij staan wat dat betreft achter de staatssecretaris. Wij vinden daarnaast dat er bijzondere aandacht moet komen voor de particuliere scholen, omdat daar de verschillen vaak ook groot zijn. Hoe kan het dat juist op deze scholen de verschillen zo groot zijn? Wat zegt dat over de kwaliteit en het niveau van de schoolexamens op deze scholen en hoe presteren de desbetreffende leerlingen in het vervolgonderwijs?

Ik heb bij interruptie al iets gezegd over de escalatieladder. Het is op zichzelf heel goed dat die aangebracht wordt. Ook de commissie-Dijsselbloem heeft er iets over gezegd. Wij vragen ons overigens wel af of die ladder niet wat steiler mag en of er niet wat sneller moet worden ingegrepen op het moment dat er echt grote problemen zijn. Kan de staatssecretaris op dat punt ingaan?

Dan mijn volgende punt, de eis dat het gemiddelde van alle centraalexamencijfers voldoende moet zijn. Dat vinden wij ook een goede maatregel. Als je een 4,3 voor het centraal eindexamen kunt compenseren door een 6,7 voor het schoolexamen of omgekeerd, dan is dat niet heel erg motiverend om leerlingen te bewegen tot maximale prestaties. De vraag is natuurlijk wel wat nu precies een voldoende is. Een voldoende is een 6, maar in de praktijk is dat een 5,5. Is een 5,45 echter ook al een voldoende? Wij vinden dat daar meer helderheid over moet komen. Er mag daarmee naar ons oordeel niet te veel gemarchandeerd worden.

De heer Dibi (GroenLinks): Wat beschouwt u dan als een voldoende?

De heer Van der Ham (D66): Ik vind een 6 een voldoende.

De heer Dibi (GroenLinks): Dus het mag geen 5,5 zijn?

De heer Van der Ham (D66): Liever niet. Een 6 vind ik een voldoende.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik begrijp dat de heer Dibi hier opnieuw pleit voor een viertjescultuur in het onderwijs. Dat valt mij dan toch weer tegen van GroenLinks. Mijn vraag is of D66 mijn betoog steunt voor een waardevaste voldoende, dus door een norm te stellen onafhankelijk van het jaar waarin wordt gewogen hoe een examen wordt gemaakt. Als het examen in het ene jaar over het algemeen slecht is gemaakt, is het gemiddelde alsnog een 6 terwijl men eigenlijk misschien een 5 heeft. Vandaar dat wij pleiten voor een vaste norm.

De heer Van der Ham (D66): Uit de tijd dat ik nog lid was van de commissie-Dijsselbloem kan ik mij de discussie over dat punt nog wel herinneren. Stel je voor dat 60% van de leerlingen bij een centraal examen dezelfde fout maakt, dan betekent dit dat die fout wat minder zwaar weegt omdat er blijkbaar sprake is van een endemische tekortkoming. Ik vind het heel lastig om te bepalen hoe wij dat kunnen tackelen. Je hoort ook wel eens de suggestie om leerlingen van nu het eindexamen te laten doen uit 1985. In zijn algemeenheid vind ik dat wij ervoor moeten zorgen dat de kwaliteitseisen zo absoluut mogelijk worden gewaarborgd, maar enige relativering daarbij is wel noodzakelijk. Ook het opstellen van een examen is iets organisch. Er kunnen soms te hoge eisen gesteld worden aan leerlingen waarbij je na afloop van het examen moet constateren dat een vraag voor deze leerlingen eigenlijk veel te moeilijk was. Die ruimte moet er altijd zijn, maar in zijn algemeenheid ben ik het met mevrouw Dezentjé eens dat je ervoor moet zorgen dat het zo gefixeerd mogelijk blijft, met enige marge.

Dan de eis die wordt gesteld aan Nederlands, Engels en wiskunde, in de zin dat voor die vakken maximaal één 5 kan worden toegestaan. Op zichzelf kunnen wij ons wel vinden in de richting van die maatregel. Sterker nog, wij hebben ervoor gepleit dat voor al die drie vakken sprake moet zijn van een voldoende. Tegelijkertijd kan ik mij best voorstellen dat de staatssecretaris voor een van die vakken een onvoldoende wil toestaan, omdat anders een soort van pervers effect ontstaat dat mensen op een lager niveau examen gaan doen of ze voor bepaalde vakkenpakketten niet kiezen. In zijn algemeenheid vind ik dat echter toch wel iets hebben van symptoombestrijding. Je hoort dat eigenlijk ook vanuit het veld. Sommige mensen pleiten ervoor dat zij voor deze vakken eigenlijk een 7 moeten halen bij het eindexamen, aangezien de leerlingen dan op het juiste niveau zitten om door te stromen naar het vervolgonderwijs. Met andere woorden: er is iets mis met de inhoud van wat leerlingen leren. Als D66 hebben wij er in het verleden ook al op gewezen. Ursie Lambrechts, mijn voorgangster als onderwijsvoerder namens D66 in deze Kamer, heeft in 2005 bezwaar gemaakt tegen de uitholling van het centraal examen wat betreft de bètavakken. Ook«Lieve Maria» heeft zich er kritisch over uitgelaten en heeft aangegeven dat er meer nadruk moet komen op vaardigheden en formules.

Wanneer het gaat om taalonderwijs zijn spelling en grammatica van groot belang. Op dat punt voel ik wel enige sympathie voor het voorstel van de VO-raad om eerst de zaken die in gang zijn gezet rond de inhoudelijke en kwalitatieve slag af te wachten om vervolgens te bezien of bijstelling van het cijfer voldoende is. Hoewel ik het voorstel van de staatssecretaris dienaangaande dus positief bejegen en ik zelfs op een aantal aspecten verder zou willen gaan, vind ik wel dat wij op dit punt een pas op de plaats moeten maken door eerst na te gaan hoe wij de inhoud van het onderwijs kunnen verbeteren in plaats van nu even snel een punt te maken waardoor de uitwerking niet het gewenste resultaat oplevert.

De heer Jasper van Dijk (SP): Begrijp ik nu goed dat D66 haar «oude» standpunt hierover – in NRC verklaarde Pechtold nog voorstander te zijn van drie voldoendes voor Nederlands, Engels en wiskunde – laat varen? D66 zegt eigenlijk: eerst goed uitzoeken.

De heer Van der Ham (D66): Wij willen wellicht zelfs nog een stapje verdergaan dan de staatssecretaris in haar voorstel; op basis van de huidige inhoud zou je misschien wel drie zevens moeten verlangen. Alleen, dat wordt dan een discussie die tot niets gaat leiden. Het belangrijkste is dat eerst geprobeerd wordt de inhoud van het onderwijs te verbeteren. Vervolgens kan je dan bepalen welke norm je stelt. Die zou wat mij betreft sowieso drie voldoendes moeten zijn. Echter, op grond van het huidige curriculum kan je dat niet zo bepalen. Je moet eerst dat curriculum veranderen en pas dan kun je aangeven welke eisen je eraan verbindt. Dus wat betreft deel ik uw mening, wellicht via een andere aanvliegroute, dat wij nu even pas op de plaats moeten maken en dat wij voorrang moeten geven aan de veranderingen van de inhoud om vervolgens de norm te bepalen.

De heer Slob (ChristenUnie): Dit is echt onnavolgbaar. Eerst ondersteunt u het voorstel van de staatssecretaris. Vervolgens geeft u aan dat u nog veel verder wil dan zij en aan het eind is er weer helemaal niets van over en moet het bij het oude blijven. Ik kan het echt niet meer volgen.

De heer Van der Ham (D66): Dan moet u gewoon beter luisteren.

De heer Slob (ChristenUnie): Dat doe ik ook. Als dat uw antwoord is...

De heer Van der Ham (D66): U hebt een flauwe vraag gesteld. Mijn fractie heeft al diverse keren gezegd dat de eisen voor deze vakken zo hoog mogelijk moeten zijn, in ieder geval voldoende. Als je evenwel gaat afpellen en je constateert dat het wat tekortschiet in de manier waarop er les wordt gegeven in het onderwijs, moet je onzes inziens niet de symptomen aanpakken maar de oorzaak. Dus ik verdiep hier het standpunt dat wij al veel langer hebben, namelijk dat vooraleerst gekeken moet worden naar de inhoud van het onderwijs. Op het moment dat het veld vraagt om het nu eerst zelf even zijn gang te laten gaan op dit punt, ben ik geneigd het veld hierin sympathiek tegemoet te treden. Dat is mijn standpunt en dat is volstrekt in lijn met hetgeen wij eerder hebben gezegd. Als u dat niet begrijpt en er flauwe opmerkingen over maakt, dan is dat aan u.

Mevrouw Dezentjé Hamming Bluemink (VVD): Op zichzelf kan de VVD zich natuurlijk ook vinden in die zorgvuldige voorbereiding maar die kan wat ons betreft niet betekenen dat pas op de plaats wordt gemaakt, aangezien tijdens de verbouwing de verkoop gewoon door moet gaan. De arbeidsmarkt, zeker in de huidige kredietcrisis, worstelt met mensen die weliswaar diploma’s hebben maar toch niet die dingen kunnen en kennen die wel van ze verwacht mogen worden. Ik vraag mij dus af of D66 hierbij wel het juiste gevoel van urgentie heeft.

De heer Van der Ham (D66): Dat gevoel van urgentie hebben wij wel degelijk, zeker als het gaat om deze drie vakken, met name Nederlands en wiskunde. Wij hechten er dan wel aan dat eerst een verdiepingsslag in de analyse van de kwaliteit van het onderwijs en het curriculum wordt gemaakt. Tijdens de verbouwing gaat de verkoop zeker door. Wel vraag ik de staatssecretaris om het veld wat tegemoet te komen in diens bezwaren.

Mevrouw Besselink (PvdA): Ook ik ben toch wat in de war waar het erom gaat wat u nu precies wilt. Ik vind het heel goed dat u pleit voor een verdiepingsslag, maar ik ben tevens wel heel benieuwd wat u van de staatssecretaris concreet vraagt. U noemt namelijk een aantal zaken. U wilt doorgaan, u wilt eigenlijk verdergaan dan de staatssecretaris, u wilt dat er een nadere verdieping plaatsvindt en u wilt dat pas op de plaats wordt gemaakt. Wat wilt u nu? Gaat u akkoord met het voorstel van de staatssecretaris of vraagt u haar om het terug te nemen en met een ander voorstel te komen?

De heer Van der Ham (D66): Ik heb gewezen op de bezwaren van het veld en ik heb de staatssecretaris gevraagd hoe zij die weegt en in hoeverre zij daar ruimte aan kan geven. Op een aantal punten vind ik dat het veld geen terechte bezwaren aanvoert tegen de plannen van de staatssecretaris, maar op dit punt kan ik mij wel iets voorstellen bij de bezwaren van het veld. In het kader van de commissie-Dijsselbloem is al naar voren gebracht dat stapeling van allerlei eisen aan het veld voorkomen moet worden. Op dit punt zou dit zich kunnen voordoen en daarom vind ik dat wij wel degelijk met enige compassie naar het veld moeten kijken. Daarbij sta ik zeer achter de richting van de staatssecretaris op dit punt. Dat is volgens mij kraakhelder.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik had ook een bezwaar op dit punt maar dan een ander bezwaar. U stelt zich zeer achter het standpunt van de staatssecretaris. U wilt misschien wel gaan voor drie zevens, maar eigenlijk wilt u drie zessen. Wanneer de staatssecretaris komt met twee voldoendes en een 5, wilt u pas op de plaats maken. Eerlijk gezegd, ben ik ook een beetje de weg kwijt. Wat is het standpunt van D66 precies?

