Kamerstuk 29435-261

Verslag van een algemeen overleg

Nota Ruimte; Verslag van een algemeen overleg; Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 8 april 2010, inzake uitvoering Nota Ruimte


Nr. 261 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 mei 2010

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 8 april 2010 overleg gevoerd met minister Huizinga-Heringa van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 12 oktober 2009 inzake de kennisgeving ten aanzien van besluitvorming Nota Ruimtebudget (29 435, nr. 247);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 9 november 2009 inzake de kennisgeving ten aanzien van besluitvorming Nota Ruimtebudget (29 435, nr. 249);

  • de brief van de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken d.d. 7 december 2009 inzake de Agenda Bedrijventerreinen 2008–2009 en toezending Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 (31 253, nr. 22);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 2 december 2009 inzake het verzoek tot aanwijzing Oude Rijnzone-oost als rijksbufferzone (2009Z23268);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 1 december 2009 inzake de reactie op NederLandBovenWater en gebiedsontwikkeling (29 435, nr. 252);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 1 december 2009 inzake de werkwijzer «Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) van Integrale Gebiedsontwikkelingen» (29 435, nr. 251);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 30 november 2009 inzake de kennisgeving ten aanzien van besluitvorming Nota Ruimtebudget (29 435, nr. 250);

  • de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 27 november 2009 inzake de evaluatie gemeentelijk kampeerbeleid (26 419, nr. 38);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 26 november 2009 inzake de samenwerkingsagenda Mooi Nederland (31 500, nr. 19);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 1 september 2009 inzake de Reiswijzer Gebiedsontwikkeling 2009 (29 435, nr. 244);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 22 februari 2009 inzake de voortgangsrapportage GIDEON (32 123-XI, nr. 60);

  • de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 26 maart 2010 inzake de stand van zaken van de Wet ontheffing permanente bewoning recreatiewoningen (32 123-XI, nr. 63).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Van der Leeden

Voorzitter: Neppérus

Griffier: Van Dalen

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Neppérus, Wiegman-van Meppelen Scheppink, Linhard, Van Leeuwen, Mastwijk en Dibi,

en minister Huizinga-Heringa van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik open dit algemeen overleg over de uitvoering van de Nota Ruimte en heet de aanwezigen welkom.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Nederland wordt mooier. Een flink aantal Nota Ruimteprojecten staat in de steigers. Er zijn snelwegpanorama's aangewezen. Dankzij mijn motie zijn er afspraken gemaakt met provincies om te komen tot een betere bescherming van mooie, regionale panorama's. Voor windenergie op land wordt gekeken naar combinatiemogelijkheden met andere infrastructuur en bedrijventerreinen. Ook wordt er gewerkt aan het tegengaan van verrommeling, bijvoorbeeld door het opruimen van verouderde kassen. Dat zijn allemaal goede resultaten, maar wij zijn er nog niet. De Kamer heeft een paar mooie rapporten ontvangen over de rol van maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s) bij gebiedsontwikkelingen, vooral over hoe moet worden omgegaan met zachte waarden als natuur en landschap. De brief bevat echter nog geen conclusies en dat maakt het lastig om erover te debatteren. Er komt nog een reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), maar de ChristenUnie verwacht ook een beleidsreactie van de minister. Er moet snel wat worden gedaan met de constatering dat de MKBA’s en milieueffectrapportages (m.e.r.’s) veel beter op elkaar afgestemd kunnen worden door bijvoorbeeld het meest milieuvriendelijke alternatief in de MKBA mee te nemen. De minister geeft aan dat in de reflectie van het PBL ook de evaluatie van MKBA’s van Nota Ruimteprojecten wordt betrokken. De ChristenUnie zou daarbij graag ook alle andere MIRT-projecten betrekken. Het moet niet alleen over de waardering van natuureffecten gaan, maar bijvoorbeeld ook over de rare verschillen die nog in de MKBA’s zitten in de waardering tussen openbaar vervoer en automobiliteit.

De kredietcrisis heeft duidelijk gemaakt dat we te maken hebben met een structurele overprogrammering van kantoren, bedrijventerreinen en in een groot aantal regio’s ook van woningen. Het gevolg is dat vooral goedkope projecten in het groen doorgaan en dat meer complexe, binnenstedelijke plannen onvoldoende van de grond komen, omdat hiervoor geen gezonde financiële basis is. De crisismaatregelen zijn gericht op het op gang houden van de bouw, maar wij zullen zo snel mogelijk toe moeten naar meer selectiviteit in gebiedsontwikkeling, waarbij kwaliteit vooropstaat. Er is een trendbreuk nodig. Het valt op dat private partijen sceptischer zijn over de structurele veranderingen van de financiële crisis dan de minister. Daarom is mijn vraag of de minister bereid is om de overprogrammering van vastgoed aan te pakken. Dat zou ten eerste kunnen door van gemeenten en provincies een striktere toepassing van de SER-ladder voor bedrijventerreinen en kantoren te eisen. Ten tweede kan dat door regio’s in de MIRT-overleggen aan te spreken om regulering van het aanbod als een serieuze taak op te pakken. Ten derde zou in de tweede tranche van de AMvB Ruimte de toepassing van de SER-ladder moeten worden uitgebreid met woningbouw, maar dat lijkt mij een onderwerp om nader over te spreken na de verkiezingen.

De ChristenUnie maakt zich zorgen over de ongebreidelde groei van bedrijventerreinen. Er is nu een convenant om dit te beperken, maar het proefschrift van de heer Han Olden toont aan dat er een meer fundamentele aanpak nodig is. Er is sprake van collectief overheidsfalen door onder andere te vrijblijvende regionale samenwerking. Ook is de benadering te veel gericht op de regionale economie en daardoor op nieuwe bedrijventerreinen en te weinig op een blik vanuit het vastgoed. De Koninklijke Metaalunie geeft bijvoorbeeld aan dat eigenaren en gebruikers van bedrijventerreinen nog veel te weinig betrokken zijn bij plannen voor herstructurering. Dat is zorgelijk, want wij hebben hen wel nodig.

De ChristenUnie vraagt de minister een flinke aanscherping van het Convenant Bedrijventerreinen voor te bereiden, bijvoorbeeld voor de komende begroting, zodat een nieuw kabinet hier snel besluiten over kan nemen. De planningopgave moet worden geactualiseerd. De prognoses gaan nog te veel uit van doorgaande tendensen, maar op een gegeven moment zijn er geen bedrijven meer te verplaatsen uit woongebieden. Wij moeten ook niet alle categorie 1 en 2-bedrijven op kostbare grond willen hebben. Die is nodig voor zwaardere bedrijven. Ook heeft de ChristenUnie de indruk dat in de gekozen groeiscenario’s, het Transatlantic Market-scenario, geen rekening gehouden wordt met het herstructureringsbeleid. Het moet volgens de ChristenUnie-fractie minder vrijblijvend. Het kabinet beveelt gemeenten aan om marktconform grondbeleid te voeren, maar wat is de garantie dat dit ook gebeurt en dat gemeenten hun rug recht houden in de concurrentiestrijd? Met andere woorden, aan welke prikkels voor gemeenten denkt het kabinet? De commissie-Jorritsma heeft aangetoond dat de balans tussen mededinging en staatssteun kan worden gehouden als de minister de gemeenten een richtlijn geeft over de grondprijsmethodiek, omdat het dan uit de privaatrechtelijke sfeer wordt getrokken. Is de minister bereid om zo’n richtlijn op te stellen? Minder vrijblijvendheid kan ook door bij het ter beschikking stellen van subsidies voor herstructurering als voorwaarde te stellen dat de gemeenten in regionaal verband afspraken hebben gemaakt over grondprijsbeleid, segmentering en verevening. Is de minister daartoe bereid? Er moet ook meer fundamenteel gekeken worden naar beheer en onderhoud. Voorkomen moet worden dat gemeenten die hier in het verleden te weinig rekening mee hebben gehouden, worden beloond voor slecht gedrag. Herstructurering moet niet blijven steken in een facelift. Er moet ook gekeken worden naar het probleem van verouderd vastgoed en de kansen die oude terreinen hebben. Het is te gemakkelijk voor bedrijven om uit te wijken naar nieuw terrein.

Tot slot is het opmerkelijk dat er nauwelijks evaluaties plaatsvinden van wat beleid en subsidie uiteindelijk hebben opgeleverd. Herstructurering van bedrijventerreinen gaat niet alleen over hectares opgeknapt terrein, maar ook over het effect op het economisch functioneren. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Mevrouw Linhard (PvdA): Voorzitter. De integrale benadering van ruimtevraagstukken staat al jaren bovenaan de agenda van de PvdA. Wij zijn groot voorstander van een hopelijk spoedig in te richten ministerie van Ruimte. Infrastructurele vraagstukken kunnen niet los gezien worden van inrichting van de openbare ruimte. Nieuw in te richten bouwlocaties voor woningen zijn niet los te zien van infrastructuur en aangename plekken om te leven in de natuur, in de wijk, in een levendige, prettige en veilige omgeving. Bedrijventerreinen zijn niet los te zien van een vaak zeer noodzakelijke economische dynamiek in de regio. Dat betekent niet dat iedere gemeente haar eigen nieuwe bedrijventerrein moet gaan bouwen. Die ongewenste verrommeling van landschap moet worden bestreden. Een ministerie van Ruimte is zowel een praktisch als een fundamenteel statement over hoe de PvdA de toekomst van ons land ziet. In de vorige overleggen hebben wij Kamerbreed de vinger op de zere plek van de Nota Ruimtegelden gelegd. Het budget is op. Het was ook niet wat wij bedoelden toen wij inzetten op een MIRT door de «R» eraan toe te voegen. Ons ging het er om dat er bij alle ruimtelijke projecten – of het nu om water, wegen of natuur gaat – aandacht is voor een goede ruimtelijke inpassing.

Gisteravond werd ik opgevrolijkt door het bezuinigingsidee van Winsemius. Hij toonde ons een leeg, onbebouwd weiland aan de ene kant van de sloot en wees vervolgens naar de bebouwde kom waar de grondprijs het tienvoudige is. Tot onze verbazing en teleurstelling constateren wij weinig creativiteit bij de ambtelijke werkgroepen om nieuwe arrangementen in de ruimtelijke ordening voor te stellen. Wij dringen al langer aan op een openruimteheffing en de voorganger van deze minister heeft hier ook onderzoek naar laten doen. Wanneer komt dat rapport over verevening en planbaatheffing naar de Kamer, zoals de vorige minister heeft toegezegd?

Er zijn verschillende gebiedscategorieën: ecologische hoofdstructuur, nationale landschappen, bufferzones, waterwingebieden, groenblauwe slingers. Er gaan stemmen op om die samen te voegen. Deels overlappen ze elkaar ook. Wij willen de reden waarom een gebied is aangewezen echter niet vergeten. Wij vinden het niet gewenst om in de beleidstermijn verder na te denken, maar wij vinden het belangrijk dat mensen gemakkelijk kunnen zien welke regels en mogelijkheden om te veranderen er zijn in hun omgeving en in hun tuin. De PvdA pleit voor een gemakkelijk toegankelijk digitaal systeem, waarin je in één oogopslag kunt zien wat er mag. Vandaar dat wij aandringen op het in de AMvB Ruimte vastleggen van de bescherming van bijvoorbeeld nationale landschappen.

Wij zouden het fantastisch vinden als de demissionair minister spectaculair en onvergetelijk de geschiedenisboeken ingaat. Dat zou kunnen op het gebied van de Q-koorts, de bedrijventerreinen, de kantoren en aantrekkelijke winkelcentra. Wij maken ons grote zorgen over de stallen en de veehouderij in ons land. Ten gevolge van de Q-koorts is er een bouwstop afgekondigd. In de tussentijd zijn er vergunningen aangevraagd voor uitbreiding. Zonder maatregelen zullen deze vergunningen behandeld moeten worden en wellicht moeten worden toegekend. Op het moment dat de bouwstop wordt opgeheven staat het land pardoes vol met nieuwe stallen op onwenselijke plekken. Bijvoorbeeld binnen een straal van 500 meter van bewoning. Wij moeten voorkomen dat we over een paar jaar diezelfde stallen met belastinggeld moeten gaan verplaatsen of saneren. Wij horen graag concreet hoe de minister dit gaat voorkomen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Wij hebben hier een debat over de Nota Ruimte. Ik ben erg benieuwd, als de PvdA zelf begint over de megastallen, hoe de PvdA dit vanuit de ruimtelijke invalshoek met de instrumenten die wij hebben, zou willen aanpakken.

