Kamerstuk 29815-188

Verslag van een algemeen overleg

Jeugdzorg 2005-2008


29 815
Jeugdzorg 2005–2008

nr. 188
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 mei 2009

De algemene commissie voor Jeugd en Gezin1 heeft op 8 april 2009 overleg gevoerd met viceminister-president, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin over:

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 24 december 2008 over het Landelijke Beleidskader Jeugdzorg 2009–2012 en de Voortgangsrapportage jeugdzorg 2008 (29 815, nr. 181);

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 16 januari 2009 over het Jaarwerkprogramma 2009 van de Inspectie jeugdzorg (31 839, nr. 1);

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 16 december 2008 met de beantwoording van vragen van de commissie inzake de diversiteit in het jeugdbeleid (31 001, nr. 60);

– de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 5 maart 2009 over de Evaluatie Wet op de jeugdzorg (29 815, nr. 184).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Heijnen Griffier: Sjerp

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik heet eenieder van harte welkom. In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Jeugd en Gezin is voorzien dat wij een andere keer over wachtlijsten en financiering spreken en dat wij nu eigenlijk een soort verzameloverleg hebben over de andere aspecten die jeugdzorg betreffen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik wil vandaag allereerst de vraag aan de orde stellen of de kinderen van de Staat zijn. Dit kabinet bemoeit zich namelijk steeds indringender met het privéleven van kinderen en hun ouders, in het bijzonder met de manier waarop ouders hun kinderen opvoeden. Het elektronisch kinddossier, de verwijsindex risicojongeren en het ouderschapsplan zijn kenmerkend voor deze verontrustende trend onder het vierde kabinet-Balkenende. Gisteren kopte Trouw dat er een privacywegwijzer moet komen voor professionals omdat zij schromen om informatie met collega’s te delen. In het programma Met het oog op morgen kwam aan de orde dat zelfs dierenartsen ingeschakeld moeten worden om kindermishandeling te signaleren. Wij zijn zo bezig met institutionaliseren dat niemand zich nog geroepen voelt of zal voelen om een misstand aan te kaarten. Want daar zijn toch de professionals voor? Wat is er mis met onze burgerplicht? En dit alles onder het mom van preventie of verminderen van problemen. Ouders moeten waslijsten met vragen invullen en bij een scheiding moeten zij ook nog een ouderschapsplan voor de scheiding opstellen. De Staat als de ouder van alle ingezetenen. Kinderen en jongeren moeten extra gecontroleerd worden. Geholpen door steeds verdergaande technische mogelijkheden verzamelt dit kabinet op steeds meer terreinen gegevens. Deze worden opgeslagen, gekoppeld en uitgewisseld, Meer hulpverleners uit meer verschillende sectoren krijgen inzicht in meer informatie. Als wij doorgaan in onze geestdrift om alles te institutionaliseren en op te slaan, creëren wij een samenleving die zich nergens meer verantwoordelijk voor voelt. Iedere hulpverlener zal deze informatie vanuit zijn of haar eigen betrokkenheid bij het kind interpreteren en op basis hiervan een risicoprofiel van het kind maken, uit angst voor represailles. En voilà, de verwijsindex is zo vol, maar de problemen hebben wij dan niet opgelost. Sterker, wij hebben er meerdere bij gecreëerd. De privacy van de ouders en hun kind wordt vergeten door een overheid die haar eigen grenzen niet meer kent. Erger, de overheid neemt steeds meer de plaats van de ouders in en introduceert daarmee ook allerlei nieuwe bevoegdheden. Dat maakt ouders en kinderen niet alleen kwetsbaar maar maakt ze bovendien afhankelijk van de overheid. Door databases met informatie van artsen, scholen, jeugdhulpverleners en consultatiebureaus te koppelen, ontstaan ketens van informatie die burgers steeds kwetsbaarder en afhankelijker maken. Als je maar genoeg gegevens bijeenvoegt, is er voor iedere ongeruste hulpverlener wel iets te vinden.

De uitzending van Netwerk toont dat precies aan. Te snel wordt een negatief stempel op ouders gedrukt waardoor zij ook op zoek gaan naar oplossingen. Tegelijkertijd laat deze uitzending zien dat welke regel je ook maakt, diegene die terecht onder toezicht van de Nederlandse jeugdzorg zijn geplaatst, hier heel gemakkelijk onderuit kunnen komen door naar een ander land te verhuizen. In dit licht zie ik ook de roep van ouders en grootouders over de omgang met uit huis geplaatste kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden zonder enige vorm van onderzoek of een machtiging van de kinderrechter met politiegeweld uit huis gehaald, zo wordt ons aangegeven. Ouders mogen vaak wekenlang hun meegenomen kind niet zien, ook ouders van wie niet vaststaat dat ze hun kind mishandelen. Kinderen moeten bij gebrek aan plekken in tehuizen en pleeggezinnen vaak verschillende keren verhuizen. Behandeling laat op zich wachten en broertjes en zusjes worden uit elkaar gehaald.

Het roer moet om. Wij mogen het principe dat kinderen en jongeren zich moeten kunnen ontwikkelen als onafhankelijk denkende volwassenen die straks primair verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen, niet loslaten. Tot die tijd zijn de ouders de eerste opvoeders. Ik wil geen samenleving die steeds meer afhankelijk wordt van de Staat. Daarom moeten wij eerst de principiële vraag stellen van wie het kind nu eigenlijk is voordat wij de problemen met onveilige en ontspoorde kinderen en jongeren kunnen oplossen. Pas dan kan de overheid goede randvoorwaarden scheppen en hulp bieden aan de ouders en kinderen die het echt nodig hebben. Tijd dus om elkaar eens goed aan te kijken en deze ontwikkelingen goed te bezien en de grenzen aan te geven. Het kind is niet van de Staat. Het kind is ook niet van de ouders maar zij hebben wel de primaire verantwoordelijkheid. Deze minister heeft een andere mening, zo lijkt het wel. Als alle gegevens van de kinderen worden opgeslagen, zal volgens deze minister de Staat drama’s zoals de dood van Savanna of het Maasmeisje kunnen voorkomen. Omdat de instanties in jeugdzorgland veel langs elkaar heen werken, moeten de Centra voor Jeugd en Gezin uitkomst bieden. Maar zolang zes ministers, vijf departementen en alle provincies over jeugdzorg gaan, zal er niets opgelost worden. Het oerwoud aan regels en instanties zal alleen maar toenemen en de professional zal door de bemoeizucht van de Staat door de bomen het bos niet meer zien. Minister los dit op, want daar ligt de meerwaarde van uw ministerie!

Over de wachtlijsten zal ik bij het volgende overleg komen te spreken. Ik begrijp overigens dat er op dit moment niet voldoende steun is voor een parlementair onderzoek over dit onderwerp. Er lopen allemaal onderzoeken ten aanzien van delen van jeugdzorg. De Algemene Rekenkamer kan kijken naar de samenhang van de jeugd-ggz, de jeugdzorg en de ggd, waarbij zij de financiële lijnen goed bestudeert om na te gaan of het beleid effect heeft. Ik zou dan ook willen voorstellen om daar onderzoek naar te doen, zodat wij ook de wachtlijsten en de indicering goed in beeld hebben.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Zoals u weet evalueren wij eind van dit jaar de Wet op de jeugdzorg. Ik heb het bestek goed bestudeerd en er staat in dat wij spreken over de waarde van de provincie als verantwoordelijke bestuurslaag, de aansluiting tussen landelijke, provinciale en lokale jeugdzorg, de continuïteit van het gezin, het bestaan van wachtlijsten en de evaluatie van de werking van de bekostigingssystematiek. Dit gebeurt eind 2009. Ik heb uit de krant vernomen dat verschillende partijen voor een parlementair onderzoek zijn. Ik denk evenwel dat wij beter kunnen gaan voor de inhoud dan voor de vorm. Wat is volgens mevrouw Koşer Kaya de toegevoegde waarde van zo’n parlementair onderzoek, met name voor de mensen in het veld?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Er zijn steeds meer problemen in de jeugdzorg. Wekelijks lezen wij erover en zien wij het in de media. Pasklare antwoorden hebben wij hier ook niet altijd. Tegelijkertijd is de behoefte om te kijken waar het nu precies fout gaat, heel erg groot. Er zijn wel onderzoeken op onderdelen maar daarmee komen wij er niet. Ik denk dat er uiteindelijk een parlementair onderzoek nodig zal zijn. Omdat ik evenwel besef dat daar op dit moment geen politiek draagvlak voor is – ik weet hoe de coalitie hierover denkt – doe ik de suggestie om de Rekenkamer een onderzoek te laten doen, zodat snel en objectief de problemen boven tafel kunnen komen. Op die manier kunnen wij integraal bekijken hoe de verschillende deelterreinen binnen jeugdzorgland zich tot elkaar verhouden en hoe effectief het geld uiteindelijk besteed wordt. En dat kan vrij snel.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik was een beetje verbaasd dat het verzoek om een parlementair onderzoek ons via de Volkskrant moest bereiken. Ik vraag mij af waar u uit afleidt dat wij überhaupt niet zouden willen onderzoeken. Heeft u wellicht ook nagevraagd bij de ARK op welke termijn zij dat onderzoek zou kunnen doen? De JSF zou pas eind dit jaar, begin volgend jaar door de ARK onderzocht kunnen worden. Wat vindt u overigens van het voorstel om de evaluatie zoals die vandaag op tafel ligt, inclusief de daarin opgenomen vraagstelling, te laten onderzoeken door ons eigen onderzoeksbureau BOR, teneinde na te gaan welke witte vlekken er nog in zitten? Ik denk dat wij met elkaar de zorg delen over de gang van zaken in de jeugdzorg. Wij worden allemaal bestookt met brieven hierover. Ik zou graag van u horen of u met een dergelijk onderzoek kunt instemmen. Dat kan namelijk op kortere termijn dan een ARK-onderzoek.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik neem met blijdschap uw vraag in ontvangst. Het verzoek om een parlementair onderzoek is overigens niet nieuw. Dat is eerder gedaan door de heer Dibi. Eerder heeft de oppositie aangegeven dat het goed zou zijn om dat onderzoek te doen. Tegelijkertijd weten wij dat dit heel lang op zich kan laten wachten en dat het heel veel voeten in aarde heeft. Uw voorstel wil ik met alle plezier omarmen als dat tegemoetkomt aan de inzet die ik heb verwoord in mijn inbreng, zodat echt breed wordt nagegaan waar de problemen precies zitten, waarbij ook goed wordt gekeken naar de onderzoeken die op verschillende onderdelen zijn gedaan. Ook zal dan nagegaan moeten worden hoe effectief het geld besteed wordt dat wij in de jeugdzorg stoppen. Pas dan komen echt de blinde vlekken boven tafel.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik blijf het toch raar vinden dat er via de Volkskrant opnieuw wordt gevraagd om een parlementair onderzoek terwijl u nu zelf aangeeft dat u ook wel ziet dat dit op de korte termijn niet het meest haalbare is. Ik ben blij dat u met ons deelt dat het BOR een goede wittevlekkentoets zou kunnen doen ten aanzien van het voorstel dat nu richting BMC is gegaan. Ik wil verder het verwijt van mij werpen dat wij niet geïnteresseerd zouden zijn in de financieringsvraag. Sterker nog, op verzoek van mevrouw Dezentjé Hamming en mij wordt nagegaan hoe het met de financiën zit rond de MOgroep, met name richting de zorgaanbieders. Dus volgens mij moeten wij niet doen alsof wij hier tegenover elkaar staan; wij staan hier samen voor de klus om te zorgen dat elk kind de zorg krijgt waar het recht op heeft. Deelt u dat?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Juist omdat ik uw vraag omarmde, gaf ik daarmee aan dat ik helemaal niet een afstand probeer te creëren tussen oppositie en coalitie. Sterker nog, onze roep naar een parlementair onderzoek is niet onbekend geweest. Mijn eerdere verzoek om een onderzoek door de ARK vanwege de financiële effecten is ook niet onbekend bij u geweest. Of het nu de ARK of het BOR is, het gaat erom dat onderzocht wordt waar de blinde vlekken kunnen zitten en dat naar de financiële effecten wordt gekeken. Ik hoop dat u samen met mij optrekt om dat te bereiken.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ook ik heb even in spanning afgewacht of de voltallige oppositie mij zou benaderen, maar dat is helaas nog niet gebeurd. Misschien gebeurt het vandaag. Wat betreft die voltallige oppositie mis ik nu overigens de SGP.

Met betrekking tot de behoefte aan onderzoeken het volgende. In eerste instantie hebben wij zelf een onderzoek laten uitvoeren door het OVB. Dat heeft toentertijd het een en ander opgeleverd. Het leek het OVB voldoende om eerst de resultaten van de toen nog lopende onderzoeken af te wachten. Ik ben het met u eens waar u zegt dat er zo veel onderzoeken lopen dat het overzicht langzamerhand ontbreekt. In mijn bijdrage zal ik de minister dan ook vragen om een goed overzicht te geven van de onderzoeken die lopen, waar achterstanden zijn met betrekking tot ambities van deze minister en hoe hij denkt de knelpunten op te lossen. Op die manier heeft u helemaal geen parlementair onderzoek of een onderzoek door de ARK nodig. Wij kunnen dat gewoon aan de minister vragen. Bent u dat met mij eens?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb geen behoefte aan een soort uitleg van welke onderzoeken er allemaal worden uitgevoerd. Ik heb in mijn bijdrage heel duidelijk gewezen op het belang om de samenhang van de jeugd-ggz, de jeugdzorg en de ggd onder de loep te nemen. Ook is het van belang na te gaan hoe de indicatiestelling vanuit diverse onderdelen verloopt en of het geld conform de gewenste wijze en effectief wordt besteed. Ik heb behoefte aan een onderzoek hiernaar. De onderzoeken die op deelterreinen hebben plaatsgevonden geven daarin onvoldoende inzicht. Vandaar mijn oproep om de Rekenkamer er naar te laten kijken. Als het BOR ook in staat is om een soortgelijk onderzoek te doen, dan vind ik het best, als wij maar die blinde vlekken boven tafel krijgen en de effectiviteit getoetst wordt.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dan moet ik de verwachtingen toch een beetje temperen. Het BOR kan wel veel, maar niet alles wat mevrouw Koşer Kaya vraagt.

De voorzitter: U weet dat als wij als Kamercommissie richting BOR iets zouden willen, wij daarover in een procedurevergadering nader met elkaar moeten overleggen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Precies. Dan heb ik nog een vraag aan mevrouw Koşer Kaya over de financieringssystematiek. Zij wil vooral naar achteren kijken om na te gaan hoe het incidentele geld is weggezet. Wij weten dat dit ten voordele van de kinderen is gebruikt. In de tussenliggende tijd hebben wij de commissie-Kaiser aan het werk gezien die zich richt op een financieringsstelsel ter zake. De voorzitter: Zoals in de procedurevergadering afgesproken, gaan wij het volgende week daarover hebben. Ik geef mevrouw Koş

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Mijn pleidooi is om niet angstig te zijn. Laten wij als commissie voor Jeugd en Gezin de handen in elkaar slaan en laten wij nu eindelijk eens een breder en samenhangend onderzoek doen. Wij moeten de partijpolitieke kleuren nu achterwege laten om de juiste hulp aan kinderen te bieden. Wat wij nu namelijk doen, is alleen maar institutionaliseren, waardoor wij niet de hulp bieden aan de kinderen die dat nodig hebben. Ik ben zo bang dat wij straks een samenleving hebben die zodanig geïnstitutionaliseerd is dat er niets meer overblijft van de eigen verantwoordelijkheid en het voor elkaar opkomen ten behoeve van kinderen.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Geconcludeerd kan worden dat er zich de laatste jaren in rap tempo veelbelovende ontwikkelingen voordoen in de professionalisering van de jeugdzorg. Terecht ligt in die ontwikkelingen de nadruk op de effectiviteit van de jeugdzorg. De activiteiten die nu in volle gang zijn, bieden hoop en perspectief voor al die ouders, kinderen en professionals in de jeugdzorg. De belangrijke vraag die ik mijzelf stel, is hoe wij de broodnodige kwaliteit een steun in de rug kunnen geven. Zoals de minister inmiddels weet, ben ik een trouw lezer van zijn toespraken. In de beantwoording van die belangrijke vraag schoot mij een uitspraak van de minister te binnen die hij januari vorig jaar deed tijdens het congres «Jeugdzorg in onderzoek». Daar zei hij onder meer het volgende: «De boodschap is volgens mij wel duidelijk. Samenwerken aan meer kennis over de jeugdsector is samenwerken aan de verbetering van dezelfde jeugdsector». Het is de minister vast niet ontgaan dat ook ik samen met mijn collega’s van D66, de VVD, de SP, de PVV, de Partij voor de Dieren en Trots op Nederland, behoefte heb aan meer kennis over de jeugdsector om deze te kunnen verbeteren.

De GroenLinks-fractie wil een einde maken aan de imagoschade van de jeugdzorg en wil van de jeugdzorg juist in deze tijden een aantrekkelijke werkplek voor professionals maken. Ik wil samen met de andere partijen een impuls geven aan de professionals om verder werk te maken van de effectiviteit en efficiëntie van hun werk. Maar dan is het wel tijd om elkaar eerlijk in de ogen te kijken en vast te stellen dat het niet gaat zoals oorspronkelijk bedoeld was. Verre van dat zelfs. Ik zal ingaan op drie punten en ik vraag de minister om in zijn beantwoording inhoudelijk op deze punten in te gaan.