De heer Van der Ham (D66): Dat is ook weer zo’n flauwe vraag. Kijkend naar de inhoud van de vakken, zou je zelfs veel meer kunnen vragen dan een 6 teneinde ervoor te zorgen dat men goed voorbereid is op het vervolgonderwijs. Dat zei ik bij wijze van spreken. Die 6 is niet een voldoende om leerlingen voor te bereiden. Dat heeft te maken met onze behoefte aan een diepere analyse van wat er tekortschiet in het middelbaar onderwijs ter voorbereiding op het vervolgonderwijs.

Antwoord van de staatssecretaris

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun betrokken vragen. Wat wij hier bespreken heeft heel veel te maken met de kwaliteit van het onderwijs en de waarde van de scholing en het vervolg daarop. Het is dan ook ongelofelijk belangrijk om dat goed en zorgvuldig te regelen. Dat is ook de reden dat ik best wel lang gedaan heb over dit voorstel. Ik heb echt de tijd genomen om er heel goed over na te denken en om er met heel veel mensen over te spreken, waaronder de Onderwijsraad en de overige organisaties die bij dit thema betrokken zijn, teneinde een goed beeld te hebben en een verantwoorde afweging te kunnen maken. Mijns inziens heeft dit alles ertoe geleid dat er nu een evenwichtig pakket ligt.

Ik heb er wel behoefte aan, nog even de ontstaansgeschiedenis te schetsen. De desbetreffende rapporten van de Onderwijsraad hebben in feite de aanleiding gevormd. Dit komt namelijk niet uit mijn koker, maar het betreft een nadrukkelijk advies van de Onderwijsraad dat meteen discussie opriep. Ook in de maanden daarna is door de voorzitter van de Onderwijsraad, Fons van Wieringen, met stelligheid gewezen op het belang van dit onderwerp, waarbij het Nederlands, het Engels en wiskunde als belangrijke basisvakken worden gezien om een goede en succesvolle doorstroming naar vervolgonderwijs te garanderen. De commissie-Dijsselbloem heeft er terecht op gewezen dat de civiele waarde van de opleidingen in de vorm van een diploma geborgd moet zijn. De Onderwijsraad ging uit van drie voldoendes terwijl de commissie voor zowel het centraal examen als het schoolexamen uitging van een voldoende. Ik ben zelf op een wat «kalmere» lijn gaan zetten, ook omdat ik geluisterd heb naar een aantal organisaties die kritiek hadden op datgene wat hierover naar voren werd gebracht. Zowel de Onderwijsraad als de commissie-Dijsselbloem heeft gekeken naar het totaal van de ontwikkelingen die er reeds waren en heeft aangegeven dat dit goede maatregelen zouden zijn. Ook ben ik in mijn oordeelsvorming gestimuleerd door de vele commissievergaderingen in dit huis. Met name de heer Pechtold heeft mij vele malen onder de aandacht gebracht dat ten behoeve van een goede doorstroming en talentontwikkeling, onmiddellijk een slag moest worden gemaakt ten aanzien van deze drie vakken. Hij vond dat ik er te lang over deed, maar, nogmaals, de zorgvuldigheid heeft mij ertoe gebracht om er toch iets langer over te doen dan hij in ieder geval noodzakelijk achtte. Ook noem ik mevrouw Dezentjé die dit punt vaak naar voren gebracht heeft.

Er is dus een vrij brede veldraadpleging geweest. Ik heb daarbij met heel veel mensen gesproken omdat ik wilde weten hoe men aankeek tegen bepaalde ontwikkelingen. Het is niet gebleven bij alleen geïnstitutionaliseerd overleg met bobo’s van allerlei organisaties. Ook in het kader van de Kwaliteitsagenda VO waar ik wel degelijk heel veel gesprekken over gevoerd heb, heb ik dit punt vaak aan de orde gesteld. Ik heb ook het gevoel dat docenten wel degelijk heel veel waarde hechten aan de twee kwalitatieve maatregelen die ik op dit punt wil nemen. Dat betreft dan de gemiddelden voor het centraal examen en de normen voor Nederlands, Engels en wiskunde. De BON vindt eigenlijk dat ik niet eens ver genoeg ga. Ik heb echter geprobeerd op een evenwichtige manier de zaak in beeld te krijgen.

De heer Slob heeft terecht de vraag gesteld wat een en ander betekent voor de slaag- en zakpercentages. De combinatie van beide maatregelen leidt tot een slagingspercentage van 85,6, dus een stijging van het zakpercentage van 6,4 naar 14,4. Daarbij is met terugwerkende kracht puur gekeken naar leerlingen zonder die calculatiemachine en die geen anticiperend gedrag vertonen. Overigens was in 1992 het slagingspercentage al 88, welk percentage in de loop van de tijd verder is gestegen. Het ging ook net allemaal wat gemakkelijker in het ho met dit type leerlingen dan nu. Dat komt ook omdat er meer vissen uit de fuik zijn gezwommen. Dat willen wij ook zo veel mogelijk, maar wij moeten er ook absoluut van overtuigd zijn dat het vereiste niveau behaald wordt, zodat men op een goede wijze kan doorstromen met het diploma.

De maatregelen beogen een drieslag te realiseren. De eerste is verbetering van de kwaliteit van het schoolexamen. Ik heb dat heel bewust ook als eerste genoemd. De VO-raad houdt zich daar op dit moment intensief mee bezig en gaat daar ook mee door. Wij willen juist het SE/CE-systeem behouden voor Nederland. Ik verander ook geen systeem, ik breng hoogstens in het systeem een wijziging aan. Het is dus zeker geen stelselwijziging. Als dat wel het geval was geweest, zou ik bijvoorbeeld voorstellen om net als in andere landen het gehele schoolexamen de wereld uit te helpen en alleen het centraal examen als geldend te bestempelen. Dan zou ik onrecht doen aan de inzet van de docenten op het schoolexamen. Omdat ik weet dat dit examen verbeterd wordt, wil ik dat ook zou houden.

De tweede lijn betreft de interventie. Wij hebben nu lang genoeg met elkaar geconstateerd dat er te grote verschillen zijn tussen het CE en het SE. En daar gaan wij nu echt wat aan doen. Ik begin bescheiden maar het signaal is wel helder, zelfs zodanig dat een aantal organisaties er niet zo gelukkig mee is. Ik heb nu eenmaal een generieke maatregel nodig om vervolgens heel specifiek richting de scholen tot een uitwerking te komen. Ik raak daar zeker het gehele veld niet mee. Sterker, de scholen die het heel goed doen, zijn naar mijn idee heel blij dat ik ingrijp waar het niet goed gaat. Als ik dat niet zou doen, zou dat namelijk ten koste gaan van alle diploma’s De derde lijn is die van het wegnemen van de omissie. De heer De Vries vroeg of ik daar niet eerder aan had kunnen denken. Welnu, hij zit hier al langer dan ik. Toen ik mij er echt in ging verdiepen, constateerde ik wel meteen dat er sprake was van een weeffout, een omissie. Inderdaad hadden wij het vanaf het prille begin misschien goed moeten doen. Wij hebben echter te maken met het momentum dat er van buitenaf nog een keer goed gekeken wordt naar alle mogelijkheden van compensatie ten opzichte van het onderwijs, in het bijzonder Nederlands, Engels en wiskunde.

De heer Jasper van Dijk (SP): U had het over uw brede raadpleging. Waarom hebt u dan niet met de wiskundeleraren overlegd? Heeft de VO-raad in eerste instantie wel ingestemd met uw plannen en heeft deze er later afstand van genomen? Of heeft de raad direct gezegd het er niet mee eens te zijn?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Er is inderdaad sprake geweest van een brede afstemming. Ik heb niet met alle vakgroepen apart gesproken, maar ik heb wel met de VVVO gesproken en die kan leven met dit verhaal. U hebt er ook geen brief over gekregen dat dit niet het geval zou zijn. Ik heb ook met ouderorganisaties gesproken. Ik stel vast dat Ouders & Coo wel moeite heeft met mijn plannen, terwijl de NKO een peiling heeft gedaan onder zijn leden, waaruit blijkt dat een meerderheid het wel een goed idee vindt. Ook de VOO kan ermee uit de voeten. Ik heb ook met de vakbonden gesproken. De AOb vindt het geen goed idee en het CNVT vindt het wel een goed idee. Slechts vier van de negentien landelijke onderwijsorganisaties zijn minder positief dan wel negatief.

De VO-raad heeft steeds ten principale het meest moeite gehad met het punt waar de heer Van Dijk het minst moeite mee heeft, namelijk het CE-gemiddelde. Men gaf aan dat CE en SE gelijk gewogen moeten worden, maar met het voorstel over Nederlands, Engels en wiskunde had men veel minder moeite, althans dat is mij gebleken in de gesprekken die ik met de raad heb gehad. Men heeft inmiddels de zaken van alle belanghebbenden bij elkaar opgeteld en dat heeft geleid tot de desbetreffende brief. Gerealiseerd moet evenwel worden dat het een brief is van vier van de negentien organisaties in Nederland. Ik ben ervan overtuigd dat BON echt helemaal aan de andere kant zit.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik dank u voor uw stevige inleiding. Ik heb nog een vraag over het slaag- en zakpercentage. Aan alle scholen waarmee ik heb gesproken, heb ik gevraagd wat de nieuwe regeling betekent voor de percentages die ze vorig jaar hebben behaald. En die kwamen echt allemaal een stuk hoger uit. Dus wil ik graag wat meer horen over het onderzoek en het percentage dat u hier noemt. Is er bovendien rekening gehouden met specifieke doelgroepen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Op dat laatste kom ik zo meteen nog uitgebreid terug. Ik meen overigens dat het goed is om straks in de tweede termijn en detail nog in te gaan op het onderzoek dat Cito en CVO hebben gedaan naar de slaag- en zakpercentages. In het rapport dat als bijlage is toegevoegd, is een en ander gedetailleerd uitgewerkt. Overigens is er niet per school vergeleken, maar is er op basis van alle beschikbare cijfers in Nederland geprobeerd een algemeen beeld te krijgen.

De heer Dibi (GroenLinks): De staatssecretaris legt terecht een grote nadruk op scholing. Ik hoop dat uit mijn eerste termijn ook duidelijk naar voren is gekomen dat ik een groot deel van haar lijn steun. Echter, zij laat wel ongeschoolde docenten toe in het voortgezet onderwijs.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Daar kom ik nog over te spreken. Dit is nog maar mijn inleiding.