Mevrouw Linhard (PvdA): Het gaat om de vergunningswijze. Er zijn vergunningen nodig om stallen uit te breiden en die vallen onder de Nota Ruimte, voor zover ik begrepen heb.

De heer Dibi (GroenLinks): Een van de redenen waarom ik graag bij dit debat wilde zijn, ondanks het feit dat ik geen woordvoerder ben, is dat ik een voorstel wil doen om in de tweede tranche van de AMvB Ruimte een aantal eisen vast te leggen. Namelijk dat bouwblokken voor nieuwe megastallen maximaal 1 hectare groot mogen zijn. Je kunt discussiëren over de precieze grootte en over één of meer bouwlagen. Zo kun je hetgeen in Noord-Brabant gebeurt, namelijk een bouwstop en geen verdere schaalvergroting meer, in de rest van Nederland ook goed regelen. Is de PvdA bereid om met ons na te denken hoe we dit in die tweede tranche op een zorgvuldige manier kunnen organiseren?

Mevrouw Linhard (PvdA): De PvdA is zeker bereid om daarover mee te denken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het wordt nu duidelijk dat er achter het idee van de megastallen een hele discussie zit over dierenwelzijn. Is het dan wel zuiver om het op de manier van de ruimtelijke weg via ruimtelijke vergunningen te gaan regelen? Zou je dan niet bij de minister van LNV moeten zijn, om vanuit de inhoudelijke voorwaarden een weg te zoeken en daarna via de ruimtelijke vergunningen ergens een klap op te geven?

Mevrouw Linhard (PvdA): Dat ben ik met mijn collega eens. Ik denk dat het een zaak is van in gezamenlijk overleg komen tot nieuwe regelgeving, die onherroepelijk terechtkomt bij de ruimtelijke ordening. Wij hebben daar wel het gesprek over te voeren en ik sluit mij aan bij de heer Dibi, dat we het gesprek moeten aangaan. Graag de reactie van de minister daarop.

Mevrouw Linhard (PvdA): «Niet iedere gemeente haar eigen bedrijventerrein», daar wil ik opnieuw uitroeptekens achter zetten. De regelgeving, de SER-ladder, is volgens mij redelijk op orde. Uit cijfers van het Nirov blijkt dat twee provincies tot 2020 nog wel wat bedrijventerreinen zouden kunnen plannen, maar dat de meeste provincies al overcapaciteit hebben. Toch blijven gemeenten plannen bedenken voor nieuwe terreinen, ondanks veranderd groeiperspectief. De voorganger van de minister heeft een paar keer fors ingegrepen en de bovenregionale plannen sterk doorgevoerd. Deze minister kan dit beleid voortzetten en nog een paar mooie resultaten boeken. Ik noem bijvoorbeeld Noordmanshoek. Gaat de minister dan doen?

De handreiking Uitvoeringsstrategie Bedrijventerreinen is een schoolvoorbeeld van polderen. Iedereen moet met elkaar overleggen en onduidelijk is wie waarover de regie voert en uiteindelijk de beslissingen neemt. Wij verwachten hierover ook meer regie van de minister van Ruimte. We moeten ingrijpen in het ro-instrumentarium als de samenwerking niet tot stand komt of als gestelde ruimtelijke kaders worden overschreden. Wat zijn hierin wellicht nog belemmeringen?

In het Convenant Bedrijventerreinen staat dat het areaal bedrijventerreinen ouder dan tien jaar per provincie in verhouding tot het totale nationale areaal bedrijventerreinen de maatstaf is voor verdeling van de 107,6 mln. over de provincies. Is de minister het met ons eens dat dit geen prikkel is voor de provincies om zelf aan de slag te gaan? Hoe gaat zij dat aanpassen? Er is veel voor nodig om verouderde bedrijventerreinen opnieuw in gebruik te nemen: een leegstandsheffing, omzettingsfondsen. Misschien moeten wij beginnen de afschrijving van oude bedrijfspanden minder aantrekkelijk te maken, bijvoorbeeld door de fiscale verrekening ongedaan te maken.

Van de kantoren staat 6 tot 8 miljoen vierkante meter zinloos leeg. De gemeente Utrecht zet de rem op de kantoorgebouwen. Fiscale voordelen om gebouwen langer dan drie jaar leeg te laten staan worden beperkt. Leegstand moet duur worden, transformatie goedkoper. Op 10 december jongstleden heeft onze fractie een motie ingediend om financiële belemmeringen, zoals de tijdelijke bestemmingsmogelijkheden, uit de weg te nemen. Hoe staat het met de uitvoering van deze motie? Is al nagedacht over pilots? Wanneer wordt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangepast om de verlenging na tien jaar mogelijk te maken?

Wij worden steeds minder vrolijk en kooplustig van de winkelstraten waar Blokker, De Tuinen en Zeeman het straatbeeld overheersen. Nog belangrijker is dat nieuwe creatieve ondernemers steeds minder kansrijk zijn. Tijdens de behandeling van de begroting van VROM is er een motie winkelcentra door onze fractie ingediend. De vraag is of de minister de eerste gesprekken met MKB-Nederland al gevoerd heeft, hoe ze verlopen en of wij een brief over de voortgang van deze besprekingen kunnen verwachten. In een artikel in Trouw van 1 april jongstleden luiden ook de eigenaren van veel winkelcentra de noodklok. Ook zij zien het probleem en wijten dit met name aan het feit dat huurders hun huurcontract kunnen doorverkopen zonder tussenkomst van de verhuurder. Mede daardoor kan Corio niet variëren met flexibele huren, waarmee ook kleinere winkels een kans zouden krijgen. Is de minister het met ons eens dat dit een grote belemmering is? Wat gaat zij daaraan doen?

Als laatste de recreatiewoningen. Volgens onze gegevens zijn wij in blijde verwachting van een wet die antwoord moet geven op de vragen, zoals in een motie van mijn collega’s Vermeij en Neppérus in 2008 verwoord. Wij moeten het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen opheffen. Daar is iedereen het over eens, alleen duurt deze zwangerschap wel erg lang. Kan de minister hierover helderheid bieden?

De heer Van Leeuwen (SP): Voorzitter. Het scheelt mij een stukje tekst, dat ik mij kan aansluiten bij de vragen die mevrouw Wiegman gesteld heeft over de MKBA. Wat onze fractie betreft graag met nadruk op het meewegen van de landschappelijke waarde. De SP verzet zich al geruime tijd tegen de uitverkoop van de ruimtelijke ordening. Wij weten ons gesteund door een hele stoet deskundigen, wetenschappers en oud-ministers. Dat het Rijk zijn grip op de inrichting van ons land kwijt is, wordt breed onderschreven. De minister heeft er totaal geen zicht op of andere overheden de weinige nationale doelen die het Rijk nog wel heeft geformuleerd, uitvoeren en, zo ja, hoe ze dat doen. Dat is inderdaad lastig, wist de vorige minister te melden. Hoe gaat deze minister dat oplossen? Of legt zij zich neer bij het feit dat haar ministerie nauwelijks meer een vuist kan maken?

In de rij van criticasters hebben zich de ambtenaren aangesloten, die zich over de brede heroverweging gebogen hebben. In het ruimtelijk-fysieke domein is geen heldere ordening van doelen en budgetten. Er is gebrek aan samenhang en sturing. Er is sprake van veel ambtelijke en bestuurlijke drukte tussen departementen en bestuurslagen. Die onduidelijke bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling leidt niet alleen tot inefficiëntie, maar ook tot het failliet van de ruimtelijke ordening. Er zijn veel bewijzen voor deze constatering. Nationale landschappen, rijksbufferzones, snelwegpanorama’s: ze hebben qua juridische of bestuurlijk afdwingbare kracht weinig om het lijf. In de Haagse werkelijkheid lijkt dit heel wat, maar de centrale as gaat wel dwars door het nationale landschap Friese Wouden. Ondanks dat er een bibliotheek vol plechtige verklaringen is volgeschreven, is het Groene Hart volgebouwd en verrommeld. Ik kan zo nog wel even doorgaan. Ik besef dat deze minister er maar kort zit – zowel kort sinds haar aantreden als minister, als kort met het oog op de aanstaande verkiezingen – maar het zou niettemin van lef en inzicht getuigen als zij een krachtig antwoord geeft op de zo langzamerhand erg harde, maar terechte roep om meer regie en duidelijke sturing. Zou het bijvoorbeeld een goed idee zijn om de Oude Rijnzone-oost vanwege de door de minister onderschreven grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde zelf te beschermen, in plaats van alweer een appel te doen op andere overheden? Graag een reactie hierop.

Vorige week wist minister Eurlings in een algemeen overleg te melden dat VROM een beetje meedoet bij de ontwikkelingen rond Vught: de N65 in samenhang met de A85 en het spoor dwars door de stad. VROM doet een beetje mee, terwijl het een majeure ruimtelijke opgave is. Is de minister bereid de «R» van MIRT niet ondergeschikt te maken aan infrastructuur en transport, ook bij de bijdrage uit het Nota Ruimtebudget voor bijvoorbeeld Brainport Eindhoven van 75 mln.? Ik hoor graag van de minister hoeveel van dit bedrag bestemd is voor de noordelijke aansluiting en de aansluiting van de A67 Veldhoven-west op de A2. Kan de minister aangeven waarom infrastructuur uit het Nota Ruimtebudget gefinancierd wordt?

In reactie op de publicatie NederLandBovenWater schrijft de minister dat zij zeer tevreden is met de stand van zaken. Bij een vorig overleg heb ik een aantal voorbeelden uit dat boekwerk genoemd die niet zo tot tevredenheid stemmen. Gebiedsontwikkeling is het nieuwe containerbegrip, waarin elke ruimtelijke opgave ondergebracht wordt. Daar zijn een paar kanttekeningen bij te plaatsen. Het opgetelde belang van al die samenwerkende partijen die bij gebiedsontwikkeling rond de tafel zitten is niet per definitie het algemeen belang waar de rijksoverheid voor staat. Zeker in het beleid, waarin ruimtelijke ordening ondergeschikt gemaakt is aan economie of aan een voorondersteld economisch belang, zie Blauwestad en Wieringerrandmeer. Daarnaast, zo blijkt uit de beschrijving van de projecten, dreigt het hele verhaal in te storten als een van de vele betrokkenen zich terugtrekt. De economische crisis bewijst dat en het blijkt ook uit de quick scan beleidsontwikkeling en kredietcrisis. Gevolgen voor tempo, kwaliteit en integraliteit zijn waarschijnlijk, stelt de minister. Volgens mij zijn wij het stadium van waarschijnlijkheid allang voorbij. De Taskforce Transformatie Utrecht spreekt van een urgent probleem van grootschalig marktfalen. Deze tendens vraagt om nadere bezinning, aldus de minister. Herprogrammering en prioritering op regionaal schaalniveau lijken hard nodig, ook zonder crisis. Het blijkt dat de overheid in tijden van hoogconjunctuur plannen met overtrokken ambities ondersteunt. Er moet meer besef van realisme en risico komen. De overheid zit wel aan tafel bij gebiedsontwikkeling en is medefinancier. Graag nadere uitleg van de minister over die overtrokken ambities en dat gebrek aan realisme. Ook hoor ik graag van de minister wat zij vindt van de suggesties van de Taskforce Transformatie Utrecht, nu blijkt dat de overheid veel te veel vertrouwen heeft gehad in het functioneren van de markt. Er worden een aantal suggesties gedaan om leegstand van kantoorgebouwen duurder te maken en transformatie goedkoper.

Dan de recreatiesoap. Het wachten is op een voorstel voor de Wet ontheffing permanente bewoning recreatiewoningen. Per 1 januari jongstleden moesten alle gemeenten duidelijkheid hebben verschaft over hun keuze voor persoonsgebonden vrijstelling, handhaving of legalisatie. De regering is niet van plan om de positie van langkampeerders en het tegengaan van de verrommeling van het landschap stevig in de Agenda Landschap te verankeren. Met het oog op de toekomst worden nieuwe gevallen van onrechtmatige bewoning in het buitengebied voorkomen door het gelijktrekken van het ruimtelijk kader voor nieuwbouwwoningen en recreatiewoningen. Graag hoor ik van de minister of dat nu staand beleid is, met andere woorden dat er niets meer gebouwd wordt waar het bestemmingsplan recreatie voorschrijft. Een tweede vraag hierover betreft de uitzondering van complexen van recreatiewoningen, waarvan het recreatieve gebruik door bedrijfsmatige exploitatie kan worden verzekerd. Hoe zit het met al die particuliere eigenaren die via een bedrijf hun recreatiewoning te huur aanbieden? Is dat niet een enorme escape om toch door te gaan met het volbouwen van vaak natuurlijk en kwetsbaar gebied?