Allereerst de transparantie in de jeugdzorg. Ik krijg nog steeds hoofdpijn, zelfs als hoogopgeleide jongere, als ik de stukken lees terwijl ik al twee jaar woordvoerder ben. Kengetallen over doelgroepen, betrouwbare productiecijfers zonder dubbeltellingen, goede doorstroomcijfers en cijfers over kostprijzen zijn niet beschikbaar, ondanks verwoede tijd- en geldrovende pogingen van de overheid door de jaren heen.

Ten tweede de samenhang in het beleid van de minister. Die is allesbehalve helder. Het BJG, het CJG, de ZAT, de jeugd-ggz, de jeugd-lvg, het is ieder voor zich en de een is aangestuurd door het Rijk, verschillende ministers en verschillende begrotingen, en de ander door provincies, stadsregio’s en gemeenten. Eerst was het de bedoeling dat het Bureau Jeugdzorg een eerstelijnsloket zou zijn, net als de huisarts. Nu indiceert een BJG globaal voor specialistische hulp en is er een nieuwe laag gecreëerd als eerstelijnsvoorziening, het Centrum voor Jeugd en Gezin. Daarnaast heb je nog de zorg- en adviesteams in het onderwijs en de jeugd-ggz en de jeugd-lvg. De verhoudingen tussen al die jeugdvoorzieningen zijn ondoorgrondelijk. Ook via de huisarts kan je verwezen worden naar de jeugd-ggz.

Minister Rouvoet: U heeft het over het BJG. Dat is een instantie die ik niet ken.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik moet eigenlijk ook helemaal geen afkorting gebruiken, aangezien ik ze zelf eigenlijk haat. Ik bedoel Bureau Jeugdzorg.

Minister Rouvoet: Dus het BJZ.

De heer Dibi (GroenLinks): Inderdaad, sorry. Ik ga klaarblijkelijk zelf nog in de fout als ik afkortingen gebruik. Ik bedoel dus inderdaad het BJZ.

Ten derde. De effectiviteit van de aanpak van wachtlijsten. Men weet wel, datgene waaraan de minister aan het eind van dit jaar zijn politieke lot heeft verbonden. Ik vraag mij nog steeds af in hoeverre de wachtlijstcijfers betrouwbaar genoeg zijn om er zo veel geld in te pompen. Waar wordt dat geld precies aan besteed? Hoeveel extra capaciteit is ermee geschapen?

De voorzitter: Dit is zonde van uw spreektijd, want de volgende week gaan wij het over de wachtlijsten hebben.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat begrijp ik. Dit is in het kader van het eindvoorstel dat ik in mijn inbreng ga doen.

Veel belangrijker: wat gebeurt er met de kinderen? Hoe effectief zijn de interventies en de behandelingen? Hoeveel interventies zijn er? Klopt het dat er meer dan 1000 interventies zijn, variërend van kort, lang, intensief, minder intensief, rijp en groen? Volgens deskundigen weten wij van nog geen 10% van alle jeugdinterventies in de jeugdzorg dat ze überhaupt werken. En dat van een praktijk waar jaarlijks zo’n 225 000 jongeren en hun ouders mee te maken krijgen, waar 25 000 professionals keihard werken en waar jaarlijks zo’n 1,5 mld. in omgaat. Dus is mijn vraag aan de minister: hoeveel jeugdinterventies werken er en heeft u daar cijfers over?

Om dit tij te keren, om de professionals een steun in de rug te geven, om kinderen en hun ouders recht te geven op goede zorg, om overheidsgeld zinvol te besteden, kortom om samen met de minister de jeugdzorg een voorbeeld te maken van hoe goed wij in Nederland de jeugdzorg regelen, is het tijd voor een van de mooiste instrumenten van het parlement. PvdA’ers Staf Depla en Paul Kalma stellen terecht dat het parlement op zijn krachtigst is als het niet bang is om maatschappelijke vraagstukken als deze bloot te leggen en te verbeteren en om ook kritisch naar het parlement zelf te kijken. Ik stel daarom namens de GroenLinks-fractie een parlementair onderzoek voor naar ons jeugdzorgstelsel waarbij wordt ingegaan op de drie eerdergenoemde punten. Ik hoor graag van de coalitie of zij bereid is de handreiking van de oppositie te aanvaarden om samen aan de slag te gaan.

De heer Voordewind kan ik nog zeggen, dat ik de SGP-fractie wel heb benaderd. De heer Van der Vlies was ook zo vriendelijk om persoonlijk naar mij toe te komen en uit te leggen waarom hij ons voorstel niet kan steunen. Ik heb ook heel veel respect voor de redenen die hij heeft gegeven. Dat neemt niet weg dat ik vind dat een parlementair onderzoek het beste middel is, omdat het ertoe zal leiden dat partijen hun partijpolitiek achter zich laten en zich committeren aan de aanbevelingen. Het BOR kan een onderzoek doen, maar dan gaan wij allemaal met elkaar steggelen over de vraag welke aanbevelingen wij wel of niet gaan overnemen.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Dat gebeurt bij een parlementair onderzoek ook, maar dit even terzijde. Mijn vraag aan u is waarom u uw tijd niet gebruikt om na te denken. Eind van het jaar wordt de wet geëvalueerd. Ik heb zo-even het rijtje al genoemd: effectiviteit, de wachtlijsten, de financiering et cetera. U heeft het altijd over een stelselwijziging of over een parlementair onderzoek. Laat dat parlementair onderzoek nu. Gebruik die tijd om na te denken. Als u dan toch met de minister wilt meedenken en u niet constant onderscheid wilt maken tussen oppositie en coalitie, gebruik dan de tijd om als GroenLinks-fractie na te denken over hoe het stelsel gewijzigd kan worden als dat nodig blijkt te zijn. U wilt alleen maar onderzoeken. U gaat het alleen maar om de vorm en niet om de inhoud. Eind van het jaar evalueren wij de wet. Daar heb ik mijn hoop op gevestigd. Dan kunnen wij als commissie kijken waar het niet goed gaat en waar het beter kan en waar de mensen nog een duwtje in de rug nodig hebben. U mekkert nu al een jaar.

De heer Dibi (GroenLinks): Hoe moeilijk het ook is om geduldig te blijven bij een onderzoek dat ons allemaal zo raakt, ik kan wel het geduld opbrengen om te wachten op die onderzoeken. Ik zal als de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg aan de orde is, aangeven hoe de GroenLinks-fractie aankijkt tegen die wet en of wij wel of niet een stelselwijziging voorstaan. Tot die tijd wil ik echter niet stilstaan. Ik denk namelijk dat er nog te veel onbekend is. Ik heb drie punten genoemd waarover ik mij heel erg veel zorgen maak. Ik heb dan nog niet eens onze zorgen geuit over de verantwoordingsdruk op professionals en over het Savanna-effect. Ook is de vraag relevant hoe andere landen hun jeugdzorgstelsel inrichten. Er zijn zo veel vragen die je kunt stellen. De reden waarom er zo veel onderzoeken zijn, is dat er nog heel veel onbekend is. Ik ben bereid om die onderzoeken af te wachten. Toch denk ik wel dat een parlementair onderzoek naar de jeugdzorg onvermijdelijk zal zijn. Misschien is dat nu niet haalbaar, maar op termijn misschien wel. Ik probeer mijn steentje bij te dragen.

Mevrouw Sterk (CDA): Als u dat zo zegt, lijkt het wel alsof u de uitkomst van de evaluatie al kent. U sluit eigenlijk niet uit dat er in de toekomst een parlementair onderzoek komt. Het lijkt mij veel redelijker om eerst de evaluatie af te wachten. Ik ga ervan uit dat als wij met elkaar die evaluatie goed aansturen, wij aan het eind van het jaar al een onderzoek hebben dat precies inzicht geeft in de knelpunten in de jeugdzorg en in de oplossingen die er moeten komen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik was heel aangenaam verrast toen ik hoorde dat mevrouw Sterke een aantal blinde vlekken wilde benoemen en dat zij graag wil nagaan of er in de aanloop naar de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg een aantal zaken nog toegevoegd kunnen worden. Ik hoop dat zij bereid is om de drie punten die ik heb genoemd, eraan toe te voegen. Dat zijn namelijk punten waar ik heel veel zorgen over heb. Dus ik wil best wel de handreiking van de coalitie accepteren, al wil mevrouw Sterk de handreiking van de oppositie niet accepteren. Ik weet helemaal niet wat er gaat gebeuren wat betreft de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. Wat ik wel weet, is dat er heel veel mis is. Het imago van de jeugdzorg lijdt onder al die berichten die ons constant bereiken. Willen wij dat tij keren, dan moet er misschien wel meer gebeuren.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De heer Dibi wordt op zijn wenken bediend. Als hij de instructie voor de BMC-evaluatie zou hebben gelezen, dan had hij gezien dat al zijn punten netjes worden meegenomen in die evaluatie. Dus nogmaals de oproep om het BMC-rapport af te wachten. Dan krijgt hij waarschijnlijk alle antwoorden op zijn vragen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb al gezegd dat ik eigenlijk niet kan wachten totdat alle uitkomsten van dat onderzoek er zijn. En toch is er veel meer aan de hand. Ik denk echt dat een parlementair onderzoek onvermijdelijk zal zijn op termijn. Ik hoop dat u bereid bent om de punten die vanuit de oppositie zijn aangedragen, serieus te nemen.

Mevrouw Langkamp (SP): Voorzitter. Onlangs zat ik met een groep jeugdhulpverleners op een zaterdag aan tafel. Wat mij opviel aan hun verhalen over hun dagelijkse praktijk, is dat er nagenoeg niets veranderd is sinds de komst van deze minister die toch alweer twee jaar in het zadel zit. Er gebeurt wel heel veel. Er wordt heel veel beleid ontwikkeld en er worden heel veel nieuwe plannen bedacht, maar in hun dagelijkse werk merken zij daar nog helemaal niets van. Ja, er wordt in de gezinsvoogdij inmiddels nagenoeg overal gewerkt volgens de Deltamethode. Deze minister zegt dan ook dat met deze methode gezinsvoogden nog maar 16% van hun tijd achter de computer zitten, maar niets is minder waar. Delta heeft namelijk zijn eigen bureaucratie, met hulpverleningsplannen die voorheen vier kantjes waren en nu oningevuld al zestien kantjes beslaan. Oftewel gezinsvoogden ervaren nog steeds dezelfde bureaucratiedruk of in sommige gevallen zelfs nog meer als gevolg van Delta. Van die bureaucratiedruk worden zij echt helemaal gek. Naast de lange wachtlijsten en de problemen om kinderen ergens ondergebracht te krijgen, is dit voor veel gezinsvoogden de belangrijkste reden om er mee te kappen en wat anders te gaan doen. Minister, wanneer gaan die mensen op de werkvloer nu eindelijk eens wat merken van uw ministerschap? Wanneer gaat u die bureaucratie nu eens echt aanpakken? Tijdens de behandeling van de begroting voor Jeugd en Gezin heeft de SP-fractie zes concrete voorstellen gedaan om op korte termijn die bureaucratie te verminderen, waaronder minder formulieren, korte formulieren, geen dubbel werk meer en geen overbodige controle. De minister reageerde enthousiast op die voorstellen en zou ze meenemen naar het overleg maar ik heb er verder niets meer over gehoord. Zijn onze voorstellen inmiddels besproken en hoe is daarop gereageerd? Wat wordt ermee gedaan?

In plaats van doorgeslagen controlegekte die veel te veel bureaucratie en managers met zich meebrengt, zouden wij de jeugdhulpverleners veel meer moeten vertrouwen. Want niet een systeem helpt mensen, mensen helpen mensen. Er moet permanent geïnvesteerd worden in kennis en deskundigheid van de jeugdhulpverleners die vervolgens maximaal de ruimte moeten krijgen om hun werk te doen. Controle kan dan achteraf plaatsvinden door een sterke inspectie en door middel van het tuchtrecht. Wanneer je de jeugdzorg echt wilt professionaliseren, dan zal je de jeugdhulpverleners eigenlijk wettelijk moeten registreren zoals dat ook bij maatschappelijk werkers is gebeurd. Dat zorgt voor een kwaliteitsborging. Jeugdhulpverleners hebben supervisie en permanente scholing nodig. Daarnaast is bij registratie ook het tuchtrecht automatisch verankerd. Is de minister bereid om te kijken of hij beroepsregistratie in de Wet op de jeugdzorg op kan nemen?

In de gesloten jeugdzorg zou er specifiek aandacht besteed moeten worden aan de opvang van slachtoffers van pooierboys ofwel mensenhandelaren. Kan de minister inzicht geven in het aantal meiden dat hier slachtoffer van is en dat bekend is bij de jeugdhulpverlening? Deze meiden zijn zich vaak niet bewust van het risico dat zij lopen en zij moeten ter bescherming van zichzelf vaak gesloten geplaatst worden. Deze meiden horen in ieder geval niet thuis in een jeugdgevangenis maar ook niet in de gesloten jeugdzorg. Daar zijn vaak ook jongensgroepen gehuisvest, hetgeen niet zo bevorderlijk is voor deze meiden. Hoe gaat de minister bevorderen dat er voor deze meiden aparte opvang komt? Er zijn ook nauwelijks organisaties die op vrijwillige basis hulp bieden aan deze meiden die te maken hebben met misbruikrelaties. Ambulante hulpverlening zoals van Pretty Woman in Utrecht, kan voorkomen dat deze meiden uiteindelijk opgesloten moeten worden. Is de minister bereid te stimuleren dat er meer ambulante begeleiding komt voor hen?

Dan het parlementair onderzoek. De gehele oppositie met uitzondering van de SGP-fractie maar inclusief een aantal leden van de PvdA-fractie, is voor een parlementair onderzoek naar het falende jeugdzorgbeleid. En, zo zeg ik tegen de MOgroep, dit is geen aanval op de jeugdhulpverleners, zoals wordt beweerd in een reactie. Integendeel, dit is juist een mogelijkheid om voor hen op te komen. Wij willen namelijk juist dat jeugdhulpverleners veel serieuzer worden genomen dan op dit moment gebeurt door alle bestuurders en managers in de jeugdzorg die blind zijn voor de gigantische problemen waar de jeugdhulpverleners dagelijks tegen aanlopen. De omstandigheden waaronder deze hulpverleners hun werk moeten doen, moeten echt drastisch worden veranderd. Zolang wij de jeugdzorg niet radicaal anders organiseren, komt veel geld niet terecht bij de hulp aan de kinderen die deze zo hard nodig hebben en blijft het dweilen met de kraan open. Ik begrijp dan ook werkelijk niet waar de coalitie zo bang voor is en waarom zij het tot nu toe gevoerde beleid zo heftig verdedigt en doet alsof er niets aan de hand is.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): In 2005 is de Wet op de jeugdzorg ingevoerd. Eind dit jaar wordt die geëvalueerd. Ik denk dat wij met elkaar hand in hand gaan als wij al die verbetertrajecten die zijn ingevoerd, dan kunnen evalueren. U zegt op te komen voor al die medewerkers, 23 000 in getal. Wat ik echter ook hoor van gezinsvoogden, is dat ze moe worden van de Kamer. De Kamer zorgt ook voor een negatief imago als zij het constant heeft over zaken die niet goed gaan in de jeugdzorg, terwijl er ook heel veel dingen goed gaan. Ik vind dat wij dat laatste ook moeten benoemen. Bent u dat met mij eens?

Mevrouw Langkamp (SP): Dat ben ik helemaal niet met u eens. De SP-fractie heeft al in 2005 gepleit voor een parlementair onderzoek, nog voordat de Wet op de jeugdzorg inging. Dus het heeft niet alleen met de Wet op de jeugdzorg te maken, ook daarvoor waren er al grote problemen in de jeugdzorg. U zegt dat het zo slecht is voor het imago dat de Kamer steeds over de problemen in de jeugdzorg spreekt. Moet ik hieruit begrijpen dat wij het als Kamer niet meer over die problemen mogen hebben? Oftewel, bent u er blind voor? Wij hebben het hier toch met z’n allen over die problemen? Natuurlijk worden er ook dingen benoemd die wel goed gaan en natuurlijk hebben wij daar ook oog voor, maar het is echt tijd om eens wat langer stil te staan, te reflecteren en te onderzoeken hoe het komt dat het niet lukt om er een goed lopende organisatie van te maken, ondanks de inspanningen van al die mensen die er echt het beste van willen maken.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Voorzitter. Wij staan inderdaad niet stil, wij gaan vooruit. Ik ben blij met alle verbetertrajecten en onderzoeken. Van de minister hoor ik graag wanneer de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg precies zal gaan plaatsvinden. Er lopen al verschillende onderzoeken maar het lijkt mij van belang om te komen tot een integrale visie. Ik heb hierover drie vragen die eventueel ook door de minister schriftelijk mogen worden beantwoord. Hoe verhouden de verschillende lopende onderzoeken en verbetertrajecten zich tot elkaar? Hoe verhouden de onderzoeken zich tot de evaluatie? Ik heb een lijst gemaakt met alle onderzoeken en verbetertrajecten en dat blijken er nogal wat te zijn. Hoe ziet de minister de voorbereiding op het kabinetsstandpunt in 2010? Ik wil wel dat wij als Kamer invloed hebben en dat wij kunnen sturen. Vandaar dat ik vraag om een uitgebreide brief zodat wij ons tussentijds kunnen uitspreken over een stelsel.

Jeugdhulpverleners worden geïntimideerd, bespuugd en geslagen. Er wordt op ze ingereden en ze worden met de dood bedreigd. Vooral het geweld tegen gezinsvoogden neemt toe. De MOgroep gaat zich inspannen om bestuurders werknemers nog explicieter te stimuleren om geweld te melden. Wij vinden dat geweld altijd gemeld moet worden. Er moet dus geen aangifteplicht maar een meldplicht zijn. Die meldplicht moet opgenomen worden in het landelijk agressieprotocol. Mij is bekend dat een en ander op dit moment ontwikkeld wordt en mijn vraag is wanneer het zal zijn afgerond. Op dit moment werkt namelijk niet ieder Bureau Jeugdzorg met zo’n protocol dan wel handelt elk Bureau Jeugdzorg op basis van een eigen protocol.