Mevrouw Besselink (PvdA): Kunt u nog iets zeggen over de kritiek die er bij sommigen is over de snelheid van invoering? Zou, uitgaande van de calculerende leerling, niet gedacht moeten worden aan een jaar later, zodat wanneer men de profielkeuze doet – op het vwo is dat een jaar eerder – men daar ook rekening mee kan houden?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Over het tempo van invoering kom ik nog in algemene zin te spreken, mede naar aanleiding van het punt dat de AOb naar voren heeft gebracht. De heer De Vries heeft gezegd dat invoering juist wat sneller zou kunnen. Ik heb scholen de gelegenheid willen geven om zich goed te prepareren. Het voornemen is in oktober naar buiten gekomen waarbij het de bedoeling is dat het geëffectueerd is voor de examens van 2011/2012. Dus wij hebben het over een periode van tweeënhalf jaar. Naar mijn gevoel moet dat gewoon kunnen en loopt het ook heel goed in de pas met alle investeringen die wij doen.

Vervolgens kom ik te spreken over de stapeling en over de vernieuwingen in het kader van de tweede fase. In 2006 is door alle onderwijsorganisaties geconstateerd dat de wijziging terzake naar verwachting geen invloed zou hebben. Het komt ook letterlijk terug in verslagen. De voorloper van de VO-raad schrijft letterlijk: door de invoering van de compensatie wordt de slaag-zakregeling vergelijkbaar met de situatie die gebruikelijk was voor de invoering van de tweedefasestructuur. Ik heb het combinatiecijfer genoemd in mijn brief als een van de punten die gaande waren. In mei of juni zullen wij daar de effecten van kunnen zien. Indertijd is door Maria van der Hoeven in haar hoedanigheid van minister van Onderwijs en door de organisaties zeer sterk aangedrongen op dit punt, waarbij ze hebben aangegeven dat door de combinatie van aspecten sprake is van zo-even genoemde gelijkwaardige situatie. Vanuit die neutraliteit ben ik tot mijn voorstellen gekomen. Dat is mijns inziens ook gerechtvaardigd gelet op hoe deze organisaties er tot op heden in staan. Vanuit die optiek verbaast het mij dan ook bijzonder dat nu gedaan wordt alsof dit voorstel opeens als een konijn uit de hoge hoed komt, terwijl het allang in de brief staat. Op blz. 8 van de brief wordt er keurig op ingegaan.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het gaat erom dat er dit jaar en volgend jaar sprake is van nieuw beleid voor de tweede fase. Ik heb er met leraren over gesproken en zij geven aan dat zij zich op dat nieuwe beleid aan het concentreren zijn. En nu komt u alweer met nieuwe voorstellen. Dus dat is een stapeling van beleid. Dat kunt u toch niet ontkennen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het zijn meerdere beleidsmaatregelen naast elkaar. Relevant is – dat is de zorg die uitgesproken werd – of het tot meer problemen leidt. Dan refereer ik aan het feit dat dit in 2006 aan de orde is geweest en dat toen door alle organisaties geconstateerd werd dat het een neutrale uitwerking zou hebben. Overigens zullen de nieuwe maatregelen die ik nu voorstel ook een technische uitwerking vergen. Natuurlijk gaat die uitwerking samen met het veld van het vo plaatsvinden. Wellicht zullen dan hier en daar op onderdelen punten tegen elkaar weggestreept worden. Die technische uitwerking zal opgenomen worden in een algemene maatregel van bestuur die alsdan bij de Kamer zal worden voorgehangen. Kortom, die technische uitwerking vindt op basis van goede afwegingen plaats. Daarbij zullen alle aspecten worden betrokken.

De heer Van der Ham (D66): Ik wil nog even ingaan op het tempo, waarbij ik erop wijs dat nog in het recente verleden discussie is gevoerd over de kwaliteit van datgene wat er uiteindelijk getest wordt. Inmiddels kijkt een resonansgroep naar de kwaliteit van wiskunde. Kunt u aangeven in hoeverre de bevindingen voldoende ingedaald zijn zodat wij aan de hand van uw voorstellen een en ander adequaat kunnen meten, waardoor als het een 6 is, het ook een goede 6 is?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: U stelt daarmee eigenlijk het punt aan de orde van de kwaliteit van de examens. Wij zijn continu bezig met de kwaliteit van de examens. In mijn brief maak ik daar ook melding van. Grieks, Latijn en Nederlands zijn op dit moment voorbeelden. Ook noem ik wiskunde, waarbij sprake zal zijn van een sterkere component algebra, hetgeen ook tegemoetkomt aan de zorgen omtrent rekenvaardigheden die er zijn. Wij zijn dus continu bezig met kwalitatieve toetsing van de examens om na te gaan of ze nog steeds voldoen dan wel of ze aangepast moeten worden aan nieuwe eisen. Daarnaast vindt er vakvernieuwing plaats. In de desbetreffende vakvernieuwingscommissie zitten onder meer mensen uit het hoger onderwijs. Er wordt eigenlijk een continue kwaliteitsslag in diverse vakken gemaakt. Zo hebben wij Duits, Engels en Frans onlangs getoetst aan het European Qualification Framework. Het is dus altijd een doorgaand proces. En dat is maar goed ook, want er is altijd wel een vak dat in revisie is of dat eens goed onder de loep moet worden genomen. Ik vind dat heel geruststellend want het maakt dat wij steeds scherp blijven op dit gebied.

Er is een aantal vragen gesteld over de discrepantie tussen CE en SE en de steile escalatieladder. Een ladder is over het algemeen buitengewoon steil en zo steil wil ik die in dit geval niet laten zijn. Ook hierbij geldt namelijk dat ik met respect en zorgvuldigheid de zaak wil benaderen. De heer De Vries heeft gevraagd of in bepaalde gevallen het verschil tussen CE en SE redelijk te verklaren is en of dat dan niet meegewogen moet worden in de escalatieladder. Bij individuele gevallen kan er een verklaarbaar verschil zijn. Overigens is wel van belang te memoreren dat wij niet kijken naar het individuele niveau maar naar het collectieve niveau van een school. Als een school systematisch een groot verschil heeft, is het zaak daar heel scherp op te zijn. De inspectie kan dan een verbetergesprek met die school voeren. Echter, als het verschil structureel en meer dan gemiddeld is, is er toch het probleem dat het schoolexamen compenserend is ten opzichte van het centraal examen. Voor een x-percentage vinden wij dat relevant maar voor een bepaald percentage niet. Overigens, dat wij SE en CE goed met elkaar in evenwicht willen brengen, is iets waar wij de afgelopen jaren al met elkaar gesprekken over hebben gehad en is ook iets wat wij willen bereiken.

De inspectie selecteert de scholen die gedurende enkele jaren een verschil van een punt of meer laten zien. Hun wordt gevraagd om een verklaring. De inspectie beziet ook de wijze waarop de school het cijfer bepaalt. Zo nodig wordt een gesprek gevoerd over verbetering in de organisatie, de inhoud van het schoolexamen of de normering die de school toepast. Er kan extra, verscherpt toezicht komen. Indien na twee jaar geen verbetering optreedt, komen er sancties. Dat kan het staatsexamen zijn. Overigens moet ik eerst de wetgeving zodanig maken, dat ik die laatste stap kan zetten. Ik wil er in ieder geval wel voor zorgen dat wanneer de situatie niet verbetert, ik over twee jaar de wetgeving gereed heb zodat ik kan doorverwijzen naar het instrument van het staatsexamen, waarbij de desbetreffende school zijn examenlicentie op dat moment in ieder geval tijdelijk verliest. Zoals gezegd, zal de gehele uitwerking van al die aspecten waarover ik het heb gehad, neergeslagen worden in een AMvB die in de loop van de komende maanden bij de Kamer zal worden voorgehangen. Aan de hand van de evaluatie kunnen wij kijken of wij toe kunnen naar de scherpte van 0,5 punt in plaats van 1 punt.

Dan de vraag of de maatregelen een stimulerende invloed hebben ten aanzien van selectie-eisen. Het inspectiekader bepaalt hierbij uiteindelijk de kwaliteit. Wanneer een school een kind te laag voorselecteert, krijgt die daar een minpunt voor. Wij kijken naar het schooladvies. Dat bestaat meestal uit het advies van de school zelf en de resultaten van de Cito-toets. Het voortgezet onderwijs beoordeelt dat advies en plaatst vervolgens in. De inspectie kijkt naar het gehele verhaal, waaronder het advies. De basis voor het onderwijsrendement, waarover de heer Dibi sprak, begint dus bij het advies van de basisschool.

Mevrouw Besselink (PvdA): Betrekt u daarbij dan ook de zogenaamde perverse prikkel, in de zin dat wanneer je als basisschool havo en vwo adviseert, je als school beter scoort, waardoor er de neiging kan bestaan om eigenlijk iets hoger te adviseren dan eigenlijk zou moeten? Zo’n prikkel wordt dan natuurlijk weer afgestraft in het voortgezet onderwijs als blijkt dat zo’n kind het alsdan geadviseerde niveau niet echt aankan.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het is wel een heel andere problematiek maar in ieder geval helpt dat de heer Dibi, aangezien die jongere op dat moment wel hoger ingedeeld wordt. Overigens, laat klip-en-klaar zijn, ik ben daar niet voor. Als een kind eigenlijk geschikt is voor het vmbo maar het advies voor havo krijgt omdat de school hierdoor beter scoort, dan kan blijken dat zo’n kind het niet redt op de havo, waardoor het alsnog een stap naar beneden moet maken. Dat is inderdaad negatief voor het voortgezet onderwijs op dat moment. Tegelijkertijd werkt dat overigens niet per se negatief uit – dat is een soort neveneffect – op het feit dat wij hier de zorg hebben dat kinderen juist te laag geselecteerd worden.

Mevrouw Besselink (PvdA): Mijn zorg is vooral dat het kind goed geadviseerd wordt.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja, maar dat vind ik ook. Dat is wel een ander agendapunt. Dat hoort meer thuis bij de portefeuille van mevrouw Dijksma.

Mevrouw Besselink (PvdA): Er is door ons een aantal parameters ingebouwd waardoor wij er voor zorgen dat er gedrag vertoond wordt dat wij met z’n allen niet willen. Ik parkeer het punt nu, in de zin dat het in deze vergadering buiten de orde is, maar ik vind wel dat wij er over na moeten denken hoe wij hierin verandering kunnen brengen.