Dan iets over het Convenant Bedrijventerreinen. Er is een hoop gedoe met overleggen, bestuurlijke adviseurs, al dan niet samenwerkende regio’s enz. Volgens het commentaar van STOGO zullen de afspraken in het convenant onvoldoende bijdragen om de herstructureringsopgave met succes te versnellen. Een forse neerwaartse bijstelling is nodig om tot reductie van het aanbod te komen. De veronderstelde strakke regie van de provincie vindt geen steun in de planningspraktijk van gemeenten en provincies. Het PBL constateert dat gemeenten elkaar zien als concurrent en dat ze vrijblijvende afspraken maken over reservering op de lange termijn. Voeg je daarbij dat regionale samenwerkingsorganen geen bestuurlijke status en bevoegdheden om op te treden hebben, dan dreigt het hele verhaal een papieren werkelijkheid of een papieren tijger te worden. Als wij toch de regie bij de provincies leggen, moeten wij wel de puntjes op de i zetten. Bijvoorbeeld op de onderdelen waarop de gemeenten moeten samenwerken en de bevoegdheid van de provincies om handelend op te treden. Nog beter zou het volgens de SP zijn om in plaats van een convenant een AMvB te nemen. Graag hierop een reactie van de minister.

Tot slot, als er ergens een schop in de grond moet, dan is het wel in het grondbeleid. De SP heeft hier al vaak op gehamerd en moties ingediend om in ieder geval een einde te maken aan grondspeculatie. Door de vorige minister werd dat afgedaan met de opmerking dat zij niet van plan was om het kabinet hierover te laten struikelen. Het kabinet is inmiddels gestruikeld, dus niets staat ons meer in de weg om zaken te doen. Temeer omdat uit steeds meer hoeken het geluid komt dat het huidige grondbeleid alleen maar verliezers kent, behalve de speculant. Ik wijs onder andere op de adviezen van de VROM-raad, op hetgeen hierover geschreven staat in NederLandBovenWater en op de brede heroverweging. Als het om de grond onder bedrijventerreinen gaat, komt de minister niet verder dan onderlinge afspraken tussen gemeenten over de grondprijsmethodiek. De methode van residuele grondwaardebepaling wordt ingeleverd voor marktconform grondbeleid. Dat zet veel te weinig zoden aan de dijk. Ook bij verevening is er weer sprake van dat gemeenten daartoe wel bereid moeten zijn. Een krachtige intergemeentelijke motor en provinciale regie zijn noodzakelijk. Zijn gemeenten bereid om afspraken te maken over de grondprijsmethodiek? Is er een krachtige intergemeentelijke motor? Voeren de provincies de regie? Is de minister bereid om een fundamentele herziening van het grondbeleid in gang te zetten?

De heer Mastwijk (CDA): Voorzitter. Ik stel vast dat wij een enigszins apart moment bij de hand hebben. We hebben een debat met een demissionair minister, die nog niet zo lang op deze portefeuille zit, over een belangrijk onderwerp als de uitvoering van de Nota Ruimte, en dat ook nog op een moment dat wij voor een enorme financiële opgave staan. Verkiezingsprogramma’s zijn aan het verschijnen. Tot welke aanpassingen zullen de verkiezingen en het werk van de ambtelijke ombuigingswerkgroepen leiden? Dat is het kader waarbinnen dit debat zich afspeelt en je zou kunnen spreken van een vergelijking met veel onbekenden.

Het onderwerp bedrijventerreinen is een lastig onderwerp, waarbij kwesties als vraag en aanbod, overheidsdominantie, markt, verrommeling, economische ontwikkeling en «nieuw voor oud» op elkaar ingrijpen. Ik kan zeggen dat de verouderde bedrijventerreinen de CDA-fractie zorgen baren. Het ziet er vaak niet uit en het is ook niet erg inspirerend om vanuit de file een achenebbisj bedrijventerrein te moeten oprijden. Het CDA gaat niet alleen voor meters, maar ook voor kwaliteitsmeters. Hoe kijkt de minister aan tegen herstructurering als ook decentrale overheden moeten ombuigen? Hoe gaat de minister er samen met decentrale overheden voor zorgen dat de voortgang erin blijft en dat die herstructurering niet alleen beperkt blijft tot het openbaar gebied, dus het groen en de toegangswegen? Want als je vanuit die file via een fraaie rondweg het bedrijventerrein oprijdt, maar daarna in een achenebbisj pand je werk moet doen, word je ook niet vrolijk.

Inzake de balans tussen vraag en aanbod schrijft de minister over het al dan niet van invloed zijn van de economische crisis op de vraag naar bedrijventerreinen, blijkbaar geïnspireerd door de economische wet «alles is cyclisch».

De heer Van Leeuwen (SP): Ik haak nog even aan bij de opmerking dat werknemers hun werk moeten doen in een achenebbisj gebouw. Is het niet de taak en verantwoordelijkheid van de werkgever om te zorgen dat die mensen een goede arbeidspositie hebben? Is dit niet te veel van: dat moet de overheid regelen?

De heer Mastwijk (CDA): Het gaat mij niet om de hoogte van de bureaustoel, maar als je een mooi, gereconstrueerd bedrijventerrein hebt, kan het niet zo zijn dat daar panden staan die het aanzien niet waard zijn. Wij moeten het er nog maar eens over hebben wie dat moet oplossen. Ik denk dat ook de gemeenten daar een belangrijke rol in spelen, al dan niet via de vereniging van ondernemers op dat bedrijventerrein. Het gaat mij dus niet om de arbeidsvoorwaarden, maar meer het totaalplaatje dat bepaalt of een bedrijventerrein er wel of niet mooi uitziet.

De heer Van Leeuwen (SP): Wie is er verantwoordelijk voor het aanzien van die gebouwen en de staat van onderhoud?

De heer Mastwijk (CDA): Wij kunnen ons diepgaand bezighouden met zaken als welstandstoezicht, bouw- en woningtoezicht en alles wat daarmee annex is. Ik denk dat de regels daaromtrent duidelijk zijn. Ik noem een voorbeeld uit mijn woonomgeving, de gemeente Hoogeveen. Daar heeft de gemeente de Hoofdstraat opgeknapt en dat had een stimulerend effect op de ondernemers, om hun pand van een nieuwe gevel te voorzien. Daar gaat het mij om: er moet een inspirerende werking van uitgaan.

Ik vervolg mijn betoog over de invloed van de economische crisis op de vraag naar bedrijventerreinen. Als ik de brief van de minister lees, dan staat daar dat het allemaal wel over gaat en dat wij, als de economie weer aantrekt, moeten beschikken over voldoende bedrijventerreinen. Zij schrijft ook dat het kabinet dit bij de evaluatie in 2015 zal meenemen. Dat lijkt mij heel verstandig, maar vooral die verhouding tussen oud en nieuw is voor mijn fractie erg belangrijk. Wij zijn sceptisch over de ramingen van wat aan «nieuw» werkelijk nodig is en ook het rapport van STOGO en anderen duiden daarop. In de ramingen is – zo lijkt het – onvoldoende of geen rekening gehouden met herstructureringsambities, krimp in sommige delen van het land en krimp van de beroepsbevolking in verband met de komende vergrijzing. De CDA-fractie is niet overtuigd van de juistheid van de uitgangspunten van de ramingen van wat in de komende jaren aan «nieuw» nodig is. Ik wil graag een reactie van de minister op dit punt.

Ik begon niet voor niks met het feit dat ook decentrale overheden zullen moeten gaan ombuigen. Ik weet ook wel dat de aanleg van een nieuwe hectare goedkoper is dan de structurering van een bestaande hectare, maar dat kan natuurlijk geen vrijbrief zijn om voortdurend nieuwe terreinen aan te leggen. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen die al over de SER-ladder zijn gemaakt. Zou de minister niet veel meer moeten sturen op herstructurering? Daarbij is het ook belangrijk om de markt beter te laten functioneren. Verzakelijking van het bedrijventerreinenbeleid, zo noemde Noordanus dat. In het convenant zie ik daar niks van terug. Waarom niet? Graag een reactie van de minister op dit punt.

Bij de behandeling van de begroting van VROM heeft mijn collega Pieper toegezegd gekregen dat er een pilot zou komen over de vraag waar publiek-private samenwerking (pps) een rol zou kunnen spelen. Ik vraag de minister hoe het ermee staat en of het niet verstandig is dit alsnog op te nemen in het convenant, om bijvoorbeeld als voorwaarde mee te geven bij rijksfinanciering bij herstructurering.

Dan iets over de prijszetting bij de regionale samenwerking in relatie tot de mededingingsregelgeving. De landsadvocaat heeft hiernaar gekeken. Ik mag hopen dat dit er uiteindelijk niet toe leidt dat gemeenten niet mogen samenwerken op grond van economische mededingingswetgeving. Dat zou kunnen betekenen dat die regelgeving zo star is, dat verrommeling niet zou kunnen worden tegengegaan. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn. Graag het oordeel van de minister hierover.

Zij schrijft in haar brief dat in de handreiking wordt aanbevolen dat decentrale overheden een marktconform grondbeleid hanteren en prikkels in het beleidsinstrumentarium inbouwen. Een fraaie zin en een nobel streven, maar wat als dit niet werkt? Wat gaat de minister dan doen?

Een historisch moment: alle gelden voor de 23 Nota Ruimteprojecten zijn verdeeld en nu is de vraag of ze ondanks de crisis allemaal daadwerkelijk de eindstreep zullen halen. Het CDA vindt dat ruimtelijke investeringen in integrale gebiedsontwikkelingen moeten doorgaan, zoals de motie van mijn voorganger Van Heugten al vroeg. Het werkt wel. Kijk bijvoorbeeld naar de plannen rond de Máximabrug, die niet alleen een geweldig mooie brug zal worden, maar ook veel zal bijdragen aan de leefbaarheid in het gebied rond Alphen aan den Rijn. Zo kan ik meer voorbeelden noemen. Hoogeveen noemde ik al. Bedrijventerreinen zijn gereconstrueerd. Ook de fietspaden liggen er grandioos mooi bij. Dat zal ongetwijfeld mijn collega Atsma, de auteur van de befaamde fietsnota, veel deugd doen, maar het draagt ook bij aan de werkbaarheid en aantrekkelijkheid van het bedrijventerrein. Het geld is toegekend. Hoe staat het met de voortgang? Er blijft hopelijk geen geld op de plank liggen. Zo ja, dan vraag ik de minister om tijdig met voorstellen te komen om daar een andere bestemming aan te geven.

De CDA-fractie voelt niks voor het aanwijzen van meerdere rijksbufferzones. Het land is al klein genoeg. Volgens mij hebben wij bij de Nota Ruimte afgesproken dat de tien die wij nu hebben, zouden worden omgevormd tot regionale parken, waarna zou worden bekeken of planologische bescherming nog nodig is. Er is al genoeg bestuurlijke drukte in ons land. Als wij vaststellen dat zelfs natuurontwikkelingsprojecten worden geblokkeerd door een vierkante meter officieel beschermde natuur, dan heb ik het idee dat wij in dit land iets niet goed doen.

Over het fenomeen krimp vraag ik de minister of zij vindt dat het huidige ro-instrumentarium voldoende is om recht te doen aan wensen vanuit de regio. De CDA-fractie vindt dat er voldoende ruimte moet zijn voor het opvangen van natuurlijke groei in de dorpen. Ik bedoel daarmee uiteraard de eigen jeugd. De leefbaarheid van het platteland valt of staat daarmee.