Verder moet er sprake zijn van een duidelijk aangiftebeleid. Als je nu als medewerker aangifte doet, betekent het dat je je huisadres moet opgeven. Dat is natuurlijk onacceptabel. Het gevolg kan namelijk zijn dat een vader of een moeder uiteindelijk bij de gezinsvoogd voor de deur staat. Al met al gaat het om de bedreiging. Guusje ter Horst neemt het op voor de buschauffeurs en de politieagenten. Ik vind dat de minister voor Jeugd en Gezin moet opkomen voor de meer dan 23 000 jeugdzorgmedewerkers.

Over veiligheid gesproken, ik heb begrepen dat als een jongere op een zitting gesloten jeugdzorg opgelegd wordt, het in de toekomst de taak van de gezinsvoogd is om die jongere naar zo’n gesloten instelling te brengen. Met andere woorden: zo’n gezinsvoogd rijdt in de auto met die jongere achterin of voorin. Ik kan mij voorstellen dat die jongere niet altijd even blij is en agressief kan worden. Sterker nog, ik heb begrepen dat het in de praktijk al is gebeurd. Hoe gaat dat vervoer geregeld worden?

Wij staan niet alleen voor de rechten van de medewerkers, van belang is ook dat de rechten van cliënten beschermd worden. Ouders en kinderen zijn niet rechteloos. Ik krijg veel klachten van ouders die zich rechteloos en machteloos voelen. Ouders weten of begrijpen de weg naar de klachtencommissie niet. In 2008 is op verzoek van de provincies Zuid-Holland en Utrecht en de regio Rotterdam een onderzoek gestart naar het functioneren van het klachtenrecht, de vertrouwenspersoon en de cliëntenraad. Dit onderzoek loopt nog, maar wij willen graag voor de begroting een analyse. Ik wil namelijk met het klachtenrecht aan de slag om te bezien hoe wij dat voor de ouders kunnen verbeteren. Collega Koşer Kaya sprak ook al over ouders die niet weten waar ze terechtkunnen, omdat ze het idee hebben dat hun kinderen zomaar uit huis worden geplaatst. Als wij hun positie kunnen versterken, kunnen wij dergelijke toestanden vermijden. Ze hebben gewoon recht op een goed functionerend klachtenrecht en op een heldere, eenvoudige klachtenprocedure bij een onafhankelijke instantie.

De voorzitter: Ik verzoek u nu af te ronden, want u bent ruim over uw spreektijd heen.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): In 2008 werden 50 742 verzoeken tot uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen gedaan. Rechters hebben heel weinig tijd om aan een zaak te besteden, hetgeen uiteraard niet goed is voor de behandeling van zeer complexe en intensieve zaken. De bezetting van de Raden voor de Kinderbescherming en de Bureaus Jeugdzorg is uitgebreid. Dat is ook de reden waarom het aantal verzoeken is toegenomen. Het aantal rechters is niet evenredig meegestegen. Ik heb ook begrepen dat er een tekort is aan vooral civiele kinderrechters. Ik verneem graag de stand van zaken op dit punt en zou ook graag zien dat de minister in dezen optrekt met zijn collega Hirsch Ballin.

Dan heb ik nog een laatste punt.

De voorzitter: Nee, het spijt me, want u bent echt ver over uw spreektijd heen gegaan. Wellicht dat de heer Dibi u nog een kans wil geven door u een vraag te stellen.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Als hij mij dan iets wil vragen over kinderen in een separeercel, heel graag.

De heer Dibi (GroenLinks): Het is heel moeilijk om niet in te gaan op het separeren van kinderen, dus u mag er van mij best iets over zeggen, maar mijn vraag ging over een aantal partijgenoten van u. Het artikel van de oppositie minus de SGP was een reactie op een artikel van de heren Kalma en Depla waarin zij aangeven dat de jeugdzorg wellicht wel een geschikt onderwerp is om een parlementair onderzoek naar te laten doen, dit in navolging van een andere prominente PvdA’er, wethouder Asscher, die ook voor een parlementair onderzoek naar de jeugdzorg is. Waarom steunt u uw partijgenoten niet?

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Ik begrijp uw vraag, maar ik ga niet over ideeën van wethouders van mijn partij. Iedereen mag het roepen, dat is ontzettend belangrijk. Daarover ga je ook in overleg. U zei het overigens precies goed: wellicht. Belangrijk is dat wij eerst de wet evalueren en dat wij met elkaar gaan bekijken wat beter kan en wat anders moet. Wij moeten nadenken over het stelsel, de financieringssystematiek en de effectiviteit. Vervolgens kunnen wij misschien tot elkaar komen. Tot die tijd zijn wij niet tegen een parlementair onderzoek om maar tegen zo’n onderzoek te zijn, maar er lopen al 21 onderzoeken en dat lijkt mij op dit moment voldoende. Wij moeten de mensen in het veld met rust laten. Laat ze al die verbeterplannen nu in de praktijk brengen. Laten wij vervolgens als Kamer met elkaar kijken hoe wij het zo kunnen wijzigen dat zij hun werk kunnen doen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik tel mijn zegeningen. Ik ben het voor het grootste gedeelte gewoon eens met u, maar volgens mij houdt u wel de mogelijkheid open dat na de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg een parlementair onderzoek plaatsvindt.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): U zoekt een stok om mee te slaan, maar de enige die au roepen zijn de mensen in het veld.

De heer Dibi (GroenLinks): Ziet u nu wel of niet dat het mogelijk is om in de toekomst een parlementair onderzoek te verrichten? Volgens mij zei u dat zo-even.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Ik heb gereageerd op wat u zei over mijn collega’s in de krant: misschien, wij sluiten het niet uit. Aan het eind van het jaar gaan wij de wet evalueren en dat is waar mijn fractie zich op gaat concentreren. Wat willen wij met onze jeugd, wat moet anders in het stelsel en hoe kunnen wij er als PvdA-fractie een bijdrage aan leveren?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): U sluit niets uit, maar in de tussentijd moet er wel wat gebeuren. Collega Sterk stelde mij de vraag over een onderzoek van de Algemene Rekenkamer om de blinde vlekken boven tafel te krijgen en inzicht te krijgen in de financiële effecten. Ik heb haar gezegd dat wij op dat punt gezamenlijk zouden kunnen optrekken. Sluit u zich daarbij aan om in ieder geval al een stap vooruit te kunnen zetten teneinde in samenhang naar het probleem te kunnen kijken, inclusief de financiële effectiviteit?

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Mijn fractie steunt het wittevlekkenonderzoek door het BOR.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Allereerst sluit ik mij aan bij de warme woorden die zijn uitgesproken richting alle jeugdzorgmedewerkers. Het lijkt mij persoonlijk een van de allermoeilijkste beroepen. Deze mensen moeten onder druk functioneren en staan vaak voor heel moeilijke beoordelingen. Dus niets dan lof voor de mensen die zich hiervoor inzetten.

Voordat ik inga op het beleidskader, hecht ik eraan te zeggen dat ik mij grote zorgen maak over de manier waarop wij de samenleving aan het problematiseren lijken te zijn. Ook ouders dringen er maar al te vaak op aan dat hun kind een etiket opgeplakt krijgen, waardoor het toegang heeft tot een potje. Ook de ouders dreigen dus geproblematiseerd te worden met allerlei vaak ingewikkelde vragen over de opvoeding. Dat kan het probleem in zich hebben van gezagserosie, in de zin dat wij uiteindelijk ook een stempel op ouders drukken dat zij de opvoeding helemaal niet meer aankunnen zonder daarvoor de juiste cursus te hebben gehad. Alsof er een rijbewijs zou zijn voor goed ouderschap. Wij moeten oppassen dat wij niet in een fuik lopen waarbij wij ondanks goede bedoelingen vooraf tot verkeerde keuzes komen.

In het beleidskader mis ik een samenhangende visie op de ontwikkeling van kinderen, burgerschap en de toekomstige samenleving waarin de kinderen van nu als volwassenen moeten functioneren. Zo’n visie zou ook doelstellingen kunnen opleveren ten aanzien van wat overheden, de particuliere sector en burgers daarbij kunnen betekenen. Wat mij betreft mag er ook een samenhangend, inhoudelijk en normatief ijkpunt in staan, omdat op dit moment al heel veel initiatieven lopen, hetgeen tot een wat verwarrend beeld leidt.

Gesteld wordt dat de focus van het beleidskader ligt op hetgeen wij eind 2012 willen hebben bereikt. Mij valt op dat het vooral in technische zin is bedoeld, waarbij het er vooral om gaat wat er kwantitatief bereikt moet worden. Ik mis dan ook het grote plan waarbij politieke keuzen in het geding zijn. Hoewel het voor dit algemeen overleg te ver voert, zou ik daarover graag nog eens een aparte discussie willen voeren. Ik zou graag zien dat het beleidskader niet alleen maar ingaat op de techniek maar ook op de vraag waar wij met de jeugdzorg heen willen en wat de verhouding tussen overheidsingrijpen en de eigen verantwoordelijkheid van ouders en jongeren zou moeten zijn.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): In mijn inbreng heb ik dat punt ook aangeroerd, in de zin dat wij steeds meer met institutionaliseren bezig zijn en wij geen oog meer lijken te hebben voor wat dit voor de privacy van kinderen en ouders betekent. Door de toenemende verzameldrift zien wij door de bomen het bos niet meer. Wij zien ook dat jeugdhulpverleners vanwege die wens waarmee ze geconfronteerd worden, eigenlijk meer daarmee bezig zijn dan met de hulp aan kinderen. Zouden wij deze minister dan ook niet kunnen vragen om zich meer te richten op de vraag tot op welke hoogte de overheid zou moeten ingrijpen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik heb juist voorgesteld om daarop wat diepgaander in te gaan. Dan gaat het dus over de samenhang en de grens tussen overheidsingrijpen en eigen verantwoordelijkheid. Het lijkt mij goed die discussie te voeren, zeker in het licht van de evaluaties die er aan zitten te komen.

Ook ten aanzien van de haalbaarheid van de resultaten kun je wat twijfels hebben. Als je kijkt naar de invoering van de nieuwe financieringssystematiek en het advies van de Commissie Financiering Jeugdzorg moet er eigenlijk nog een heleboel gebeuren. Ik stel vast dat wij dan jaren verder zijn voordat wij tot een niet-onomstreden raming kunnen komen en er duidelijkheid is over het budget.

Het verbeteringsproces voor de financiering van de jeugdzorg...

De voorzitter: Het is eigenlijk zonde van uw beperkte resterende tijd om nu te praten over de financiering omdat wij daarover half mei nog met elkaar van gedachten gaan wisselen..

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ja, maar het sluit wel aan bij datgene waarover ik het zo-even had. Ik heb het in dat licht dan over de begroting voor 2010 en zeer waarschijnlijk ook de begroting voor 2011. Dat past bovendien bij het beleidskader waarover wij het nu hebben. Eigenlijk vind ik het persoonlijk heel vreemd dat wij niet het beleidskader en de financiering samen bespreken.

De voorzitter: U was toch ook bij in de procedurevergadering?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Precies, maar daar was geen meerderheid voor. Ik had het wel logisch gevonden om het gezamenlijk te bespreken. Ik ben toch bang dat de begroting voor 2011 een beetje gebaseerd zal zijn op drijfzand. De MOgroep spreekt zelfs van een educated guess. Bovendien hebben wij te maken met een economische crisis. Zijn om die reden nog bezuinigingen op het gebied van de jeugdzorg te verwachten? Wat gaat de minister doen als de provincies en grootstedelijke regio’s er halverwege het jaar achter komen dat ze extra geld nodig hebben? Wordt er bij de verdeling van het geld komend jaar voldoende rekening gehouden met de grootstedelijke regio’s? Zij hebben immers te maken met grote aantallen probleemjongeren maar hebben geen autonome middelen tot hun beschikking. Hoe is rekening gehouden met de nieuwe aanpak van de 12-minners en de steviger aanpak van kindermishandeling? Ik ben overigens blij dat de minister het principe van de oudermelding heeft omarmd.

Verder vraag ik de minister welke financiële prikkels er voor de jeugdzorg bestaan om de preventie te versterken, zodat de middelen in de hand worden gehouden.

Ik heb nog een slotvraag.

De voorzitter: Nee, niet meer, want u hebt uw spreektijd ruimschoots overschreden.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): En als ik mijn tweede termijn dan wat korter houd?

De voorzitter: Nee, u krijgt in tweede termijn de gelegenheid om uw vraag te stellen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Staat u mij toe dat ik dan nieuwe onderwerpen aanvoer?

De voorzitter: In de tweede termijn mag u resterende onderwerpen behandelen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Er is inmiddels genoeg gezegd over het parlementair onderzoek. Ik zie ook wel bewegingen bij collega Dibi om even pas op de plaats te maken en de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg af te wachten. Ik vind dat heel schappelijk van hem. Misschien kunnen wij in de tussentijd de dingen die nog niet bij de evaluatie worden betrokken, meegeven aan de minister zodat ze er alsnog bij kunnen worden betrokken.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik ben blij dat de heer Voordewind dit zegt. Ik had ook verwacht een vraag te krijgen over de motivatie van de VVD-fractie om met een parlementair onderzoek mee te gaan. Zoals bekend, heb ik mij er altijd tegen verzet omdat ik mij op het standpunt stelde dat nog meer onderzoeken eerder belemmerend dan versterkend zouden werken voor de jeugdzorg. Echter, nadat ik kennisgenomen heb van het toch wel ontluisterende onderzoek van de Commissie Financiering Jeugdzorg, wil ik mij niet langer meer verzetten tegen zo’n onderzoek. Ik verbind mijn steun daaraan, maar wel onder de voorwaarde dat het niet aan een termijn gebonden is. Er staat ook nergens dat het onderzoek morgen moet gebeuren. Ik hoor nu net dat de heer Voordewind er open voor staat om het onderzoek wat te verbreden. Dat is ook waaraan ik dacht in het kader van een parlementair onderzoek, namelijk dat er een midterm review komt, in de zin dat nagegaan wordt of het ministerie voor Jeugd en Gezin wel het juiste instrument is om de jeugdzorg zo goed mogelijk van dienst te zijn.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat lijkt mij veel te ver te gaan. Wij hebben elk jaar in mei Verantwoordingsdag. Dat lijkt mij een prima moment om goed te kijken naar de resultaten van dit ministerie. Dan hebben wij ook de jaarrapportage van deze minister. Het is overigens prima dat u ook zegt dat het onderzoek wel een tijdje kan wachten, in ieder geval totdat wij de evaluatie hebben gehad. Mij lijkt het overigens niet goed om het gehele functioneren van het ministerie onderdeel te laten zijn van de evaluatie.

De heer Dibi (GroenLinks): Net als de PvdA-fractie staat u er dus voor open dat na de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg een parlementair onderzoek wordt verricht?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Waarom zouden wij dan nog de evaluatie doen, als u het nu al weet? U moet mijns inziens z’n evaluatie objectief ingaan. Zo-even was u heel redelijk toen u zei dat u eerst die evaluatie wilde afwachten en dat wanneer er dan nog vragen openblijven, het BOR gevraagd kan worden om een inventarisatie daarvan te maken. Maar dan moet u nu niet al uw kruit verschieten door te zeggen dat er sowieso een parlementair onderzoek moet komen.

Voorzitter. De afgelopen dagen heb ik in het kader van de voorbereiding van dit debat een aantal Bureaus Jeugdzorg gesproken, onder andere in Venlo en Den Haag. Ook ik ben niet blind voor alle dingen die er spelen en ik hoor natuurlijk ook allerlei geluiden over wat er nog ontbreekt en schort aan de jeugdzorg. Zo wordt de vermindering van de regeldruk genoemd, waarbij de medewerkers zeggen dat weliswaar de plannen en de onderzoeken goed zijn maar dat ze er in de praktijk helaas nog niets van merken. Sterker nog, ze zeggen dat door bijvoorbeeld de Deltamethode de regeldruk alleen maar is toegenomen. Van de minister hebben wij gehoord dat de case load verlaagd is maar ik krijg nog geen positieve signalen uit het veld, uit de Bureaus Jeugdzorg dat het hen ontlast. Verder worden de wachtlijsten genoemd evenals de behoefte aan meer duidelijkheid over de effectieve behandelmethode. Verder is er behoefte aan meer plekken voor gesloten jeugdzorg. Men heeft nog niet het overzicht waar die plekken precies gaan komen. Men is bezorgd of de 1373 behandelplekken wel op tijd, namelijk per 1 januari 2010, beschikbaar komen. Naar ik heb begrepen uit het beleidsplan, zitten wij nu nog maar op de 600. Ook hoor ik geluiden over preventie en de financieringsproblematiek. Overigens hoor ik vanuit het veld geen geluiden over een parlementair onderzoek.

Wel ben ik het met de oppositie eens dat er nog een hoop te doen is, maar dat betekent nog niet dat er niets gebeurt. Ik noem bij dezen dan ook een aantal punten waarop wel wat gebeurt. De nieuwe financieringssystematiek waar de Bureaus Jeugdzorg het over hadden, is in gang gezet. Er is een goede aanpak voor de kindermishandeling en de RAAK-methode is in gang gezet. Er is sprake van een substantiële verlaging van de case load, ook al moet die nog goed doorwerken. De databank over effectieve jeugdzorgbehandeling is opgezet. Ik zie inderdaad dat er sprake is van uitbreiding van de plekken van de gesloten jeugdzorg, maar ik zie tegelijkertijd overigens met de jeugdzorginstellingen dat het nog niet helder is waar die precies beschikbaar komen.