De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Besselink brengt nu het punt van de overadvisering in, terwijl ik daar niet zo veel moeite mee heb. Het gaat mij om de onderadvisering. Ik ben bang dat omdat wij scholen afrekenen op het aantal leerlingen dat slaagt voor het examen, die scholen nog meer geen selecteren. Mijn voorstel is om scholen af te rekenen op de leerwinst die ze weten te boeken. Dus wat is de Cito-score en op welk niveau zit de leerling aan het eind van de rit? Bij een voldoende niveau krijgt de school dan een pluspunt. Wil de staatssecretaris hierop reageren?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat is waar de inspectie zich in grote mate mee bezighoudt. Het begint met het advies van de basisschool. De inspectie kijkt wat er met het advies is gedaan en of de school minimaal op dat advies is gebleven. Je krijgt een plus als je dat kind omhoog werkt. Het is niet zo dat wij alleen maar kijken naar CE en SE. Als dat zo was, had ik allang veel eerder ingegrepen bij al die scholen waar dat verschil zo groot was. Het gaat erom dat het inspectiekader verschillende elementen bevat. De inspectie gaat CE en SE nu autonoom beoordelen, maar het inspectiekader is veel breder. Overigens spreek ik met veel scholen over het inspectiekader. Er zitten allerlei typen stimulansen in. Sommige ervan zijn in het kader van stapelen en doorstromen wellicht ongewenst, zoals het blijven zitten, en daar ga ik in algemene zin wel naar kijken omdat ik heel scherp voor ogen wil hebben of het kader wel behulpzaam is bij wat wij willen bereiken. Ook daarbij zal je altijd moeten zoeken naar een goed evenwicht.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik maak eigenlijk bezwaar tegen de interpretatie van de heer Dibi van het begrip «leerwinst». Hij verbindt leerwinst aan de Cito-score, terwijl volgens mij leerwinst het verschil is tussen het beginniveau van een kind op de basisschool en het eindniveau van dat kind op de basisschool. Ik hoor graag de bevestiging van de staatssecretaris dat zij het met mij eens is.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is ook precies wat ik zeg. Het gaat om het niveau aan het begin en het niveau aan het eind en om de toegevoegde waarde die de school daarbij heeft gehad. Daarop moet je een school afrekenen en niet op het aantal producten dat die aflevert. En om dat laatste lijkt het nu wel te gaan.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De inspectie kijkt uiteindelijk naar de school in totaliteit, waaronder de prestaties van leerlingen en de toegevoegde waarde van die school. Er wordt niet alleen gekeken naar het aantal geslaagden maar ook naar de adviezen en naar hetgeen aan het eind van de rit is gerealiseerd. Het inspectiekader kent allemaal onderdelen. Echter, omdat ik te veel kritische geluiden hoor, wil ik op dit punt de zaak nog scherper in beeld krijgen, maar zoals gezegd, het begint allemaal met de Cito-toets en het advies van de basisschool.

De heer Van der Ham heeft nog gevraagd naar de verschillen tussen CE en SE op particuliere scholen. De particuliere scholen vormen een van de groepen scholen waar vaak een wat groter verschil tussen SE en CE zichtbaar is. Met de escalatieladder wordt dat dus nu aangepakt. Wij richten ons niet op alle scholen maar op de scholen die het op dat punt niet goed doen.

Mevrouw Dezentjé heeft gezegd dat de waarde van diploma’s niet gegarandeerd is en dat er bij bedrijven klachten zijn over de kwaliteit van de kennis. Wij betrekken het bedrijfsleven zeer zeker bij het beroepsonderwijs. Dat is ook de reden waarom ik het hoger onderwijs en de VSNU betrokken heb bij deze discussie. Ik ben niet alleen verantwoordelijk voor het vo maar ik ben er ook verantwoordelijk voor dat de jongeren die het vo met een diploma verlaten het ook goed doen in het hbo. Specifiek ben ik ook verantwoordelijk voor de lerarenopleiding, Ik vind het geen goede zaak als iemand die door de pabo-test is gekomen vervolgens na een jaar die pabo alsnog moet verlaten. Dat briefje moet gewoon voldoende zijn om die slag te kunnen maken. Linksom of rechtsom, op een bepaald moment wordt een kind er toch mee geconfronteerd. Daarom is de interactie tussen het vervolgonderwijs en dit voorstel stevig geweest. Dat is de reden dat wij bijvoorbeeld beroepsonderwijs gericht op de eisen die in het bedrijfsleven worden gesteld, intensief betrekken bij het mbo en het hbo.

Vervolgens kom ik te spreken over het belang dat spelling en grammatica goed in de examens geborgd zijn. Deze discussie kent eigenlijk een paar elementen. Hoewel een school er op zichzelf vrij in is, zou ik mij heel goed kunnen voorstellen dat bijvoorbeeld ook de leraren geschiedenis en aardrijkskunde leerlingen op taalfouten corrigeren. Aan het eind van de rit, dus bij de examens gaat het er natuurlijk wel om of de leerlingen de inhoud van de stof hebben begrepen die zij geleerd hebben ten aanzien van geschiedenis, aardrijkskunde etc. Het gaat dan in feite om geïntegreerd lesgeven, zoals het mbo dat eigenlijk al jaren doet. Als een leerling dan onbegrijpelijke zinnen produceert vanwege slecht Nederlands dan houdt het natuurlijk op. Dan komt er een rode streep doorheen en krijgt men het punt niet. Ik ga er echter van uit dat wanneer in zijn algemeenheid gezorgd wordt voor een redelijk niveau van het Nederlands, dit zich ook vervolgens zal vertalen in de examens aan het eind van de rit, in de zin dat de leerlingen ook in het Nederlands examenvragen beantwoorden over vakken die niet direct het Nederlands beogen te testen.

De heer Van der Ham (D66): Ik heb een opmerking over de exameneisen bij Nederlands. Daarin moet wel opgenomen worden wat het niveau van spelling en grammatica moet zijn. Daarbij schiet het namelijk wel eens tekort. Als leerlingen iets moeten samenvatten, komt soms iets meer de nadruk te leggen op de vraag of het wel goed is samengevat en wat minder op de spelling en de grammatica. Hoe wil de staatssecretaris in de toetsing een verscherping aanbrengen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dan hebben wij het gewoon over de kwaliteit van de examens. Daarmee is bij het schoolexamen de schoolraad actief bezig. Bij het centraal examen is ook een aantal ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het punt van de schrijfvaardigheid, dat nog iets scherper naar voren zou kunnen komen. Het hoort bij de slagen die terecht continu gemaakt worden om te bezien of wij met de examens een beeld krijgen van de kennis van de leerlingen. Uiteindelijk is dat het doel van een examen.

De heer Van der Ham (D66): Ik vind het prachtig dat het in ontwikkeling is, maar zijn wij nu klaar om de drie voldoendes te eisen die ik van groot belang vind? Kan de staatssecretaris aangeven op welke punten de exameneisen aantoonbaar zijn aangescherpt op het gebied van spelling en grammatica vergeleken met drie jaar geleden?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het zal nooit perfect zijn in de wereld. Wij zijn dus eigenlijk nooit klaar, maar de continue kwaliteitsslag die bij examens gemaakt wordt, moet borgen dat alles geëxamineerd wordt. Dat staat overigens volledig los van de maatregelen die ik nu neem; ik vind het in algemene zin een must. Een ander punt vormen de referentie-eisen die wij afspreken voor taal en rekenen. Dat punt zal ook in de examens vertaald worden. Het is dus continu in beeld. De vakvernieuwingscommissies en de examenclubs moeten zorgen dat wat getest moet worden, getest wordt.

De heer Jan de Vries (CDA): Ik heb een vraag over de verhouding schoolexamen/centraal examen en de escalatieladder. De staatssecretaris zegt dat zij daarover met een voorhangprocedure komt, maar zij zegt ook dat de inspectie aan scholen een verklaring vraagt. Kan een school de inspectie er met die verklaring van overtuigen dat de kwaliteit wel degelijk op orde is, ook al is er misschien een patroon te herkennen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De escalatieladder is een instrument van de inspectie. De AMvB en de voorhangprocedure vormen de ultieme remedie van de staatscommissie. Nogmaals, grote discrepanties tussen centraal examen en schoolexamen kunnen niet, want daarbij wordt het centraal examen gecompenseerd met het schoolexamen. Als de inspectie een bepaald geval echt heel bijzonder vindt, ben ik erg nieuwsgierig naar dat geval. Dan moet de inspectie maar bij mij langskomen om het toe te lichten. De kwaliteit moet echter op orde zijn en er is een eind aan de rek tussen centraal examen en schoolexamen. Wij spreken daarbij over gemiddelden over een aantal jaren, niet over één jaar. Op grond daarvan kun je vaststellen of een school het centraal examen structureel laat compenseren door het schoolexamen. Voordat ik in zo’n geval zeg dat de inspectie de escalatieladder niet hoeft toe te passen, wil ik graag weten of de inspectie een reëel punt heeft. Ik kan het mij op dit moment niet voorstellen.

Mevrouw Besselink (PvdA): Wat betreft spelling en grammatica op het examen zegt de staatssecretaris dat alles wat getest moet worden, getest moet worden. Dat wil ik graag nog wat steviger van haar horen. Dit is namelijk waarom wij het doen. Wij hebben het er in Nederland alleen nog maar over dat wij niets weten van spelling en grammatica. Hoe gaan wij zorgen dat die onderdelen toch een stevige rol krijgen in het examen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Laat één ding helder zijn: als in examens iets niet getest wordt, wat wel getest moet worden, dan moet dat erin. Daarom wordt steeds bezien of alles wat wij nodig hebben, ook naar veranderende eisen, in het examen zit. Over rekenen en taal hebben wij afgesproken dat vanuit referentieniveaus basisvaardigheden geformuleerd worden, die vertaald worden in de examens waarin die nog onvoldoende getoetst worden.

Mevrouw Besselink (PvdA): Met een normering eraan dus.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Op de normering kom ik zo meteen terug.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het blijft toch een beetje geheimzinnig. Leraren zijn nu vrij om wel of geen waarde te hechten aan spelling en grammatica. Het is heel belangrijk dat de staatssecretaris nu een statement maakt. Zij moet óf aan het onderwijs laten weten dat spelling en grammatica wel degelijk meegerekend moeten worden, óf zeggen dat zij het overlaat aan de scholen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Nu lopen twee zaken door elkaar heen. De heer Van der Ham vroeg naar de examens voor Nederlands en de heer Van Dijk vraagt naar examens in brede zin.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nee, ik vraag naar het onderdeel Samenvatten bij Nederlands.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Laat ik het helder zeggen: dat wat geëist wordt, moet ook getest worden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dus spelling en grammatica volgens de staatssecretaris?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Natuurlijk, daar moet naar gekeken worden; dat spreekt vanzelf.

De voorzitter: Het telt mee.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nee, het telt niet mee. Het spreekt niet vanzelf; het is aan de leraren.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wat getest moet worden, moet ook in de examens zitten. De basisvaardigheden rekenen en taal en de referentieniveaus daarvoor, worden met een extra slag vertaald in de gevallen waarin dat nog niet gedaan is. Zij worden op het niveau gebracht dat wij afgesproken hebben naar aanleiding van het rapport van de commissie-Meijerink.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik krijg geen antwoord op mijn vraag. De staatssecretaris moet gewoon duidelijk zeggen of spelling en grammatica voor haar wél een rol spelen bij het eindexamen Nederlands, of dat zij het aan de scholen overlaat.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Misschien is er een misverstand. Ik zal er in de tweede termijn op terugkomen.

Een tweede correctie is bij bepaalde vakken veel werk. Wij hebben vrij uitgebreid over dit onderwerp gesproken toen het op de agenda stond. Wij hebben toen vastgesteld dat de tweede correctie inderdaad meer tijd vraagt en dat een steekproefsgewijze tweede correctie, zoals voorgesteld door de heer Dibi, door studenten absoluut afgewezen wordt. Zij willen die tweede vergelijking. De heer Slob legde al uit waarom. De tweede correctie bestaat al en zit bovendien gewoon in de taakuren van de docenten. Wat de heer Slob zegt is wel terecht: het ene vak vraagt meer tijd dan het andere. Op schoolniveau kan beslist worden dat er bijvoorbeeld taakuren – die staan overigens gewoon in de cao – van een docent met veel correctiewerk gaan naar een collega die geen of minder nakijkwerk heeft. Dat is echt een zaak van de school. De VO-raad en de AOb zijn hierover in gesprek en dat past in het verlengde van het overleg dat wij hier hebben gehad en waarin wij hebben afgesproken dat wij het op deze manier zouden doen.