Ik kom terug op een opmerking die mijn collega Van Heugten in 2008 maakte over de bufferzones en regionale parken. Het ging over de recreatieve functie van zo’n bufferzone. Net om de hoek van Den Haag, langs de A4, ligt een mooi Hollands landschap genaamd Stompwijk, gemeente Leidschendam-Voorburg, met molens, weiden, recreatiegebied en waterreservoir. Via de pas aangelegde Hubertustunnel ben je vanuit het Statenkwartier, waar ik midweeks domicilie kies en waar heel veel mensen wonen die invulling geven aan het begrip «Den Haag internationale stad», in no time bij de Stompwijkseweg. Vanaf daar heb je via een recreatieve fietsroute toegang tot het Groene Hart. Er zijn plannen voor een transferium en een restaurant en er zijn wandelpaden. Het ministerie van deze minister heeft onlangs € 700 000 toegekend voor het opruimen van oud glas, waardoor tuinders kunnen verkassen naar een duurzaam gebied verderop in Stompwijk. Er komt ruimte vrij in het lint. Kortom, hier ligt een geweldige kans om zo’n rijksbufferzone om te bouwen tot een regiopark met recreatieve functie. Die € 700 000 is een begin. De minister is er dus al mee bezig. Ik vraag haar om samen met haar collega van V en W en de betrokken regionale overheden te gaan werken aan een integrale gebiedsvisie. Kan zij dat toezeggen?

Dan de voortgang van de plattelandswoning. Enige tijd geleden hebben wij aan de hand van de initiatiefnota van collega Van Heugten over dat onderwerp gesproken. De voorganger van de minister heeft toen toegezegd dat zij zou proberen om voor deze zomer met wetgeving richting de Kamer te komen, maar door het vallen van het kabinet zou dit enige vertraging kunnen hebben opgelopen. Maar het is bekend in den lande dat wij hier in Den Haag met dat onderwerp bezig zijn en er is veel belangstelling voor. Gemeenten zijn bezig met bestemmingsplannen en zouden op wetgeving kunnen anticiperen, dus de vraag aan de minister is wanneer zij met wetgeving deze kant op komt.

De meegroeiwoning is een manier voor starters met weinig geld om toch zelf te kunnen bouwen. Het is afkomstig van CDA-raadslid Ad Haagh in Gilze-Rijen. Als je het eerste huisblok neerzet voor pakweg € 125 000 en daar later, als je wat meer armslag hebt, een laag opzet, kun je als starter in vijf tot tien jaar een eigen woning van vol formaat opbouwen. Dat zou geweldig zijn om starters aan de gang te krijgen en heel goed voor de leefbaarheid op het platteland. Er is een artikel over verschenen in Bestuursvormen, dat ik zo meteen aan de minister zal aanreiken. Er zouden hier twee problemen kunnen spelen. Het ene is bestemmingsplantechnisch – maar dat lijkt mij wel mogelijk – en het andere is de regelgeving rond de bouwvergunning. Je zou wellicht moeten denken aan een bouwvergunning die een looptijd heeft van bijvoorbeeld tien jaar. Ik vraag de minister of zij bereid is om dit idee nader uit te werken en waar nodig de wet- en regelgeving aan te passen.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Laat ik beginnen met de gevolgen van de crisis voor de ruimtelijke ordening. Volgens onze fractie zijn dat er nogal wat. Heel veel gemeenten hebben grote ambities bij het realiseren van bedrijventerreinen, kantoren en woningen. Met name als het om het heikele punt van bedrijventerreinen en kantoren gaat, hebben die ambities vaak weinig te maken met de reële vraag uit de markt. In Binnenlands Bestuur stond een uitgebreid verhaal over Han Olden die een proefschrift schreef over bedrijventerreinen. Zijn harde conclusie was dat gemeenten twee keer zo veel bouwrijpe grond aanbieden voor bedrijventerreinen als strikt noodzakelijk is. Naar mijn weten is dit strijdig met de afspraken tussen Rijk, gemeenten en provincies om terughoudend te zijn bij dit soort kwesties. Het doet mij denken aan een bakker die eindeloos broden blijft bakken in de hoop dat de klanten dan vanzelf komen, ongeacht de vraag of zijn broden oud liggen te worden.

Er dreigt nog een ander effect. Omdat de centen nu harder tellen dan ooit wordt het nog minder aantrekkelijk om dure projecten binnen de stad te realiseren. Het is dan aantrekkelijker om te kiezen voor die goedkopere realisatie in de open ruimte. Het is bizar dat een vers weiland volbouwen stukken goedkoper is dan een kantoor- of woonblok realiseren door een oude fabriek of loods op te ruimen. En een nieuw blokkendozenterrein voor bedrijven creëren is goedkoper dan een oud terrein opruimen. Dit vindt de GroenLinks-fractie een zeer onwenselijk mechanisme. Wij zijn altijd voorstander geweest van een openruimteheffing. Ik hoorde de PvdA daar ook al over en tot mijn genoegen staat in het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie ook dat om de groene ruimte open te houden, het bouwen in de open ruimte belast wordt. De opbrengst wordt deels gebruikt voor bouwen in de stad en investeren in het landschap. Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden. Ik daag de minister uit om hierop in te gaan, want volgens mij kan zelfs een demissionair minister die verantwoordelijk is voor de ruimtelijke ordening die perverse prikkel niet goed vinden.

Wij vinden dat van gemeenten geëist moet worden dat zij de SER-ladder voor bedrijventerreinen en kantoren strikter toepassen en geen bestemmingsplannen meer moeten goedkeuren in buitengebieden. De markt regelt niet alles vanzelf. Er is nu eenmaal sturing nodig en dat kan bij de gesprekken die de minister heeft in het kader van het MIRT, waarbij allerlei concrete projecten worden doorgenomen met bestuurders. Graag ontvang ik een toezegging van de minister hierop.

Wat nu al kan, is in het convenant tussen het Rijk en de regio’s afspraken maken over verevening. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is daar tegen. Ik vind dat een beetje raar, omdat het volgens mij een kwestie is van solidariteit tussen gemeenten om op goedkope grond wat extra te heffen en dat te spenderen aan het opknappen van bestaande terreinen. Zo voorkom je dat de boel meer volgebouwd wordt dan nodig is. De commissie-Jorritsma suggereerde dit eigenlijk ook al. Wij zouden hierover een rapport krijgen van ECORYS. Waar is dat rapport en wat is de reactie van de minister op dat rapport?

Het gebied tussen Woerden en Utrecht valt onder het nationale landschap Groene Hart, maar helaas weerhoudt die status gemeenten er niet van flink te bouwen. Daarom zou de minister het gebied moeten aanwijzen als rijksbufferzone. Ik weet dat het CDA daar geen voorstander van is, maar de GroenLinks-fractie is dat wel, omdat wij de sluipende verstedelijking willen tegengaan. Er zijn rond grote steden meerdere rijksbufferzones die overlappen met nationale landschappen en dat is kennelijk geen overbodige luxe.

Het punt waarom ik hier vandaag eigenlijk ben, is dat de GroenLinks-fractie zich grote zorgen maakt over de intensieve veehouderij. Er is ontzettend veel vee in Nederland. Dat is slecht voor het dierenwelzijn, gelet op de onnatuurlijke omstandigheden waarin die dieren gehouden worden. Dat is slecht voor het milieu, gelet op de enorme mestoverschotten, de uitstoot van CO2 en de grootschalige import van veevoer. Dat is zeer slecht voor de volksgezondheid. De risico’s voor de volksgezondheid zijn groot. Het aantal besmettingen blijft toenemen. Q-koorts is de zoveelste dierziekte die is uitgebroken. Boeren worden nog steeds gedwongen om te investeren in verdere schaalvergroting, in megastallen, willen zij überhaupt kunnen blijven concurreren. Zij kunnen geen fatsoenlijke boterham verdienen, zonder dat zij heel veel dieren houden. De GroenLinks-fractie wil daarvan af. In Noord-Brabant is een historische stap gezet, ook op het gebied van ruimtelijke ordening. GroenLinks wil in de tweede tranche van de AMvB Ruimte nieuw ruimtelijk beleid formuleren. Wij willen dat daarin wordt opgenomen dat provincies in hun verordeningen duidelijk maken op welke manier er bij de bouw en uitbreiding van stallen rekening wordt gehouden met de aard en kwaliteit van het omliggende landschap. Voor alle gebieden moet gelden dat bouwblokken bij agrarische bedrijven in nieuwe structuurvisies en bestemmingsplannen maximaal één tot anderhalve hectare groot zijn en dat stallen uit niet meer dan één bouwlaag bestaan. Voor Nationale Landschappen geldt dat de provincies moeten aangeven in hoeverre de stallen bijdragen aan de kernkwaliteiten van het gebied en in rijksbufferzones moet nieuwe agrarische bebouwing beschouwd worden als verstedelijking.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het is prettig om de heer Dibi in deze commissie te ontmoeten en prima dat hij zijn onderwerpen hier aan de orde stelt. Maar opnieuw stel ik de vraag hoe zuiver het is om het punt van megastallen, een visie op dierenwelzijn, hier via de ruimtelijke weg aan de orde te stellen. Hoe zuiver is het dat de heer Dibi vraagt om dat in de tweede tranche AMvB te regelen, omdat wij heel nadrukkelijk bij de Nota Ruimte hebben gezegd: we doen centraal wat moet en decentraal wat kan? Waar hij zelf Noord-Brabant als goed voorbeeld noemt waar stappen gezet zijn, is dat precies een onderwerp dat je aan provincies moet overlaten, omdat geen enkele provincie hetzelfde is. Je moet daar veel meer ruimte geven om vorm te geven aan het ruimtelijk beleid, ook bij megastallen.

De heer Dibi (GroenLinks): Geen enkele provincie is hetzelfde. GroenLinks is ook groot voorstander van die lokale en provinciale democratie. Die moet gewoon haar werk doen, maar soms moet je landelijke regels stellen als de gevolgen van bijvoorbeeld megastallen zo groot zijn voor de volksgezondheid. Wij willen niet te veel verschillen tussen provincies onderling. Er is al naar verwezen dat juist de stappen in Noord-Brabant ertoe kunnen leiden dat overal in het land megastallen als paddenstoelen uit de grond schieten. Ik vind de vraag van mevrouw Wiegman raar, omdat zij eigenlijk een vorm van verkokering voorstelt. Zij zegt dat dat iets van LNV is en dat dit VROM is en over andere zaken gaat. Wij vinden juist dat die verkokering in het beleid gestopt moet worden. Zo’n ministerie van Ruimte zal alles in samenhang kunnen bekijken. Als deze demissionaire minister de geschiedenisboeken in wil gaan, dan zou zij vandaag het statement kunnen maken dat wij bij die megastallen niet alleen naar volksgezondheid moeten kijken. Het gaat ook over de aantasting van landschap. Dan zou ik heel goed kunnen bepleiten dat het juist wel hier hoort. Als wij steeds op die deelterreinen gaan kijken, dan kom je nooit tot een integrale afweging. Deze megastallen zijn op zoveel punten fout dat die integrale afweging noodzakelijk is.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik vind het bizar dat mij verkokering wordt verweten. Dat gebeurt niet vaak. Ik roep de heer Dibi op om het debat zuiver te voeren. Dat er een geweldig gezondheidsvraagstuk ligt, zul je in eerste instantie op dat vlak moeten oplossen. Vervolgens zijn er wellicht van de ruimtelijke ordening bepaalde ondersteunende maatregelen nodig. Op het gebied van overgewicht zijn wij ook tot zo’n aanpak gekomen. Juist voor dat maatwerk hebben wij de provincies hard nodig, dus is het wel verstandig om dit hier te gaan vaststellen? Je zou het veel meer op dat decentrale niveau een plek moeten geven.

De heer Dibi (GroenLinks): Er zijn kwesties, waarbij ik vind dat de overheid landelijke normen moet stellen, waar geen ruimte is voor verschil tussen provincies. Als de risico’s zo groot zijn voor mens, dier en milieu, dan vind ik dat je mag zeggen: dit regelt de rijksoverheid. Daarbij komt dat het ook hier geregeld kán worden, omdat de megastallen een relatie hebben met de aantasting van het landschap. Dan is het wel degelijk een ruimtelijkeordeningsvraagstuk. Ik vind het verkokering, omdat die megastallen op zoveel verschillende terreinen grote gevolgen hebben. Dan moet je het in samenhang bekijken. Mevrouw Wiegman wil niet het verwijt krijgen dat zij verkokerd denkt, maar dat doet zij in feite wel, omdat in Noord-Brabant ook op ruimtelijke gronden die bouw is gestopt. Er is gezegd: niet meer dan één bouwlaag, niet meer dan anderhalve hectare. Dat willen wij nu landelijk regelen, omdat die besmettingen blijven toenemen en de gevolgen voor milieu en landschap groot blijven. Dan moet je vanuit de rijksoverheid een statement durven maken. Ik hoop dat de ChristenUnie daartoe bereid is, want wij zullen hen nodig hebben voor een meerderheid. Ik reken op de steun van de PvdA en de SP, maar ook van de ChristenUnie, die zichzelf profileert als groene partij. Ik hoop dat de ChristenUnie wil meedenken om dit probleem ook via de ruimtelijke ordening aan te pakken.