Is dat voldoende? Gebeurt er voldoende? Ja, er gebeurt het een en ander maar ik vind niet dat er genoeg gebeurt. Daarom lopen er ook nog aardig wat verbetertrajecten en onderzoeken, zoals ten aanzien van de lvg-wachtlijsten en de regeldrukvermindering. Verder noem ik het actieprogramma Beter, anders, minder. Ook het SER-advies moeten wij nog krijgen. Zo zijn er nog een stuk of zeven onderzoeken. Ik verzoek de minister dan ook om een brief ter zake waarin de Kamer een en ander helder wordt aangegeven. Dat kan volgens mij in twee A4-tjes, wellicht als bijlage van de jaarrapportage die wij sowieso in de aanloop naar Verantwoordingsdag krijgen. De laatste jaarrapportage gaat over 2007. Ik neem aan dat er in de jaarrapportage over 2008 nader op kan worden ingegaan. Met name vraag ik aandacht voor twee onderzoeken die op dit moment lopen. Het eerste betreft de vermindering van de regeldruk. Dat is constant een punt dat ik hoor van de Bureaus Jeugdzorg. De Jeugdzorgbrigade heeft dat al jaren geleden in kaart gebracht. Er zijn toen 93 aanbevelingen gedaan. In januari 2008 heeft de minister een nulmeting gedaan. Er is een doelstelling van 25% vermindering in 2011. Ik zou graag vernemen wat de huidige stand van zaken is op dit punt en waar nu de knelpunten liggen om de regeldruk te verminderen. Wij moeten veel meer kunnen vertrouwen op de professionals in het veld. Het tweede onderzoek betreft de gesloten jeugdzorg. Ik verzoek de minister ons te informeren over de huidige stand van zaken op dit punt.

Ik constateer dat de kwestie van de landelijk werkende instellingen wordt betrokken bij de evaluatie. Het convenant met de LWI’s is afgelopen in 2008. Wat is de stand van zaken rond een nieuw convenant?

Met betrekking tot de keuzevrijheid jeugdzorgaanbieders heeft onze statenfractie in Groningen een voorstel gedaan dat in provinciale staten van Groningen is aangenomen. Dat voorstel betreft de keuzevrijheid, die beperkt schijnt te zijn omdat juist de jeugdzorg de zorg inkoopt, waardoor het lastig voor mensen is om zelf de zorg in te kopen. Eerder is de discussie aan de orde geweest over de vraag of het pgb moet worden ingevoerd ten aanzien van de jeugdzorg. Toenmalig staatssecretaris Ross-van Dorp was daar toentertijd niet enthousiast over, maar misschien is dat in aanloop naar de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg toch nog wel een optie om naar te kijken, afgekaderd in de vrijwillige jeugdzorg.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Wat het CDA betreft is het hoog tijd voor de evaluatie van de jeugdzorg. Er lijkt van alles mis en dat ligt wat ons betreft niet aan al die hardwerkende professionals die met de voeten in de klei staan en elke dag knokken voor iedere jongere voor wie ze de verantwoordelijkheid dragen maar die soms ook gewoon tegengewerkt worden door bureaucratie, wachtlijsten en hooggespannen verwachtingen uit de samenleving. Als er geen evaluatie zou zijn gepland, dan zou de CDA-fractie wellicht een parlementair onderzoek willen, omdat er, zoals gezegd, van alles mis is. Er wordt van alles onderzocht; 22 onderzoeken zijn afgerond of lopen nog. Ook het bestek dat wij hebben gekregen voor de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg bestaat uit ontzettend veel vragen. Een parlementair onderzoek voegt naar onze mening dus niets toe, sterker nog, het zou alleen maar de evaluatie voor de voeten kunnen lopen en eigenlijk daarmee ook al die mensen die liever de handen in het veld hebben dan achter een bureau.

Wel zouden wij als Kamer moeten kijken of onze informatiepositie voldoende wordt benut. Daarom stellen wij voor om het BOR te laten bezien of het bestek wellicht nog witte vlekken vertoont zodat die nog kunnen worden meegenomen in het onderzoek. Ik zou de minister willen vragen om indien nodig, daaraan medewerking te verlenen.

In het bijzonder zou ik aandacht willen vragen voor de informatiepositie van de ouders. Onlangs hebben wij hier als Kamer een petitie in ontvangst genomen van een aantal ouders die te maken hebben met jeugdzorg en die naar hun gevoel onvoldoende geïnformeerd en betrokken zijn. Ik krijg ontzettend veel klachten van ouders die bijvoorbeeld zelf vragen om een OTS omdat ze zien dat ze het niet aankunnen, maar vervolgens moeten constateren dat buiten het feit om of ze geïnformeerd worden, ze ineens een kind kwijtraken omdat het uit huis geplaatst wordt. Ik zou willen dat het uitzonderingen waren, maar sinds ik dit dossier doe, valt het mij op dat het een redelijk vaak voorkomende klacht is. Dus ik zou graag aandacht willen vragen voor de informatiepositie van ouders, ook in relatie tot het onderzoek naar het functioneren van de Wet op de jeugdzorg.

Ik zou mij willen aansluiten bij de zorg die door mijn collega van de VVD-fractie is geuit. Ik zou eigenlijk wel kunnen stellen dat het gezin onbekwaam verklaard lijkt. Niet door deze minister maar soms wel door de samenleving. De opvoedingsonzekerheid bij veel ouders lijkt soms beloond te worden met een indicatie bij Bureau Jeugdzorg. Medicalisering, een stickertje op het hoofd plakken van kinderen, wij maken ons daar zorgen over. Wat ons betreft zou dit ook een belangrijke focus moeten zijn bij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. De discussie moet meer gaan over de vraag hoe deze wet kinderen kan helpen en ouders kan versterken dan over de vraag hoe wij zorg uit handen kunnen nemen. Bij de behandeling van de begroting hebben wij daar al aandacht voor gevraagd. Eigenkrachtconferenties zijn wat ons betreft een belangrijk instrument. Het is goed hiervoor een wettelijke basis te bieden om ouders zelf zo veel mogelijk instrumenten in handen te geven in plaats van dat de overheid dat doet.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): U zegt dat het net lijkt dat wij naar ouders kijken alsof ze onbekwaam zijn en dat dit niet komt door de plannen van dit kabinet maar door de samenleving. Volgens mij is dat een beetje het kip-eiverhaal. Mijns inziens wordt de samenleving gestuurd door de overheid in de wijze waarop beleid wordt gevoerd. Ik wijs op de grote hoeveelheid formulieren die ingevuld moeten worden, het ekd en de verwijsindex. U heeft zelfs voorgesteld dat als ouders uit elkaar gaan ze een ouderschapsplan voor hun kinderen moeten maken. Eigenlijk doet u uw eigen positie in deze discussie te kort doordat u zelf ook voortdurend een lijn volgt waardoor die ouders onbekwaam lijken te zijn en hun verantwoordelijkheid wel uit handen genomen wordt. Ik zie nu een andere beweging bij u, waar ik overigens blij om ben. Wilt u samen met mij aan deze minister vragen of het beleid omgebogen kan worden dat door dit kabinet en mede met uw steun is ingezet en dat een zodanig effect heeft dat wij steeds meer richting een geïnstitutionaliseerde samenleving gaan waarin wij de verantwoordelijkheid bij de ouders weghalen?

Mevrouw Sterk (CDA): Dat ouderschapsplan is inmiddels al wettelijk vastgelegd. Dus daarover is al helemaal geen discussie. Misschien heeft uw partij er destijds wel voorgestemd. Het zou interessant zijn om dat te weten. Over de versterking van de positie van de rol van de ouders heb ik bij de behandeling van de begroting van Jeugd en Gezin nota bene een uitgebreid verhaal gehouden, waar u mij toen niet op hebt aangesproken. Ik heb er toen voor gepleit juist die morele infrastructuur en de positie van kinderen en ouders veel meer te versterken en het dus niet te zoeken bij allerlei instituties. De Centra voor Jeugd en Gezin zijn er in de eerste plaats om ouders te helpen die taak zelf op zich te nemen en om zo veel mogelijk het zelfvertrouwen aan ouders terug te geven in plaats van ze zorg uit handen te nemen. Ik heb hier keer op keer mijn zorg uitgesproken dat de Centra voor Jeugd en Gezin een risicoplek worden waar je heen gaat als je echt problemen hebt, dus een soort lokaal Bureau Jeugdzorg, in plaats van een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Ik heb toen ook gesproken over babbelmama’s. Dus het verwijt dat u mij maakt kunt u gewoon niet waarmaken als u kijkt naar wat wij allemaal hebben bepleit de afgelopen tijd.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik zit er iets anders in dan mevrouw Koşer Kaya, maar ook ik was verbaasd toen mevrouw Sterk zei dat ze het raar vond dat het gezin onbekwaam verklaard wordt door de samenleving. Kan zij aangeven wie dat dan doet en waarom? Ik kan mij ontzettend veel debatten herinneren waarin CDA-woordvoerders sneller en vroeger uit huis willen plaatsen, sneller en vroeger ondertoezichtstellingen willen en sneller en vroeger willen registreren. Dus heel veel van die verklaringen over de onbekwaamheid van gezinnen komen van het CDA. Steekt mevrouw Sterk nu de hand in eigen boezem of legt zij de schuld bij iemand anders neer? Als dat laatste het geval is, ben ik benieuwd bij wie zij dan de schuld legt en om welke reden.

Mevrouw Sterk (CDA): Tijdens mijn inbreng bij de begrotingsbehandeling heb ik aangegeven dat de rol van de ouders zelf zo veel mogelijk versterkt moet worden. U weet ook dat er gevallen bekend zijn waarbij wij soms te laat ingrijpen. Wij moeten niet doen of het het een of het ander is, maar onderzoek toont aan dat 30% van degenen die op de wachtlijst staan daar eigenlijk niet thuishoort maar in een eerder stadium geholpen had kunnen worden of misschien zelfs thuis met enige ondersteuning de boel op poten had kunnen zetten. De Wet op de jeugdzorg moet zodanig ingericht worden dat niet zozeer de institutie centraal staat maar de zorg aan het kind en de ouders. De Eigenkrachtconferentie is hier een goed voorbeeld van. Trouw wijdt momenteel een interessante reeks artikelen aan dit gegeven. Tevens is er onlangs een interessante lezing over dit onderwerp gegeven in het kader van de zogenaamde Kohnstamm-lezingen.

Het jaarwerkprogramma van de Inspectie jeugdzorg bevat aan aantal zeer cruciale thema’s. Wel ben ik benieuwd of de inspectie zich bij het richten op veiligheid van pleegzorgkinderen ook richt op netwerkpleegzorg.

Wat betreft de diversiteit heeft de CDA-fractie al meermalen gepleit voor de koppeling van taalachterstand bij een klein kind aan een verplichte taalcursus voor de moeder. De minister spreekt over een juridisch onderzoek daarnaar dat in het voorjaar zal verschijnen. Kan hij aangeven wat precies de vraagstelling is van het onderzoek, wie het onderzoek doet en wanneer de resultaten precies bekend zijn?

In de jeugd-ggz blijkt het zo te zijn dat men onvoldoende bereik heeft bij migrantenjongeren. De minister spreekt van een onderzoek dat in 2008 zou starten naar de psychische problematiek onder migrantenjongeren. Kan de minister aangeven wie nu precies dit onderzoek doet en wanneer de resultaten ervan bekend zijn? Op welke manier krijgt de aandacht voor de problematiek van migrantenjongeren een plek binnen de opleiding voor de ggz? In het veld wordt vaak gezegd dat criminele jongeren vaak veel geestelijke problemen hebben maar dat ze op de een of andere manier niet bereikt worden door juist de jeugd-ggz. Ik denk dan ook dat daar een enorme kans ligt.

Antwoord van de minister

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor hun bijdragen en voor de vragen die gesteld zijn. Het lijkt me goed om te beginnen met het onderwerp dat het grootste deel van het debat tussen de woordvoerders onderling besloeg. Ik ga er inderdaad niet over of er een parlementair onderzoek komt, want alleen de Kamer gaat daarover. Die stelling is mij als oud-parlementariër uit het hart gegrepen. Volgens mij was de onderliggende vraag bij de discussie over een parlementair onderzoek of de Kamer wel over genoeg informatie beschikt. Daarin heb ik wel een rol te vervullen. Het lijkt me daarom goed om daaraan eerst een paar woorden te wijden.

Verschillende woordvoerders hebben erop gewezen dat er al veel onderzoek ligt. Wij doen geen onderzoek om het onderzoek doen. Onder andere op verzoek van de Kamer hebben wij ons speciaal verdiept in bepaalde aspecten van de jeugdzorg. Wij hebben onderzoek gedaan omdat wij de werking, inhoud, kwaliteit en de effectiviteit van de jeugdzorg willen verbeteren. Er liggen inderdaad veel rapporten, sommige zelfs al wat langer. Over sommige hebben wij al gedebatteerd. Intussen werpt dat zijn vruchten af in het werk van de jeugdzorgwerkers. Dat blijkt ook uit de publieke reacties op deze discussie. Een aantal onderzoeken komt nog. Er is gewezen op het SER-advies. Dat is echt relevant voor het functioneren van de jeugdzorg en is ook in bredere zin gerelateerd aan gespecialiseerde jeugdvoorzieningen en de raakvlakken daarom heen zoals de Wajong, de pgb’s, het onderwijs et cetera. Het gaat ook om de positie van jongeren op de arbeidsmarkt en breder in de samenleving. Hoe kunnen wij voorkomen dat een grote groep jeugdigen in de een of andere regeling terechtkomt en er nooit meer uitkomt? Er ligt nog een adviesaanvraag bij de Gezondheidsraad over autisme. Kortom, er komt nog het nodige aan.

Er lopen ook veel verbetertrajecten, die met de Kamer overigens uit en te na besproken zijn. Ik begrijp heel goed dat de Kamer daarvan op de hoogte wil blijven. Dat is ook in het reguliere contact tussen de Kamer en het kabinet van belang. Volgens mij schort het daar ook niet aan. Als er een vraag gesteld wordt, krijgt de Kamer ook alle antwoorden die zij nodig heeft. Het is ook mijn grondwettelijke plicht om de Kamer te informeren. Volgens mij was het inderdaad het OVB, zoals dat toen nog heette, dat constateerde dat alles al onderzocht was wat onderzocht moest worden. Maar goed, het besluit hierover is aan de Kamer.

Hiernaast loopt het traject van de evaluatie. Het bestek van die evaluatie staat voor vandaag op de agenda. Enkele woordvoerders vroegen wat er in de evaluatie wordt meegenomen. Dat is allemaal precies in het bestek te vinden. Vanaf 1 maart is het onderzoek voor de evaluatie gaan lopen nadat het volgens de gunningprocedure is gegund aan BMC. Men vroeg wanneer de Kamer de evaluatie krijgt en iemand wilde er zelfs al over een maand iets over horen. Volgens mij heb ik het al aangegeven, maar het evaluatieonderzoek zelf is van start gegaan op 1 maart en het is de afspraak dat het op uiterlijk 31 oktober wordt opgeleverd. Zo zijn wij inderdaad nog in staat om het dit jaar naar de Kamer te sturen. Dat moet ook, want dat staat zo in de wet. Dit is de wettelijke evaluatie voor de wet die op 1 januari 2005 van kracht is geworden. Ik meen dat in artikel 110 staat dat er binnen vijf jaar een evaluatieonderzoek aan de Kamer moet worden toegezonden. Er wordt een aantal zaken genoemd dat er in ieder geval in moet zitten. Vorig jaar rond de zomer hebben wij bediscussieerd of er nog andere zaken zijn die ook moeten worden meegenomen. Het is een moment bij uitstek om in bredere zin als wetgever – dat ben ik niet alleen, maar dat zijn wij samen – te bekijken welke consequenties zo’n onderzoek moet hebben voor de werking van het stelsel, de wet zelf en alles wat daarin zit. Er zijn toen enkele suggesties gekomen en die zijn zo veel mogelijk verwerkt. Het is allemaal te vinden in het bestek van de opdracht die inmiddels verstrekt is.

Wat mij betreft krijgt de Kamer van deze minister alle informatie die ze wil hebben. Dat is nooit anders geweest en ik zou ook niet weten hoe het anders zou moeten. Als de woordvoerders bepaalde informatie missen, ben ik beschikbaar om informatie te verschaffen. Het is voor mij wel moeilijk om te zien of de Kamer witte vlekken ervaart. Als de Kamer vindt dat zij ergens te weinig kennis van heeft, kan die informatie geleverd worden. Als men vindt dat er uiteindelijk te weinig gebeurt met de vragen of de moties en dat men te weinig benodigde informatie krijgt van de minister, is het aan de Kamer om te bekijken of zij daarvoor zwaardere instrumenten wil inzetten. Dat is ook de werking van het politieke systeem. Zo kijk ik ertegen aan. Als de Kamer daarop via haar eigen Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven (BOR) nog een exercitie wil loslaten, is dat louter en alleen aan de Kamer. Ik zal dat volgen en ik ben ter beschikking om vragen zo goed mogelijk te beantwoorden die voortvloeien uit de evaluatie en die van belang zijn voor het bredere debat over het stelsel.