Mevrouw Besselink (PvdA): Als uit dat gesprek blijkt dat er een paar extra dagen zouden moeten komen voor bepaalde vakken, is de staatssecretaris dan bereid om daarover na te denken?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dan moeten de VO-raad en de vo-instellingen bekijken hoe zij dat op een goede manier kunnen regelen. Zij hebben namelijk de beheersing over de uren die een leraar kan inzetten en het correctiewerk past gewoon binnen de taakuren. Zij hebben de mogelijkheid om op schoolniveau tussen leraren te middelen.

Mij is gevraagd of het cijfer voor het centraal schriftelijk examen een 6 moet zijn of een 5,5. Ik gebruik gewoon de systematiek zoals wij die kennen: het is een 5,5 en een 5,5 is een 6. Een 5,49 is een 5. Wij gaan dus uit van 5,5; zo doen wij dat in Nederland.

Wat is er de achtergrond van dat wij Nederlands, Engels en wiskunde hebben gekozen als doorstroomvakken? Op dit moment hebben mensen die in het hoger onderwijs instromen een probleem. De commissie-Meijerink en de commissie-Dijsselbloem hebben dat geconstateerd. De Onderwijsraad heeft in zijn rapport aangegeven dat Nederlands, Engels en wiskunde basisvakken zijn. In alle profielen zit verplicht Engels en dat geeft al aan dat het ook echt een basisvak is. De Onderwijsraad zegt dat studenten op deze drie vakken een voldoende zouden moeten halen. Ik heb dat iets genuanceerd en gezegd dat er één 5 bij mag zijn. De HBO-raad en de VSNU hebben ook gezegd dat het evident is dat mensen die instromen met een te zwak niveau van Engels, in de praktijk van het hoger onderwijs echt een groot probleem hebben. Daar wordt namelijk steeds meer Engelse literatuur gelezen. De internationalisering neemt alleen maar toe en daarom pleit men echt voor deze drie vakken.

Wij zetten ook op deze vakken in omdat het examen een afronding is van alle inspanningen die wij doen op het gebied van rekenen en taal. Ik noem bijvoorbeeld het extra geld dat naar die vakken toe gaat en de animo waarmee de vve, het basisonderwijs en het vo op dit moment bezig zijn. Aan het eind van die inspanningen komt dan deze afronding. Het heeft ook te maken met doorstroom. Ik bedoel de doorstroom naar vo, hbo en wo. Afronding en doorstroom zijn de belangrijke argumenten. In het verleden zijn door de Onderwijsraad en door andere organisaties diverse onderzoeken gedaan, waaruit is gebleken dat de eindexamencijfers relevant zijn voor het doorstromen. Andere onderzoeken wezen uit dat de eerste reeks tentamenresultaten misschien nog wel relevanter is voor de doorstroom. Er bestaan dus verschillende wetenschappelijke invalshoeken, maar vanuit de ervaringen in de praktijk vinden zowel de Onderwijsraad als de VSNU als de HBO-raad dat de drie basisvakken goed op orde moeten zijn. Daarvoor zou een voldoende gehaald moeten worden. Ik heb al gezegd dat er één 5 bij mag zijn.

Dan kom ik op de vraag of leerlingen door deze regel niet gaan kiezen voor een makkelijker vakkenpakket, of calculerend gedrag gaan vertonen. De heer Slob heeft daarnaar gevraagd. Je kunt niet bij voorbaat stellen dat deze regel dat effect zal hebben. In het onderwijssysteem bestaan veel impulsen, stimulansen en remmingen, en alles heeft wel een effect. Een vorm van calculerend gedrag kan ook zijn dat er meer aandacht aan de genoemde vakken geschonken wordt. Ik heb veel mensen uit het onderwijs gesproken en die zeiden: doen!

De groep wiskundeleraren die nu om extra uren vraagt, heeft overigens al heel vaak gepleit voor meer uren; dat speelt dus niet alleen nu. Bij de tweede fase nieuwe stijl hebben wij in dat kader ook extra uren gegeven. De Kamer heeft er toen over nagedacht hoe wij daar op een goede manier mee om konden gaan. De scherpte op deze vakken kan ervoor zorgen dat er binnen de school naar wordt gestreefd om die vakken in ieder geval op orde te hebben. Dat zou kunnen leiden tot meer lesuren voor die vakken, omdat er een zekere prioriteit aan wordt gegeven, en dat is nu net wat wij willen. Wij vinden namelijk dat het de basis is die nodig is in het ho. De regel van de drie vakken zal dus eerder een positieve stimulans zijn voor het aantal uren dan een negatieve.

Eén 5 mag, dat klopt. Ik vind dat reëel omdat je daarmee juist tegemoetkomt aan dyscalculie en dyslexie; je biedt dan wat meer ruimte. En laten wij eerlijk zijn: wij hebben het hier over een 4,5 en twee maal een 5,5. Dat moet minstens te halen zijn. Hebben mensen met een taalachterstand er met deze regeling een probleem bij? Wij zien nu grote problemen met taalachterstand bij de pabo. Mensen zijn van school af, hebben het briefje in handen en willen aan de slag, maar kunnen niet verder omdat achteraf blijkt dat zij de kennis niet hebben. Dat moeten wij voorkomen. Dat briefje moet echt waard zijn wat het is, namelijk dat je op een bepaald niveau functioneert. Dat betekent wel extra intensivering, maar daarmee zijn wij nu bezig. Taal en rekenen zijn op dit moment gouden woorden in het onderwijs.

De heer Dibi vraagt of een 3,5 ook mogelijk zou mogen zijn. Hij had het over een 4, maar in Nederland is dat een 3,5. Dat lijkt mij geen goed idee. Ik ben niet zo ver gegaan als mij geadviseerd is door de deskundige organisaties, maar ik denk dat dit een mooi gemiddelde is en ik wil daaraan niet sleutelen.

Tegen mevrouw Dezentjé zeg ik dat wij zeker niet kijken naar wat de gemiddelde score van de examenkandidaten is en daar het cijfer 6 aan geven. Dan bestaat inderdaad het risico dat het niveau heel zachtjesaan daalt. Het gaat als volgt. De CEVO werkt allerlei examenstof uit, waarbij wordt gekeken naar de zwaarte van het examen. Ook worden proefexamens gedaan. Er wordt heel zorgvuldig gekeken. Aan het eind van de rit zijn er inderdaad ook normeringsvergaderingen, maar daarin wordt vooral gekeken of er op een bepaald examen een enorme afwijking is. Dan gaat men kijken naar de inhoud van dat examen. Het kan dan bijvoorbeeld zijn dat er een multi-interpretabele vraag in dat examen zit. Als veel leerlingen die vraag fout gemaakt hebben, kan eventueel tot een bijstelling gekomen worden. In principe vinden het testen en het bepalen van het niveau echter voorafgaand aan het examen plaats. Op dit moment loopt overigens een nieuw onderzoek naar de normering. Het proces is dus steeds gaande, maar dit is de stand van zaken.

De heer Dibi (GroenLinks): De staatssecretaris zei dat de extra aandacht voor wiskunde en Nederlands, die ook een vorm van calculerend gedrag kan zijn, ten koste kan gaan van andere vakken. Accepteert zij dat? Vindt zij dat acceptabel omdat zij het prioriteren van reken- en taalonderwijs belangrijker vindt?

De staatssecretaris maakte van mijn 4 heel slim een 3,5. Vindt zij dat je een mislukking bent als je slecht bent in wiskunde of in Nederlands?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Je bent geen mislukking als je een 3,5 voor Nederlands of voor wiskunde hebt, maar als je het examen wilt halen moet je net even iets hoger zitten. Dat is heel normaal. Wij zijn nooit een mislukking. Niemand is een mislukking als hij het vwo-examen of het havo-examen niet haalt. Je kunt op andere manieren ook heel goed aan de bak. Wil je echter een examen halen en wil dat civiel effect hebben, dan moet je wel voldoen aan bepaalde eisen.

De heer Dibi (GroenLinks): Daar leg ik mij voorlopig even bij neer.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Door veel leden is aandacht gevraagd voor leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Dat is terecht, maar wij moeten één ding heel goed in ogenschouw nemen. Op dit moment is een examen al een examen. Op dit moment hebben sommige kinderen ook al een extra steun in de rug nodig om het examen terecht te halen. Intelligentie heeft namelijk niets te maken met het hebben van een bepaalde handicap, zoals doofheid. Daarom is er juist in de afgelopen jaren behoorlijk geïnvesteerd in het voorkomen van de situatie dat men vanwege een handicap het vwo-niveau bijvoorbeeld niet zou halen. Daarmee wordt recht gedaan aan deze leerlingen. Op dat gebied bestaan veel verschillende maatregelen. Scholen besteden vaak zelf extra aandacht aan kinderen met een beperking. Onlangs is het zorgbudget voor havo- en vwo-leerlingen nog uitgebreid.

Binnen het vmbo kennen wij natuurlijk al heel veel maatregelen voor kinderen die extra support nodig hebben. Bij de examens, en vooral de centrale examens, wordt al op verschillende manieren rekening gehouden met deze kinderen. In bepaalde gevallen is er de mogelijkheid van ontheffing. Men krijgt meer tijd en veel hulpmiddelen om de eigen intelligentie op papier uit te drukken. Er verandert eigenlijk in die zin niets, dat het tentamen juist voor kinderen met een achterstand of handicap toch al veeleisend was. Verder is er in de basisberoepsgerichte leerweg bijvoorbeeld het leerwerktraject, voor kinderen die de eisen niet meteen kunnen halen. Zij kunnen via het mbo1-traject een afwijkend examenpakket krijgen. Dat is een van de vele mogelijkheden. Een ander voorbeeld is de LWOO-regeling. Ook zal ik bij de referentieniveaus voor rekenen en taal rekening houden met groepen die het niet zullen redden. Ik zal voorstellen doen om met een kan-bepaling de mogelijkheid van afwijking overeind te houden, ook als de wetgeving eenmaal in beton is gestort.

Een goede zorg voor leerlingen vraagt ook om goede leraren. Een kwart van de leraren is onbevoegd, merkte de heer Dibi op. Dat is natuurlijk zorgwekkend. Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn als wij het constateerden en er als regering niets aan deden. Ik denk echter dat wij heel stevig investeren in het leraarschap; mevrouw Besselink heeft dat al aangegeven. Wij investeren in de kwaliteit met de 200 mln. van de kwaliteitsmiddelen vo en met de 115 mln. voor rekenen en taal voor de hele kolom. Ook investeren wij 1,2 mld. in leraarschap op het gebied van salarissen en professionalisering. Dat is ongelooflijk belangrijk. Daarnaast investeren wij in de nieuwe lerarenopleiding. Ik bekijk of wij jongeren met de educatieve minor nog meer kunnen verleiden tot het vak. Er vindt dus op allerlei manieren actie plaats en er wordt buitengewoon ruim geïnvesteerd. Wij staan op dit terrein geen zesjescultuur voor, maar een achtencultuur.