De heer Mastwijk (CDA): Ik sluit mij toch aan bij de opmerkingen van mevrouw Wiegman. Er zijn landelijke normen op het gebied van bijvoorbeeld dierenwelzijn. Vast staat nog niet, tenzij de heer Dibi dat kan aantonen, dat megastallen zouden leiden tot minder dierenwelzijn. Integendeel, ik denk dat het eerder andersom kan zijn. Dat wil niet zeggen dat de CDA-fractie vindt dat je de discussie niet zou moeten voeren – die is in Noord-Brabant, zoals de heer Dibi terecht zegt, al begonnen – maar ik zou dat graag op decentraal niveau willen laten.

Wat is het verschil, als het gaat om dierenwelzijn of de effecten op de volksgezondheid, tussen een stal van een hectare groot en een van 50 bij 40 meter vijfhoog?

De heer Dibi (GroenLinks): Het klopt dat schaalvergroting niet altijd slecht is en dat je in een grote stal juist maatregelen kan nemen die goed voor dierenwelzijn en het milieu zijn. Maar wij moeten niet de suggestie wekken dat die grote stallen fantastisch zijn, omdat ze zo goed zijn voor dierenwelzijn. Ik sluit mij aan bij de heer Wijffels, die lang geleden een statement probeerde te maken. Hij zei dat de infectiedruk toeneemt naarmate je meer dieren houdt in kleine ruimtes. Dat je ook vanuit het oogpunt van rentmeesterschap – iets wat het CDA altijd zo belangrijk vindt en wat ook in de beginselen van die partij staat – niet kan toezien dat wij die boeren dwingen om steeds maar uit te breiden en nog groter te worden. Ik zou willen zeggen dat juist een partij als het CDA die schaalvergroting zou moeten willen stoppen. In Noord-Brabant was het de CDA-woordvoerder die zei dat wij dit te lang op zijn beloop hebben gelaten en te lang blind zijn geweest voor de gevolgen. Ik vind dat je op alle mogelijke manieren, bijvoorbeeld in dit debat, moet proberen die verdere schaalvergroting tegen te gaan.

De heer Mastwijk (CDA): In ons conceptverkiezingsprogramma – ik leg de nadruk op het woord «concept» – staan behartigenswaardige dingen over schaalvergroting, maar er staat ook «daarentegen wordt wel ruimte geboden aan het kwaliteitsproductie gerichte familiebedrijf». Daar gaat het ons als CDA om. Natuurlijk weten wij ook wel dat in de verschillende delen van ons land verschillend over de hoogte en omvang van stallen wordt gedacht en natuurlijk zijn wij ook niet blind voor de discussie over de invloed van veel beesten in kleine ruimten op volksgezondheid en dierenwelzijn. Ik stel ten eerste vast dat grotere stallen niet automatisch slecht zijn voor volksgezondheid en dierenwelzijn en ten tweede dat wij kiezen voor het familiebedrijf met het oog op schaalgrootte. Die twee dingen kun je niet los van elkaar zien. Dus de heer Dibi wordt op zijn wenken bediend.

De heer Dibi (GroenLinks): Schaalvergroting zal leiden tot nog meer dieren. Wij willen toe naar minder dieren. Heel veel familiebedrijven hebben last van megastallen, die maar blijven uitbreiden en bovenlagen krijgen. Zij kunnen daardoor niet meer concurreren met zo’n groot bedrijf en dreigen te verdwijnen. Mijn stelling is dat heel veel boeren – juist die familieboeren, die hart hebben voor de dieren, die letten op dierenwelzijn en volksgezondheid – last hebben van megastallen. Het CDA zou juist oog moeten hebben voor die boeren.

De heer Mastwijk (CDA): Dat is exact de reden waarom wij als CDA zeggen, in aansluiting op hetgeen mevrouw Wiegman heeft gezegd: laten wij dat niet als wethouder Pronk vanuit Den Haag gaan zitten bepalen, laat dat nou aan de volwassen decentrale overheden over. Die zijn oud en wijs genoeg om daar op een fatsoenlijke en verstandige manier over te oordelen.

Mevrouw Linhard (PvdA): Onze fractie denkt juist dat je deze problematiek in samenhang moet bekijken, regionaal en landelijk. Zoals de discussie gevoerd wordt, zie je hoeveel harten hier sneller van gaan kloppen. Ik heb alleen nog een vraag aan mevrouw Wiegman. Waarom zou het integraal bekijken van dit probleem niet zuiver zijn? Volgens mij is dat juist wel een zuivere manier van het benaderen van dit grote probleem.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben heel erg voor die integraliteit, maar op het moment dat dat in eerste instantie vooral een volksgezondheidsprobleem is, vind ik dat daar de belangrijkste discussie gevoerd moet worden. Ik ga even terug naar het voorbeeld van overgewicht. Daarin wordt gezegd: overgewicht moet je bestrijden, het is een volksgezondheidsprobleem, maar uiteindelijk kan in de aanpak ook de ruimtelijke ordening een rol spelen. Maar het is vanuit Volksgezondheid dat zaken getrokken worden. Van daaruit wordt de integraliteit gezocht. Ik vind het de omgekeerde weg dat wij nu moeite hebben met megastallen, terwijl er vraagtekens bij te plaatsen zijn hoe het precies zit met dierenwelzijn en volksgezondheid, en dan zeggen: we gaan via de ruimtelijke ordening heel rigide centrale regels afkondigen. Terwijl de heer Dibi zelf aangeeft dat de provincies heel goed in staat blijken te zijn om met die megastallen om te gaan, Noord-Brabant voorop.

De heer Dibi (GroenLinks): De ruimtelijke argumentatie die wij gebruiken bij het verbod op megastallen zal niet al het dierenleed voorkomen, maar GroenLinks vindt dat de steeds verdergaande schaalvergroting gestopt moet worden. Dat kan ook via de tweede tranche AMvB Ruimte. Daarom kiezen wij als eerste stap voor een ruimtelijke beperking van de stallenbouw. Dat is een van de manieren om de grote gevolgen tegen te gaan. Ik wijs er ook op dat het heel lang heeft geduurd in Noord-Brabant. Bewoners hebben heel lang het gevoel gehad op een tikkende tijdbom te leven. Er was een burgerinitiatief nodig met 33.000 handtekeningen, voordat de politiek wakker geschud werd. Ondertussen waren er al heel veel mensen besmet. Ondertussen was het op het gebied van dierenwelzijn al heel slecht gesteld. Ondertussen was er al sprake van grote milieuvervuiling.

Ik overweeg hierop het initiatief te nemen. Ik kijk uit naar samenwerking met de PvdA en de SP. Hopelijk is mevrouw Wiegman bereid iets minder verkokerd te denken. Ik heb gezien dat er ook in het conceptverkiezingsprogramma van het CDA iets staat over beperking van de schaalvergroting. Dat biedt ruimte. Ik kijk ernaar uit dat deze demissionaire minister misschien vandaag wel de geschiedenisboeken ingaat, als zij hierop beweegt. Ik kondig eigenlijk al een soort VAO aan, want ik weet wel hoe dit ligt in het kabinet. Ik denk dat het onze plicht is om iets dat zoveel schadelijke gevolgen heeft, vanuit de rijksoverheid normatief te regelen.

Voorzitter: Mastwijk

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Ik begin met het budget voor ruimte. Er zijn nu projecten vastgesteld. Mijn vraag is hoe het in deze economisch zware tijden zit. Lopen al die projecten? Hoe wordt de voortgang gevolgd? Wij hebben een lijst met projecten gezien, maar zijn er ook projecten afgevallen? Het is altijd lastig om daar een beeld van te krijgen.

Over de bedrijventerreinen heb ik altijd gezegd: niet elke wethouder hoeft zijn eigen bedrijventerrein te hebben. Daar zouden bijvoorbeeld de provincies een rol in kunnen hebben, want als je landschap en weilanden in stand kunt houden, is dat natuurlijk gewoon goed.

Er is laatst met de provincies een convenant gesloten tussen de voorganger van deze minister en minister Van der Hoeven. Maar in de uitleg daarvan zie ik alweer verwarring optreden. Nogmaals, wij als VVD zeggen dat de provincies juist hier een rol hebben. Dit is iets waar je niet alleen gemeenten mee aan de slag moeten laten gaan. Hoe staat het daarmee? Welke handvatten heeft de minister en hoe kan zij de provincies bij hun taak volgen? Hoe staat het met de SER-ladder, waarvan bijna alle partijen hebben gezegd dat dat een goed handvat kan zijn?

Dan Mooi Nederland. Je komt steeds meer nieuwe termen tegen, wellicht met overlappingen. Ik wil niet tegen nieuwe termen zijn, maar het is wel goed er eens over na te denken hoe wij als politiek zoiets vinden. Wij hebben het al gehad over het Groene Hart. Ik heb daarover samen met mevrouw Vermeij en mevrouw Wiegman een motie ingediend, om te kijken hoe je als overheid de echt bijzondere stukken die daar zitten, kan behouden. Hoe kun je als overheid de drie provincies die over het Groene Hart gaan, aanspreken? Je ziet het gebied gewoon lelijker worden, of je er nou fietsend, roeiend, autorijdend of treinend doorheen komt. We moeten, net als in Stompwijk, oplettend zijn.

De recreatiewoningen zijn al vaker aan de orde geweest in de Kamer en hebben een lange voorgeschiedenis. Het is begonnen toen de heer Den Uyl zich daar sterk voor maakte. In de motie-Neppérus/Vermeij van vorig jaar – die gelukkig is aangenomen – is gezegd dat als de gemeente geen woonbestemming wil geven, zij dat recht heeft, maar dan wel een gebruiksvergunning moet geven, tenzij die gemeente aantoont dat zij niet alleen op papier maar ook in werkelijkheid al voor oktober 2003 aan het handhaven was. Ik zie vervolgens allemaal stukken van rechtbanken en de Raad van State, waarvoor ik veel respect heb. Vervolgens wordt dan toch de bewijslast bij de bewoners neergelegd. Stonden zij wel ingeschreven, deden ze wel dit of deden ze wel dat? De bedoeling van de motie was: voor de toekomst moet je het vermijden, maar ga nou voor de huidige woningen een praktische oplossing zoeken, waarbij je aanhaakt bij oktober 2003. Komt dat wetsvoorstel er echt aan en hoe zit dat punt er in? Moet het door de bewoners worden bewezen of moeten de betrokken gemeenten aantonen – waar het in de motie-Neppérus/Vermeij om ging – dat zij altijd al hebben gehandhaafd en niet alleen op papier, als ze niet zo’n gebruiksvergunning willen geven?

Dan het punt van de megastallen. Er zijn grote gezondheidsproblemen als Q-koorts en die moet je primair bespreken met de minister van LNV. Het is alleen wel een punt dat megastallen in het land staan, dus ook met ruimtelijke ordening te maken hebben. Wij zeggen altijd: decentraal wat kan en centraal wat moet. Ik zou graag zien dat gemeenten zeggen – maar misschien moet je vooral naar de provincies kijken, zoals de provincie Noord-Brabant daar actief mee is geweest – dat ze geen megastallen willen hebben in de buurt van bijvoorbeeld woningen, de bebouwde kom. Ga daar nou eens kritischer naar kijken. Een provincie kan vanuit de ruimtelijke ordening gaan nadenken hoe je dat moet doen. Hoe verhoudt zich dat tot het aspect gezondheid? Liefst weer decentraal wat kan en centraal wat moet. Ik zou graag een initiatief van de minister willen om daar met de provincies over te praten en om na te denken over megastallen in de buurt van bewoond gebied. Dat is voor ons cruciaal.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ben natuurlijk op zoek naar samenwerking met andere partijen op dit punt. Ik begrijp heel goed dat de VVD geen landelijke norm wil, maar aan de minister vraagt om snel met de provincies om de tafel te gaan om afspraken te maken over de verdere bouw van megastallen. Wij kunnen misschien na afloop van dit debat nog praten over mogelijke richtlijnen, maar dit is in ieder geval een eerste stap.

Mevrouw Neppérus (VVD): Waar het hier in ieder geval ook om gaat is: niet in de buurt van de bebouwde kom. Het initiatief moet duidelijk liggen bij de provincies. Daar ligt de centrale rol. Gezien de discussie die er moment loopt, ook over ziektes bij dieren, kan ik mij voorstellen dat de minister als kabinet wil gaan praten met de provincies. Wij hebben het als VVD vooral over kritisch kijken naar de megastallen bij de bebouwde kom.