Wat mij betreft gaat het debat dat wij zullen hebben niet alleen over de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. Het is wel een heel belangrijke component, want heel veel zaken die vandaag genoemd zijn, zitten daarin. De financieringsstromen en de samenhang tussen de verschillende sectoren zoals de jeugd-ggz en jeugd-lvg zitten ook in het bestek. Die komen dus vanzelf op tafel. Daar kunnen wij tegen die tijd over discussiëren. Alle andere onderzoeken die in de loop der tijd zijn opgeleverd, de verbetertrajecten en de vruchten die zij al dan niet hebben afgeworpen en de knelpunten, horen allemaal bij het tegen het licht houden van het stelsel van de jeugdzorg. Het stelsel zoals het nu functioneert en de bestuurlijke verantwoordelijkheden zoals die in de wet zijn vastgelegd, kunnen daarbij aan de orde komen. Ik denk dus dat wij tegen de tijd dat de evaluatie op tafel ligt met heel veel zaken te maken hebben die ons als wetgever in staat stellen om het debat te voeren. Het kabinetsstandpunt komt daar natuurlijk zo snel mogelijk bij. Of dat voor het einde van dit jaar lukt, is vers twee, maar het evaluatieonderzoek krijgt de Kamer na oplevering zo snel mogelijk. Deze twee dingen zullen de basis vormen voor het debat dat wij zullen hebben over de brede werking van het stelsel van de jeugdzorg. Het is aan de Kamer wat zij daarbij wil betrekken. Dit is vooral wat ik wilde zeggen over de informatievoorziening.

Onder anderen mevrouw Bouchibti en mevrouw Sterk vroegen of wij dit nog eens goed kunnen schetsen. Ik begrijp dat de Kamer zoekt naar haar eigen rol in de veelheid van lopende trajecten. Het lijkt me voor de Kamer ook niet zo’n heel aantrekkelijk perspectief om te moeten wachten tot er begin 2010 een kabinetsstandpunt ligt. Ik wil best de samenhang uitschrijven tussen alles wat er nu loopt, wat is afgerond, wat er nog komt, de verbetertrajecten, de stand van zaken, hoe ik aankijk tegen het traject in de richting van de evaluatie, het kabinetstandpunt en het debat met de Kamer. Een van de woordvoerders zei dat dit wel in twee A4-tjes kon, maar ik weet niet of wij het daarbinnen gaan redden, al zou dat mijn medewerkers wel helpen. Ik begrijp goed wat de Kamer bedoelt, juist omdat er zo veel tegelijkertijd loopt.

Ik zeg nogmaals dat ik niet iemand ben die maar onderzoek doet om het onderzoek. Ik heb de vaste overtuiging dat alle dingen die in gang zijn gezet vaak ook op verzoek vanuit de sector zelf worden gedaan. Dat moeten wij niet vergeten. Het voorbeeld van de Deltamethode werd genoemd. Daar zijn vast nog dingen aan te verbeteren, maar wij moeten niet vergeten dat het in samenwerking met en op verzoek van de sector gezinsvoogdij tot stand is gekomen. Er zijn vast verbeterpunten, maar ik wil in algemene zin waarschuwen tegen het beeld dat er niets gebeurt en dat er allemaal niets verandert. Dat was ook een beetje de teneur van de reactie van de MOgroep op het artikel in de Volkskrant van een aantal fracties in de Kamer. Zij spreekt dit tegen en ik wil het ook met kracht tegenspreken, want er is wel degelijk heel veel veranderd. Zijn wij er al? Nee, want dan zouden wij geen jeugdbeleid meer nodig hebben. Wij hebben dat wel nodig en moeten blijven werken aan verbetering. Als wij tegen knelpunten aanlopen, moeten wij die oplossen.

Als je een plan lanceert om de bureaucratie harder aan te pakken dan de algemene kabinetsdoelstelling van vermindering van de lastendruk met 25%, is het niet gek dat wij daarmee in het voorjaar van 2009 nog niet klaar zijn. Wij hebben het over de ervaren regeldruk van jeugdzorgwerkers. Wij gaan het wel doen in 2011 en blijven eraan werken. Als wij denken dat wij achterop raken, gaat er een tandje bij. Wij bewaken het. Juist vanwege de jeugdzorgwerkers zou ik ervoor willen hoeden om op allerlei tussentijdse momenten te vragen hoe het gaat. Daarvoor wil ik waken. Wij hebben vaste afspraken. Over bijvoorbeeld de Deltamethode hebben wij in het najaar uitvoerig gesproken en wij hebben vastgesteld dat door allerlei omstandigheden de toen vastgestelde datum van 1 januari niet over de volle breedte gehaald kon worden. Wij hebben ook afgesproken dat wij niet konden wachten met het risicomanagement. Dat moest standaard bij alle Bureaus Jeugdzorg per 1 januari 2009 worden ingevoerd. Dat is gebeurd. Wij hebben ook gezegd dat de Deltamethode dit jaar per 1 juli bij alle Bureaus Jeugdzorg in het kader van de jeugdbescherming moet zijn ingevoerd. Die afspraak hebben wij gemaakt en ik houd de mensen aan die afspraak. Zij mogen mij daaraan houden en ook de Kamer mag mij daaraan houden. Het is dus de vraag of je een tussenstand moet vragen aan mensen die zo hard aan het werk zijn met de caseloadverlaging of de implementatie van de Deltamethode. Laten wij de mensen daarmee niet tussentijds lastig vallen. Ik ben het met de teneur van een aantal opmerkingen in dat verband eens dat wij dan de mensen van het werk houden. Dat is een onnodige vorm van belasting van de jeugdzorgwerkers. Ik geloof dat mevrouw Bouchibti zei dat – laat ik het maar iets verbreden – de mensen in het veld soms ook moe worden van wat er in «Den Haag» gebeurt. Daarmee moeten wij wel rekening houden. Dat sluit niet uit dat ik de informatie die de Kamer wil hebben zo goed mogelijk zal geven, maar ik wil wel waken voor onnodige belasting en uitvraag van de mensen in het veld. De woordvoerders hebben trouwens ook bijna allemaal warme woorden gesproken over de inzet van de jeugdzorgmedewerkers. Die woorden onderstreep ik graag.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat persbericht van de MOgroep in reactie op ons artikel in de Volkskrant was toch wel weer wat anders dan de gebruikelijke persberichten over meer geld voor de jeugdzorg. Dat was op zich dus wel een verademing. Ik wil ingaan op de weerzin van de minister tegen nieuw onderzoek. Hij heeft wel vaker gezegd geen onderzoeken meer te willen en daarna toch een nieuw onderzoek gelanceerd. Eerst heeft hij geweigerd nieuw onderzoek te verrichten en daarna kwam hij met het doorlichten van de wachtlijstcijfers. In een klap kwam ineens het SER-advies erbij. Als Kamer wilden wij trouwens aanpassingen doen aan de adviesaanvraag, maar die zijn door de minister geweigerd. Is de minister niet bang dat het een zootje gaat worden omdat allerlei dingen tegelijkertijd op elkaar afkomen? Aan het eind van het jaar ligt er een evaluatie van de Wet op de jeugdzorg, maar mogelijk gaat hij op dat moment ook afgerekend worden op het wegwerken van de wachtlijsten. Is het niet beter om in alle samenhang eerst een onderzoek te verrichten en dan pas een besluit te nemen over het jeugdzorgstelsel?

Minister Rouvoet: Het was geen persbericht, maar een artikel van de MOgroep in reactie op een artikel van een aantal oppositiefracties. Ik loog daar niet over hoor. Ik herinner me dat de heer Dibi warme woorden sprak over het voorkomen van imagoschade. Ik onderstreep dat. De mensen hebben wel zelf aangegeven dat de essentie is ...

De heer Dibi (GroenLinks): Het is een koepelorganisatie, het zijn niet de professionals.

Minister Rouvoet: Ik verwijs naar de MOgroep Jeugdzorg die reageert en laat weten hoe een artikel in haar sector wordt ervaren. Zij zegt dat de jeugdzorgmedewerkers hiermee niet serieus genomen worden en dat er een karikatuur wordt gemaakt. Het had niet de vorm van een persbericht, maar van een artikel. Ik ben niet verantwoordelijk voor dit verhaal, maar als de heer Dibi ernaar verwijst is het wel goed om imagoschade te verkomen. Daarover zijn wij het eens. Ik stel wel vast dat de MOgroep het, in reactie op het artikel, opneemt voor de 25 000 professionals die er genoeg van hebben om voor bureaucraten te worden versleten.

Wij weten allemaal dat de jeugdzorgwerkers het liefst zo veel mogelijk tijd steken in het werk waarvoor ze dit zijn gaan doen: werken met de jeugdigen. Tegelijkertijd weet iedereen, of het nu in de jeugdbescherming is of in de jeugdzorg, dat een goede registratie van relevante informatie onvermijdelijk is. Wij zullen altijd een discussie houden over de balans en over wat nodig is en wat niet, maar ik wijs erop dat heel veel verbetertrajecten opkomen uit de sector zelf. Ik zou daarover niet gemakkelijk willen doen. Het is niet allemaal maar bureaucratie. Er werden meer voorbeelden genoemd waarvan ik denk dat het wensen van de sector zelf zijn. Zij kunnen waarschijnlijk het beste beoordelen of een Deltamethode uiteindelijk beter werkt, waarbij wij wel met elkaar aan de lat staan om tussentijds te bewaken dat dit ook optimaal blijft werken en om knelpunten op te lossen als dat niet zo is. Ik had zelf de indruk dat er af en toe iets te gemakkelijk werd gereageerd. Ik herken het beeld niet dat er te weinig verandert en dat er te weinig gebeurt. De MOgroep herkent dat beeld ook niet. Ik stel dat vast omdat ik dat stuk ook gelezen heb.

De heer Dibi wordt in feite op zijn wenken bediend. Hij zegt dat wij eerst onderzoek moeten doen voordat wij een debat over het stelsel voeren. Dat doen wij en daar gaat de evaluatie over. Ik neem aan dat hij het bestek gelezen heeft. Daarin kan hij zien dat al die vragen die benoemd zijn daarin zitten. Het is precies wat wij doen en wij zijn het ook wettelijk verplicht. Het is en blijft aan de Kamer om maatregelen te treffen als zij de evaluatie niet vertrouwt of denkt dat niet alles aan bod komt. De Kamer heeft in ieder geval de kans gehad om mee te denken. Wat mij betreft kan dat ook nog in het komende traject. De opdracht is uiteraard uitgezet, maar het debat voeren wij met elkaar. Niets weerhoudt de Kamer ervan om tussen nu en het debat dat wij zullen hebben over het kabinetsstandpunt alles te berde te brengen wat zij wil en met mij het debat aan te gaan. In feite is er in de verhouding tussen de Kamer en mij sprake van een continu parlementair onderzoek; zo ervaar ik dat soms ook wel een beetje.

Mevrouw Langkamp (SP): De minister zegt dat jeugdzorgwerkers geen bureaucraten zijn, maar zo noemen zij zichzelf wel. Dat doen ze in ieder geval regelmatig in de gesprekken die ik met ze heb. Ze geven aan dat ze ontzettend veel tijd kwijt zijn met registreren en schrijven. Ik begrijp heel goed dat de minister hen niet tussentijds wil lastigvallen met vragen. Wij zijn verbetertrajecten aan het doorvoeren. Intussen komen er signalen van de werkvloer dat men er nog niets van merkt. De minister zegt dat hij tussentijdse knelpunten probeert op te lossen, maar hoe zit het nu? Doen wij iets met die signalen van de werkvloer dat men er niets van merkt? Of doen wij daar niets mee en gaan wij eerst de Deltamethode helemaal invoeren en pas de problemen oplossen als iedereen er al mee werkt en het toch meer bureaucratie met zich blijkt mee te brengen dan van tevoren gedacht. Volgens mij span je het paard dan achter de wagen. De jeugdzorgwerkers lopen daardoor wel weg op dit moment. Als wij gaan wachten tot 2011 hebben wij helemaal geen ervaren mensen meer in de jeugdzorg. Luister naar de mensen die dagelijks dat werk doen en luister niet te veel naar de MOgroep. Pak dat gewoon op en doe er wat mee.

Minister Rouvoet: Wij doen niet anders. Dat is van belang en er zijn natuurlijk allerlei signalen. Wij leggen voortdurend ons oor te luisteren en ik kom zelf ook in het veld waar ik spreek met mensen. Ik ken weinig gezinsvoogden die willen stoppen met de Deltamethode. Ik kom wel mensen tegen die mogelijkheden zien voor verbeteringen in de werkwijze die zij zelf hebben gewild. Daar moeten we ook aan werken. Het is niet de minister of de Kamer die voorschrijft hoe het in de dagelijkse praktijk in de uitvoering op de werkvloer moet gaan. Daar zijn juist de professionals voor.

Ik zal een ander voorbeeld geven. Mevrouw Koşer Kaya had het over een overheid die professionals allerlei dingen oplegt. Zij noemde de Privacywegwijzer die ik van de week heb afgekondigd. Dat is een hulpmiddel en een handreiking voor de professional die daarvan gebruik wil maken. Niemand verplicht hen om, als ze dat niet willen, naar de website privacywegwijzer.nl te gaan. Als mensen echter vragen hebben over of zij wel of niet moeten melden en over hoe zich dat verhoudt tot hun beroepsgeheim, dan is het een instrument dat hun wordt aangereikt om hun werk beter te doen. Ze hoeven het niet te gebruiken. Het is een proces van faciliteren. Het geeft dus een vertekend beeld als al dit soort dingen, die veelal opkomen uit de sector zelf of die als handreiking worden gedaan teneinde het werk beter te kunnen doen, wordt weggezet als pogingen om hiervandaan het dagelijks werk helemaal tot in detail voor te schrijven. Ik heb afgelopen maandag ook gezegd dat de jeugdzorgwerkers de professionals zijn en dat zij weten hoe het werkt. Ik geef hun wel handreikingen, maar zij doen het werk. Ik heb daar een groot vertrouwen in, maar dat vertrouwen moet er over de volle breedte zijn. Vertrouwen in professionals betekent ook dat wij hen moeten ondersteunen als zij aangeven dat de Deltamethode wel werkt maar beter kan. Wij moeten hen ondersteunen en niet voorschrijven hoe en wat. Wij wachten niet tot 2011 en ook over de implementatie hebben we afspraken gemaakt. Als de sector zelf tot de ontwikkeling komt van instrumenten in het kader van de Deltamethode moeten wij dat steunen. Formulieren worden niet hier geschreven en ook niet op het programmaministerie. Dat doen de professionals zelf en dat wil ik graag zo houden. Zij weten namelijk hoe het werkt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb er zeer veel moeite mee dat men, of het nu de MOgroep, de minister, of wie dan ook in de Kamer is, over de rug van medewerkers een politiek punt maakt. Door de MOgroep en de mensen die ik zojuist noemde, wordt politiek bedreven over de rug van deze mensen. Het gaat blijkbaar niet om de medewerkers en de wijze waarop die functioneren. Het gaat er blijkbaar om dat deze medewerkers allerlei maatregelen over zich heen krijgen waaraan zij moeten voldoen. De minister noemde het voorbeeld van de Privacywegwijzer. Dat heeft ook allerlei schaduwzijden. Dat gaat zo ver dat er straks een afrekencultuur ontstaat. Dan kan er niets meer in vrijheid besloten worden door professionals. Daar maak ik me zorgen over. Dit is een legitieme vraag die we kunnen stellen als we willen bekijken hoe het stelsel functioneert en of de middelen effectief benut worden.

De voorzitter: Maar wat is nu uw vraag aan de minister?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik ben blij dat de coalitie nu een BOR-onderzoek wil. Dan kunnen we samen met die evaluatie bekijken wat er verbeterd kan worden. Dat zal een stap in de goede richting zijn. Ik hoop dat de minister met ons die problemen die we aankaarten serieus wil nemen.

De voorzitter: Ja, maar nu moet ik u echt vragen om de vraag te stellen die u van plan was te stellen, want ik krijg het gevoel alsof u daar al redenerend naartoe aan het denken bent en dat is niet de bedoeling van een interruptie. Het spijt me dat ik dit moet vaststellen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik besef dat ik een lange aanloop heb genomen. Ik ben schuldig. We zijn een steeds verder uitdijende overheid aan het creëren. Hoe kijkt de minister daartegenaan en hoe kunnen we ervoor zorgen dat we dat terugdringen?

De voorzitter: Volgens mij komt dit in het tweede blok van de minister aan de orde.

Minister Rouvoet: Ik vind wat mevrouw Koşer Kaya zegt over het stelsel en over hoe het met jeugdzorgwerkers gaat toch wel een punt hoor. Ik blijf buiten het dispuut dat mevrouw Koşer Kaya heeft met de MOgroep; dat is aan haar. Ik heb verwezen naar het artikel en naar de reactie die daarop gegeven werd om mijn punt te illustreren. Als mevrouw Koşer Kaya vindt dat een website, waar mensen op kunnen kijken als zij dat willen om een afweging te kunnen maken, hen in hun professionele vrijheid beknot, is dat – met alle respect – natuurlijk flauwekul. Er worden miljoenen websites aangeboden. Niemand is verplicht om gebruik te maken van de Privacywegwijzer. Het is wel een beetje merkwaardig dat mevrouw Koşer Kaya het ons bijna kwalijk neemt dat wij professionals ondersteuning bieden bij het uitoefenen van hun werk. Er mag juist verwacht worden dat wij jeugdzorgwerkers in staat stellen om hun werk te doen. Zij zijn de professionals. Als zelfs het aanbieden van een website waarop je nuttige informatie kunt vinden over privacy al wordt gezien als het insnoeren van jeugdzorg in de trant van «we gooien het over de schutting en de jeugdzorgwerkers zien maar hoe ze het doen», neemt mevrouw Koşer Kaya opnieuw de jeugdzorgwerkers niet serieus. Zij kan niet hard maken wat ze zegt en daarom moet ze het ook niet zeggen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik regeer nog even op het blokje onderzoek. Ik ben blij met de toezegging van de minister dat hij het allemaal voor de Kamer op een rijtje wil gaan zetten. Ik heb specifiek aandacht gevraagd voor de regeldruk en de plannen die daarvoor worden ontwikkeld. Ik hoor graag wat de stand van zaken is en wat de knelpunten zijn. Wanneer kan de minister dat naar de Kamer sturen? In welke vorm zal dat gebeuren? Wat mij betreft kan het samen met de voortgangsrapportage, want die krijgen wij toch binnenkort, maar het kan ook apart.