De heer Dibi (GroenLinks): De staatssecretaris wringt zich in heel rare bochten. Ik heb het namelijk niet over toekomstige maatregelen. Ik ben ook heel blij met wat zij allemaal gaat doen, maar op dit moment is een kwart van de docenten in de onderbouw onbevoegd. De staatssecretaris rekent er leerlingen op af als zij niet op het juiste niveau zitten, maar zij doet dat niet bij leraren. Waarom maakt zij daarin een verschil?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het heeft samenhang, want een leraar brengt kennis over aan een leerling. Het is aan de school om te borgen dat onbevoegden onder verantwoordelijkheid staan van een bevoegde leraar. Het is ook aan de school om zo veel mogelijk te streven naar bevoegde leraren voor de klas en het is aan ons om te streven naar zo veel mogelijk bevoegde leraren. Overigens mag een onbevoegde leraar maar twee jaar in het traject zitten; hij dient daarna zijn bekwaamheid te hebben behaald. De situatie wacht dus niet alleen op onze maatregelen. In de wetgeving is de tijdelijkheid van onbevoegdheid al opgenomen. Wij kunnen natuurlijk gaan stilstaan, maar dat is ook geen werkelijkheid. Wij moeten dus doen wat wij kunnen doen op schoolniveau en op nationaal niveau en daarbij gewoon de weg vervolgen met onderwijs dat nodig is om te zorgen dat kinderen goed geëquipeerd het mbo en het vo instromen. Wij zetten op beide trajecten volop in.

De kwestie rondom het Vespucci College is langgerekt. Je hebt soms van die dossiers waarbij je je steeds weer afvraagt wat de mogelijkheden zijn. Ik heb dat zeker ook gedaan. Ik ben de school tegemoetgekomen. Nadat de rechtbank verklaard heeft dat de Wet op het voortgezet onderwijs niet van toepassing is op de Antillen, heb ik direct de vorming van de BES aangegrepen om een legale oplossing te vinden. Ik moest echter een voorbehoud maken, omdat de BES nog niet rond is. Het Vespucci College heeft een overgangsvoorziening aangeboden gekregen tot en met 2011 en daarmee heb ik de hardheidsclausule maximaal opgerekt. Het Vespucci College wil echter geen staatsexamen; het wil een eigen examenlicentie. Daarmee negeert het de uitspraak van de rechtbank, die zegt dat de Wet op het voortgezet onderwijs niet van toepassing is op de Antillen. Het Vespucci College vraagt mij feitelijk om onwettelijk te handelen en daar pas ik voor. Dat doe ik niet. Mijn grondhouding ten opzichte van het Vespucci College blijft positief en ik probeer om een adequate oplossing te bieden als de BES straks bestaat. Ik kan mij voorstellen dat wij dan op een van de BES-eilanden het staatsexamen laten afnemen en dat kinderen heen en weer vliegen. Dat gebeurt heel vaak, ook als er grote inkopen moeten worden gedaan. Dat zijn geen reizen naar Spanje, maar het is haast het reguliere openbaar vervoer. Ik zit momenteel met de wetgeving. Ik heb die al opgerekt en ik heb ook iets heel bijzonders gedaan. Ik heb de mogelijkheid geschapen dat de staatsexamencommissie twee jaar lang het centraal examen afneemt en het schoolexamen bij de school. Dat is eigenlijk ongebruikelijk, maar ik heb dat gedaan om de school de ruimte te geven tijdens de overgang. Verder moet ik hierover zwijgen – ik heb al heel veel gezegd – omdat de zaak onder de rechter is.

Nadere gedachtewisseling

De heer Jan de Vries (CDA): Voorzitter. In de kwestie rond het Vespucci College vragen wij de staatssecretaris niet om in strijd met de wet te handelen en misschien is een zelfstandige examenlicentie wel te veel gevraagd. De vraag is echter of een staatsexamen alleen aangeboden kan worden op de BES-eilanden. De staatssecretaris kan wel heel denigrerend doen over een reisje naar Spanje, maar ik kan zo’n reisje slechts één keer per jaar maken en weer anderen kunnen het zich helemaal niet veroorloven. De staatssecretaris moet niet onderschatten wat het voor sommige leerlingen en hun ouders betekent. Ik vraag de staatssecretaris te onderzoeken of het staatsexamen toch binnen het Koninkrijk kan plaatsvinden, desnoods op de ambassade.

De CDA-fractie stemt in met het betrekken van Engels bij de doorstroomvakken, vanwege de praktijkervaringen en de terugkerende klacht van het hoger onderwijs en vanwege het advies van de Onderwijsraad. Wij vragen de staatssecretaris wel om de effecten te blijven monitoren: levert een en ander daadwerkelijk de verbetering op die wij voorstaan?

Over verhouding schoolexamen en centraal examen heb ik de volgende opmerking. Bij mijn weten bevat het handhavingskader van de inspectie op dit moment geen harde, meetbare normen die leiden tot direct al dan niet handhaven. De staatssecretaris stelt dus wel een belangrijke wijziging voor. Ik noem het geen stelselwijziging, want dan heb ik de heer Jasper van Dijk aan mijn broek. De vraag is of die wijziging gerechtvaardigd is. Wij zijn met de staatssecretaris van mening dat bewust beleid en slechte schoolexamens moeten worden aangepakt. Kan hier echter ook niet de omgekeerde bewijslast gelden dat scholen de plicht hebben dat zij de kwaliteit wel degelijk op orde hebben?

Al deze maatregelen, inclusief de inhoudelijke verbeteringen waaraan de staatssecretaris samen met de scholen gaat werken, moeten leiden tot meer ambitie en vertrouwen. Dat kan ook betekenen dat het aantal leerlingen dat zakt, omhooggaat. Als het echter bijdraagt aan meer vertrouwen en hogere kwaliteit, is dat op zich geen probleem. Wij zijn ervan overtuigd dat al deze maatregelen zullen leiden tot meer calculerend gedrag in positieve zin: dat er harder gewerkt wordt door leerlingen en door scholen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. De VVD steunt de plannen van de staatssecretaris, maar die plannen gaan alleen werken als het vo niet de opvangbak, zo niet het afvalputje, wordt van onderwijs dat van tevoren is tekortgeschoten. Ik pleit daarom nogmaals voor de ketenbenadering, waarin wij vanaf dag één gericht zijn op zeer hoogwaardig onderwijs in de basisvaardigheden; het back tot basics-beleid. Het grootste bewijs voor het nut van deze benadering is dat het zakpercentage omhooggaat als wij de lat op een vast niveau, namelijk gewoon een voldoende, vastschroeven. Het is jammer dat de staatssecretaris niet voor drie voldoendes kiest, maar het is niet anders; ik kan ook tellen.

Ik heb over het vak Engels nog een verzoek aan de staatssecretaris. Op de basisschool wordt soms wel en soms geen Engels gegeven. Soms wordt het al in groep 7 gegeven. Sommige leerlingen komen op het voortgezet onderwijs met twee jaar Engels achter de rug en sommige leerlingen beginnen op het voortgezet onderwijs bij nul. Dat is knap lastig voor het niveau in de klas. Ik verzoek de staatssecretaris om die problematiek eens te bekijken met staatssecretaris Dijksma en de Kamer er nader over te informeren hoe wij dit probleem aan het vorkje gaan prikken.

Er is gesproken over het controleren van het Nederlands bij de examens voor de vakken aardrijkskunde en geschiedenis. Ik wil daarvoor pleiten, maar ook daarin moet helderheid komen. Het is namelijk ook de vrijheid van de leraar om de leerlingen naar de voldoende te leiden.

De wens van het Vespucci College is een eigen examen. Kan het Vespucci College niet een soort uitzonderingsschool zijn? Ik begreep dat die mogelijkheid bestaat. Er is dan bijvoorbeeld een geografische norm aan de orde, zoals bij de Waddenscholen.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Ik vind het terecht dat de staatssecretaris er vol voor gaat. Er mag geen twijfel zijn over de kwaliteit van examens. Wij moeten de basiskwaliteit goed verzekeren. De staatssecretaris legt de lat minder hoog dan de commissie-Dijsselbloem en dat is terecht; ik heb destijds vraagtekens gezet bij die aanbevelingen van de commissie. De lat wordt echter wel hoger gelegd en daarbij krijgt de staatssecretaris onze steun. Ik blijf echter twijfels houden over eventuele ongewenste effecten voor bepaalde doelgroepen. De staatssecretaris onderkent die wel, maar laat het probleem wat hangen. Ik ben bang dat de maatregel tot een hoog zakpercentage kan leiden bij leerlingen met dyslexie en bij bepaalde categorieën allochtone leerlingen, gelukkig niet allemaal, die straks gemiddeld een voldoende moeten halen voor het centraal examen én nog een voldoende voor twee van de drie doorstroomvakken. Voor deze leerlingen is ieder examen al een examen Nederlands. Er moet heel veel gelezen worden bij centraal schriftelijke examens. Bij schoolexamens kan men daar veel meer rekening mee houden. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe zij dat in de komende tijd gaat oppakken; wij hebben nog wel even. Ik zou het echt vervelend vinden als bij deze leerlingen schade zou ontstaan waarvan wij later zeggen dat wij er meer aandacht voor hadden moeten hebben.

De staatssecretaris legt de verantwoordelijkheid voor de tweede correctie nu wel heel erg alleen bij de scholen. Zij heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Ik ben bereid om eerst de gesprekken van de staatssecretaris af te wachten en ik vraag haar om de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan. Op dat moment kan de Kamer bekijken of zij met het onderwerp nog iets wil doen. Het is waar dat de scholen erover moeten spreken, maar op deze manier zetten wij onze eigen verantwoordelijkheid niet helemaal buitenspel.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. GroenLinks steunt een groot deel van de voorstellen van de staatssecretaris. Er is hier en daar inderdaad een zesjescultuur, al is die klacht wel van alle tijden. Voor GroenLinks zijn scholen echter geen lees- en rekenfabrieken. Er wordt op scholen meer geleerd. Hoe ziet de staatssecretaris dat? De extra aandacht voor wiskunde en Nederlands gaat namelijk sowieso ten koste van andere vakken. In het verleden is het gebeurd dat vakken met elkaar gingen strijden om uren. Ik wil niet dat dit weer gaat gebeuren en dat docenten met elkaar gaan ruziën over hun uren.

Er zijn leerlingen die gewoon niets hebben met een bepaald vak. Tegen die leerlingen moet je kunnen zeggen dat zij zich moeten bewijzen voor de andere vakken en dat het niet erg is dat zij één vak niet goed maken, maar dat zij dan verdomd goed hun best moeten doen om bij andere vakken hoog te scoren. De staatssecretaris maakt dat nu wel heel moeilijk. Wellicht zorgt dat voor extra schooluitval. Ik sluit mij hiermee aan bij de heer Slob, die sprak over andere neveneffecten. Hoe gaat de staatssecretaris de neveneffecten in de gaten houden? Wij kunnen namelijk op dit moment niet alle gevolgen overzien.

De staatssecretaris zei dat zij nog scherp wil krijgen hoe het inspectiekader er uitziet en hoe de leerwinst daarin verankerd is. Wat ons betreft mag het plusje van de leerwinst een grote, dikke plus worden en wat zwaarder gaan wegen. Kan de staatssecretaris ons informeren over de leerwinst als zij die scherp heeft?