De heer Dibi (GroenLinks): Dan wil ik wel weten wat mevrouw Neppérus precies aan de minister vraagt. Vraagt zij de minister om met de provincies te praten en dan maar te zien wat er uitkomt of vraagt zij de minister om de Kamer te informeren over de uitkomsten van het gesprek? Vraagt zij om in de bebouwde kom – dan kunnen wij misschien een afstandscriterium hanteren zoals in andere landen geldt – niet binnen een straal van zoveel meter een megastal te hebben?

Mevrouw Neppérus (VVD): De heer Dibi legt mij nu van alles in de mond, maar waar het mij om gaat is dat de provincies een rol hebben. Dus primair moeten de provincies dat doen. In die bebouwde kom moet je binnen een bepaalde afstand geen megastallen hebben. Gegeven de gezondheidsdiscussie op dit moment kan ik mij voorstellen dat het kabinet met de provincies gaat praten over hoe zij dat gaan aanpakken. Noord-Brabant is er al mee bezig. Ik ga ervan uit dat een kabinet altijd, ongeacht de politieke kleur, serieuze discussies met de provincies voert. Het lijkt mij nuttig dat daarover wordt teruggerapporteerd. Laat het gewoon door het kabinet gebeuren.

Mevrouw Linhard (PvdA): Ik heb een vraag aan mevrouw Neppérus in het verlengde van wat ik de minister vroeg. Is mevrouw Neppérus het met de PvdA-fractie eens dat er wellicht een standstill in vergunningen moet komen, zolang er geen duidelijkheid is over de ingewikkeldheid en zwaarte van deze problematiek?

Mevrouw Neppérus (VVD): Waar het mij juist om gaat, is om gesprekken te voeren over die megastallen vlakbij de bebouwde kom en daar uiterst terughoudend te zijn. Om in het algemeen te zeggen dat ik het niet wil, gaat mij een stap te ver. Ik zou met dat andere willen beginnen en daar het accent willen leggen. De discussie over megastallen in het algemeen moet met minister Verburg worden gevoerd.

De heer Van Leeuwen (SP): Ik probeer er achter te komen waar voor de VVD precies de grens ligt in het debat over centraal wat moet en decentraal wat kan. Dat wordt steeds lastiger. Als ik de bijdrage van mevrouw Neppérus hoor, zijn het de provincies die onvoldoende een rol spelen bij en grip hebben op het bedrijventerreinenverhaal. De provincies hebben gefaald bij het openhouden van het Groene Hart. Inzake het recreatiegebeuren moeten wij ook niet de bal bij de gemeenten neerleggen, want dat werkt niet. Maar als de vraag is wat het Rijk moet doen, dan verwijst mevrouw Neppérus constant naar de rol van de gemeenten en de provincies. Hoe zit het nou concreet met die bedrijventerreinen?

Mevrouw Neppérus (VVD): Zoals gebruikelijk is de heer Van Leeuwen van het centralisme. Dat mag hij ook als goed socialist, maar het zou wel prettig zijn als hij zuiver was in zijn vragen en niet mijn woorden verdraait. Over bedrijventerreinen zeg ik dat daar een rol ligt voor de provincies. Ik heb aan de minister gevraagd hoe dat zojuist gesloten convenant – er is een convenant gesloten, mijnheer Van Leeuwen! – precies gaat werken. Daar hebben de provincies een duidelijke rol in, ook al is mijn uitgangspunt: decentraal wat kan, centraal wat moet. De heer Van Leeuwen heeft die rol van de provincies nooit gezien. Ik zie hem wel. Er is gelukkig een convenant gekomen, maar hoe gaat dat werken?

De heer Van Leeuwen (SP): Mevrouw Neppérus zegt dat ik haar woorden verdraai, maar ik meen haar duidelijk te hebben horen zeggen dat er geregeld moet worden dat de provincies handvatten moeten krijgen die er niet zijn. In mijn eigen woorden: de regierol van de provincies over de bedrijventerreinen is onvoldoende ingevuld. Dan is nogmaals mijn vraag aan mevrouw Neppérus: is daar een rol voor de rijksoverheid weggelegd – ik heb voorgesteld met een AMvB Bedrijventerreinen te komen – of blijft zij volharden in het standpunt dat de VVD daar niet over gaat?

Mevrouw Neppérus (VVD): Ik hoor de heer Van Leeuwen de stelling betrekken dat hij alles centraal wil regelen. Ik zeg juist dat de provincies een rol hebben bij de bedrijventerreinen. Er is een convenant gesloten. Laten wij dan ook zeggen dat dat belangrijk is, voordat het hier wordt weggeduwd. Ik wil graag van de minister horen of dat de mogelijkheden geeft die wij zouden willen hebben, namelijk dat je steeds gaat kijken of je bestaande bedrijventerreinen kunt gebruiken. Betekent dat in werkelijkheid dat er meer bestaande terreinen worden gebruikt en gesaneerd?

Ten slotte het punt van de regelgeving. Op het gebied van de ruimtelijke ordening zou alles gedigitaliseerd moeten zijn bij de gemeenten. Ik hoor daar wisselende berichten over. Hoe staat het daarmee? Zijn de gemeenten voldoende voorbereid als wij wellicht de samenloop krijgen dat de Wabo per 1 juli aanstaande wordt ingevoerd?

Voorzitter: Neppérus

Minister Huizinga-Heringa: Voorzitter. Alle partijen hebben vragen gesteld op het gebied van bedrijventerreinen en kantoren. In die vragen wordt de zorg geuit of provincies en gemeenten bereid zijn en voldoende mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen. Het gaat dan met name om het overaanbod en de mogelijkheden voor herstructurering. Dit kabinet heeft een aantal belangrijke stappen gezet om die herstructurering en het overaanbod in de greep te krijgen.

Ten eerste is daar de SER-ladder voor kantoren en bedrijventerreinen. Die wordt opgenomen in de AMvB Ruimte en de Kamer is er – gelukkig – op teruggekomen om die controversieel te verklaren, zodat wij daarmee verder kunnen en stappen kunnen zetten. Provincies worden verplicht die SER-ladder wettelijk te borgen in de verordeningen. De Kamer weet misschien nog wel beter dan ik wat die SER-ladder inhoudt: eerst kijken of er behoefte is en vervolgens kijken of er een bestaand bedrijventerrein geherstructureerd of gerenoveerd kan worden en pas dan overgaan naar een nieuw, vers weiland. Gemeenten zullen bij het maken van hun bestemmingsplan aan de provincie moeten aantonen dat die SER-ladder is toegepast. De VROM-Inspectie ziet toe op naleving hiervan. Dat is een duidelijk en hard instrument.

Het tweede is het Convenant Bedrijventerreinen. Daarin staan afrekenbare afspraken, zoals de afspraak om in 2013 6500 hectare herstructurering en uitvoering te hebben. De afspraak is dat gemeenten binnen twee jaar regionaal samenwerken en dan afspraken maken over de behoefteraming per provincie. Die afspraken zullen duidelijk lager zijn dan in voorgaande kabinetsperiodes. Die regionale samenwerking betekent ook dat gemeenten samen gaan plannen en dus niet elkaar gaan beconcurreren. Niet elke wethouder zijn eigen bedrijventerrein. Het gebeurt ook in West-Achterhoek, Groningen-Assen en in het Land van Heusden en Altena. In het convenant zijn afspraken gemaakt om hier de vinger aan de pols te houden. Als een van de partijen die een regionaal samenwerkingsverband hebben, zich niet aan de afspraken houdt, dan wordt die daar door de anderen op aangesproken.

Ten derde is in dit kabinet geregeld dat de uitvoering van het beleid vooral op regionaal niveau moet plaatsvinden. De verschillen per regio zijn heel groot en de afspraken in het convenant bieden dan ook ruimte voor maatwerk. Daarvoor is er de handreiking Uitvoeringsstrategie Bedrijventerreinen. Veel voorbeeldprojecten helpen de gemeenten en provincies om die nieuwe aanpak goed op te pakken en bij andere te kijken hoe het kan. De noodzaak voor maatwerk verhoudt zich slecht tot nieuwe algemene regels van beprijzing van bedrijventerreinen. Nieuwe regels kunnen onvoldoende rekening houden met regionale verschillen. Die leiden tot vertraging van de nieuwe aanpak en doen ook geen recht aan de eigen verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten. De afspraken in het convenant moeten nu worden uitgevoerd.

Gevraagd is waarom verzakelijking niet is meegenomen in het convenant en hoe het staat met de pilot verzakelijking in de motie-Pieper/Linhard. Hoewel er al goede voorbeelden van private ontwikkeling van bedrijventerreinen zijn, staat verzakelijking in Nederland nog in de kinderschoenen. Voorwaarde om verzakelijking te stimuleren is een goede regionale samenwerking tussen gemeenten over het aanbod van bedrijventerreinen. Zonder deze samenwerking zijn de risico’s voor private investeerders te hoog. In het convenant zijn afspraken gemaakt over regionale samenwerking. Net als bij uitvoering van het convenant is dat een voorwaarde voor verzakelijking. In overleg met het IPO en de VNG worden momenteel afspraken gemaakt over pilots om verzakelijking te stimuleren.

De motie verlenging na tien jaar, die nog niet zo lang geleden is aangenomen, wordt uitgevoerd door dit op te nemen in de kruimellijst Besluit Ruimtelijke Ordening. Hierover wordt overleg met het IPO en de VNG gevoerd. Het is een gebruikelijke procedure om het op te nemen in de eerste tranche AMvB.

De leegstand in kantoren gecombineerd met bijbouwen is een groot probleem. Ik ga er nog voor de zomer over in gesprek met de betrokken partijen. Natuurlijk vormen de aanbevelingen van de Taskforce Transformatie Utrecht een belangrijke invulling van dat gesprek. In elk geval ga ik in kaart brengen op welke manier wetgeving mogelijk hobbels oplevert, die wij zouden kunnen aanpakken. Ondanks de demissionaire status van het kabinet vind ik het van groot belang om het gesprek daarover voor de zomer aan te gaan en de Kamer daarover te informeren.

De heer Van Leeuwen (SP): Dank aan de minister voor de beantwoording. De rode draad in het verhaal van de minister is dat zij het vertrouwen uitspreekt in die andere overheden om tot een goede oplossing te komen. Het convenant moet worden uitgevoerd, zegt de minister letterlijk. De vraag is hoe zij erop toeziet dat die uitgevoerd wordt. Welke juridische rechtsmiddelen heeft zij om daar dwingend in op te treden? Zeker gezien het commentaar van STOGO en het PBL werd hier de vraag gesteld om de puntjes op de i te zetten. Graag een reactie van de minister daarop. Het lijkt mij slim om in dit dossier proactief te werk te gaan in plaats van achteraf te zeggen: dit heeft niet gewerkt.

Minister Huizinga-Heringa: De SER-ladder wordt in de AMvB Ruimte opgenomen en moet ook geborgd worden in de verordeningen van de provincies. Dat is iets waar provincies op afgerekend kunnen worden. Die SER-ladder is – denk ik – het middel om te voorkomen dat er steeds weer nieuwe bedrijventerreinen ontstaan. Dit is de beste manier om te zorgen dat waar gerenoveerd en geherstructureerd kan worden, dat ook gebeurt. Dat is afdwingbaar.

Het convenant en de samenwerking tussen gemeenten onderling zijn niet juridisch afdwingbaar. Anderzijds zien gemeenten zelf wel de noodzaak ervan in. Het is voor mij geen nieuwe problematiek, ondanks het feit dat ik nieuw ben als bewindspersoon op dit terrein, omdat ik er als raadslid in het verleden al mee te maken heb gehad. Ik weet dat gemeenten vaak die samenwerking wel willen, maar dat het tegelijkertijd heel moeilijk is om zo sterk te zijn dat ze de naburige gemeente het bedrijventerrein gunnen. Daarom denk ik dat zo’n convenant, waarin die afspraken gemaakt worden, waarin gemeenten tegen elkaar uitspreken dat te gaan doen en elkaar daarop kunnen aanspreken, de beste manier is om een begin te maken met de regionale samenwerking. Het is geen eindeloos convenant, maar een waar twee jaar de tijd voor genomen is. Laten wij nou die gemeenten, die zelf wel weten dat het veel beter is om het regionaal aan te pakken, op deze manier de kans geven. Na die twee jaar zullen wij gaan kijken of het op een andere manier moet. Wil je het echt afdwingbaar doen, dan kom je op redelijk rigoureuze maatregelen.