Minister Rouvoet: Ik kan dat niet helemaal overzien. Ik wil het wel goed doen omdat er heel veel loopt. Ik zal er niet onnodig veel tijd voor nemen en zodra het redelijkerwijs mogelijk is om het in samenhang met het traject van de evaluatie te beschrijven, krijgt de Kamer het. Ik wil namelijk geen dingen vergeten, want dat geeft misverstanden. De stand van zaken over hoe het zit met de regeldruk of bijvoorbeeld het project BAM nemen we mee. Dit hoeft niet overdreven lang te duren, maar we moeten het even netjes inpassen in de andere toezeggingen die nog staan. Het komt in ieder geval voor de zomer.

Omdat mevrouw Koşer Kaya en mevrouw Dezentjé het aan de orde stelden, wil ik toch ook nog even ingaan op het metaonderwerp van de visie op de rol van de overheid en hulpverleners naast de verantwoordelijkheden van ouders. Dat zijn relevante vragen die wij bij verschillende gelegenheden al wel met elkaar besproken hebben. Mevrouw Dezentjé miste dat in het landelijk beleidskader. Het landelijk beleidskader is op grond van de Wet op de jeugdzorg eens in de vier jaar wettelijk verplicht. Op grond hiervan moeten provincies hun beleidskaders en uitvoeringsprogramma’s opstellen. Daarin gaan we inderdaad niet meer zo breed in op metavragen over de rol van de overheid, maar dat doen wij wel op andere plaatsen. Ik verwijs naar mijn beleidsprogramma en de Gezinsnota. Juist rond de thema’s opvoeden en opvoedingsondersteuning is met betrekking tot de rol van de overheid een aantal politieke keuzes gemaakt. In dat soort documenten komen die wel degelijk voor en ze worden ook met de Kamer bediscussieerd.

Het kan geen kwaad er nog eens op te wijzen dat we niet te snel de hulpverleners, jeugdzorgwerkers en de overheid moeten verwarren. In bijvoorbeeld het kader van kindermishandeling of preventie heeft de jeugdzorg instrumenten in handen die niet van de overheid zijn, maar van professionals van de jeugdgezondheidszorg en de Raad voor de Kinderbescherming. Dat zijn geen ambtenaren. Dat wil ik uit elkaar houden. Ik begrijp de vraag die daarachter ligt wel. Mevrouw Koşer Kaya stelde de vraag heel pregnant: zijn de kinderen van de Staat? Het antwoord daarop laat zich raden: nee. Daarvan kan men ook uitvoerig kennis nemen in de Gezinsnota. Daarin wordt ook op dit soort vragen ingegaan. Ik kom zelf ook niet gemakkelijk tot teksten als «wij zijn allemaal verantwoordelijk voor de opvoeding van onze kinderen». Daar zit de gedachte onder dat kinderen eigenlijk van de Staat zijn. Vroeger is dat ook wel zo uitgedragen. De opvoeding werd toen gedelegeerd of gemandateerd aan de ouders. Dat is echter niet mijn visie. Dat zou met lijvige werken te illustreren zijn, maar daar zie ik op dit moment van af. Dat is dus niet mijn visie en ook niet de visie van het kabinet.

Wij vinden het wel een taak van de overheid om te zorgen voor een goed werkend stelsel van jeugdzorg voor jongeren die dat nodig hebben. Wij vinden het ook nodig om voor ouders die erom vragen en die er behoefte aan hebben, opvoedingsondersteuning aan te bieden. Vandaar dat we bezig zijn met opvoedingsondersteuning en de Centra voor Jeugd en Gezin. Er ligt een zwaar accent op preventie, maar alles is vrijwillig. Niemand hoeft daar gebruik van te maken. Volgens mij kan mevrouw Koşer Kaya daartegen ook geen bezwaar hebben. Het is geen bemoeienis van de overheid met de opvoeding, maar het bieden van instrumenten en waar nodig het faciliteren en aanbieden van opvoedingsondersteuning voor diegenen die er zelf niet meer uitkomen en een professional zoeken die hen kan helpen. Die zijn er dus als men dat wil en ze kunnen helpen bij eenvoudige vragen. De gang naar een CJG is niet verplicht, maar vrijwillig. Dat hangt samen met onze kabinetsvisie op de noodzaak om mensen in hun eigen kracht te versterken. Het is geweldig als mensen het zelf kunnen. Als mensen het niet zelf kunnen, willen wij ze ondersteunen als zij daarom vragen en hen versterken in hun eigen kracht. Dat geldt voor jongeren, ouders en de samenleving als geheel.

Mevrouw Koşer Kaya illustreerde de tendens die zij constateerde met een aantal instrumenten en schreef het heel royaal toe aan dit kabinet: het ouderschapsplan, het ekd en de verwijsindex. Het is geen jij-bak, maar het is misschien wel goed om te bedenken dat deze ontwikkelingen in gang zijn gezet door het vorige kabinet waarvan D66 deel uitmaakte. Ik had de eer om als eerste het voorstel voor de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in de Kamer te mogen verdedigen in het voorjaar van 2007. Dat was ingediend door het vorige kabinet. Als er al een visie op de samenleving onder kan worden vermoed dan is het op zijn minst ook de visie van het vorige kabinet. Ik bedoel dit niet als jij-bak, maar ik wil wel illustreren dat het niet zo diep steekt als mevrouw Koşer Kaya denkt. Er zit geen gedachte achter dat we van alles moeten opleggen. Integendeel, het zijn hulpmiddelen om te bekijken hoe je met behoud van de verantwoordelijkheid binnen die eigen verantwoordelijkheid van de overheid of de hulpverleners een antwoord kan formuleren als we ongewenste verschijnselen in de samenleving signaleren.

De voorzitter: Mevrouw Koşer Kaya heeft de neiging om over dit onderwerp te interrumperen, maar de term «Gezinsnota» is gevallen. Volgens mij heeft de commissie daarover verslag uitgebracht of is zij daarmee bezig. Dat betekent dat er een nota naar aanleiding van het verslag komt. Volgens mij is dat het moment waarop heel fundamenteel over deze visies gesproken kan worden. Ik wil voorstellen om dat te doen en dat de minister zijn betoog vervolgt.

Minister Rouvoet: Ik denk dat ik de vragen van mevrouw Dezentjé over het landelijk beleidskader meegenomen heb en daarom ga ik nu de vragen langslopen die concreet gesteld zijn. Ik doe dat per woordvoerder en waar nodig zal ik dat met hulp van mijn medewerkers clusteren.

De heer Dibi heeft een aantal concrete punten genoemd die hij in beeld heeft en die voor hem aanleiding zijn om wel te hechten aan nader parlementair onderzoek. Ik heb aangegeven dat alle door hem genoemde onderwerpen deel uitmaken van een van de lopende trajecten of deel uitmaken van de evaluatie. Dat lijkt me dan ook de plek. Hij heeft nog wel een concrete vraag gesteld over effectieve interventies. Hij had het over meer dan 1000. Ik weet niet of het er meer zijn dan 1000, maar er zijn ongetwijfeld allerlei interventies die mensen gebruiken. Wij hechten er juist aan, en dat zit ook in de aanpak die we hebben afgesproken met de sector, dat wij binnen de jeugdzorg waar dat echt nog te beperkt gebeurt, zo veel mogelijk toewerken naar bewezen effectieve interventies. Die worden verzameld in de Databank Effectieve Jeugdinterventies. Bij mijn weten zijn er op dit moment 80 bewezen effectieve interventies binnen de jeugdzorg in de databank. Men kan die website ook zelf bekijken. Dat is natuurlijk niet verplicht, maar helpt soms wel. Interventies moeten wel bewezen effectief zijn.

De heer Dibi (GroenLinks): Kan de minister mij de cijfers doen toekomen van het aantal interventies in de jeugdzorg waarmee gewerkt wordt? Kan hij aangeven in hoeverre die effectief zijn? Ik heb namelijk van een aantal hoogleraren begrepen dat het er meer dan 1000 zijn en dat van de meeste interventies niet bekend is of ze überhaupt werken. Bij de professionals leidt het er ook toe dat zij het gevoel hebben niet te weten waar ze mee bezig zijn en het leidt tot twijfels over de vraag of het wel werkt. Die cijfers zou ik heel graag willen hebben.

Minister Rouvoet: Ik denk niet dat wij zicht hebben op alle interventies waarmee mensen in de jeugdzorg werken. We hebben wel zicht op het traject om steeds meer aan te sturen op bewezen interventies. Daarvoor is die databank van belang. Die leveren wij en die kan de heer Dibi ook zelf raadplegen. Ik ben graag bereid de gegevens aan hem te geven. Vanuit het programmaministerie hebben wij geen zicht op wat er door al die jeugdzorgaanbieders, overigens vaak private partijen, aan verschillende interventies wordt gebruikt. Wij hebben wel mede op verzoek van en in samenwerking met de sector ingezet op professionalisering en aansturing op meer effectieve interventies.

De voorzitter: Ik stel voor dat de heer Dibi zijn bronnen aan de commissie laat zien en dat de commissie dan besluit of zij dat aan de minister voorlegt.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil toch graag een vervolgvraag stellen omdat ik het wel een belangrijk punt vind.

De voorzitter: Ik heb net een procedureafspraak gemaakt. U beroept zich op bronnen die spreken over 1000 interventies. De minister kan daarover niet meer zeggen dan hij nu heeft gedaan. Ik stel dus voor dat u die bronnen met ons deelt en dat wij aan de hand daarvan kunnen bekijken of de commissie als geheel de minister daarop om een reactie vraagt.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat begrijp ik en ik heb toch nog een vervolgvraag. Het gaat onder anderen om de hoogleraren Veerman en Van Ieperen, die in opdracht van het ministerie voor Jeugd en Gezin onderzoek hebben gedaan naar jeugdinterventies. Ik zal die bronnen aan de commissie overleggen.

Ik vind het wel veelzeggend dat de minister voor Jeugd en Gezin niet weet hoeveel jeugdinterventies er zijn en hoeveel er effectief zijn, vooral omdat de Wet op de jeugdzorg een wettelijk recht biedt op goede zorg aan kinderen. Al zijn het private partijen, je verwacht toch dat wij zicht hebben op het feit of die behandelingen werken. Anders verschijnen die kinderen aan het eind van de rit gewoon weer op de wachtlijst omdat de behandeling niet effectief was. Ik zou een iets minder vrijblijvend antwoord willen hebben. Ik verzoek hem ook om daar zelf achteraan te gaan.

Minister Rouvoet: Mijn antwoord is niet vrijblijvend. Ik geef aan dat men mede op initiatief van de sector – en dat heb ik bij mijn aantreden direct breed omarmd – zelf heeft onderkend dat er in delen van de jeugdzorg nog te veel wordt gewerkt met allerlei interventies waarvan wij niet precies weten of ze effectief zijn. In het kader van het plan Professionalisering jeugdzorg dat door mij wordt ondersteund, gaan wij werken aan die bewezen effectieve methoden. Daarop is de energie gericht, juist omdat we hebben geconstateerd dat er te weinig mee werd gewerkt. Het kunnen er 500 of 1000 zijn, maar omdat we constateren dat er heel veel interventies werden gebruikt en omdat we vanuit Den Haag geen zicht hebben op wat de professionals in de spreekkamer doen, stellen we een eis. De inspectie ziet toe op kwalitatief goede en verantwoorde zorg. Dat blijft staan en daar ligt de check vanuit Den Haag. Ondertussen loopt dus dat traject van professionalisering en effectieve interventies. Ik ben blij dat het aantal bewezen effectieve interventies in de databank groeiende is. Dat betekent dat wij steeds beter weten wat er in de jeugdzorg gebeurt. Dat is in het belang van de sector en de kinderen.

Mevrouw Langkamp heeft vragen gesteld over het wettelijk registreren en het tuchtrecht. Dat zit inderdaad in de beroepsgroepen en in het plan Professionalisering jeugdzorg, waarover de Kamer een jaar geleden is geïnformeerd. Dat maakt er inclusief het tuchtrecht deel van uit. Langs die lijn wordt er nog steeds aan gewerkt.

Mevrouw Langkamp vroeg ook naar de slachtoffers van loverboys. Zij was van mening dat die niet in een justitiële jeugdinrichting en ook niet in gesloten jeugdzorginstellingen zouden moeten terechtkomen, maar in een aparte opvang. Over het eerste zijn wij het gauw eens, maar dat waren wij volgens mij al. Slachtoffers – en sowieso civiel geplaatsten – mogen niet in een justitiële jeugdinrichting terechtkomen, maar op zijn minst in een jeugdzorginstelling, vandaar de ontwikkeling van de gesloten jeugdzorg. Voordat een meisje dat slachtoffer is, geplaatst wordt, gaat daar een indicatie van Bureau Jeugdzorg aan vooraf. Daarin wordt aangegeven dat zij een gespecialiseerde vorm van jeugdzorg nodig heeft. Er is ook nog een rechterlijke machtiging nodig die uitspreekt dat dit alleen maar in een gesloten setting kan. Onder die omstandigheden kan het wel degelijk van belang zijn voor meisjes om in een gesloten setting juist ter bescherming van henzelf, de jeugdzorg te krijgen die zij nodig hebben. Dat oordeel is aan de rechter. Ik snap wel dat je deze groep niet zomaar met anderen moet plaatsen. Dat is ook relevant; vandaar ook dat binnen het aanbod van gesloten jeugdzorg er aparte locaties zijn waar dit type slachtoffers wordt opgevangen zonder dat er jongensgroepen in de buurt kunnen zijn. Binnen de gesloten jeugdzorg is hiervoor dus een gespecialiseerd aanbod.

Wat betreft de vragen van mevrouw Bouchibti heb ik al veel gezegd over het traject van de evaluatie. Op de vraag die zij formuleerde over de manier waarop de trajecten zich tot elkaar verhouden en wat het kabinetsstandpunt daarin is, heb ik zojuist gereageerd.

Mevrouw Bouchibti sprak ook over de intimidatie van jeugdzorgwerkers, in het bijzonder van de gezinsvoogden. Zij verwees terecht naar het landelijk agressieprotocol. Dat wordt nu ontwikkeld. Zij vroeg zich af of agressie en geweld tegen jeugdzorgwerkers niet gewoon altijd gemeld zouden moeten worden. Dat wordt vanuit de sector zelf echt ontraden. Het agressieprotocol wordt heel belangrijk gevonden, maar het is niet dienstig om medewerkers te verplichten om altijd aangifte te doen als bijvoorbeeld een vader van een jeugdige pupil tegen hen begint te schreeuwen of iets dergelijks. Zij mogen het natuurlijk wel doen en dat is ook geregeld in een agressieprotocol. Ze weten waar ze terechtkunnen en wat dan de vervolgstappen zullen en kunnen zijn.

Mevrouw Bouchibti verwees ook naar de moeiten die er kunnen zijn rond de aangifte en het bekend worden van het adres. Dat wordt ook onderkend. Het vraagstuk leeft inderdaad breder. Mevrouw Bouchibti verwees al naar buschauffeurs. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bezig met het traject Veilige Publieke Taak. Dat richt zich op ambulancepersoneel en buschauffeurs en dergelijke. Er is afgesproken dat in dit programma ook de jeugdzorgmedewerkers zullen worden meegenomen. Zo kunnen voor hen vergelijkbare regelingen gaan gelden. Dat zou ook betrekking kunnen hebben op de keuze van les domicilie, want dat is in feite waar mevrouw Bouchibti op doelde. Dat is op dit moment de stand van zaken, maar zij heeft gelijk dat dit binnen het domein valt van Veilige Publieke Taak.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Ik heb ook gesproken over de veiligheid van gezinsvoogden. Ik pleit ook niet voor een aangifteplicht, maar voor een meldplicht. Het is wel belangrijk dat er zo’n protocol komt. Ik begrijp dat er verschillend gehandeld wordt. Zoals ik al zei, worden sommige acties tegen gezinsvoogden onder het tapijt geveegd. Er wordt gesteggeld over de vraag of je moet melden. Er moet wel duidelijkheid komen voor deze mensen. Ik had het ook over het geweld dat mogelijk gaat plaatsvinden als jongeren in de auto vervoerd worden.

Minister Rouvoet: Daar kom ik zo op. Dat gaat over het vervoer naar de gesloten jeugdzorg. Over het geweld bij intimidatie heb ik al het een en ander gezegd. Wat betreft het melden, wordt bij ernstige bedreigingen de directeur van het Bureau Jeugdzorg altijd op de hoogte gesteld. Dat is onderdeel van dat protocol. Hij beslist of er aangifte zal worden gedaan. Ik verwees al naar het project Veilige Publieke Taak van BZK.

Je ziet wel eens dat medewerkers privé een Hyvespagina hebben. Als hun naam bekend wordt, krijgen zij via die weg regelmatig te maken met agressie, geweld en bedreigingen. Het is een mooi initiatief dat er afspraken zijn gemaakt met Hyves dat als dit gebeurt en er een signaal komt van de medewerker, zijn pagina direct van internet wordt gehaald. Langs die weg wordt er, in dit geval door een partij als Hyves, hard gewerkt aan de veiligheid van jeugdzorgwerkers. Juist binnen het programma Veilige Publieke Taak van BZK start er binnenkort een pilot bij Bureau Jeugdzorg Haaglanden waarin wordt gezocht naar best practices om het geweld in de jeugdzorg tegen te gaan. Er is veel aandacht voor dit verschijnsel.