Mevrouw Besselink (PvdA): Voorzitter. Wij zijn allemaal bezig om de kwaliteit van het diploma en daarmee de kwaliteit van het onderwijs stevig neer te zetten. Dit is daarbij een heel goede stap. Ik ben erg blij dat de staatssecretaris heeft gezegd dat een voldoende minimaal een 5,5 is en niet een 5,45.

Dan kom ik bij de opmerkingen over de aandacht voor taal in het examen. Waarover hebben wij het nu echt, beheersen wij de taal en de spelling en kunnen wij nog rekenen? De staatssecretaris laat dat een beetje in het midden. Wij hebben haar een rol gegeven in het College voor examens. Ik wil dat de staatssecretaris die rol oppakt en dit soort dingen gaat regelen.

De heer Slob heeft de staatssecretaris een prachtig voorstel gedaan over de correctietermijn, dat ik graag wil ondersteunen. Ik ben heel benieuwd naar de uitkomst van de gesprekken, want wij hebben hierin zelf ook een verantwoordelijkheid. Als de correcties te doen zijn binnen de termijnen die er nu voor staan, horen wij dat. Als dat niet zo is, moeten wij het onderwijs niet opzadelen met onmogelijke opdrachten.

Ik deel de zorg voor de zorgleerlingen, die het mogelijk zwaarder krijgen. De staatssecretaris zegt dat zij die zorg ook deelt, maar toch laat zij het zoals het nu is georganiseerd. Ik erken dat er nu goede regels zijn, maar de cijfers worden juist aangescherpt op de vakken waarmee deze leerlingen moeite hebben. Het gaat dus niet om de extra tijd die zij krijgen voor het examen. Deze leerlingen moeten juist op de moeilijke vakken een extra inspanning leveren. Ik vraag de staatssecretaris om ons regelmatig op de hoogte houdt van de vorderingen. Als dan blijkt dat er ongewenste effecten zijn, kunnen wij daarvoor iets verzinnen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Ik blijf erbij dat de inzet van de regering op zich goed is. Zij wil goed kijken naar de examens. De aanpak is echter nogal driest en zeker de timing is ongelukkig. Er wordt nu nieuw beleid ingezet, met nieuwe examens. Daarbovenop komen deze voorstellen en dat is voor de scholen niet erg gelukkig. De staatssecretaris wil kijken naar scholen waar grote verschillen bestaan tussen het centraal examen en het schoolexamen. Dat vind ik goed; dat is gericht schieten. De staatssecretaris gaat ook in één keer van alle scholen verlangen dat zij gemiddeld een voldoende halen. Op scholen die het nu al goed doen, komt dat toch over alsof zij met een kanon op een mug schiet. De staatssecretaris zegt dat vier van de negentien organisaties het niet met haar eens zijn, maar die vier organisaties zijn niet de eersten de beste. De door haar geliefde VO-raad, die alle schoolbesturen representeert, is niet blij met haar plannen. De AOb, de grootste onderwijsbond, en het LAKS ook niet. Dat moet zij niet onderschatten.

Mijn volgende punt is de inhoud van de examens. De staatssecretaris wil hogere eisen stellen aan de cijfers, maar zij wil meer afstand houden tot de inhoud van de examens. Zij wil hier niet zeggen of er voor spelling en grammatica in het examen Nederlands harde eisen zijn, waarnaar door de overheid gekeken moet worden. Het wordt zo wellicht een lege huls: hogere cijfers eisen, maar niet kijken naar de inhoud. De staatssecretaris zou hierop nog terugkomen.

Ook de tweede correctie is een zaak van de scholen, zegt de staatssecretaris. De scholen moeten er tijd voor vrijmaken. Ik ben het eens met de heer Slob en ik vraag de staatssecretaris om hierop terug te komen. Wat betreft de wiskundeleraren vraag ik de staatssecretaris hetzelfde. Zij heeft niet met hen gepraat. Zij zullen hier niet blij mee zijn. U wilt hun niet een vast aantal uren garanderen. Dat moeten zij op de school maar uitvechten. Wil de staatssecretaris met de wiskundeleraren in gesprek gaan en ons daarover informeren?

Wat betreft het Vespucci College sluit ik mij, voor de verandering, aan bij de heer De Vries. Wil de staatssecretaris toch eens kijken of een en ander bij de ambassade geregeld kan worden?

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. De staatssecretaris was helder in haar beantwoording van vragen over verscherping van het toezicht op schoolexamens. Wij steunen haar daarin dan ook van harte. Zij was ook helder over het gemiddelde van de cijfers voor het centraal examen. Wij steunen haar daar ook in.

De staatssecretaris was vaag over Nederlands, Engels en wiskunde. Toen wij haar vroegen hoe wij de kwaliteit van Nederlands en wiskunde, dus de inhoud van wat getest wordt, kunnen vergroten, beloofde zij daarop in tweede termijn terug te komen. Wij krijgen dat antwoord waarschijnlijk zo meteen, maar zij kon in eerste termijn niet aantonen wat er de afgelopen tijd aantoonbaar is verbeterd, opdat wij de cijfers kunnen gebruiken als indicatie. Dat stelt mij echt teleur. Ja, wij willen voor de drie vakken graag een voldoende; dat willen wij. Het niveau van wat er geleerd wordt, is echter niet op peil. Dat peil moet verhoogd worden. De staatssecretaris zegt dat dit tegelijkertijd kan. Wij kunnen het op twee zessen en een vijf kunnen zetten en tegelijkertijd de kwaliteit verbeteren. Als de staatssecretaris echter zelfs nu niet kan zeggen wat haar inspanningen, in kwalitatieve zijn, in de afgelopen tijd zijn geweest, dan heb ik daar niet alle vertrouwen in. Wij moeten wel weten wat wij aan het afrekenen zijn en ik wil daarop in tweede termijn graag een duidelijk antwoord.

De voorzitter: Tot zover de tweede termijn van de Kamer. In het Antilliaans Dagblad las ik dat men er zeer tevreden over was dat een woordvoerder voor Nederlands-Arubaanse en Antilliaanse Zaken voorzitter was geworden van deze commissie. Voor het onderwijs, zeker op de BES-eilanden, was dat een groot voordeel, zo las ik. In dat verband kan ik natuurlijk niet ongezegd laten dat wij in Willemstad geen ambassade hebben. Wij spreken binnen het Koninkrijk slechts van een Nederlandse Vertegenwoordiger. Die heeft overigens wel een eigen pand, met een grote tuin waarin je een tent kunt plaatsen.

Mevrouw Besselink (PvdA): Om examen in te doen.

De voorzitter: Inderdaad, om examen in te doen. Dat advies geef ik de staatssecretaris nog even mee.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. De heer Van der Ham is in de war als hij mij vaag noemt. Ik ben heel helder geweest. Dat ben ik in mijn brief al geweest. Ik zeg daarin het nodige over Nederlands en over wiskunde. Ik zeg hier alleen niet wat hij suggereert, namelijk dat onze examens op dit moment niet op orde zouden zijn. Wij hebben tot op heden heel redelijke examens gehad, maar je bent continu bezig met een proces van kwaliteitsslag naar kwaliteitsslag. Voor Nederlands en wiskunde vindt dat proces momenteel heel concreet plaats. Wij hebben dat proces ook gehad met Grieks en Latijn en onlangs, in relatie tot de Europese normen, met Frans en Duits. Ik wil de scholen niet met het idee belasten dat zij op dit moment geen goede examens zouden afnemen.

Spelling en grammatica worden opgenomen in de referentieniveaus van de examenprogramma’s. Spelling zit in het referentieniveau taal. Grammatica is op dit moment nog beperkt, maar naar aanleiding van de veldraadplegingen wordt daar nog eens naar gekeken. Zoals ik in de brief al aangaf, zullen wij deze aspecten meenemen naar aanleiding van de referentieniveau’s van de commissie-Meijerink. Dat is dus klip-en-klaar. Mevrouw Besselink heeft gelijk; ik stel de examenprogramma’s uiteindelijk zelf vast. Zij heeft daarvoor zeer gepleit bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake het College voor examens. Wij gaan na de raadpleging heel direct met de scholen aan de slag met de referentieniveaus voor rekenen en taal. Wij gaan daarmee aan de slag en deze accenten, die voortkomen uit het advies van de commissie-Meijerink en uit de raadplegingen, krijgen nu een scherpere positie. Dat was de concrete vraag van de heer Van Dijk.

Voordat ik verderga, dank ik de sprekers voor de brede steun die ik hier ervaar. Wij willen met elkaar een kwaliteitsslag maken. De een plaatst een paar kanttekeningen, de andere iets meer. Het is een stevige stap die wij met elkaar zetten. Zoals de heer Pechtold mij de afgelopen maanden steeds voorgehouden heeft: het gaat om een zeer belangrijke en urgente stap.

Houden wij bij de examens goed in de gaten hoe een en ander verloopt? Die vraag leeft met name bij de heer Dibi, de heer De Vries en de heer Slob. Er zal natuurlijk een goede monitor plaatsvinden en wij zullen heel goed bekijken hoe het uitwerkt. Wij hebben veel in beeld, maar het magische anticiperend vermogen van onze jongeren zal zijn eigen effect hebben. Wij gaan heel goed naar het effect kijken, daarop kan de Kamer rekenen.

De heer De Vries zegt dat er in de verhouding tussen schoolexamen en centraal examen uitzonderingssituaties kunnen zijn. De inspectie mag bij mij langskomen als zij een heel bijzondere situatie is tegengekomen. De hoofdlijn is echter dat het verschil niet te groot moet zijn, omdat dat de civiele waarde van het diploma en het maatschappelijke vertrouwen erin, aantast. Uit peilingen onder burgers blijkt dat zij het echt belangrijk vinden dat dit goed op orde is. Ik zal mijn ogen niet sluiten voor de uitzondering die met een heel goed verhaal komt, maar dan moet ik dat verhaal eerst horen. Ik ben het met de Kamer eens dat het gaat om ambitie en vertrouwen. Als de zakgrens iets omhooggaat – dat zal misschien wel het geval zijn – dan is dat het uiteindelijk waard, omdat wij de kwaliteit en de waarde van het diploma stevig overeind willen houden. Dat is de werkelijkheid waarvoor wij staan en dat kan teleurstelling opleveren voor jongeren. Ik hoop voor die jongeren dat zij op een gemotiveerde school zitten, met extra support in de rug, zodat zij óf het examen de keer erna halen, óf zo goed voorbereid zijn dat zij het toch redden, ondanks het feit dat zij meer problemen hadden met een vak.

Ik ben het eens met de opmerking van mevrouw Dezentjé, die steun vraagt voor de ketenbenadering. Het is inderdaad een heel verhaal en dit is het sluitstuk. Het is uiteindelijk een afronding van wat je terugkijkend aan het doen bent.

Mevrouw Dezentjé vraagt of ik nader wil informeren naar de stand van zaken rond Engels op de basisschool. Zij brengt dat punt vaker op tafel, maar het hoort echt thuis bij staatssecretaris Dijksma. Die heeft er al vaker een uitspraak over gedaan. Zij zegt dat wat betreft verplichting in het basisonderwijs, de focus is op rekenen en taal. Het is aan het voortgezet onderwijs om met het niveau van Engels verder te gaan en een eigen traject te gaan. Zo zit het zolang het niet verplicht is op de basisschool.