De heer Van Leeuwen (SP): Sinds 1958 zijn er bij elkaar 634.000 handtekeningen gezet onder allerlei akkoorden om het Groene Hart open te houden. En het is dicht. Ik spreek ook uit ervaring als raadslid: het hemd is nader dan de rok. Leer mij die wethouders kennen. De SER-ladder is alleen relevant en heeft alleen waarde als die regionaal wordt toegepast. Het kan nu in dat convenant zo vertaald worden, omdat die regionale samenwerking verder niet afdwingbaar is. Als de SER-ladder lokaal wordt toegepast, ben je even ver als je jaren geleden al was, namelijk bij het kijken op lokaal niveau. Ik hoor graag nog even waarom er geen voorwaarden gesteld worden aan de onderdelen waarop regionaal samengewerkt moet worden. Één daarvan kan die SER-ladder zijn.

Minister Huizinga-Heringa: De SER-ladder, die dus opgenomen moet worden in de verordening van de provincie, wordt wel toegepast op de regio. Er wordt niet per gemeente maar per regio bekeken of herstructurering mogelijk is. Dat is een vrij stevige druk op de gemeenten om regionaal te gaan samenwerken. In die zin ziet het er beter uit dan de heer Van Leeuwen veronderstelt. Dat maakt ook dat ik de gemeenten die twee jaar de tijd wil geven om met de SER-ladder, waar ze echt aan gehouden worden en die regionaal werkt, stappen vooruit te zetten in die samenwerking, waarvan iedereen is overtuigd dat die er moet komen.

De heer Mastwijk (CDA): Ik ga even door op die convenanten en die afrekenbare afspraken. Het raakt natuurlijk aan de taakverdeling die wij in dit land hebben afgesproken op het gebied van de ruimtelijke ordening: wat is des Rijks en wat laten we over aan de decentrale overheid? Er komt een moment – en dan zal ook blijken wat de kracht van het convenant is – dat het convenant alleen goed werkt als er een stok achter de deur is. Ik vraag de minister welke stok zij achter de deur heeft. Gaat zij ingrijpen via de provinciale structuurvisies? Gaat zij er financiële consequenties aan verbinden? Ik wil daar iets meer over horen.

Minister Huizinga-Heringa: Er is bij de gesprekken met de gemeenten en provincies over het convenant niet direct een stok achter de deur genoemd. Er is uitgegaan van de overtuiging die bij iedereen leeft, dat er samengewerkt moet worden. Ik vertrouw op de SER-ladder die wel vaststaat en die ook regionaal wordt toegepast. Dat betekent dat een gemeente die zijn eigen gang wil gaan, teruggefloten wordt door de provincie. De provincie kan de gemeente dan voor mogelijke herstructurering naar een naburige gemeente verwijzen. Je hebt op die manier een redelijk stevig kader, waarin de provincie de gemeente kan aanspreken. Dat maakt dat ik daar wel vertrouwen in heb en die twee jaar de gemeenten de kans wil geven met dat convenant, waar ze hun handtekening onder zetten. Er worden inderdaad zo veel handtekeningen gezet, maar een bestuurder zet niet zomaar zijn handtekening. Als hij dat doet, dan wil hij er ook echt aan werken. Ik denk dat op dit moment die stok achter de deur nog niet nodig is. Mocht in de loop van de tijd blijken dat dit helemaal niet werkt, dan gaan we nadenken over andere maatregelen, maar dan kom je op behoorlijk rigoureuze ingrepen.

De heer Mastwijk (CDA): Ik wil daar graag in meegaan onder één voorwaarde. De minister heeft in een van haar brieven geschreven dat we in 2015 gaan herijken hoe het dan staat met de vraag naar bedrijventerreinen in relatie tot de gevolgen van de economische crisis. Het lijkt me goed om eind 2012, begin 2013 een rapportage naar de Kamer te sturen over de uitvoering van het convenant. Dan houdt de minister de vinger aan de pols en kan de Kamer controleren wat we hier hebben afgesproken.

Minister Huizinga-Heringa: Dat lijkt me heel goed. Het convenant loopt ook na twee jaar af, dus het lijkt mij heel redelijk om dat in 2012, 2013 naar de Kamer te sturen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben blij met de dingen die reeds gezegd en gewisseld zijn over de werking van de SER-ladder, maar ook dat de planningsopgaven bijgesteld zullen worden. Wij zullen de komende tijd merken dat er andere prognoses gebruikt worden. Een andere suggestie die ik heb gedaan, is om te gaan werken met de prijzen van de grond, het marktconforme grondbeleid. De geest is gewillig, maar het vlees vaak zwak, dus er zal vooral financieel geprikkeld moeten worden. Als gemeenten wel willen, maar het financieel niet rond krijgen, is dat het einde van het verhaal.

Is de minister bereid om wat te doen met het advies van de commissie-Jorritsma?

Minister Huizinga-Heringa: Op het advies van de commissie-Jorritsma kom ik graag schriftelijk terug. Daar moet ik nog even goed naar kijken. Het is zo dat de prijzen van de grond per regio verschillend zijn en dat het heel moeilijk is om daar uniformiteit in te vinden. Dat probleem blijft staan. Het is wel mogelijk om het grondbeleid te faciliteren, maar ik wil daar graag schriftelijk op ingaan, met inachtneming van de context en naar aanleiding van de adviezen van Jorritsma.

Mevrouw Linhard (PvdA): Dank voor deze toezegging, die ik graag wilde hebben van de minister. Ik kom nog terug op de handhaving van de SER-ladder. Het komt mij voor dat de minister wat soepeler in de SER-ladder staat dan haar voorganger. Die heeft een aantal keren via de VROM-Inspectie vanuit het landelijke regime doorgepakt als dat nodig was. Ik zou van de minister graag de toezegging krijgen dat er, mocht het nodig zijn in deze twee jaar, vanuit het ministerie wel een stok achter de deur wordt gezet als de signalen anders zijn dan zou moeten.

Minister Huizinga-Heringa: Het beleid van mijn ambtsvoorganger zal ongewijzigd worden doorgevoerd. Het is absoluut niet mijn bedoeling om soepel met de SER-ladder om te gaan. Ik heb juist die SER-ladder benadrukt, omdat dat een buitengewoon goed houvast is voor betere herstructurering van de bedrijventerreinen en het voorkomen van ongebreidelde groei. Ik zal niet aarzelen om in te grijpen waar het echt niet goed gaat.

Een ander onderwerp vormen de megastallen. Wij hebben daar natuurlijk al over gesproken en er is afgesproken dat het in de concentratiegebieden een decentrale bevoegdheid is, zodat provincies daarnaar kunnen kijken. Noord-Brabant heeft die bevoegdheid op zich genomen en het, door bepaalde eisen aan die megastallen te stellen, onmogelijk gemaakt dat er nog megastallen komen. Het kostte mij zojuist moeite om mij niet te mengen in het gesprek dat tussen de Kamerleden plaatsvond. Ik kan de intrinsieke motivatie van de heer Dibi en mevrouw Linhard goed begrijpen. Zij willen geen megastallen, gezien de Q-koorts en de gevolgen voor gezondheid, dierenwelzijn enz. De heer Dibi vraagt eigenlijk om een landelijk verbod van megastallen, zoals in Noord-Brabant. Hij zoekt naar manieren om te bereiken wat hij graag wil, maar ik heb daar grote aarzeling bij. Als het om ruimtelijk beleid gaat, gaat het om de inpassing in het landschap. Dat is de reden waarom eisen gesteld worden door bijvoorbeeld VROM. Al je die megastallen niet wilt, zul je het debat moeten voeren met LNV en VWS. Als VWS inderdaad zegt dat er binnen een straal van zoveel meter van de bebouwing gevaren voor de gezondheid zijn, dan moet er iets gebeuren. Maar als je het via de weg van de ruimtelijke ordening onmogelijk maakt dat er megastallen komen, dan ontloop je het debat dat je zou moeten voeren. Ik voel mee met degenen die gezegd hebben: dat debat willen wij wel voeren, maar niet bij het AO over ruimtelijke ordening. Daar hoort het niet thuis. Ik heb graag dat provincies hun eigen verantwoordelijkheid nemen en ik vind dat in de provincies het debat gevoerd moet worden over het al dan niet volgen van het voorbeeld van Noord-Brabant. Ook moet het debat op landsniveau gevoerd worden, maar niet met de minister van VROM, maar met degenen die LNV en VWS in portefeuille hebben.

Mevrouw Linhard (PvdA): Ik ga in op de vergunningen die nu in aanvraag zijn en meteen loskomen op het moment dat de bouwstop eindigt. Deze bouwstop heeft voornamelijk te maken met de Q-koorts. Die vergunningen vallen wel degelijk onder de Wro. Dat is waar ik aanvankelijk op doelde. Op het moment dat die bouwstop eindigt, worden op een aantal plekken die vergunningen direct vrijgegeven. Onze fractie vindt dat ongewenst. Wij zitten in een periode van grote onduidelijkheid over de consequenties van de grootschalige veehouderij in Nederland. Wij vragen de minister om daar op korte termijn een oplossing voor te vinden, zodat wij voorkomen dat in één klap al die vergunningen vrijgegeven worden. Dat is de eerste inzet van de PvdA-fractie.

Minister Huizinga-Heringa: Die vergunningenstop is in eerste instantie een taak van gemeenten en provincie. Die geven die vergunningen vrij. Als er nog onduidelijkheid is over de Q-koorts, dan zou de vraag kunnen komen hoe lang je het moratorium op die vergunningen in stand houdt. Maar ook dat is niet iets dat in dit debat besloten zou moeten worden. Dat ligt bij gemeenten en provincie. Zeggen wij landelijk dat wij erover na moeten denken, dan zou het gesprek via VWS op gang moeten komen vanwege de gevaren voor de volksgezondheid. Wanneer is het een goed moment om dat moratorium op te heffen? Dat moet in samenspraak met LNV besloten worden, wanneer er een debat komt over de intensieve veehouderij. Willen wij daar wel of niet mee verder en hoe gaan wij daar bij de provincies mee om? Dan kun je die vergunningstop daar aan de orde stellen. Hierin is VROM volgend en niet leidend.

Mevrouw Linhard (PvdA): Wij zouden het als fractie toch op prijs stellen als de minister van VROM, die wij vaak geduwd hebben naar steeds meer verantwoordelijkheid, in dezen vanwege de integrale verantwoordelijkheid het initiatief zou nemen om bijvoorbeeld met de VNG om de tafel te gaan.

De voorzitter: Houd in gedachten dat in een andere zaal over de Q-koorts wordt gesproken. Gaat het over de ruimtelijke ordening, dan kan het hier besproken worden.

Mevrouw Linhard (PvdA): Is de minister bereid om het vergunningenbeleid, hierop betrekking hebbend, met de VNG te bespreken?

Minister Huizinga-Heringa: Wanneer het AO in de zaal hiernaast ertoe zou leiden dat ik actie moet ondernemen, dan doe ik dat natuurlijk. Ik zeg nogmaals dat ik daarin niet leidend, maar volgend ben.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik weet dat in de zaal hiernaast het AO over de Q-koorts plaatsvindt met de ministers van VWS en LNV. Ik heb er juist ervoor gekozen om hier aanwezig te zijn, omdat ik mijn hoop op deze minister had gevestigd. Ik heb gezegd dat je ook via de tweede tranche AMvB Ruimte kunt regelen dat provincies in hun verordeningen inzake megastallen opnemen dat er rekening moet worden gehouden met de aard en kwaliteit van het omringende landschap. Megastallen leiden, los van dierenwelzijn en volksgezondheid, ook wel eens tot aantasting van het landschap. Ik vraag of deze minister, die daar wel verantwoordelijk voor is, bereid is om daarnaar te kijken en om met de provincies daarover in gesprek te treden.