Dan kom ik op het vervoer naar gesloten jeugdzorginstellingen. Zoals mevrouw Bouchibti de situatie voorstelde, wordt het niet herkend. Dat is niet de praktijk en ook geen herkenbare verschuiving of verandering. Vervoer naar de gesloten jeugdzorg werd altijd gedaan door DVO, omdat het tot nu toe altijd naar justitiële jeugdinrichtingen ging; met een justitiebusje dus. Wij hebben afspraken gemaakt en daarover ook de Kamer geïnformeerd dat er bij de overgang naar gesloten jeugdzorg ook een ander type vervoer moet komen. Net als vroeger wordt altijd de vraag gesteld wie een jongere het beste naar een instelling voor gesloten jeugdzorg kan brengen. Soms zijn dat de ouders, soms de gezinsvoogd. Als er aarzelingen zijn, is DVO gewoon beschikbaar. Dat is altijd zo geweest en daarin verandert niets nu het gesloten jeugdzorg wordt. Als het wel mogelijk is, verzet niets zich ertegen dat de ouders of de gezinsvoogd de jeugdige ernaartoe brengen. Zien zij dat niet zitten, dan is DVO beschikbaar.

Mevrouw Bouchibti heeft ook gevraagd naar rechten van cliënten en de klachtencommissies. Laat ik daar kort over zijn. Ik hoor hier vaker vragen over en wij hebben er ook al wel eerder over gesproken. Mevrouw Bouchibti vroeg naar een analyse van het functioneren van het klachtenrecht en de vertrouwenspersoon voor de behandeling van de begroting. Ik wil de Kamer daarover graag informeren. Dan kunnen we dat hernemen langs de lijn die zij aangaf.

Mevrouw Bouchibti heeft over kinderrechters gesproken. Daarover is onlangs met de minister van Justitie uitgebreid gesproken. Hij heeft de Kamer beloofd om in het kader van de aanpak van 12-minners met de rechtbanken en de Raad voor de rechtspraak het gesprek over capaciteit aan te gaan. Ik weet dat dit gesprek inmiddels loopt en dat de Raad voor de rechtspraak binnen een bepaalde tijd zal rapporteren wat de stand van zaken is en waar de knelpunten zitten. Het aantal kinderrechters wordt dus niet door de minister van Justitie bepaald, maar dat bepalen de rechtbanken zelf binnen hun budget. Als zij ervaren dat ze te weinig tijd hebben en dat er te weinig kinderrechters zijn, is hun eigen rechtbank de eerste om te adresseren. Vervolgens wordt het aangekaart bij de Raad voor de rechtspraak. Het gesprek met de minister van Justitie is dus geïnitieerd.

Mevrouw Dezentjé sprak over het problematiseren. Ik herken de vragen die zij stelde. Daar komen we zeker op terug. Zij heeft een aantal vragen gesteld over het financieringssysteem, het bekostigingssysteem en de CFJ. Ik ben daarvoor volledig beschikbaar, maar zoals de voorzitter aangaf heeft de Kamer afgesproken om daar half mei apart met mij over te debatteren. Dan komen die vragen over de raming van de CFJ zeker terug.

Dan zullen we ook spreken over wat dat betekent voor de begroting 2010–2011. Mevrouw Dezentjé heeft gevraagd of er bezuinigingen te verwachten zijn. Als kabinet zitten we uiteraard middenin de voorjaarsbesluitvorming. Als die afgerond is, wordt de Kamer geïnformeerd over wat dit voor de begrotingen betekent en met Prinsjesdag zal men precies geïnformeerd worden over wat dit voor de begroting van de komende jaren betekent. Wij kunnen daarop niet vooruitlopen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Wij hadden zojuist een plenair debat over de gevolgen van de crisismaatregelen voor het onderwijs. Dat zou je je ook kunnen voorstellen bij de jeugdzorg. De Voorjaarsnota lijkt me dan het eerst aangewezen moment.

Minister Rouvoet: Over de crisismaatregelen kan ik wel explicieter zijn. Voor Jeugd en Gezin is onder andere de aanpak van de jeugdwerkloosheid relevant. Dat zijn allemaal plussen. Ik ben erg blij met die 250 mln. voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid. In het kader van de crisisaanpak is de intensivering voor jeugdzorg relevant, met dit jaar 20 mln., volgend jaar 50 mln. en in 2011 10 mln. Daarmee kunnen we extra capaciteit voor jeugdzorg, gesloten jeugdzorg en ICT financieren. Dat zijn gevolgen in directe zin, maar mevrouw Dezentjé heeft gelijk dat daarachter het verhaal zit wat dit betekent als we doorkijken naar 2011. Dan zitten er ook bezuinigingen in het pakket. Daarover wordt de Kamer uiteraard op de geëigende momenten geïnformeerd.

De voorzitter: Dat is op Prinsjesdag. Op 19 mei praten wij over de financiering van de jeugdzorg. Ik wil de woordvoerders voorstellen om hun punten tot op dat moment aan te houden, want anders schieten we echt uit de tijd.

Minister Rouvoet: Mevrouw Dezentjé heeft nog twee korte vragen gesteld over de aanpak van 12-minners en kindermishandeling. Daarmee is zeker rekening gehouden, natuurlijk ook bij de ramingen voor het budget. Bij de ramingen worden alle beleidsmaatregelen meegenomen en wordt bekeken hoeveel jeugdzorg dat oplevert. Er zijn afspraken gemaakt met de provincies over kindermishandeling. Het AMK moet rekening houden met misschien wel 22% extra zaken die in de groei zaten. Dat is bij het maken van de prestatieafspraken met het IPO ook aan de Kamer gemeld. Er wordt inderdaad rekening mee gehouden.

Mevrouw Dezentjé vroeg ook of wij de preventie willen versterken. Dat willen wij voortdurend. Wij doen dat onder andere op lokaal niveau met discussies over de CJG’s. Ik weet dat de VVD-fractie daarover een ander standpunt heeft, maar dat is een van de manieren waarop we de preventie wel heel stevig versterken. In die zin komen we daar dus aan tegemoet.

De heer Voordewind zei dat de capaciteit van de gesloten jeugdzorg nog maar 600 plaatsen groot is. De laatste stand van zaken is dat er op dit moment 1137 plaatsen gerealiseerd zijn. Dat is bijna het dubbele. De planning was inderdaad 1374 in 2010. Die is bijgesteld in verband met de overkomst van Glen Mills. Volgens de planning kunnen we in de loop van 2010 op 1500 à 1550 plaatsen komen. Dan heb ik het nog niet over wat er mogelijk is binnen de stimulering in het kader van de crisisaanpak. Dat levert namelijk extra capaciteit op, maar daar zit je ook met een tijdsprobleem, want je kunt niet voor 1 januari nog even gauw nieuwbouw neerzetten. Dat loopt daar natuurlijk wel in mee, zeker ook richting 2011. De capaciteitsplanning zit wat dat betreft goed op streek.

De heer Voordewind vroeg ook hoe het zit met de landelijk werkende instellingen en hoe het zit met een nieuw convenant. Het convenant is afgelopen en er wordt hard gewerkt aan een nieuw convenant voor 2009–2011. Wij denken dat vanaf 2011, gezien de nieuwe financieringssystematiek, de Kaisersystematiek, de LWI’s daarin gewoon gaan meelopen, zoals nu het geval is met het reguliere provinciale aanbod. Ik kom daar graag preciezer op terug bij het debat over de financieringssystematiek. Daar hangt het mee samen. Dat convenant wordt inderdaad vervangen en volgens mijn informatie kan dat binnenkort worden afgerond.

De heer Voordewind had ook een vraag over de keuzevrijheid voor zorgaanbieders. Er was binnen de provinciale staten van Groningen inderdaad een vraag over die keuzevrijheid. Ik heb begrepen dat er een voorstel is gedaan vanuit de statenfractie van de ChristenUnie daar. Dat is door de gedeputeerde staten omarmd en wordt in 2010 uitgevoerd. Ik hoop dat dit genoeg is om hem gerust te stellen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De vraag was natuurlijk of dit ook breder uitgezet kan worden dan alleen in Groningen.

Minister Rouvoet: Wat gedeputeerde staten in Groningen kunnen, kunnen gedeputeerde staten elders ook. Zo simpel is dat. Het heeft te maken met de verantwoordelijkheid van de provincie voor het zorgaanbod. De heer Voordewind heeft gelijk dat cliënten niet zelf zorg kunnen inkopen, want dit loopt via de provincies. Als er behoefte is aan een andere manier van zorg inkopen en als er knelpunten zijn, is het aan provincies om daarin te voorzien. Zij moeten de mensen in hun provincie zo goed mogelijk bedienen. De oplossing die in Groningen is gevonden, kan natuurlijk ook in andere provincies worden nagevolgd.

Mevrouw Sterk had het over informatie en de positie van de ouders. Ik denk dat ik haar tegemoet kan komen door te zeggen dat ik dit zal meenemen in de analyse van de vragen over het klachtrecht, de vertrouwenspersoon en de positie van ouders die ik mevrouw Bouchibti heb toegezegd. Mevrouw Sterk heeft ook enige woorden gewijd aan de positie van het gezin in de samenleving. Het lijkt me dat dit aansluit bij de woorden van mevrouw Dezentjé en mevrouw Koşer Kaya over de visie op de taak van de overheid. Mevrouw Sterk heeft enkele vragen gesteld over het onderwerp diversiteit in het jeugdbeleid en migrantengroepen in de jeugd-ggz. Daarnaast stelde ze vragen over een juridisch onderzoek: wie, wat, wanneer? Ik laat deze twee onderwerpen even nakijken en ik wil er in tweede termijn op terugkomen. Wat betreft de vraag of het jaarprogramma van de inspectie ook op de netwerkpleegzorg zit, kan ik antwoorden dat dit het geval is.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik wil de commissieleden van de coalitie bedanken dat zij een stap vooruit willen zetten: of het nu via het BOR is of via de Algemene Rekenkamer. Ik ben blij dat we nu verder onderzoek naar de samenhang en de doelmatigheid van de gelden kunnen doen.

Ik stelde de vraag of kinderen van de Staat zijn en gaf een aantal voorbeelden. De minister zei dat dit in het vorige kabinet al in gang was gezet. Hij zei dat hij niet wilde jij-bakken, maar ging vervolgens toch alles op mijn bord leggen. Wat betreft het ekd hebben wij nooit onder stoelen of banken gestoken dat wij dit wilden. Wij hebben strijd gevoerd en voeren nog steeds strijd tegen die risicoanalyse voor alle kinderen. De uitvoering en de invulling, ook van de verwijsindex, zie ik een preventieve machine worden, terwijl dat nimmer de bedoeling is geweest. Dat is de uitvoering van dit kabinet. Ik wil inderdaad ook niet jij-bakken. Ik zou het prettig vinden als wij ook de schaduwzijden durven te bekijken van de maatregelen die wij nemen. Wat voor effect heeft dit op de samenleving? Nemen we zo veel verantwoordelijkheid als overheid over? Of er nu nog een keuze in zit of niet, de samenleving raakt zo gewend aan het feit dat ze bij alles door de overheid geholpen wordt dat mensen zich straks nergens meer verantwoordelijk voor voelen. Dat moeten we ons ook aantrekken. Wil de minister bekijken hoe het met die schaduwzijden zit en hoe wij ervoor kunnen zorgen dat wij straks nog steeds mensen hebben die primair verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven?

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Dank aan de minister voor zijn beantwoording. GroenLinks is onder de indruk van de kwaliteitsinhaalslag die nu in het werkveld wordt gemaakt. Zoals ik al eerder zei, vragen wij ons af hoe wij dit een steun in de rug kunnen geven. Ik blijf bij mijn gedachte dat een parlementair onderzoek daarvoor het meest geëigende middel is omdat wij dan allemaal gezamenlijk zullen optrekken en niet alleen maar aanbevelingen van de minister zullen overnemen.

Ik ben teleurgesteld over het schermen van de minister met de professionals. Ik heb daar ook wel een beetje genoeg van. Zij vluchten namelijk niet weg uit de jeugdzorg omdat de Kamer allerlei onderzoekjes wil, maar door heel andere dingen. Die moeten wij allemaal proberen te verbeteren.

Ik heb nog een vraag over inzicht in alle cijfers. De minister was niet bereid om inzicht te geven in de cijfers over de jeugdinterventies en de effectiviteit ervan. Ik ga daar zelf achteraan en dan kunnen wij ze meenemen in het BOR-onderzoek of wij kunnen de minister erop laten reageren. Heeft hij wel inzicht in de cijfers en kengetallen van de doelgroepen, betrouwbare productiecijfers zonder dubbeltellingen, goede doorstroomcijfers en cijfers over kostprijzen? Hoeveel extra capaciteit is er in de jeugdzorg gecreëerd na zijn aantreden met het extra geld dat hij heeft geïnvesteerd?

Ik heb nog een vraag over het crisispakket. De minister zegt dat het allemaal plussen zijn, maar dat klopt niet. Er zijn drie posten waardoor ook het departement voor Jeugd en Gezin geraakt zal worden: de voorjaarstaakstelling van 3,7 mld., de bezuinigingen op lonen en uitkeringen in de collectieve sector van 3,2 mld. en de taakstelling tekortenreductie van 1,8 mld. Samen is dat 8,7 mld. Alle departementen zullen die pijn moeten verdelen. Dat zal dus ook ten koste gaan van Jeugd en Gezin. Hoe gaat de minister de bezuinigingen binnen zijn begroting invullen?

Mevrouw Langkamp (SP): Voorzitter. De minister zei dat de overheid verantwoordelijk is voor een goed werkend stelsel van jeugdzorg. Zo is het maar net. Ik denk dat we het erover eens zijn dat het stelsel op dit moment niet goed werkt, vandaar alle verbeterplannen en -trajecten en dingen die in gang zijn gezet om het beter werkend te krijgen. Toch merken de mensen op de werkvloer tot op heden niets van deze verbeteringen. Mijn simpele vraag is daarom: wanneer gaan de mensen op de werkvloer er wat van merken? Wanneer ervaren zij die minder hoge regeldruk? Zo noemt de minister het tenminste. Ik noem het bureaucratie, maar we hebben het over hetzelfde.

Dan kom ik nog op de opvang van slachtoffers van loverboys. Ik noem ze liever pooierboys, want «loverboys» vind ik echt een misplaatst woord. De minister zei dat er aparte opvangplekken zijn, maar volgens mij zijn het er echt te weinig. Bovendien zijn die plekken ook niet overal in het land. Ik heb gevraagd hoe groot die groep eigenlijk is. Is de minister bereid om hiervoor aandacht te vragen bij de provincies? Er moet voldoende ambulante hulpverlening komen voor deze meiden, zodat daarmee voor een deel voorkomen kan worden dat ze uiteindelijk gesloten geplaatst moeten worden. Ze moeten als het nodig is echt apart opgevangen kunnen worden, bij voorkeur binnen hun eigen provincie.

Mevrouw Bouchibti (PvdA): Voorzitter. Ik ben blij dat de oppositie ook heeft aangegeven dat ze onderzoeksmoe is. De mensen in het veld zijn dat ook. De PvdA-fractie wil weten welke zorg onze kinderen nodig hebben: op welk moment en vooral ook waarom hebben zij die zorg nodig? Hoe kunnen wij deze zorg het beste bieden? Ik heb drie vragen die ook per brief beantwoord mogen worden; het hoeft niet per se nu.

Mijn fractievoorzitter heeft tijdens het behandelen van de begroting gesproken over ontkokeren en ontschotten. Ik wil graag een reactie van de minister per brief over kinderen in de separeercel. Hoe vaak, op welk moment en waarom komt dit voor in de jeugd-ggz en de gesloten jeugdzorg? Daar wordt het namelijk niet altijd gemeld. Ik ben er in verband met de tijd niet over begonnen, maar ik sluit me aan bij mevrouw Sterk die het heeft over diversiteit. De minister schiet echt een beetje in zijn voet. In de grote steden is meer dan de helft van de jongeren die gebruikmaakt van de jeugdzorg van allochtone komaf. Ik begrijp daarom niet dat culturele diversiteit niet wordt meegenomen in het stuk professionalisering. We hebben het over werktrajecten en projecten hier, maar het moet echt naar onderen naar de medewerkers toe, die zich klaar moeten stomen voor een veranderende samenstelling van aanbod. Ik dank de minister ook voor de toezegging van de brief over de samenhang en de verhouding tussen verbetertrajecten en lopende onderzoeken en de voorbereiding op het kabinetsstandpunt in 2010.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Ik was nog niet toegekomen aan het werkprogramma van de inspectie. Daarover heb ik nog twee vragen. Hoe staat het met het verbeterplan voor de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming? Dat verbeterplan zou komen tussen de MOgroep en de Raad voor de Kinderbescherming om per 1 januari 2009 anders te gaan werken. Ik wil van de minister horen hoe het hiermee staat. Wat is er inmiddels gebeurd?

Hoe gaat het met de scholing in JJI’s? Hoe staat het met de controle op het onderwijs in de JJI’s? In de praktijk is gebleken dat sommige jongeren maandenlang geen onderwijs genieten omdat zij wachten op een behandelplan. Tegen de tijd dat ze het zouden moeten hebben, zijn zij er alweer uit. In een jong mensenleven is dat natuurlijk een groot gat op onderwijsgebied. Het is ook belangrijk in het kader van arbeidstoeleiding. Ik zou daarom graag willen weten hoe het daarmee staat qua inspectie. Als dat niet geïnspecteerd wordt, kan dat dan alsnog meegenomen worden?