In de discussie over Nederlands bij aardrijkskunde en geschiedenis wil ik aansluiten bij wat de heer Van Dijk naar voren bracht, namelijk dat de scholen daar ruimte geboden moet worden.

De heer Slob en mevrouw Besselink brengen nog eens hun zorg over bepaalde groepen onder de aandacht. Juist de laatste jaren is op dit vlak veel gebeurd. Dat zal effect hebben op de bestaande examens, die voor de jongeren vaak al pittig zijn, en zeker ook op deze examens. Ik wil wel, in gesprek met de VO-raad, bij de uitwerking bekijken of er meer nodig is op dit vlak, om eventuele problemen over twee jaar goed te kunnen ondervangen. Ik zal dat zeker doen. Op dit moment zou ik het echter niet weten, zonder hele groepen te gaan uitzonderen, waarmee je die groepen deels ook diskwalificeert. Het zit hem vooral in goede randvoorwaarden om jongeren die de intelligentie hebben om het te kunnen, maar die een handicap hebben, toch in staat te stellen om het examen te doen.

Ik ben mij bewust van het feit dat het voor allochtone jongeren een slagje pittiger wordt. Als wij het echter hier niet doen, dan komen zij de problemen tegen als zij na een jaar van de pabo af moeten. Dat is ook buitengewoon demotiverend. Wij moeten vanaf de vve tot aan het examen voortgezet onderwijs, alle inspanningen doen die wij op dit moment doen. Mevrouw Dezentjé sprak daar al over.

GroenLinks vraagt, naast de monitor die ik al heb toegezegd, of de Kamer geïnformeerd zal worden over de mogelijke leerwinst van het inspectiekader. Dat spreekt vanzelf; dat doe ik graag. Ik zou dat kunnen doen bij het debat over het rapport van de inspectie. Het zou kunnen dat wij concluderen dat het evenwicht perfect is, met alle plussen en minnen. Iets weghalen heeft altijd weer een ander effect. Ik zal er in ieder geval naar kijken. Als ik eruit ben met de inspectie, zal ik de Kamer informeren.

Mevrouw Besselink vroeg naar de taakuren. Natuurlijk, het is een gesprek tussen de VO-raad en de AOb. Ik vind het iets te gemakkelijk om te zeggen: kom maar langs als je problemen hebt. Daarvoor hebben zij er net even te veel belang bij. Het is overigens niets nieuws. Het is een herbevestiging van wat er vroeger gebeurde. Het is er een beetje bij ingeschoten en wij gaan het nu gewoon weer doen. Het correctiewerk zit in de taakuren en het is aan de school om samen met de docenten te bekijken hoe het moet. Ik ben niet onmiddellijk bereid om mijn beurs te trekken als de VO-raad en de AOb langskomen. Nogmaals, het belang is voor beide net even te groot. Het is namelijk altijd fijn als je er geld bij krijgt.

De heer Van Dijk merkte op dat interventie bij individuele scholen goed is, maar dat ik met het centraal examen intervenieer op alle scholen. De aanpassing van de eisen bij het centraal examen is geen sanctiemaatregel, maar het herstellen van een weeffout. Het is echt te gek dat je met allemaal onvoldoendes zou kunnen slagen, maar het gebeurt.

Mij is gevraagd om de wiskundeleraren extra uren te geven. Een belangrijk deel van de Kamer vindt juist dat ik helemaal niet over de uren mag gaan. Het is echt aan de scholen. Ik stel het totaal aantal uren vast en daarover gaan wij discussiëren. Het is aan de scholen om te bepalen waar zij de accenten willen leggen. Het is al een heel oude discussie dat vakgroepen meer uren willen hebben. De ene vakgroep is daar wat assertiever in dan de andere. Als wij echter meer uren aan wiskunde zouden geven, dan zou vervolgens Nederlands op de stoep staan. De Kamer heeft dat meegemaakt bij de vernieuwde tweede fase. Dat bleek een onmogelijke afweging. Wij hebben toen een commissie ingesteld, wier rapport in een la is verdwenen.

Mag het Vespucci College een uitzonderingsschool zijn? De uitzonderingsschool op de Wadden is echt een heel ander soort uitzonderingsschool. De Wadden liggen op Nederlands grondgebied. De school op de Wadden is een uitzonderingsschool omdat hij onder de stichtingsnorm en onder de instandhoudingsnorm mag zitten. Dat is een heel ander type uitzondering. Wat betreft het Vespucci College wil ik natuurlijk niemand op kosten jagen. Ik wil voorkomen dat de eindexamenkandidaten naar de staatsexamencommissie in Amsterdam moeten, want dat is wel heel ver weg. Kleine vluchten tussen de eilanden zijn vrij regulier op de Antillen. De BES-eilanden worden binnenkort Nederlandse gemeenten en dus Nederlands grondgebied. Ik zal proberen het Vespucci College in het kader van de Wet op het voortgezet onderwijs te voorzien vanaf dat grondgebied. Ambassades zijn geen Nederlands grondgebied en daarop kunnen dus geen examens afgenomen worden.

De heer Jasper van Dijk (SP): De staatssecretaris zegt volop bezig te zijn met spelling en grammatica. Zij kijkt naar referentieniveaus en gaat het veld raadplegen. De kern van mijn vraag was echter: zegt de staatssecretaris dat spelling en grammatica natuurlijk een rol spelen bij het eindexamen, of zegt zij dat zij het nog eens even precies wil uitzoeken?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Natuurlijk.

De heer Van der Ham (D66): Kan de staatssecretaris ons dan in ieder geval wat betreft wiskunde en wat betreft grammatica en spelling nader informeren over de manier waarop zij in de komende twee jaar de eisen in kwalitatieve zin wil verhogen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Van der Ham wordt op zijn wenken bediend, want hij krijgt een brief over de manier waarop wij taal en rekenen gaan implementeren.

De heer Van der Ham (D66): Met een tijdspanne daarin?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik zou niet durven te komen met een brief zonder tijdspanne.

De heer Slob (ChristenUnie): Wil de staatssecretaris mij een brief toezeggen waarin zij een nadere onderbouwing geeft van de mogelijke effecten van de aanpassing van de exameneisen voor de specifieke doelgroepen die ik genoemd heb, namelijk de allochtonen en de zorgleerlingen, maar waarin zij vooral aangeeft wat de inzet is om ongewenste effecten te voorkomen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik vind een brief wat ver gaan. Ik heb toegezegd dat ik met het vo-veld zal overleggen over dit onderwerp. Ik heb ook gezegd dat wij eerlijk tegen onszelf moeten zijn. Het kan voor een aantal allochtone leerlingen inderdaad lastiger worden om de examens te halen. Dat is de werkelijkheid, maar ik vind het «over all»-verhaal veel interessanter. Ik heb het over de investering die wij de komende jaren doen in taal en rekenen en vooral in het Nederlands. Die investeringen zijn al volop gaande; dat zie ik op scholen die ik bezoek. De inzet moet zijn om alles eruit te halen wat erin zit. Ik zeg dus toe dat ik hierover met het vo-veld overleg zal hebben. Mochten uit dat overleg maatregelen en belangrijke zaken voortkomen, dan zal ik de Kamer daarover informeren.

De heer Slob (ChristenUnie): De staatssecretaris zegt dat wij eerlijk tegen onszelf moeten zijn, maar dan moeten wij uit volle overtuiging kunnen instemmen met wat zij voorstaat. Op dit punt aarzel ik toch en ik wil mijn eigen verantwoordelijkheid daarin serieus nemen. Die wil ik niet bij anderen neerleggen, vandaar mijn verzoek. Als het niet op deze manier kan, moeten wij misschien in een VAO om een uitspraak van de Kamer vragen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Laat ik het volgende afspreken met de heer Slob. Ik zal met het onderwijsveld spreken over deze twee aspecten en ik informeer de Kamer daar nader over.

De heer Dibi (GroenLinks): Het lijkt alsof de staatssecretaris de zaken, zodra het een beetje moeilijk wordt, van zich wil afschuiven. Deze maatregel kan grote effecten hebben voor bepaalde doelgroepen. Alleen maar praten met het veld en dan terugkomen met wat het veld zegt, is niet voldoende. Kan de staatssecretaris iets meer in onze richting bewegen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ook ik kan niet in een glazen bol kijken. Bovendien moet een aantal zaken zijn effect nog laten zien. Daarom heb ik een goede monitor toegezegd. Ik ben echt niet zo dat ik het van mij afschuif. Ik had dit ook rustig kunnen laten liggen; dan is het leven veel gemakkelijker. Ik heb het naar mij toegetrokken omdat ik vond dat wij de ambitie moeten hebben. Ik loop ook niet weg van het feit dat het voor bepaalde groepen kwetsbaar kan zijn. Juist die groepen lopen nu vast. Ik heb het niet over de zorgleerlingen, maar over de leerlingen met een taalachterstand. Die hebben in het hoger onderwijs een buitengewoon probleem en dat wil ik wel onder ogen zien. Dat is mijn taak. Daarom ga ik in gesprek over de hulpmiddelen en zal ik bezien of ik de effecten voor de allochtone leerlingen beter in beeld kan krijgen. Ik denk dat de zorg die op dat punt bestaat, deels terecht is. Wij kunnen echter niet warm en koud tegelijk blazen.

Toezeggingen

– De technische uitwerking van de voorgestelde maatregelen inzake de slaag/zakregeling zal, na overleg met het veld, worden opgenomen in een AMvB die aan de Kamer zal worden voorgehangen.

– De maatregelen inzake het verminderen van grote verschillen tussen schoolexamen en centraal examen, de zogenaamde escalatieladder, zullen in een voorhang-AMvB aan de Kamer worden voorgelegd.

– De Kamer zal via een monitor op de hoogte worden gehouden van de mogelijke effecten van de maatregelen inzake de slaag/zakregeling.

– De Kamer wordt geïnformeerd over het inspectiekader inzake leerwinst.

– De Kamer ontvangt een brief inzake maatregelen voor taal en rekenen.

– De staatssecretaris overlegt met het veld over effecten voor specifieke doelgroepen en zal de Kamer daarover informeren.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De voorzitter van de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken,

Van Beek

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van Bochove (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Van Dijken (PvdA), Elias (VVD), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Timmer (PvdA), Thieme (PvdD), Halsema (GroenLinks) en Gerkens (SP).

XNoot
2

Samenstelling:

Van Beek (VVD), voorzitter, Van Gent (GroenLinks), Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Blok (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Remkes (VVD), Van Bochove (CDA), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), ondervoorzitter, Van Hijum (CDA), Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Gill’ard (PvdA), Lempens (SP), Ouwehand (PvdD), Kuiken (PvdA) en De Rouwe (CDA).

Plv. leden: Ten Broeke (VVD), Halsema (GroenLinks), Van Leeuwen (SP), Van der Vlies (SGP), Zijlstra (VVD), Wolbert (PvdA), Weekers (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Poppe (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Spekman (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Graus (PVV), Koşer Kaya (D66), Bouchibti (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD) en Kalma (PvdA).