Minister Huizinga-Heringa: Dat is inderdaad iets waarover ik met de provincies in gesprek zou kunnen gaan. Dan moet wel de inzet zijn de inpassing in het landschap en dan moet niet de verborgen agenda zijn dat wij eigenlijk geen megastallen willen. Als dat de inzet is, dan ben je als overheid niet met open vizier bezig. Daar hou ik niet van. Als er aanleiding is om te spreken over detonerende megastallen, dan hebben wij in eerste instantie afgesproken dat de provincie daar maatwerk mag leveren en rekening houdt met de concentratiegebieden enz. Dat ligt bij de provincies. Wanneer ik vind dat provincies daar niet goed mee omgaan, dan zou ik met hen in gesprek kunnen treden. Maar dan moet die aanleiding er wel zijn en liggen in de inpassing in het landschap en niet in een tweede agenda.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik zal er niet omheen draaien. Het gaat mij natuurlijk om alle mogelijk negatieve gevolgen van de megastallen. In die zin heb ik wel degelijk meerdere agenda’s, maar er is een verhaal te houden over de inpassing in het landschap van megastallen, dat losgekoppeld kan worden van het hele dossier. Ik vraag aan de minister of zij bereid is – die aanleiding is er wel degelijk, want er zijn heel veel burgers die moeite hebben met megastallen omdat het het landschap aantast – om met de provincies op basis van haar eigen verhaal in gesprek te treden en te kijken wat daar uit kan komen. Zij kan zich dan volledig aan haar eigen agenda houden, maar ik zou het op prijs stellen als zij hierop zou willen bewegen.

Minister Huizinga-Heringa: Op dit moment zie ik geen reden om het initiatief te nemen om met provincies in gesprek te gaan over de inpassing van de megastallen in het landschap. Daar zijn nog niet zo lang geleden afspraken over gemaakt, er zijn concentratiegebieden aangewezen en er is gezegd: wij laten het aan de provincies om in die ruimtelijke inpassing maatwerk te leveren. Iets anders is het, wanneer de provincies naar mij toe zouden komen om een gesprek te hebben over hoe Noord-Brabant daarmee omgaat. Ik zie geen reden om zelf het initiatief te nemen richting provincies, zo kort nadat deze afspraken zijn gemaakt. Ik denk dat we hiermee ook het hoofdstukje megastallen hebben afgehandeld.

Ik kom op het laatste grote punt, namelijk de langdurige zwangerschap van de Wet ontheffing permanente bewoning recreatiewoningen. Het wetsvoorstel was eigenlijk uitgerekend op 21 april aanstaande, maar ik heb het vandaag al ondertekend en het gaat nu naar de Kamer. Ik wil voorstellen dat, indien u na de lezing van het wetsvoorstel nog vragen hebt, u deze dan bij de behandeling van het wetsvoorstel stelt.

Op de plattelandswoning kom ik in de tweede termijn terug. Dat geldt ook voor dat punt van de aangroeiwoning.

De heer Mastwijk (CDA): Het gaat bij de plattelandswoning om de initiatiefnota van mijn oud-collega Van Heugten. De ambtsvoorganger van deze minister heeft bij motie beloofd om voor 1 juli aanstaande wetgeving ter zake naar de Kamer te sturen.

De heer Van Leeuwen (SP): Over het punt van de plattelandswoning is een uitvoerige discussie gevoerd. Tijdens de behandeling van de initiatiefwet van de heer Van Heugten maakte de minister een draai om het niet binnen de milieuwetgeving maar binnen de Wro te stallen. Ik vraag de minister in haar schriftelijke beantwoording de uitkomst van die exercitie mee te nemen, want dat blijft boven de markt hangen.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat interessante puntje van de openruimteheffing wil ik graag in de tweede termijn nog voorleggen aan de minister.

De voorzitter: In de tweede termijn gaat om vragen die gemist zijn en die niet kunnen wachten op de schriftelijke beantwoording.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Dank aan de minister voor de toezeggingen. De minister is in de eerste termijn niet ingegaan op mijn punt over de MKBA’s . Ik vind het prima als dat schriftelijk gebeurt. Ik heb die punten vooral naar voren gebracht ter voorbereiding van het MIRT-overleg dat wij dit jaar zullen hebben. Dat zijn zaken die gewoon doorgaan. Het is belangrijk om de gehele gereedschapskist van de ruimtelijke ordening voor elkaar te hebben.

Ik ben blij met de reactie van de minister over de manier waarop VROM zou moeten opereren inzake de megastallen. Daar kan ik mij bij aansluiten. Ik begrijp de reactie van de heer Dibi, maar stel je voor dat wij hier vandaag om overgewicht te bestrijden zouden voorstellen dat er voortaan alleen nog maar hoogbouw zonder liften gebouwd mag worden. Je voelt wel aan dat zulke maatregelen weinig proportioneel zijn. Wij moeten daarin andere ministeries laten voorgaan.

Mevrouw Linhard (PvdA): Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik zou graag nog wat over de motie nieuwe winkelgebieden willen horen, eventueel in een schriftelijke reactie.

De heer Van Leeuwen (SP): Voorzitter. Heel kort nog over het convenant dat gesloten is en over de verplichting om de SER-ladder regionaal toe te passen. Het kan wel zo wezen dat dat zo op papier staat, maar tegelijkertijd staat er ook in het convenant dat, als partijen er onderling niet uitkomen, er een bemiddelende rol voor de provincie is. Als die er niet uitkomt, komt de minister bemiddelen en als dat niet lukt, is het einde verhaal. Waar het omgaat is: hoe kan je er bij decentralisatie voor zorgen dat je de provincies handvatten geeft, zodat ze het kunnen afdwingen? Daarbij komt de vraag of je op onderdelen in het convenant kunt afspreken waar die afspraken over gaan.

Verder heb ik inzake die recreatiewoningen gevraagd hoe het staat met het opheffen van het verschil tussen de reguliere woning en de recreatiewoning. Graag hoor ik van de minister of dat nu staand beleid is.

De heer Mastwijk (CDA): Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording in eerste termijn. Er zijn nog een paar puntjes blijven liggen. De minister gaat in de tweede termijn nog terugkomen op de voortgang inzake de nota van Van Heugten. Ik wil graag een schriftelijk antwoord hebben op de casus Stompwijk. Liever een gedegen dan een inderhaast gegeven antwoord, maar wel graag binnen twee weken, want wij moeten er wel mee voort. En graag nog een reactie op de meegroeiwoning.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Allereerst de vraag die was blijven liggen over het aanwijzen van het Groene Hart als rijksbufferzone. Het tweede punt is de openruimteheffing. Daar wil ik graag een reactie op van de minister. Het derde punt zijn de megastallen. Aanvankelijk waren die megastallen een landbouwkwestie. Je zag ook dat de landbouwbelangen overheersten. Inmiddels is de minister van VWS een vaste gast bij die commissie en eigenlijk vind ik dat ook VROM een vaste gast zou moeten zijn in die commissie, aangezien het ook over landschap gaat. Anders krijg je deelbelangen die elkaar overschaduwen. Ik snap de argumentatie heel goed. Deze is zorgvuldig, maar ook heel erg procedureel. Ik vind het jammer dat de minister voor zichzelf niet een belangrijker taak ziet weggelegd, omdat het ook over groene ruimte gaat.

De voorzitter: U gaat er zelf in de vaste commissie voor Landbouw over wie u uitnodigt voor debatten.

De heer Dibi (GroenLinks): Het was een aankondiging van een uitnodiging.

Voorzitter: Mastwijk

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. De recreatiewoningen laat ik noodgedwongen rusten tot die teksten er morgen zijn. Ik zit nog met het punt van het Groene Hart. Heeft de minister er zicht op wat er de afgelopen maanden door de provincies gedaan is om tot een betere bescherming te komen?

Voorzitter: Neppérus

Minister Huizinga-Heringa: Voorzitter. Er zijn in eerste termijn veel vragen gesteld, waarop ik zo goed mogelijk in een paar grote hoofdpunten geantwoord heb. Er liggen nog een aantal zaken, die los van elkaar staan. Op heel veel vragen zou ik graag schriftelijk willen reageren. Zo ook op zaken die in de tweede termijn aan de orde zijn gekomen. Ik sluit mij aan bij de heer Mastwijk: liever een degelijk antwoord dan een inderhaast gegeven antwoord. Ik zeg toe dat de schriftelijke beantwoording zo snel mogelijk naar de Kamer zal toekomen, maar er is wel wat tijd voor nodig.

De motie over de winkelgebieden van mevrouw Linhard wordt uitgevoerd op de volgende manier. Het creëren van ruimte voor kleinere winkeliers is op dit moment onderwerp van gesprek met de detailhandelwereld. Het gaat om een trend die niet alleen met ruimtelijke maatregelen te keren valt, want je hebt hier met meer zaken te maken. Het is mijn bedoeling om in dat gesprek tot oplossingen te komen die draagvlak hebben, zodat ze inderdaad tot een verbetering leiden. De motie wordt dus uiterst serieus genomen. Wij onderzoeken op dit moment welke maatregelen voldoende draagvlak zou kunnen hebben.

De heer Van Leeuwen vroeg inzake de recreatiewoningen of er niets meer wordt gebouwd waar het bestemmingsplan de bestemming verblijfsrecreatie heeft. In de Nota Ruimte en de AMvB Ruimte staat dat nieuwbouw voor recreatiewoningen alleen daar wordt toegestaan, waar ook nieuwbouw van reguliere woningen is toegestaan.

Mevrouw Wiegman sprak over de MKBA’s. Er komt eind mei een evaluatie van de werking van de MKBA’s in de Nota Ruimteprojecten. Zij stelde voor om gelijk alle MIRT-projecten mee te nemen. Dat lijkt mij geen goed idee. Als wij eind mei die evaluatie willen hebben, zodanig dat wij er iets mee kunnen voor het spelregelkader, dan moeten wij er nu geen andere zaken meer aan toevoegen. Daarbij is ook vanuit V en W het gebruik van MKBA’s onderwerp van onderzoek, als het gaat om openbaar vervoer en mobiliteit in zijn algemeenheid. Het is dus niet zo dat daar niet naar gekeken wordt. Het lijkt mij het beste om het voort te zetten zoals het ingezet is, zodat wij eind mei een evaluatie hebben waarop wij verder kunnen werken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik ben bereid om op die evaluatie te wachten, maar dan wil ik daar graag direct een kabinetsreactie bij, zodat wij die kunnen gebruiken voor de debatten die daarna zullen volgen.

Minister Huizinga-Heringa: Dat zeg ik graag toe, rekening houdend met de demissionaire status van het kabinet natuurlijk. Als de Kamer vraagt om daar maatregelen en een vervolg bij te geven, dan zeg ik dat graag toe.

Er is opgemerkt door de heer Van Leeuwen dat er zaken in het convenant zouden moeten zitten om het beter af te dwingen. Ik denk dat ik daar in mijn eerste termijn al op ben ingegaan. Nogmaals, die SER-ladder is een heel stevig aanknopingspunt, waarmee provincies gemeenten kunnen dwingen en waarop wij de provincies kunnen afrekenen. Met de toezegging aan de Kamer om haar na afloop van het convenant mee te delen hoe het met de uitvoering van de regionale samenwerking staat, denk ik dat er genoeg druk op de ketel staat.

Over de voortgang van de nota van Van Heugten heb ik in mijn enthousiasme gezegd dat ik daarop in mijn tweede termijn zou terugkomen, maar ik moet deze belofte intrekken. Daar kom ik graag schriftelijk op terug. Ook op het Groene Hart, de bufferzone en de openruimteheffing kom ik schriftelijk terug.

Inzake de megastallen zegt de heer Dibi dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. Daar waar mijn verantwoordelijkheid als minister van VROM in de ruimtelijke inpassing ligt, neem ik die voluit. Daar waar de verantwoordelijkheid van het kabinet in eerste instantie bij andere bewindspersonen is belegd, vind ik dat zij die voluit moeten nemen. Dan zouden wij uiteindelijk tot een gedragen kabinetsstandpunt moeten komen. Het eerste aanspreekpunt is niet VROM.

De voorzitter: Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De minister komt met een reactie op de leegstand van kantoren. Daarin worden de aanbevelingen van de Taskforce Transformatie Utrecht meegenomen. De Kamer wordt hierover voor de zomer geïnformeerd.

  • De minister stuurt eind 2012, begin 2013 haar bevindingen over de werking van het Convenant Bedrijventerreinen naar de Kamer.

  • De minister komt voor 16 april aanstaande schriftelijk terug op wat er met de resultaten van de commissie-Jorritsma wordt gedaan.

  • De minister beantwoordt voor 16 april aanstaande de openstaande vragen uit dit algemeen overleg over de plattelandswoning, de meegroeiwoning, de openruimteheffing, het Groene Hart, de bufferzone en de casus Stompwijk.

  • De minister stuurt zo snel mogelijk – het streven is voor de zomer – de evaluatie van de MKBA’s van de Nota Ruimteprojecten met een kabinetsreactie naar de Kamer.