Ik had de vraag die de heer Dibi ook stelde over de financiën wat nader gespecificeerd en ik wacht het antwoord daarop graag af.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Dank voor de laatste cijfers over de gesloten jeugdzorg. De minister weet dat dit altijd mijn grote aandacht heeft gehad en dat wij daarover ook een motie hebben ingediend om dat versneld te krijgen. In het laatste beleidskader dat ik van de minister kreeg stond nog die 600, maar ik ben blij dat dit inmiddels op 1137 zit.

Ik had nog een vraag uitstaan over de pgb’s in de jeugdzorg. Dat is tot nu toe altijd afgehouden, maar het zou een optie kunnen zijn als het gaat om het vrijwillige deel van de jeugdzorg. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Wat betreft de lvg-jongeren en de gesloten jeugdzorg krijgen wij berichten van de Bureaus Jeugdzorg dat zij daarvoor graag een gespecialiseerde gesloten jeugdzorg zouden zien. Dat is dus geen gewone gesloten jeugdzorg, maar een aparte opvang voor de lvg-jongeren. Dat zou betekenen dat we vraaggerichter zouden kunnen indiceren via de gesloten jeugdzorg voor de lvg-groep.

Dan heb ik nog een vraag over de Eigen Kracht. Mevrouw Sterk noemde het al even. Wil de minister de functie en de waarde van de Eigen Kracht, of het familienetwerkberaad, meewegen bij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg? Ik vraag dit onder andere gezien de positieve resultaten die de provincie Overijssel met deze benadering heeft bereikt.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor zijn antwoorden, maar ik wacht nog op twee antwoorden. Ik hoop dat hij daar straks nog op ingaat. Verder verwees de minister in de discussie over de visie op het gezin naar de Gezinsnota. Ik denk dat dit op zich terecht is. Wij hebben echter ruim twee maanden geleden vragen ingediend. Ik ben wel benieuwd waar de antwoorden blijven, want ik verheug mij op een stevig debat over die Gezinsnota.

Wat betreft die brief over de informatiepositie van ouders: het gaat niet alleen over klachtrecht, maar ook over hoe de ouders gehonoreerd worden in zo’n jeugdzorgtraject. Heel vaak ligt de focus op de hulp aan het kind, maar hoe worden die ouders daar zo veel mogelijk bij betrokken? Hoe zorgen wij ervoor dat er met ouders gesproken is en dat informatie niet gebaseerd is op iemand die al eerder een rapport heeft geschreven over zo’n gezin? Ik hoop dat de minister die focus wil meenemen in de brief die hij net heeft toegezegd.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Mevrouw Koşer Kaya heeft nog eens uiteengezet hoe zij ertegenaan kijkt, ook tegen instrumenten als het ekd en verwijsindex. Los van het jij-bakken denk ik dat het goed is om ons te realiseren dat het instrumenten zijn die afkomstig zijn uit de Operatie Jong. Die werd breed gedragen. Ik heb de implementatie ervan met overtuiging doorgezet omdat ik ze relevant vind voor de mensen die het werk moeten doen. Het is wat mij betreft nog steeds in lijn met de Operatie Jong. Mevrouw Koşer Kaya vraagt of we op weg zijn naar een samenleving waarin iedereen in alles geholpen wordt door de overheid. Ik onderstreep nog maar eens dat de overheid niet de hulpverlening biedt. De hulpverleners doen dat; de professionals. Ik wil dat echt uit elkaar blijven houden. De taak van het beschikbaar stellen door de overheid is één ding. Het zijn echter geen ambtenaren die opvoedingsondersteuning bieden. Het is niet de minister die zich bemoeit met de opvoeding. Het gebeurt door professionals die daarvoor zijn opgeleid en die bereid zijn om mensen met vragen over opvoeding te helpen. Ik zou best wel eens een breder debat willen hebben. Er is ook publiciteit geweest over de vraag of er vanuit de samenleving door ouders, scholen en anderen niet te gemakkelijk een etiketje geplakt wordt. Dat lijkt me op zichzelf een relevante discussie. Ik weet dat de heer Dibi daar mondelinge vragen over heeft willen stellen, maar dat dat niet kon doorgaan. Op zichzelf is dat een relevante discussie. Wij moeten dat niet verwarren met een overheid die zich zo graag met alles wil bemoeien. Dat zijn echt twee verschillende vragen.

De heer Dibi zegt dat ik niet bereid ben om inzicht in de cijfers te geven. Hij moet mij wel goed citeren. Ik heb gezegd dat wij vanuit het Haagse programmaministerie geen zicht hebben op alle interventies bij alle jeugdzorginstellingen. Dat is niet zo gek als hij het doet voorkomen. Hij zegt dat hij er zelf achteraan gaat. Wij zien dat met belangstelling tegemoet. Ik ben verantwoordelijk voor het ondersteunen van het proces binnen de sector en de beroepsgroepen zelf tot professionalisering inclusief het werken aan bewezen effectieve methodes. Ik doe dat en ik rapporteer daarover.

De heer Dibi heeft een heleboel andere vragen gesteld over cijfers. Ik kan gemakshalve verwijzen naar alle informatie die al is toegestuurd. In de jaarlijkse brancherapporten staat informatie over kostprijzen. Dat staat in alle rapporten die jaarlijks worden toegestuurd. Als er dingen zijn die de heer Dibi niet gekregen heeft en die hij wel graag wil hebben, kan hij die informatie krijgen als wij die hebben. Van de dingen die hij net zo gauw noemde, heb ik stellig de overtuiging dat die informatie bij de Kamer bekend is, althans kan zijn. Ik wil ook wel bekijken of daarin een omissie zit, want dat is niet de bedoeling. Informatie de wij hebben, delen wij met de Kamer. Zo simpel is dat.

Dat ligt iets anders bij de inhoud van de vraag van de heer Dibi over het crisispakket. Het crisispakket bestaat uit wat er de komende twee jaar aan extra middelen beschikbaar is. Natuurlijk heeft dat ook een keerzijde. Het kabinet heeft afgesproken om vanaf 2011, als de economie het weer toestaat, de overheidsfinanciën en het begrotingstekort op orde te brengen. Daarin zit inderdaad een taakstelling voor het kabinet. Die is nog niet ingevuld. Mijn inschatting is dat ik op dit moment iets meer van het proces weet dan de heer Dibi. Dat wordt in de boezem van het kabinet besproken en zal de komende weken en maanden onderwerp van besluitvorming zijn. Dan zal moeten blijken wat daar voor de verschillende ministeries en bewindslieden aan taakstellingen uitkomt. Dat is geen wiskundige formule en die gaan wij nu dus niet invullen. Zodra ik er zicht op heb, zal de Kamer daar via de reguliere begrotingsvoorbereiding van 2010 en 2011 ook zicht op krijgen, want dan gaat pas die taakstelling van 1,8 mld. spelen. Uiteraard gebeurt bij de Voorjaarsnota wat er dan moet gebeuren.

Mevrouw Langkamp heeft erop gewezen dat in haar waarneming en volgens de signalen die zij krijgt mensen geen verbetering merken. Ik vind dat dit onrecht doet aan wat er in de sector gebeurt. Dat wij er nog niet zijn, heb ik al aangegeven en dat vind ik ook, anders zouden wij deze debatten niet met elkaar hebben. Ik denk toch dat er onrecht wordt gedaan aan wat er binnen de sector gebeurt. De MOgroep is maar één signaal en ik verschuil me daar niet achter, maar het is wel een signaal dat men binnen de sector wel degelijk het gevoel heeft dat er een heleboel gebeurt. Het is een deel van de belasting die men ervaart dat er zo veel trajecten zijn waar men zelf om vraagt. Men ziet ook dat het in het belang is van de jeugdigen die men wil helpen, maar men ervaart het wel als een belasting dat het allemaal tegelijkertijd moet gebeuren. Maar ondertussen doet men het wel: de implementatie van al die methoden en verbetertrajecten. Mijn signalen zijn echt anders. Mensen merken wel degelijk dat er iets verandert, maar ook dat wij er nog niet zijn.

Zijn er voldoende opvangplekken? Het klopt dat wij een beperkt aantal locaties hebben voor gesloten jeugdzorg. Wij kunnen dus niet overal in het land gespecialiseerde gesloten jeugdzorg neerzetten. Wij hebben wel voor bepaalde groepen, en met name voor deze groep, twee locaties waar die meisjes terechtkunnen. Die kun je niet door het hele land hebben, want dan heb je ook een geweldige overcapaciteit. Binnen het aanbod moeten wij dat zo goed mogelijk organiseren. Mevrouw Langkamp vroeg ook of er voldoende ambulante begeleiding door de provincies is en of ik daarvoor aandacht wil vragen. Dat maakt natuurlijk onderdeel uit van het normale gesprek tussen mij en de provincies. De provincies zijn verantwoordelijk voor het bieden van verschillende vormen van voldoende jeugdzorg in hun regio, waaronder de ambulante zorg. In eerste termijn noemde mevrouw Langkamp de organisatie Pretty Woman. Ik meen dat dit een gemeentelijke instantie is. Je hebt de gemeentelijke opvang in het kader van de vrouwenopvang en dat is uiteraard een gemeentelijke aangelegenheid, die niet via de provincies loopt en ook niet door hen wordt gefinancierd.

Mevrouw Bouchibti vroeg naar de stand van zaken bij de ontkokering en de ontschotting. Ik denk dat zij concreet op de G4-discussie doelt. Ik zal haar daarover preciezer informeren. In hoofdlijnen komt het erop neer dat ik intensief contact heb gehad met de wethouders van de G4, zoals was toegezegd naar aanleiding van onder andere haar motie die is ingediend bij de behandeling van de begroting. Wij hebben vastgesteld dat van allerlei bestaande regelingen de bestaande doeluitkeringen al gebundeld zijn. De Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin is daarvan een sprekend voorbeeld. Er is niet zo heel veel meer te bundelen.

Er is nog wel een aantal maatregelen op komst dat gemeenten beter in staat stelt om regie te voeren. Ik denk aan het wetsvoorstel Centrum jeugd en gezin, waarin ook de doorzettingsmachtdiscussie een rol speelt. Ik noem maar even een hoofdthema. Dat stelt de wethouders van de G4 – maar niet alleen van de G4 – in staat om beter regie te voeren. Bij de wethouders van de G4 lag nog één vraag: zij zouden ook graag de regie hebben over de jeugd-lvg en de jeugd-ggz. Dat vergt een forse wetswijziging en dat zou vooruitlopen op de stelseldiscussie en de evaluatie, omdat de jeugd-lvg en de jeugd-ggz nu via andere wettelijke systemen worden gefinancierd, namelijk de AWBZ en de Zorgverzekeringswet. Daar konden wij in de huidige situatie niet aan tegemoetkomen. De wethouders hebben zich toen afgevraagd of een convenant bovenop alles wat al gebundeld en ontschot gebeurt, dan veel toegevoegde waarde heeft. Hun conclusie was dat dit eigenlijk geen toegevoegde waarde zou hebben. Wat er is toegezegd aan bundeling zullen wij doorzetten.

Ik verwijs kortheidshalve nog even naar het traject dat wij in dit verband met Rotterdam doorlopen. Daar willen wij onderwijs- en zorginstellingen dichter bij elkaar brengen. Dat is een traject met wijkscholen en dergelijke. Dat gaan wij wat mij betreft ook voor de andere G4-steden vruchtbaar maken. Dit is de stand van zaken. Als mevrouw Bouchibti dat wil, kan ik het nog wel wat preciezer uitschrijven.

In het mondelinge vragenuur hebben wij een tijdje geleden uitvoerig stilgestaan bij kinderen in de separeercel. De inspectie is bezig met onderzoek en als dat klaar is krijgt de Kamer die informatie.

Dan kom ik op culturele diversiteit en opleiding. Het plan Diversiteit in het Jeugdbeleid noemt ook de interculturele competenties binnen de opleidingen. Ik denk dat wij geen verschil van mening hebben over het belang daarvan.

Mevrouw Dezentjé vroeg naar het jaarprogramma van de inspectie en de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming. Dat is toegezegd per 1 januari jl. Dat is inderdaad afgesproken naar aanleiding van de rapporten van de Inspectie jeugdzorg van eind 2008. De Bureaus Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming hebben die taak per 1 januari opnieuw opgepakt. De uitvoeringsorganisaties hebben laten weten dat de gemaakte afspraken inmiddels zijn nagekomen conform de toezegging die ik aan de Kamer heb gedaan.

Het onderwerp onderwijs in de JJI raakt ook de verantwoordelijkheid van Justitie. Daarover is uitvoerig gesproken tussen de Kamer en de staatssecretaris van Justitie, ook over het belang van onderwijs in JJI’s. Als ik het iets meer binnen dit debat betrek op de gesloten jeugdzorg, want daar ligt natuurlijk mijn directe verantwoordelijkheid, is onderwijs een gegeven. Het staat in het streefbeeld en in de kwaliteitsplannen van de gesloten jeugdzorg. Het heeft onbetwist een vaste plek in de gesloten jeugdzorg. Ik onderschrijf natuurlijk het belang daarvan.

De heer Voordewind sprak over het gebruik van pgb’s in de jeugdzorg. Als een aantal fracties hier een sterk gevoel bij heeft, lijkt me dit een onderwerp om bij de stelseldiscussie te betrekken. Dan kunnen wij bespreken of het een extra oplossing biedt in het kader van keuzevrijheid en of het in het systeem past. Ik heb daar wel enige aarzeling bij, zeg ik op voorhand. Het lijkt me iets wat wij bij de stelseldiscussie kunnen betrekken, maar ik zie wel haken en ogen bij het introduceren van pgb’s in de jeugdzorg.

Ik draag overal de waarde en betekenis uit van de Eigenkrachtconferentie. Dat heeft zijn eigen plek in alles wat nu loopt in de richting van de evaluatie. Het zit niet in de evaluatie zelf, want het is een organisatie van het programma en geen hulpverleningsmethodiek. Het is wel een heel belangrijk element in het kader van de preventie. Dat ben ik met de woordvoerders eens en men weet hoezeer ik aan preventie hecht. Het kan zowel bij provincies als bij gemeenten worden toegepast.

Mevrouw Sterk vroeg naar diversiteit. Het juridisch onderzoek is voor de zomer beschikbaar. Het onderzoek naar de psychiatrische problematiek van Marokkaans-Nederlandse jongeren wordt uitgevoerd door de Bascule. Dat gebeurt in samenwerking met het programmaministerie voor Wonen, Wijken en Integratie. Het zal eind 2010 gereed zijn, maar eind 2009 ontvangen wij daarvan een tussenrapportage.

Als laatste vroeg mevrouw Sterk naar de positie van de ouders. Dat is van belang en je ziet het bij verschillende vormen van jeugdzorg steeds meer gebeuren. Bij de gesloten jeugdzorg is het betrekken van het gezin van belang. Het loopt mee en ik zal er aandacht aan geven. Dit is ook een onderdeel dat expliciet benoemd is in de opdracht voor de evaluatie. Bij cliënten wordt namelijk ook gekeken naar de positie van de ouders in het kader van de jeugdzorg. Dat zit daar dus in geborgd.

Mevrouw Sterk (CDA): Een van mij vragen is niet beantwoord. Wanneer krijgen wij de antwoorden op de Gezinsnota?

De voorzitter: Ik wilde inderdaad ook van de minister horen hoe het staat met de nota naar aanleiding van het verslag.

Minister Rouvoet: Hier geldt een ruimhartig mea culpa. Ik had de afgelopen weken ook enige andere zaken aan mijn fiets hangen. Ik begrijp het ongenoegen van de Kamer. Ik zie overigens met dezelfde intensiteit als mevrouw Sterk uit naar het debat. De heer Dibi ook zo te zien, want zijn ogen gaan al glimmen. Ik denk dat die antwoorden na Pasen, dus volgende week, bij de Kamer liggen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik heb misschien nog een heel goede suggestie. Mocht het op bezuinigen aankomen dan is mijn suggestie om te stoppen met die 10 mln. die naar diversiteit en jeugdbeleid gaat. Dat kunnen wij als eerste schrappen als er bezuinigd moet worden.

De voorzitter: Volgens mij is dit echt buiten de orde.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Het staat op de agenda, dan mag ik er toch iets over zeggen? Ik vind het zeer onterecht dat u mij hierop afkapt.

De voorzitter: Ik kap u niet af. Wij hebben het vandaag niet over bezuinigingen. Wij hebben eerder vastgesteld dat wij later over financiën zullen gaan praten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Wij hebben het over diversiteit. U maakt een ordefout.

De voorzitter: Het spijt me, maar ik vind dat u buiten de orde bent als u bij een interruptie in de tweede termijn van de minister, zeven minuten na afloop van de officiële vergadering toch met een op zichzelf heel belangrijk punt komt. Aan het punt wil ik niets afdoen, maar het is gewoon verkeerd getimed.

Ik sluit de vergadering en wens alle ouders onder ons heel veel succes met de interventies vanavond thuis.

Toezeggingen

– De minister stuurt de Kamer voor de zomer een brief over de stand van zaken van de lopende onderzoeken, verbetertrajecten en de samenhang daartussen.

– De minister geeft voor de begroting voor 2010 nadere informatie over het functioneren van de klachtencommissies, de procedures daarbij, de positie van de ouders en het klachtrecht. Daarbij kan ook de reactie betrokken worden op de petitie die de commissie is aangeboden.

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

De griffier van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Teunissen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Dijsselbloem (PvdA), Çörüz (CDA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (BVV), Leijten (SP), Dibi (GroenLinks), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA).

Plv. leden: Omtzigt (CDA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Nicolaï (VVD), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Bosma (PVV), De Wit (SP), Arib (PvdA), Jan de Vries (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Heerts (PvdA) en Karabulut (SP).